AL1 38 LI - Grasmaaier ALPINA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AL1 38 LI ALPINA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AL1 38 LI - ALPINA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AL1 38 LI van het merk ALPINA.
GEBRUIKSAANWIJZING AL1 38 LI ALPINA
LET OP: Voordat u de deze machine gaat gebruiken dient u eerst deze handleiding aandachtig door te lezen.
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing
- Voor het speciek gegeven, verwijst men naar wat aangegeven is op het identicatielabel van de machine.
1) LET OP! Lees deze aanwijzingen aandachtig alvorens
de machine te gebruiken. Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan elektrische schokken, brand en/of ernstige letsels ver- oorzaken. Bewaar alle waarschuwingen en instructies om ze in de toekomst te kunnen raadplegen.
2) Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt door kinde-
ren of door personen die niet vertrouwd zijn met deze aan- wijzingen. De minimale leeftijd van de gebruiker kan lande- lijk gereglementeerd zijn.
3) Het apparaat mag gebruikt worden door kinderen van
minstens 8 jaar oud en door personen met verminderde li- chamelijke, sensoriele of mentale vaardigheden, of zonder ervaring en zonder de nodige kennis, op voorwaarde dat dit onder toezicht gebeurt of na de nodige instructies verkre- gen te hebben voor een veilig gebruik van het apparaat en voor het begrijpen van de erbij horende gevaren. De kinde- ren mogen niet met het toestel spelen. De reiniging en het onderhoud die door de gebruiker moeten uitgevoerd wor- den, mogen niet uitgevoerd worden door kinderen die niet onder toezicht staan.
4) Gebruik de grasmaaier nooit als er personen, in het bij-
zonder kinderen, of dieren in de buurt zijn
5) Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid
of onwel is, of indien hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of andere stoen ingenomen heeft die negatieve invloed kun- nen hebben zijn voor zijn reactievermogen en aandacht.
6) Denk eraan dat de persoon die de machine bedient of
de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoor- ziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico’s, die het terrein waar hij op moet werken met zich mee kan brengen, te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treen met het oog op zijn eigen veiligheid en die van anderen, met na- me op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen.
7) Indien men de machine aan derden wil geven of lenen,
moet men zich ervan verzekeren dat de gebruiker de ge- bruiksaanwijzingen in dit handboek doorneemt.
1) Gebruik tijdens het gebruik van de machine steeds ste-
vige antislip-werkschoenen en een lange broek. Bedien de machine niet met blote voeten of met open sandalen. Draag geen kettingen, armbanden en kledij met loshangende de- len, of met veters of dassen. Lang haar moet zorgvuldig bijeengebonden worden. Draag altijd gehoorbescherming.
2) Controleer grondig de hele werkzone en verwijder al-
les wat van de machine weg zou kunnen springen of de snijgroep en de motor zou kunnen beschadigen (keien, tak- ken, ijzerdraad, beenderen, enz.).
3) Ga vóór het gebruik over op een algemene controle van
de machine, en in het bijzonder: – het uitzicht van de snij-inrichting, en controleer of de
LET OP: VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN, DIENT MEN DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG TE LEZEN. Bewaren voor toekomstige behoeften. schroeven en de snijgroep niet versleten of beschadigd zijn. Vervang de snij-inrichting en de beschadigde of ver- sleten schroeven en bloc om ervoor te zorgen dat het maaidek in balans blijft. Eventuele herstellingen moeten nabij een gespecialiseerd centrum uitgevoerd worden. – De veiligheidshendel moet vrij kunnen bewegen, zonder geforceerd te worden, en bij het loslaten moet deze au- tomatisch en snel terug in de neutrale stand komen, om het maaitoestel tot stilstand te brengen.
4) Vooraleer het werk aan te vangen, dient men steeds de
beschermingen op de uitgang te monteren (opvangzak, zij- delingse aaatbeveiliging of achterste aaatbeveiliging).
C) TIJDENS HET GEBRUIK
1) Werk enkel bij daglicht of met een goede kunstmatige
verlichting en bij goede zichtbaarheid. Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone.
2) Vermijd, indien mogelijk, op nat gras te werken. Vermijd
te werken in de regen en bij risico op onweer. Gebruik de machine nooit bij slechte weersomstandigheden, en zeker niet bij kans op bliksem.
3) Stel de machine niet bloot aan regen of vochtigheid.
Water dat in een gereedschap sijpelt, verhoogt het risico op elektrische schokken.
4) Zorg er voor dat U steeds een goed steunpunt hebt op
5) Loop nooit, maar stap; laat U niet door de grasmaaier
6) Let bijzonder goed op bij het benaderen van hindernis-
sen die de zichtbaarheid kunnen beperken.
7) Maai in de dwarse richting van de helling en nooit in de
richting van de stijging/daling, let goed op bij de verande- ringen van richting en let er goed op dat de wielen niet op hindernissen stoten (stenen, takken, wortels, enz.) die een zijdelingse verschuiving of verlies van controle over de ma- chine zouden kunnen veroorzaken.
8) De machine mag nooit gebruikt worden op hellingen van
meer dan 20°, onafgezien van de looprichting.
9) Wees zeer voorzichtig wanneer u de grasmaaier naar u
toe trekt. Kijk achteruit voor en na het achteruit rijden om u ervan te verzekeren dat er geen hindernissen zijn.
10) Zet de snij-inrichting stil indien de grasmaaier gekan-
teld moet worden voor het vervoer, bij het oversteken van zones zonder gras en wanneer de grasmaaier vervoerd wordt van of naar de zone die gemaaid moet worden.
11) Let goed op het verkeer, wanneer de machine dicht bij
de straat gebruikt wordt.
12) Gebruik de machine niet indien de beschermingen be-
schadigd zijn, of zonder de opvangzak, zonder de zijdeling- se of de achterste aaatbeveiliging.
13) Wees zeer voorzichtig nabij ravijnen, grachten of dij-
14) Start de motor voorzichtig volgens de aanwijzingen en
houd uw voeten ver van de snij-inrichting verwijderd.
15) Tijdens het opstarten, moeten beide handen zich op de
16) Kantel de grasmaaier niet voor het opstarten. Start de
machine op een vlakke ondergrond zonder hindernissen of hoog gras.
17) Breng uw handen en voeten nooit nabij of onder de
draaiende delen. Blijf steeds op afstand van de aaat- opening.2
18) Hef de grasmaaier niet op en vervoer hem niet wan-
neer de motor in werking is.
19) Schend of verwijder de veiligheidsinrichtingen niet.
20) Bij de modellen met aandrijving, moet men de koppe-
ling van de transmissie aan de wielen uitschakelen vooral- eer de motor te starten.
21) Gebruik enkel toebehoren die goedgekeurd werden
door de fabrikant van de machine.
22) Gebruik de machine niet indien de toebehoren/werk-
tuigen niet op de voorziene plaatsen geïnstalleerd zijn.
23) Koppel de snij-inrichting los, stop de motor en koppel
de kabel van de bougie los (verzeker u ervan dat alle bewe- gende delen volledig stil staan): – Tijdens het vervoer van de machine – Telkens wanneer u de grasmaaier onbeheerd achterlaat; – Vooraleer blokkeringen te verhelpen of het windkanaal vrij te maken; – Vóórdat u de machine controleert, schoonmaakt of er- aan werkt; – Nadat er op een vreemd voorwerp gestoten is. Controleer de machine op eventuele beschadigingen en voer de no- dige reparaties uit alvorens ze opnieuw te gebruiken;
24) Schakel de snij-inrichting uit en stop de motor;
– Elke keer wanneer u de opvangzak verwijdert of opnieuw monteert; – Elke keer wanneer u de zijdelingse aaatdeector verwij- dert of opnieuw monteert; – Vooraleer de maaihoogte af te stellen indien dit niet van- uit de plaats van de bestuurder uitgevoerd kan worden.
25) Behoud tijdens het werk steeds de veiligheidsafstand
ten opzichte van de snij-inrichting, die overeenstemt met de lengte van de steel.
26) LET OP: – In geval van breuken of ongevallen tijdens
het werk, dient men de motor onmiddellijk stil te zetten en de machine te verwijderen om geen verdere schade te be- rokkenen; in geval van ongevallen met persoonlijke letsels of letsels aan derden, dient men onmiddellijk de meest ge- schikte eerste-hulp-procedures te volgen voor de situatie en zich tot een gezondheidsstructuur te richten voor de nodige zorgen. Verwijder zorgvuldig eventuele resten die schade of letsels aan personen of dieren kunnen veroorza- ken indien ze onopgemerkt blijven.
27) LET OP – Het niveau van het geluid en van de trillingen
dat aangegeven is in deze handleiding, zijn de maximale waarden voor het gebruik van de machine. Het gebruik van een niet gebalanceerd maai-element, een overdreven snel- heid van de beweging en gebrekig onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijk preventieve maatregelen te treen om mogelijke schade ten gevolge van een hoog ge- luidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud van de machine, draag gehoorbescher- ming, maak pauzes tijdens het werk.
D) ONDERHOUD EN OPSLAG
1) LET OP! – Haal de sleutel uit het contact en lees de
bijgeleverde instructies alvorens enige reinigings-, of on- derhoudswerkzaamheden te verrichten. Draag geschikte kleding en werkhandschoenen voor alle handelingen die gevaarlijk kunnen zijn voor de handen.
2) LET OP! – Gebruik de machine nooit als er onderdelen
versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten vervangen en niet gerepareerd wor- den. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet originele en/of niet goed gemonteerde onderdelen beïnvloedt de veiligheid van de machine, kan ongelukken of persoonlijk letsel aanrichten en de fabrikant kan hiervoor niet aansprakelijk gesteld worden.
3) Alle onderhoudshandelingen en afstellingen die niet be-
schreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd wor- den door uw Verkoper of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine. Handelingen die uitgevoerd werden in niet geschikte struc- turen of door onbekwame personen doen elke vorm van garantie en alle verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fabrikant vervallen.
4) Verwijder de sleutel na ieder gebruik en controleer
eventuele schade aan de machine .
5) Laat bouten en schroeven vastgedraaid zitten om er ze-
ker van te zijn dat de machine altijd op een veilige manier gebruiksklaar is. Als u regelmatig onderhoud aan de heg- genschaar pleegt, zal de werking ervan veilig blijven en zal het prestatieniveau bewaard blijven.
6) Controleer regelmatig of de schroeven van de snij-in-
richting correct vastgedraaid zijn.
7) Draag werkhandschoenen om de snij-inrichting te han-
teren, te demonteren of opnieuw te monteren.
8) Let op de balans van de snij-inrichting, wanneer dit ge-
slepen wordt. Alle handelingen die betrekking hebben op de snij-inrichting (demontage, slijpen, in balans brengen, hermontage en/of vervanging) vergen een specieke vaar- digheid en het gebruik van geschikt gereedschap; uit vei- ligheidsoverwegingen moeten deze handelingen daarom steeds uitgevoerd worden in een gespecialiseerd centrum.
9) Tijdens de afstellingen van de machine, moet men erop
letten dat de vingers niet tussen de bewegende snij-inrich- ting en de vaste delen van de machine verklemd geraken.
10) Raak de snij-inrichting niet aan totdat de kabel van de
bougie losgekoppeld is en de snij-inrichting volledig stil- staat. Tijdens het werken aan de snij-inrichting, dient men erop te letten dat de snij-inrichting kan bewegen, ook al werd de sleutel verwijderd.
11) Controleer vaak de zijdelingse aaatbeveiliging, of de
achterste aaatbeveiliging, en de opvangzak op slijtage of beschadiging. Vervang ze indien ze beschadigd zijn.
12) Vervang de labels met instructies en waarschuwingen,
indien deze beschadigd zijn.
13) Berg de machine op in een plaats die niet toegankelijk
14) Laat de motor eerst afkoelen alvorens de machine de
machine in eender welke ruimte op te bergen.
15) Houd de machine, en in het bijzonder de motor vrij
van resten gras, bladeren of teveel vet, om het risico op brand tot een minimum te herleiden. Leeg de opvangzak en laat geen containers met gemaaid gras in gesloten ruimtes achter.
E) BIJKOMENDE VOORSCHRIFTEN
1) Gebruik de machine niet in omgevingen met gevaar op
ontplong, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistof- fen, gas of stof. De elektrische gereedschappen genere- ren vonken die stof of dampen kunnen doen ontvlammen.
2) Overbelast de machine niet. Gebruik de machine die
geschikt is voor het werk. Met een gepaste machine zal het werk beter en op veiligere wijze uitgevoerd worden, aan de snelheid waarvoor ze ontworpen werd.
3) Gebruik voor het laden van de batterij enkel de door de
fabrikant aanbevolen batterijladers. Een niet geschikte bat-3 terijlader kan leiden tot elektroshock, oververhitting of lek- ken van de corrosieve vloeistof uit de batterij.
4) Gebruik enkel de specieke batterijen die voor uw toe-
stel voorzien zijn. Het gebruik van andere batterijen kan lei- den tot letsels en risico op brand.
5) Een batterij in slechte condities kan lekken van de vloei-
stof veroorzaken. Vermijd de aanraking met de vloeistof. In geval van onvoorziene aanraking, dient men met water te spoelen. In geval van aanraking van de vloeistof met de ogen, dient men ook een geneesheer te raadplegen. De vloeistof die uit de batterij lekt, kan huidirritaties of brand- wonden veroorzaken.
6) Verzeker u ervan dat het toestel uitgeschakeld is voor-
aleer er een batterij in te plaatsen. Een batterij in een elek- trisch toestel plaatsen kan brand veroorzaken.
7) Houd de niet gebruikte batterij ver van kantoorklemme-
tjes, muntstukken, sleutels, spijkers of andere kleine meta- len voorwerpen die een kortsluiting van de contacten zou- den kunnen veroorzaken. Een kortsluiting van de contacten van de batterij kan tot brand leiden.
8) De accu mag nooit geopend worden.
9) Werp de gebruikte batterijen nooit in het vuur
– GEVAAR OP ONTPLOFFING!
10) Verbind de batterijlader enkel aan stopcontacten met
de netspanning die aangegeven is op het identicatie- plaatje.
11) Gebruik enkel originele accu’s.
12) Tijdens langdurig gebruik kan de accu hoge tempe-
raturen bereiken. Laat hem afkoelen vooraleer hem op te laden.
13) Bewaar de accu en de batterijlader buiten bereik van
14) Gebruik de batterijlader niet in zones waar er stoom of
ontvlambare materialen aanwezig zijn.
15) Laad de accu’s enkel op bij temperaturen tussen 10°C
16) Bewaar de accu’s niet in omgevingen met temperatuur
17) Veroorzaak nooit kortsluitingen tussen de contacten
van de accu’s en verbind ze niet aan metalen voorwerpen.
18) Tijdens het vervoer van de accu’s, moet men er op let-
ten dat de contacten onderling niet in contact komen, en dat er geen metalen houders gebruikt worden voor het vervoer.
19) Kortsluiting van de accu kan ontplongen veroorza-
ken. Kortsluiting beschadigt in ieder geval de accu.
20) Controleer regelmatig of de kabel van de batterijlader
beschadigd is. Als de kabel beschadigd is, moet men de batterijlader vervangen.
21) Herlaad de accu’s volledig op, vooraleer deze weg te
leggen voor de winterperiode.
22) Bewaar de batterijlader op een plaats die beschermd
is tegen regen en vochtigheid. Waterinltratie in de batterij- lader verhoogt het risico op elektroshock.
23) Houd de batterijlader rein. Ophopingen van vuil kun-
nen tot elektroshock leiden.
24) Gebruik de batterijlader niet in een omgeving met ont-
vlambare materialen of op gemakkelijk ontvlambare opper- vlakten zoals papier, stof, enz. Tijdens het opladen, wordt de batterij opgewarmd en zou brand kunnen veroorzaken.
25) Een defecte batterijlader of een foutief gebruik van
de batterij kan leiden tot het vrijkomen van damp die het ademhalingsstelsel irriteert. Verlucht de omgeving met verse lucht en laat u door een geneesheer onderzoeken in geval van twijfel.
26) Reinig de verluchtingsopeningen van de batterij regel-
matig met een zacht, droog en rein penseel.
F) TRANSPORT EN VERPLAATSING
1) Telkens wanneer de machine verplaatst, geheven, ver-
voerd of overgeheld moet worden, is het noodzakelijk: – Stevige werkhandschoenen te dragen; – De machine vast te nemen op punten waar u een stevige grip hebt, rekening houdend met het gewicht en de sprei- ding van het gewicht; – Een beroep te doen op een toereikend aantal personen die het gewicht van de machine kunnen heen, volgens de kenmerken van het transportmiddel of de plaats waar de machine opgenomen of opgesteld moet worden. – U ervan te verzekeren dat de bewegingen van de machi- ne geen schade of letsels veroorzaken.
2) Bevestig de machine tijdens het vervoer goed met tou-
wen of kettingen. G) MILIEUBESCHERMING
1) De milieubescherming moet een belangrijk en prioritair
aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gun- ste van de civiele samenleving en de omgeving waarin we leven. Wees geen storend element voor uw buren.
2) Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het ver-
werken van de verpakking, batterijen, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op het milieu; dit afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamel- centra toevertrouwd worden, die de recyclage van de ma- terialen zullen verzorgen.
3) Volg nauwkeurig de lokale normen op voor de afdanking
4) Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze
nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een opvangcentrum gebracht worden, volgens de gelden- de lokale normen.
EN GEBRUIKSGEBIED Deze machine is een tuingereedschap en met name een grasmaaier met lopende bestuurder. De machine bestaat hoofdzakelijk uit een motor, die een snij-inrichting aanschakelt die beschermd is door een car- ter, voorzien van wielen en een handgreep. De bediener kan de machine besturen en de belangrijkste commando’s bedienen terwijl hij steeds achter de hand- greep blijft, en dus op veilige afstand van de draaiende snij-inrichting. Indien de bediener zich van de machine verwijdert, vallen de motor en de snij-inrichting na enkele seconden stil. Voorzien gebruik Deze machine is ontworpen en gebouwd om gras te maai- en (en op te vangen) in tuinen en zones met gras, met een grootte in verhouding met de maaicapaciteit, in aanwezig- heid van een lopende bediener. De aanwezigheid van toebehoren of specieke inrichtingen kan vermijden dat het gemaaide gras verzameld moet wor- den ofwel voor een “mulching” eect zorgen, waarbij het gemaaide gras op het terrein wordt achtergelaten.4 Type gebruiker Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, d.w.z. door niet professionele bedieners. Deze machine is bestemd voor een amateuriëel gebruik. Onjuist gebruik Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en schade berokkenen aan personen en/of zaken. De volgende situaties behoren tot het onjuist gebruik (bij- voorbeeld, maar niet uitsluitend): – vervoer van personen, kinderen of dieren op de machine; – zich door de machine laten vervoeren; – gebruik van de machine voor het aanslepen of aandu- wen van een last; – gebruik van de machine voor het verzamelen van bla- deren of afval; – gebruik van de machine voor het knippen van heggen of voor het maaien van andere vegetatie dan gras; – gebruik van de machine door meer dan één persoon te- gelijk; – inschakeling van de draaiende inrichting op zones zon- der gras.
IDENTIFICATIELABEL EN ONDERDELEN VAN DE
MACHINE (zie afbeeldingen op pag. ii)
6. Naam en adres van de fabrikant
8. Toerental van de motor
10. Spanning voeding
18. Luikje toegang tot accuruimte
19. Veiligheidssleutel (uitschakelinrichting)
22.2 Spanning en Frequentie voeding / Absorptie
22.3 Spanning en laadstroom
Onmiddellijk na de aankoop van de machine, worden de identicatienummers (3 – 4 – 5) in de hiertoe bestemde ruimten op de laatste pagina van de handleiding genoteerd. Het voorbeeld van de verklaring van overeenstemming be- vindt zich op de voorlaatste pagina van de handleiding. Gooi elektrische apparatuur niet bij het gewoon huis- houdelijk afval. Volgens de Europese Richtlijn 2012/19/EU inzake elektrisch en elektronisch afval en de toepassing ervan overeenkomstig de nationa- le wetgeving, moet de afgedankte elektrische apparatuur apart ingezameld worden voor recyclagedoeleinden. Indien de elektrische apparatuur afgedankt wordt op een afvalpark of in de ondergrond, kunnen de schadelijke stof- fen de waterlaag bereiken en in de voedingsketen terecht komen, met nadelige gevolgen voor uw gezondheid en wel- zijn. Voor meer informatie over de afdanking van dit pro- duct, contacteer de instantie die bevoegd is voor de ver- werking van het huishoudelijk afval of raadpleeg uw Verkoper.
BESCHRIJVING VAN DE SYMBOLEN OP DE
KNOPPEN (indien aanwezig)
30. LET OP - Bij het opstarten van de motor wordt tegelij-
kertijd ook de snij-inrichting ingeschakeld.
33. Elektrisch circuit aangeschakeld
(machine aan) VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN - Uw grasmaaier moet voorzichtig gebruikt worden. Daarom zijn er op de machi- ne pictogrammen aangebracht die u aan de belangrijkste veiligheidsvoorschriften herinneren. Hun betekenis is hier- onder weergegeven. Verder wordt u aanbevolen de veilig- heidsvoorschriften in het speciale hoofdstuk daarover in dit boekje zorgvuldig door te lezen. Vervang de beschadigde of onleesbare stickers.
62. Risico wegschietende voorwerpen. Houd de personen
buiten de werkzone tijdens het gebruik.
63. Enkel voor grasmaaier met netwerktoevoer
64. Enkel voor grasmaaier met netwerktoevoer
65. Let op de scherpe snij-inrichting: Steek uw handen
of voeten niet binnenin de snij-inrichting. De snij-in- richting blijft draaien ook na het uitschakelen van de motor. Verwijder de uitschakelinrichting vòòr het on- derhoud.
66. Stel de machine niet bloot aan regen of vochtigheid.
67. Let op de scherpe snij-inrichting: De snij-inrichting
blijft draaien ook na het uitschakelen van de motor.
71. Batterijlader met veiligheidstransformator.
72. Enkel in droge omgevingen gebruiken.
73. Lees de handleiding vòòr het gebruik.
74. Stel de accu niet bloot aan de zon wanneer de tempe-
ratuur hoger is dan 45°C.
75. Dompel de accu niet onder in water en stel hem niet
aan vochtigheid bloot.
76. Werp de batterijen niet in het vuur. GEVAAR OP
ONTPLOFFING! GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN OPMERKING - De overeenkomst tussen de verwijzin- gen in de tekst en de bijbehorende afbeeldingen (op de pag. ix en daaropvolgende) is gegeven door het nummer dat voor iedere paragraaf staat.5
1. DE MONTAGE VERVOLLEDIGEN
OPMERKING De machine kan mogelijk geleverd worden met sommige onderdelen reeds gemonteerd. LET OP! De machine moet op een vlakke en so- lide ondergrond uitgepakt en gemonteerd worden, met voldoende bewegingsruimte voor de machine en de verpakking, en steeds met gebruik van geschikte werktuigen. De verpakking moet volgens de plaatselijk geldende be- palingen worden afgevoerd. 1.1a Montage van de steel (Type “I” - Model 340) Steek de rechtse (11) en linkse (12) onderste delen van de steel in de daarvoor bestemde openingen, en bevestig deze delen met de bijgeleverde schroeven (13) en rond- sels (13a). Monteer het bovenste deel van de steel (14) en blokkeer het aan de twee onderste delen (11) en (12) met behulp van de bovenste handvaten (15) (die voordien uit hun openin- gen gehaald werden), die in een van de twee openingen (3) of (4) gestoken worden al naargelang de gewenste uit- eindelijke hoogte. Om de bevestigingskracht te regelen, moet u elk handvat (15) losmaken en naar behoefte op zijn as los- of vastdraai- en om een stabiele bevestiging te garanderen van het bo- venste deel (14) aan de twee onderste delen van de steel (11) en (12), zonder een overdreven kracht te vergen om ze vast of los te draaien. Haak de kabel (16) vast aan de kabelhouders (17) en (18) zoals aangegeven. 1.1b Montage van de steel (Type “II” - Model 340) Steek de rechtse (11) en linkse (12) onderste delen van de steel in de daarvoor bestemde openingen, en bevestig deze delen met de bijgeleverde schroeven (13) en rond- sels (13a). Monteer het bovenste deel van de steel (14) en blokkeer het aan de twee onderste delen (11) en (12) met behulp van de bovenste knopjes (15) (die voordien uit hun openingen gehaald werden), die in een van de twee openingen (3) of (4) gestoken worden al naargelang de gewenste uiteinde- lijke hoogte. Haak de kabel (16) vast aan de kabelhouders (17) en (18) zoals aangegeven. 1.1c Montage van de steel (Type “III” - Model 380) Breng de twee voorgemonteerde onderste delen van de steel (11) en (12), in de werkpositie en zorg ervoor dat de tand die gekenmerkt is met «>» UITSLUITEND overeen- stemt met een van de twee holtes van de vertanding die aangegeven zijn met «1» of «2» , in functie van de gewens- te hoogte, en blokkeer dan beide onderste handvaten (13). De positie moet voor beide zijden gelijk zijn. Monteer het bovenste deel van de steel (14) en blokkeer het aan de twee onderste delen (11) en (12) met behulp van de bovenste handvaten (15) (die voordien uit hun openin- gen gehaald werden), die in een van de twee openingen (3) of (4) gestoken worden al naargelang de gewenste uit- eindelijke hoogte. Om de bevestigingskracht te regelen, moet u elk handvat (15) losmaken en naar behoefte op zijn as los- of vastdraai- en om een stabiele bevestiging te garanderen van het bo- venste deel (14) aan de twee onderste delen van de steel (11) en (12), zonder een overdreven kracht te vergen om ze vast of los te draaien. Haak de kabel (16) vast aan de kabelhouders (17) en (18) zoals aangegeven. 1.1d Montage van de steel (Type “IV” - Model 380) Breng de twee voorgemonteerde onderste delen van de steel (11) en (12), in de werkpositie en zorg ervoor dat de tand die gekenmerkt is met «>» UITSLUITEND overeen- stemt met een van de twee holtes van de vertanding die aangegeven zijn met «1» of «2» , in functie van de gewens- te hoogte, en blokkeer dan beide onderste knopjes (13). De positie moet voor beide zijden gelijk zijn. Monteer het bovenste deel van de steel (14) en blokkeer het aan de twee onderste delen (11) en (12) met behulp van de bovenste knopjes (15) (die voordien uit hun openingen gehaald werden), die in een van de twee openingen (3) of (4) gestoken worden al naargelang de gewenste uiteinde- lijke hoogte. Haak de kabel (16) vast aan de kabelhouders (17) en (18) zoals aangegeven.
1.2 Montage van de opvangzak
Verbind de twee componenten (1) en (2) aan de zijkanten van de opvangzak onderling en monteer dan de bovenkant (3) en maak alle bevestigingselementen rondom goed vast. Monteer het handvat (4) op het bovenste gedeelte van de opvangzak, door het vast te klikken in de daartoe bestem- de uitsparingen.
1.3 Verwijdering en opladen van de batterij
De machine wordt met een gedeeltelijk opgeladen batterij geleverd, die zich in de zitting bevindt. Vooraleer de machine te gebruiken, dient men de batterij te verwijderen en deze volledig op te laden, zoals aange- geven onder punt 4.4.
2. BESCHRIJVING VAN DE COMMANDO’S
OPMERKING De betekenis van de symbolen op de knop- pen wordt verklaard op de volgende pagina’s.
2.1 Veiligheidssleutel (uitschakelinrichting)
Het aan- en uitschakelen van het elektrisch circuit van de machine gebeurt door middel van een veiligheidssleu- tel (Uitschakelinrichting), die zich binnenin de accuruimte bevindt. Open het luikje (1) en steek de sleutel (2) er volledig in om het opstarten van de motor mogelijk te maken. Om de sleutel te verwijderen,moet men op het blokkeer- lipje duwen. Door de sleutel te verwijderen, schakelt men het elektrisch circuit volledig uit om een ongecontroleerd gebruik van de machine te vermijden.
2.2 Schakelaar met tweevoudige bediening
De motor wordt bediend door een schakelaar met twee- voudige bediening, om ongewild opstarten te verhinderen. Druk, voor het opstarten, op de toets (2), trek aan een van de twee hendels (1) en wacht 2-3 seconden tot de motor opstart. LET OP! Bij het opstarten van de motor wordt te- gelijkertijd ook de snij-inrichting ingeschakeld. De motor stopt automatisch wanneer men beide hendels (1) loslaat.6
2.3 Afstelling van de maaihoogte
De maaihoogte kan door middel van de speciale hendel (1) afgesteld worden. U MAG DIT ENKEL DOEN ALS DE SNIJ-INRICHTING STIL STAAT.
- Autonomie van de batterij De autonomie van de batterij (en dus de oppervlakte van de gazon die bewerkt kan worden alvorens de batterij weer op te laden) hangt hoofdzakelijk af van: a) omgevingsfactoren, die leiden tot een grotere energie- behoefte: – maaien bij dik, hoog, vochtig gras; b) gedrag van de bediener, die moet vermijden: – de machine vaak aan- en uit te schakelen tijdens het werken; – een te lage maaihoogte ten opzichte van de condities van het gras; – een te hoge voortbewegingssnelheid vergeleken met de hoeveelheid gras die gemaaid moet worden;
ELECTRONIC RPM ADAPTOR
Deze machine is voorzien van een elektronisch systeem “ELECTRONIC RPM ADAPTOR” dat het toerental van de motor aanpast aan de kracht die vereist wordt tijdens het maaien van het gras.. Het systeem “ELECTRONIC RPM ADAPTOR” verhoogt de autonomie van de batterij. Bij laag gras (minder kracht), werkt de machine met een laag toerental, en wordt de autonomie van de batterij verhoogd. Bij hoog gras (meer kracht), werkt de machine met een hoog toerental, en wordt de autonomie van de batterij verlaagd. Om de autonomie van de batterij te optimiseren, raadt men aan: – het gras te maaien wanneer de gazon droog is; – het gras vaak te maaien om te vermijden dat het tè hoog groeit; – een hogere maaihoogte in te stellen wanneer het gras hoger staat en een tweede maaibeurt uit te voeren op een lagere hoogte; – de machine niet te gebruiken in functie “mulching” wan- neer het gras zeer hoog staat. Indien men de machine met langere werkbeurten wenst te gebruiken dan wat mogelijk is met de standaard-batterij, kan men: – een tweede standaard-batterij kopen om de platte bat- terij onmiddellijk te vervangen, zonder de continuiteit in het gedrang te brengen; – een batterij kopen met grotere autonomie dan de standaard-batterij (zie 5.1). OPMERKING Met deze machine kan men het gras op ver- schillende wijzen maaien; vooraleer het werk aan te vangen, raadt men aan de machine af te stellen al naargelang de wijze waarop men het gras wil maaien. U MAG DIT ENKEL DOEN ALS DE MOTOR UITGESCHAKELD IS. 3.1a Voorbereiding voor het maaien en opvangen van het gras in de opvangzak: – Plaats de achterste aaatbeveiliging (1) omhoog en be- vestig de opvangzak (2) correct zoals aangegeven op de afbeelding. 3.1b Voorbereiding voor het maaien en uitlaat van het gras achteraan: – Verwijder de opvangzak en zorg ervoor dat de achterste aaatbeveiliging (1) stabiel omlaag blijft. 3.1c Voorbereiding voor het maaien en fijnmalen van het gras (“mulching” functie – indien voorzien): – Til de achterste steenbeschermkap (1) op, voer de de- ectordop (5) in de uitlaatopening en duw hem goed aan totdat de onderste rand correct aan de boord van de uit- laatopening vastgehaakt wordt. Om de deectordop (5) te verwijderen, tilt u de achterste aaatbescherming (1) op en verwijdert u de dop door deze omhoog getrokken te houden om de onderste rand van de boord van de uitlaatopening los te maken.
Verzeker u ervan dat de batterij opgeladen is en correct in de zitting geplaatst is, zoals aangegeven onder punt 4.4. Open het luikje (1), en voeg vervolgens de veiligheidssleu- tel (2) volledig in tot u de “klik” hoort. Om de motor aan te schakelen, drukt men op de veilig- heidstoets (4) en trekt men aan een van de twee hendels (3) van de schakelaar.
Het gazon zal er beter uitzien als het steeds op dezelf- de hoogte en afwisselend in de twee richtingen gemaaid wordt. Wanneer de opvangzak te vol wordt, wordt het gras niet meer eciënt opgevangen en verandert het geluid van de grasmaaier. Om de opvangzak te verwijderen en te ledigen, – de schakelhendel loslaten en wachten tot de snij-inrich- ting stil staat; – de achterste aaatbeveiliging (2) omhoog plaatsen, de handgreep vastnemen en de opvangzak verwijderen; de opvangzak rechtop houden.
- In geval van “mulching”: vermijd steeds grote hoeveel- heden gras af te snijden. Maai nooit meer dan een derde van de totale hoogte van het gras in een enkele beurt! Pas de rijsnelheid aan de toestand van het grasveld en de hoeveelheid gemaaid gras aan. Raadgevingen voor de zorg van het gazon Iedere soort gras heeft verschillende kenmerken en er kun- nen dus verschillende werkwijzen nodig zijn om het gazon te verzorgen; lees steeds de aanwijzingen op de zaadver- pakkingen met betrekking op de maaihoogte, en al naarge- lang de groeicondities van de zone waar men werkt. Houd er rekening mee dat de meeste soorten gras uit een steel en een of meerdere bladeren bestaan. Als de blade- ren volledig afgemaaid worden, wordt het gazon bescha- digd en zal het moeilijker teruggroeien. Over het algemeen, gelden de volgende aanwijzingen: – een te laag maainiveau veroorzaakt scheuren en leegtes in het grasveld, en een “gevlekt” aspect”; – in de zomer, moet het gras hoger gemaaid worden om te vermijden dat het terrein uitdroogt; – maai het gras niet wanneer het nat is; dit zou de werk- zaamheid van de snij-inrichting verminderen omwille van het gras dat eraan vastkleeft en zou scheuren in het gras- veld veroorzaken; – indien het gras bijzonder hoog is, is het raadzaam eerst7 op de maximaal toegestane hoogte te maaien en ver- volgens een tweede maaibeurt te doen na twee of drie dagen.
Na het werk, laat men beide hendels (1) los. WACHTEN TOT DE SNIJ-INRICHTING STIL STAAT , voor- aleer eender welke ingreep uit te voeren op de grasmaaier. Open het luikje (2) en verwijder de veiligheidssleutel (3), door op het blokkeerlipje te duwen. BELANGRIJK Indien de motor tijdens het werk stopt we- gens oververhitting, moet men 5 minuten wachten vooraleer deze weer op te starten.
Bewaar de grasmaaier op een droge plaats. BELANGRIJK Een regelmatig en zorgzaam onderhoud is onontbeerlijk om de veiligheid en originele performances van de machine mettertijd te behouden. Iedere ingreep voor afstelling of onderhoud moet uitge- voerd worden bij stilstaande motor, terwijl de machine los- gekoppeld is van het elektrisch net.
1) Draag robuuste werkhandschoenen bij alle ingrepen
voor reiniging, onderhoud of afstelling van de machine.
2) Verwijder, na iedere maaibeurt, de resten van gras en
modder die binnen het chassis opgestapeld worden om te vermijden dat deze resten, wanneer ze opdrogen, een volgend opstarten moeilijk maken.
3) Verzeker u er steeds van dat de luchtgaten vrij zijn van
afval. LET OP! Verwijder de veiligheidssleutel vooraleer de machine weg te zetten en vooraleer eender welke in- greep voor reiniging of onderhoud aan te vangen.
4.1 Verticale opslag (Model 380)
Indien nodig, kan de machine verticaal opgeborgen wor- den, door ze aan een haak te hangen. LET OP! Verzeker u ervan dat de haak en zijn be- vestigingssysteem geschikt zijn en in staat zijn het ge- wicht van de machine te dragen; wees voorzichtig en let goed op dat er geen kinderen of dieren op de machine kruipen, die de belasting van de haak zouden verhogen. Haak de machine zo vast dat de snij-inrichting naar een wand gericht is of degelijk bedekt is, zodat dit geen ge- vaar kan vormen in geval van, ook onvoorziene of on- gewilde, aanraking door personen, kinderen of dieren. Om de machine verticaal te plaatsen, zet men de handva- ten (1 - Type “III”) los of draait men de knopjes los (2 – Type “IV”) en draait men de steel vooruit zodat de tand die ge- kenmerkt is met «>» UITSLUITEND overeenstemt met de holte van de vertanding die aangegeven is met «S», blok- keer dan de handvaten (1 - Type “III”) of de knopjes (2 – Type “IV”). De positie moet voor beide zijden gelijk zijn.
4.2 Onderhoud van de snij-inrichting
Iedere ingreep aan de snij-inrichting kan het best steeds door een gespecialiseerd centrum uitgevoerd worden, dat over het meest geschikte gereedschap beschikt. Voor deze machine is het gebruik van een snij-inrichting voorzien met de code die aangegeven is in de tabel op pagina ix. Gezien de ontwikkeling van het product, kan de boven ver- melde snij-inrichtingen in de loop van de tijd vervangen worden door een andere, met soortgelijke eigenschap- pen voor wat betreft verwisselbaarheid en functionele vei- ligheid. Monteer de snij-inrichting (2) weer met de code naar de grond gericht, in de volgorde die aangegeven is op de af- beelding. Klem de centrale schroef (1) met een dynamometersleu- tel, afgesteld op 30 Nm( voor model 340) of op 16-20 Nm (voor model 380).
4.3 Reiniging van de machine
Gebruik geen waterstralen en vermijd de motor en de elek- trische onderdelen nat te maken. Gebruik geen agressieve vloeistoen voor de reiniging van het chassis.
1. De batterij moet bewaard worden in een omgeving met
temperatuur tussen +7°C en +40°C. Bij opslag van de machine in omgevingen waar deze limieten mogelijk kunnen overschreden worden, raadt men aan de batterij te verwijderen en op een geschikte plaats op te bergen.
2. Tijdens het gebruik, is de batterij tegen volledige ont-
lading beschermd door een beschermingssysteem dat de machine uitschakelt en de werking ervan blokkeert.
3. De batterij is voorzien van een bescherming die de her-
lading ervan verhindert indien de omgevingstempera- tuur niet tussen 0 en +45°C is.
4. De batterij kan op eender welk moment, ook gedeelte-
lijk, opgeladen worden, zonder risico op beschadiging. 4.4a Controle van de staat van de lading van de batterij Om de staat van de lading van de batterij (4) te controleren, drukt men op de toets (4a) die vier LEDs (4b) aanschakelt, met de volgende betekenissen: LED Lading van de batterij 4 GROEN 100% 3 GROEN 70% 2 GROEN 45% 1 GROEN 10% - Opladen Geen De batterij heeft een lading van minder dan 10% en moet onmiddellijk opgela- den worden. Indien er na 30 minuten opladen niet minstens een LED aangaat, betekent dit dat de batterij defect is en vervangen moet worden. 4.4b Verwijdering en opladen van de batterij Na iedere werksessie, is het raadzaam de batterij te ver- wijderen. Om de batterij op te laden:8 – open het luikje (1) en verwijder de veiligheidssleutel (2); – druk op het onderste lipje (3) en verwijder de batterij (4); – plaats de batterij (4) in de zitting van de batterijlader (5), en duw deze stevig aan; – verbind de batterijlader (5) aan een stopcontact, met een spanning die overeenstemt met wat aangegeven is op het plaatje. Het opladen duurt ongeveer 1,5 - 3,5 uur, al naargelang het vermogen van de batterij en de resterende lading. De batterijlader (5) is van het diagnostische type, voorzien van een LED die informatie verschaft over de staat van de batterij en de lading, volgens de hiernavolgende tabel: LED (5a) Betekenis GROEN (Knipperlicht) Batterij wordt opgeladen GROEN Batterij volledig opgeladen ROOD Batterij oververhit: verwijder de batterij en laat ze gedurende minstens 30 minuten afkoelen. Uit Batterij afwezig of niet correct geplaatst. ROOD (Knipperlicht) Storing tijdens het opladen en mo- gelijk defecte batterij; verwijder in dit geval de batterij en plaats ze opnieuw binnen de 2 uren: indien het LED aangeeft dat ze opgeladen wordt, betekent dit dat de batterij in goede staat is en de lading gewoon kan voortgezet worden. Anders: – de batterijlader losmaken en na enkele minuten weer aan het net verbinden; – de batterij uit de batterijlader halen en ze na enkele minuten weer plaatsen. Indien het LED (5b) na deze po- gingen niet aangeeft dat de batterij opgeladen wordt en blijft knipperen, betekent dit dat de batterij defect is en vervangen moet worden. 4.4c Hermontage van de accu op de machine Na volledig opladen: – druk op het onderste lipje (3) en verwijder de batterij (4) (zorg ervoor dat ze niet te lang in de batterijlader blijft na- dat ze volledig werd opgeladen); – ontkoppel de batterijlader (5) van het elektrisch netwerk – open het luikje (1) van de machine, plaats de batterij (4) in haar zitting in de machine en duw ze stevig aan om ze op haar positie te blokkeren en het elektrisch contact te verzekeren. – hersluit het luikje (1) volledig.
LET OP! Voor uw eigen veiligheid is het strikt ver- boden enig ander toebehoren te monteren dan diege- ne in de volgende lijst aangegeven zijn en nadrukkelijk voor uw model en type machine ontworpen zijn.
5.1 Alternatieve batterijen
Er zijn batterijen met verschillende vermogens beschik- baar, voor de specieke werkvereisten. De lijst van de voor deze machine gehomologeerde batterijen bevindt zich in de tabel op pag. «ix».
Wat te doen bij ... Oorsprong van het probleem Oplossing
1. Wanneer de schakelaar ingedrukt wordt,
start de motor niet op- Veiligheidssleutel ontbreekt of niet correct geplaatst Voeg de sleutel in tot u de “klik” hoort (zie 3.2) Geen batterij of batterij niet correct geplaatst Open het luikje en verzeker u ervan dat de batterij juist geplaatst is (zie 4.4) Batterij plat Controleer de status van de lading en herlaad de batterij (zie 4.4) Tussenkomst van de thermische bescherming Laat de machine afkoelen Niet onmiddellijk starten motor Houd de schakelaar gedurende 1-3 seconden ingedrukt (zie 2.2)
2. De motor stopt tijdens het werk
Batterij niet correct geplaatst Open het luikje en verzeker u ervan dat de batterij juist geplaatst is (zie 4.4) Batterij plat Controleer de status van de lading en herlaad de batterij (zie 4.4) Tussenkomst van de bescherming Wacht minstens 5 minuten en herstart dan de machine Verklemmingen die de rotatie van de snij-inrichting verhinderen Verwijder de veiligheidssleutel, draag werkhandschoenen en verwijder gras of afval van het onderste deel van de machine en/of uit het windkanaal
3. De motor is in beweging maar
de snij-inrichting draait niet Bevestiging van de snij-inrichting losgekomen Stop onmiddellijk de motor en contacteer een Dienstcentrum (zie 4.2)
4. Men hoort overdreven geluiden
en/of trillingen tijdens het werk Bevestiging van de snij-inrichting losgekomen of snij-inrichting beschadigd Stop onmiddellijk de motor en contacteer een Dienstcentrum (zie 4.2)
5. Kleine autonomie van de batterij
Zware gebruiksconditie met grotere stroomabsorptie Optimiseer het gebruik (zie 4.4) Batterij niet voldoende voor de werkbehoeften Gebruik een tweede batterij of een sterkere batterij (zie 5.2)9 Bij iedere andere situatie, die niet in deze lijst voorzien is, dient men de Wederverkoper of een Dienstcentrum te con- tacteren.
6. De batterijlader laadt de batterij niet op
(rood led aan of knipperend) Batterij niet correct geplaatst in de batterijlader Controleer of de batterij correct geplaatst is (zie 4.4) Niet geschikte omgevingscondities Laad de batterij op bij een geschikte temperatuur (zie 4.4) Vuile contacten Reinig de contacten
7. De batterijlader laadt de batterij niet op
(geen led aan) Geen spanning aan de batterijlader Controleer of de stekker in het stopcontact steekt en of er spanning aanwezig is in het stopcontact Defecte batterijlader Vervangen met een origineel wisselstuk1 SIKKERHETSBESTEMMELSER Må følges nøye.
EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)1. Het bedrijf 2. Verklaart onder zijn eigen verantwoordelijkheid dat de machine: Lopend bediende grasmaaier met batterij /grasmaaier a) Type / Basismodel b) Handelsmodel c) Bouwjaar d) Serienummer e) Motor: accu 3. Voldoet aan de specificaties van de richtlijnen: f) Certificatie-instituut g) EG-onderzoek van het Type 4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen i) Gemeten niveau van geluidsvermogen j) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen k) Snijbreedte q) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier r) Plaats en Datum
Notice-Facile