GIS 1000 C Professional - Camera BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis GIS 1000 C Professional BOSCH in PDF-formaat.
Veelgestelde vragen - GIS 1000 C Professional BOSCH
Gebruikersvragen over GIS 1000 C Professional BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Camera in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GIS 1000 C Professional - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GIS 1000 C Professional van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING GIS 1000 C Professional BOSCH
nOorspronkelijke gebruiksaanwijzing
da Originalbrugsanvising
Sv Bruksanvisning iorigine
no Original driftsinstruks
fAlkuperasetbject
Veiligheidsvoorschriften

Alle instructies要去en gelezen en in acht genomen worden om met het meetgereed-schap zonder gevaar en veilig te werkken. Als het meetgereedschap Niet volgens de voorhanden instructies gebruikt worden,
kunnen de geintegreerde veiligheidsvoorzieningen in het meetgereedschap gehinderd worden. Maak waarschu-wingsstickers op het meetgereedschap nooit onleesbaar. BEWAAR DEZE INSTRUCTIES ZORGVULDIG EN GEEF ZE BIJ HET DOORGEVEN VAN HET MEETGEREEDSCHAP MEE.
Voorzichtig - wanner andere dan de hier vermelde bedienings- en instelvoorzieningen worden gebruikt of andere procedures worden uitgevoerd, kan dit tot geleerde stralingsblootstelling leiden.
Het meetgereedschap worden geleverd met een waarschuwingsplaatje (in de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen aangeduid met nummer 7).

- Als de tekst van het waarschuwingsplaatje Niet in de taal van uw land is, plak er dan voor de eerste ingebruikneming de meegeleverde sticker in de taal van uw land op.

Richt de laserstraal Niet op Personen of dieren en kijk Niet zich in de directe of reflecterende laserstraal. Daardoor sunt u Personen verblinden, ongevallen veroorzaken of het oog beschadigen.
Als laserstraling het oog raakt, dan moeten de ogen bewust gesloten worden en要去 het hoofd onmiddelijkuit de straal bewogen worden.
Breng geen wijzigingen aan de laserinrichting aan.
- Gebruik de laserbril Niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het better herkennen van de laserstraal, maar biedt geen bescherming gegen de laserstralen.
- Gebruik de laserbril Niet als zonnebril en Niet in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige bescherming gegen ultravioletstralen en vermindert de waarneming van kleuren.
Laat het meetgereedschap repareren door gekwalific- ceerd, vakkundig personneel en alleen met originele verwangingsonderdelen. Daarmee worden gewaarborgd dat de veiligheid van het meetgereedschap in stand blijft.
Laat kinderen het lasermeetgereedschap nicht zonder toezicht gebruiken. Anders können personen worden verblind.
Werk met het meetgereedschap Niet in een omgeving met explosiegevaar waarin zich brandbare vloeistoffen, brandbare gassen of brandaar stof bevinden. In het meetgereedschap konnen vomken ontstaan die het stof of de dampen tot ontsteking brengen.
Richt de lichtstraal Niet op Personen of dieren en kijk zichniet in de lichtstraal, ook Niet vanaf een groe afstand.
Verwijder altijd de accu of de batterijen voor werkzaamheden aan het meetgereedschap (zoals montage en onderhoud) en voor het vervoeren en opbergen van het meetgereedschap. Bij per ongeluk bedieren van de aan/uit-schakelaar bestaat verwondingsgevaar.
Open de accu Niet. Er bestaat gevaar voor kortsluiting.
Beschem de accu gegenitte, bijv. ook gegen fel zonlicht, vuur, water en vocht. Er bestaat explosiegevaar.
Voorkom aanraking van de Niet-gebruekte accu met paperclips, Munten, sleutels, spijkers, schroeven en anderekleine metalen voorwerpen die overbrugging van de contacten kan denoortaken. Kortsluiting tussend de accucontacten kan brandwonden of brand tot gevolghobben.
Bij verkeerd gebruik kan vloeistof uit de accu lekken. Voorkom contact daarmee. Bij onvoorzien contact afspoelen met water. Als de vloeistof in de ogen komt, dient u bovendien een arts te raadplegen. Gelekte accuvloeistof kan tot huidirritaties en brandwonden leiden.
Bij beschadiging en onjuist gebruik van de accu kuren er dampen vrijkomen. Zorg voor frisse lucht en raadpleeg bij klachten een arts. De dampen kuren de luchtwegen irriteren.
Laad accu's alleen op in oplaadapparaten die door de fabrikant worden geadviseerd. Voor een oplaadappaarat dat voor een bepaald type accu geschikt is, bestaat brandgevaar wanner het met andere accu's worden gebruikt.
- Gebruik de accu alleen in combinatie met uw Bosch-product. Alleen zo worden de accu gegen gevaarlijke overbelasting beschermd.
- Gebruik alleen originele Bosch-accu's met de op het typeplaatje van het meetgereedschap aangegeven spanning. Bij gebruik van andere accu's, zoals imitations, opgeknapte accu's of accu's van andere merken, bestaat gevaar voor persoonlijk letsel en materiele schade door exploderende accu's.
Door scherpe voorwerpen, zoals bijv. spijkers of schroevendraaiers of door krachtinwerking van buitenaf kan de accu beschadigd worden. Er kan een interne kortsluiting ontstaan en de accu doen branden, roken, exploderen of oververhitten.
Opgelet! Bij het gebruik van hetmeetgereedschap met Bluetooth® kan een storing aan andere apparaten en installaties, vliegtuigen en medische apparaten (bijv. pacemakers, hoorapparaten) optreden. Eveneens kan schade aan mens en dier in de directe omgeving Niet volledig uitgesloten worden. Gebruik het meetgereedschap met Bluetooth® Niet in de buurt van medische apparaten, tankstations, chemische installations, gebieden met explosiegevaar en in explosiegebieden. Gebruik het meetgereedschap met Bluetooth® Niet in vliegtuigen. Vermijd het gebruik gedurende een langereperiode in de directe omgeving van het lichaam.
Het Bluetooth®-woordmerk alsook de beeldtekens (logo's) zich gedeponeerde handelsmerken en eigendom van Bluetooth SIG, Inc. Elk gekruik van dit woordmerk/deze beeldtekens door Robert Bosch GmbH gebeurt onder li-centie.
Product- en vermogensbeschrijving
Vouw de uitvouwbare pagina met de afbeelding van het meetgereedschap open en LAST deze pagina opengevouwen terwijl u de gebruiksaanwijzing leest.
Gebruik volgens bestemming
Het meetgereedschap is bestem voor de contactloze meting van oppervlaktetemperatuur, omgevingstemperatuur en relatieve luchtvochtigheid. Het berekent de dauwpunttemperatuur en wijst op warmtebruggen en schimmelgevaar. Met het meetgereedschap kan den geen schimmelsporen gedeteerd worden. Het kan wel helpen om onstandigheden vroegtijdig te herkennen waaronder zich schimmelsporen kan den vormen.
Het meetgereedschap mag Niet voor de temperatuurmeting bij Personen en dieren of voor andere medische doeleinden gezruikt worden.
Het meetgereedschap is nicht geschikt voor de meting van de oppervlaktetemperatuur van gassen. De temperatuurmeting van vloeistoffen is uitsluitend met behulp van een gangbaar thermo-element (aansluitype K) möglichk, dat via de waarvoor bestemde interface 25 op het meetgereedschap kan worden aangesloten.
Hetlicht van ditmeetgereedschap is bestemd voor de verlichting van het directe werkbereik van het meetgereedschap voor beeldopnames. Het is Niet geschikt voor de ruimteverlichting in huishoudens.
De laserpuntenogenietalsaserpointwerendegruikt. Ze dienen uitsluitend voor de markings van hetmeetvlak.
Afegebeelde componenten
De componenten zijn genummerd zoals op de afbeelding van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen.
1 Afdekking micro-USB-bus/aansluiting thermo-element (type K)
2 Opening voor laserstraal
3 Ontgrendelingstoets accu/batterij-adapter/ batterijvakdeksel
4 Toets Meten/Aan-toets
5 Luchtvochtigheids- en omgevingstemperatuursensor
6 Serienummer
7 Laser-waarschuwingsplaatje
8 Micro-USB-kabel
9 Toets Opslaan/ via Bluetooth® verzenden
10 Functietoets rechts
11 Pijltoets rechts
12 Aan/uit-toets
13 Pijltoets omlaag/vergrotingsniveau verlagen
14 Aan/Uit-toetslicht
15 Pijltoets links
16 Pijltoets omhoog/vergrottingsniveau verhogen
17 Functietoets links
18 Display
19 Beschermkapje luchtvochtigheids- en omgevingstemperatuursensor
20 Opname draagriem
21 Beschermkapje infrarood-ontvangstlens
22 Camera
23 Ontvangstlens infraroodstraling
24 Licht
25 Type-K-aansluiting voor thermo-element
26 Micro-USB-bus
27 Huls batterij-adapter
28 Afsuitkap batterij-adapter
29 Accuschacht
30 Accu*
31 Deksel van batterijvak
- Niet elk afgebeeld en beschreiben toebehoren worden standaard meegeleverd.
Technische gegevens
| Thermodetector GIS 1000 C GIS 1000 C | ||
| Productnummer | 3601 K83 3.. 3601 K83 370 | |
| Werkbereik | 0,1-5m | 0,1-5m |
| Meetbereik | ||
| - oppervlaktetemperatuur | -40...+1000 °C | -40...+1000 °C |
| - contacttemperatuur | -40...+1000 °C | -40...+1000 °C |
| - omgevingstemperatuur | -10...+50 °C | -10...+50 °C |
| - relativie luchtvochtigheid | 0...100% | 0...100% |
| Meetnauwkeurigheid (kenmerkend) | ||
| Oppervlaktetemperatuur1)2) | ||
| -40...-20,1 °C | ±2,5 °C | ±2,5 °C |
| -20...-0,1 °C | ±1,5 °C | ±1,5 °C |
| 0...+100 °C | ±1°C | ±1°C |
| >+100 °C | ±1% (>400 °C=±2%) | ±1% (>400 °C=±2%) |
| Omgevingstemperatuur | ||
| typisch | ±1 °C | ±1 °C |
| Relatieve luchtvochtigheid2) | ||
| <20% | ±3% | ±3% |
| 20...60% | ±2% | ±2% |
| 60...90% | ±3% | ±3% |
| Lens (verhouding meetafstand :meetvlek)3)4) | 50:150:1 | |
| Laserklasse | 2 | 2 |
| Lasertype (typisch) | 635 nm, <1 mW | 635 nm, <1 mW |
| Diameter laserstraal (bij 25 °C) ca. | ||
| - op 1 m afstand | 6 mm | 6 mm |
| - op 5 m afstand | 10 mm | 10 mm |
| Batterijen (alkali-mangaan) | 4 x 1,5 VLR6 (AA) (met batterij-adapter) | 4 x 1,5 VLR6 (AA) |
| Accu (lithiumion) | 10,8 V | - |
| Gebruiksduur | ||
| - Batterijen (alkali-mangaan) | 3 h | 3 h |
| - Accu (lithiumion) | 5 h | - |
| Aantal foto's in het interne beeldgeugen (typisch) | >200>200 | |
| Bluetooth® | Bluetooth® 4.0 (Classic en Low Energy)5) | Bluetooth® 4.0 (Classic en Low Energy)5) |
| USB-aansluiting | 2.0 (1.1-compatible) | 2.0 (1.1-compatible) |
| Gewicht volgens EPTA-Procedure 01/2003 | 0,55 kg | 0,55 kg |
| Afmetingen (lenfte x bredte x hoogte) | 136 x 89 x 214 mm | 136 x 89 x 214 mm |
| Toegestane omgevingstemperatuur | ||
| - bij het laden | 0...+45 °C | - |
| - bij het gebruik6) | -10...+50 °C | -10...+50 °C |
| - bij opslag | -20...+70 °C | -20...+70 °C |
| Aanbevolen accu's | GBA 10,8V ... | - |
| Aanbevolen laadapparaten | AL 11.. CV | - |
1) bij 0,80 m meetafstand tot oppervlak
2) bij een omgevingstemperatuur van 20- 23^ en een emissiegraad van >0,999
3) Vermelding volgens VDI/VDE 3511 blad 4.3 (verschijningsdatum juli 2005); geldt voor 90% van het meetsignaal. In alle bereiken buiten de weergegeven grootheden in de technische gegevens konnen afwijkingen van de meetresultaten optreden.
4) Heeft betrekking op infraroodmeting, zie grafiek:

5) Bij Bluetooth®-Low-Energy-toestellen kan afhankelijk van model en besturingsysteme geen verbindingsopbouw möglichlijk zijn. Bluetooth®-toestellen要去en het SPP-profiel ondersteunen.
6) beperkt vermogen bij temperaturen < 0^ Technische gevevens bepaald met meegeleverde accu.
Het serienummer 6 op het typeplaatje dient voor de eenduidige identificatie van uw meetgereedschap.
Conformiteitsverklaring
Wij verzklaren op eigencverantwoordelijkheid dat het onder "Technische gegevens" beschreiben product voldoet aan alle desbetreffende bepalingen van de richtlijnen 2009/125/EG (verorderinging 1194/2012), 1999/5/EG, 2011/65/EU inclusief wijzigingen ervan en overeenstemt met de volgende normen: EN 61010-1:2010-10, EN 60825-1:2014-08, EN 300 328 V1.8.1:2012-06, EN 301 489-1 V1.8.1:2008-04, EN 301 489-1 V1.9.2:2011-09, EN 301 489-17 V2.2.1:2012-09, EN 62479:2010-09.
Technische documenten bij: Robert Bosch GmbH, PT/ETM9, 70764 Leinfelden-Echterdingen, GERMANY
Het meetgereedschap kan met in de handel verkrijgbare batterijen of met een Bosch lithiumionaccu worden gebruikt. Productnummer 3601 K83 370: Het meetgereedschap kanuitsluitend met gangbare batterijen worden gebruikt.
Gebruik met batterijen (niet bij zaaknummer 3601 K83 370) (zie afbeelding A)
De batterijen worden in de batterij-adapter geplaatst.
De accu-adapter is uitsluitend voor het gebruik in waar-voor bestemde Bosch-meetgereedschappen bestemd en mag Niet met elektrische gereedschappen gebruikt worden.
Voor hetplaatsen van de batterijnen schuift u de huls 27 van de batterij-adapter in de accuschacht 29. Plaats de batterijen volgens de afbeeling op de afsluitkap 28 in de huls. Schuif de afsluitkap over de huls tot deze voelbaar vastklikt en vlak afsluit met de handgreep van hetmeetgereedschap.
Voor het wegemen van de batterijen drukt u op de ontgrendelingstoetsen 3 van de afsluitkap 28 en trekt u de afsluitkap eraf. Leter hier bij op dat de batterijen er Niet uitvallen. Houd het meetgereedschap zodanig vast dat de accuschacht 29aar boven gericht is. Verwijder de batterijen. Om de binnenliggende huls 27uit de accuschacht 29 te verwijderen, grijt u in de huls en trekt u deze met een lichte druk op de zijwand uit het meetgereedschap.
Vervang alsd alle batterijen tegelijkertijd. Gebruik alleen batterijen van een fabrikant en met bezelfde capaciteit.
Neem de batterijen uit het meetgereedschap als u het langdurig Niet gebruikt. Als de batterijen lang worden bewaard, können deze gaan roesten en leegraken.
Gebruik met accu (niet bij zaaknummer 3601 K83 370) (zie afbeelding B)
Opmerking: Het gebruik van zich voor uw meetgereedschap geschiktte accu's kan tot storingen of tot beschadiging van het meetgereedschap leiden.
Opmerking: De accu worden deels opgeladen geleverd. Om de volledige capaciteit van de accu te verkrijgen, laadt u voor het eerste gebruik de accu volledig in het oplaadapparaat op.
- Gebruik alleen de in de technische gegevens vermelde oplaadapparaten. Alleen deze oplaadapparaten zich afge-stemd op de Li-Ion-accu die bij uw meetgereedschap要去 worden gebruikt.
De lithiumionaccu kan op elk moment worden opgeladen zonder de levensduur te verkorten. Een onderbreking van het opladen schaadt de accu Niet.
Druk na het automatisch uitschakelen van het meetgereedschap Niet verder op de aan/uittoets. De accu kan anders beschadigd worden.
Voor hetplaaten van de geladen accu 30 schuift u deze in de accuschacht 29 tot deze voelbaar vastklikt en vlak aflsuit met de handgreep van hetmeetgereedschap.
Voor het wegemen van de accu 30 drukt u op de ontgrende-lingstoetsen 3 en trekt u de accuuit de accuschacht 29. Gebruik waar bij geen geweld.
Gebruik met batterijen (3601 K83 370) (zie afbeelding C)
Voor het openen van het batterijvakdeksel 31 drukt u op de ontgrendelingstoetsen 3 en neemt u het batterijvakdeksel weg.
Let bij hetplaatsen van de batterijen op de juiste positie van plus-en min-pool volgens de afbeelding op het batterijvakdeksel.
Breng het batterijvakdeksel 31 waar aan en LAST dit voelbaar vastklikken.
Vervang alsd alle batterijen tegelijkertijd. Gebruik alleen batterijen van een fabrikant en met bezelfde capaciteit.
Neem de batterijen uit het meetgereedschap als u het langdurig Niet gebruikt. Als de batterijen lang worden bewaard, können deze gaan roesten en leegraken.
Oplaadindicatie
De oplaadaanduiding g in het display geeft de laadtoestand van de batterijen of de accu 30 aan.
| Indicatie Capaciteit | |
| >2/3 | |
| ≤2/3 | |
| ≤1/3 | |
| ≤10 % | |
| Batterijen of accu wisselen |
Gebruik
Ingebruikneming
Beschem het meetgereedschap gegen vocht, direct zonlicht alsook stof en vuil.
Stel het meetgereedschap Niet bloot aan extreme temperaten of temperatuurschommelingen. Laat het bij-voorbeeld Niet mange tijd in de auto liggen. Laat het meetgereedschap bij grote temperatuurschommelingen eerst op de juiste temperatuur komen voordat u het in gebruik neemt. Bij extreme temperaten of temperatuurschommelingen kan de nauwkeurigheid van het meetgereed-schap nadelig worden beinvloed.
Let op een correcte acclimatisering van het meetgereedschap. Bij sterke temperatuurschommelingen kan de acclimatiseringstijd tot 15 minuten bedragen.
Vermijd krachtige stoten of vallen van het meetgereedschap. Na sterke uitwendige invloeden en bij opvallende zaken in de functionaliteit moet u het meetgereedschap bij een geauthoriseerde Bosch-klantendienst latent controleren.
Het meetgereedschap is met een radio-interface uitgerust. Lokale gebruiksbeperkingen, bijv. in vliegtuigen of ziekenhuizen要去en in acht genomen worden.
In- enuitschakelen
Verwijder het beschermkapje 21 van de infrarood-ontvangstens 23 en het beschermkapje 19 van de luchtvochtigheidsen omgevingstemperatuursensor 5. Let erijdens het werk op dat camera 22, ontvangstens 23 en sensor 5 Niet worden afgesloten of afgedekt, waar dit anders geen correcte metingen möglichk zijn.
Voor het inschakelen van het meetgereedschap drukt u op de Aan/Uit-toets 12 of op de toets Meten 4. Op het display 18 verschijnt een startsequentie. Na de startsequentie bevindt het meetgereedschap zich in de modus die bij de LASTe koer uitschakelen werd opgeslagen. De lasers zijn nog nicht ingeschakeld.
Uitsluitend bij de eerste ingebruikname verschijnt na de start-sequentie bovendien het menu „Toestel", waarin u de instellen gingen van het meetgereedschap zoals bijv. de taal van alle aanduidingen kunt vastleggen (bediening zie „Submenu „Toestel", paging 100). Bevestig de gekozen instelleningen door op de linker functietoets 17 te drukken. Alle instelleningen konnen ook achteraf in het submenu „Toestel" worden gewijzigd.
Laat het ingeschakelde meetgereedschap Niet onbeheerd awhile en schakel het meetgereedschap na gelebruikuit. Andere Personen können door de laserstraal verblind worden.
Richt de laserstraal Niet op Personen of dieren en kijk zichniet in de laserstraal, ook Niet vanaf een große afstand.
De helderheid van de displayverlichting worden bij fabrieksinstelling 30 seconden nadat op een toets werk gedrukt, omwille van energiezuinigheid verminderd. Bij drukken op een willekeurige toets worden de displayverlichting weer op volle sterkte ingeschakeld. In het menu „Lichtduur" kunt u deze verlichtingstijd wijzigden (zie „Lichtduur", pagina 100).
Voor het uitschakelen van het meetgereedschap drukt u op de Aan/Uit- toets. Het meetgereedschap slaat de actuèle modus evenals deinstallingen op en schakelt daarna uit. Plaats het beschemkapje 21 weeop de ontvangstlens 23 en het beschemkapje 19 op de luchtvochtigheids-en omgevingstemperatuursensor 5.
Schakel het meetgereedschap Niet UIT door de accu of batterij-adapter weg te nemen,umat waar bij in ongunstige gevallen het interne geheugen kan worden beschadigd.
In het menu „Uitschakeltijd" kunt u instellen of en na welk tijdsinterval zonder drukken op een toets/zonder meting het meetgereedschap automatisch wordenuitgeschakeld (zie „Uitschakeltijd", paginga 100). Ook bij het automatisch uitschaken worden de actuèle modus en de instelleningen opgeslagen.
Als de accu of het meetgereedschap zich buiten de in de Technische gegevens aangegeven gebruikstemperatuur bevindt, dan worden het meetgereedschap na een korte waarschuwing (zie „Oorzaken en oplossingen van fouten", paging 101) automatischuitgeschakeld. Laat het meetgereedschap wee op de juiste temperatuur komen en schakel het dan weer in.
Om energia te sparen, schakelt u het meetgereedschap alleen in als u het gebruikt.
Vergrottingsniveau instellen
Het beeldfragment op het display kan voor ropende metingen evenals bij de weergave van opgeslagen screenshots in drie verzillende vergrottingsniveauaus worden weergegeven: 0,5m,2men5m.
De vergrotingsniveauaui xijn geoptimaliseerd voor de desbetreffende afstand tussen meetgereedschap en meetobject: bij een meetafstand van 2 m geeft het vergrotingsniveau _· ,2m^ het (typisch) Beste beeldfragment weer.
Het actuele vergrotingsniveau verschijnt in de aanduiding e. Voor het verhogen van het vergrotingsniveau drukt u op de pijltoets omhoog 16, voor het verlagen op de pijltoets omlaag 13.
Meetvlak verlichten
Bij het meten in donkere bereiken(Intu het licht 24 inschakelen om de weergave van de beeldscherminhoud te verbeteren. Dit kan u helpen om bij het opslaan van screenshots een beter resultaat te verkrijgen.
Druk voor het in- of uitschakelen van hetlicht 24 op de toets 14.
Hetlicht wordt omwille van energiezuinigheid automatischuitgeschakeld, wanneer de helderheid van de displayverlichting wordt verminderd. In het menu „Lichtduur" kunt u dezeverlichtingstijd wijzigen (zie „Lichtduur", pagina 100). Bij het opnieuw inschakelen van de displayverlichting wordt hetlicht nicht automatisch ingeschakeld.
Wanneer de laadtoestand van de accu zich in het kritische bereik bevindt, is het Licht omwille van energiezuinigheid nicht beschikbaar.
Meetvoorbereiding
Emissiegraad voor oppervlaktetemperatuurmetingen instellen
Voor de befaling van de oppervlaktetemperatuur wordt aanrakingsloos de naturulijke infraroodwarmtestraling gemeten die wordt uit gezonden door het voorwerp waarop de laser wordtGERicht. Voor correcte metingen moet de op het meetgereedschap ingestelde emissiegraad (zie „Emissiegraad", pagina 101) voor elkemeting gecontroleerd en indien nodig aan het meetvoorwerp aangepast worden.
Om de ingestelde emissiegraad te wijzigen, vraagt u het „Hoofdmenu" op (zie „Navigeren in het „Hoofdmenu""', pagina 99).
-
Voor enkele van de meest voorkomende materialen kan worden gekozen uit opgeslagen emissiegraden. Kies in het menupunt „Material" het passende materiaal. De bijbehorende emissiegraad verschijnt in de regel eronder.
-
Wanner u de precisez emissiegraad van uw meetobject weet, dan kunt u deze ook als getalswaarde in het menupunt „Emissiegraad" instellen.
Win informatatie in over de emissiegraad van uw materiaal. Naast de in het meetgereedschap opgeslagen materialen vindt u nog enkele andere in de onderstaande tabel.
Material Emissiegraad
| Aluminium, gepolijst 0,04 | |
| Aluminium, geoxideerd 0,25 | |
| Mressing 0,04 | |
| Mressing, geoxideerd 0,61 | |
| IJzer, gepolijst 0,20 | |
| IJzer, aangeroest 0,65 | |
| IJzer, verzinkt 0,25 | |
| Chroom, gepolijst 0,07 | |
| Dakvilt | 0,90 |
| Glas | 0,88 |
Correcte oppervlaktetemperatuurindicaties zijn alleen mogelijk als de ingestelde emissiegraad en de emissiegraad van het voorwerp overeenkomen. Correcte aanduidingen van warmtebruggen en schimmelgevaar zich eveneens afhankelijk van de ingestelde emissiegraad.
Als meerere meetobjecten van verschillend materiaal of van verschillende structuurijdens een meetproces worden ges meten, dan is de aanduiding van de oppervlaktetemperatuur alleen bindend bij de objecten die bij de ingestelde emissiegraad passen.
Meetoppervlak bij oppervlaktetemperatuurmetingen
De door het meetgereedschap geprodueerde laserpunten goven de linker en rechtier begrenzing van het cirkelvormige meetvlak aan. Bij de contactloze meting van de oppervaktete temperatuur worden de infraroodstraling van dit meetvlak bepaald.
Voor een optimaal meetresultaat lijnt u hetmeetgereedschap zo verticaal mogelijk op het middelpunt van het meetvlakuit.
Richt de laserstraal Niet op Personen of dieren en kijk zich nicht in de laserstraal, ook Niet vanaf een große afstand.
De afstand van de laserpunten en zodoende de grootte van het meetvlak neemt toe met de afstandussenmeetgereedschap en meetobject (zie „Technische gegevens", pagina 92). De optimale meetafstand bedraagt 0,8m
Houd het meetgereedschap Niet vlak bij hete oppervlakken. Het meetgereedschap kan door de hitte beschadigd worden.
Als de laserpunten slecht te zien,zijn, dan kunt u het Meetkader b op het display inschakelen (zie „Meetkader", pagina 100). Het meetkader kan als indicator voor het meetvlak worden gebruikt en dient voor een betere orientatie. Afhankelijk van de meetafstand kan het meetkader afwijken van het meetvlak.Doorslaggevend voor de meting is het bereik dat zich:tussen de laserpunten bevindt.
Opmerkingen over de meetvoorwaarden
Sterk reflecterende of glanzende oppervlakken (bijv. glanzende tegels of blanke metalen) kann den meting van de oppervaktetemperatuur belemmeren. Plak indien nodig het meetvlak af met een donkere, matte plakband die goed warmtegeleidend is. Laat de plakband op het oppervlak even op de juiste temperatuur komen.
Let bij reflecterende oppervlakken op een gunshote meethoek, zodat gereflecteerde warmtestraling van andere objec-ten het resultaat Niet vervalst. Zo kan bijvoorbeeld bij metingen verticaal van voren de reflectie van uw lichaamswarmte de meting storen.
De meting door transparante materialen (bijv. glas of transpa- rante kunststoffen) heen is vanwege het principe Niet mogelijk.
De meetresultaten worden nauwkeuriger en betrouwaarder naarmate de meetomstandigheden beter en stabiiler zich.
De luchtvochtigheids- en omgevingstemperatuursensor 5 kan door chemische schadelijke stoffen zoals bijv. uitdamping van lak of verf worden beschadigd. De infrarood-temperatuurmeting worden belemmerd door rook, stoom of stoffige lustcht.
Ventileer waarom bij de meting in binnenvertrekken voor de meting de ruimte, vooral wonneer de lucht verruild of erg nevelig is.
Laat de ruimte na het ventileren eenijdje op temperatuur komen tot deze weer de gebruikelijkke temperatuur heeft bereikt.
Omgevingstemperatuur en relatieve luchtvochtigheid worden direct op het meetgereedschap gemeten met de luchtvochtigheids- en omgevingstemperatuursensor 5. Houd voor bewijskrachtige resultaten het meetgereedschap Niet direct boven of naast storingsbronnen zoals verwarmingen of open vloeistoffen. Dek de sensor 5 in geen geval af.
Meetfunctions

Standaard displayschem
a Datum/tijd: zie „Tijd/datum", pagina 100
b Meetkader: zie „Meetoppervlak bij oppervlaktetemperatuurmetingen“, pagina 95
c Toestandsaanduiding:

Meetgereedschap is gereed voor meting, druk op de toets Meten 4.

(Continu-)meting bezig, lasers zichin ingeschakeld.

Meting beeindigd, lasers zich uitgeschakeld, meetresultaten zich vastgelegd.
d Aanduiding geluidssignaal uitgeschakeld (zie „Geluidssignaal", pagina 100)
e Aanduiding vergrottingsniveau: zie „Vergrottingsniveau instellen", pagina 95
f Aanduiding Bluetooth® ingeschakeld (zie „Gegevensoverdracht via Bluetooth®, paging 99)
g Oplaadaanduiding: zie „Oplaadindicatie", pagina 94
h Functie-aanduiding/meetwaarde relatieve luchtvochtigheid
i Functie-aanduiding/meetwaarde omgevingstemperatuur
j Functie-aanduiding/resultaat dauwpunttemperatuur
k Minimale/maximale meetwaarde oppervlaktetemperatuur tijdens een meetproces
I Resultaatschaal
mMenusymbool
n Aanduiding oppervlaktetemperatuur-alarm: zie „Oppervlaktetemperatuur-alarm", pagina 97
o Meetwaarde oppervlaktetemperatuurmeting
p Actuele modus
q Markering meetwaarde of resultaat (afhankelijk van gekozen modus)
r Galerijsymbolbool
s Functie-aanduiding/meetwaarde gemiddelde temperatuur
t Functie-aanduiding/meetwaarde contacttemperatuur
u Aanduiding emissiegraad
v Symbool voor opslaan
Afzonderlijke meting
Door een keer kort op de toets Meten 4 te drukken schakelt u de lasers in en activeert u een individuelle meting in de gekozen modus. Houd het meetgereedschap zonder te bewegen op het meetobject gericht tot de meetwaarde verschijnt. Het meetproces kan tot 1 seconde duren.
Na aflsuiing van de meting worden de lasers automatisch uitgeschakeld. Op het display verzchijnen de meetresultaten.
Druk opniew op de toets Meten 4 om een neue meting met de ingestelde meetparameters te starten.
Duurmeting
Houd voor continumetingen in de gekozen modus de toets Meten 4 ingedrukt. De lasers blijven ingeschakeld. Richt de laserpunten met een langzame beweging achtereenvolgens op alle oppervlakken waarvan u de temperatuur wilt meten. Voor metingen van vochtigheid en omgevingstemperatuur beweegt u het meetgereedschap langzaam in de ruimte.
De aanduidingen op het display worden voortdurend bijgewerkt. Zodra u de toets Meten 4 loslaat, wordt de meting onderbroken en worden de lasersuitgeschakeld. Ophet display worden de LASTMEETRESULTATEN vastgelegd.
Druk opniew op de toets Meten 4 om een neue meting met de ingestelde meetparameters te starten.
Meetresultaten opslaan/weergeven/verzenden
Naafsuiing van een meting verschijnt op het display het symbol voor opslaan ±b om aan te geven dat u de meetresultaten kunt opslaan. Druk hiervoor op de toets Opslaan/ Verzenden 9.
De meetresultaten worden als JPG-bestand (screenshot van het vastgelegde display) opgeslagen.
| - Voor het weergeven van opgeslagen screen-shots drukt u op de linker functietoets 17 on-der het galerijsymbol r. Op het display ver-schijnt het LAST opgeslagen screenshot. | |
| - Druk op de pijltoetsen rechts 11 of links 15om:tussen de opgeslagen screenshots te wisselen. | |
| - Voor het verzenden van het weergeveenmeetresultaat viaBluetooth®drukt u op de toets Opslaan/Verzenden 9. Als de Blue-tooth®-verbinding nog Niet is ingeschakeld(zie „Gegevensoverdracht viaBluetooth®",pageina 99), dan worden deze geactiveerd door op de toets Opslaan/Verzenden te drukken. | |
| - Voor het wissen van het weergeveenvscreenshot drukt u op de rechtter functietoets10onder het prullenbak-symbool. | |
| - Om het wissen te bevestigen, drukt u op de lin-ker functietoets 17 onder het vinkje-symbool. | |
| - Om het wissen te annuleren, drukt u op derechtier functietoets 10onder het kruis-symbool. | |
| - Om de galerijweergave te verlaten en terug te keren maar de meetmodus, drukt u op de lin-ker functietoets 17 onder het vorige-symbool. |
U kunt ook alle opgeslagen bestanden in een keer wissen. Zie hiervoort „Alle fot's wissen", pagina 100.
Oppervaktetemperatuurmodus
In de oppervlaktetemperatuurmodus worden de oppervlakte-temperatuur van een meetvoorwerp gemeten.
In deze modus kurz u bijv. oververhitte zekeringen zoeken of cv- of warmwaterleidingen detecteren.
Voor het wisselenaar de oppervaktetemperatuur-modus keert u eventueel terugaar het standard displayschem. Druk daarna zo vaak op de pijtoets links 15 of de pijtoets rechts 11 tot het venster „Oppervaktetemperatuur" met een korte toelichting van de modus verschijnt. Om de toelichting voortijdig te verbergen, drukt u op de toets Opslaan 9. Om de toelichting te verbergen en direct een meting te starten, drukt u op de toets Meten 4.
Druk op de toets Meten 4 enricht het meetgereedschap verticaal op het midden van het meetobject. Na aflsuiing van de meting worden de oppervlaktetemperatuur van het meetobject waar het LAST op werk gericht, in de aanduiding o vastgelegd.
Bijcontinumetingenverschijntdelaststgemetenoppervaktetemperatuurmet de marketingqop de resultaatschaalI.De minimale en de maximale temperatuurwaarde van het meetprocesverschijnen in de aanduidingk, zodra het verschil van demeetwaardeneer dan 3^ bedraagt.Zo kunt u zien hoe hoog de actuèlemeetwaarde in verhouding tot de reeds gemeten temperaturen is.
Oppervaktetemperatuur-alarm
Het oppervlaktetemperatuur-alarm kan in alle modi worden gebruikt. U=kunt een minimum- en een maximumtemperatuur vastleggen.
Als de temperatuur onder de minimumtemperatuur komt, dan knippert de aanduiding temperatuuralarm n blauw en bij ingeschakeld geluidssignaal is een waarschuwingssignaal te horen.
Als de temperatuur boven de maximumtemperatuur komt, dan knippert de aanduiding temperatuuralarm n rood en bij ingeschakeld geluidssignaal is een waarschuwingssignaal te horen.
Om het oppervlaktetemperatuur-alarm te gebruiken, vraagt u het „Hoofdmenu" op (zie „Navigeren in het „Hoofdmenu""', pagina 99).
-Kieshetsubmenu „Functies"
- Zet,“Alarm min/max” op,“aan”.
- Stel onder „Alarm min" de minimumtemperatuur in.
- Stel onder „Alarm max" de maximumtemperatuur in.
Minimum- en maximumtemperatuur worden ook opgeslagen, wanner u het alarm op „uit" zet.
Contacttemperatuur-meting
Bij de contacttemperatuur-meting kan met behulp van een gangbaar thermo-element type K de temperatuur van een obj ect direct worden gemeten.
Opmerking: Gebruik uitsluitend thermo-elementen van het type K. Bij aansluiting van andere types thermo-elementen zijn verkeerde meetresultaten möglichk.
Klap de afdekking 1 open en sluit het thermo-element op de aansluiting 25 aan.
Lees de gebruiksaanwijzing van het thermo-element en neem hier goednota van.
Zodra een thermo-element is aangesloten, verschijnt de aanduiding t op het display. De meetwaarde van de aanduiding wordt continu bijgewerkt. Wacht voor een betrouwbaar resultaat tot de meetwaarde nicht meer verandert. Afhankelijk van uitvoering van het thermo-element kan dat meerere minutenduren.
De contacttemperatuur kan in elke modus naast de oppervaktetemperatuur worden gemeten. Voor het vaststellen van warmtebruggen en het risico van schimmelvorming worden echter altijd de oppervaktetemperatuur gebruikt.
Als het thermo-element worden verwijderd, dan verdwijnt de functie-aanduiding t op het display. Sluit na het verwijderen van het thermo-element de afdekking 1 wee.
Warmtebrugmodus
In de warmtebrugmodus worden oppervlakte- en omgevingstemperatuur gemeten en met elkaar vergeleken. BijGPCIe Iichillen tussen beiden temperaturen wordt gwaarschuwd voor warmtebruggen (zie „Warmtebrug", pagina 101).
Voor het wisselenaar de warmtebrug-modus keert u eventuel terug hier standaard displayschem. Druk daarna zo vaak op de pijtoets links 15 of de pijtoets rechts 11 tot het venster „Warmtebrug" met een korte toelichting van de modus verschijnt. Om de toelichting voortijdig te verbergen, drukt u op de toets Opslaan 9. Om de toelichting te verbergen en direct een meting te starten, drukt u op de toets Meten 4.
Druk op de toets Meten 4 enricht het meetgereedschap verticaal op het midden van het meetobject. Na aflsuiting van de meting worden de oppervlaktetemperatuur van het meetobject waar het LAST op werk gericht, in de aanduiding o vastgelegd, en de omgevingstemperatuur in de aanduiding i.
Het meetgereedschap vergelijk automatisch de waarden en geeft de interpretatie van de waarden met de marketing q op de resultaatschaal I wee:
- Markering q in het groene bereik (tempera < 3,5^ ): gering temperatuurverschil, geen warmtebrug-gen aanwezig
- Markering q in het gele bereik (temperatuurverschil 3,5°C tot 6,5°C): temperatuurverschil in het grensbereik, in het meetbereik is eventueel een warmtebrug aanwezig. Op dit punt is de isolatie möglich gebrekkig. Herhaal de meting eventueel na een poosje. Let waar bij op invloeden van buitenaf die de meting hunnen beinvloeden: of bijv. het meetvlak door directe bestraling door de zon worden opgewärmed, of dat het meetvlak zich naast een geopende deur bevindt en de frisse lucht de temperatuur tijdelijk LAST den.
- Markering q in het rode bereik (temperature >6,5^ ): de oppervlaktetemperatuur binnen het meetvlak wijkt duidelijk van de omgevingstemperatuur af. In het meetbereik is een warmtebrug aanwezig, wat op een slechte isolatie duidt.
U kunt het temperatuurverschil vanaf welk de marketing in het rode bereik verschijnt, handmatig aanpassen. Vraag hier-voor het „Hoofdmenu" op (zie „Navigeren in het „Hoofdmenu", pagina 99). Kies het submenu „Functies". Stel onder „Warmtebrug" het gewenste temperatuurverschil in.
Controller bij warmtebruggen de isolatie in dit gebied.
Dauwpunt-modus
In de pauwpunt-modus worden de omgevingstemperatuur en de relativieve luchtvochichtigheid (zie „Relatieve luchtvochichtigheid", paging 101) gemeten. Uit beiden waarden worden de pauwpunttemperatuur (zie „Dauwpunttemperatuur", paging 101) berekend. Bovendien worden de oppervaktetemperatuur gemeten.
De dauwpunttemperatuur worden met de oppervaktetemperatuur vergeleken. Het resultaat worden geinterpreteerd in relatie tot het schimmelgevaar.
Denk eraan dat de meetresultaten alkijd alleen voor de actuèlemeetomstandigheden geldig+zijn,een meting overijd is nicht möglich. Bij kritische meetresultaten moet u de meting opverschillende tijdstippen en bij verschillende omstandigheden herhalen.
Voor het wisselenaar de dauwpunt-modus keert u eventueel terug hier het standard displayschem. Druk daarna zo vaak op de pijtoets links 15 of de pijtoets rechts 11 tot het venster „Dauwpunt" met een korte toelighting van de modus verschijnt. Om de toelighting voortijdig te verbergen, drukt u op de toets Opslaan 9. Om de toelighting te verbergen en direct een meting te starten, drukt u op de toets Meten 4.
Druk op de toets Meten 4 enricht het meetgereedschap verti- caal op het midden van het meetobject. Na aflsuiing van de meting wordt de oppervlaktetemperatuur van het meetobject waar het LAST op werd gericht, in de aanduiding o vastgelegd, de omgevingsttemperatuur in de aanduiding i en de relatieve luchtvochtigheid in de aanduiding h. De berekende dauwpunttemperatuur verschijnt in j.
Het meetgereedschap vergelijkt automatisch de waarden en geef de interpretatie van de waarden met de marketing q op verschil de resultaatschaal I wee:
- Markering q in het groene bereik: onder de actuele omstandigheden bestaat geen risico van schimmelvorming.
- Markering q in het gele bereik: de waarden liggen in het grensbereik; let op kamertemperatuur, warmtebruggen evenals luchtvochtigheid en herhaal de meting eventueel na een poosje.
- Markering q in het rode bereik: er bestaat een verhoogd risico van schimmelvorming, waar de luchtvochtigheid te hoog is of de oppervlaktetemperatuur zich dicht bij het bereik van de dauwpunttemperatuur bevindt. De telkens opvalende waarde knippert in de aanduiding.
Schwerdt gewaarschuwd voor het risico van schimmelvorming, wanner de oppervlaktetemperatuur 80% van de dauwpunttemperatuur bedraagt. Bij het risico van schimmelvorming moet u afhankelijk van de oorzaak de luchtvochtigheid verlagen door vaker en grondiger te ventileren, de kamertemperatuur verhogen of warmtebruggen verwijdenen.
Opmerking: Met het meetgereedschap kunnen geen schimmelsporen herkend worden. Het geeft slechts aan dat onder gelijkblijvende omstandigheden schimmelvorming kan optreden.
Gebruikersmodus
In de gebruikersmodus worden oppervlakte- en omgevingstemperatuur evenals de relativieve luchtvochtigheid gemeten. Hieruit worden de dauwpunttemperatuur en de gemiddelde temperatuur (gemiddelde waarde van de oppervaktetemperaturen tijdens eencontinuming) berekend.
Indien nodig kurz u de volgende waarden in de aanduiding verbergen: gemiddelde temperatuur, relatieve luchtvochtigheid, omgevingstemperatuur en dauwpunttemperatuur.
Vraag hiervoor het „Hoofdmenu" op (zie „Navigeren in het „Hoofdmenu“, paging 99). Kies hetsubmenu „Functies" en daarin „Gebruikersmodus". U Aunt hier de aanduidingen „Gemiddelde temp.", „Luchtvochtigheid", „Kamertemperatuur" en „Dauwpunt" in- en uitschakelen.
Voor metingen van de oppervlaktetemperatuur kunt u kiezen of de minimum- en maximumwaarde k van de resultaatschaal I automatisch aangepast of handmatig vastgelegd moet worden. Ga hiervoor in het menu „Gebruikersmodus"aar het submenu „Schaalbereik".
- Kies „auto“, wannier de waarden k zoals in de oppervlaktetemperatuur-modus automatisch moeten worden bepaald. De minimale en de maximale temperatuurwaarde van het meetproces verschijnen in de aanduiding k, zodra het verschil van de meetwaarden meer dan 3^ bedraagt.
- Kies „vooringesteld" om de waarden handmatig vast te leggen. Stel de gewenste waarden in het menu „Gebruikersmodus" onder „Schaal ondergrens" en „Schaal bovengrens" in. In de aanduiding k verschijnen de handmatig vastgelegde minimum- en maximumwaarde. Daarmee(Int) er bijv. voor zorgen dat screenshots van verschillende metingen aan de hand van de markings q met elkaar hunnen worden vergeleken.
Voor het wisselenaar de gebruikersmodus keert u eventueel terug hierstandaard displayschem. Druk daarna zo vaak op de pijtoets links 15 of de pijtoets rechts 11 tot het venster "Gebruikersmodus" met een korte toelichting van de modus verschijnt. Om de toelichting voortijdig te verbergen, drukt u op de toets Opslaan 9. Om de toelichting te verbergen en direct een meting te starten, drukt u op de toets Meten 4.
Druk op de toets Meten 4 enricht het meetgereedschap verti- caal op het midden van het meetobject. Na aflsuiing van de meting verschijnen de gekozen waarden.
Gegevensoverdracht
Gegevensoverdracht via USB-interface
Klap de afdekking 1 open. Verbind de micro-USB-bus 26 van het meetgereedschap via de meegeleverde micro-USB-kabel 8 met uw computer of notebook. De opgeslagen.JPG-bestanden können vanuit het interne geheugen van het meetgereedschap gekopieerd, verplaatst of gewist worden. Sluit de afdekking 1 weer, wanner u de micro-USB-kabel verwijdert.
Opmerking: Verbind het meetgereedschap via USB uitsluitend met een computer of notebook. Bij aansluiting op andere apparaten kan het toestel worden beschadigd.
Opmerking: De accu van het meetgereedschap kan nicht via de USB-interface worden geladen. Voor het laden van de accuzie „Gebruik met accu", pagina 93.
Gegevensoverdracht via Bluetooth®
Het meetgereedschap is met een Bluetooth®-module uitgerust die met radiotechniek de gegevensoverdracht maar bepaalde mobiele eindapparaten met Bluetooth®-interface toestaat (bijv. Smartphone, tablet).
Informatie over deoodzakelijksystemevereiste voor een Bluetooth®-verbinding vindt u op de Bosch-internetpagina www.bosch-professional.com.
Om de Bluetooth®-verbinding op hetmeetgereedschap in te schakenen, vraagt u het „Hoofdmenu" op (zie „Navigeren in het „Hoofdmenu™", paging 99) enzet u „Bluetooth" op „aan". Op het display verschijnt de aanduiding f. Zorg ervoor dat de Bluetooth®-interface op uw mobiele eindapparaat ge-activeerd is.
Voor de uitbreiding van de functieomvang van het mobiele eindapparaat en voor de vereenvoudiging van de gegevensverwerking staan speciale Bosch-toepassenen (apps) ter beschikking. Deze+kunnen afhankelijk van het eindapparaat in de betreffende stores gedownload worden:

Available on the
App Store

ANDROID APP ON
Google play
Na het starten van de Bosch-applicatie worden (bij geactiveer de Bluetooth®-modules) de verbinding:tussen mobiel eindapparaat en meetgereedschap tot stand gebracht. Als meerde actieve meetgereedschappen worden gezonden, kies dan het passende meetgereedschap. Als slechts een actief meetgereedschap worden gezonden, dan worden de verbinding automatisch opgebouwd.
Opmerking: Bij de eerste verbindingsopbouw (pairing) tussen het meetgereedschap en een mobiel eindapparaat (bijv. smartphone, tablet) kan het gebeuren dat een pincode voor het meetgereedschap opgevraagd worden. Voer in dit geval "0000".
Bij de gevegenoverdracht met Bluetooth® können door slechte ontvangstomstandigheden vertragingen:tussen mobiel eindapparaat en meetgereedschap optreden.
"Hoofdmenu"
Navigeren in het „Hoofdmenu"

- O min h et „Hoofdmenu" te komen drukt u bij het standardaard displayschem op de rechtter functietoets 10 onder het menusymbool m.
Voor het navigeren binnen een menuniveau drukt u zo vaak op de pijltoets omhoog 16 of de pijltoets omlaag 13 tot het gewenste menupunt in kleur worden gemarkeerd.

- Als er bij een gemarkeerd menupunt een submenu aanwezig is, dan worden dit door een pijl waar rechts naast „installen...” aangegeven. Om in het submenu te komen drukt u op de pijltoets rechts 11.

- Als er bij een gemarkeerd menupunt meerde re keuzemogelijkheden aanwezig+zijn, dan worden de actuele instellingussen twee pijlen aangegeven. Om de instelling te wijzigend drukt u op de pijtoets links 15 of de pijtoets rechts 11. Getalswaarden worden sneller gewijzigd, wanneer u de desbeteffende pijtoets ingedrukt houdt.
Bij enkele menupuntenkest u een functie in of uitschakelen.Voor het uitschakelen drukt u op de pijtoets links 15, zodate,,uit"wordt gemarkeerd.Voor het inschakelen drukt u op de pijtoets rechts 11, zodate,aan"wordt gemarkeerd.U kunte defunctie in het menu ook in- en uitschakelen door op de toets Opslaan/Verzenden 9 te drukken.

- Om maar een hoger gelegen menu te wisselen, drukt u op de linker functietoets 17 onder het vorige-symbool. De gekozen instellenen worden opgeslagen.

- O m h e t „Hoofdmenu" te verlaten en direct terug te kerenaar het standaard display-schem, drukt u op de rechter functietoets 10 onder het huiysymbol. De gekozen instellen-gen worden opgeslagen.

- Om een willekeurig menu te verlaten en terug te keren maar het standard displayschem, kut u ook op de toets Meten 4 drukken. Bij een keer drukken op de toets worden de gekozen instellingen opgeslagen, maar nog geen meting geactiveerd.
Submenu „Toestel"
Vraag het „Hoofdmenu" op en kies het submenu „Toestel". Het bevat de volgende menupunten:
-Taal:
In het menu „Taal" kunt u de taal van alle aanduidingen wijzigen.
Tijd/datum:
Voor de wijziging van datum enijd in de aanduiding a vraagt u het submenu „Tijd & datum" op. In dit submenu kunt u bovendien het datum- enijdformaat wijzigen.
Voor het verlaten van het submenu „Tijd & datum" drukt u ofwel op de linker functietoets 17 onder het vinkje-symbool om deinstallingen op te slaan, of op de rechtter functietoets 10 onder het kruis-symbool om de wijzigingen te verwerpen.
Eenheid:
In het menu „Eenheid"kestu kiezen of de temperatuurinformatie in ^ of ^ verschijnt.
Geluidssignaal:
In het menu „Geluidssignaal"(Int) kunt u het geluidssignaal dat bij het oppervlaktetemperatuur-alarm te horen is, in- of uitschakelen.
- Meetkader:
In het menu „Meetkader" kunt u het meetkader b op het display in- of uitschakelen.
Kleurschema:
In het menu „Kleurschema" kunt ukiezen in welke kleur temperatuurwaarden en andere aanduidingen op het displayverschijnen. Deinstalling wordt ook overgenomen voor opgeslagen screenshots.
-Uitschakeltijd:
In het menu „Uitschakeltijd" kurz u het tijdsinterval kiezen waarna het meetgereedschap automatisch wordenuitgeschakeld, wanner op geen enkele toets worden gedrukt. U kurz de automatische uitschakeling ook deactiveren door deinstalling „Nooit" te kiezen. Hoe korter u de uitschakeltijd instelt, des te meer energia kurz u besparen.
Lichtduur:
In het menu „Lichtduur" kunt u het tijdsintervalkiezen waarna de helderheid van de displayverlichting vermindert, wonneer op geen enkele toets op het meetgereedschap worden gedrukt. U kunt het display ook permanent verlichten door deinstelling „Altijd" tekiezen. Hoe korter u de lichtduur instelt, des te meer energia kunt u besparen.
In het menu „Alle Foto's wissen"kest u alle bestanden die zich in het interne geheugen bevinden, in een keer wissen. Druk op de pijtoets rechts 11 voor „meer ...”, om in het submenu te komen. Druk daarna ofwel op de linker functietoets 17 onder het vinkje-symbolool om alle bestanden te wissen, of op de rechtter functietoets 10 onder het kruissymbolool om het proces te annuleren.
-Toestelinformatie:
Voor informatatie over het meetgereedschap vraagt u het submenu „Toestelformatie" op. U vindt waar het seriesnummer van het meetgereedschap en de geinstalleerde softwareversie.
Oorzaken en oplossingen van fouten
| Fout Oorzaak Oplossing | ||
| Meetgereedschap kan nicht ingeschakeld worden. | Accu of batterijen leeg Laad de accu op of wissel de batterijen. | |
| Accu te warm of te koud Laat de accu op de juiste temperatuur komen of wissel.Deze. | ||
| Meetgereedschap te warm of te koud | Laat het meetgereedschap op de juiste temperatuur komen. | |
| H! | Beeldgeugendefect | Formatteer het interne geugendoor alle foto's te wissen (zie „Alle foto's wissen", paging 100). Als het probleem blijft bestaan, stuur het meetgereedschap dan maar een geauthoriserde Bosch-klantenservice. |
| Beeldgeugendvol Breng de foto's indien nodig over� aan een ander op-slagmedium (bijv. computer of notebook). Wis daarna de foto's in het interne geugend. | ||
| F! | Meetgereedschap defect Stuur het meetgereedschapaar een geauthoriserde Bosch-klantenservice. | |
| Functie-aanduiding t voor contacttempe-ratuurmetingverschijnt Niet op het display. | Aansluiting 25 voor thermo-element defect | Stuur het meetgereedschapaar een geauthoriserde Bosch-klantenservice. |
| Meetgereedschap kan nicht met een compter worden verbonden. | Meetgereedschap wordt Niet door de computer herkend. | Controller of het stuurprogramma op uw computer actueel is. Eventeel is een/Newwere versie van het besturingsystem op de computer nodig. |
| Micro-USB-aansluiting of micro-USB-kabel defect | Controller of het meetgereedschap met een andere computer kan worden verbonden. Als dit Niet het ge-val is, stuur het meetgereedschap dan� aan een gea-toriserde Bosch-klantenservice. | |
| Luchtvochtigheids-en om-gevingstemperatuursensor 5 defect | De andere functies van het meetgereedschapkcuren verder worden gebruikt.Stuur het meetgereedschapaar een geauthoriserde Bosch-klantenservice. | |
Begripsverklaringen
Infrarood-warmtesting
De infrarood-warmtestraling is een elektron magnetische straling die door elk lichaam wordenuitgestraald. De hoeveelheid straling is afhankelijk van de temperatuur en de emissiegraad van het lichaam.
Emissiegraad
De emissiegraad van een object is afhankelijk van het materiaal en van de structuur van zijn oppervlak. Deze geeft aan hoeveel infrarood-warmtestraling het object in vergelijkking met een ideale warmestraler (zwart lichaam, emissiegraad = 1 ) afgeeft.
Warmtebrug
Met warmtebrug worden een object aangeduid dat ongewenst warmte waar buiten of binnen leidt en zich zodoende aanzienlijk onsdercheidt van de overige of gewenste temperatuur van een wand.
Aangezien de oppervlaktetemperatuur bij warmtebruggen la- ger is dan in de overige ruimte, neemt het schimmelgevaar op dezeplaatsen sterk toe.
Relatieve luchtvochtigheid
De relatieve luchtvochtigkeit geeft aan hoe sterk de lucht met waterdamp verzadigd is. De aanduiding worden gegeven als percentage van de maximale waterdamphoeveelheid die de lucht kan opnemen. De maximale waterdamphoeveelheid is afhankelijk van de temperatuur: hoe hoger de temperatuur, hoe meer waterdamp de lucht kan opnemen.
Als de relatieve luchtvochtigheid te hoog is, neemt het schimmelgevaar toe. Te lage luchtvochtigheid kan tot gezondheidsschade leiden.
Dauwpunttemperatuur
De dauwpunttemperatuur geeft aan bij welke temperatuur de in de lucht aanwezige waterdamp begint te condenseren. De dauwpunttemperatuur is afhankelijk van de relatieve luchtvochtigheid en de luchttemperatuur.
Als de temperatuur van een oppervlak lager is dan de dauw-punttemperatuur, begint water op dit oppervlak te condense- ren. De condensatie is sterker naarmate het verschilussen de beiden temperaturen groter en de relatieve luchtvochtig-heid hoger is.
Condenswater op oppervlakken is een hoofdoorzaak van schimmelvorming.
Onderhoud en service
Onderhoud en reiniging
Bewaar en Transporteer het meetgereedschap alleen in een geschikte houder zoals de originele verpakking of het opbergetui (accessoire). Bewaar het bijv. Niet in een plastic zak waarvan de uitdamping de luchtvochtigheids- en omgevingstemperatuursensor 5 zou+kunnen beschadigen. Plak geen stickers in de buurt van de sensor op het meetgereedschap.
Bewaar het meetgereedschap Niet langdurig buiten een luchtvochtigheidsbereik van 30 tot 50% . Als het meetgereedschap te vochtig of te droog wordt bewaard,+kennen bij de ingebruinkeming foutieve metingen optreden.
Houd het meetgereedschap altijd schoon.
Verwijder vuil met een vochtige, zachte doek. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen.
Tijdens het reinigen mag geen vloeistof in het meetgereed-schap binnendringen.
Reinig vooral de luchtvochtigheids- en omgevingstemperatuursensor 5, de camera 22, de ontvangstlens 23, hetlicht 24 en de laseroppeningen 2 heel voorzichtig:
let erop dat geen pluizen op de camera, de ontvangstlens of de laseroppeningen liggen. Reinig de camera, de ontvangstlens en de laseroppeningen alleen met middelen die ook voor lenzen van fototoestellen geschikt+zijn. Probeer net met spitse voorwerpen vuiluit de sensor, van de camera of de ontvangstlens te verwijderen, en veeg Niet over camera en ontvangstlens (gevaar voor krassen).
Stuur voor reparatie het meetgereedschap in de originele verpakking of het opbergetui (accessoire) op.
Klantenservice en gebruiksadviezen
Onze klantenservice beantwoordt uw vragen over reparatie en onderhoud van uw product en over verrangingsonderden. Explosietekingen en informatie over verrangingsonderden vindt u ook op:
www.bosch-pt.com
Het Bosch-team voor gebruiksadviezen helpt ugraag bij vra-gen over once producten en toebehoren.
Vermeld bij vragen en bestellingen van verrangingsonderden altijd het uit tien cijfers bestaande zaaknummer volgens het typeplaatje van het meetgereedschap.
Nederland
Tel.: (076) 579 54 54
Fax: (076) 579 54 94
E-mail: gereedschappen@nl.bosch.com
Belgie
Tel.: (02) 588 0589
Fax: (02) 588 0595
E-mail: outillage.gereedschap@be.bosch.com
Vervoer
Op de te gebruiken lithiumionaccu'sarendeisen voor het vertoer van gevaarlijke stoffen van toepassing. De accu's kannen door de gebruiker zonder verdere voorwaarden over de weg worden vervoerd.
Bij de verzending door derden (bijv. luchtvervoer of expeditiebedrijf)要去en bijzondere eisen ten aanzien van verpakking en markings in acht worden genomen. In deze geallen要去 bij de Voorbereiding van de verzending een deskundige voor gevaarlijke stoffen worden geraadpleegd.
Verzend accu's alleen als de behuizing onbeschadigd is. Plak blootliggende contacten af en verpak de accu zodanig dat deze nicht in de verpakking beweegt.
Neem ook eventuele overige nationale voorschriften in acht.
Afvalverwijdering

Meetgereedschappen, accu's/batterijen, accessoires en verpakkingen要去en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled.
Gooi meetgereedschappen, accu's en batterijen nicht bij het huisvuil.
Alleen voor landen van de EU:

Volgens de Europese richtlij 2012/19/EU要去en Niet更是 bruikbare meetgereedschappen en volgens de Europese richtlij 2006/66/EG要去en defecte of lege accu's en batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden hergebruikt.
Accu's en batterijen:

Li-ion:
Lees de aanwijzingen in het gedeelte "Vervoer",agina 102 en neem.Deze in acht.
Geintegreerde accu's mogen alleen voor het afvoeren door geschoold personeel worden verwijderd. Door het openen van de behuizingsschaal kan het meetgereedschap worden vernietigd.
Om de Lithium-ion-bufferaccu uit het meetgereedschap te verwijderen, neemt u eerst de accu 30 of de batterij-adapter weg. Verwijder het beschemmglas van het display en daarna het toetsenveld.

Verwijder zoals getoond in de afbeelding de U-beugel die de behuizingsschalen bij elkaar houdt.
Draai de schroeven bij de behui-zing eruit en neem de behuizings-schaal met het typeplaatje weg.
De bufferaccu (knoopel) bevindt zich op de printplaat binnenin de behuizing. Schuif deze UIT+zijn houder en voer deze op een voor het milieu verantwoorde wijze af.
Wijzigingen voorbehonden.
Dansk
Kastepunkti temperatuur
Sslac dsas jwai gaa daa
1uJlue dla c0ylc jj 10 cwlj
.0000 0000