MAKITA EW1050HX - Pomp

EW1050HX - Pomp MAKITA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis EW1050HX MAKITA in PDF-formaat.

📄 272 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice MAKITA EW1050HX - page 41
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : MAKITA

Model : EW1050HX

Categorie : Pomp

Download de handleiding voor uw Pomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EW1050HX - MAKITA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EW1050HX van het merk MAKITA.

GEBRUIKSAANWIJZING EW1050HX MAKITA

Motorpomp Gebruiksaanwijzing

  • LEES DEZE HANDLEIDING VOLLEDIG DOOR EN ZORG DAT U ALLES BEGRIJPT VOORDAT U HET APPARAAT IN GEBRUIK NEEMT. De volgende markeringen wijzen op belangrijke informatie voor uw veiligheid. Houd u altijd strikt aan deze aanwijzingen. Onjuist gebruik van het apparaat kan leiden tot ernstige ongelukken. GEVAAR: Niet naleven van deze aanwijzingen kan leiden tot ernstig letsel of fatale afloop. WAARSCHUWING: Veronachtzaming van deze WAARSCHUWINGEN kan leiden tot ernstig letsel of dood van de gebruiker, omstanders of personen die het apparaat inspecteren of repareren. LET OP: Het bijschrift LET OP wijst op speciale voorzorgen die u moet treffen om persoonlijk letsel en schade aan het apparaat te voorkomen. OPMERKING: Een OPMERKING bevat nuttige aanwij- zingen voor een vlotte, eenvoudige bediening. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN – Deze gebruiksaanwijzing beschrijft de algemene bediening, toepassing en voorzorgen voor dit appa- raat. Lees deze handleiding aandachtig door voordat u het apparaat in gebruik neemt. En neem de veilig- heidsvoorschriften strikt in acht. – Bewaar deze handleiding op een veilige plaats voor latere naslag. Mocht deze handleiding verloren gaan of onbruikbaar worden, vraagt u dan een bevoegde Makita onderhoudsdienst onverwijld om een nieuw exemplaar. – Als u dit apparaat overdraagt of uitleent aan anderen, zorgt u dan dat de gebruiksaanwijzing en andere bij- behorende informatie er altijd bij inbegrepen is. – Vanwege ons doorgaand onderzoek- en ontwikke- lingsprogramma kunnen er wijzigingen zijn in de spe- cificaties, zonder voorafgaande kennisgeving. De afbeeldingen of beschrijvingen in deze handleiding kunnen ietwat afwijken van het feitelijke product. – Als u hulp nodig hebt of praktische aanwijzingen, neemt u dan contact op met uw plaatselijke handelaar of bevoegde Makita onderhoudsdienst. Lees de gebruiksaanwijzing en neem alle waarschuwingen en veiligheidsvoorschriften in acht. Wees voorzichtig en let goed op. Gebruik de motorpomp nooit binnenshuis. Raak de motor niet aan wanneer die heet is. Geen open vuur! Controleer het oliepeil voordat u de motor start. CE-merk42 Toepassing van het apparaat Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor watertoevoer voor sproei- en irrigatiedoeleinden. Dit apparaat is alleen bestemd voor het pompen van schoon water. GEVAAR:
  • Breng in geen geval wijzigingen of aanpassingen aan in het apparaat.
  • Gebruik het apparaat niet voor andere dan de voorgeschreven doeleinden.
  • Gebruik voor onderhoud of reparatie alleen originele, goedgekeurde vervangingsonderdelen.
  • Veronachtzaming van de bovenstaande waarschuwingen kan leiden tot lichamelijk letsel en ernstige schade aan het apparaat.

VOORZORGEN VOOR UITLAATGAS

– Adem nooit de uitlaatgassen in. Ze bevatten koolmo- noxide, een kleurloos, geurloos en bijzonder gevaar- lijk gas, dat bewusteloosheid en dood tot gevolg kan hebben. – Laat de motor nooit binnenshuis draaien of in een slecht geventileerde omgeving zoals een tunnel, een grot e.d. – Wees uiterst voorzichtig wanneer u het apparaat moet gebruiken in de buurt van personen of dieren. – Zorg dat er geen voorwerpen of materialen in de uit- laatpijp komen.

VOORZORGEN VOOR HET BIJVULLEN VAN BRAND-

STOF – Zorg altijd dat de motor gestopt is, voordat u brand- stof gaat bijvullen. – Vul de brandstoftank niet overmatig bij. – Als er brandstof gemorst is, veegt u die dan zorgvul- dig weg en wacht tot alle resten zijn opgedroogd voor- dat u de motor start. – Na het bijvullen dient u de brandstoftankdop stevig te sluiten, om lekkage te voorkomen.

TER VOORKOMING VAN BRAND

– Gebruik het apparaat niet terwijl u rookt of dichtbij open vuur bent. – Gebruik het apparaat niet in de buurt van dorre blade- ren of takken, droge lappen of andere licht ontvlam- bare materialen. – Zorg dat de motor tenminste 1 meter verwijderd is van gebouwen of andere structuren. – Houd de motor uit de buurt van brandbare en andere gevaarlijke materialen (afval, textielresten, smeerolie, explosieven). – Leg nooit een warme pomp op droog gras of enige andere ontvlambare materialen. Alleen voor Europese landen EG-verklaring van conformiteit De EG-verklaring van conformiteit is bijgesloten als Aanhangsel A bij deze gebruiksaanwijzing.43 TECHNISCHE GEGEVENS Opmerking: Draag oorbeschermers tijdens het gebruik.

  • Zorg altijd dat de motor gestopt is voordat u enig werk aan het apparaat gaat uitvoeren.
  • Start de motor pas nadat u het apparaat weer volledig hebt gemonteerd. SLANGEN VASTMAKEN

1. Maak de slangkoppelstukken aan de pomp vast.

  • Let bij het aanbrengen van het slangkoppelstuk goed op dat de pakkingring op zijn plaats zit.

2. Zet de slangen met slangklemmen op de slangkop-

pelstukken vast. Controleer vooral of de slangklem stevig is vastgezet. EW1050H EW1060H Gewicht kg 5,8 7,3 Afmetingen mm 327 x 231 x 319 356 x 234 x 336 Type Zelfontluchtende CENTRIFUGAALPOMP Diameters (aanzuigopening - waterafvoerbuis) inch 1 Totale pompdrukhoogte m 35 45 Maximaal afvoervolume L/min 110 130 Maximaal zuig- en hefvermogen m 8 8 Inhoud (brandstoftank) L 0,5 0,65 Inhoud (olietank) L 0,08 0,1 Cilinderinhoud cm

24,5 33,5 Maximaal motorvermogen kW 0,71 bij 7 000 min

Totale pomp- drukhoogte (m) Maximaal afvoervolume (L/min)44

3. Maak de filterzeef vast op het uiteinde van de inlaat-

  • Als er lucht binnenlekt, kan er geen water worden opgepompt. LET OP:
  • Verwijder de filterzeef niet, anders zou aangezogen materiaal de pomp kunnen beschadigen. Controleer vooral of de slangklem stevig is vastgezet. CONTROLEPUNTEN VOOR HET GEBRUIK WAARSCHUWING:
  • Zorg altijd dat de motor gestopt is voordat u enig werk aan het apparaat gaat uitvoeren. Gebruik het apparaat altijd op een vlakke, stabiele ondergrond.
  • Controleer of er geen schroeven of verbindingen loszit- ten, voordat u de motor start.
  • Raak tijdens inspectie of onderhoud de motor niet aan met enig lichaamsdeel of kledingstuk, zolang de motor nog heet is.
  • Zorg vooral voor afdoende ventilatie. Wees op uw hoede voor koolmonoxidevergiftiging.

INSPECTIE EN BIJVULLEN VAN MOTOROLIE

(Fig. 4) Verricht de volgende procedure nadat de motor is afge- koeld. – Zorg dat de motor horizontaal waterpas staat. – Verwijder de oliepeilstokdop uit de opening om het oliepeil te controleren. – Controleer op de oliepeilstok of het oliepeil tussen het hoogste en het laagste peil staat. – Als het oliepeil tot onder het laagste peil is gedaald, vult u olie bij. – Het bijvullen van olie kan nodig zijn om de ongeveer 10 gebruiksuren (elke 10 keer dat u brandstof bijvult). – Als de olie van kleur is veranderd of als er vuil in is gekomen, vervangt u dan alle olie door nieuwe. Aanbevolen olie: SAE 10W-30 olie met API-classificatie Klasse SF of hoger (4-takt automotoren) Hoeveelheid olie: Voor model EW1050H: Ca. 0,08 L Voor model EW1060H: Ca. 0,1 L OPMERKING:

  • Als de motor niet precies horizontaal staat, kan de aan- duiding van het oliepeil niet juist zijn en kunt u te veel olie bijvullen. Bijvullen van olie tot voorbij het hoogste peil kan leiden tot vervuiling van de olie en vrijkomen van witte rook. Motorolie bijvullen

1. Zorg dat de motor horizontaal staat en verwijder de

2. Vul olie bij tot aan de bovenste peilstreep. Verricht het

bijvullen met een oliefles.

3. Draai de oliepeilstokdop stevig vast. Als de vuldop

niet stevig dicht zit, kan er olie uit lekken. Na het olie bijvullen – Verwijder eventuele gemorste olie onmiddellijk met een poetslap. Olie verversen: Oliepeilstokdop – Verwijder stof of vuil rondom de olievulopening. – Zorg dat de verwijderde oliepeilstokdop vrij blijft van stof of zand. Anders kan het zand of stof dat aan de oliepeilstokdop kleeft later problemen geven met onregelmatige olietoevoer of slijtage van de motoron- derdelen. BRANDSTOF WAARSCHUWING:

  • Brandstof is licht ontvlambaar en giftig. Blijf uit de buurt van open vuur (sigaret, gasvlam, vuurwerk), elektri- sche vonken (bougie, accucontact, elektrisch circuit of schakelaar waarin kortsluiting kan optreden, lasbran- der e.d.) wanneer u met brandstof omgaat.
  • Zet altijd eerst de motor af voordat u brandstof bijvult. Vul geen brandstof bij terwijl de motor nog heet is.
  • Ook in andere situaties dan het bijvullen, zoals bijvoor- beeld bij het overgieten van brandstof in een klein flesje of tankje, dient u bijzonder voorzichtig te zijn.
  • Na bijvullen draait u de brandstoftankdop stevig dicht en veegt u alle druppels gemorste brandstof zorgvuldig weg. Omgang met brandstof Wees altijd uiterst voorzichtig in uw omgang met brand- stof. Brandstof kan stoffen bevatten die werken als oplosmiddelen. Het bijvullen van brandstof mag alleen verricht worden in een goed geventileerde ruimte of in de open lucht. Adem geen brandstofdampen in en houd de brandstof ver van u af. Als er regelmatig of langdurig brandstof op uw huid komt, kan die uitdrogen, hetgeen tot allergie en huidaandoeningen kan leiden. Als er brandstof in uw ogen spat, wast u ze uit met volop schoon water. Als er daarna nog irritatie van uw ogen te voelen is, raadpleegt u dan een arts. Opslagperiode van brandstof Brandstof moet worden gebruikt binnen een periode van 4 weken, ook bij bewaren in een speciale opslagtank in een koele, goed geventileerde omgeving. Anders kan de brandstof binnen een enkele dag al bederven. Opslag van het apparaat en de bijvultank – Bewaar het apparaat en de tank op een koele plaats zonder direct zonlicht. – Bewaar de brandstof nooit in een auto. Type brandstof: Deze motor is een viertaktmotor. Gebruik gewone lood- vrije autobenzine met een octaangetal van 87 of hoger ((R+M)/2). Deze mag niet meer dan 10% alcohol bevat- ten (E-10). – Gebruik nooit mengsmering, of benzine met motorolie toegevoegd. Anders kan er overmatige koolstofafzet- ting plaatsvinden, met kans op mechanische storin- gen. Inhoud van de brandstoftank: Voor model EW1050H: 0,5 L Voor model EW1060H: 0,65 L Brandstof bijvullen (Fig. 5)

1. Zet de motor horizontaal waterpas.

2. Draai de brandstoftankdop een beetje los, om de

overdruk uit de tank te laten.

3. Verwijder de brandstoftankdop en vul brandstof bij.

VUL NOOIT brandstof bij tot aan de top van de tank.

4. Na bijvullen draait u de brandstoftankdop weer stevig

dicht.45 – Veeg de brandstoftankdop rondom aan de buitenkant schoon om te voorkomen dat er stof of gruis in de brandstoftank komt. – Een brandstoftankdop die beschadigd of vervormd is, vervangt u door een nieuwe. – De brandstoftankdop zal in de loop der jaren geleide- lijk verslijten. Vervang de dop om de twee of drie jaar. – GIET NOOIT brandstof in de olievulopening. Pomp ontluchten met water (Fig. 6) LET OP:

  • Start nooit de pomp zonder dat er water in het pomp- huis zit. Anders kan de mechanische afdichting beschadigd worden. Verwijder de ontluchtingsdop en giet schoon water in de opening totdat het pomphuis geheel gevuld is met water. Na het vullen draait u de ontluchtingsdop stevig dicht. OPMERKING:
  • Als er onvoldoende water aanwezig is, zal de zelfont- luchtingscapaciteit afnemen.
  • Zet de pomp op een stevige ondergrond, zo dicht mogelijk bij de bron van het te pompen water.
  • Hoe groter de aanzuighoogte, des te langer zal de ont- luchting duren, met een kleinere hoeveelheid uitstro- ming. MOTOR INSPECTEREN: – Controleer zorgvuldig de brandstofslangen en aan- sluitstukken op loszitten en lekkage van brandstof. Brandstoflekkage kan ernstig gevaar veroorzaken. – Controleer bouten en moeren op loszitten. Draai losse onderdelen stevig vast. Loszittende bouten of moeren kunnen ernstige motorstoringen veroorzaken. – Controleer de motorolie en vul die zonodig bij. – Controleer het brandstofpeil en vul zonodig brandstof bij. Let op dat u de tank niet overmatig vult. – Houd de cilinderkoelvinnen en de trekstarter vrij van gras, aarde en ander vuil. – Draag goed passende werkkleding bij de bediening van het apparaat. BEDIENING WAARSCHUWING:
  • Raak nooit de hete geluiddemper aan, vooral bij het herstarten van de motor. De geluiddemper kan na het draaien van de motor erg heet zijn.
  • Steek nooit uw handen of enig voorwerp in de afvoer- kleppen wanneer de pomp in gebruik is. WAARSCHUWING: Pas op voor waterslag
  • Zorg dat er geen wielen van voertuigen over de water- afvoerslang rijden. Sluit nooit plotseling de wateraf- voerklep, want dat kan leiden tot waterslag in de leidingen, hetgeen ernstige schade aan de pomp kan veroorzaken. Starten: LET OP:
  • Geef kort na het starten niet vol gas, want de olie zal dan nog niet de gehele motor gelijkmatig gesmeerd hebben. Onnodig hoge toerentallen verkorten de levensduur van de apparatuur en kunnen schade ver- oorzaken.

1. Controleer of het pomphuis geheel met water is

2. Controleer of het filter zich onder water bevindt.

  • Neem preventieve maatregelen als de bodem van het op te pompen water is bedekt met modder of zand.

3. Controleer of er geen obstakel is op het mondstuk

van de waterafvoerslang.

4. Draai de I-O (aan/uit)-schakelaar naar de “I” (aan)-

5. Controleer of de gasklephendel “L” aangeeft. (Fig. 7)

6. Druk net zo vaak op de ontluchtingsknop totdat er

brandstof in de ontluchtingspomp komt. (Meestal na 7 tot 10 maal drukken.)

7. Stel de chokehendel in.

– Als de motor koud is of de omgevingstemperatuur is erg laag, zet u de chokehendel helemaal dicht. (Fig. 8) – Als de motor warm is of de omgevingstemperatuur is erg hoog, opent u de chokehendel halverwege of helemaal.

8. Trek licht aan de startknop totdat u een zekere weer-

stand voelt. Vervolgens laat u de startknop terugke- ren en dan geeft u er een stevige ruk aan. Trek het startkoord nooit helemaal uit. Na het trekken aan het startkoord kunt u de knop beter niet direct met uw hand loslaten. Houd de start- knop vast totdat die vanzelf naar de uitgangsstand terugkeert. Als de motor moeilijk te starten is, zet u de chokehen- del ongeveer 1/3 open.

9. Wanneer de motor is gestart, zet u de chokehendel

terug naar de OPEN-stand, als u de chokehendel dicht had gezet. (Fig. 9) 10.Laat de motor naar behoren “warmdraaien”. Laat het warmdraaien zo’n 2 tot 3 minuten doorgaan in de “L”- stand. Motor laten draaien: Draai de gasklephendel naar de middelste stand en con- troleer of er water uit de afvoerslang komt. Werking beëindigen De motor stoppen Draai de gasklephendel naar de “L”-stand om de motor terug te brengen naar het laagste toerental. Draai de I-O (aan/uit)-schakelaar naar de “O” (uit)-stand. Na gebruik het water aftappen Als er water in het pomphuis achterblijft, kan het bij win- terse temperaturen onder 0°C bevriezen en de pomp beschadigen. Na het gebruik dient u voor opslag eerst alle water via het aftapgat onderaan af te tappen. ONDERHOUDSPROCEDURES WAARSCHUWING:

  • Zorg altijd dat de motor gestopt is voordat u enig werk aan het apparaat gaat uitvoeren. Verricht geen onder- houdswerk wanneer de motor nog heet is. LET OP:
  • Maak geen afstellingen of aanpassingen aan de carbu- rateur. Die is in de fabriek al ingesteld voor optimale efficiëntie. Mocht er bijstelling nodig zijn, vraagt u dan een plaatselijk onderhoudscentrum om dat te verrich- ten.
  • Bij het onderhoud mag u de motor niet met water afspoelen.46 MOTOROLIE VERVERSEN WAARSCHUWING:
  • Direct na afzetten van de motor blijven de motor en de motorolie nog even heet. Wacht daarom even om de motor en de motorolie te laten afkoelen. Anders loopt u de kans op brandwonden. LET OP:
  • Zorg voordat u de olie gaat verversen dat u de afge- werkte olie veilig kunt wegdoen. Giet geen olie in een goot of afvoerputje, over tuinaarde of in open water. Volg uw plaatselijke milieuvoorschriften voor de beste wijze om afgewerkte olie weg te doen. Doordraaien met olie die te oud is, kan de levensduur van de motor aantasten. Controleer regelmatig het olie- peil en de toestand van de olie. OPMERKING:
  • Als de olie tot boven de voorgeschreven grens wordt bijgevuld, kan die vervuild raken of ontbranden, met witte rook. Wacht na afzetten van de motor even met inspectie van het oliepeil totdat alle motorolie naar de tank is teruggekeerd, voor een juiste aflezing. Verversingsinterval: Na de eerste 20 gebruiksuren en daarna om de 50 gebruiksuren. Aanbevolen olie: SAE 10W-30 olie met API-classificatie Klasse SF of hoger (motorolie voor 4-takt automotoren) Hoeveelheid olie: Voor model EW1050H: Ca. 0,08 L Voor model EW1060H: Ca. 0,1 L

1. Verwijder de oliepeilstokdop. (Fig. 10)

Let op dat u de oliepeilstokdop neerlegt op een plaats waar er geen vuil, stof of ander materiaal op kan komen.

2. Leg een lap of stuk papier rondom de olievulopening.

3. Na het uitnemen van de oliepeilstokdop kantelt u de

motor en laat u de olie weglopen in een oliepan of opvangbak.

4. Plaats het apparaat op een vlakke bodem. Giet olie in

de vulopening met een oliespuit of andere geschikte spuitfles. Vul bij met olie tot die bijna over de rand van de vulhals stroomt. (Fig. 4)

5. Na het vullen van de tank met olie, brengt u de olie-

peilstokdop weer aan. Draai de oliepeilstokdop stevig dicht, anders kan die lostrillen, met kans op olielek- kage. BOUGIE INSPECTEREN (Fig. 11) LET OP:

  • Raak nooit de bougieaansluiting aan wanneer de motor loopt (anders kunt u een gevaarlijke elektrische schok krijgen). Interval voor onderhoud en inspectie: Dagelijks (elke 10 gebruiksuren) – Gebruik alleen de bijgeleverde universeelsleutel voor het verwijderen en weer aanbrengen van de bougie. – De vonkbrug tussen de twee elektroden van de bou- gie moet 0,7 – 0,8 mm bedragen. Als de elektrodenafstand te breed of te smal is, corrigeert u die dan. Als de bougie aangekoekt of vervuild is, reinigt u die grondig of vervangt u de bougie. LUCHTFILTER REINIGEN (Fig. 12) WAARSCHUWING:
  • Zet de motor af. Blijf uit de buurt van open vuur. Als het luchtfilter vuil is, kan dat leiden tot startproble- men, afnemend vermogen en motorstoringen en kan het de levensduur van de motor drastisch verkorten. Houd het luchtfilter steeds goed schoon. Interval voor onderhoud en inspectie: Dagelijks (elke 10 gebruiksuren)

1. Zet de chokehendel helemaal dicht, zodat er geen

stof of vuil in de carburateur kan komen.

2. Verwijder de bevestigingsbout van het luchtfilterdek-

3. Trek de onderrand van het deksel los om het luchtfil-

terdeksel te verwijderen.

4. Verwijder het filterelement en reinig het met een sopje

van warm water en een mild wasmiddel, om het daarna zorgvuldig af te drogen.

5. Breng het filter weer aan volgens de lijnen, zoals aan-

gegeven in de afbeelding.

6. Veeg met een lap alle olie die aankleeft rondom het

luchtfilterdeksel en de ventilatiesleuven weg.

7. Breng na het reinigen het luchtfilterdeksel weer aan

(steek de nok aan de bovenkant eerst in en dan de onderste nok) en draai dan de bevestigingsbout vast. BRANDSTOFFILTER REINIGEN WAARSCHUWING:

  • Zet de motor af. Blijf uit de buurt van open vuur. Niet roken a.u.b. Interval voor onderhoud en inspectie: Maandelijks (elke 50 gebruiksuren) Het brandstoffilter dient om te zorgen dat de brandstof schoon in de carburateur komt. U dient regelmatig het brandstoffilter visueel te inspecteren.

1. Open de brandstoftankdop en gebruik een draadhaak

om de zuigkop door de tankopening omhoog te halen.

2. Verwijder de slangklem en trek het brandstoffilter uit

de brandstofleiding.

3. Spoel het brandstoffilter uit met petroleum.

4. Na het uitspoelen monteert u het weer.

5. Als het filter aangekoekt of verstopt is geraakt, ver-

vangt u het door een nieuw. Vervang het brandstoffilter tenminste eens per kwartaal, om te zorgen voor een goede brandstoftoevoer naar de carburateur. Als de brandstoftoevoer onvoldoende wordt, kan dat startproblemen veroorzaken en het maximale toerental verminderen. Na inspectie, reinigen of vervangen, maakt u het brand- stoffilter weer met de slangklem vast op de brandstoflei- ding. Duw het brandstoffilter helemaal naar binnen tot op de bodem van de brandstoftank. (Fig. 13) BRANDSTOFLEIDING VERVANGEN (Fig. 14) WAARSCHUWING:

  • Zet de motor af. Blijf uit de buurt van open vuur.47 Interval voor onderhoud en inspectie: Dagelijks (elke 10 gebruiksuren) Vervangen: Jaarlijks (elke 200 gebruiksuren) Vervang de brandstofleiding elk jaar, ongeacht hoe vaak u het apparaat gebruikt. Brandstoflekkage kan brandge- vaar opleveren. Als u tijdens inspectie tekenen van brandstoflekkage opmerkt, vervangt u de brandstofleiding dan onmiddellijk.

BOUTEN, MOEREN EN SCHROEVEN

INSPECTEREN – Draai loszittende bouten, moeren e.d. vast. – Controleer of de brandstoftankdop en de olietankdop stevig dicht zitten. Controleer op brandstof- of olielek- kage. – Vervang beschadigde onderdelen door nieuwe, voor een veilige werking. ONDERDELEN RENIGEN – Houd de motor altijd schoon door die met een lap af te vegen. – Houd de cilinderkoelvinnen vrij van vuil en stof. Stof of vuil dat aan de vinnen kleeft kan op den duur de zui- ger doen vastlopen. Periodiek onderhoudsschema *1 Verricht het eerste verversen na het 20ste gebruiksuur. Zorg voordat u de olie gaat verversen dat u de afgewerkte olie veilig kunt wegdoen. Giet geen olie in een goot of afvoerputje, over tuinaarde of in open water. Volg uw plaatselijke milieuvoorschriften voor de beste wijze om afge- werkte olie weg te doen. *2 Laat de inspectie na 200 gebruiksuren verrichten bij een bevoegde onderhoudsdienst. Gebruiksduur Onderdeel Voor elk gebruik Dagelijks (10 uren) 50 uren 200 uren Voor opslag Motorolie Inspecteren/bijvullen Vervangen *1 Bevestigingsdelen (bouten, moeren) Inspecteren Brandstoftank Reinigen/inspecteren Brandstof aftappen Gashendel Werking controleren I-O (aan/uit)- schakelaar Werking controleren Luchtfilter Reinigen Bougie Inspecteren Reinigen/afstellen Ventilatiesleuven en cilinderkoelvinnen Reinigen/inspecteren Brandstofleiding Inspecteren Vervangen *2 Brandstoffilter Reinigen/vervangen Klepspeling (inlaatklep en uitlaatklep) Inspecteren/afstellen *2 Motor reviseren indien nodig

  • Voor het aftappen van de brandstof dient u de motor af te zetten en te wachten tot die is afgekoeld. Direct na het afzetten van de motor kan die nog erg heet zijn, met gevaar voor brand, schroeiplekken of brandwonden. LET OP:
  • Wanneer u het apparaat voorlopig niet meer gebruikt, laat u alle brandstof uit de brandstoftank weglopen en berg u het apparaat op in een droge, schone omge- ving. Voor opslag

1. Laat alle water via de aftapopening weglopen.

2. Trek licht aan de handgreep van de trekstarter totdat

3. Na het verwijderen van de brandstof uit de brandstof-

tank drukt u op de knop van de ontluchtingspomp tot- dat er brandstof uit de brandstofleiding loopt. Verwijder nogmaals de brandstof uit de pomp.

6. Berg de pomp op in een droge, warme omgeving,

waar geen risico van bevriezen bestaat. Verplaatsen Om de machine op te tillen voor verplaatsing of vervoer dient u de handgreep met beide handen stevig vast te pakken. STORINGEN VERHELPEN Voordat u de hulp van een reparateur inroept, kunt u storingen zelf opsporen en verhelpen. Als er iets niet naar beho- ren werkt, bedient u het apparaat dan eerst volgens de beschrijving in deze handleiding. Maak nooit afstellingen en demonteer nooit onderdelen waarvoor deze handleiding geen aanwijzingen biedt. Neem voor reparatie contact op met een bevoegde onderhoudsdienst. Storing Oorzaak Oplossing De motor start niet. De ontluchtingspomp is niet eerst gestart. 7 tot 10 maal drukken. Te zacht aan het startkoord getrokken. Geef een hardere ruk aan het startkoord. Te weinig brandstof. Brandstof bijvullen. Brandstoffilter verstopt. Filter schoonmaken. Brandstofleiding losgeraakt. Brandstofleiding steviger aansluiten. Brandstofleiding verbogen. Buig de brandstofleiding recht. Vervuilde of bedorven brandstof. Brandstof die te oud of vuil is, kan het starten bemoeilijken. Vervang de brandstof door nieuwe. (Aanbevolen verversingstijd: 1 maand) Te veel brandstof aangezogen. Zet de gasklephendel in de middelste of “H”-stand en trek aan de greep van de trekstarter totdat de motor start. Als de motor nog steeds niet start, verwijdert u de bougie, veegt u de elektroden droog en brengt u de bougie weer op zijn plaats. Vervolgens start u volgens de aanwijzingen. Losgeraakte bougiedop. Stevig vastmaken. Vervuilde bougie. Filter schoonmaken. Onjuiste elektrodenafstand van de bougie. Elektrodenafstand bijstellen. Andere afwijkingen van de bougie. Bougie vervangen. Slecht werkende carburateur. Verzoek een reparateur om inspectie en onderhoud. Het startkoord kan niet worden uitgetrokken. Verzoek een reparateur om inspectie en onderhoud. Iets mis met de aandrijving. Verzoek een reparateur om inspectie en onderhoud.49 Snel afslaande motor. Motortoerental neemt niet toe. Onvoldoende warmgedraaid. Laat de motor langer warmdraaien. De chokehendel staat in de “CLOSE”-stand, ook al is de motor al warmgedraaid. Stel in op “OPEN”. Brandstoffilter verstopt. Filter schoonmaken. Vervuild of verstopt luchtfilter. Filter schoonmaken. Slecht werkende carburateur. Verzoek een reparateur om inspectie en onderhoud. Iets mis met de aandrijving. Verzoek een reparateur om inspectie en onderhoud. De pomp werkt niet. Vastgeraakte pompstuwer. Verzoek uw plaatselijke Makita onderhoudsdienst om reparatie. Het pompvolume is erg gering. Er wordt lucht aangezogen. Controleer de leidingen aan de aanzuigkant. Afnemend motorvermogen. Verzoek uw plaatselijke Makita onderhoudsdienst om reparatie. Mechanische afdichting verbroken. Pakking vervangen. Te grote zuig- en hefhoogte. Zuig- en hefhoogte verminderen. Te dunne, lange of geknikte slang. Kies een dikkere of kortere slang of haal de knik er uit. Water lekt ergens uit de waterleiding. Verhelp de lekkage. Pompstuwer verstopt door binnengeraakt materiaal. Verzoek uw plaatselijke Makita onderhoudsdienst om reparatie. Versleten pompstuwer. Verzoek uw plaatselijke Makita onderhoudsdienst om reparatie. Zelfontluchting van de pomp werkt niet. Er wordt lucht aangezogen. Controleer de leidingen aan de aanzuigkant. Onvoldoende water voor ontluchting in het pomphuis. Meer volledig ontluchten. Onvoldoende dichtgedraaide aftapkraan. Draai de ontluchtingsdop en de aftapkraan stevig dicht. Niet goed draaiende motor. Verzoek uw plaatselijke Makita onderhoudsdienst om reparatie. Lucht lekt binnen via de mechanische afdichting. Pakking vervangen.50 ESPAÑOL (Instrucciones originales) Explicación de los dibujos 1 Tapón (cebado) 2 Descarga 3 Aspiración 4 Tapón (drenaje) 5 Caja de la bomba 6 Agarradera 7 Tapa de la bujía 8 Filtro de aire 9 Tapón del depósito de combus- tible 10 Depósito de combustible 11 Cebador 12 Interruptor I-O (Encender/Apa- gar) 13 Silenciador 14 Palanca de estrangulación 15 Manija de arranque 16 Arrancador de retroceso 17 Indicador del nivel de aceite 18 Base de asiento 19 Palanca de aceleración 20 Empaquetadura 21 Acoplador de manguera 22 Tuerca de mariposa 23 Abrazadera de manguera 24 Manguera 25 Tapón (cebado) 26 Descarga 27 Aspiración 28 Alcachofa de aspiración 29 Manguera (accesorio opcional) 30 Indicador del nivel de aceite 31 Nivel superior 32 Nivel inferior 33 Tapón del depósito de combus- tible 34 Nivel superior 35 Depósito de combustible 36 Tubo de combustible Muchas gracias por adquirir la bomba a motor MAKITA. Nos complace recomendarle la bomba a motor MAKITA que es el resultado de un largo programa de desarrollo y muchos años de conocimiento y experiencia. Lea este folleto para conocer en detalle los diferentes puntos que demuestran su extraordinario rendimiento. Además le ayudará a sacarle el mejor partido posible a su bomba a motor MAKITA. SÍMBOLOS Cuando lea el manual de instrucciones encontrará los símbolos siguientes. ADVERTENCIA: