Combi 2072 H - Tractor STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Combi 2072 H STIGA in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Combi 2072 H STIGA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Combi 2072 H - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Combi 2072 H van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING Combi 2072 H STIGA
LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
- Algemene informatie .... 1
- Veiligheidsvoorschriften 1
- Componenten en bedieningselementen ..... 2
- Handig om te weten 3
- Gebruiksvoorschriften 3
- Onderhoud 5
- Storingen en oplossingen 7
- Technische gegevens 7
1. ALGEMENE INFORMATIE
1.1 AANWIJZINGEN VOOR DE RAADPLEGING
In de tekst van de handleiding worden enkele hoofdstukken, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben:
OPMERKING
ofwel
BELANGRIJK
Verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voor komen dat de motor beschadigd of dat er schade veroorzaakt wordt.

LET OP!
Gevaar voor persoonlijk let-
sel of letsel aan inachtneming.
anderen in geval van niet-

GEVAAR!
Kans op ernstig persoonlijk
letsel of ernstig letsel aan andere van dodelijke ongelukken, in geval van niet-inachtneming.

OPMERKING
Alle aanwijzingen
"voor", "achter", "rechts" en "links" hebben betrekking op de mo tor met de bougie naar voren geri cht ten opzichte van degene die ernaar kijkt.

2. ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
(Zorgvuldig in acht te nemen)
A) VOORBEREIDING
1) Lees aandachtig de aanwijzingen in deze handleiding en de aanwijzingen van de machine waar deze motor op gemonteerd is. Leer de motor snel af te zetten.
2) Laat nooit toe dat de motor gebruikt wordt door personen die niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen.
3) Gebruik de motor nooit als er personen, met name kinderen, of dieren in de buurt zijn
4) Denk eraan dat de persoon die de machine be dient of de gebruiker aansprakelijk is voor
De overeenstemming tussen de referenties in de tekst en de respectieve figuren (op beide achterflappen) wordt aangegeven met het cijfer dat voorafgaat aan de titel van de paragraaf.
1.2 VEILIGHEIDSPICTOGRAMMEN
Gebruik uw motor met de nodige voorzichtigheid. Om u tot voorzichtigheid te manen is uw motor voorzien van een reeks van pictogrammen die wijzen op de belangrijkste gebruiksvoorschriften. Hun betekenis is hieronder weergegeven.
Wij raden u met klem aan om ook de veiligheidsinstructies in het volgende hoofdstuk van deze handleiding door te lezen.

Let op! - Lees en volg de gebruiksaanwijzing voor de motor te starten.

Let op! - Benzine is brandbaar. Laat de motor minstens 2 minuten afkoelen voor bij te tanken.

Let op! - Bij de motoren komt koolmonoxide vrij. NIET starten in gesloten ruimtes.
ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen.
B) VÓÓR HET GEBRUIK
1) Draag geen wijde kleding, koordjes, sieraden of andere voorwerpen die verstrikt kunnen raken; lang haar niet los dragen en op veilige afstand blijven tijdens het starten.
2) Zet de motor af en laat hem afkoelen voor de dop van de tank te draaien.
3) LET OP: GEVAAR! Benzine is bijzonder brandbaar.
- bewaar de brandstof in speciale reservoirs;
- vul de brandstof met een trechter alleen buiten bij en rook niet tijdens deze werkzaamheden en
wanneer u met de brandstof bezig bent;
- giet de brandstof in de tank vóórdat u de motor aanzet: als de motor aanstaat of warm is mag u geen brandstof toevoegen of de dop van de tank afdraaien;
- als u brandstof gemorst hebt mag u de motor niet starten maar dient u de machine uit de buurt van de plek waar u de brandstof gemorst hebt te brengen en voorkomen dat er brand ontstaat. U dient te wachten totdat de brandstof verdampt is en de dampen opgelost zijn;
- draai de dop altijd weer goed op de tank van de machine en het brandstofreservoir.
4) Vervang de geluiddempers als ze defect zijn en de bescherming indien beschadigd.
C) TIJDENS HET GEBRUIK
1) Start de motor niet in gesloten ruimten waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan ontwikkelen.
2) Gebruik geen startvloeistoffen of soortgelijke producten.
3) Wijzig de afstelling van de motor niet en laat het toerental van de motor niet buitengewoon hoog oplopen.
4) Laat de machine niet zodanig opzij hellen dat er brandstof uit de dop van de tank van de motor loopt.
5) Raak de vinnen van de cilinder en de bescherming van de geluiddemper niet aan voordat de motor voldoende is afgekoeld.
6) Zet de motor af en maak de kabel van de bougie los voor de machine of de motor na te kijken, schoon te maken of eraan te werken.
7) Laat de motor niet zonder bougie draaien.
8) Vervoer de machine met lege tank.
1) Als u regelmatig onderhoud pleegt zal de werking ervan veilig blijven en zal het prestatieniveau bewaard blijven.
2) Zet de machine niet met brandstof in de tank in een ruimte waar de brandstofdampen met vlammen, vonken of een warmtebron in aanraking zouden kunnen komen.
3) Laat de motor eerst afkoelen vóór het opbergen van de machine in elke willekeurige ruimte.
4) Om brandgevaar zoveel mogelijk te beperken dienen de motor, de geluiddemper van de uitlaat en de brandstoftank vrij gehouden te worden van gras, bladeren of teveel vet.
5) Als u de tank moet ledigen, dient u dit in de open lucht te doen en wanneer de motor koud is.
6) Gebruik de motor om veiligheidsredenen nooit met versleten of beschadigde onderdelen. De onderdelen moeten vernieuwd en niet gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen. Onderdelen van een andere kwali-
teit kunnen de motor beschadigen en gevaarlijk zijn voor uzelf.
E) Het verbrandingsproces genereert giftige stoffen zoals koolmonoxide, stikstofoxiden en koolwaterstoffen.
De controle over deze stoffen is belangrijk omdat ze kunnen reageren op fotochemische smog en dus op de directe blootstelling aan het zonlicht.
Koolmonoxide reageert niet op dezelfde wijze op blootstelling aan het zonlicht, maar moet desondanks als giftig worden beschouwd.
Onze machines zijn uitgerust met emissiebeperkingssystemen voor bovengenoemde stoffen.
3. COMPONENTEN EN BEDIENINGSORGANEN
3.1 COMPONENTEN VAN DE MOTOR
- Oliebijvuldop met peilstok
- Olieaftapdop
- Deksel luchtfilter
- Bougiedop
- Serienummer van de motor


Vul hier het serienummer van uw motor in
3.2 VERSNELLINGSBEDIENING
Het op de machine gemonteerde bedieningselement voor de versnelling (gewoonlijk een hendel) is door middel van een kabel met de motor verbonden.
Raadpleeg de Handleiding van de machine voor de versnellingshendel en zijn standen, die gewoonlijk aangegeven worden door symbolen die overeenkomen met de volgende standen:
CHOKE = te gebruiken bij het koud starten.
FAST = komt overeen met het maximale toerental; te gebruiken tijdens het werk.
SLOW = komt overeen met het minimale toerental.
4. HANDIG OM TE WETEN
De motor is een inrichting waarvan de prestaties, de goede werking en de levensduur afhangen van vele factoren, waarvan sommige van buitenaf komen en andere strikt met de kwaliteit van de gebruikte producten en de regelmaat van het onderhoud te maken hebben.
Als volgt wordt extra informatie geboden waardoor u de motor op meer bewuste wijze kunt gaan gebruiken.
4.1 OMGEVINGSOMSTANDIGHEDEN
De werking van een viertakt verbrandingsmotor wordt beïnvloed door:
a) Temperatuur:
- Als er bij lage temperatuur gewerkt wordt kunnen er zich moeilijkheden bij een koude start voordoen.
- Als er bij erg hoge temperatuur gewerkt wordt kunnen er zich moeilijkheden bij een warme start voordoen veroorzaakt door de verdamping van de brandstof in het bakje van de carburateur of in de pomp.
- In ieder geval moet het soort olie aangepast worden aan de gebruikstemperatuur.
b) Hoogte:
- Het maximumvermogen van een verbrandingsmotor neemt af naarmate de hoogte boven het zeeniveau toeneemt.
- Als de hoogte aanzienlijk mocht toenemen, moet dus de belasting op de machine vermindert worden en moeten dus erg zware werkzaamheden vermeden worden.
4.2 BRANDSTOF
De goede kwaliteit van de brandstof is onontbeerlijk voor de correcte werking van de motor.
De brandstof moet aan de volgende vereisten voldoen:
a) Gebruik reine, verse brandstof zonder lood, met minimum 90 octaan:
b) Gebruik geen brandstof met een ethanolgehalte van meer dan 10%:
c) Voeg geen olie bij;
d) Gebruik een stabilisator om het carburatiesysteem te beschermen tegen de vorming van harsafzettingen.
Het gebruik van niet toegestane brandstof leidt tot beschadiging van de onderdelen van de motor en tot verval van de garantie.
4.3 OLIE
Gebruik altijd olie van goede kwaliteit, met viscositeitsgraad afhankelijk van de gebruikstemperatuur.
a) Gebruik alleen detergentolie minstens van SF-SG kwaliteit.
b) Kies de SAE viscositeitsgraad op basis van de volgende tabel:
$$ \begin{array}{l} - 5 \div 3 5 ^ {\circ} \mathrm{C} = \text { SAE } 3 0 \ - 1 5 \div + 3 5 ^ {\circ} \mathrm{C} = 1 0 \mathrm{W} - 3 0 (\text {Multigraad}) \ \end{array} $$
c) Het gebruik van multigraad olie kan een groter verbruik in de warme periodes met zich meebrengen, daarom moet dan het oliepeil vaker gecontroleerd worden.
d) Meng geen oliesoorten van verschillende merken of met verschillende kenmerken.
e) Het gebruik van SAE 30 olie bij temperaturen onder de +5°C kan schade aan de motor aanrichten door een niet goede smering.
f) Niet bijvullen boven het «MAX» niveau (zie 5.1.1); een te hoog niveau kan het volgende veroorzaken:
- rook in de uitlaat;
- vervuiling van de bougie of van de luchtfilter en dus moeilijkheden bij het starten.
4.4 LUCHTFILTER
De doelmatigheid van de luchtfilter is heel belangrijk om te voorkomen dat afvalmateriaal en stof aangezogen worden door de motor, waarvan de prestaties en levensduur verminderd worden.
a) Het filterelement moet vrij gehouden worden van resten en altijd perfect doeltreffend zijn (zie 6.5).
b) Indien nodig, het filterelement vervangen door een origineel reserveonderdeel; niet compatibele filterelementen kunnen de doeltreffendheid en de levensduur van de motor in het gedrang brengen.
c) Start de motor nooit wanneer het filterelement niet correct gemonteerd is.
4.5 BOUGIE
De bougies voor verbrandingsmotoren zijn niet allemaal hetzelfde!
a) Gebruik alleen bougies van het aangegeven soort, voorzien van de juiste thermische graad.
b) Let op de lengte van het draadje; een te lang draadje kan de motor onherstelbaar beschadigen.
c) Controleer of de elektroden schoon zijn en op de juiste afstand van elkaar staan (zie 6.6).
Het beste is, telkens voordat de motor gebruikt wordt, een serie controles te verrichten om een goede werking te garanderen.
5.1.1 Controle oliepeil
Houd u, voor het soort te gebruiken olie, aan de aanwijzingen in het specifieke hoofdstuk (zie 8.1).
a) Zet de machine horizontaal.
b) Maak de zone rondom de vuldop schoon.
c) Draai de dop (1) los, reinig het uiteinde van de peilstok (2) en breng hem weer aan met de dop op de opening, zoals geïllustreerd, zonder hem vast te draaien.
d) Verwijder de dop met de peilstok weer en controleer of het niveau van de olie tussen «MIN» en «MAX» ligt.
e) Indien nodig bijvullen met olie van hetzelfde soort tot aan het «MAX» niveau, let er hierbij op geen olie buiten de vuldop te gieten.
f) Schroef de dop (1) weer volledig vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie.
5.1.2 Controle luchtfilter
De doelmatigheid van de luchtfilter is van essentieel belang voor de correcte werking van de motor; start de motor niet wanneer het filterelement ontbreekt of stuk is.
a) Reinig de zone rond het deksel (1) van de filter.
b) Verwijder het deksel (1) door de twee draaiknoppen los te draaien (2 - TRE0701 - TRE0801), of de lipjes los te maken (2a - TRE0702).
c) Controleer de staat van het filterelement (3), dit moet heel, schoon en efficiënt zijn; verricht er anders onderhoud aan of vervang het (zie 6.5).
d) Hermonteer het deksel (1).
5.1.3 Brandstof bijvullen
BELANGRIJK Giet geen brandstof op de plastic onderdelen van de motor of de machine, om schade te voorkomen en verwijder onmido spoor van brandstof dat eventueel gemorst werd. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen, veroorzaakt door brandstof.
De eigenschappen van de brandstof worden weergegeven in het speciale hoofdstuk (zie 4.2 en 8.1).
De benzine moet met koude motor bijgevuld worden, volgens de aanwijzingen in de Handleiding van de machine.
5.1.4 Bougiedop
Verbind de dop (1) van de kabel (2) stevig met de bougie, na u er zich van verzekerd te hebben dat de dop van binnen en het uiteinde van de bougie niet vuil zijn.
5.2 STARTEN VAN DE MOTOR (koud)
De motor moet gestart worden volgens de aanwijzingen in de Handleiding van de machine, waarbij iedere inrichting (indien aanwezig) die in staat is de voortgang van de machine of het stoppen van de motor te veroorzaken, uitgeschakeld moet worden.
a) Breng de versnellingshendel in de stand «CHOKE».
b) Bedien de startsleutel zoals aangegeven in de Handleiding van de machine.
Na enkele seconden wordt de versnellingshendel gradueel van de stand «CHOKE» naar de stand «FAST» of «SLOW» gebracht.
5.3 STARTEN VAN DE MOTOR (warm)
•) Volg de hele procedure die beschreven is voor het koud starten met de versnellingshendel in de stand «FAST».
5.4 GEBRUIK VAN DE MOTOR TIJDENS HET WERK
Om het rendement en de prestaties van de motor te optimaliseren, moet hij op zijn maximale toerental gebruikt worden, door de versnellingshendel in de stand «FAST» te zetten.
LET OP!
Houd uw handen uit de laatdemper en omliggende erg heet kunnen worden. Met niet in de buurt van de bovenkomen met wapperende klefoulards, enz.) of het haar.
BELANGRIJK
Werk niet op hellingen steiler ste werking van de motor niet in
5.5 STOP VAN DE MOTOR TIJDENS HET WERKEN
a) Breng de versnellingshendel in de stand «SLOW».
b) Laat de motor minstens 15-20 seconden op zijn minimum draaien.
(c) ezet de motor af volgens de aanwijzingen in de Handleiding van de machine.
5.6 STOP VAN DE MOTOR NA HET WERKEN
a) Breng de versnellingshendel in de stand «SLOW».
b) Laat de motor minstens 15–20 seconden op zijn minimum draaien.
c) Zet de motor af volgens de aanwijzingen in de Handleiding van de machine.
d) Bij koude motor, koppel de dop (1) van de bougie los en verwijder de startsleutel (indien voorzien).
e) Verwijder resten van de motor en in het bijzonder van de zone van de uitlaatdemper, om brandgevaar te vermijden.
5.7 SCHOONMAKEN EN STALLEN
a) Gebruik geen waterstralen of hogedrukreinigers om de buitenkant van de motor schoon te maken.
b) Gebruik bij voorkeur een persluchtspuit (max. 6 bar) maar laat geen resten en stof naar binnen dringen.
c) Stal de machine (met de motor) op een droge voldoende geventileerde plaats beschermd tegen de weersomstandigheden.
5.8 LANGE RUSTPERIODE (langer dan 30 dagen)
Als de motor gedurende een lange periode niet gebruikt gaat worden (bijvoorbeeld aan het eind van het seizoen), moeten er enige voorzorgsmaatregelen getroffen worden om de daaropvolgende inbedrijfstel-ling te begunstigen.
a) Ter voorkoming van vuil in de brandstoftank, moet deze geleegd worden door de dop (1) van het bakje van de carburateur los te draaien en alle brandstof in een geschikte bak op te vangen. Vergeet niet daarna de dop (1) er weer stevig op te draaien.
b) Verwijder de bougie en giet ongeveer 3 cl schone motorolie in de opening, houd dan de opening met een doek dicht en laat de startmotor even draaien om de motor een paar omwentelingen te laten maken en zo de olie over de binnenkant van de cilinder te verspreiden. Monteer tenslotte de bougie weer zonder de dop van de kabel te verbinden.
6. ONDERHOUD
LET OP!
Elke poging om aan het
emissiebeperkingssysteem te knoeien kan het emissieniveau tot boven de wettelijke limiet verhogen.
Hieronder wordt verstaan het verwijderen of wijzigen van onderdelen zoals het inlaatsysteem, het brandstofsysteem en het uitlaatsysteem.
6.1 VEILIGHEIDSADVIEZEN
LET OP!
Maak de dop van de bougie
los en lees de aanwijzingen vóór enige onderhouds- of reinigingswerkzaamheden of reparaties te verrichten. Trek geschikte kleding en werkhandschoenen aan voor alle handelingen die gevaarlijk kunnen zijn voor de handen. Verricht geen onderhoud of reparaties als u niet over het geschikte gereedschap en voldoende technische kennis daarvoor beschikt.
BELANGRIJK
Gooi afgewerkte olie, oude
brand stof of andere vervuilende produkten nooit achteloosweg.
6.2 ONDERHOUDSPROGRAMMA
Volg het in de tabel aangegeven onderhoudsprogramma, volgens de termijnen die zich het eerst voordoen.
BELANGRIJK
Het is de verantwoordelijkh
van de eigenaar van de machine om de onderhoudswerkzaamheden uit te voeren die in de onderstaande tabel staan beschreven.
BELANGRIJK
Maak hem vaker schoon
gebruik onder zware omstandigheden of wanneer de lucht sterk verontreinigd is.
OPMERKING
Bij gebruik van de machine op
zeer stoffige ondergronden moeten de filters vaker worden schoongemaakt / vervangen.
| Handeling | Na de eerste 5 werkuren | Om de 5 werkuren of na ieder gebruik | Om de 50 werkuren of aan het eind van het seizoen | Om de 100 werkuren |
| Controle oliepeil (zie 5.1.1) | - | √ | - | - |
| Olie verversen ^1) (zie 6.3) | √ | - | √ | - |
| Reiniging van de geluiddemper en van de motor (zie 6.4) | - | √ | - | - |
| Controle en reiniging van de luchtfilter ^2) (zie 6.5) | - | √ | - | - |
| Vervanging van de luchtfilter (zie 6.5) | - | - | √ | |
| Bougie nakijken (zie 6.6) | - | - | √ | |
| Bougie vervangen (zie 6.6) | - | - | - | √ |
| Benzinefilter nakijken ^3) | - | - | - | √ |
^1) Vervang de olie om de 25 uur als de motor vol belast of bij hoge temperaturen werkt.
2) Maak de luchtfilter vaker schoon als de machine in een stoffig gebied werkt.
3) Door een gespecialiseerde werkplaats laten doen.
6.3 OLIE VERVERSEN
Houd u, voor het soort te gebruiken olie, aan de aanwijzingen in het desbetreffende hoofdstuk (zie 8.1).
LET OP!
Loos de olie met warme
motor maar let erop de hete onderdelen van de motor of de afgevoerde olie niet aan te raken.
Mits anders aangegeven in de Gebruikshandleiding van de machine, als volgt te werk gaan voor de afvoer van de olie:
a) Zet de machine horizontaal.
b) Maak de zone rondom de vuldop schoon en draai de dop met de oliepeilstok (1) los.
Plaats een geschikte bak om de olie op te vangen en draai de aftapdop (2) los.
d) Monteer de aftapdop (2) weer en let er hierbij op of de afdichting goed geplaatst is en of hij stevig aangedraaid is.
(e) Nieuwe olie bijvullen (zie 5.1.1).
f) Controleer op de oliepeilstok (3) of het oliepeil tot aan «MAX» staat.
g) Schroef de dop (1) weer vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie.
OPMERKING
De maximale hoeveelheid
in de motor is 1,2 liter. Geleidelijk bijvullen met kleine hoeveelheden olie en telkens het niveau controleren, zodat het «MAX» streepje op de peilstok niet overschreden wordt.
6.4 REINIGING VAN DE GELUIDDEMPER EN VAN DE MOTOR
De geluiddemper moet met koude motor schoongemaakt worden.
a) Verwijder met een straal perslucht resten en vuil waardoor brand ontstaan kan, van de geluiddemper en van zijn beveiliging.
b) Zorg ervoor dat de koelluchtopeningen (1) niet verstopt zijn.
c) Maak de plastic onderdelen schoon met een met water en zeep bevochtigde spons (2).
6.5 ONDERHOUD VAN DE LUCHTFILTER
a) Reinig de zone rond het deksel (1) van de filter.
b) Verwijder het deksel (1) door de twee draaiknoppen los te draaien (2 - TRE0701 - TRE0801), of de lipjes los te maken (2a - TRE0702).
c) Verwijder het filterelement (3a + 3b).
d) Verwijder het voorfilter (3b) van de patroon (3a).
e) Klop de patroon (3a) tegen een hard oppervlak en blaas perslucht vanuit de binnenkant om stof en resten te verwijderen.
f) Was de voorfilterspons (3b) met water en zeep en laat hem opdrogen.
BELANGRIJK
Gebruik geen water, benzine, reinigingsproducten of ander voor de reiniging van de patroon.
| a) Startproblemen | - Geen brandstof- Oude brandstof of afzettingen in de tank- De startprocedure is niet correct- Losgekoppelde bougie- Bougie nat of elektroden van de bougie vuil of op onjuiste afstand- Verstopte luchtfilter- Olie niet gepast aan het seizoen- Verdamping van de brandstof in de carburateur door te hoge temperaturen- Brandstofproblemen- Startproblemen | - Controleren en bijvullen (zie 5.1.3)- Leeg de tank en vul met nieuwe brandstof-Voer de startprocedure goed uit (zie 5.2)- Controleren of het kapje goed op de bougie zit (zie 5.1.4)- Controleren (zie 6.6)- Controleren en reinigen (zie 6.5)- Vervangen door een gepaste olie (zie 6.3)- Enkele minuten wachten en een nieuwe startpoging ondernemen (zie 5.3)- Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum- Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum |
| b) Onregelmatige werking | - Elektrodes van de bougie vuil of ongepaste afstand-Dop van de bougie niet goed aangebracht- Verstopte luchtfilter-Versnellingshendel in de stand «CHOKE»- Brandstofproblemen- Startproblemen | - Controleren (zie 6.6)-Controleer of de dop stabiel aangebracht is (zie 5.1.4)- Controleren en reinigen (zie 6.5)-Zet de hendel in de stand «FAST»- Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum- Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum |
| c) Vermogenverlies tijdens het werk | - Verstopte luchtfilter- Brandstofproblemen | - Controleren en reinigen (zie 6.5)- Contact opnemen met een geautoriseerd Servicecentrum |
Motorolie: van 5 tot 35 °C SAE 30
van -15 tot +35 °C 10W-30
Inhoud carter 1,2 liter
Soort bougie .... QC12YC / RC12YC (Champion) of gelijksoortig
Afstand tussen de elektroden 0,6 - 0,8 mm
CO_2 773,41 g/kWh
Deze meetresultaten voor CO _2 betreffen metingen volgens een vaste testcyclus onder laboratoriumomstandigheden, gedaan op een (basis)motor die representatief is voor het betrokken motortype (de betrokken motorfamilie); zij impliceren of vormen geen enkele garantie voor de prestaties van een bepaalde motor.
INNHOLD
NL • De inhoud en de afbeeldingen van deze gebruikshandleiding werden gerealiseerd voor rekening van ST. S.p.A. en zijn beschermd door het auteursrecht – Elke niet-geautoriseerde reproductie of wijziging, ook gedeeltelijke, van het document is verboden.