GLL 3-50P - Afstandsmeter BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis GLL 3-50P BOSCH in PDF-formaat.
| Producttype | Lijnlaser (3-lijnlaser) |
| Model | Bosch GLL 3-50P |
| Afmetingen (ca.) | 160 x 80 x 100 mm |
| Gewicht (met batterijen) | ca. 0,5 kg |
| Stroomvoorziening | 4 x 1,5 V AA (Mignon) |
| Batterijlevensduur | ca. 10 u (bij continu gebruik) |
| Laserklasse | 2M (IEC 60825-1) |
| Golflengte | 635 nm (rood) |
| Zelfnivelleringsbereik | ± 4° |
| Nivelleernauwkeurigheid | ± 0,3 mm/m |
| Werkbereik (diameter) | tot 50 m |
| Aantal laserlijnen | 3 (horizontaal, verticaal, kruis) |
| Inschakelduur | 100 % (continu gebruik) |
| Statiefschroefdraad | 1/4" |
| Bedrijfstemperatuur | -10 °C tot +40 °C |
| Opslagtemperatuur | -20 °C tot +70 °C |
| Stof- en spatwaterbescherming | IP 5X (stofbeschermd) |
| Reiniging | Optiek reinigen met een zachte, droge doek |
| Veiligheidsinstructies | Niet in de laserstraal kijken; oogbescherming in acht nemen |
| Reserveonderdelen | Batterijen, eventueel veiligheidsbril en doelplaat |
| Garantie | Zie gebruiksaanwijzing |
Veelgestelde vragen - GLL 3-50P BOSCH
Gebruikersvragen over GLL 3-50P BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Afstandsmeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GLL 3-50P - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GLL 3-50P van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING GLL 3-50P BOSCH
Veiligheidsvoorschriften

Alle aanwijzingen moeten worden gelezen en in acht worden genomen om zonder gevaren en veilig met het meetgereedschap te werken. Maak waarschuwingsplaatjes op het meetgereedschap nooit onleesbaar. BEWAAR DEZE VOORSCHRIFTEN GOED.
▶ Voorzichtig – wanneer andere dan de hier vermelde bedienings- en instelvoorzieningen worden gebruikt of andere procedures worden uitgevoerd, kan dit tot gevaarlijke stralingsblootstelling leiden.
Het meetgereedschap wordt geleverd met een waarschuwingsplaatje in het Engels (in de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen aangeduid met nummer 12).


Plak over het Engelse waarschuwingsplaatje de mee-geleverde sticker in uw eigen taal voordat u het ge-reedschap voor het eerst gebruikt.

Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk niet zelf in de laserstraal. Dit meetgereedschap brengt laserstraling van laserklasse 2 volgens IEC 60825-1 voort. Daardoor kunt u personen verblinden.
- Gebruik de laserbril niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal, maar biedt geen bescherming tegen de laserstralen.
- Gebruik de laserbril niet als zonnebril en niet in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige bescherming tegen ultravioletstralen en vermindert de waarneming van kleuren.
Laat het meetgereedschap repareren door gekwalificeerd, vakkundig personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de veiligheid van het meetgereedschap in stand blijft.
Laat kinderen het lasermeetgereedschap niet zonder toezicht gebruiken. Anders kunnen personen worden verblind.
▶ Werk met het meetgereedschap niet in een omgeving met explosiegevaar waarin zich brandbare vloeistoffen, brandbare gassen of brandbaar stof bevinden. In het meetgereedschap kunnen vonken ontstaan die het stof of de dampen tot ontsteking brengen.
Laserdoelpaneel

Breng het laserdoelpaneel 21 niet in de buurt van een pacemaker. De magneten van het laserdoelpaneel brengen een veld voort dat de functie van een pacemaker na-delig kan beïnvloeden.
Houd het laserdoelpaneel 21 uit de buurt van magnetische gegevensdragers en magnetisch gevoelige apparatuur. Door de werking van de magneten van het laserdoelpaneel kan onherroepelijk gegevensverlies optreden.
Product- en vermogensbeschrijving
Vouw de uitvouwbare pagina met de afbeelding van het meetgereedschap open en laat deze pagina opengevouwen terwijl u de gebruiksaanwijzing leest.
Gebruik volgens bestemming
Het meetgereedschap is bestemd voor het bepalen en controleren van horizontale en verticale lijnen.
Technische gegevens
Lijnlaser GLL 3-50
| Productnummer | 3 601 K63 8.. | |
| Werkbereik1) | ||
| - s t a n d a a r d | m | 10 |
| - met laserontvanger | m | 5 - 50 |
| Nivelleernauwkeurigheid | mm/m ±0,3 | |
| Werkbereik loodpunt | m | 5 |
| Nauwkeurigheid loodpunt | mm/m ±0,6 | |
| Zelfnivelleerbereik kenmerkend | ° | ±4 |
| Nivelleertijd kenmerkend | s | < |
1) De reikwijdte kan afnemen door ongunstige omgevingsomstandigheden (zoals fel zonlicht).
* stof- en spatwaterbeschermd
Let op het zaaknummer op het typeplaatje van het meetgereedschap.
De handelsbenamingen van afzonderlijke meetgereedschappen kunnen afwijken.
Het serienummer 13 op het typeplaatje dient voor de eenduidige identificatie van uw meetgereedschap.






Nederlands | 47
| Lijnlaser | GLL 3-50 | |
| Bedrijfstemperatuur | °C -10... +40 | |
| Bewaartemperatuur | °C -20 ... +70 | |
| Relatieve luchtvochtigheid max. | % | 90 |
| Laserklasse | 2 | |
| Lasertype | nm | 635 |
| mW | < 1 | |
| C_6 | 1 | |
| kortste impulsduur | s | 1 |
| Statiefopname | " | 1/4 |
| " | 5/8 | |
| Batterijen | 4 x 1, 5 V L R 6 (A | |
| Bedrijfsduur min. | h | 6 |
| Automatische uitschakeling na ca. | min 30 | |
| Gewicht volgens EPTA-Procedure 01/2003 | kg 0,9 | |
| Afmetingen | ||
| - zonder draaiplatform | mm | 146 x 83 x 117 |
| - met draaiplatform | mm | ∅ 201 x 197 |
| Beschermingsklasse | IP 54* | |
1) De reikwijdte kan afnemen door ongunstige omgevingsomstandigheden (zoals fel zonlicht).
* stof- en spatwaterbeschermd
Let op het zaaknummer op het typeplaatje van het meetgereedschap.
De handelsbenamingen van afzonderlijke meetgereedschappen kunnen afwijken.
Het serienummer 13 op het typeplaatje dient voor de eenduidige identificatie van uw meetgereedschap.
Afgebeelde componenten
De componenten zijn genummerd zoals op de afbeelding van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen.
1 Opening voor laserstraal
2 Weergave pulsfunctie
3 Toets pulsfunctie
4 Functietoets
5 Batterij-indicatie
6 Statiefopname 1/4"
7 Batterijvak
8 Deksel van batterijvak
9 Markering poling
10 Vergrendeling van het batterijvakdeksel
11 Statiefopname 5/8"
12 Laser-waarschuwingsplaatje
13 Serienummer
14 Aan/uit-schakelaar
15 Geleidingsgroef
16 Geleidingsrail
17 Vastzetschroef voor uittrekbare voet
18 Draaiwiel
19 Draaiplatform
20 Magneten
21 Laserdoelpaneel
22 Bouwstatief BS 150*
23 Laserbril*
24 Universele houder BM 1*
25 Telescoopstang BT 350*
26 Meetplaat met voet*
27 Laserontvanger*
'28 Houder*
29 Opbergkoffer*
* Niet elk afgebeeld en beschreven toebehoren wordt standaard meegeleverd.
Montage
Batterijen inzetten of vervangen
Voor het gebruik van het meetgereedschap worden alkali-mangaanbatterijen geadviseerd.
Als u het batterijvakdeksel 8 wilt openen, trekt u aan de vergrendeling 10 en klapt u het batterijvakdeksel open. Plaats de batterijen. Let daarbij op de juiste poolaansluitingen overeenkomstig de afbeelding buiten op het batterijvak.
Als de batterij-indicatie 5 rood knippert, moet u de batterijen vervangen.
Vervang altijd alle batterijen tegelijkertijd. Gebruik alleen batterijen van één fabrikant en met dezelfde capaciteit.
▶ Neem de batterijen uit het meetgereedschap als u het langdurig niet gebruikt. Als de batterijen lang worden bewaard, kunnen deze gaan roesten en leegraken.
Gebruiken van het draaiplatform

Plaats het meetgereedschap met de geleidingsgroef 15 tegen de geleidingsrail 16 van het draaiplatform
19 en schuif het meetgereedschap tot aan de aanslag op het platform. Om los te maken, trekt u het meetgereedschap in de omgekeerde richting van het draaiplatform.
Telescoopbenen uittrekken

Draai de vastzetschroef 17 voor de uittrekbare voet los. Trek de voet eruit. Vergrendel de voet door het vastdraaien van de vastzet-schroef 17. Herhaal de bewerking voor de beide andere voeten.










48 | Nederlands
Gebruik
Ingebruikneming
▶ Bescherm het meetgereedschap tegen vocht en fel zonlicht.
Stel het meetgereedschap niet bloot aan extreme temperaturen of temperatuurschommelingen. Laat het bijvoorbeeld niet lange tijd in de auto liggen. Laat het meetgereedschap bij grote temperatuurschommelingen eerst op de juiste temperatuur komen voordat u het in gebruik neemt. Bij extreme temperaturen of temperatuurschommelingen kan de nauwkeurigheid van het meetgereedschap nadelig worden beïnvloed.
▶ Voorkom heftige schokken of vallen van het meetgereedschap. Na sterke externe inwerkingen op het meetgereedschap dient u, voordat u de werkzaamheden voortzet, altijd een nauwkeurigheidscontrole uit te voeren (zie „Waterpasnauwkeurigheid”).
▶ Schakel het meetgereedschap uit wanneer u het verplaatst of vervoert. Bij het uitschakelen wordt de pendeleenheid vergrendeld. Anders kan deze bij heftige bewegingen beschadigd raken.
In- en uitschakelen
Als u het meetgereedschap wilt inschakelen duwt u de aan/uit-schakelaar 14 in de stand „on” (voor werkzaamheden zonder automatisch waterpassen) of in de stand „o” (voor werkzaamheden met automatisch waterpassen). Onmiddellijk na het inschakelen zendt het meetgereedschap laserlijnen uit de laserstraalopeningen 1.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
Als u het meetgereedschap wilt uitschakelen, duwt u de aan/uit-schakelaar 14 in de stand „off”. Als u het meetgereedschap uitschakelt, wordt de pendelenheid vergrendeld. Bij het overschrijden van de maximaal toegestane bedrijfs-temperatuur van 40°C vindt uitschakeling plaats om de laserdiode te beschermen. Na het afkoelen is het meetgereedschap weer gereed voor gebruik en kan het opnieuw worden ingeschakeld.
Automatische uitschakeling deactiveren
Het apparaat wordt automatisch uitgeschakeld na een bedrijfsduur van 30 minuten. Als u de automatische uitschakeling wilt deactiveren, houdt u tijdens het inschakelen van het meetgereedschap de functietoets 4 3 second lang inge drukt. Als de automatische uitschakeling gedeactiveerd is, knipperen de laserlijnen na 3 seconden kort.
Laat het ingeschakelde meetgereedschap niet onbeheerd achter en schakel het meetgereedschap na gebruik uit. Andere personen kunnen door de laserstraal verblind worden.
Als u de automatische uitschakeling wilt activeren, schakelt u het meetgereedschap uit en weer in (zonder de functietoets 4 ingedrukt te houden).
Modi (zie afbeeldingen A - D)
Het meetgereedschap beschikt over vier modi waartussen u altijd kunt wisselen:
- Horizontaal bedrijf (modus A): zorgt voor een horizontale laserlijn
- Kruislijnbedrijf (modus B): zorgt voor een horizontale en een verticale laserlijn
- Verticaal bedrijf (modus C): zorgt voor twee verticale, orthogonale laserlijnen
- Horizontaal bedrijf gecombineerd met verticaal bedrijf (modus D): zorgt voor een horizontale en twee verticale laserlijnen
In alle modi wordt op de bodem een loodpunt geprojecteerd. Na het inschakelen bevindt het meetgereedshap zich in de modus „D”. Om de modus te wisselen, drukt u op de modustoets 4.
De vier modi kunnen zowel met alsook zonder automatisch nivelleersysteem gekozen worden.
Bij kruislijnbedrijf en verticaal bedrijf kunnen met het draaiwiel 18 de verticale lijnen exact op een meetobject uitgelijnd worden.
Pulsfunctie
Voor werkzaamheden met de laserontvanger 27 moet - onafhankelijk van de gekozen functie - de pulsfunctie worden geactiveerd.
n In de pulfunctie knipperen de laserlijnen met een zeer hoge frequentie en kunnen daardoor door de laserontvanger 27 worden gevonden.
Als u de pulfunctie wilt inschakelen, drukt u op de toets 3. Als de pulfunctie ingeschakeld is, brandt de indicatie 2 groen. Voor het menselijke oog is de zichtbaarheid van de laserlijnen verminderd wanneer de pulfunctie ingeschakeld is. Voor werkzaamheden zonder laserontvanger schakelt u daarom de pulfunctie uit door de toets 3 opnieuw in te drukken. Wanneer de pulfunctie uitgeschakeld is, gaat de indicatie 2 uit.
Werkzaamheden met automatisch nivelleren
Plaats het meetgereedschap op een rechte en stabiele ondergrond of bevestig het op een in de handel verkrijgbaar fotostatief.
Duw voor werkzaamheden met automatisch waterpassen de aan/uit-schakelaar 14 in de stand „on”.
Door het automatisch waterpassen worden oneffenheden binnen het zelfwaterpasbereik van ±4° automatisch gecom-penseerd. Zodra de laserlijnen niet meer knipperen, is het meetgereedschap waterpas.
Als automatisch waterpassen niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het oppervlak waarop het meetgereedschap staat meer dan 4° van de waterpaslijn afwijkt, knipperen de laserlijnen. Stel in dit geval het meetgereedschap horizontaal op en wacht het zelfwaterpassen af.
Bij trillingen of veranderingen van plaats tijdens het gebruik wordt het meetgereedschap automatisch opnieuw genivelleerd. Controleer na opnieuw nivelleren de stand van de horizontale en verticale laserlijn in relatie tot de referentiepunten om fouten te voorkomen.









Nederlands | 49

Werkzaamheden zonder automatisch waterpassen
Duw voor werkzaamheden zonder automatisch waterpassen de aan/uit-schakelaar 14 in de stand „on”. Als automatisch waterpassen uitgeschakeld is, knipperen de laserlijnen continu.
Als automatisch waterpassen uitgeschakeld is, kunt u het meetgereedschap in uw hand houden of op een schuine ondergrond plaatsen. In de snijlijnfunctie verlopen de twee laserlijnen niet meer noodzakelijk loodrecht op elkaar.
Nivelleernauwkeurigheid
Nauwkeurigheidsinvloeden
De grootste invloed oefent de omgevingstemperatuur uit. Vooral vanaf de grond naar boven toe verlopende temperatuurverschillen kunnen de laserstraal afbuigen.
Omdat de temperatuurverschillen bij de grond het grootst zijn, dient u het meetgereedschap vanaf een meettraject van 20 meter altijd op een statief te monteren. Plaats het meetgereedschap bovendien indien mogelijk in het midden van het werkvlak.
Behalve externe invloeden, kunnen ook apparaatspecifieke invloeden (zoals een val of een hevige schok) tot afwijkingen leden. Controleer daarom altijd voor het begin van de werkzaamheden de nauwkeurigheid van het meetgereedschap.
Controleer altijd eerst de hoogte- en nivelleernauwkeurigheid van de horizontale laserlijn en vervolgens de nivelleernauwkeurigheid van de verticale laserlijn.
Als het meetgereedschap bij een van de controles de maximale afwijking overschrijdt, dient u het door een Bosch-klantenservice te laten repareren.
Hoogtenauwkeurigheid van de horizontale lijn controleren
Voor de controle heeft u een vrij meettraject van 5 meter op een vaste ondergrond tussen twee muren A en B nodig.
- Monteer het meetgereedschap dicht bij muur A op een statief of plaats het op een vlakke en stabiele ondergrond. Schakel het meetgereedschap in. Kies de snijlijnfunctie met automatisch waterpassen.

- Richt de laser op de nabijgelegen muur A en laat het meetgereedschap nivelleren. Markeer het midden van het punt waarop de laserlijnen elkaar bij de muur snijden (punt T).

- Draai het meetgereedschap 180°, laat het nivelleren en markeer het snijpunt van de laserlijnen op de tegenoverliggende muur B (punt II).
- Plaats het meetgereedschap - zonder het te draaien - dicht bij muur B, schakel het in en laat het nivelleren.

- Stel het meetgereedschap in hoogte zo af (met behulp van het statief of indien nodig door er iets onder te plaatsen), dat het snijpunt van de laserlijnen precies het eerder gemarkeerde punt II op muur B raakt.

- Draai het meetgereedschap 180°, zonder de hoogte te veranderen. Richt het zo op muur A, dat de verticale laserlijn door het reeds gemarkeerde punt I loopt. Laat het meetgereedschap nivelleren en markeer het midden van het snijpunt van de laserlijnen op muur A (punt III).
- Het verschil d tussen beide gemarkeerde punten I en III op muur A levert de feitelijke hoogteafwijking van het meetgereedschap op.
De maximaal toegestane afwijking d_max berekent u als volgt: d_max = dubbele afstand van de muren × 0,3 mm/m
Voorbeeld: Bij een afstand van de muren van 5 meter mag de maximale afwijking
d_max = 2 × 5 m × 0,3 mm/m = 3 mm bedragen. De markeringen mogen daarom hoogstens 3 mm uit elkaar liggen.
50 | Nederlands
Nivelleernauwkeurigheid van de horizontale lijn controleren
Voor de controle heeft u een vrij oppervlak van ca. 5 x 5 m nodig.
- Stel het meetgereedschap op een vlakke en stabiele ondergrond in het midden tussen de muren A en B op. Laat het meetgereedschap in de horizontale functie waterpassen.

- Markeer op 2,5 meter afstand van het meetgereedschap op beide muren het midden van de laserlijn (punt I op muur A en punt II op muur B).

- Stel het meetgereedschap 180° gedraaid op 5 meter afstand op en laat het nivelleren.
- Stel het meetgereedschap in hoogte zo af (met behulp van het statief of indien nodig door er iets onder te plaatsen), dat het midden van de laserlijn precies het eerder gemarkeerde punt II op muur B raakt.
- Markeer op muur A het midden van de laserlijn als punt III (verticaal boven of onder punt I).
- Het verschil d tussen beide gemarkeerde punten I en III op muur A levert de feitelijke afwijking van het meetgereedschap van de horizontale lijn op.
De maximaal toegestane afwijking d_max berekent u als volgt: d_max = dubbele afstand van de muren × 0,3 mm/m
Voorbeeld: Bij een afstand van de muren van 5 meter mag de maximale afwijking
d_max=2×5×0,3mm/m=3mmbedragen. Demark gen mogen daarom hoogstens 3 mm uit elkaar liggen.
Nivelleernauwkeurigheid van de verticale lijn controleren Voor de controle heeft u een deuropening nodig met (op een estabiele ondergrond) aan beide zijden van de deur minstens 2,5 meter ruimte.
- Zet het meetgereedschap op 2,5 meter afstand van de deuropening op een vlakke en stabiele ondergrond neer (niet op een statief). Laat het meetgereedschap in de snijlijnfunctie waterpassen en richt de laserlijnen op de deuropening.

- Markeer het midden van de verticale laserlijn onderaan de deuropening (punt 1), op 5 meter afstand aan de andere kant van de deuropening (punt II) en bovenaan de deuropening (punt III).

- Plaats het meetgereedschap aan de andere zijde van de deuropening vlak achter punt 11. Laat het meetgereedschap nivelleren en richt de verticale laserlijn zo, dat het midden ervan precies door de punten 1 en 11 loopt.
- Het verschil d tussen het punt III en het midden van de laser- lijn aan de bovenkant van de deuropening levert de feitelijke afwijking van het meetgereedschap van de verticale lijn op.
- Meet de hoogte van de deuropening.
De maximaal toegestane afwijking d_max berekent u als volgt: d_max = dubbele hoogte van de deuropening
x 0,3 m m/m Voorbeeld: Bij een hoogte van de deuropening van 2 meter mag de maximale afwijking
d_max = 2 × 2 m × 0.3 mm/m = 1.2 mm bedragen. De markeringen mogen daarom hoogstens 1,2 mm uit elkaar liggen.








Nederlands | 51

Loodnauwkeurigheid controleren
Voor de controle heeft u een vrij meettraject op een vaste ondergrond met een afstand van ca. 5 m tussen vloer en plafond nodig.
- Monteer het meetgereedschap op het draaiplatform en plaats het op de bodem.
- Schakel het meetgereedschap in en laat het waterpassen.

- Markeer het midden van het bovenste kruisingspunt aan het plafond (punt 1). Markeer bovendien het midden van het onderste laserpunt op de bodem (punt IT).

- Draai het meetgereedschap 180°. Positioneer het zodanig dat het midden van het onderste laserpunt op het reeds gemarkeerde punt II ligt. Laat het meetgereedschap nivelleren. Markeer het midden van het bovenste laserpunt (punt III).
- Het verschil d tussen beide gemarkeerde punten I en III op het plafond levert de feitelijke afwijking van het meetgereedschap van de verticale lijn op.
Op het meettraject van 5 m bedraagt de maximaal toegestane afwijking: 5 mx ± 0,6 mm/m x 2 = ± 6 mm.
Het verschil d tussen de punten I en III mag als gevolg maximaal 6 mm bedragen.
Tips voor de werkzaamheden
- Gebruik altijd alleen het midden van de laserlijn voor het markeren. De breedte van de laserlijn verandert met de afstand.
Werkzaamheden met de meetplaat (toebehoren) (zie afbeeldingen G-H)
Met de meetplaat 26 kunt u de lasermarkering op de vloer resp. de laserhoogte op een muur overbrengen.
Met het nulveld en de schaalverdeling kunt u de verplaatsing ten opzichte van de gewenste hoogte meten en op een andere plaats aantekenen. Daarmee vervalt het nauwkeurig instellen van het meetgereedschap op de over te brengen hoogte.
De meetplaat 26 heeft een reflecterende laag die de zichtbaarheid van de laserstraal op een grote afstand resp. bij fel zonlicht verbetert. De helderheidsversterking is alleen zichtbaar als u parallel aan de laserstraal op de meetplaat kijkt.
Werkzaamheden met het statief (toebehoren)
Een statief biedt een stabiele, in hoogte instelbare meetondergrond. Zet het meetgereedschap met de 5/8"-statiefopname 11 op de schroefdraad van het statief 22 of een in de handel verkrijgbaar bouwstatief. Voor de bevestiging op een in de handel verkrijgbaar fotostatief gebruikt u de 1/4"-statiefopname 6. Schroef het meetgereedschap met de vastzetschroef van het statief vast.
Werkzaamheden met laserontvanger (toebehoren) (zie afbeelding E)
Bij ongunstige lichtomstandigheden (omgeving met veel licht, rechtstreeks zonlicht) en op grote afstanden gebruikt u de laserontvanger 27 om de laserlijnen beter te kunnen vinden. Schakel bij werkzaamheden met de laserontvanger de pulsfunctie in (zie „Pulsfunctie“, pagina 48).
Laserbril (toebehoren)
De laserbril filtert het omgevingslicht uit. Daardoor lijkt het rode licht van de laser voor het oog helderder.
- Gebruik de laserbril niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal, maar biedt geen bescherming tegen de laserstralen.
- Gebruik de laserbril niet als zonnebril en niet in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige bescherming tegen ultravioletstralen en vermindert de waarneming van kleuren.
Toepassingsvoorbeelden
Toepassingsvoorbeelden (zie afbeeldingen A - F)
Voorbeelden van toepassingsmogelijkheden van het meetgereedschap vindt u op de pagina's met afbeeldingen.
Onderhoud en service
Onderhoud en reiniging
Bewaar en transporteer het meetgereedschap alleen in de meegeleverde opbergkoffer.
Houd het meetgereedschap altijd schoon.
Dompel het meetgereedschap niet in water of andere vloeistoffen.
Verwijder vuil met een vochtige, zachte doek. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen.
Reinig in het bijzonder de opening van de laser regelmatig en let daarbij op pluizen.
Verzend in het geval van een reparatie het meetgereedschap in de opbergkoffer.
Klantenservice en gebruiksadviezen
Onze klantenservice beantwoordt uw vragen over reparatie en onderhoud van uw product en over vervangingsonderdelen. Explosietekeningen en informatie over vervangingsonderdelen vindt u ook op:
www.bosch-pt.com









52 | Dansk
Het Bosch-team voor gebruiksadviezen helpt u graag bij vra- gen over onze producten en toebehoren.
Vermeld bij vragen en bestellingen van vervangingsonderde- len altijd het uit tien cijfers bestaande zaaknummer volgens het typeplaatje van het meetgereedschap.
Nederland
Tel.: (076) 579 54 54
Fax: (076) 579 54 94
E-mail: gereedschappen@nl.bosch.com
België
Tel.: (02) 588 0589
Fax: (02) 588 0595
E-mail: outillage.gereedschap@be.bosch.com
Afvalverwijdering
Meetgereedschappen, toebehoren en verpakkingen dienen op een voor het milieu verantwoorde manier te worden hergebruikt.
Gooi meetgereedschappen, accu's en batterijen niet bij het huisvuil.
Alleen voor landen van de EU:

Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EU moeten niet meer bruikbare meetgereedschappen en volgens de Europese richtlijn 2006/66/EG moeten defecte of lege accu's en batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden hergebruikt.
Accu's en batterijen:
Gooi accu's of batterijen niet bij het huisvuil en evenmin in het vuur of het water. Accu's en batterijen moeten, indien mogelijk leeg, worden ingezameld, gerecycled of op een voor het milieu verantwoorde wijze worden afgevoerd.
Wijzigingen voorbehouden.
Dansk
2 Indicator functie laser pulsat