120 Mark II - Zaag HUSQVARNA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis 120 Mark II HUSQVARNA in PDF-formaat.

📄 468 pagina's PDF ⬇️ Nederlands NL 💬 AI-vraag 🖨️ Afdrukken
Notice HUSQVARNA 120 Mark II - page 253
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : HUSQVARNA

Model : 120 Mark II

Categorie : Zaag

Download de handleiding voor uw Zaag in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 120 Mark II - HUSQVARNA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 120 Mark II van het merk HUSQVARNA.

GEBRUIKSAANWIJZING 120 Mark II HUSQVARNA

1. Product- en serienummerplaatje

5. Kettingrem met terugslagbeveiliging

21. Stelschroef voor stationair draaien

22. Balgje voor extra brandstoftoevoer

23. Informatie- en waarschuwingsplaatje

27. Gebruikershandleiding

Symbolen op het product (Fig. 2) Waarschuwing (Fig. 3) Lees deze handleiding (Fig. 4) Gebruik goedgekeurde hoofdbescherming, gehoorbescherming en oogbescherming (Fig. 5) Draag goedgekeurde beschermende handschoenen (Fig. 6) Het product voldoet aan de geldende EG- richtlijnen (Fig. 7) Kettingrem, niet ingeschakeld (links). Kettingrem, ingeschakeld (rechts) (Fig. 8) Chokehendel (Fig. 9) Balgje voor extra brandstoftoevoer (Fig. 10) Tanken (Fig. 11) Zaagkettingolie bijvullen (Fig. 12) Dit apparaat voldoet aan de geldende EAC-richtlijnen (Fig. 13) Dit apparaat voldoet aan de geldende Oekraïense richtlijnen (Fig. 14) Geluidsemissies naar de omgeving volgens de Europese richtlijn 2000/14/EG en de wetgeving van Nieuw-Zuid-Wales "Protection of the Environment Operations (Noise Control) Regulation 2017". De geluidsemissiegegevens vindt u op het machinelabel en in het hoofdstuk Technische gegevens. Technische gegevens op pagina 265 en op het label.

658 - 015 - 26.07.2024 253(Fig. 15)

Houd het product op de juiste wijze met beide handen vast (Fig. 16) Niet gebruiken met slechts één hand (Fig. 17) Voorkom contact met de neus van de geleider (Fig. 18) Pas op voor terugslag (Fig. 19) Dit apparaat voldoet aan de geldende Australische en Nieuw-Zeelandse richtlijnen inzake elektromagnetische compatibiliteit. Let op: Andere symbolen/stickers op het product hebben betrekking op certificeringseisen voor overige commerciële markten. Productaansprakelijkheid Zoals uiteengezet in de wet voor productaansprakelijkheid zijn wij niet aansprakelijk voor schade die door ons product wordt veroorzaakt, indien:

het product niet goed is gerepareerd.

het product is gerepareerd met onderdelen die niet van de fabrikant afkomstig zijn, of onderdelen die niet zijn goedgekeurd door de fabrikant.

het product een accessoire bevat dat niet afkomstig is van de fabrikant of niet is goedgekeurd door de fabrikant.

het product niet is gerepareerd door een erkend servicepunt of door een erkende autoriteit. Veiligheid Veiligheidsdefinities De onderstaande definities geven de mate van ernst weer voor elk trefwoord. WAARSCHUWING: Letsel aan personen. OPGELET: Schade aan het product. Let op: Deze informatie maakt het product eenvoudiger in gebruik. Algemene veiligheidsinstructies

  • Gebruik het product op de juiste manier. Onjuist gebruik leidt mogelijk tot letsel of de dood. Gebruik het product uitsluitend voor de taken die in deze handleiding worden genoemd. Gebruik het product niet voor andere taken.
  • Lees, begrijp en houd u aan de instructies in deze handleiding. Volg de veiligheidssymbolen en veiligheidsinstructies op. Het niet in acht nemen van de instructies en de symbolen kan leiden tot letsel, schade of de dood.
  • Gooi deze handleiding niet weg. Gebruik de instructies voor het monteren, gebruiken en onderhouden van uw product. Gebruik de instructies voor een correcte installatie van opzetstukken en accessoires. Gebruik alleen goedgekeurde opzetstukken en accessoires.
  • Gebruik nooit een beschadigd product. Neem het onderhoudsschema in acht. Voer alleen onderhoudswerkzaamheden uit waarvoor u in deze handleiding een instructie aantreft. Alle overige onderhoudswerkzaamheden moeten door een erkend servicepunt worden uitgevoerd.
  • Deze handleiding kan niet alle situaties beschrijven die zich voor kunnen doen wanneer u dit product gebruikt. Wees voorzichtig en gebruik uw gezond verstand. Gebruik het product niet en voer geen onderhoudswerkzaamheden aan het product uit als u niet zeker bent van de situatie. Neem voor meer informatie contact op met een productexpert, uw dealer, servicewerkplaats of erkende servicepunt.
  • Koppel de bougiekabel los voordat u het product monteert, het product opslaat of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 254 658 - 015 - 26.07.2024• Gebruik het product niet als de oorspronkelijke specificatie is gewijzigd. Vervang geen onderdelen van het product zonder toestemming van de fabrikant. Gebruik alleen onderdelen die zijn goedgekeurd door de fabrikant. Onjuist onderhoud kan leiden tot letsel of de dood.
  • Adem geen uitlaatgassen van de motor in. Er kan een gezondheidsrisico optreden als u uitlaatgassen, kettingoliedampen en zaagsel gedurende een lange periode inademt.
  • Start het product niet in gesloten ruimtes of in de buurt van licht ontvlambaar materiaal. De uitlaatgassen zijn heet en kunnen vonken veroorzaken die tot brand kunnen leiden. Onvoldoende ventilatie kan leiden tot ernstig of fataal letsel door verstikking of het inademen van koolmonoxide.
  • Dit apparaat genereert tijdens bedrijf een elektromagnetisch veld. Het elektromagnetische veld kan schade veroorzaken aan medische implantaten. Raadpleeg uw arts en de fabrikant van het medische implantaat voordat u het product gebruikt.
  • Laat het product niet door een kind bedienen.
  • Laat de machine niet bedienen door personen die de instructies niet hebben gelezen.
  • Houd personen met een lichamelijke of geestelijke beperking die het product gebruiken, altijd in de gaten. Er moet te allen tijde een verantwoordelijke volwassene aanwezig zijn.
  • Berg het product op in een afgesloten ruimte die niet toegankelijk is voor kinderen of onbevoegde personen.
  • Het product kan objecten uitwerpen en letsel veroorzaken. Neem de veiligheidsinstructies in acht om het risico op letsel of de dood te verlagen.
  • Blijf in de buurt van het product wanneer de motor is ingeschakeld. Schakel de motor uit en zorg ervoor dat de ketting niet draait.
  • De gebruiker van het product is verantwoordelijk indien zich een ongeval voordoet.
  • Zorg dat er geen onderdelen beschadigd zijn, voordat u het product gebruikt.
  • Neem nationale en lokale wetgeving in acht. Deze kan het gebruik van het product in sommige situaties beperken of verbieden.
  • Voer altijd het onderhoud uit. Gebruik geen vervangende onderdelen die niet zijn goedgekeurd en verwijder of wijzig de veiligheidsvoorzieningen niet. Dit kan leiden tot een langere remtijd van de kettingrem en een grotere mate van terugslag. Veiligheidsinstructies voor bediening
  • Het voortdurend of regelmatig bedienen van het product kan zorgen voor "witte vingers" of dergelijke medische problemen als gevolg van trillingen. Houd de toestand van uw handen en vingers in de gaten als u het product voortdurend of regelmatig gebruikt. Als uw handen of vingers verkleuren, pijn doen, tintelen of doof aanvoelen, stop dan met werken en raadpleeg onmiddellijk een arts.
  • Zorg ervoor dat het product volledig is gemonteerd voordat u het gaat gebruiken.
  • Het gebruik van het apparaat kan tot rondvliegende voorwerpen leiden, waardoor oogletsel kan ontstaan. Draag altijd goedgekeurde oogbescherming wanneer u het apparaat gebruikt.
  • Houd omstanders, kinderen en dieren uit de buurt tijdens het gebruik.
  • Gebruik dit product niet als zich personen in het werkgebied bevinden. Schakel het product uit wanneer een persoon het werkgebied betreedt. (Fig. 20)
  • Zorg dat u het product altijd onder controle hebt.
  • Het apparaat moet met twee handen worden gebruikt. Gebruik het apparaat nooit met één hand. Werken met één hand kan leiden tot ernstig letsel voor de gebruiker, medewerkers, omstanders of een combinatie van deze personen.
  • Houd de voorste handgreep vast met uw linkerhand en de achterste handgreep met uw rechterhand. Houd het apparaat rechts van uw lichaam. (Fig. 21)
  • Gebruik het apparaat niet wanneer u vermoeid of ziek bent, of alcohol of drugs hebt gebruikt.
  • Gebruik het product niet als u geen hulp kunt krijgen indien zich een ongeval voordoet. Zorg ervoor dat anderen weten dat u het product gaat gebruiken voordat u het product start.
  • Draai niet met het product voordat u zeker weet dat er zich geen personen of dieren in de veiligheidszone bevinden.
  • Verwijder alle ongewenste materialen uit het werkgebied voordat u begint. Als de ketting een voorwerp raakt, kan dit worden weggeslingerd en letsel of schade veroorzaken. Rondom de ketting kan zich ongewenst materiaal wikkelen dat schade veroorzaakt.
  • Gebruik het apparaat niet bij slecht weer, zoals mist, regen, sterke wind, gevaar voor blikseminslag of andere ongunstige weersomstandigheden. Bij slecht weer kunnen gevaarlijke omstandigheden, zoals gladde oppervlakken, ontstaan.
  • Zorg dat u vrij kunt bewegen en in een stabiele houding kunt werken.
  • Zorg dat u niet kunt vallen wanneer u het product gebruikt. Buig u niet voorover of achterover wanneer u het product bedient.
  • Houd het product altijd met twee handen vast. Houd de voorste handgreep vast met uw linkerhand en de achterste handgreep met uw rechterhand. Houd het apparaat rechts van uw lichaam.
  • De zaagketting begint met draaien als de chokehendel in de chokestand staat wanneer de motor wordt gestart.
  • Schakel de motor uit voordat u het product verplaatst.

658 - 015 - 26.07.2024

255• Zet het product niet neer terwijl de motor is ingeschakeld.

  • Stop de motor voordat u ongewenste materialen verwijdert van het apparaat. Laat de ketting eerst stoppen voordat u (al dan niet met een hulpmiddel) het gesneden materiaal verwijdert.
  • Gebruik dit product niet in een boom. Het gebruik van dit apparaat in een boom kan letsel veroorzaken. (Fig. 22)
  • De kettingrem moet zijn ingeschakeld wanneer het product wordt gestart, om te voorkomen dat u tijdens het starten door de ketting wordt geraakt. (Fig. 23)
  • Als gevolg van terugslag kunnen de gebruiker en anderen ernstig of dodelijk letsel oplopen. Om de risico's te beperken, moet u de oorzaken van terugslag kennen en weten hoe u terugslag kunt voorkomen.
  • Volg alle veiligheidsvoorschriften om het terugslagrisico en andere factoren te verlagen die kunnen leiden ernstig letsel of de dood.
  • Stel de spanning van de zaagketting regelmatig af om zeker te zijn dat de zaagketting niet verslapt. Een slappe zaagketting kan losraken en ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
  • Hanteer geen onjuiste werkwijze om bomen te kappen. Hierdoor kan lichamelijk letsel optreden, een nutsvoorziening worden geraakt of materiële schade ontstaan.
  • De gebruiker moet op het hogerliggende terrein blijven, aangezien de boom nadat deze is gekapt, waarschijnlijk heuvelafwaarts rolt of schuift. (Fig. 24)
  • Plan en bereid uw vluchtweg voor voordat u begint met zagen. De vluchtweg moet in een hoek van circa 135 graden (schuin achterwaarts) tegenover de geplande valrichting liggen.
  • Schakel altijd de motor uit voordat u het product verplaatst.
  • Zorg dat uw voeten stevig op de grond staan en verdeel uw gewicht gelijkmatig over beide voeten. (Fig. 26)
  • Gebruik het product alleen met uw voeten op een stabiele ondergrond. Zonder een stabiele ondergrond kunnen de gebruiker en anderen ernstig of fataal letsel oplopen. Gebruik het product niet vanaf een ladder of in een boom. (Fig. 27) Wegglijden, stuiteren, vallen en terugslag Verschillende krachten kunnen van invloed zijn op een veilig gebruik van het apparaat.
  • Wegglijden doet zich voor wanneer de geleider snel langs het hout glijdt of beweegt.
  • Stuiteren doet zich voor wanneer de geleider omhoog komt van het hout en het hout telkens opnieuw raakt.
  • Vallen doet zich voor wanneer het apparaat in neerwaartse richting beweegt nadat de snede is gemaakt. Hierdoor kan de draaiende ketting een lichaamsdeel of andere voorwerpen raken en letsel of schade veroorzaken.
  • Terugslag doet zich voor wanneer het uiteinde van de geleider in aanraking komt met een voorwerp en daardoor naar achteren, naar boven of plotseling naar voren beweegt. Terugslag treedt ook op wanneer het hout dichttrekt en de zaag bekneld raakt tijdens het snijden. Als het apparaat een voorwerp in het hout raakt, bestaat het gevaar dat u de controle verliest. (Fig. 28)
  • Roterende terugslag kan optreden wanneer de draaiende ketting een voorwerp aan de bovenzijde van de geleider raakt. Hierdoor kan de ketting zich in het voorwerp werken en onmiddellijk tot stilstand komen. Dit leidt tot een zeer snelle, omgekeerde reactie die tot gevolg heeft dat de geleider omhoog en naar achteren beweegt in de richting van de gebruiker. (Fig. 29) (Fig. 30)
  • Terugslag door beknelling kan optreden wanneer de zaagketting tijdens het snijden plotseling tot stilstand komt. Het hout trekt dicht en klemt de draaiende zaagketting vast langs de bovenzijde van de geleider. Door het plotselinge stoppen van de ketting komen krachten in tegengestelde richting vrij, zodat het apparaat in omgekeerde richting van de kettingrotatie gaat bewegen. Het apparaat beweegt naar achteren, in de richting van de gebruiker. (Fig. 31)
  • Intrekken kan optreden wanneer de zaagketting plotseling tot stilstand komt doordat de draaiende ketting een voorwerp in het hout aan de onderzijde van de geleider raakt. Door het plotselinge stoppen wordt het apparaat naar voren, weg van de gebruiker getrokken, waardoor de gebruiker de controle over het apparaat kan verliezen. (Fig. 32) Voordat u het apparaat in gebruik neemt, moet u inzicht hebben in de verschillende krachten en weten hoe u deze situaties kunt voorkomen.

658 - 015 - 26.07.2024Voorkomen van terugslag, wegglijden,

  • Wanneer de motor draait, moet u het apparaat stevig vasthouden. Houd de voorste handgreep vast met uw linkerhand en de achterste handgreep met uw rechterhand. Zorg voor een stevige grip met uw duimen en vingers rondom de handgrepen. Laat de handgrepen niet los.
  • Houd het apparaat onder controle tijdens het snijden en nadat het hout op de grond is gevallen. Let erop dat het apparaat niet door het gewicht in neerwaartse richting beweegt nadat de snede is gemaakt. (Fig. 33)
  • Zorg dat het gebied waarin u aan het zagen bent, vrij is van obstakels. Voorkom dat de neus van de geleider een boomstronk, tak of ander obstakel raakt tijdens het gebruik van het apparaat.
  • Zaag met een hoog motortoerental.
  • Reik nooit te ver en zaag nooit boven schouderhoogte. (Fig. 34)
  • Houd u aan de instructies van de fabrikant voor het slijpen en onderhouden van de zaagketting.
  • Monteer uitsluitend vervangende geleiders en zaagkettingen die door de fabrikant zijn gespecificeerd. Als verkeerde vervangende zaagbladen en zaagkettingen worden gebruikt, kan de ketting breken en/of kan er terugslag ontstaan.
  • Een te grote snijdiepte vergroot het terugslagrisico van de ketting. Persoonlijke beschermingsmiddelen
  • Draag altijd de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen wanneer u het apparaat gebruikt. De persoonlijke beschermingsmiddelen nemen het risico op letsel niet weg. De persoonlijke beschermingsmiddelen verlagen de ernst van het letsel indien zich een ongeval voordoet.
  • Over het algemeen moet kleding strak aansluiten, zonder dat het uw bewegingen belemmert.
  • Draag een goedgekeurde veiligheidshelm.
  • Gebruik altijd goedgekeurde gehoorbescherming wanneer u het product gebruikt. Langdurig lawaai kan gehoorverlies veroorzaken.
  • Draag altijd een veiligheidsbril of gezichtsvizier om letselgevaar door rondvliegende voorwerpen te verminderen. Het product is in staat om met grote kracht voorwerpen, zoals zaagsel, kleine stukjes hout enz., weg te slingeren. Dit kan leiden tot ernstig letsel, vooral aan ogen.
  • Draag handschoenen met kettingzaagbescherming.
  • Draag een broek met kettingzaagbescherming.
  • Draag laarzen met kettingzaagbescherming, stalen neuzen en antislipzolen.
  • Zorg ervoor dat u een EHBO-kit bij de hand hebt.
  • Er kunnen vonken springen vanaf de uitlaatdemper, geleider en zaagketting of vanaf andere onderdelen. Zorg dat u altijd een brandblusser en een schop bij de hand hebt om bosbranden te voorkomen. Veiligheidsvoorzieningen op het product
  • Zorg ervoor dat u regelmatig onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan het product.
  • De levensduur van het product neemt toe.
  • Het risico van ongevallen neemt af. Laat het product regelmatig door een erkende dealer of een erkend servicepunt controleren, zodat er aanpassingen en reparaties uitgevoerd kunnen worden.
  • Gebruik geen product met beschadigde beschermingsmiddelen. Als het product beschadigd is, neemt u dan contact op met een erkend servicepunt. Stopschakelaar Start de motor. Controleer of de motor stopt wanneer u de stopschakelaar in de stop-stand zet. Gashendelvergrendeling controleren

controleer of deze teruggaat naar de oorspronkelijke stand wanneer u hem loslaat.

3. Druk op de gashendel (B) en controleer of deze

teruggaat naar de oorspronkelijke stand wanneer u hem loslaat.

4. Start de motor en laat de zaag met maximaal

zaagketting tot stilstand komt.

6. Als de zaagketting blijft draaien wanneer de motor

stationair draait, controleert u de stelschroef voor stationair draaien op de carburateur. Beschermkap De beschermkap voorkomt dat voorwerpen in de richting van de gebruiker worden geslingerd. De beschermkap voorkomt ook dat de zaagketting tegen de gebruiker aan komt.

  • Zorg dat de beschermkap is toegestaan voor gebruik in combinatie met het product.
  • Gebruik het product niet zonder de beschermkap.
  • Controleer of de beschermkap niet is beschadigd. Vervang de beschermkap als deze is versleten of scheuren vertoont. Brandstofveiligheid
  • Start het product niet als er brandstof of motorolie op het product aanwezig is. Verwijder de ongewenste brandstof/olie en laat het product drogen. Verwijder ongewenste brandstof van het product.

658 - 015 - 26.07.2024

257• Als u brandstof op uw kleding morst, trek dan direct andere kleding aan.

  • Zorg dat er geen brandstof op uw lichaam terecht komt, dit kan letsel veroorzaken. Als er brandstof op uw lichaam terecht komt, verwijder deze dan met water en zeep.
  • Start de motor niet als u brandstof op het product of op uw lichaam hebt gemorst.
  • Start het product niet als er sprake is van een motorlekkage. Controleer de motor regelmatig op lekkage.
  • Wees voorzichtig met brandstof. Brandstof is licht ontvlambaar en de dampen zijn explosief. Ze kunnen letsel veroorzaken of leiden tot de dood.
  • Adem geen brandstofdampen in, dit kan letsel veroorzaken. Zorg voor voldoende ventilatie.
  • Rook niet in de buurt van de brandstof of de motor.
  • Plaats geen warme voorwerpen in de buurt van de brandstof of de motor.
  • Vul geen brandstof bij terwijl de motor is ingeschakeld.
  • Zorg ervoor dat de motor koud is wanneer u brandstof bijvult.
  • Draai de tankdop langzaam open en laat de druk voorzichtig ontsnappen voordat u brandstof bijvult.
  • Vul geen brandstof voor de motor bij in een afgesloten ruimte. Onvoldoende ventilatie kan leiden tot ernstig letsel of de dood door verstikking of het inademen van koolmonoxide.
  • Draai de tankdop goed vast, zodat er geen brand kan ontstaan.
  • Verplaats het product minstens 3 m (10 ft) van de plaats waar u de brandstoftank hebt gevuld, voordat u het product start.
  • Doe niet te veel brandstof in de brandstoftank.
  • Zorg dat er geen brandstof wordt gemorst wanneer u het product of de jerrycan met brandstof verplaatst.
  • Plaats het product of de jerrycan met brandstof niet op een plaats waar deze wordt blootgesteld aan open vuur, vonken of waakvlammen. Zorg dat er geen open vuur aanwezig is in de opslagruimte.
  • Gebruik alleen goedgekeurde jerrycans voor het verplaatsen of opslaan van brandstof.
  • Leeg de brandstoftank voordat het product gedurende lange tijd wordt opgeslagen. Neem lokale wetgeving in acht voor het afvoeren van brandstof.
  • Reinig het product voordat het gedurende lange tijd wordt opgeslagen.
  • Verwijder de bougiekabel voordat het product wordt opgeslagen, zodat de motor niet onbedoeld kan starten. Veiligheidsinstructies voor onderhoud
  • Koppel altijd de bougie los voordat u onderhoudswerkzaamheden gaat uitvoeren, behalve wanneer u de carburateur wilt afstellen.
  • Laat alle onderhoudswerkzaamheden aan het apparaat uitvoeren door een erkende dealer, met uitzondering van de werkzaamheden in Onderhoud op pagina 262
  • Controleer of de zaagketting tot stilstand komt wanneer de gashendel wordt losgelaten.
  • Zorg dat de handgrepen droog, schoon en vrij van olie of brandstof blijven.
  • Zorg dat doppen en bevestigingen goed blijven vastzitten.
  • Het gebruik van niet-goedgekeurde vervangende onderdelen of het verwijderen van veiligheidsvoorzieningen kan leiden tot schade aan het apparaat. Hierdoor kan ook letsel ontstaan bij de gebruiker of bij omstanders. Gebruik alleen aanbevolen accessoires en vervangende onderdelen. Breng geen wijzigingen aan het product aan.
  • Zorg dat de zaagketting scherp en schoon blijft voor veilige, uitstekende prestaties.
  • Volg de instructies voor het smeren en vervangen van onderdelen.
  • Controleer het product op beschadigde onderdelen. Controleer of eventuele schade aan de beschermkap of een bepaald onderdeel een correcte werking in de weg staat, voordat u het apparaat opnieuw in gebruik neemt. Controleer op defecte of onjuist uitgelijnde onderdelen en op onderdelen die niet vrij bewegen. Controleer of er andere omstandigheden zijn die de werking van het apparaat negatief kunnen beïnvloeden. Controleer of het apparaat correct is gemonteerd. Een beschadigde beschermkap of ander beschadigd onderdeel moet worden gerepareerd of vervangen door een erkende dealer, tenzij de gebruikershandleiding anders vermeldt.
  • Wanneer het apparaat niet in gebruik is, bewaart u het op een droge, hoge en afgesloten locatie buiten het bereik van kinderen.
  • Gebruik tijdens het transporteren of opslaan van het apparaat een transportbescherming of afscherming om het apparaat te verplaatsen.
  • Gebruik geen afgewerkte olie. Afgewerkte olie kan gevaarlijk voor u zijn en schade aan het apparaat en milieu toebrengen. Montage WAARSCHUWING: Zorg dat u het hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en begrepen voordat u het apparaat monteert. Geleider en zaagketting monteren

1. Verwijder voorafgaand aan het monteren de kap van

de bougie om onbedoeld starten te voorkomen. 258 658 - 015 - 26.07.20242. Draai de zaagbladmoeren los en verwijder het kettingwieldeksel. Verwijder de transportbescherming (A). (Fig. 36)

3. Houd de geleider boven de zaagbladbouten. Duw de

geleider volledig in de achterste positie. (Fig. 37)

4. Trek handschoenen met kettingzaagbescherming

5. Til de zaagketting boven het kettingaandrijfwiel en

positioneer de ketting in de groef van de geleider. Begin aan de bovenzijde van de geleider. (Fig. 38)

6. Zorg dat de snijkanten van de zaagschakels aan de

bovenrand van de geleider naar voren wijzen.

7. Monteer het kettingwieldeksel en breng de stelpen

van de kettingspanner aan in de uitsparing van de geleider.

8. Controleer of de aandrijfschakels van de zaagketting

correct aanliggen op het kettingaandrijfwiel. Controleer ook of de zaagketting correct is gepositioneerd in de groef op de geleider.

9. Draai de geleidermoeren met de hand vast.

10. Span de zaagketting door de kettingspannerschroef

rechtsom te draaien met de combinatietang (Fig. 39). Verhoog de spanning van de zaagketting totdat deze niet meer slap onder de geleider hangt, maar u de ketting nog wel gemakkelijk met de hand kunt draaien. (Fig. 40)

11. Houd het uiteinde van de geleider omhoog en draai

de zaagbladmoeren vast met de combinatietang. (Fig. 41)

  • Controleer na het monteren van een nieuwe zaagketting regelmatig de kettingspanning, totdat de zaagketting is ingelopen.
  • Controleer de kettingspanning op gezette tijden. Een correcte kettingspanning leidt tot goede zaagresultaten en een lange levensduur. Kettingrem terugstellen Als de koppelingskap per ongeluk is verwijderd terwijl de kettingrem is vergrendeld, moet de kettingrem worden ontgrendeld, zodat het koppelingsdeksel kan worden aangebracht zonder dat het de koppelingstrommel raakt. OPGELET: De veer van de kettingrem staat onder spanning. Wees voorzichtig bij het terugstellen van de kettingrem. Let op: Houd de remband niet vast terwijl u de rem terugstelt.

1. Lijn de inkepingen op het geleidergereedschap uit,

zodat ze passen op de roterende remkoppeling. (Fig. 42)

2. Draai de koppeling rechtsom tot de aanslag om

de rem terug te stellen. De voorste koppeling staat omlaag gedraaid wanneer de kettingrem is ontgrendeld. (Fig. 43) (Fig. 44) Werking WAARSCHUWING: Lees en begrijp het hoofdstuk over veiligheid voordat u het product gebruikt. Brandstof gebruiken OPGELET: Dit product heeft een tweetaktmotor. Gebruik een mengsel van benzine en tweetakt-motorolie. Zorg dat u de juiste hoeveelheid olie gebruikt in het mengsel. Door een onjuiste verhouding van benzine en olie kan de motor beschadigd raken. Mengverhouding voor brandstof De mengverhouding voor benzine en tweetakt-motorolie is 50:1 (2%) Benzine Tweetakt-motorolie 1 U.S. Gal. 77 ml (2,6 oz) 1 UK Gal. 95 ml (3,2 oz) Benzine Tweetakt-motorolie 5 l 100 ml (3,4 oz) Brandstof mengen

1. Bepaal de juiste hoeveelheid benzine en motorolie

(mengverhouding 50:1). Prepareer geen grotere hoeveelheid brandstofmengsel dan u binnen 30 dagen zult gebruiken. Zie Brandstof gebruiken op pagina 259

2. Giet de helft van de hoeveelheid benzine in een

schone jerrycan met een anti-morsschenktuit. OPGELET: Gebruik geen benzine met een ethanolgehalte van meer dan 10% (E10). Dit kan schade aan het product veroorzaken. OPGELET: Gebruik geen benzine met een octaangetal lager dan 90 RON (87 AKI). Dit kan schade aan het product veroorzaken.

658 - 015 - 26.07.2024 259Let op: Gebruik benzine met een hoger

octaangetal als u het product regelmatig gebruikt met een hoog motortoerental.

3. Voeg de volledige hoeveelheid tweetakt-motorolie

toe aan de jerrycan. OPGELET: Gebruik altijd motorolie van hoge kwaliteit voor luchtgekoelde tweetaktmotoren. Andere oliën kunnen schade aan het apparaat veroorzaken.

4. Schud het brandstofmengsel om de stoffen te

5. Voeg de resterende hoeveelheid benzine toe aan de

6. Schud het brandstofmengsel om de stoffen te

7. Vul de brandstoftank van het apparaat met het

brandstofmengsel. Zie Brandstof gebruiken op pagina 259

1. Zorg dat het brandstofmengsel juist is en zich in een

jerrycan met een anti-morsschenktuit bevindt.

2. Als zich aan de buitenzijde van de jerrycan brandstof

bevindt, verwijdert u dit en laat u de jerrycan drogen.

3. Zorg dat het oppervlak rondom de tankdop schoon

5. Schud de jerrycan voordat u het brandstofmengsel in

de brandstoftank laat lopen.

6. Plaats de tankdop terug.

Zaagketting smeren Het apparaat is voorzien van een automatisch smeersysteem. De tank voor de kettingolie en de brandstoftank zijn zo gedimensioneerd dat de brandstof op is voordat de kettingolie op is. Deze veiligheidsvoorziening vereist dat de juiste kettingolie wordt gebruikt en dat de instructies worden opgevolgd.

1. Gebruik plantaardige zaagkettingolie of een

standaard kettingolie.

2. Zorg dat het gebied in de buurt van de tankdop van

4. Vul de kettingolietank met de aanbevolen

5. Plaats de dop van de kettingolietank terug.

Starten en stoppen Voordat u het product gebruikt

  • Controleer het product op ontbrekende, beschadigde, loszittende of versleten onderdelen.
  • Controleer de moeren, schroeven en bouten.
  • Controleer het luchtfilter.
  • Controleer of de gashendelvergrendeling en de gashendel naar behoren werken.
  • Controleer of de stopschakelaar naar behoren werkt.
  • Controleer het product op brandstoflekkage.
  • Controleer de scherpte en de spanning van de zaagketting.
  • Zorg ervoor dat het product onmiddellijk stopt wanneer de kettingrem wordt geactiveerd. Koude motor starten

1. Duw de terugslagbeveiliging naar voren om de

kettingrem in te schakelen. (Fig. 45)

2. Trek de chokehendel volledig naar buiten. (Fig. 46)

3. Druk de primerbalg van de brandstofpomp langzaam

6 maal in. (Fig. 47)

4. Druk de behuizing van het apparaat met uw

linkerhand op de grond.

5. Plaats uw rechtervoet door de achterhandgreep.

6. Trek met uw rechterhand langzaam aan de greep

van het startkoord totdat u enige weerstand voelt.

7. Trek stevig aan de greep van het startkoord. (Fig.

48) OPGELET: Trek niet aan het startkoord totdat deze stopt. Laat het startkoord niet los wanneer het volledig is uitgetrokken. Laat het startkoord langzaam los. Het niet naleven van deze instructies kan leiden tot motorschade. Let op: Trek niet aan de gashendel als u de motor start.

8. Trek herhaaldelijk aan de greep van het startkoord

11. Houd de achterste handgreep vast met uw

rechterhand en de voorste handgreep met uw linkerhand. (Fig. 50)

12. Trek de terugslagbeveiliging onmiddellijk naar

achteren in de richting van de voorste handgreep om de kettingrem uit te schakelen. (Fig. 51) Let op: De ketting zal bewegen.

13. Laat 20-30 seconden draaien met verhoogd

langzaam maar volledig uit en laat deze vervolgens los. (Fig. 52)

658 - 015 - 26.07.202415. Laat 10 seconden draaien met normaal stationair

maar volledig uit om de acceleratie te controleren en laat deze vervolgens los.

17. Neem het apparaat in gebruik.

1. Duw de terugslagbeveiliging naar voren om de

kettingrem in te schakelen.

2. Trek de chokehendel volledig naar buiten.

5. Druk de behuizing van het apparaat met uw

linkerhand op de grond.

6. Plaats uw rechtervoet door de achterhandgreep.

7. Trek met uw rechterhand langzaam aan de greep

van het startkoord totdat u weerstand voelt.

8. Trek stevig aan de greep van het startkoord.

OPGELET: Trek niet aan het startkoord totdat deze stopt. Laat het startkoord niet los wanneer het volledig is uitgetrokken. Laat het startkoord langzaam los. Het niet naleven van deze instructies kan leiden tot motorschade. Let op: Trek niet aan de gashendel als u de motor start.

9. Trek aan de greep van het startkoord totdat de motor

10. Houd de achterste handgreep vast met uw

rechterhand en de voorste handgreep met uw linkerhand.

11. Trek de terugslagbeveiliging onmiddellijk naar

achteren in de richting van de voorste handgreep om de kettingrem uit te schakelen. Let op: De ketting zal bewegen.

12. Wacht 10-15 seconden.

13. Trek zachtjes aan de gashendel om het normale

stationaire toerental in te stellen.

14. Gebruik het product.

Motor starten als de brandstof te warm is Als het apparaat niet start, is de brandstof mogelijk te warm. Let op: Gebruik altijd nieuwe brandstof en verkort de gebruiksduur bij warm weer.

1. Leg het apparaat op een koele plek, uit de buurt van

2. Laat het apparaat minimaal 20 minuten afkoelen.

3. Druk het balgje van de brandstofpomp gedurende 10

tot 15 seconden telkens opnieuw in.

4. Volg de procedure voor het starten van een koude

  • Druk de stopschakelaar in om de motor te stoppen. Let op: De stopschakelaar keert automatisch terug naar zijn oorspronkelijke stand. Een schorssteun gebruiken Een schorssteun houdt het hout vast tijdens het zagen. De schorssteun is een draaipen tussen het motorblok en de geleider.

1. Stel de onderzijde van de schorssteun in op de juiste

breedte van het scharnierstuk.

2. Duw tegen de voorste handgreep met uw linkerhand

en til de achterste handgreep op met uw rechterhand.

3. Zaag totdat u een scharnierstuk met de juiste

breedte hebt. Let op: Het scharnierstuk moet overal even dik zijn.

4. Zaag de stam voor meer dan de helft door en plaats

vervolgens de velwig in de zaagsnede. Boom kappen

1. Verwijder vuil, stenen, losse schors, spijkers, nieten

en draden uit de boom.

2. Maak een schuine zaagsnede met een diepte van

één derde van de stamdikte, loodrecht op de valrichting. (Fig. 53)

3. Maak de onderste horizontale zaagsnede van de

valkerf. Hierdoor voorkomt u dat de zaagketting of de geleider bekneld raakt wanneer u de tweede zaagsnede maakt.

4. Maak aan de tegenoverliggende zijde de velsnede

(X), minimaal 50 mm (2 inch) hoger dan de horizontale zaagsnede van de valkerf. Zorg dat de velsnede evenwijdig loopt aan de horizontale inkeping, zodat er voldoende hout overblijft om als kantelpunt te dienen. Zaag niet door het kantelpunt. Het kantelpunt zorgt ervoor dat de boom niet draait of in de verkeerde richting valt. (Fig. 54) (Fig. 55)

658 - 015 - 26.07.2024

2615. Wanneer de achterste velsnede dichter bij het kantelpunt komt, zal de boom beginnen te vallen. Zorg dat de boom in de juiste richting kan vallen en dat de boom niet achterwaarts overhelt en de zaagketting afklemt. Om dit te voorkomen, stopt u met zagen voordat de achterste velsnede is voltooid. Gebruik houten, kunststof of aluminium wiggen om de snede te openen en de boom in de gewenste richting te laten vallen. (Fig. 56)

6. Wanneer de boom begint te vallen, verwijdert u het

product uit de snede, stopt u de motor en zet u het product neer. Daarna loopt u weg over de geplande vluchtweg. Let op takken die van boven u naar beneden vallen en kijk uit waar u loopt. (Fig. 57) Boom snoeien

1. Laat grotere takken aan de boom zitten om de stam

van de grond te houden.

2. Verwijder kleine takken met één enkele snede. (Fig.

3. Takken onder spanning moeten van beneden naar

boven worden gezaagd om te voorkomen dat de zaagketting of geleider bekneld raakt. Stam in stukken zagen OPGELET: Zorg dat de zaagketting niet in aanraking komt met de grond.

  • Als de stam over de gehele lengte wordt ondersteund, zaagt u vanaf de bovenzijde van de stam (dit wordt ook wel 'overbucking' of overzagen genoemd). (Fig. 59)
  • Als de stam aan één uiteinde wordt ondersteund, maakt u vanaf de onderzijde een snede met een diepte van één derde van de stamdikte (dit wordt ook wel 'underbucking' of onderzagen genoemd). (Fig. 60)
  • Als de stam aan beide uiteinden wordt ondersteund, maakt u vanaf de bovenzijde een snede met een diepte van één derde van de stamdikte. Voltooi de snede vanaf de onderzijde en zaag het onderste twee derde deel van de stam totdat u uitkomt bij de eerste zaagsnede. (Fig. 61)
  • Als u de stam op een helling zaagt, moet u altijd op het hogerliggende terrein blijven. Zaag de boomstam door terwijl u het product volledig onder controle houdt. Verminder de zaagdruk als u de snede bijna hebt voltooid en houd de achterste en voorste handgreep stevig vast. (Fig. 62) Onderhoud WAARSCHUWING: Lees en begrijp het hoofdstuk over veiligheid voordat u gaat reinigen of reparaties of onderhoud gaat uitvoeren. Onderhoudsschema Houd u aan het onderhoudsschema. De intervallen worden berekend op basis van het dagelijks gebruik van het product. De intervallen wijken af als u het product niet dagelijks gebruikt. Voer alleen onderhoudswerkzaamheden uit die in deze handleiding worden beschreven. Neem voor overige onderhoudswerkzaamheden die niet in deze handleiding worden beschreven contact op met een erkend servicepunt. Dagelijks onderhoud
  • Controleer de kettingvanger op schade. Vervang de kettingvanger als deze beschadigd is. (Fig. 64)
  • Draai de geleider dagelijks, zodat gelijkmatige slijtage ontstaat.
  • Controleer of de smeeropening in de geleider niet is verstopt. (Fig. 65)
  • Reinig de groef van de geleider. (Fig. 66)
  • Controleer of er voldoende olie wordt toegevoerd naar de geleider en zaagketting.
  • op abnormale slijtage van klinknagels en schakels.
  • op de juiste spanning. Vervang zo nodig de zaagketting.
  • Controleer het kettingwiel op abnormale slijtage, vervang indien nodig. (Fig. 67)
  • Reinig de luchtinlaat van de startmotor. 262 658 - 015 - 26.07.2024• Controleer of de moeren en schroeven goed zijn vastgedraaid.
  • Controleer of de stopschakelaar correct werkt.
  • Controleer de motor, tank en brandstofleidingen op brandstoflekken.
  • Zorg dat de zaagketting niet draait wanneer de motor stationair draait. Wekelijks onderhoud
  • Controleer of het koelsysteem correct werkt.
  • Controleer of de startmotor, het startkoord en de terugtrekveer correct werken.
  • Controleer of de onderdelen van de trillingsdemper niet zijn beschadigd. (Fig. 68)
  • Verwijdeer eventuele bramen op de randen van de geleider met een vijl.
  • Reinig of vervang het vonkenscherm op de geluiddemper. (Fig. 69)
  • Reinig de externe oppervlakken van de carburateur en de aangrenzende oppervlakken.
  • Reinig het luchtfilter. Breng een nieuw luchtfilter aan als het beschadigd is of te vuil is om het volledig te kunnen reinigen. Zie Het luchtfilter schoonmaken op pagina 264 voor meer informatie. Maandelijks onderhoud
  • Controleer de remvoering van de kettingrem op slijtage. Vervang de remvoering als deze op het meest versleten punt minder dan 0,6 mm (0,024 inch) dik is. (Fig. 70)
  • Controleer het middenstuk van de koppeling, de koppelingstrommel en de koppelingsveer op slijtage.
  • Bougie reinigen. Controleer of de afstand tussen de elektroden juist is. (Fig. 71)
  • Reinig de externe oppervlakken van de carburateur en de aangrenzende oppervlakken.
  • Controleer het brandstoffilter en de brandstofslang. Vervang indien nodig.
  • Controleer alle kabels en aansluitingen. Jaarlijks onderhoud
  • Reinig het koelsysteem.
  • Controleer het vonkenopvangnet.
  • Controleer het brandstoffilter.
  • Controleer de brandstofslang op schade.
  • Controleer alle kabels en aansluitingen. Incidenteel onderhoud
  • Laat de geluiddemper na 50 bedrijfsuren repareren of vervangen door een erkend servicecentrum.
  • Voer onderhoud aan de bougie uit als:
  • het vermogensniveau van de motor te laag is.
  • de motor moeilijk kan worden gestart.
  • de motor niet naar behoren werkt bij stationair toerental.
  • Controleer de smering van de zaagketting telkens wanneer u brandstof bijvult. Zie Smering van de zaagketting controleren op pagina 264

Stationair toerental afstellen Zorg dat het luchtfilter schoon is en dat het luchtfilterdeksel is aangebracht voordat het stationaire toerental wordt afgesteld.

1. Draai de stelschroef voor stationair draaien, die

is gemarkeerd met een 'T', rechtsom totdat de zaagketting begint te draaien.

2. Draai de stelschroef voor stationair draaien, die

is gemarkeerd met een 'T', linksom totdat de zaagketting stopt.

3. Het stationaire toerental moet lager zijn dan het

toerental waarbij de zaagketting gaat draaien. Het stationaire toerental is juist wanneer de motor in alle standen soepel draait. Vonkenscherm reinigen

1. Gebruik een staalborstel om het vonkenscherm te

reinigen. Onderhoud uitvoeren aan de bougie OPGELET: Gebruik de aanbevolen bougie. Zorg dat het vervangende onderdeel identiek is aan het onderdeel dat door de fabrikant wordt geleverd. Een onjuiste bougie kan leiden tot schade aan het product.

1. Als het apparaat niet soepel start of draait,

controleert u de bougie op de aanwezigheid van ongewenst materiaal. Om het risico van ongewenst materiaal op de elektroden van de bougie te beperken: a) zorg dat het stationaire motortoerental correct is afgesteld. b) zorg dat het brandstofmengsel correct is. c) zorg dat het luchtfilter schoon is.

2. Reinig de bougie als deze vuil is. Controleer of de

afstand tussen de elektroden juist is. (Fig. 71)

263Het luchtfilter schoonmaken

1. Verwijder het luchtfilterdeksel en verwijder het

2. Reinig het luchtfilter met een warm sopje van water

en zeep. Zorg dat het luchtfilter droog is wanneer u dit aanbrengt.

3. Vervang het luchtfilter als het zo vuil is dat het niet

meer volledig kan worden gereinigd. Vervang een beschadigd luchtfilter altijd. Zaagketting slijpen De snijder De zagende delen van een zaagketting worden zaagschakels genoemd en bestaan uit een snijtand (A) en een dieptestellernok (B). De snijdiepte van de snijder wordt bepaald door het hoogteverschil tussen deze beide punten, oftewel de instelling van de dieptesteller (C). (Fig. 72) Bij het slijpen van snijtanden moet u rekening houden met vier belangrijke factoren:

  • Diameter van de ronde vijl. (Fig. 76) Snijtanden slijpen Gebruik voor het slijpen van de snijtanden een ronde vijl en een vijlmal. Zie Zaagkettingvijl en zaagkettingcombinaties op pagina 267 voor informatie over de aanbevolen breedte van de vijl en de vijlmal voor de zaagketting die op uw apparaat is aangebracht.

1. Zorg ervoor dat de zaagketting correct is gespannen.

Een slappe ketting kan zijwaarts bewegen, waardoor hij moeilijker op de juiste manier geslepen kan worden.

2. Vijl alle tanden eerst aan de ene kant. Vijl de

snijtanden vanaf de binnenkant en oefen minder druk uit tijdens het terughalen van de vijl.

3. Draai het product om en vijl de tanden aan de

de lengte van de snijtand slechts 4 mm (5/32") bedraagt, is de zaagketting versleten en moet deze vervangen worden. (Fig. 77) Hoogte van de dieptesteller aanpassen Slijp de snijtanden voordat u de instelling van de dieptesteller aanpast. Zie Snijtanden slijpen op pagina

. Wanneer u de zaagtanden (A) slijpt, neemt de instelling van de dieptesteller (C) af. Om de maximum zaagcapaciteit te behouden, moet de dieptestellernok (B) verlaagd worden tot de aanbevolen hoogte. Zie Zaagkettingvijl en zaagkettingcombinaties op pagina

voor de juiste instelling van de dieptesteller voor uw specifieke ketting. (Fig. 78) (Fig. 79) Let op: Bij deze aanbeveling wordt ervan uitgegaan dat de lengte van de snijtanden niet abnormaal afgevijld werd. Gebruik een platte vijl en een vijlmal om de hoogte van de dieptesteller aan te passen.

1. Plaats de vijlmal op de zaagketting. Gedetailleerde

informatie over het gebruik van de vijlmal staat op de verpakking van de vijlmal.

2. Gebruik de platte vijl om het overschot van het deel

van de dieptestellernok dat onder de mal uitkomt, weg te vijlen. De snijdiepte is correct als u geen weerstand voelt wanneer u de vijl over de mal haalt. Zaagketting spannen Let op: Controleer gedurende de inloopperiode regelmatig de spanning van een nieuwe zaagketting.

1. Draai de geleidermoeren los die het koppelingdeksel

op zijn plaats houden. Gebruik de combinatietang. (Fig. 80)

2. Draai de geleidermoeren met de hand zo vast

3. Til de bovenzijde van de geleider omhoog en rek de

zaagketting uit door de kettingspannerschroef aan te draaien. Gebruik de combinatietang. Verhoog de spanning van de zaagketting totdat deze niet meer slap onder de geleider hangt. (Fig. 81)

4. Draai de geleidermoeren vast met de

combinatietang en til tegelijkertijd de punt van de geleider omhoog. (Fig. 82)

5. Controleer of u de zaagketting met de hand soepel

kunt draaien en of de ketting niet slap hangt. (Fig. 83) Snijuitrusting smeren Smering van de zaagketting controleren Controleer de smering van de kettingzaag telkens wanneer u brandstof bijvult.

658 - 015 - 26.07.20241. Start het apparaat en laat het draaien op driekwart

van het maximale toerental. Richt de neus van de geleider op een lichtgekleurd oppervlak dat zich op een afstand van bijna 20 cm (8 inch) bevindt.

2. Na één minuut draaien is op het lichtgekleurde

oppervlak een oliestreep zichtbaar.

3. Als de oliestreep na één minuut niet zichtbaar is,

reinigt u het oliekanaal in de geleider. Reinig de groef in de rand van de geleider. Controleer of het kettingwiel in de neus van de geleider vrij draait en of de smeeropening niet is verstopt. Reinig en smeer het neuskettingwiel.

4. Start het apparaat en laat het draaien op driekwart

van het maximale toerental. Richt de neus van de geleider op een lichtgekleurd oppervlak dat zich op een afstand van bijna 20 cm (8 inch) bevindt.

5. Na één minuut draaien is op het lichtgekleurde

oppervlak een oliestreep zichtbaar.

6. Als de oliestreep na één minuut niet zichtbaar is,

neemt u contact op met uw erkende dealer. Transport

  • Plaats de transportbescherming tijdens transport op de snijuitrusting om letsel te voorkomen.
  • Zorg ervoor dat het product niet kan bewegen om verlies van brandstof, schade of letsel tijdens het transport te voorkomen. Opslag
  • Berg het apparaat altijd veilig op wanneer u het niet gebruikt. Lekkages en dampen uit het apparaat kunnen in aanraking komen met vonken of open vuur van elektrische apparatuur, elektrische grasmaaiers, relais, schakelaars, ketels enzovoort.
  • Bewaar brandstof altijd in een goedgekeurde jerrycan.
  • Leeg de brandstof- en kettingolietank wanneer u het apparaat voor langere tijd opslaat. Zorg dat de gebruikte vloeistoffen veilig worden afgevoerd.
  • Plaats de transportbescherming tijdens opslag op de snijuitrusting om letsel te voorkomen.
  • Verwijder de kap van de bougie en schakel de kettingrem in voordat u het apparaat opslaat. Technische gegevens 120 Mark II Motor Cilinderinhoud, cm

Gebruik steeds het correcte bougietype! Verkeerde bougietypes kunnen de zuiger/cilinder beschadigen.

658 - 015 - 26.07.2024 265120 Mark II

Gewicht, kg 5,0 Geluidsemissies

Geluidsvermogenniveau, gemeten dB(A) 113 Geluidsvermogenniveau, gegarandeerd L

5,9 Zaagketting/geleider Type aandrijfwielen/aantal tanden 0,375" Spur6 Zaagkettingtoerental op maximale motortoerental, m/s. 17 Accessoires Combinaties van geleiders en zaagkettingen De onderstaande snijuitrustingen zijn goedgekeurd voor het product. Geleider Zaagketting Lengte, cm (inch) Kettingsteek, mm (inch) Maat, mm (inch) Max. kopradius Type Lengte, aandrijfs- chakels (stuks) 35 (14) 9,52 (3/8) 1,3 (0,050) 7T Husqvarna S93G Husqvarna H37

Geluidsemissie naar de omgeving gemeten als geluidsvermogen (LWA) volgens EG-richtlijn 2000/14/EG.

Vergelijkbaar geluidsdrukniveau, conform ISO 22868, is berekend als de totale tijdgewogen energie voor verschillende geluidsdrukniveaus onder verschillende bedrijfsomstandigheden. Typische statistische spreiding voor een vergelijkbaar geluidsdrukniveau is een standaardafwijking van 3 dB(A).

Het equivalente trillingsniveau, volgens ISO 22867, wordt berekend als de totale tijdgewogen energie van de trillingsniveaus onder verschillende bedrijfsomstandigheden. De gerapporteerde gegevens voor een vergelijk- baar trillingsniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking) van 1,5 m/s

EU-verklaring van overeenstemming Wij, Husqvarna AB, SE-561 82 Huskvarna, Zweden, tel: +46-36-146500, verklaren onder onze alleenverantwoordelijkheid dat het product: Beschrijving Kettingzaag op benzine Merk Husqvarna Platform/Type/Model Platform P02138HV, 120 Mark II Identificatie Serienummer vanaf 2024. volledig voldoet aan de volgende EU-richtlijnen en -regelgeving: Verordening Beschrijving 2006/42/EG "betreffende machines" 2014/30/EU "betreffende elektromagnetische compatibiliteit" 2000/14/EG "betreffende geluid buitenshuis" 2011/65/EU "beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen" Toegepaste geharmoniseerde normen en/of technische specificaties zijn als volgt: EN ISO 12100:2010, EN

ISO 11681-1:2022, EN ISO 14982:2009, EN IEC

63000:2018 In overeenstemming met richtlijn 2000/14/EC, Annex V. Voor informatie over geluidsemissies, zie Technische gegevens op pagina 265

TÜV Rheinland LGA Products GmbH, aangemelde instantie voor machines (kennisgeving geschied onder 0197), Tillystraße 2, -90431 Nürnberg, Duitsland. TÜV Rheinland heeft een EG-typeonderzoek verricht volgens de machinerichtlijn (2006/42/EG), artikel 12, punt 3b. Het certificaat voor EG-typeonderzoek in overeenstemming met bijlage IX, heeft nummer: BM

Dit typeonderzoekscertificaat is van toepassing op alle fabriekslocaties en landen van herkomst, zoals vermeld op het product. De geleverde kettingzaag op benzine is conform het exemplaar dat een EG-typeonderzoek heeft ondergaan. Namens Husqvarna AB, SE-561 82 Huskvarna,

Claes Losdal, R&D Manager, Husqvarna AB Verantwoordelijk voor technische documentatie