Combi 2072 H - Tractor STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Combi 2072 H STIGA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Combi 2072 H - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Combi 2072 H van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING Combi 2072 H STIGA
Lopend bediende grasmaaier met batterij GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing .........................................
(skatiet 6.5) Gaisa ltra nomaiņa
(skatiet 6.5) Sveces pārbaude
(skatiet 6.6) Sveces nomaiņa
(skatiet 6.6) Benzīna ltra
AANWIJZINGEN VOOR DE RAADPLEGING
In de tekst van de handleiding worden enkele hoofd- stukken, die gegevens van bijzonder belang bevat- ten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING ofwel BELANGRIJK Verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voor komen dat de motor beschadigd of dat er schade veroorzaakt wordt. LET OP! Gevaar voor persoonlijk let- sel of letsel aan anderen in geval van niet- inachtneming. GEVAAR! Kans op ernstig persoonlijk letsel of ernstig letsel aan anderen met gevaar van dodelijke ongelukken, in geval van niet-inachtneming. OPMERKING Alleaanwijzingen “voor”, “achter”, “rechts” en “links” heb- ben betrekking op de mo tor met de bougie naar voren geri cht ten opzichte vandegenedieernaarkijkt. INHOUDSOPGAVE
De overeenstemming tussen de referenties in de tekst en de respectieve figuren (op beide achterflappen) wordt aangegeven met het cijfer dat voorafgaat aan de titel van de paragraaf.
VEILIGHEIDSPICTOGRAMMEN Gebruik uw motor met de nodige voorzichtigheid. Om u tot voorzichtigheid te manen is uw motor voorzien van een reeks van pictogrammen die wijzen op de belangrijkste gebruiksvoorschriften. Hun betekenis is hieronder weergegeven. Wij raden u met klem aan om ook de veiligheidsinstruc- ties in het volgende hoofdstuk van deze handleiding door te lezen. Let op! – Lees en volg de gebruiksaanwij- zing voor de motor te starten. Let op! – Benzine is brandbaar. Laat de motor minstens 2 minuten afkoelen voor bij te tanken. Let op! – Bij de motoren komt koolmo- noxide vrij. NIET starten in gesloten ruim- tes.
1) Lees aandachtig de aanwijzingen in deze hand-
leiding en de aanwijzingen van de machine waar deze motor op gemonteerd is. Leer de motor snel af te zetten.
2) Laat nooit toe dat de motor gebruikt wordt
door personen die niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen.
3) Gebruik de motor nooit als er personen, met
name kinderen, of dieren in de buurt zijn
4) Denk eraan dat de persoon die de machine
be dient of de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overko- men.
1) Draag geen wijde kleding, koordjes, sieraden
of andere voorwerpen die verstrikt kunnen raken; lang haar niet los dragen en op veilige afstand blijven tijdens het starten.
2) Zet de motor af en laat hem afkoelen voor de
dop van de tank te draaien.
3) LET OP: GEVAAR! Benzine is bijzonder brand-
baar. – bewaar de brandstof in speciale reservoirs; – vul de brandstof met een trechter alleen buiten bij en rook niet tijdens deze werkzaamheden enwanneer u met de brandstof bezig bent; – giet de brandstof in de tank vóórdat u de motor aanzet: als de motor aanstaat of warm is mag u geen brandstof toevoegen of de dop van de tank afdraaien; – als u brandstof gemorst hebt mag u de motor niet starten maar dient u de machine uit de buurt van de plek waar u de brandstof gemorst hebt te brengen en voorkomen dat er brand ontstaat. U dient te wachten totdat de brandstof verdampt is en de dampen opgelost zijn; – draai de dop altijd weer goed op de tank van de machine en het brandstofreservoir.
4) Vervang de geluiddempers als ze defect zijn en
1) Start de motor niet in gesloten ruimten waar
zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan ontwik- kelen.
2) Gebruik geen startvloeistoffen of soortgelijke
3) Wijzig de afstelling van de motor niet en laat
het toerental van de motor niet buitengewoon hoog oplopen.
4) Laat de machine niet zodanig opzij hellen dat
er brandstof uit de dop van de tank van de motor loopt.
5) Raak de vinnen van de cilinder en de bescher-
ming van de geluiddemper niet aan voordat de motor voldoende is afgekoeld.
6) Zet de motor af en maak de kabel van de bou-
gie los voor de machine of de motor na te kijken, schoon te maken of eraan te werken.
7) Laat de motor niet zonder bougie draaien.
8) Vervoer de machine met lege tank.
D) ONDERHOUD EN OPSLAG
1) Als u regelmatig onderhoud pleegt zal de wer-
king ervan veilig blijven en zal het prestatieniveau bewaard blijven.
2) Zet de machine niet met brandstof in de tank in
een ruimte waar de brandstofdampen met vlam- men, vonken of een warmtebron in aanraking zouden kunnen komen.
3) Laat de motor eerst afkoelen vóór het opber-
gen van de machine in elke willekeurige ruimte.
4) Om brandgevaar zoveel mogelijk te beperken
dienen de motor, de geluiddemper van de uitlaat en de brandstoftank vrij gehouden te worden van gras, bladeren of teveel vet.
5) Als u de tank moet ledigen, dient u dit in de
open lucht te doen en wanneer de motor koud is.
6) Gebruik de motor om veiligheidsredenen nooit
met versleten of beschadigde onderdelen. De onderdelen moeten vernieuwd en niet gerepa- reerd worden. Gebruik uitsluitend originele reser- veonderdelen. Onderdelen van een andere kwali-
1. Oliebijvuldop met peilstok
5. Serienummer van de motor
VERSNELLINGSBEDIENING Het op de machine gemonteerde bedieningselement voor de versnelling (gewoonlijk een hendel) is door middel van een kabel met de motor verbonden. Raadpleeg de Handleiding van de machine voor de versnellingshendel en zijn standen, die gewoonlijk aan- gegeven worden door symbolen die overeenkomen met de volgende standen: CHOKE = te gebruiken bij het koud starten. FAST = komt overeen met het maximale toerental; te gebruiken tijdens het werk. SLOW = komt overeen met het minimale toerental. teit kunnen de motor beschadigen en gevaarlijk zijn voor uzelf. E) Het verbrandingsproces genereert giftige stof- fen zoals koolmonoxide, stikstofoxiden en kool- waterstoffen. De controle over deze stoffen is belangrijk omdat ze kunnen reageren op fotochemische smog en dus op de directe blootstelling aan het zonlicht. Koolmonoxide reageert niet op dezelfde wijze op blootstelling aan het zonlicht, maar moet deson- danks als giftig worden beschouwd. Onze machines zijn uitgerust met emissiebeper- kingssystemen voor bovengenoemde stoffen.
Vul hier het serienummer van uw motor in4. HANDIG OM TE WETEN De motor is een inrichting waarvan de prestaties, de goede werking en de levensduur afhangen van vele factoren, waarvan sommige van buitenaf komen en andere strikt met de kwaliteit van de gebruikte pro- ducten en de regelmaat van het onderhoud te maken hebben. Als volgt wordt extra informatie geboden waardoor u de motor op meer bewuste wijze kunt gaan gebruiken.
OMGEVINGSOMSTANDIGHEDEN De werking van een viertakt verbrandingsmotor wordt beïnvloed door: a) Temperatuur: – Als er bij lage temperatuur gewerkt wordt kunnen er zich moeilijkheden bij een koude start voordoen. – Als er bij erg hoge temperatuur gewerkt wordt kun- nen er zich moeilijkheden bij een warme start voor- doen veroorzaakt door de verdamping van de brand- stof in het bakje van de carburateur of in de pomp. – In ieder geval moet het soort olie aangepast worden aan de gebruikstemperatuur. b) Hoogte: – Het maximumvermogen van een verbrandingsmotor neemt af naarmate de hoogte boven het zeeniveau toeneemt. – Als de hoogte aanzienlijk mocht toenemen, moet dus de belasting op de machine vermindert worden en moeten dus erg zware werkzaamheden vermeden worden.
BRANDSTOF De goede kwaliteit van de brandstof is onontbeerlijk voor de correcte werking van de motor. De brandstof moet aan de volgende vereisten voldoen: a) Gebruik reine, verse brandstof zonder lood, met mi- nimum 90 octaan; b) Gebruik geen brandstof met een ethanolgehalte van meer dan 10%; c) Voeg geen olie bij; d) Gebruik een stabilisator om het carburatiesysteem te beschermen tegen de vorming van harsafzet- tingen. Het gebruik van niet toegestane brandstof leidt tot beschadiging van de onderdelen van de motor en tot verval van de garantie.
OLIE Gebruik altijd olie van goede kwaliteit, met viscositeits- graad afhankelijk van de gebruikstemperatuur. a) Gebruik alleen detergentolie minstens van SF-SG kwaliteit. b) Kies de SAE viscositeitsgraad op basis van de volgende tabel: – 5 ÷ 35 °C = SAE 30 – 15 ÷ + 35 °C = 10W-30 (Multigraad) c) Het gebruik van multigraad olie kan een groter ver- bruik in de warme periodes met zich meebrengen, daarom moet dan het oliepeil vaker gecontroleerd worden. d) Meng geen oliesoorten van verschillende merken of met verschillende kenmerken. e) Het gebruik van SAE 30 olie bij temperaturen onder de +5°C kan schade aan de motor aanrichten door een niet goede smering. f) Niet bijvullen boven het «MAX» niveau (zie 5.1.1); een te hoog niveau kan het volgende veroorzaken: – rook in de uitlaat; – vervuiling van de bougie of van de luchtfilter en dus moeilijkheden bij het starten.
LUCHTFILTER De doelmatigheid van de luchtfilter is heel belangrijk om te voorkomen dat afvalmateriaal en stof aangezo- gen worden door de motor, waarvan de prestaties en levensduur verminderd worden. a) Het filterelement moet vrij gehouden worden van resten en altijd perfect doeltreffend zijn (zie 6.5). b) Indien nodig, het filterelement vervangen door een origineel reserveonderdeel; niet compatibele fil- terelementen kunnen de doeltreffendheid en de levensduur van de motor in het gedrang brengen. c) Start de motor nooit wanneer het filterelement niet correct gemonteerd is.
BOUGIE De bougies voor verbrandingsmotoren zijn niet alle- maal hetzelfde! a) Gebruik alleen bougies van het aangegeven soort, voorzien van de juiste thermische graad. b) Let op de lengte van het draadje; een te lang draadje kan de motor onherstelbaar beschadigen. c) Controleer of de elektroden schoon zijn en op de juiste afstand van elkaar staan (zie 6.6).
Het beste is, telkens voordat de motor gebruikt wordt, een serie controles te verrichten om een goede werking te garanderen.
Controle oliepeil Houd u, voor het soort te gebruiken olie, aan de aanwij- zingen in het specifieke hoofdstuk (zie 8.1).
NLa) Zet de machine horizontaal. b) Maak de zone rondom de vuldop schoon. c) Draai de dop (1) los, reinig het uiteinde van de peilstok (2) en breng hem weer aan met de dop op de opening, zoals geïllustreerd, zonder hem vast te draaien. d) Verwijder de dop met de peilstok weer en controleer of het niveau van de olie tussen «MIN» en «MAX» ligt. e) Indien nodig bijvullen met olie van hetzelfde soort tot aan het «MAX» niveau, let er hierbij op geen olie buiten de vuldop te gieten. f) Schroef de dop (1) weer volledig vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie.
Controle luchtfilter De doelmatigheid van de luchtfilter is van essentieel belang voor de correcte werking van de motor; start de motor niet wanneer het filterelement ontbreekt of stuk is. a) Reinig de zone rond het deksel (1) van de filter. b) Verwijder het deksel (1) door de twee draaiknop- pen los te draaien (2 – TRE0701 – TRE0801), of de lipjes los te maken (2a – TRE0702). c) Controleer de staat van het filterelement (3), dit moet heel, schoon en efficiënt zijn; verricht er anders onderhoud aan of vervang het (zie 6.5). d) Hermonteer het deksel (1).
Brandstof bijvullen BELANGRIJK Giet geen brandstof op de plas- tic onderdelen van de motor of de machine, om schade te voorkomen en verwijder onmiddellijk elk spoorvanbrandstofdateventueelgemorstwerd.De garantie dekt geen schade aan de plastic onderde- len, veroorzaakt door brandstof. De eigenschappen van de brandstof worden weerge- geven in het speciale hoofdstuk (zie 4.2 en 8.1). De benzine moet met koude motor bijgevuld worden, volgens de aanwijzingen in de Handleiding van de machine.
Bougiedop Verbind de dop (1) van de kabel (2) stevig met de bou- gie, na u er zich van verzekerd te hebben dat de dop van binnen en het uiteinde van de bougie niet vuil zijn.
STARTEN VAN DE MOTOR (koud) De motor moet gestart worden volgens de aanwijzin- gen in de Handleiding van de machine, waarbij iedere inrichting (indien aanwezig) die in staat is de voortgang van de machine of het stoppen van de motor te veroor- zaken, uitgeschakeld moet worden. a) Breng de versnellingshendel in de stand «CHOKE». b) Bedien de startsleutel zoals aangegeven in de Handleiding van de machine. Na enkele seconden wordt de versnellingshendel gra- dueel van de stand «CHOKE» naar de stand «FAST» of «SLOW» gebracht.
- ) Volg de hele procedure die beschreven is voor het koud starten met de versnellingshendel in de stand «FAST».
HET WERK Om het rendement en de prestaties van de motor te optimaliseren, moet hij op zijn maximale toerental gebruikt worden, door de versnellingshendel in de stand «FAST» te zetten. LET OP! Houd uw handen uit de bu urt van de uitlaatdemper en omliggende zones omdat die erg heet kunnen worden. Met draaiende motor niet in de buurt van de boven- kant van de motor komen met wapperende kle- ding (stropdassen, foulards, enz.) of het haar. BELANGRIJK Werk niet op hellingen steiler dan 20° om de correcte werking van de motor niet in gevaar te brengen.
HET WERKEN a) Breng de versnellingshendel in de stand «SLOW». b) Laat de motor minstens 15–20 seconden op zijn minimum draaien. c) Zet de motor af volgens de aanwijzingen in de Handleiding van de machine.
STOP VAN DE MOTOR NA HET WERKEN a) Breng de versnellingshendel in de stand «SLOW». b) Laat de motor minstens 15–20 seconden op zijn minimum draaien. c) Zet de motor af volgens de aanwijzingen in de Handleiding van de machine. d) Bij koude motor, koppel de dop (1) van de bougie los en verwijder de startsleutel (indien voorzien). e) Verwijder resten van de motor en in het bijzonder van de zone van de uitlaatdemper, om brandge- vaar te vermijden.
a) Gebruik geen waterstralen of hogedrukreinigers om de buitenkant van de motor schoon te maken. b) Gebruik bij voorkeur een persluchtspuit (max. 6 bar) maar laat geen resten en stof naar binnen dringen. c) Stal de machine (met de motor) op een droge vol- doende geventileerde plaats beschermd tegen de weersomstandigheden.
NL5.8 LANGE RUSTPERIODE (langer dan 30 dagen) Als de motor gedurende een lange periode niet gebruikt gaat worden (bijvoorbeeld aan het eind van het seizoen), moeten er enige voorzorgsmaatregelen getroffen worden om de daaropvolgende inbedrijfstel- ling te begunstigen. a) Ter voorkoming van vuil in de brandstoftank, moet deze geleegd worden door de dop (1) van het bakje van de carburateur los te draaien en alle brandstof in een geschikte bak op te vangen. Vergeet niet daarna de dop (1) er weer stevig op te draaien. b) Verwijder de bougie en giet ongeveer 3 cl schone motorolie in de opening, houd dan de opening met een doek dicht en laat de startmotor even draaien om de motor een paar omwentelingen te laten maken en zo de olie over de binnenkant van de cilinder te verspreiden. Monteer tenslotte de bougie weer zonder de dop van de kabel te verbinden.
LET OP! Elke poging om aan het emissiebeperkingssysteem te knoeien kan het emissieniveau tot boven de wettelijke limiet verhogen. Hieronder wordt verstaan het verwijderen of wij- zigen van onderdelen zoals het inlaatsysteem, het brandstofsysteem en het uitlaatsysteem.
VEILIGHEIDSADVIEZEN LET OP! Maak de dop van de bougie los en lees de aanwijzingen vóór enige onder- houds– of reinigingswerkzaamheden of repara- ties te verrichten. Trek geschikte kleding en werkhandschoenen aan voor alle handelingen die gevaarlijk kunnen zijn voor de handen. Verricht geen onderhoud of reparaties als u niet over het geschikte gereedschap en voldoende technische kennis daarvoor beschikt. BELANGRIJK Gooi afgewerkte olie, oude brand stof of andere vervuilende produkten nooit achte loos weg.
ONDERHOUDSPROGRAMMA Volg het in de tabel aangegeven onderhoudsprogram- ma, volgens de termijnen die zich het eerst voordoen. BELANGRIJK Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de machine om de onderhouds- werkzaamheden uit te voeren die in de onderstaande tabel staan beschreven. BELANGRIJK Maak hem vaker schoon bij gebruik onder zware omstandigheden of wanneer de lucht sterk verontreinigd is. OPMERKING Bijgebruikvandemachineop zeer stoffige ondergronden moeten de filters vaker worden schoongemaakt / vervangen.
(zie 6.3) Reiniging van de geluiddem-
per en van de motor (zie 6.4) Controle en reiniging
(zie 6.5) Vervanging van
de luchtfilter (zie 6.5) Bougie nakijken
Handeling Na de eerste 5 werkuren Om de 5 werkuren of na ieder gebruik Om de 50 werkuren of aan het eind van het seizoen Om de 100 werkuren
Vervang de olie om de 25 uur als de motor vol belast of bij hoge temperaturen werkt.
Maak de luchtfilter vaker schoon als de machine in een stoffig gebied werkt.
Door een gespecialiseerde werkplaats laten doen.
OLIE VERVERSEN Houd u, voor het soort te gebruiken olie, aan de aanwij- zingen in het desbetreffende hoofdstuk (zie 8.1). LET OP! Loos de olie met warme motor maar let erop de hete onderdelen van de motor of de afgevoerde olie niet aan te raken. Mits anders aangegeven in de Gebruikshandleiding van de machine, als volgt te werk gaan voor de afvoer van de olie: a) Zet de machine horizontaal. b) Maak de zone rondom de vuldop schoon en draai de dop met de oliepeilstok (1) los. c) Plaats een geschikte bak om de olie op te vangen en draai de aftapdop (2) los. d) Monteer de aftapdop (2) weer en let er hierbij op of de afdichting goed geplaatst is en of hij stevig aangedraaid is. e) Nieuwe olie bijvullen (zie 5.1.1). f) Controleer op de oliepeilstok (3) of het oliepeil tot aan «MAX» staat. g) Schroef de dop (1) weer vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie.OPMERKING De maximale hoeveelheid olie indemotoris1,2liter.Geleidelijkbijvullenmetkleine hoeveelheden olie en telkens het niveau controleren, zodathet«MAX»streepje opde peilstokniet over- schreden wordt.
De geluiddemper moet met koude motor schoonge- maakt worden. a) Verwijder met een straal perslucht resten en vuil waardoor brand ontstaan kan, van de geluiddemper en van zijn beveiliging. b) Zorg ervoor dat de koelluchtopeningen (1) niet verstopt zijn. c) Maak de plastic onderdelen schoon met een met water en zeep bevochtigde spons (2).
a) Reinig de zone rond het deksel (1) van de filter. b) Verwijder het deksel (1) door de twee draaiknoppen los te draaien (2 - TRE0701 - TRE0801), of de lipjes los te maken (2a - TRE0702). c) Verwijder het filterelement (3a + 3b). d) Verwijder het voorfilter (3b) van de patroon (3a). e) Klop de patroon (3a) tegen een hard oppervlak en blaas perslucht vanuit de binnenkant om stof en resten te verwijderen. f) Was de voorfilterspons (3b) met water en zeep en laat hem opdrogen. BELANGRIJK Gebruik geen water, benzine, reinigingsproducten of ander voor de reiniging van de patroon. BELANGRIJK De voorfilterspons (3b) moet NIET gesmeerd worden. g) Maak de binnenkant van de filterzitting (4) schoon van stof en resten en houd hierbij de afzuigleiding dicht met een doek (5) om te voorkomen dat ze de motor binnendringen. h) Verwijder de doek (5), plaats het filterelement (3b + 3a) in zijn zitting en sluit het deksel (1).
a) Demonteer de bougie (1) met een pijpsleutel (2). b) Maak de elektroden (3) schoon met een metalen borstel waarbij eventuele koolstofafzettingen verwij- derd moeten worden. c) Controleer met een diktemeter (4) de afstand tus- sen de elektroden (0,6 – 0,8 mm). d) Monteer de bougie (1) weer en draai hem met een pijpsleutel (2) stevig vast. Vervang de bougie als de elektroden verbrand zijn of als het keramiek kapot of gebarsten is. LET OP! Brandgevaar! Controleer de startinstallatie niet als de bougie niet in zijn zit- ting gedraaid is. BELANGRIJK Gebruik alleen bougies van het aangegeven soort (zie 8.1).
a) Startproblemen b) Onregelmatige werking c) Vermogenverlies tijdens het werk – Geen brandstof – Oude brandstof of afzettingen in de tank – De startprocedure is niet correct – Losgekoppelde bougie – Bougie nat of elektroden van de bougie vuil of op onjuiste afstand – Verstopte luchtfilter – Olie niet gepast aan het seizoen – Verdamping van de brandstof in de carburateur door te hoge temperaturen – Brandstofproblemen – Startproblemen – Elektrodes van de bougie vuil of ongepaste afstand – Dop van de bougie niet goed aangebracht – Verstopte luchtfilter – Versnellingshendel in de stand «CHOKE» – Brandstofproblemen – Startproblemen – Verstopte luchtfilter – Brandstofproblemen – Controleren en bijvullen (zie 5.1.3) – Leeg de tank en vul met nieuwe brandstof – Voer de startprocedure goed uit (zie 5.2) – Controleren of het kapje goed op de bougie zit (zie 5.1.4) – Controleren (zie 6.6) – Controleren en reinigen (zie 6.5) – Vervangen door een gepaste olie (zie 6.3) – Enkele minuten wachten en een nieuwe startpoging ondernemen (zie 5.3) – Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum – Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum – Controleren (zie 6.6) – Controleer of de dop stabiel aangebracht is (zie 5.1.4) – Controleren en reinigen (zie 6.5) – Zet de hendel in de stand «FAST» – Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum – Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum – Controleren en reinigen (zie 6.5) – Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum
Notice-Facile