STIGA SBC 636 D - Grasmaaier

SBC 636 D - Grasmaaier STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis SBC 636 D STIGA in PDF-formaat.

📄 589 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice STIGA SBC 636 D - page 362
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : STIGA

Model : SBC 636 D

Categorie : Grasmaaier

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SBC 636 D - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SBC 636 D van het merk STIGA.

GEBRUIKSAANWIJZING SBC 636 D STIGA

Met de hand draagbare bosmaaier met motor GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.

NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing

[2] Motor [3] 2-takt luchtkoeling [4] Cilinderinhoud [5] Vermogen [6] Rotatiesnelheid van de motor zonder belasting [7] Maximale rotatiesnelheid van de motor (draadhouder) [8] Maximale rotatiesnelheid van de motor (mesen) [9] Maximale rotatiesnelheid van het werktuig (draadhouder) [10] Maximale rotatiesnelheid van het werktuig (mesen) [11] Vermogen brandstofreservoir [12] Mengeling (Benzine : Olie 2-takt) [13] Bougie [14] Snijbreedte (draadhouder) [15] Snijbreedte (mes met 3 punten, 4 punten en 8 punten) [16] Snijbreedte (zaagmes) [17] Bevestiging draadhouder [18] Diameter draadhouder (max) [19] Code snij-inrichting [20] Code snij-inrichting (mes met 8 punten) [21] Code snij-inrichting (zaagblad) [22] Code bescherming (draadhouder, mes met 3 punten, 4 punten en 8 punten) [23] Code bescherming (zaagmes) [24] Gewicht [25] Handvat vooraan, achteraan [26] Handgreep [27] Niveau geluidsdruk [28] Onzekerheid [29] Gemeten geluidsvermogenniveau [30] Gegarandeerd geluidsniveau [31] Trillingen overgedragen op de hand op de voorste handgreep [32] Trillingen overgedragen op de hand op de achterste handgreep [33] Trillingen doorgegeven aan het hand vanuit het rechterhandvat [34] Trillingen doorgegeven aan het hand vanuit het linkerhandvat

In de tekst van de handleiding worden enkele paragrafen, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvul- ling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voor- komen dat de machine beschadigd wordt of dat er schade veroorzaakt wordt. Het symbool wijst op een gevaar. Veronachtza- ming van de waarschuwing leidt tot mogelijke per- soonlijke letsels of letsels aan anderen en/of schade. De paragrafen die aangegeven zijn met een grijze stippenrand wijzen op optionele kenmerken die niet aanwezig zijn op alle modellen die in deze handleiding beschreven zijn. Controleer of het kenmerk aanwezig is op het model in kwestie. De aanwijzingen 'voor', 'achter', 'rechts' en 'links' heb- ben betrekking op de werkpositie van de bediener.

De afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzingen zijn genummerd 1, 2, 3 enz. De onderdelen die op de afbeeldingen zijn aange- geven, zijn gekentekend met de letters A, B, C enz. Een verwijzing naar het onderdeel C in afbeelding 2 wordt aangegeven met de tekst: "Zie afbeelding 2.C" of eenvoudigweg "(Afb. 2.C)". De afbeeldingen zijn indicatief. De eectieve delen kunnen wijzigen ten opzichte van wat aangegeven is.

De handleiding is onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. De titel van de paragraaf '2.1 Trai- ning' is een ondertitel van '2. Veiligheidsvoorschrif- ten'. De verwijzingen naar titels of paragrafen zijn aangegeven met de afkorting hst. of par. en het des- betreend nummer. Voorbeeld: "hst. 2" of "par. 2.1". LET OP!: VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN, DIENT MEN DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG TE LEZEN. Bewaren voor toekomstige behoeften.

3.1 Beschrijving machine en beoogd gebruik ....... 4

3.4 Belangrijkste onderdelen ................................ 6

4. MONTAGE .............................................................. 6

4.1 Onderdelen voor de montage ......................... 7

4.2 Montage van de handgrepen ......................... 7

4.3 Keuze van de snij-inrichting en de specieke

bescherming .................................................. 7

4.4 Montage van de bescherming van het

4.6 Montage van de drijfstang (modellen met

afneembare stang) ......................................... 9

4.7 Montage van de exibele drijfstang ................ 9

5.5 Bedieningshendel Choke (indien aanwezig) 10

5.6 Knop bediening voorinspuitsysteem (Primer) 10

6.1 Voorafgaande werkzaamheden .................... 11

6.5 Suggesties voor het gebruik ......................... 14

7.2 Voorbereiding van het mengsel .................... 15

7.3 Brandstof bijvullen ........................................ 15

7.4 Reiniging van de machine en van de motor .. 15

7.5 Moeren en schroeven voor bevestiging ........ 15

8.5 Onderhoud van het maaimechanisme .......... 16

8.6 Bijslijpen van de draadsnijder ....................... 17

8.7 Regeling van het stationaire toerental .......... 17

Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedie- ningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de machine snel af te zetten. Het niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/ of ernstige letsels veroorzaken.

  • Het nationale normenstelsel kan het gebruik van de machine begrenzen.
  • Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt door kinderen of door personen die niet ver- trouwd zijn met deze aanwijzingen. De mini- male leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn.
  • Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmid- delen, drugs, alcohol of andere stoen ingeno- men heeft die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn reactievermogen en aandacht.
  • Denk eraan dat de persoon die de machine be- dient of de gebruiker aansprakelijk is voor onge- vallen en onvoorziene gebeurtenissen die per- sonen of hun eigendommen kunnen overkomen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico’s, die het terrein waarop hij moet werken met zich mee kan brengen, te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatre- gelen te treen met het oog op zijn eigen veilig- heid en die van anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen.
  • Indien men de machine aan derden wil geven of lenen, moet men zich ervan verzekeren dat de gebruiker de gebruiksaanwijzingen in dit handboek doorneemt.

2.2 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)

  • Gebruik aanpassende beschermende kledij met anti-snij beschermingen, trillingdempen- de handschoenen, beschermende bril, anti– stofmaskers, gehoorbeschermers en anti–snij schoenen met anti–slipzool.
  • Draag geen sjaal, hemd, halsketting, armban- den, kledij met losse delen, of met bandjes of dassen of andere hangende of wijde accessoi- res die vastgegrepen kunnen worden door de machine of voorwerpen en materiaal aanwezig op de werkplaats.
  • Lang haar wordt zorgvuldig bijeengebonden. Werkzone / Machine
  • Controleer grondig de hele werkzone en ver- wijder alles wat van door de machine weg zou kunnen uitgestoten worden of het maaime- chanisme/draaiende organen zou kunnen be- schadigen worden (keien, takken, ijzerdraad, beenderen, enz.). Explosiemotoren: brandstof GEVAAR! De benzine en het mengsel zijn licht ontvlambaar. – Bewaar de benzine in speciale recipiënten die daarvoor gehomologeerd zijn, op een veilige plaats, uit de buurt van warmtebron- nen of vuur. – De recipiënten moeten buiten het bereik van kinderen bewaard worden. – Laat de recipiënten vrij van gras, bladeren of overtollig vet – Rook niet tijdens de voorbereiding van het mengsel, tijdens het tanken of het bijvullen van brandstof of elke keer wanneer men met de brandstof werkt. – Gebruik een trechter om brandstof bij te vul- len, en doe dit enkel in de open lucht. – Vermijd inademing van de dampen van de brandstof. – Als de motor aanstaat of warm is mag u geen brandstof toevoegen of de dop van de benzi- netank afdraaien. – Open de dop van het reservoir langzaam om de interne druk geleidelijk aan af te laten. – Breng geen vlammen nabij de opening van het reservoir om de inhoud ervan te controleren. – Als u brandstof gemorst hebt, mag u de mo- tor niet starten maar dient u de machine uit de buurt van de plek waar u de brandstof gemorst hebt te brengen en voorkomen dat er brand ontstaat. U dient te wachten totdat de brand- stof verdampt is en de dampen opgelost zijn. – Draai de dop altijd weer goed op het brand- stofreservoir en op de houder van de brandstof. – Reinig onmiddellijk elk spoor van brandstof dat op de machine of op de grond gelekt is. – Start de machine nooit op de plaats waar de brandstof bijgevuld werd; de motor moet steeds gestart worden op een afstand van minstens 3 meter van de plaats waar de brandstof bijgevuld werd. – Vermijd dat brandstof met kledij in contact komt. Als dit toch gebeurt, moet u eerst an- dere kledij aantrekken vooraleer de motor te starten.
  • Start de motor niet in gesloten ruimten waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan concen- treren. Het opstarten moet in openlucht of op een goed verluchte plaats plaatsvinden. Denk er altijd aan dat uitlaatgassen giftig zijn.NL - 3
  • Richt, tijdens het opstarten van de machine, de geluidsdemper en dus de uitlaatgassen nooit naar ontvlambare materialen.
  • Gebruik de machine niet in omgevingen met gevaar op ontplong, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistoen, gas of stof. Elektri- sche contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken doen ontstaan, die stof of dam- pen kunnen doen ontbranden.
  • Enkel bij daglicht of met goed kunstmatig licht en bij goede zichtbaarheid reinigen.
  • Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. De kinderen moeten onder toezicht van een andere volwassene staan.
  • Controleer of andere personen zich op min- stens 15 meter afstand van de actieradius van de machine bevinden, of op minstens 30 meter in geval van zwaardere werkzaamheden.
  • Vermijd zoveel mogelijk te werken op een natte of glibberige grond, of in ieder geval op te oneen of steile terreinen die de stabiliteit van de bediener tijdens het werken niet kunnen garanderen.
  • Let bijzonder goed op de onregelmatigheden van het terrein (drempels, geulen), op de hel- lingen, op verborgen gevaren en op de aan- wezigheid van eventuele hindernissen die de zichtbaarheid zouden kunnen beperken.
  • Wees zeer voorzichtig nabij ravijnen, grachten of dijken.
  • Werk op een helling dwars en nooit in de rich- ting stijging/daling, let goed op bij de verande- ringen van richting, controleer uw steunpunt goed en blijf steeds onder de snij-inrichting.
  • Let goed op het verkeer, wanneer de machine dicht bij de straat gebruikt wordt. Gedrag
  • Tijdens het werk moet de machine altijd met beide handen vastgenomen worden, met de motor rechts van het lichaam en de snijgroep onder het niveau van de riem.
  • Neem tijdens het gebruik een vaste en stabiele positie aan en wees altijd voorzichtig.
  • Loop nooit, maar stap.
  • Zorg ervoor dat de machine tijdens het werk altijd vastgehaakt is aan het draagstel.
  • Houd altijd de handen en voeten ver van het maaimechanisme, zowel wanneer de motor gestart wordt als tijdens het gebruik van de machine.
  • Let op: het snij-element blijft gedurende enkele seconden na zijn afkoppeling of na uitschake- ling van de motor draaien.
  • Let op eventueel materiaal dat door de bewe- ging van het maaimechanisme wegspringt.
  • Let erop niet hard met het maaimechanisme te- gen vreemde voorwerpen/hindernissen te sto- ten. Indien het maaimechanisme een hindernis/ voorwerp tegen komt, kan er zich een terugslag (kickback) voordoen. Dit kan een zeer snelle sprong in de tegenovergestelde richting veroor- zaken, en het maaimechanisme naar boven en naar de bediener toe duwen. Door de terugslag kan men de controle over de machine verliezen, met mogelijk ernstige gevolgen. Om de terug- slag te voorkomen, dienen de volgende voor- zorgsmaatregelen genomen te worden: – Houd de machine stevig vast, met twee handen, en houd uw lichaam en armen in een positie die u toestaat te weerstaan aan de kracht van de tegenslag. – Steek de armen niet te hoog uit en maai niet boven het niveau van de riem. – Gebruik enkel de door de fabrikant aange- geven maaimechanismen. – Volg de aanwijzingen van de fabrikant met betrekking op het onderhoud van het maaimechanisme.
  • Let op het risico op letsels veroorzaakt door eender welke inrichting voor het snijden van de lengte van de draad.
  • Let op: het snij-element blijft ook na het uit- schakelen van de motor draaien.
  • De delen van de motor niet aanraken, omdat die tijdens het gebruik erg heet worden. Ge- vaar voor brandwonden.
  • Om brandgevaar te voorkomen, de machine niet met warme motor achterlaten op bladeren, droog gras of andere ontvlambare materialen.
  • In geval van breuken of incidenten tijdens het werk, dient men de motor onmiddellijk stil te leggen en de machine te verwijderen om geen verdere schade te berokkenen; in geval van on- gevallen met persoonlijke letsels of letsels aan derden, dient men onmiddellijk de meest ge- schikte eerste-hulp-procedures te volgen voor de situatie en zich tot een gezondheidsstruc- tuur te richten voor de nodige zorgen. Verwij- der zorgvuldig eventuele resten die schade of letsels aan personen of dieren kunnen veroor- zaken indien ze onopgemerkt blijven.
  • Het niveau van geluid en trillingen als aan- gegeven in deze handleiding, zijn maximale waarden voor het gebruik van de machine. Het gebruik van een niet gebalanceerd maai-ele- ment, een overdreven snelheid van de bewe- ging en gebrekkig onderhoud hebben een ne- gatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijk preven- tieve maatregelen te treen om mogelijke scha- de ten gevolge van een hoog geluidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud van de machine, draag gehoorbe- scherming, maak pauzes tijdens het werk.
  • De langdurige blootstelling aan trillingen kan neuro-vasculaire letsels en problemen veroorzaken (ook bekend onder de naam "fe- nomeen van Raynaud" of "witte hand"), voor-NL - 4 al bij personen met circulatiestoornissen. De symptomen kunnen betrekking hebben op de handen, de polsen en de vingers, met verlies van gevoeligheid, loomheid, jeuk, pijn, ver- kleuring of structurele wijzigingen van de huid. Deze eecten kunnen versterkt worden door een lage omgevingstemperatuur en/of een overdreven druk op de handgreep. Wanneer deze symptomen optreden, moet de machine minder lang gebruikt worden en is het noodza- kelijk een arts te raadplegen. Beperkingen voor het gebruik
  • De machine mag niet gebruikt worden door per- sonen die niet in staat zijn om het stevig met bei- de handen vast te houden en/of tijdens het werk in stabiel evenwicht op hun benen te staan.
  • Gebruik de machine nooit indien de bescher- mingen beschadigd zijn, ontbreken of niet cor- rect geplaatst zijn.
  • De afstellingen van de motor niet wijzigen, en de motor niet op een te hoog toerental brengen. Indien de motor op een te hoog toerental draait, neemt het risico voor lichamelijke letsels toe.
  • Overbelast de machine niet en gebruik geen kleine machine om zware werken te verrichten; het gebruik van een machine met aangepaste afmetingen zal de risico’s beperken en de kwa- liteit van het werk verbeteren.

2.4 ONDERHOUD, OPSLAG

EN TRANSPORT Regelmatig onderhoud en een correcte stalling garanderen de veiligheid van de machine en het niveau van de performance. Gebruik de machine nooit als er onder- delen versleten of beschadigd zijn. De de- fecte of beschadigde onderdelen moeten ver- vangen en niet gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet-originele en/of niet correct gemonteerde reserveonderdelen brengt de veiligheid van de machine in gevaar. Dit kan ongevallen en lichamelijke letsels veroorza- ken en ontheft de constructeur van elke ver- plichting of verantwoordelijkheid. Onderhoud

  • Om brandgevaar te beperken, moet u regelmatig controleren of er geen olie en/of brandstof lekt.
  • Tijdens de afstellingen van de machine, moet men erop letten dat de vingers niet tussen de snij-inrichting en de vaste delen van de machi- ne geklemd geraken. Stalling
  • Zet de machine niet met brandstof in de tank in een ruimte waar de brandstofdampen met vlammen, vonken of een warmtebron in aanra- king zouden kunnen komen.
  • Laat geen houders met restmateriaal in een gesloten ruimte, om het risico op brand te voor- komen.

2.5 BESCHERMING VAN DE OMGEVING

De milieubescherming moet een belangrijk en prioritair aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gunste van de civiele samenleving en de omgeving waarin we leven.

  • Wees geen storend element voor uw buren. Gebruik de machine enkel op redelijke uren (niet 's ochtends vroeg of 's avonds laat wan- neer dit andere personen zou kunnen storen).
  • Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, olie, brand- stof, lters, versleten delen of eender welk ele- ment met een sterke invloed op de omgeving; dit afval mag niet met de huisafval weggewor- pen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
  • Volg scrupuleus de lokale normen op voor de afdanking van het afval.
  • Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een container park gebracht worden, volgens de geldende plaat- selijke normen.

Deze machine is een tuingereedschap en is meer bepaald een trimmer / grasrandsnijder met een verbrandingsmotor, ontworpen voor hobbyge- bruik. De machine bestaat hoofdzakelijk uit een motor die, via een aandrijfas in een buis en een hoek- overbrenging, een snij-inrichting aandrijft die op verschillende wijzen wordt gecongureerd om verschillende functies uit te voeren. De gebruiker kan de machine meevoeren met behulp van een draagstel en de voornaamste functies bedienen terwijl hij/zij steeds op veilige afstand van het maaimechanisme blijft.

3.1.1 Voorzien gebruik

Deze machine is ontworpen en gebouwd voor:NL - 5

  • het maaien van gras en niet-houtachtig groen, met behulp van een nylon draad in een draadhouder;
  • het maaien van hoog gras en het snoeien van dorre takken, takjes en houterige struiken met een diameter tot 2 cm, met behulp van metalen of plastic messen;
  • het zagen van houten delen en het vellen van kleine bomen (alleen met zaagblad, indien toe- gestaan);
  • gebruik door een enkele bediener.

3.1.2 Onjuist gebruik

Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en schade berokkenen aan personen en/of zaken. De volgende situaties behoren tot het onjuist ge- bruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend):

  • de machine gebruiken om te vegen.
  • heggen knippen of andere werkzaamheden waarbij het maaimechanisme niet op grond- hoogte gebruikt wordt;
  • gebruik van de machine met het maaimecha- nisme boven de riemhoogte van de bediener;
  • gebruik van de machine voor het snijden van niet plantaardig materiaal;
  • het gebruik van andere snoei-inrichtingen dan diegene die vermeld zijn in de tabel "Techni- sche gegevens". Gevaar voor ernstige verwon- dingen en kwetsuren;
  • gebruik van de machine door meer dan één persoon tegelijk. BELANGRIJK   Het onjuist gebruik brengt ver- val van zowel de garantie als de aansprakelijkheid  van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die  hijzelf of anderen oplopen.

3.2 VEILIGHEIDSSIGNALEN

Er zijn verschillende symbolen op de machine aanwezig (Afb. 2). Hun taak is de bediener te her- inneren aan het gedrag dat hij moet aanhouden om de machine met de nodige aandacht en voor- zichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen: LET OP! GEVAAR! Indien deze machine niet correct gebruikt wordt, kan ze gevaarlijk zijn voor de bediener en voor anderen. LET OP! Voordat u deze machine in gebruik neemt eerst de gebruiksaanwijzingen lezen. De persoon die deze machine dagelijks in normale omstandigheden gebruikt kan blootgesteld zijn aan een geluidsniveau van 85 dB (A) of hoger. Draag een gehoorbescherming, een veiligheidsbril en een helm. Draag werkhandschoenen en veiligheidsschoeisel! GEVAAR VOOR WEGSPRINGENDE DELEN! Houd personen of huisdieren minstens 15 meter uit de buurt tijdens het gebruik van de machine! Maximum snelheid van de snij-inrichting. Gebruik geen cirkelzagen. Gevaar: Het gebruik van een cirkelzaag met modellen die dit symbool niet dragen stelt de gebruiker bloot aan gevaren voor bijzonder ernstige letsels, die dodelijk kunnen zijn. LET OP! Benzine is ontvlambaar: Laat de motor minstens 2 minuten afkoelen voor bij te tanken. Let op de duwkracht van het mes. LET OP! - Houd voldoende afstand van de hete oppervlakken. BELANGRIJK De beschadigde of onlees- baar geworden labels moeten vervangen worden. Vraag nieuwe labels aan uw eigen geautoriseerd Dienstcentrum.

3.3 IDENTIFICATIELABEL PRODUCT

Het identicatielabel van het product bevat de vol- gende gegevens (Afb. 1):NL - 6

2. Conformiteitskenteken

3. Productiemaand/productiejaar

6. Naam en adres van de fabrikant

Schrijf de identicatiegegevens van de machine in de vakjes op het label aan de achterkant van de omslag. BELANGRIJK   Gebruik  de  identicatiegege- vens die aangegeven zijn op het identicatielabel  van het product bij ieder contact met de geautori- seerde werkplaats. BELANGRIJK Het voorbeeld van de verkla- ring van overeenstemming bevindt zich op de laatste pagina’s van de handleiding.

3.4 BELANGRIJKSTE ONDERDELEN

De machine bestaat uit de volgende hoofdonder- delen, met de volgende functies (Afb.1 ): A. Motor: deze geeft de beweging aan de snij-inrichting door middel van de drijfstang en de hoekoverbrenging. B. Drijfstang: in deze stang is de aandrijfas voorzien die dient om de rotatiebeweging door te zenden naar de hoekoverbrenging.

1. Starre drijfstang

2. Flexibele drijfstang

C. Hoekoverbrenging: het einddeel van de drijfstang die de aandrijving doorgeeft naar het maaimechanisme. D. Snij-inrichting: dit is het element dat de ve- getatie snijdt

1. Draadhouder: maaimechanisme met

2. Mes met 3 punten, 4 punten en 8 pun-

ten: snij-inrichting met metalen schijf.

3. Zaagblad (indien toegestaan): snij-

inrichting met cirkelvormige metalen schijf met periferische snijtanden. E. Bescherming van het maaimechanisme: dit is een beveiliging die voorkomt dat eventu- ele voorwerpen, die door het maaimechanis- me meegenomen worden, ver van de machi- ne weg kunnen schieten.

2. Zaagblad (indien toegestaan)

F. Voorste handgreep: met halfronde vorm, staat de bediening van de machine toe en voorzien van beenbescherming. G. Achterste handgreep: staat de bediening van de machine toe; op de handgreep bevinden zich de belangrijkste commando's voor inschakelen/uitschakelen/versnellen. H. Beenbescherming: dit is een beveiliging die ongewilde aanrakingen met de maai- inrichting tijdens het gebruik voorkomt.

I. Greep: greep onder de vorm van een

“hoorn”, dwars op en asymmetrisch met de stang gesteld; staat de bediening van de machine toe, aan de rechter zijde bevinden zich de belangrijkste bedieningen voor inschakelen/uitschakelen/versnellen. J. Display: heeft informatie weer over de werking en het onderhoud van de machine. K. Aanslagpunt (van het draagstel): waar het draagstel van de machine moet aan vastge- haakt worden. L. Draagstel: kledij bestaande uit stoen gor- dels die over de schouders lopen en helpen het gewicht van de machine te dragen tijdens het werk.

M. Mesbescherming (voor het vervoer en de verplaatsing van de machine): beschermt tegen ongewilde aanraking van het maaime- chanisme, wat ernstige letsels zou kunnen veroorzaken.

BELANGRIJK De in acht te nemen veilig- heidsnormen worden beschreven in hst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige  risico's of gevaren te lopen. Om vervoers- en opslagredenen worden som- mige onderdelen van machine niet direct in de fabriek gemonteerd. Zij dienen na het uitpakken gemonteerd te worden aan de hand van de vol- gende instructies. Uitpakken en montage dient te worden uitgevoerd worden op een vlakke en stevigeNL - 7 ondergrond, met voldoende ruimte voor ver- plaatsing van de machine en verpakkingsma- teriaal en altijd met het juiste gereedschap.. Gebruik de machine niet vooraleer de aan- wijzingen van de sectie 'MONTAGE' teneinde gebracht te hebben.

4.1 ONDERDELEN VOOR DE MONTAGE

De verpakking bevat de onderdelen voor de mon- tage.

1. Open de verpakking voorzichtig, let erop geen

onderdelen te verliezen.

2. Raadpleeg de documentatie in de doos, inclu-

sief deze gebruiksaanwijzingen.

3. Haal alle onderdelen die niet gemonteerd zijn

4. Haal de trimmer uit de doos.

5. Voer de doos en de verpakkingen af volgens

de plaatselijke normen.

1. Positioneer de schroefasmoer (Afb. 3.A)

en plaats de pin (Afb. 3.A.1) in een van de openingen in de drijfstang.

2. Monteer de voorste greep voorzien

van beschermingsbarrière van het been Afb. 3.B) met behulp van de schroeven (Afb. 3.C), en let op dat de twee trilwerende helften in positie worden gehouden (Afb.3.D).

3. Draai de schroeven helemaal

1. Positioneer de schroefasmoer (Afb. 4.A)

en plaats de pin (Afb. 4.A.1) in een van de openingen in de drijfstang.

2. Monteer de voorste handgreep (Afb. 4.B)

met behulp van de schroeven (Afb. 4.C).

3. Draai de schroeven geheel in (Afb. 4.C).

verwijder de schroefasmoer (Afb. 5.B).

2. Plaats de greep (Afb. 5.C), en zorg

er voor dat de bedieningen zich aan de rechter kant bevinden.

3. Richt de greep in de meest comfortabe-

le positie voor de werkzaamheden, en blokkeer ze met behulp van de schroefas- moer (Afb. 5.B) en de knop (Afb. 5.A).

4. Koppel de hoes van de bedieningen

(Afb. 5.D) aan de kabelklem (Afb. 5.E). OPMERKING Wanneer de knop (Afb. 5.A) wordt gelost, kan de greep gedraaid worden om de plaatsinname voor de opslag te verminderen.

1. Positioneer de schroefasmoer (Afb. 6.A)

en plaats de pin (Afb. 6.A.1) in een van de openingen in de drijfstang.

2. Plaats de greep (Afb. 6.B), en zorg

er voor dat de bedieningen zich aan de rechter kant bevinden.

3. Richt de greep in de meest comfortabele

werkpositie, en blokkeer met behulp van de schroeven (Afb. 6.C).

1. Plaats de greep (Afb. 7.A) in de zitting

in de drijfstang (Afb. 7.B) en houd de bedieningen aan de rechter kant.

2. Draai de knop (Afb. 7.C) van de

greep (Afb. 7.A) helemaal vast.

Bij iedere snij-inrichting hoort een speci- eke bescherming, zoals hierna aangegeven in de tabel Technische Gegevens. Kies het maaimechanisme die het meest gepast is voor het werk dat u wilt uitvoeren, volgens de- ze aanwijzingen:

  • de draadhouder kan hoog gras en niet-hou- terige begroeiing verwijderen tegen omhei- ningen, muren, funderingen, trottoirs, rond bomen, enz. of een bepaalde zone van de tuin volledig schoon te maken;NL - 8
  • de messen met 3 punten, 4 punten en 8 pun- ten zijn geschikt voor het maaien van onkruid en kleine struiken tot een diameter van 2 cm;

dient voor het zagen van houten delen en het vellen van kleine bomen. Elke keer dat het nodig is om de snij-inrichting te wisselen, moeten de elementen  van de inrichting gedemonteerd worden.

Draag werkhandschoenen.

eenstemming met de openingen van de over- brenging (Afb. 8.B).

3. Bevestig de bescherming (Afb. 8.C) door de

schroeven (Afb. 8.A) helemaal vast te draaien. OPMERKING Op de bescher- ming van de snij-inrichting (Afb. 8.E) is het volgende symbool aanwezig: Dit geeft de draairichting van het maaimechanisme aan.

Elke keer dat deze be- scherming wordt gebruikt, moet gecontro- leerd worden dat de plaat van de drijfstang  (Afb. 9.B, Afb. 9.E) is gemonteerd.

eenstemming met de openingen van de over- brenging (Afb. 9.B).

3. Bevestig de bescherming (Afb. 9.C) door de

schroeven (Afb. 9.A) helemaal vast te draaien. OPMERKING Op de bescherming van de snij-in- richting (Afb. 9.E) is het volgende symbool aanwezig: Dit geeft de draairichting van het maaimechanisme aan.

1. Verwijder de beschermdop (Afb. 10.A) van de

terminal vanaf de onderkant van de houder (Afb. 10.B).

2. Bevestig de bescherming (Afb. 10.C) op de

houder (Afb. 10.D) met behulp van de bijgele- verde schroeven (Afb. 10.E). OPMERKING Op de bescherming van  de snij-in- richting (Afb. 10.C) is het volgende symbool aanwezig: Dit geeft de draairichting van het maaimechanisme aan.

Deze bescherming mag niet gebruikt worden voor andere snij-inrichtingen.

1. Verwijder de beschermingen die

eventueel werden gebruikt voor de andere snij-inrichtingen.

2. Positioneer de bescherming (Afb. 11.B)

in overeenstemming met de openingen van de overbrenging (Afb. 11.A).

3. Bevestig de bescherming (Afb.

11.B) door de schroeven (Afb. 11.C) helemaal vast te draaien.

Draag werkhandschoenen.

1. Monteer de interne moer (Afb. 12.A) op de

as in de aangeduide zin, en controleer dat de gleuven perfect worden gekoppeld met diege- nen van de hoekoverbrenging (Afb. 12.B).

2. Plaats de bijgeleverde sleutel (Afb. 12.C) in de

specieke opening van de hoekoverbrenging (Afb. 12.D) en draai de moer zelf handmatig door de sleutel (Afb. 12.C) te duwen zodat de rotatie wordt geblokkeerd.

3. Monteer de draadhouder (Afb. 12.F) door

deze linksom te draaien.NL - 9

4. Verwijder de sleutel (Afb. 12.C) om de rotatie

weer mogelijk te maken. Wanneer de draadhouder wordt gebruikt,  moet  altijd  de  bescherming  (Afb.  12.E)  gemonteerd zijn, met de draadsnijder (Afb. 32.A).

1. Plaats de bijgeleverde sleutel (Afb. 12.C) in de

specieke opening van de hoekoverbrenging (Afb. 12.D) en draai de moer zelf handmatig door de sleutel (Afb. 12.C) te duwen zodat de rotatie wordt geblokkeerd.

2. Verwijder de draadhouder (Afb. 12.F) door

hem rechtsom los te draaien.

1. Blokkeer de rotatie van de as (Afb. 12.G) met

behulp van een geschikte sleutel.

2. Monteer de draadhouder (Afb. 12.H) door

deze rechtsom te draaien.

1. Blokkeer de rotatie van de as (Afb. 12.G) met

behulp van een geschikte sleutel.

2. Verwijder de draadhouder (Afb. 12.F) door

Plaatsing van de bescherming op het mes.

1. Monteer de interne moer (Afb. 13.A, Afb. 14.A)

op de as in de aangeduide zin, en controleer dat de gleuven perfect worden gekoppeld met diegenen van de hoekoverbrenging (Afb. 13.B, Afb. 14.B).

2. Monteer het mes (Afb. 13.C, Afb. 14.C) en de

externe moer (Afb. 13.D, Afb. 14.D) met het platte deel naar het mes gericht.

3. Plaats de bijgeleverde sleutel (Afb. 13.E,

Afb. 14.E) in de specieke opening van de overbrenging, draai het mes (Afb. 13.C, Afb. 14.C) handmatig en duw de sleutel (Afb. 13.E, Afb. 14.E) tot hij wordt geblokkeerd in de opening van de hoekoverbrenging (Afb. 13.B, Afb. 14.B) zodat de rotatie wordt geblokkeerd.

4. Monteer de carter (Afb. 13.F, Afb. 14.F) en

draai de moer (Afb. 13.G, Afb. 14.G) linksom helemaal vast (25 Nm).

5. Verwijder de sleutel (Afb. 13.E, Afb. 14.E) om

de rotatie te herstellen.

Plaatsing van de bescherming op het mes.

1. Plaats de bijgeleverde sleutel (Afb. 13.E,

Afb. 14.E) in de specieke opening, draai het mes (Afb. 13.C, Afb. 14.C) handmatig en duw de sleutel (Afb. 13.E, Afb. 14.E) tot hij wordt geblokkeerd in de opening van de hoekover- brenging (Afb. 13.B, Afb. 14.B) zodat de rota- tie wordt geblokkeerd.

2. Draai de moer (Afb. 13.G, Afb. 14.G) rechtsom

los en verwijder de carter (Afb. 13.F, Afb. 14.F).

3. Verwijder de externe moer (Afb. 13.D,

Afb. 14.D), en verwijder het mes (Afb. 13.C, Afb. 14.C) en de interne moer (Afb. 13.A, Afb. 14.A).

1. Verwijder de aanslagpen (Afb. 15.A) en druk

op het onderste deel van de stang (afb. 15.A) tot de aanslagpen (afb. 15.B) in het gat (g. 15.C) in de stang klikt. Het inbrengen kan wor- den vergemakkelijkt door het onderste deel (afb. 15.B) in beide richtingen licht te draai- en; het inbrengen is voltooid wanneer de pen (Afb. 15.A) helemaal is ingetrokken.

2. Draai daarna de knop (Afb. 15.D) helemaal

1. Verwijder de beschermkap (Afb. 16.A) van de

twee uiteinden van de exibele drijfstang (Afb. 16.B). Deze zijn onderling verschillend.

2. Verwijder de beschermdop (Afb. 17.A) van de

uitstekende buis (Afb. 17.B) van de greep ach- teraan (Afb. 17.C)

3. Plaats het uiteinde met de sleuf (Afb.17.D) in

de uitstekende buis (Afb. 17.B) van de greep achteraan (Afb. 17.C) en bevestig het met de schroef (Afb. 17.E), zodat het geblokkeerd blijft.

4. Druk op de pin (Afb.18.A) en plaats de exibe-

le stang (Afb.18.B) in de zitting van de motor (Afb.18.C).

5. Laat de pin (Afb.18.A) los zodat het uiteinde

van de buis (Afb.18.B) wordt geblokkeerd.

6. Verwijder de rubberen bescherming (Afb.18.D)

kabel (Afb.18.F) met behulp van een schroevendraaier.NL - 10

Staat toe de snelheid van de snij-inrichting te re- gelen.

staat de bediening van de versnellingshen-

Onderhoud. De icoon duidt aan

onderhoud uit te voeren. De icoon begint te

BELANGRIJK De in acht te nemen veiligheidsnormen worden beschreven inNL - 11 hst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht  om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. BELANGRIJK De machine wordt zonder brandstof geleverd.

6.1 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN

Voordat de machine wordt gebruikt:

1. plaats de machine horizontaal en stevig op

2. kies de snij-inrichting die het meest gepast is

voor het werk dat u wilt uitvoeren (par. 4.3);

3. tank brandstof. Voor de manier van voorberei-

ding van het mengsel en voor de manier en de voorzorgsmaatregelen van het tanken (zie par. 7.2 en par. 7.3);

4. breng het draagstel op de juiste wijze aan

6.1.1 Gebruik van het draagstel

De riemen moeten geregeld worden op basis van de grootte en de lichaamsbouw van de bediener.

  • Modellen met enkele riem Het draagstel moet gedragen worden voordat de machine aan de specieke koppeling wordt ge- koppeld. De riem (Afb. 20.A) moet over de linker schouder worden geslagen en langs de rechter zijde lopen. De riem moet gedragen worden met: – de houder (Afb. 20.A.1), de koppelingsklem van de machine (Afb. 20.A.2). en de snel- koppeling (Afb. 20.A.3) aan de rechter kant.
  • Modellen met dubbele riem Het draagstel moet gedragen worden voordat de machine aan de specieke koppeling wordt ge- koppeld. De riem (Afb. 20.B) moet gedragen worden met: – de houder (Afb. 20.B.1), de koppelingsklem van de machine (Afb 20.B.2), en de snelkop- peling (Afb. 20.B.3) aan de rechter kant; – de snelkoppeling vooraan (Afb. 20.B.4); – de kruising van de riemen op de rug van de bediener (Afb. 20.B.6); – de gespen correct vastgemaakt (Afb. 20.B.5). De riemen moeten zodanig gespannen worden dat de last gelijkmatig wordt verdeeld over de schouders. BELANGRIJK In geval van gevaar moet de machine losgekoppeld worden via de snelkoppe- ling (Afb. 20.B.3).
  • Rugzakmodellen De rugzak moet gedragen worden nadat de ma- chine is ingeschakeld. De rugzak (Afb. 20.C) moet gedragen worden met: – de schouderbanden op de schouders van de operator (Afb. 20.C.1); – de gespen correct vastgemaakt (Afb. 20.C.2). – de haak van de machine aan de rechterkant geplaatst (Afb. 20.C.3); – de snelkoppeling vooraan (Afb. 20.C.4); De riemen moeten zodanig gespannen worden dat de last gelijkmatig wordt verdeeld over de schouders. BELANGRIJK In geval van gevaar moet het draagstel losgekoppeld worden via de snelkoppe- ling (Afb. 20.C.4).

6.2 VEILIGHEIDSCONTROLES

Voer de volgende veiligheidscontroles uit en con- troleer of de resultaten overeenstemmen met wat aangegeven is in de tabellen. Voer steeds de veiligheidscontroles uit vooraleer de machine te gebruiken.

6.2.1 Algemene controle

Object Resultaat Grepen (Afb. 1.F, Afb. 1.G, Afb. 1.I) Gereinigd, afgedroogd, correct en stevig aan de machine bevestigd. Bescherming van de snij-inrichting. (Afb. 1.E.1, Afb. 1.E.2) Geschikt voor de gebruikte snij-inrichting, correct en stevig bevestigd op de machine, niet versleten of beschadigd. Aanslagpunt van het draagstel (Afb. 1.K) Correct geplaatst Snelkoppeling (Afb. 20.A.3, Afb. 20.B.3, Afb. 20.C.4) Doeltreend. Hiermee kan de machine snel losgemaakt worden in geval van gevaar. Schroeven op de machine en de snij-inrichting. Goed vastgedraaid (niet los) Snij-inrichting (Afb. 1.D.1, Afb. 1.D.2, Afb. 1.D.3 ) Niet beschadigd of versleten. Metalen mes (indien gemonteerd) (Afb. 1.D.2, Afb. 1.D.3) Goed geslepen. Luchtlter (Afb. 29.C) Schoon.NL - 12 Stroomkabels en bougiekabel. Intact om te vermijden dat vonken worden geproduceerd. Bougiekap (Afb. 19.H) Intact en correct op de bougie gemonteerd.

6.2.2 Test werking van de machine

Actie Resultaat De machine starten (par. 6.3) De snij-inrichting (Afb. 1.D.1, Afb. 1.D.2, Afb. 1.D.3,) mag niet bewegen wanneer de motor aan het stationaire toerental draait. Gelijktijdig de bedieningshendel van de versnelling (Afb. 19.B) en de veiligheidshendel van de versnelling indrukken (Afb. 19.C). De hendels moeten een vrije beweging hebben, zonder forceringen. De bedieningshendel van de versnelling (Afb. 19.B) en de veiligheidshendel van de versnelling (Afb. 19.C) loslaten De hendels moeten automatisch en snel terugkeren naar de vrijstand, en de motor bereikt het stationaire toerental. Druk de bedieningshendel van de versnelling in (Afb. 19.B) de bedieningshendel van de versnelling blijft geblokkeerd (Afb. 19.B) De schakelaar van de start/stop van de motor activeren (Afb. 19.A) De schakelaar moet gemakkelijk van de ene naar de andere positie kunnen verplaatst worden. Indien eender welke van deze resultaten verschilt van wat aangegeven is in de volgen- de tabellen, is het niet mogelijk om de machi- ne te gebruiken! Breng de machine naar een dienstcentrum voor de nodige controles en herstelling.

Voordat de motor wordt gestart:

1. leg de machine op een stabiele positie op het

2. verwijder de bescherming van de snij-inrich-

ting (Afb. 1.M) (indien gebruikt);

3. controleer dat het mes (Afb. 1.D.2, Afb. 1.D.3)

(indien gebruikt) niet het terrein of geen ande- re voorwerpen raakt.

Met de koude start wordt de start be- doeld die minstens 5 minuten na de laatste stillegging van de motor is uitgevoerd, of na het tanken. BELANGRIJK Om vervormingen te vermijden,  mag de drijfstang niet gebruikt worden als onder- steuning voor de hand of de knie tijdens de start. BELANGRIJK   Om breuken te vermijden, mag  de kabel niet over de ganse lengte getrokken wor- den. Laat hem niet langs de rand van het kabel- geleidingsgat wrijven, en laat de knop geleidelijk  los zodat hij niet op een ongecontroleerde manier  terugkeert

1. Controleer dat de schakelaar (Afb. 19.A) op

2. alleen voor modellen met choke:

Schakel de choke in door de hendel op «B» te plaatsen (Afb. 19.E).

3. Druk 10 maal op de knop van het voorinspuit-

systeem (Afb. 19.F) om de brandstoftoevoer te bevorderen. Controleer dat de opening is bedekt door de vinger wanneer de bediening wordt ingedrukt.

4. Houd de machine stevig op het terrein, met de

ene hand op de motor, om de controle tijdens de start niet te verliezen (Afb. 21).

5. Trek aan de startknop voor 10-15 cm, tot een

zekere weerstand wordt gevoeld, en trek nog enkele keren tot de eerste aanslagen van de motor worden gehoord.

6. alleen voor modellen met choke:

Schakel de choke uit door de hendel op «A» te plaatsen (Afb. 19.E).

7. Trek nogmaals aan de startknop tot de motor

de motor draaien aan het stationaire toerental.

9. Laat de motor minstens 1 minuut draaien

voordat de machine wordt gebruikt. BELANGRIJK Als de knop van de startkabel herhaaldelijk wordt geactiveerd, kan  het  zijn  dat  de motor verzuipt en de start wordt vermoeilijkt.  Indien de motor verzuipt (zie par. 14).

Voor de warme start (onmiddellijk na de stilleg- ging van de motor) moeten de punten 1 - 2 - 3 - 4 - 6 - 7 van de vorige procedure gevolgd worden.

OPMERKING Vooraleer de eerste keer te gaan maaien, moet men vertrouwd raken met de meest gepaste maaitechnieken door het draag- stel te passen, de machine stevig vast te nemen en de handelingen uit te voeren.NL - 13 Doe als volgt om met de machine te werken:

  • maak de machine steeds vast aan het draag- stel dat correct gedragen moet worden (zie par. 6.1.1).
  • de machine moet altijd stevig met beide handen vastgehouden worden, met de motor rechts van het lichaam en de snijgroep onder gordelniveau.

6.4.1 Werktechnieken

Gebruik ALLEEN nylondraad. Het ge- bruik van metalen draden, geplasticeerde metaaldraad of draad die niet geschikt is voor de kop, kan ernstige verwondingen veroorza- ken. Gebruik de machine niet om te vegen, door de draadhouder te hellen. De kracht van de motor kan voorwerpen of keitjes tot 15 me- ter ver wegschieten en schade of verwondin- gen veroorzaken. a. In beweging snijden (Maaien) Ga met een correcte houding te werk, met een boogbeweging zoals bij traditioneel maaien, zon- der de draadhouder te hellen (Afb. 22). Probeer de juiste maaihoogte eerst uit in een kleine zone, om een uniform maairesultaat te ver- krijgen door de draadhouder op een constante afstand van het terrein te houden. Voor zwaarder werk, kan het handig zijn de draad- houder ongeveer 30° naar links te laten hellen. Doe dit niet wanneer voorwerp kunnen wegspringen die personen of dieren kunnen verwonden of schade kunnen aanrichten. b. Precisiesnijden (Recht afsnijden) Houd de machine lichtjes schuin zodat de onder- kant van de draadhouder niet in aanraking komt met het terrein en de snijlijn zich op het gewenste punt bevindt, waarbij het maaimechanisme altijd ver van de gebruiker gehouden wordt. c. Maaien nabij omheiningen / funderingen Nader met de draadhouder langzaam de omhei- ning, paaltjes, stenen, muren, enz. zonder kracht toe te passen (Afb. 23). Wanneer de draad een omvangrijke hindernis raakt kan hij breken of verslijten; wanneer hij blijft steken in een omheining, kan hij bruusk afknak- ken. In elk geval kan het snijden rond trottoirs, funde- ringen, muren, enz. een overmatige slijtage van de draad veroorzaken. d. Maaien rond bomen Loop rond de boom van links naar rechts en nader de stam langzaam om er niet met de draad tegen te komen; houd de draadhouder een beetje naar voren (Afb. 24). Hou er rekening mee dat de nylondraad kleine heesters kan doorsnijden of beschadigen en dat het contact tussen de nylondraad en de stam van heesters of bomen met een zachte schors de plant ernstig kan beschadigen.

6.4.1.b Mes met 3 punten, 4 punten en 8

punten Begin te maaien van boven de begroeiing en daal dan af met het maaimes om de takken te snijden en ze in kleine stukjes te verkleinen (Afb. 25).

6.4.1.c Zaagblad (indien toegestaan)

Voor het gebruik van het zaagblad (waar toegestaan) moet altijd de specieke be- scherming gemonteerd worden (hfdst. 4.4.2) Het mes moet altijd scherp zijn om het risico voor terugslagen te vermijden. Indien kleine bomen worden geveld, moet de richting van het vallen van de boom worden voorzien door ook rekening te hou- den met de windrichting. Om een goed resultaat te krijgen bij het vellen van kleine bomen is het noodzakelijk om te zagen met een snelle beweging naar de te snijden tak of stam toe, met de motor aan het maximale toe- rental. Vermijd het gebruik van de rechter zone van het mes omdat in deze zone het risico van terugsla- gen of het stoppen van het mes hoog is als gevolg van de draairichting (Afb. 26).

6.4.2 Afstelling van de lengte van de draad

van de draadhouder tijdens het werk Deze machine is uitgerust met een draadhouder met halfautomatische vrijgave van de draad. De lengte van de draad van de draadhouder moet afgesteld worden: – wanneer de draad verslijt en korter wordt; – wanneer men voelt dat de rotatie van de motor groter is dan normaal; – wanneer de werkzaamheid van het maaien vermindert.NL - 14 Om nieuwe draad vrij te geven:

  • de draadhouder tegen de grond kloppen (Afb.

27) met de versnellingshendel helemaal inge-

  • de draad wordt automatisch vrijgegeven en de draadhouder (Afb. 32.A) snijdt de niet benodig- de lengte af.

6.5 SUGGESTIES VOOR HET GEBRUIK

Men raadt aan, tijdens het gebruik, om het gras dat zich rond de machine wikkelt regelmatig te verwijderen, om oververhitting van de motor te vermijden (Afb. 1.A) die te wijten zou zijn aan het gras dat onder de beveiliging van de snij-inrich- ting geklemd raakt (Afb. 1.E.1, Afb. 1.E.2). Ga als volgt te werk: – de machine stopzetten (par. 6.6); – verwijder de kap van de bougie (Afb. 19.H); – werkhandschoenen dragen; – het gras verwijderen met een schroeven- draaier, om ervoor te zorgen dat de motor correct afgekoeld wordt. OPMERKING   Tijdens de eerste 6-8 bedrijfsu- ren van de machine moet vermeden worden om de motor aan het maximale toerental te laten draaien.

  • laat de gashendel (Afb. 19.B) los en laat de motor enkele seconden draaien aan het stati- onaire toerental;
  • plaats de schakelaar (Afb. 19.A) op «O»;
  • Wachten tot het maaimechanisme stilvalt. Nadat de motor het stationaire toerental heeft bereikt, moet men enkele seconden wachten vooraleer de snij-inrichting tot stil- stand komt. BELANGRIJK De machine steeds stoppen tijdens verplaatsingen tussen werkzones. De motor kan onmiddellijk na het uit- schakelen zeer warm zijn. Niet aanraken. Ge- vaar op brandwonden.
  • Verwijder de kap van de bougie.
  • Plaats de mesbescherming wanneer de snij-inrichting stil staat;
  • Laat de motor eerst afkoelen vóór de machine in elke willekeurige ruimte op te bergen.
  • Reinig de machine (par. 7.4).
  • Controleer of er geen onderdelen los of be- schadigd zijn. Vervang, indien nodig, de be- schadigde onderdelen en klem eventueel schroeven en moeren die losgekomen zijn weer vast. BELANGRIJK Leg de machine stil (par. 6.6), verwijder  de  kap  van  de  bougie  (Afb.  19.H) en  monteer altijd de mesbescherming wanneer de  machine onbewaakt worden achtergelaten.

BELANGRIJK De in acht te nemen veilig- heidsnormen worden beschreven in hst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige  risico's of gevaren te lopen. Vooraleer eender welke ingreep voor on- derhoud aan te vangen:

  • verwijder de kap van de bougie (Afb. 19.H);
  • breng de mesbescherming aan wanneer de snij-inrichting stil staat (tenzij aan het mes zelf gewerkt moet worden);
  • laat de motor eerst afkoelen vóór de ma- chine in elke willekeurige ruimte op te ber- gen;
  • draag geschikte kledij, werkhandschoe- nen en een beschermende bril;
  • lees de desbetreende instructies;
  • De frequenties en de soorten ingrepen zijn samengevat in de "Tabel Onderhoud" (zie hst. 13). Het doel van de tabel is om uw machine een optimale conditie te laten behouden. Hier- in staan de voornaamste ingrepen en de tijden waarop ze uitgevoerd moeten worden. Voer de desbetreende handeling uit in functie van de eerstkomende vervaldatum.
  • Het gebruik van niet originele wisselstukken en toebehoren kan negatieve gevolgen hebben op de werking en de veiligheid van de machi- ne. De fabrikant wijst alle aansprakelijkheid af in geval van schade of letsels veroorzaakt door die producten.
  • De originele wisselstukken worden geleverd door de geautoriseerde dienstcentra en we- derverkopers.NL - 15 BELANGRIJK Alle werkzaamheden voor on- derhoud en afstelling die niet in deze handleiding beschreven zijn, moeten uitgevoerd worden door  uw Wederverkoper of door een gespecialiseerd Centrum.

7.2 VOORBEREIDING VAN HET MENGSEL

Deze machine is voorzien van een tweetakt mo- tor die een mengsel van benzine en smeerolie gebruikt. BELANGRIJK Het gebruik van enkel benzine beschadigt de motor en veroorzaakt het vervallen van de garantie. BELANGRIJK Gebruik enkel kwaliteitsvolle brandstoen en smeermiddel om de prestaties te  handhaven en de duurzaamheid van de mecha- niek te garanderen.

7.2.1 Kenmerken van de benzine

Gebruik enkel loodvrije benzine met een octaan- getal van minstens 90. BELANGRIJK   Loodvrije  benzine  neigt  afzet- tingen te creëren in de tank als ze langer dan 2 maanden  wordt  bewaard.  Gebruik  altijd  verse  benzine!

7.2.2 Kenmerken van de olie

Gebruik enkel kwaliteitsvolle synthetische olie, speciek voor tweetakt motoren. Bij uw dealer zijn oliën verkrijgbaar die speciaal zijn ontworpen voor dit type van motor, die een hoog beschermingsniveau garanderen. BELANGRIJK Om de te gebruiken percentages van de olie en de benzine te kennen, wordt verwe- zen naar de tabel "TECHNISCHE GEGEVENS".

7.2.3 Voorbereiding en bewaring van het

mengsel Voor de voorbereiding van het mengsel:

1. giet in een gehomologeerd vat ongeveer de

helft van de hoeveelheid benzine;

2. voeg alle olie toe;

3. giet de resterende benzine in;

4. sluit de dop en schud goed.

BELANGRIJK Het mengsel is onderhevig aan veroudering. Bereid geen te grote hoeveelheden voor om te vermijden dat afzettingen worden ge- vormd. BELANGRIJK Houd de vaten van het mengsel en de benzine onderscheidend en goed identi- ceerbaar om te voorkomen dat ze op het moment van gebruik worden omgewisseld. BELANGRIJK Reinig regelmatig de vaten van de benzine en van het mengsel om eventuele af- zettingen te verwijderen.

7.3 BRANDSTOF BIJVULLEN

Voordat brandstof wordt bijgevuld:

1. schud het vat met het mengsel goed;

2. leg de machine op een vlakke ondergrond, in

een stabiele positie, met de dop van de tank voor het mengsel naar boven gericht (Afb. 19.G). OPMERKING Op de dop van de tank van het mengsel (Afb. 19.G) is het volgende symbool aanwezig: Tank van het mengsel.

3. Reinig de dop van de tank en de omringende

zone om te vermijden dat vuil in de tank terecht komt wanneer het mengsel wordt toegevoegd.

4. Open de dop van de tank voorzichtig om de

interne druk geleidelijk aan af te laten.

5. Gebruik een trechter om het mengsel in te gie-

ten, en vul de tank niet helemaal.

7.4 REINIGING VAN DE MACHINE EN VAN

DE MOTOR Reinig de machine altijd na gebruik. Om risico's voor brand te voorkomen: – houd de machine en vooral de motor vrij van grasresten, bladeren of vet; – reinig regelmatig de vinnen van de cilinder met behulp van perslucht, en bevrijd de zone van de geluiddemper van zaagsel, takjes, bladeren en afval. Om oververhitting en schade aan de motor of aan de accu te vermijden, moeten de zuigroosters van de koellucht altijd schoon worden gehouden en vrij van zaagsel en afval zijn.

  • Houd de schroeven en moeren goed vastge- draaid, om er zeker van te zijn dat de machine altijd veilig werkt.
  • Controleer regelmatig of de handgrepen stevig bevestigd zijn.NL - 16

OVERBRENGING Smeer met vet op basis van lithium. Verwijder de schroef (Afb. 28.A) en voer het vet in door de as handmatig te draaien tot het vet uitstroomt; hermonteer daarna de schroef (Afb. 28.A).

8.2 SMERING VAN DE FLEXIBELE STANG

Smeer met vet op basis van lithium.

1. Koppel de stang (Afb. 28.B) los aan de kant

2. verwijder de exibele stang (Afb. 28.C);

3. breng het vet aan door de as handmatig te

draaien tot het vet over het ganse oppervlak is verdeeld; hermonteer daarna het samenstel (par. 4.6)

8.3 REINIGING VAN DE LUCHTFILTER

BELANGRIJK   De reiniging van de luchtlter is  van essentieel belang voor de goede werking en de duurzaamheid van de machine. Werk niet zon- der lter of met een beschadigde lter, zodat de  motor niet onherstelbaar wordt beschadigd. De reiniging moet elke 15 bedrijfsuren uitge- voerd worden.

teer de bedekking (Afb. 29.A) en verwijder het lterelement (Afb. 29.C);

2. blaas met perslucht vanaf de binnenkant om

stof en afvalmateriaal te verwijderen (Afb. 30);

3. hermonteer het lterelement (Afb. 29.C)

en de bedekking (Afb. 29.A), en draai de schroeven (Afb. 29.B) opnieuw vast.

bedekking (Afb. 29.A) en verwijder het ltere- lement (Afb. 29.C);

2. blaas met perslucht vanaf de binnenkant om

stof en afvalmateriaal te verwijderen (Afb. 30);

3. hermonteer het lterelement (Afb. 29.C) en

de bedekking (Afb. 29.A), en draai de knop (Afb. 29.B) opnieuw vast.

Demonteer en reinig regelmatig de bougie, en verwijder eventuele afzettingen met behulp van een metalen borstel (Afb. 31). Controleer en herstel en de correcte afstand tus- sen de elektroden (Afb. 31). Hermonteer de bougie, en draai ze helemaal vast met de bijgeleverde sleutel. De bougie moet worden vervangen met een bou- gie met dezelfde eigenschappen in geval van ver- brande elektroden of versleten isolatie, en in elk geval elke 100 bedrijfsuren.

8.5 ONDERHOUD VAN HET

MAAIMECHANISME Tijdens het werken aan de snij-inrichting, dient men erop te letten dat de snij-inrichting kan bewe- gen, ook al is de bougiekabel losgekoppeld. Op deze machine is het gebruik voorzien van maaimechanismen met de code die aangegeven is in de tabel Technische Gegevens. Gezien de ontwikkeling van het product, kunnen het maaimechanismen aangegeven in de Techni- sche Gegevens in de loop van de tijd vervangen worden door andere, met soortgelijke eigen- schappen voor wat betreft verwisselbaarheid en functionele veiligheid. Raak de snij-inrichting niet aan tot de bougiekabel is losgekoppeld en de snij-in- richting volledig stilstaat. Draag werkhandschoenen.

8.5.1 Bijslijpen/uitbalanceren van het mes

Om veiligheidsredenen, raadt men aan het slijpen en uitbalanceren door een gespe- cialiseerd Centrum te laten uitvoeren, die over de geschikte bevoegdheid en werktui- gen beschikt om deze handeling uit te voe- ren, zonder risico het mes te beschadigen en het gebruik ervan onveilig te maken. De messen met 3 punten, 4 punten en 8 punten kunnen vanaf beide zijden gebruikt worden. Wan- neer een zijde van de punten versleten is, kan het mes omgedraaid worden om de andere zijde te gebruiken. Wanneer beide zijden van de punten versleten zijn, moet men deze laten bijslijpen.NL - 17 Het zaagblad is niet omkeerbaar en kan dus slechts aan één zijde gebruikt worden.

8.5.2 Vervanging van het mes

Het mes dient nooit gerepareerd te wor- den, maar moet vervangen worden zodra eer- ste sporen van breuk vastgesteld worden of de vijllimiet overschreden is. Zie hst. 4.5.3 en 4.5.4 voor de handelingen van de vervanging

8.5.3 Vervanging van de draad van de

  • Type II Snijd de nieuwe draad op de aangeduide lengte (Afb. 34.A).

4. Verdraai het knopje voor het opwikkelen

(Afb. 35.A) tot het referentieteken op het knopje (Afb. 35.B) op één lijn is met het teken op de draadhouder (Afb. 35.C).

5. Steek een uiteinde van de draad (Afb. 35.D)

in een van de twee uitgangsopeningen en laat de draad er langs de andere kant uitko- men.

6. Lijn de draden de uit de twee openingen ko-

men gelijkmatig uit.

7. Verdraai het knopje voor het opwikkelen

(Afb. 36.A) in de richting van de pijltjes om de draad op te wikkelen; laat ongeveer 175 mm uit beide openingen steken (Afb. 36.B). Indien er oude draad in de draadhouder gebleven is of indien de draad in de draadhouder gebroken is, kan men deze als volgt verwijderen:

1. druk op de lipjes aan de zijkanten van de

draadhouder, op het punt aangegeven met "PUSH" (Afb. 37.A), en haak het onderste deel van de draadhouder los (Afb. 37.B);

2. verwijder de draad die binnenin gebleven is;

3. herplaats de spoel (Afb. 38.A) in zijn zitting;

4. sluit de draadhouder door de lipjes (Afb.

38.B) vast te haken in de daarvoor voorzie- ne gleufjes (Afb. 38.C), en ze stevig aan te drukken tot u de "klik" hoort die het onderste deel van de draadhouder (Afb. 38.D) in zijn positie blokkeert.

8.6 BIJSLIJPEN VAN DE DRAADSNIJDER

1. Verwijder de draadsnijder (Afb. 32.A) uit de

bescherming (Afb. 32.B) door de schroef (Afb. 32.C) los te draaien.

2. Zet de draadsnijder (Afb. 32.A) vast in een

bankschroef en vijl met behulp van een plat- te vijl. Zorg er voor dat de originele snijhoek behouden blijft;

3. Hermonteer de draadsnijder (Afb. 32.A) op de

TOERENTAL Als de snij-inrichting beweegt wanneer de motor aan het stationaire toerental draait, moet u uw dealer contacteren om de motor correct te laten afstellen:

De carburator is in de fabriek geregeld om de maximale prestaties in elke gebruikssituatie te verkrijgen, met en minimum emissie van schade- lijke gassen, in overeenstemming met de gelden- de normenstelsels In geval van slechte prestaties moet u zich wen- den tot uw dealer om de carburatie en de motor te laten controleren.

BELANGRIJK   De  veiligheidsnormen  die  tijdens  de berging in acht genomen moeten worden, zijn be- schreven in par. 2.4. Neem deze aanwijzingen strikt  in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Wanneer de machine langer dan 2-3 maanden inactief zal zijn, moet ze opgeborgen worden en terwijl bepaalde maatregelen moeten getroen worden om problemen bij het hervatten van de werkzaamheden of permanente schade aan de motor te voorkomen. Voordat de machine wordt gestald:

1. Maak de brandstoftank buiten leeg, wanneer

de motor koud staat.

2. Start de motor en laat hem draaien aan het

stationaire toerental tot hij stilvalt, zodat alle brandstof wordt verbruikt die nog aanwezig is in de carburator.

3. Laat de motor afkoelen.

4. Verwijder de kap van de bougie (Afb. 19.H).

5. Reinig de machine zorgvuldig.

6. Controleer of de machine geen schade ver-

toont. Contacteer, indien nodig, het geautori- seerde dienstcentrum.NL - 18

7. Berg de machine op:

– in een droge omgeving; – beschermd tegen slech- te weersomstandigheden; – met de mesbescherming correct gemon- teerd; – buiten bereik van kinderen; – na zich ervan verzekerd te hebben de sleutels of gereedschappen die voor het onderhoud gebruikt werden, verwijderd te hebben. Wanneer de machine opnieuw in werking moet gesteld worden, moet de machine worden voor- zien zoals is aangeduid in hoofdstuk “6. Gebruik van de machine".

10. HANTERING EN TRANSPORT

Wanneer men de machine hanteert of transpor- teert, moet het volgende verricht worden: – Zet de machine stil. – Verwijder de kap van de bougie (Afb. 19.H). – Stevige werkhandschoenen dragen. – Plaats de mesbescherming wanneer de snij-inrichting stil staat; – De machine alleen vastnemen aan de hand- grepen en de snij-inrichting in de richting te- genover de loop- of rijrichting houden. Wanneer men de machine met een wagen ver- voert, moet men: – de machine zo plaatsen dat ze geen gevaar veroorzaakt; – ze stevig aan het vervoersmiddel bevestigen met koorden of kettingen om te vermijden dat ze kantelt en zo eventueel beschadigd kan worden of dat er brandstof zou kunnen lekken.

11. ASSISTENTIE EN HERSTELLINGEN

Deze handleiding verstrekt alle gegevens die u nodig hebt om de machine te kunnen gebruiken en om er op de juiste manier eenvoudige on- derhoudswerkzaamheden aan te kunnen ver- richten, die de gebruiker zelf kan uitvoeren. Alle afstellingen en onderhoudshandelingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uit- gevoerd worden door uw Verkoper of in een ge- specialiseerd Centrum dat beschikt over de nodi- ge kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine. Handelingen die in niet geschikte structuren of door onbekwame personen uitgevoerd werden, doen elke vorm van garantie en alle verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fabrikant vervallen.

  • Enkel de geautoriseerde dienstencentra mo- gen de herstellingen en onderhoudsingrepen in garantie uitvoeren.
  • De geautoriseerde dienstencentra gebruiken enkel originele wisselstukken. De originele wisselstukken en toebehoren werden speciaal voor de machines ontwikkeld.
  • Niet originele wisselstukken en toebehoren zijn niet goedgekeurd, het gebruik van niet ori- ginele wisselstukken en toebehoren leidt tot verval van de garantie.
  • Men raadt aan de machine eens per jaar aan een geautoriseerd dienstcentrum toe te ver- trouwen voor het onderhoud, assistentie en controle van de veiligheidsinrichtingen.

De garantie dekt alle defecten van het materiaal en van de fabricatie. De gebruiker moet aandach- tig de aanwijzingen volgen die in de bijgevoegde documentatie verschaft is. De garantie geldt niet voor schade te wijten aan:

  • Onvoldoende kennis van de vergezellende do- cumentatie.
  • Onjuist of niet toegestaan gebruik en montage.
  • Gebruik van niet originele wisselstukken.
  • Gebruik van toebehoren dat niet door de fabri- kant verschaft of goedgekeurd werd. Deze garantie geldt bovendien niet voor:
  • De normale slijtage van verbruiksmateriaal zo- als snij-inrichtingen, veiligheidsbouten.
  • Normale slijtage. De aankoper is beschermd door de nationale wet- ten van zijn eigen land. De rechten van de koper die voorzien zijn in de nationale wetten van zijn eigen land zijn op geen enkele wijze beperkt door deze garantie.NL - 19

Frequentie Ingreep MACHINE MOTOR Controle van alle bevestigingen (zie hfdst. 7.5) Veiligheids- controles / controle van de bedienings- elementen (zie hfdst. 6.2) Algemene reiniging en controle (zie hfdst. 7.4) Smering van de hoekoverbren- ging en de exi- bele stang (zie hfdst. 8.1, 8.2) Controle/ bijvulling brandstofpeil (zie hfdst. 7.3) Algemene reiniging en controle (zie hfdst. 7.4) Reiniging van de luchtlter (zie hfdst. 8.3) Vervanging van de luchtlter (zie hfdst. 8.3) Reiniging van de bougie (zie hfdst. 8.4) Vervanging bougie (zie hfdst. 8.4) Bevestiging schroeven uitlaat * Vervanging van de brandstolter

Reiniging van de opening van de uitlaat van de cilinder en de twee vinnen van de cilinder * Vóór eender welk gebruik

  • Werkzaamheden die moeten uitgevoerd worden door uw verkoper of door een erkend servicewerkplaatsNL - 20

1. De motor start niet

of blijft niet draaien Onjuiste startprocedure. Volg de aanwijzingen (zie hfdst. 6.3). Bougie vuil of afstand tussen de elektroden niet correct Controleer de bougie (zie par. 8.4). Verstopte luchtlter Reinig en/of vervang de lter (zie par. 8.3). Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum.

gestart maar heeft weinig vermogen. Verstopte luchtlter Reinig en/of vervang de lter (zie par. 8.3). Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum.

onregelmatig of heeft geen vermogen onder belasting Bougie vuil of afstand tussen de elektroden niet correct Controleer de bougie (zie par. 8.4). Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum.

4. De motor produceert

teveel rook Foute samenstelling van het mengsel Bereid het mengsel voor volgens de instructies (zie par. 7.2) Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum.

5. De motor verzuipt De starthendel werd

herhaaldelijk geactiveerd met de starter ingeschakeld, Demonteer de bougie (Afb. 31) en trek zachtjes aan de greep van de startkabel (Afb. 19.I) om het teveel aan brandstof te elimineren; droog daarna de elektroden van de bougie en hermonteer ze op de motor.

6. De snij-inrichting

beweegt wanneer de motor aan het stationaire toerental draait Foute afstelling van de carburatie Neem contact op met een erkend servicecentrum.

7. De machine begint

abnormaal te trillen Beschadiging of geloste delen. Leg de machine stil en koppel de accukabel los (Afb. 19.H,). Controleer eventuele beschadigingen. Controleer of delen losgekomen zijn en schroef ze weer vast. Voer de controles, vervangingen of herstellingen uit bij een geautoriseerd centrum.

heeft een vreemd voorwerp geraakt Beschadiging of geloste delen. Leg de machine stil en koppel de accukabel los (Afb. 19.H). Controleer eventuele beschadigingen. Controleer of delen losgekomen zijn en schroef ze weer vast. Voer de controles, vervangingen of herstellingen uit bij een geautoriseerd centrum. Mochten de problemen aanhouden na de toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NO - 1

EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel

2. Verklaart onder zijn eigen

verantwoordelijkheid dat de machine: Met de hand draagbare grasmaaier/graskantenrijder met motor / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) Motor: benzinemotor

3. Voldoet aan de specificaties van de

richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type

4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde

normen g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen

n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum ES (Traducción del Manual Original)

EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)

2. Verklaart onder zijn eigen

verantwoordelijkheid dat de machine: Met de hand draagbare bosmaaier met motor / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) benzinemotor

3. Voldoet aan de specificaties van de

richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type

4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen

g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen j) Netto geïnstalleerd vermogen n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum ES (Traducción del Manual Original)

EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)

2. Verklaart onder zijn eigen

verantwoordelijkheid dat de machine: Met de hand draagbare bosmaaier met motor / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) benzinemotor

3. Voldoet aan de specificaties van de

richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type

4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen

g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen j) Netto geïnstalleerd vermogen n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum ES (Traducción del Manual Original)

EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)

2. Verklaart onder zijn eigen

verantwoordelijkheid dat de machine: Met de hand draagbare bosmaaier met motor / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) benzinemotor

3. Voldoet aan de specificaties van de

richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type

4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen

g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen j) Netto geïnstalleerd vermogen n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum ES ( Traducción del Manual Original)

EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)

2. Verklaart onder zijn eigen

verantwoordelijkheid dat de machine: Met de hand draagbare bosmaaier met motor / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) benzinemotor

3. Voldoet aan de specificaties van de

richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type

4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen

g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen j) Netto geïnstalleerd vermogen n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum ES (Traducción del Manual Original)

EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)

2. Verklaart onder zijn eigen

verantwoordelijkheid dat de machine: Met de hand draagbare bosmaaier met motor / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) benzinemotor

3. Voldoet aan de specificaties van de

richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type

4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen

g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen j) Netto geïnstalleerd vermogen n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum