CableTracer Pro - Meetinstrumenten Laserliner - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis CableTracer Pro Laserliner in PDF-formaat.
| Producttype | Universele en flexibele lijnzoekerset met zender en ontvanger |
| Merk | Laserliner |
| Model | CableTracer Pro |
| Categorie | Meetapparatuur |
| Afmetingen zender (L x H x D) | 68 x 130 x 32 mm |
| Afmetingen ontvanger (L x H x D) | 59 x 192 x 37 mm |
| Gewicht zender (incl. batterij) | ca. 200 g |
| Gewicht ontvanger (incl. batterij) | ca. 240 g |
| Voeding zender | 1 batterij 9 V type IEC 6LR61 alkaline |
| Voeding ontvanger | 1 batterij 9 V type IEC 6LR61 alkaline |
| Nominale spanning | 12 – 250 V |
| Spanning meetbereik | 12 – 400 V AC / DC |
| Uitzendfrequentie | 125 kHz |
| Overspanningscategorie | CAT III 300 V |
| Meetdiepte (spanningsdetectie) | 0 – 0,4 m |
| Meetdiepte (unipolair) | 0 – 2 m |
| Meetdiepte (bipolair) | 0 – 0,5 m |
| Hoofdfuncties | Kabelvolgen, zekeringen lokaliseren, kortsluitingen detecteren, kabelbreuken opsporen, water- en verwarmingsleidingen detecteren, geleiders identificeren, contactloze netspanningsdetectie |
| Onderhoud en reiniging | Beschermen tegen vocht en vloeistoffen; reinigen en drogen voor gebruik; op een droge plaats bewaren |
| Veiligheid | Alleen gebruiken voor het beoogde doel; niet gebruiken in CAT IV; veiligheidsinstructies naleven voor spanningen > 25 V AC of 60 V DC |
| Reserveonderdelen en repareerbaarheid | Batterijen vervangbaar door gebruiker; andere reserveonderdelen niet gespecificeerd |
| Algemene informatie | Voldoet aan EU-normen; moet worden gerecycled volgens de AEEA-richtlijn; handleiding beschikbaar in meerdere talen |
Veelgestelde vragen - CableTracer Pro Laserliner
Gebruikersvragen over CableTracer Pro Laserliner
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Meetinstrumenten in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding CableTracer Pro - Laserliner en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. CableTracer Pro van het merk Laserliner.
GEBRUIKSAANWIJZING CableTracer Pro Laserliner
! Lees de bedieningshandleiding en de bijgevoegde brochure, Garantie- en aanvullende aanwijzingen' volledig door. Volg de daarin beschreven aanwijzingen op. Bewaar deze documentatie goed.
Functie / toepassing
Universeel en flexibel leidingzoekapparaat in een set met zender en ontvanger
- Contactloze tracering van het zendersignaal door de ontvanger.
- Lokalisatie van elektrische kabels, zekeringen, veiligheidsschakelaars, metalen buizen (bijv. verwarmingsbuizen) en nog veel meer.
- Lokalisatie van leidingonderbrekingen in voorhanden installaties en kortsluitingen in gelegde installatiekabels.
- Toepasbaar met en zonder netspanning, tot max. 400 V.
- Gelijk- en wisselspanningsweergave tot max. 400 V.
- Eenpolige zoekfunctie, voor optimale leiding- en objectlokalisatie op grote diepte.
- Tweepolige zoekfunctie, voor doelgericht opsporen van zekeringen, kortsluitingen en FI-veiligheidsschakelaars.
- Hoge zendfrequentie van 125 Khz maakt een exacte en storingsvrije lokalisatie zonder netstoringen mogelijk.
- Dankzij de signaalcodering kunnen tot zeven zenders en een ontvanger worden ingezet, ideaal voor werkzaamheden in complexe installaties.
- De ingebouwde AC-spanningzoeker herkent en lokaliseert spanningvoerende leidingen.
- Een permanente AC-spanningswaarschuwing aan de zender en de ontvanger verhoogt de veiligheid.
- Automatische en handmatige modus voor de correcte instelling op het meetprobleem.
- Geïntegreerde meetpuntverlichting, door krachtige ledverlichting.
- Overspanningscategorie CAT III (conform EN 61010-1, max. 300 V) en alle lagere categorieën. De apparaten en het toebehoren mogen niet worden toegepast voor werkzaamheden in de overspanningscategorie CAT IV (bijv. bij laagspanningsinstallatiebronnen).
Werkingsprincipe
De meting wordt uitgevoerd met één of meerdere zenders en een ontvanger. De zender stuurt gecodeerde signalen in de leiding die moet worden gecontroleerd. Het signaal is een gemoduleerde stroom die een elektromagnetisch veld genereert rond de geleider. De ontvanger herkent dit veld, decodeert het en kan daardoor de leidingen met het ingevoerde signaal vinden en lokaliseren.
Veiligheidsinstructies
- Gebruik het apparaat uitsluitend doelmatig binnen de aangegeven specificaties.
- Gebruik uitsluitend de originele meetleidingen. Deze moeten over dezelfde nominale spannings-, categorie- en ampèrewaarden beschikken als het meetapparaat.
- Vóór het openen van het batterijvakdeksel dient de stroomtoevoer naar het apparaat te worden onderbroken.
- Werk bij voorkeur niet alleen.
- Pak het apparaat alleen vast aan de handgrepen. De meetpunten mogen tijdens de meting niet worden aangeraakt.
-
Bij de omgang met spanningen van meer dan 25V AC resp. 60V DC dient uiterst voorzichtig te worden gewerkt. Bij contact met de elektrische geleiders bestaat bij deze spanningen al levensgevaar door elektrische schokken.
-
Als het apparaat met vocht of andere geleidende resten bevochtigd is, mag niet onder spanning worden gewerkt. Vanaf een spanning van 25V AC resp. 60V DC bestaat gevaar voor levensgevaarlijke schokken op grond van de vochtigheid. Reinig en droog het apparaat vóór gebruik. Let bij gebruik buitenshuis op dat het apparaat alleen onder dienovereenkomstige weersomstandigheden resp. na het treffen van geschikte veiligheidsmaatregelen toegepast wordt.
- Wees bijzonder voorzichtig vanaf het punt waarop de 50V-weergave bij de zender TX brandt.
- Gebruik het apparaat niet in omgevingen die met geleidende deeltjes belast zijn of waarin door optredend vocht (bijv. door condensatie) een tijdelijk geleidende atmosfeer ontstaat.
- Voer metingen die gevaarlijk dicht bij elektrische installaties moeten worden uitgevoerd, niet alleen uit en alléén na instructie van een verantwoordelijke elektromonteur.
- Waarborg vóór iedere meting dat het te controleren bereik (bijv. leiding), het testapparaat en het toegepaste toebehoren (bijv. aansluitleiding) in optimale staat verkeren. Test het apparaat op bekende spanningsbronnen (bijv. 230V-contactdoos voor de AC-controle of de autoaccu voor de DC-controle). Het apparaat mag niet meer worden gebruikt als één of meerdere functies uitvallen.
- Gebruik de zender niet in continubedrijf, maar alleen tijdens de eigenlijke meettijd. Na een meting moet de zender uit het meetcircuit worden verwijderd.
- Gebruik het apparaat niet in omgevingen met explosieve gassen of stoom.
- Bescherm het apparaat tegen verontreinigingen en schade en zorg voor een droge opslag.
- Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan vocht of vloeistoffen. Let bij gebruik buitenshuis op dat het apparaat alleen onder dienovereenkomstige weersomstandigheden resp. na het treffen van geschikte veiligheidsmaatregelen wordt ingezet.
- De bouwwijze van het apparaat mag niet worden veranderd!
- De meetapparaten en het toebehoren zijn geen kinderspeelgoed. Buiten het bereik van kinderen bewaren.
- Neem de veiligheidsvoorschriften van lokale resp. nationale instanties voor het veilige en deskundige gebruik van het apparaat in acht.
Symbolen

Waarschuwing voor gevaarlijke elektrische spanning: door onbeschermde, spanningvoerende onderdelen in de behuizing bestaat gevaar voor elektrische schokken.

Waarschuwing voor een gevarenpunt

Veiligheidsklasse II: het controleapparaat beschikt over een versterkte of dubbele isolatie.
CAT III
Overspanningscategorie III: bedrijfsmiddelen in vaste installaties en voor toepassingen waarbij bijzondere vereisten aan de betrouwbaarheid en de beschikbaarheid van de bedrijfsmiddelen worden gesteld, bijv. schakelaars in vaste installaties en apparaten voor industriële toepassingen met constante aansluiting op de vaste installatie.

Aardpotentiaal

Belangrijke aanwijzingen die absoluut moeten worden opgevolgd!
1 Benaming

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 1 11 12Zender TX
1 Aansluitbus rood +
2 Aansluitbus zwart –
3 LC-display
4 Toets zendcode: instelling uitgangsvermogen zendsignaal / verlichting LC-display (2 sec. lang indrukken) / zendcode instellen
5 AAN/UIT-toets UIT: 2 sec. lang indrukken
6 Batterijvakje (achterzijde)
7 Meetpunt rood +
8 Meetpunt zwart –
9 Optioneel: meetklem rood +
10 Optioneel: meetklem zwart –
11 Aansluitkabel rood +
12 Aansluitkabel zwart –

text_image
C B Volt CODE 400 230 120 50 12 LEVEL A D ELC-display zender TX
B Waarschuwing voor externe spanning
C Weergave externe spanning (12, 50, 120, 230, 400 V)
D Batterijlading gering
E Weergave uitgangsvermogen zendsignaal (level I, II, III)

text_image
13 14 15 16 20 21 MODE 17 18 19 22 23 32 NLOntvanger RECV
13 Sensorkop
14 Zaklamp
15 LC-display
16 Omschakeling meetmodus: Leidingzoekfunctie (SIG) / netspanningszoekfunctie (NCV)
17 AAN/UIT-toets zaklamp
18 Gevoeligheid verminderen
19 Omschakeling handmatige zoekmodus / automatische zoekmodus
20 Verlichting LC-display / signaalgeluid uit- resp. inschakelen (2 sec. lang indrukken)
21 Gevoeligheid verhogen
22 AAN/UIT-toets - UIT: 2 sec. lang indrukken
23 Batterijvakje (achterzijde)

I Automatische zoekmodus ingeschakeld (SIG)
J Weergave voor ingeschakelde zaklamp
K Handmatige zoekmodus: grafi sche weergave van de ingestelde gevoeligheid
L Automatische zoekmodus: numerieke weergave van de signaalsterkte
Handmatige zoekmodus: numerieke detailweergave van de signaalsterkte, waarde is afhankelijk van de ingestelde gevoeligheid
M Weergave voor uitgeschakeld signaalgeluid
N Weergave van het door de zender TX ingestelde uitgangsvermogen van het zendsignaal, level I, II, III
O Weergave van de ontvangen zendcode (1,2,3,4,5,6,7)
P Handmatige zoekmodus ingeschakeld
Q Waarschuwing voor externe spanning
2 Plaatsen van de batterij
Let op de juiste polariteit! Het batterijsymbool op het LC-display van de ontvanger resp. zender geeft aan wanneer de batterijen moeten worden vervangen.

text_image
1. 2. 6LR61 9V alkali
text_image
1. 6LR61 9V alkali 2.3 Zender TX: inrichten
Sluit de kabels aan op het apparaat. Let daarbij op de juiste polariteit! Schakel het apparaat in met de AAN/UIT-toets (5). Al naargelang de toepassing kan het uitgangsvermogen van het signaal met behulp van de zendcode-toets (4) worden ingesteld: level 1 = geringste vermogen; level 3 = hoogste vermogen. Door de verhoging van het geringste naar het hoogste vermogen wordt de reikwijdte van de ontvanger RECV met ca. het vijfvoudige uitgebreid.
Indien een externe spanning voorhanden is, verschijnt op het LC-display de spanningshoogte en het waarschuwingssymbool (B). Bovendien wordt de zendcode weergegeven. Druk ca. 2 sec. lang op de zendcode-toets (4) om de verlichting van het LC-display in te schakelen. Druk ca. 2 sec-. lang op de AAN/UIT-toets om het apparaat uit te schakelen. Het apparaat kan met en zonder spanning worden gebruikt en is tot 400 V spanningsvast

text_image
4 B 11 97 5 12 108
- Neem bij werkzaamheden onder spanning altijd de veiligheidsinstructies in acht.
- De geïntegreerde waarschuwing voor externe spanning (B) in de zender kan een test op spanningsvrijheid niet vervangen!
4 Zender TX: zendcode instellen
Als slechts één zender in gebruik is, moet de zendcode niet worden omgezet. Zodra u met meer dan één zender werkt, dient u de zendcode in te stellen. Houd hiervoor bij uitgeschakeld apparaat de zendcode-toets (4) ingedrukt en druk kort op de AAN/UIT-toets (5). Druk vervolgens op de zendcode-toets en stel de gewenste code in. Stel voor alle toegepaste apparaten een andere zendcode in. Met de AAN/UIT-toets slaat u de instellingen op en schakelt u het apparaat in. In totaal staan 7 verschillende signaalcodes ter beschikking.

flowchart
graph LR
A["HOLD"] --> B["LEVEL"]
B --> C["simultaneous"]
C --> D["CODE 1"]
D --> E["4 LEVEL"]
D --> F["5"]
F --> G["CODE 2"]
G --> H["LEVEL"]
G --> I["○"]
I --> J["CODE 3"]
J --> K["LEVEL"]
J --> L["○"]
L --> M["CODE 4"]
M --> N["LEVEL"]
5 Ontvanger RECV: ontvangstmodus instellen
!
De geïntegreerde waarschuwing voor externe spanning (Q) in de ontvanger kan een test op spanningsvrijheid niet vervangen!
5A Herkenning van de netspanning
Deze modus functioneert zonder zender en wordt geactiveerd met de toets 16. Op het LC-display verschijnt 'NCV'. Hier kunnen spanningvoerende leidingen worden gelokaliseerd.
De elektromagnetische veldsterkte wordt als staafdiagram weergegeven. Het extra akoestische ontvangstsignaal geeft door middel van de toonhoogte aan hoe ver de spanningvoerende kabel verwijderd is. Hoe hoger de toon, hoe dichterbij de spanningvoerende kabel. In geval van een externe spanning wordt dit door middel van het waarschuwingssymbool (Q) aangegeven.

5B Automatische zoekmodus
Deze modus werkt alleen met de zender, is na het inschakelen van het apparaat actief en wordt op het LC-display met 'SIG' aangegeven. Hier voert het apparaat de instelling van de gevoeligheid automatisch uit om optimale meetresultaten te behalen. Met de Modus-toets kan deze instelling worden gekozen.
De signaalsterkte verschijnt als staafdiagram en kan numeriek worden afgelezen. Bovendien geef het akoestische ontvangstsignaal door middel van de toonhoogte aan hoe ver de gezocht kabel verwijderd is. Hoe hoger de toon, hoe dichterbij de gezocht leiding. Met de numerieke detailweergave is de meest exacte lokalisatie van de leiding mogelijk.
De door de zender overgedragen zendcode en het uitgangsvermogen van het zendsignaal wordt eveneens weergegeven. In geval van een externe spanning wordt dit door middel van het waarschuwingssymbool (Q) aangegeven.

text_image
SIG 513 CODE LEVEL NCV MODE5C Handmatige zoekmodus
Deze modus functioneert alleen met de zender en moet met de Mode-toets worden geselecteerd. Op het LC-display verschijnt 'SENSE'. Met de pijltoetsen kan de gevoeligheid worden ingesteld: 1 boog = maximale gevoeligheid; 8 bogen = minimale gevoeligheid. Een vermindering van de gevoeligheid is zinvol als het meetbereik exacter moet worden beperkt.
De signaalsterkte wordt eveneens door het uitgangsvermo-gen van de zender bepaald. Stel daarom ook het zendlevel in om de gewenste gevoeligheid aan te passen.

text_image
384 CODE SENSE LEVEL 257 CODE SENSE LEVEL NCV MODE → NCV MODEDe signaalsterkte verschijnt als staafdiagram en kan numeriek exact worden afgelezen. Bovendien geef het akoestische ontvangstsignaal door middel van de toonhoogte aan hoe ver de gezochte kabel verwijderd is. Hoe hoger de toon, hoe dichterbij de gezochte leiding. Met de numerieke detailweergave is de meest exacte lokalisatie van de leiding mogelijk.
De door de zender overgedragen zendcode en het uitgangsvermogen van het zendsignaal worden eveneens weergegeven. In geval van een externe spanning wordt dit door middel van het waarschuwings-symbool (Q) aangegeven.
6 Metingen voorbereiden
De metingen kunnen principieel aan leidingen worden uitgevoerd die spanningsvrij zijn of onder spanning staan. Het ontvangstbereik van de ontvanger is in de regel groter als in spanningsloze toestand wordt gewerkt. De zender geschiedt wordt gevoed door de ingebouwde batterij.

- De metingen dienen altijd aan spanningsvrije leidingen te worden uitgevoerd.
- Indien onder spanning wordt gewerkt, dient u de veiligheidsinstructies strikt in acht nemen.
Bij werkzaamheden onder spanning kan met behulp van de zender de fasegeleider worden bepaald. Sluit daarvoor de zwarte kabel (-) op de veiligheidsgeleider en de rode kabel (+) op de te meten geleider aan. U hebt de fasegeleider gevonden als een spanning op het display wordt weergegeven en het waarschuwingssymbool verschijnt (voorbeeld a). Als deze weergave niet verschijnt, hebt u de neutrale geleider N (voorbeeld b) gevonden of de bedrijfsspanning is niet voorhanden resp. de veiligheidsgeleider is verkeerd aangesloten.

Indien in het meetcircuit een verkeerde stroom voorhanden is, kan de FI/RCD-veiligheidsschakelaar door de extra stroom van de zender worden geactiveerd.
Om veiligheidsredenen dient de zender bij werkzaamheden onder spanning alleen van de fase tegen de neutrale geleider te worden aangesloten (voorbeeld c). Als de zender echter van de fase tegen de veiligheidsgeleider wordt aangesloten (voorbeeld d), dient te worden gecontroleerd of de veiligheidsgeleider geaard is en veilig functioneert. Als dat niet het geval is, kunnen alle met de aarde in contact staande onderdelen onder spanning staan.

Bij de controle van de functieveiligheid van de veiligheidsgeleider dienen de van toepassing zijnde lokale resp. nationale veiligheidsvoorschriften in acht te worden genomen.
7 Toepassingsgebieden
Er zijn principieel drie mogelijkheden:
A. toepassing met ontvanger: lokalisatie van spanningvoerende leidingen.
B. eenpolige toepassing met zender en ontvanger: metingen met gescheiden toevoer- en retourleiding, zie afb. d en afb. e in hoofdstuk 7B.
C. tweepolige toepassing met zender en ontvanger: metingen met gezamenlijke toevoer- en retourleiding in één kabel, zie afb. c.
7 Toepassingsgebieden
7A Spanningzoekfunctie
Schakel de ontvanger in en schakel over naar de netspanningsmodus. Nu vindt het apparaat spanningvoerende leidingen en kan het verloop van een spanningvoerende leiding worden getraceerd. De zender hebt u daarbij niet nodig. Zie hiervoor ook hoofdstuk 5A.

7B Eenpolige toepassingen (gescheiden toevoer- en retourleiding).
Hier wordt de zender slechts op één geleider in een meeraderige kabel aangesloten. Via deze geleider stroomt vervolgens het hoogfrequente signaal van de zender. De retourleiding is de aarde, idealiter de aardgeleider of een andere goede massaverbinding. De lokalisatiediepte bedraagt maximaal 2 m en is afhankelijk van het materiaal in de omgeving.
!
- Het signaal van de zender dient goed geaard te zijn om optimale zoekresultaten te bereiken.
- Bij werkzaamheden onder spanning dienen de veiligheidsinstructies strikt in acht te worden genomen.
Voorbeelden voor een eenpolige toepassing
7B-1 Leidingen traceren / contactdozen zoeken
!
- Schakel het meetcircuit spanningsvrij.
- Het ingevoerde zendsignaal van de toevoerleiding kan op andere geleidingen worden overgedragen, zodra deze over langere afstanden parallel aan de toevoerleiding verlopen.
- Voor het bereiken van grote reikwijdten kan het raadzaam zijn, de te meten leiding van het overige meetcircuit te scheiden.
Sluit de zender aan op de meten leiding en sluit de veiligheidsgeleider aan, zie afbeelding d in hoofdstuk 6. Schakel vervolgens de ontvanger in en begin met de lokalisatie.
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: handmatige zoekmodus, maximale gevoeligheid, zie hoofdstuk 5C.
Tip 1: als alternatief voor de veiligheidsgeleider kan bijv. ook een verwarming als aarde worden gebruikt, zie afbeelding e. Daarvoor dient gewaarborgd te zijn dat de verwarming correct geaard is.

Tip 2: met behulp van het signaalgeluid, het staafdi-
agram en de numerieke detailweergave kan het leidingverloop eenvoudig worden getraceerd. Als het leidingverloop exact moet worden bepaald, hoeft u alleen de punten te kenmerken waar de numerieke weergave de hoogste waarden aangeeft.
Tip 3: de reikwijdte kan met het vijfvoudige worden vergroot als het uitgangsvermogen van de zender van level 1 naar level 3 verhoogd wordt.
Tip 4: om het verloop van de gezochte leiding beter te kunnen bepalen, kan het zinvol zijn om de parallelle leidingen eveneens te aarden.
7B-2 Leidingonderbrekingen opsporen
!
- Schakel het meetcircuit spanningsvrij
- In geval van een leidingonderbreking moet de overgangsweerstand meer dan 100 kΩ bedragen.
Bij deze toepassing kunnen twee zenders worden gebruikt. De tweede zender is niet bij de set inbegrepen, maar is als toebehoren verkrijgbaar. Stel de zenders in op verschillende zendcodes en sluit de te meten leiding en de veiligheidsgeleider aan, zie afbeelding f in hoofdstuk 4 en 6. Schakel vervolgens de ontvanger in en zoek het verloop van leiding. De plaats van de leidingonderbreking bevindt zich exact in het midden tussen de beide weergegeven zendcodewaarden op het LC-display. Neem ook de tips 1 t/m 3 in acht.
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: handmatige zoekmodus, maximale gevoeligheid, zie hoofdstuk 5C.
Tip 5: het punt van de onderbreking kan door bijstellen van de gevoeligheid aan de ontvanger en het uitgangsvermogen van de zender systematisch worden beperkt.
Tip 6: om optimale resultaten te bereiken, dienen ook alle leidingen te worden geaard die niet voor de meting vereist zijn. Dit geldt vooral voor alle niet gebruikte, afzonderlijke geleiders in meeraderige kabels en mantelleidingen. Het niet-aarden van deze leidingen kan leiden tot overspraak van het ingevoerde signaal (door capacitieve en inductieve koppelingen). Het punt van de onderbreking kan niet meer voldo-ende worden beperkt.
Tip 7: de opsporing van storingen in elektrische vloeren functioneert op dezelfde wijze. Let hierbij op dat zich boven de verwarmingsdraden geen geaarde afschermfolie bevindt. Onderbreek zo nodig de verbinding van de folie met de aarde.

Bij werkzaamheden met één zender kan het punt van de leidingonderbreking door mogelijke overspraak van het elektromagnetische veld niet zo exact worden bepaald, zie hiervoor afbeelding g. In dit geval geeft de ontvanger het zendsignaal na de leidingonderbreking aan door middel van een duidelijk zwakker wordend signaal. De onderbreking bevindt zich op het punt waar het signaal zwakker begint te worden.
7B-3 Geleiders in de grond vinden

- Schakel het meetcircuit spanningsvrij.
Sluit de zender aan op de gezochte leiding, sluit de veiligheidsgeleider aan en schakel de zender in. Let daarbij op dat de lus tussen de gezochte leiding (rood) en de aarde (zwart) zo groot mogelijk is. Als de afstand te gering is, kan de ontvanger het signaal niet met de maximale reikwijdte lokaliseren. Zie hiervoor ook tip 2 en 3 en de toepassing 7B-6 op de volgende pagina.
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: automatische zoekmodus, zie hoofdstuk 5B.
Tip 8: stel bij de zender het maximale uitgangsvermogen in om de reikwijdte van de ontvanger te vergro- ten, zie hoofdstuk 3.
Tip 9: let tijdens het zoeken op het staafdiagram van de ontvanger. De weergave verandert duidelijk als de ontvanger over de gezochte leiding zwenkt. De weergave geeft de maximale uitslag aan als het apparaat zich direct boven de leiding bevindt.

7B-4 Verwarmingsbuizen en waterleidingen vinden

- Schakel het meetcircuit spanningsvrij.
- De verwarmingsbuizen moeten van de aardaansluiting gescheiden zijn. In het andere geval kan de ontvanger het signaal niet met de maximale reikwijdte lokaliseren.
Sluit de zender met de zwarte kabel (-) op de veiligheidsgeleider en met de rode kabel (+) op de verwarming aan, zie afbeelding i. De verwarming mag daarbij niet geaard zijn. Schakel vervolgens de ontvanger in en begin met de lokalisatie. Neem ook de tips 2 en 3 in acht.
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: automatische zoekmodus, zie hoofdstuk 5B.

7B-5 Niet-geleidende installatiebuizen vinden
!
- Schakel bij kabelkanalen de andere in het kanaal voorhanden leidingen stroomloos en verbind ze met een aardpotentiaal.
- Schakel het meetcircuit spanningsvrij.
Voer een kabelsonde (koperdraad) of een trekdraad in de niet-geleidende installatiebuis. Sluit de zender met de rode kabel (+) op de sonde en de zwarte kabel (-) op een aardpotentiaal aan en schakel de zender in. Schakel vervolgens de ontvanger in en begin met de lokalisatie. Nu kan de ontvanger het verloop van de installatiebuizen met behulp van de sonde opsporen. Neem ook tip 3 in acht.
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: automatische zoekmodus, zie hoofdstuk 5B.
7B-6 Lokalisatie van geleiders op ontoegankelijke plekken
!
- Schakel het meetcircuit spanningsvrij.
- Neem bij werkzaamheden onder spanning altijd de veiligheidsinstructies in acht.
De ontvanger bereikt de beste ontvangstresultaten en dus grotere reikwijdten als de lus tussen de meetleiding (rood) en de retourleiding (zwart) zo groot mogelijk is. Dit kan bijv. worden gerealiseerd met een verlengkabel, zie afbeelding j. Deze opbouw is vooral zinvol als onder spanning moet worden gewerkt. Meet- en retourleiding dienen een minimale afstand van 2 m te hebben. Neem ook de tips 2, 3 en 6 in acht.
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: automatische zoekmodus, zie hoofdstuk 5B.
Tip 10: de aansluiting van de retourleiding (zwart) kan ook via de neutrale geleider (N) geschieden.
Meet- en retourleiding dienen in dat geval in dezelfde stroomkring te liggen.

7C Tweepolige toepassingen (gezamenlijke toevoer- en retourleiding).
Deze metingen kunnen in correct aangesloten stroomkringen (zonder onderbrekingspunten) worden uitgevoerd. Hier wordt de zender op twee geleiders in een gezamenlijke kabel aangesloten. Het hoog-frequente signaal van de zender gaat via de toevoer- en retourleiding terug naar de zender. De metingen kunnen spanningvoerend en spanningloos worden uitgevoerd.
De lokalisatiediepte bedraagt maximaal 0,5 m en is afhankelijk van het materiaal in de omgeving.
Tip 11: bij metingen onder spanning kunnen de afzonderlijke fasen (L1, L2, L3) worden onderscheiden, bijv. bij contactdozen, lampfi ttingen, lichtschakelaars enz.

- Om veiligheidsredenen dient het meetcircuit spanningsvrij geschakeld te zijn.
- Neem bij metingen onder spanning altijd de veiligheidsinstructies in acht.
- Extra aardleidingen en afschermingen in de kabel verminderen de lokalisatiediepte van de ontvanger.
- Afschermingen in de omgeving verminderen de reikwijdte (metalen afdekkingen, metalen staanders enz.).
Voorbeelden voor eenpolige toepassingen
7C-1 Kortsluiting opsporen

- Schakel het meetcircuit spanningsvrij.
- De kortsluitweerstand moet minder dan 20 ohm bedragen. Deze kan met een multimeter worden bepaald. Als de weerstand > 20 ohm is, kan de fout eventueel met de zoekfunctie naar een leidingonderbreking worden gevonden, zie hoofdstuk 7B-2.
Sluit de zender aan op de kortgesloten leiding en schakel de zender in. Schakel vervolgens de ontvanger in en begin met de lokalisatie. De ontvanger herkent het signaal tot aan het punt van de kortsluiting, zie afb. k. Pas de gevoeligheid van de ontvanger en het uitgangsvermogen van de zender stapsgewijs aan totdat de kortsluiting gelokaliseerd is.
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: handmatige zoekmodus, minimale gevoeligheid, zie hoofdstuk 5C.

- Meting onder spanning! Neem de veiligheidsinstructies strikt in acht.
- De afdekking van de zekeringenkast mag alleen door elektromonteurs worden verwijderd.
Sluit de zender aan de fasegeleider en de neutrale geleider (N) aan, schakel de ontvanger in en begin met de lokalisatie. Volg daarbij het signaal in de onderverdeler, zie afbeelding I. Pas de gevoeligheid van de ontvanger en het uitgangsvermogen van de zender stapsgewijs aan totdat de zekering gelokaliseerd is.
Principieel is de nauwkeurigheid van de lokalisatie van zekeringen afhankelijk van de verschillende installatievoorwaarden (RCD-automaten, zekeringtypes enz.).
Aanbevolen instelling bij de ontvanger: handmatige zoekmodus, minimale gevoeligheid, zie hoofdstuk 5C.
Tip 12: let bij de lokalisatie van de zekeringen op de numerieke detailweergave. De hoogste waarde verschijnt in de buurt van de gezochte zekering.
Tip 13: draai de ontvanger 90° om de lengteas of verander de horizontale en verticale lengte om het apparaat aan verschillende contactverbrekers met verschillende inbouwposities van de magneetspoelen aan te passen.
Tip 14: de beste resultaten worden behaald als direct aan de aansluitingen wordt gemeten.
Tip 15: deze meting kan ook zonder spanning worden uitgevoerd. Al naar gelang de installatievoorwaarden kunnen eventueel duidelijkere resultaten worden bereikt.

8 Verdere apparaatfuncties
- De displayverlichting kan bij slecht licht zowel aan de zender als aan de ontvanger worden ingeschakeld, zie hoofdstuk 1.
- De ontvanger beschikt bovendien over een zaklamp. Deze schakelt na een minuut automatisch uit. Schakel de zaklamp om meettechnische redenen bij de herkenning van de netspanning (NCV) tijdens de meting niet in of uit.
- Het akoestische signaal kan aan de ontvanger worden gedeactiveerd, zie hoofdstuk 1.
Technische gegevens
| Zender CableTracer TX | |
| Uitgangssignaal | 125 kHz |
| Nominale spanning | 12 – 250 V |
| Meetbereik | 12 – 400 V AC/DC |
| Frequentiebereik | 0 – 60 Hz |
| Overspanningscategorie | CAT III 300 V, verontreinigingsgraad 2 |
| Voeding | 1 x 9V-blok, IEC LR6, alkali |
| Automatische uitschakeling | ca. 1 uur |
| Arbeidstemperatuur | 0 °C - 40 °C |
| Opslagtemperatuur | -20 °C - 60 °C |
| Bedrijfshoogte | 2000 m |
| Gewicht incl. batterij | ca. 200 g |
| Afmetingen (B x H x D) | 68 x 130 x 32 mm |
| Ontvanger CableTracer RECV | |
| Meetbereiken: | |
| Spanningzoekfunctie | 0 – 0,4 m meetdiepte |
| Eenpolige meting | 0 – 2 m meetdiepte |
| Tweepolige meting | 0 – 0,5 m meetdiepte |
| Voeding | 1 x 9V-blok, IEC LR6, alkali |
| Automatische uitschakeling | ca. 10 minuten |
| Arbeidstemperatuur | 0 °C - 40 °C |
| Opslagtemperatuur | -20 °C - 60 °C |
| Bedrijfshoogte | 2000 m |
| Gewicht incl. batterij | ca. 240 g |
| Afmetingen (B x H x D) | 59 x 192 x 37 mm |
Technische veranderingen voorbehouden. 07.2010
EU-bepalingen en afvoer
Het apparaat voldoet aan alle van toepassing zijnde normen voor het vrije goederenverkeer binnen de EU. Dit product is een elektrisch apparaat en moet volgens de Europese richtlijn voor oude elektrische en elektronische apparatuur gescheiden verzameld en afgevoerd worden.
Verdere veiligheids- en aanvullende instructies onder: www.laserliner.com/info
