GLM 250 VF Professional - Afstandsmeter BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis GLM 250 VF Professional BOSCH in PDF-formaat.
| Producttype | Lasermeter |
| Merk | Bosch |
| Model | GLM 250 VF Professional |
| Meetbereik | 0,05 tot 250 m |
| Meetnauwkeurigheid | ± 1,0 mm |
| Meeteenheden | m/cm/mm, ft/in, inches |
| Digitale zoeker | Ja, met 4x zoom |
| Bluetooth-verbinding | Bluetooth 4.0 |
| Intern geheugen | Laatste 30 metingen |
| Afmetingen (L x B x H) | 120 x 64 x 30 mm |
| Gewicht | 240 g (met batterijen) |
| Voeding | 4 AAA-batterijen (1,5 V) |
| Batterijduur | Ongeveer 30.000 metingen |
| Beschermingsklasse | IP54 (beschermd tegen spatwater en stof) |
| Belangrijkste functies | Afstandsmeting, oppervlakte, volume, indirecte meting (Pythagoras), tracker, waterpas |
| Onderhoud en reiniging | Reinig de lens met een zachte, droge doek. Gebruik geen oplosmiddelen. |
| Veiligheid | Laserklasse 2 (≤ 1 mW bij 635 nm). Vermijd direct oogcontact. |
| Onderdelen en repareerbaarheid | Verkrijgbaar via de Bosch-nazorg. Reparatie door erkende centra. |
| Algemene informatie | Meegeleverd: etui, polsbandje, 4 AAA-batterijen, gebruiksaanwijzing. |
Veelgestelde vragen - GLM 250 VF Professional BOSCH
Gebruikersvragen over GLM 250 VF Professional BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Afstandsmeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GLM 250 VF Professional - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GLM 250 VF Professional van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING GLM 250 VF Professional BOSCH
Nederlands ...... Pagina 65
Dansk.... Side 74
Svenska.... Sida 83
Norsk Side 91
Suomi....Sivu 99
Ελληνικά.Σελίδα 108
Türkçe Sayfa 117
Polski....Strona 126
Česky....Strana 136
Slovensky....Strana 144
Magyar....Oldal 153
Veiligheidsvoorschriften

Alle instructies moeten gelezen en in acht genomen worden om met zonder gevaar en veilig met het meetgereedschap te werken. Maak waarschuwingssstickers op het meetgereedschap nooit onleesbaar. BEWAAR DEZE INSTRUCTIES ZORGVULDIG EN GEEF ZE BIJ HET DOORGEVEN VAN HET MEETGEREEDSCHAP MEE.
▶ Voorzichtig – wanneer andere dan de hier vermelde bedienings- en instelvoorzieningen worden gebruikt of andere procedures worden uitgevoerd, kan dit tot gevaarlijke stralingsblootstelling leiden.
Het meetgereedschap wordt geleverd met een waarschuwingsplaatje (in de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen aangeduid met nummer 19).

Als de tekst van het waarschuwingsplaatje niet in de taal van uw land is, plak er dan vóór de eerste ingebruikneming de meegeleverde sticker in de taal van uw land op.

Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk niet zelf in de directe of reflecterende laserstraal. Daardoor kunt u personen verblinden, ongevallen veroorzaken of het oog beschadigen.
Als laserstraling het oog raakt, dan moeten de ogen bewust gesloten worden en moet het hoofd onmiddellijk uit de straal bewogen worden.
▶ Breng geen wijzigingen aan de laserinrichting aan.
- Gebruik de laserbril niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal, maar biedt geen bescherming tegen de laserstralen.
- Gebruik de laserbril niet als zonnebril en niet in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige bescherming tegen ultravioletstralen en vermindert de waarneming van kleuren.
Laat het meetgereedschap repareren door gekwalificeerd, vakkundig personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de veiligheid van het meetgereedschap in stand blijft.
Laat kinderen het lasermeetgereedschap niet zonder toezicht gebruiken. Anders kunnen personen worden verblind.
▶ Werk met het meetgereedschap niet in een omgeving met explosiegevaar waarin zich brandbare vloeistof- fen, brandbare gassen of brandbaar stof bevinden. In het meetgereedschap kunnen vonken ontstaan die het stof of de dampen tot ontsteking brengen.
Product- en vermogensbeschrijving
Vouw de uitvouwbare pagina met de afbeelding van het meetgereedschap open en laat deze pagina opengevouwen terwijl u de gebruiksaanwijzing leest.
Gebruik volgens bestemming
Het meetgereedschap is bestemd voor het meten van afstanden, lengten, hoogten en tussenruimten en voor het berekenen van oppervlakten en inhouden. Het meetgereedschap is geschikt voor metingen binnen- en buitenshuis.









66 | Nederlands
Technische gegevens
| Digitale laser-afstandsmeter | GLM 150 Professional | GLM 250 VF Professional |
| Productnummer | 3 601 K72 000 3 601 K72 100 | |
| Richtlens | - ● | |
| Meetbereik | 0,05-150 m A) | 0,05-250 m A) |
| Meetnauwkeurigheid (kenmerkend) ±1,0mm | B) | ±1,0mm B) |
| Kleinste indicatie-eenheid 0,1 mm 0,1 mm | ||
| Bedrijfstemperatuur | -10°C...+5°C | -10°C...+5°C |
| Bewaartemperatuur | -20°C...+70°C | -20°C...+70°C |
| Relatieve luchtvochtigheid max. | 90% | 90% |
| Laserklasse | 2 | 2 |
| Lasertype | 635 nm, <1 mW | 635 nm, <1 mW |
| Diameter laserstraal (bij 25 °C) ca. | ||
| - op 10 m afstand | 6 mm | 6 mm |
| - op 150 m afstand | 90 mm | 90 mm |
| Batterijen | 4 x 1,5 V L R O 3 (AAA) | 4 x 1,5 V L R O 3 (AAA) |
| Accucellen | 4 x 1,2 V H R O 3 (AAA) | 4 x 1,2 V H R O 3 (AAA) |
| Levensduur batterij ca. | ||
| - afzonderlijke metingen | 30000 D) | 30000 D) |
| - duurmeting | 5 h D) | 5 h D) |
| Gewicht volgens EPTA-Procedure 01/2003 | 0,24 kg | 0,24 kg |
| Afmetingen | 66 x 120 x 37 mm | 66 x 120 x 37 mm |
| Beschermingsklasse | IP 54 (stof- en spatwater-bescherming) | IP 54 (stof- en spatwater-bescherming) |
A) De reikwijdte wordt groter naarmate het laserlicht beter door het oppervlak van het doel wordt gereflecteerd (gestrooid, niet gespiegeld) en naarmate de laserpunt lichter is dan de omgeving (interieurs, schemering). Bij ongunstige omstandigheden, zoals metingen buitenshuis met fel zonlicht, kan gebruik van het doelpaneel nodig zijn.
B) Onder ongunstige omstandigheden, zoals fel zonlicht of een slecht reflecterend oppervlak, bedraagt de maximale afwijking ± 20 mm op 150 m. Onder gunstige omstandigheden moet rekening worden gehouden met een invloed van ± 0,05 mm/m.
C) In de functie duurmeting bedraagt de max. bedrijfstemperatuur + 40 °C.
D) Met 1,2 V-accucellen zijn minder metingen mogelijk dan met 1,5 V-batterijen. De aangegeven batterijlevensduur heeft betrekking op metingen zonder displayverlichting en geluid.
Het serienummer 20 op het typeplaatje dient voor de eenduidige identificatie van uw meetgereedschap.
Afgebeelde componenten
De componenten zijn genummerd zoals op de afbeelding van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen.
1 Vergrendeling van de aanslagstift
2 Toets Permanente laserstraal
3 Functiewisseltoets
4 Toets voor lengte-, oppervlakte- en inhoudsmeting
5 Resultaattoets
6 Plustoets
7 Toets Meting en duurmeting
8 Toets voor kiezen van referentievlak
9 Display
10 Zoeker van richtlens (GLM 250 VF)
11 Toets displayverlichting
12 Mintoets
13 Toets voor minimum- en maximummeting
14 Libel
15 Toets meetwaardenlijst
16 Aan/uit-toets en geheugenwistoets
17 Opname draagriem
18 Aanslagstift
19 Laser-waarschuwingsplaatje
20 Serienummer
21 1/4"-schroefdraad
22 Batterijvak
23 Vergrendeling batterijvak
24 Uitlijnhulp
25 Venster van richtlens (GLM 250 VF)
26 Ontvangstlens
27 Uitgang laserstraal
28 Beschermetui
29 Draagriem







Nederlands | 67

30 Statief*
31 Laserbril*
32 Laserdoelpaneel*
* Niet elk afgebeeld en beschreven toebehoren wordt standaard meegeleverd.
Indicatie-elementen
a Meetwaarderegels
b Foutindicatie „ERROR”
c Resultaatregel
d Indicator meetwaardenlijst
e Meetfuncties
| Lengtemeting | |
| Oppervlaktemeting | |
| Inhoudsmeting | |
| Duurmeting |
min
max Minimum-/maximummeting
| A | Enkele Pythagorasmeting |
| A | Dubbele Pythagorasmeting |
| A | Gecombineerde Pythagorasmeting |
| A | Trapeziummeting |
| C | Timerfunctie |
| □ | Muuroppervlaktemeting |
| * | Afsteekfunctie |
f Batterijwaarschuwing
g Referentievlak van de meting
h Laser ingeschakeld
i Temperatuurwaarschuwing
Montage
Batterijen inzetten of vervangen
Voor het gebruik van het meetgereedschap worden alkali-mangaanbatterijen of accu's geadviseerd.
Met 1,2 V-accu's zijn minder metingen mogelijk dan met 1,5 V-batterijen.
Als u het batterijvak 22 wilt openen, draait u de vergrendeling 23 in stand en trekt u het batterijvak naar buiten.
Let bij het inzetten van de batterijen of accu's op de juiste poolaansluitingen overeenkomstig de afbeelding in het batterijvak.
Als het batterijsymbool voor het eerst in het display verschijnt, zijn nog minstens 100 afzonderlijke metingen mogelijk. De functie duurmeting is gedeactiveerd.
Als het batterijsymbool knippert, moet u de batterijen of accucellen vervangen. Metingen zijn niet meer mogelijk.
Vervang altijd alle batterijen of accu's tegelijkertijd. Gebruik alleen batterijen of accu's van één fabrikant en met dezelfde capaciteit.
Neem de batterijen of accu's uit het meetgereedschap als u het langdurig niet gebruikt. Als de batterijen of accu's lang worden bewaard, kunnen deze gaan roesten en leegraken.
Na de keuze van de meetfunctie en het referentievlak vinden alle overige stappen plaats door het indrukken van de toets
Gebruik
Ingebruikneming
▶ Bescherm het meetgereedschap tegen vocht en fel zonlicht.
Stel het meetgereedschap niet bloot aan extreme temperaturen of temperatuurschommelingen. Laat het bijvoorbeeld niet lange tijd in de auto liggen. Laat het meetgereedschap bij grote temperatuurschommelingen eerst op de juiste temperatuur komen voordat u het in gebruik neemt.
▶ Voorkom heftige schokken of vallen van het meetgereedschap. Na sterke externe inwerkingen op het meetgereedschap dient u, voordat u de werkzaamheden voortzet, altijd een nauwkeurigheidscontrole uit te voeren (zie „Nauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap“, pagina 73).
In- en uitschakelen
Laat het ingeschakelde meetgereedschap niet onbeheerd achter en schakel het meetgereedschap na gebruik uit. Andere personen kunnen door de laserstraal verblind worden.
Als u het meetgereedschap wilt inschakelen, heeft u de volgende mogelijkheden:
- Druk op de aan/uit-toets 16: Het meetgereedschap wordt ingeschakeld en bevindt zich in de functie lengtemeting. De laser wordt niet ingeschakeld.
- Kort indrukken van de meettoets 7: meetgereedschap en laser worden ingeschakeld. Het meetgereedschap bevindt zich in de functie lengtemeting.
- Lang indrukken van de meettoets 7: meetgereedschap en laser worden ingeschakeld. Het meetgereedschap bevindt zich in de functie duurmeting.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
Als u het meetgereedschap wilt uitschakelen, drukt u lang op de aan/uit-toets 16.
Als er ca. 5 minuten geen toets op het meetgereedschap wordt ingedrukt, wordt het meetgereedschap automatisch uitgeschakeld om de batterijen te ontzien.
Bij de automatische uitschakeling blijven alle opgeslagen waarden bewaard.
Meten
Na het inschakelen bevindt het meetgereedschap zich altijd in de functie lengtemeting of duurmeting. Andere meetfuncties kunt u instellen door het indrukken van de desbetreffende functietoets (zie „Meetfuncties“, pagina 68).
Als referentievlak voor de meting is na het inschakelen de achterkant van het meetgereedschap gekozen. Door op de toets Referentievlak 8 te drukken, kunt u het referentievlak wijzigen (zie „Referentievlak kiezen (zie afbeeldingen A–E)”, pagina 68).
Meten 7.








68 | Nederlands
Plaats het meetgereedschap met het gekozen referentievlak tegen de gewenste meetlijn (bijvoorbeeld tegen de muur).
Druk voor het inschakelen van de laserstraal kort op de toets Meten 7.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
Richt de laserstraal op het doeloppervlak. Druk opnieuw kort op de toets meten 7 om de meting te starten.
Als de laserstraal permanent is ingeschakeld, begint de meting reeds nadat de meettoets de eerste keer wordt ingedrukt 7. In de functie duurmeting start de meting onmiddellijk bij het inschakelen van de functie.
De meetwaarde verschijnt meestal binnen 0,5 seconden en uiterlijk na 4 seconden. De duur van de meting is afhankelijk van de afstand, de lichtomstandigheden en de weerspiegelingseigenschappen van het doeloppervlak. Het einde van de meting wordt aangegeven door een geluidssignaal. Na beëindiging van de meting wordt de laserstraal automatisch uitgeschakeld.
Als ca. 20 seconden na het richten geen meting plaatsvindt, wordt de laserstraal automatisch uitgeschakeld om de batterijen te sparen.
Referentievlak kiezen (zie afbeeldingen A–E)
Voor de meting kunt u uit vier verschillende referentievlakken kiezen:
- de achterkant van het meetgereedschap of de voorkant van de zijwaarts uitgeklapte aanslagstift 18 (bijvoorbeeld bij het leggen tegen buitenhoeken),
- van de punt van de naar achteren geklapte aanslagstift 18 (bijvoorbeeld voor metingen uit hoeken),
- de voorkant van het meetgereedschap (bijvoorbeeld bij het meten vanaf de rand van een tafel),
- deschroefdraad 21 (bijvoorbeeld voor m tief).
Druk voor de keuze van het referentievlak zo vaak op de toets 8 tot in het display het gewenste referentievlak wordt weergegeven. Na het inschakelen van het meetgereedschap is altijd de achterkant van het meetgereedschap als referentievlak vooraf ingesteld.
Achteraf veranderen van het referentievlak van reeds uitgevoerde metingen (bijvoorbeeld bij weergave van meetwaarden in de meetwaardenlijst) is niet mogelijk.
Permanente laserstraal
U kunt het meetgereedschap indien nodig op permanente laserstraal instellen. Druk daarvoor op de toets Permanente laserstraal 2. In het display brandt de indicatie „LASER” continu.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
De laserstraal blijft in deze instelling ook tussen de metingen ingeschakeld. Voor de meting hoeft u de toets Meten 7 slechts éénmaal kort in te drukken.
Druk voor het uitschakelen van de permanente laserstraal opnieuw op de toets 2 of schakel het meetgereedschap uit.
Als de permanente laserstraal tijdens een meting wordt uitgeschakeld, wordt de meting automatisch beeindigd.
Displayverlichting
Voor het in- en uitschakelen van de displayverlichting drukt u op de toets 11. Als er binnen 10 seconden na het inschakelen van de displayverlichting geen toets wordt ingedrukt, wordt de verlichting uitgeschakeld om de batterijen te ontzien.
Geluidssignaal

Als u het geluidssignaal wilt inschakelen, drukt u zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor de geluidsinstelling verschijnt. Door het indrukken van de plustoets 6 of de mintoets 12 kiest u de gewenste instelling.
De gekozen instelling van het geluidssignaal blijft bewaard bij het uit- en inschakelen van het meetgereedschap.
Maateenheid wisselen
Voor de weergave van de meetwaarden kunt u op elk gewenst moment van maateenheid wisselen.
U kunt kiezen uit de volgende maateenheden:
- Lengtemeting: m, cm, mm,
- Oppervlak ^2 ,temeting:m
- In houdsmeting: m

Voor het wisselen van maateenheid drukt u zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor het wisselen van de maateenheid verschijnt. Door het indrukken van de plutoets 6 of de mintoets 12 kiest u de gewenste maateenheid.
Meetfuncties
Eenvoudige lengtemeting
Druk voor lengtemetingen zo vaak op de toets 4 tot in het display de indicatie voor lengtemeting-verschijnt.

Druk voor het richten en voor het meten telkens eenmaal kort op de toets Meten 7.
De meetwaarde wordt in de resultaat- regel c weergegeven.
Bij meer lengtemetingen achter elkaar worden de resultaten van de
laatste metingen in de meetwaarderegels a weergegeven.
Duurmeting
Bij de duurmeting kan het meetgereedschap relatief ten opzichte van het doel worden verplaatst, waarbij de meetwaarde ongeveer elke 0,5 seconden wordt geactualiseerd. U kunt zich bijvoorbeeld van een muur verwijderen tot aan de gewenste afstand. De actuele afstand is steeds afleesbaar. Voor duurmetingen kiest u eerst de functie lengtemeting en drukt u vervolgens zo lang op de meettoets 7 tot in het display












Nederlands | 69
de indicatie voor duurmeting-verschijnt. De laser wordt ingeschakeld en de meting begint onmiddellijk.

De actuele meetwaarde wordt in de resultaatregel c weergegeven. Door het kort indrukken van de meet toets 7 beëindigt u de duurmeting. D laatste meetwaarde wordt in de resu taatregel c weergegeven. Als u lang op de meettoets 7 drukt, start de duurmeting opnieuw.
De duurmeting wordt na 5 minuten automatisch uitgeschakeld. De laatste meetwaarde blijft in de resultaatregel c weergegeven.
Minimum- en maximummeting (zie afbeeldingen F-G)
De minimummeting dient voor de bepaling van de kortste afstand vanuit een vast referentiepunt. Bijvoorbeeld ter ondersteuning van de bepaling van verticale en horizontale lijnen.
De maximummeting dient voor de bepaling van de grootste afstand vanuit een vast referentiepunt. Bijvoorbeeld ter ondersteuning van de bepaling van diagonale lijnen.
Voor de eenvoudige minimum- en maximummeting kiest u eerst de functie lengtemeting en drukt u vervolgens op de toets 13. In de resultaatregel c wordt „min“ voor de minimummeting weergegeven. Voor maximummetingen druk u opnieuw op de toets 13 zodat „max“ in de resultaatregel wordt weergegeven. Druk vervolgens op de meettoets 7. De laser wordt ingeschakeld en de meting begint.
Beweeg de laser zodanig over het gewenste doel heen en weer (bijv. de hoek van een ruimte bij de bepaling van de diagonale lijn) dat het referentiepunt van de meting (bijv. de punt van de aanslagstift 18) steeds op dezelfde plaats blijft.

In de resultaatregel c wordt (afhankelijk van de gekozen functie) de minimale of maximale meetwaarde weergegeven. Deze wordt telkens overschreven wanneer de actuele lengtemeetwaarde kleiner of groter dan de minimum- of maximumwaarde
tot dusver is. In de meetwaarderegels a verschijnen de maximale („max“), minimale („min“) en actuele meetwaarde.
Druk voor het beëindigen van de minimum- of maximummeting kort op de meettoets 7. Als u opnieuw op de meettoets drukt, start de meting opnieuw.
De minimum- of maximummeting kan ook bij lengtemeting binnen andere meetfuncties (bijvoorbeeld oppervlaktemeting) worden gebruikt. Druk daarvoor bij de bepaling van afzonderlijke meetwaarden op de toets 13, eenmaal voor de minimummeting of tweemaal voor de maximummeting. Duw vervolgens op de meettoets 7 om de laserstraal in te schakelen. Beweeg het meetgereedschap zo dat de gewenste minimum- of maximumwaarde wordt gemeten en druk op de meettoets 7 voor de overname van de minimum- of maximumwaarde in de lopende berekening.
Bij vertraagde lengtemeting en in de afsteekfunctie zijn geen minimum- of maximummetingen mogelijk.
De minimum- of maximummeting wordt na 5 minuten automatisch uitgeschakeld.
Oppervlaktemeting
Druk voor oppervlaktemetingen zo vaak op de toets 4 tot in het display de indicatie voor oppervlaktemeting Verschijnt.
Meet vervolgens lengte en breedte na elkaar, net als bij een lengtemeting. Tussen de beide metingen blijft de laserstraal ingeschakeld.

Na afsluiting van de tweede meting wordt de oppervlakte automatisch berekend en in de resultaatregel c weergegeven. De afzonderlijke meetwaarden staan in de meetwaarderegels a.
Inhoudsmeting
Druk voor inhoudsmetingen zo vaak op de toets 4 tot in het display de indicatie voor inhoudsmeting verschijnt.
Meet vervolgens lengte, breedte en hoogte na elkaar, net als bij een lengtemeting. Tussen de drie metingen blijft de laserstraal ingeschakeld.

Na afsluiting van de derde meting wordt de inhoud automatisch berekend en in de resultaatregel c weergegeven. De afzonderlijke meetwaarden staan in de meetwaarderegels a.
1848.76m³
Waarden boven 999999 m ^3 kunnen niet worden weergegeven. In het display verschijnt „ERROR“ en „- - - -”. Verdeel de te meten inhoud in verschillende metingen waarvan u de waarden apart berekent en vervolgens optelt.
Indirecte lengtemeting (zie afbeeldingen H-K)
De indirecte lengtemeting dient voor het bepalen van afstanden die niet rechtstreeks kunnen worden gemeten, omdat een hindernis de laserstraal belemmert of omdat er geen doeloppervlak als reflector beschikbaar is. Correcte resultaten worden alleen bereikt als de bij de meting vereiste rechte hoeken nauwkeurig worden aangehouden (stelling van Pythagoras).
Let erop dat het referentiepunt van de meting (bijvoorbeeld achterkant van het meetgereedschap) bij alle afzonderlijke metingen binnen één complete meting op nauwkeurig op dezelfde plaats blijft (uitzondering: trapeziummeting).
Tussen de afzonderlijke metingen blijft de laserstraal ingeschakeld.
Voor de indirecte lengtemeting staan vier meetfuncties ter beschikking waarmee telkens verschillende lijnstukken kunnen worden gemeten. Voor de keuze van de meetfunctie drukt u zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot het symbool van de gewenste meetfunctie in het display wordt weergegeven.
a) Enkele Pythagorasmeting (zie afbeelding H)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor de enkele Pythagorasmeting verschijnt.









70 | Nederlands
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1” en „2” in deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1” en het gevraagde lijnstuk „E” een rechte hoek bestaat.

Na afsluiting van de laatste meting wordt het resultaat voor het gevraagde lijnstuk „E” in de resultaatregel c weergegeven. De afzonderlijke meetwaarden staan in de meetwaarderegels a.
b) Dubbele Pythagorasmeting (zie afbeelding I)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor de dubbele Pythagorasmeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1“, „2“ en „3“ in deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1“ en het gevraagde lijnstuk „E“ een rechte hoek bestaat.

Na afsluiting van de laatste meting wordt het resultaat voor het gevraagde lijnstuk „E” in de resultaatregel c weergegeven. De afzonderlijke meetwaarden staan in de meetwaarderegels a.
c) Gecombineerde Pythagorasmeting (zie afbeelding J)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor de gecombineerde Pythagorasmeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1“, „2“ en „3“ in deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1“ en het gevraagde lijnstuk „E“ een rechte hoek bestaat.

Na afsluiting van de laatste meting wordt het resultaat voor het gevraagde lijnstuk „E” in de resultaatregel c weergegeven. De afzonderlijke meetwaarden staan in de meetwaarderegels a.
d) Trapeziummeting (zie afbeelding K)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor de trapeziummeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1“, „2“ en „3“ in deze volgorde. Let erop dat de meting van lijnstuk „3“ exact aan het eindpunt van lijnstuk „1“ begint en dat tussen de lijnstukken „1“ en „2“ en tussen „1“ en „3“ een rechte hoek bestaat.

Na afsluiting van de laatste meting wordt het resultaat voor het gevraagde lijnstuk „E” in de resultaatregel c weergegeven. De afzonderlijke meetwaarden staan in de meetwaarderegels a.
Vertraagde lengtemeting
De vertraagde lengtemeting helpt bijvoorbeeld bij het meten op moeilijk bereikbare plaatsen of wanneer bewegingen van het meetgereedschap tijdens de meting verhinderd moeten worden.
Druk voor vertraagde lengtemeting zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor vertraagde lengtemeting verschijnt.
In de meetwaarderegel a wordt de tijdspanne vanaf het activeren tot aan de meting weergegeven. De tijdspanne kan door het indrukken van de plustoets 6 of de mintoets 12 tussen 1 en 60 seconden worden ingesteld.

Druk vervolgens op de meettoets 7 om de laserstraal in te schakelen en op het doelpunt te richten. Druk opnieuw op de meettoets 7 om de meting te activeren. De meting vindt plaats na de gekozen tijdspanne. De meetwaarde wordt in de resultaatregel c weergegeven.
Optellen en aftrekken van meetresultaten, minimum- en maximummeting zijn bij vertraagde lengtemeting niet mogelijk.
Muuroppervlaktemeting (zie afbeelding L)
De muuroppervlaktemeting dient voor het bepalen van de som van een aantal oppervlakten met een gemeenschappelijke hoogte.
In het afgebeelde voorbeeld moet de totale oppervlakte worden bepaald van een aantal muren met dezelfde hoogte A, maar van verschillende lengte B.
Druk voor muuroppervlaktemetingen zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor muuroppervlaktemeting □ verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de hoogte A van de ruimte. De meetwaarde („cst“) wordt in de bovenste meetwaarderegel a weergegeven. De laser blijft ingeschakeld.

Meet vervolgens de lengte B _1 van de eerste muur. De oppervlakte wordt automatisch berekend en in de resultaatregel c weergegeven. De lengte-meetwaarde staat in de middelste meetwaarderegel a. De laser blijft ingeschakeld.

Meet vervolgens de lengte B 2 van de tweede muur. De in de middelste meetwaarderegel a weergegeven afzonderlijke meetwaarde wordt bij de lengte B 1 opgeteld. Het totaal van de beide lengten („sum“, weergegeven in de onderste meetwaarderegel a)
wordt met de opgeslagen hoogte A vermenigvuldigd. De totale oppervlaktewaarde wordt in de resultaatregel c weergegeven.
U kunt een willekeurig aantal lengten B_X meten. Deze worden opgeteld en met de hoogte A vermenigvuldigd.





Nederlands | 71
Voorwaarde voor een correcte oppervlakteberekening is dat de eerste gemeten lengte (in het voorbeeld de hoogte van de ruimte A) voor alle deeloppervlakten identiek is.
Voor een nieuwe muuroppervlaktemeting met nieuwe ruimtehoogte A drukt u driemaal op de toets 16.
Afsteekfunctie (zie afbeelding M)
De afsteekfunctie dient voor het uitzetten van een vast lijnstuk (afsteekwaarde) dat gemeten of ingevoerd kan worden. Deze functie is bijvoorbeeld nuttig bij het markeren van afstanden voor tussenmuren in de droge bouw.
Druk voor de afsteekfunctie zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor de afsteekfunctie 11 verschijnt.
De afsteekwaarde kan als volgt worden ingesteld:
- Als u een bekende waarde wilt invoeren, drukt u zo lang op de plustoets 6 of de mintoets 12 tot de gewenste waarde in de bovenste meetwaarderegel a wordt weergegeven. Als u de plustoets 6 of de mintoets 12 lang indrukt, lopen de waarden continu verder. De laser wordt nog niet ingeschakeld.
- Als u de afsteekwaarde wilt meten, drukt u de meettoets 7 eenmaal kort in om te richten en nogmaals kort om te meten. Daarna blijft de laserstraal ingeschakeld.
- De gemeten of ingevoerde afsteekwaarde kan door het indrukken van de plustoets 6 of de mintoets 12 gecorrigeerd worden.
Druk na het vastleggen van de afsteekwaarde de meettoets 7 lang in om met het meten te beginnen.
Beweeg vervolgens het meetgereedschap voor het afsteken in de gewenste richting. In de resultaatregel c wordt voortdurend de actuele meetwaarde van het totale meettraject weergegeven. In de bovenste meetwaarderegel a staat nog steeds de gekozen afsteekwaarde.
In de middelste en onderste meetwaarderegel a staan de factor („x”), hoeveel keer de afsteekwaarde in het totale meet-traject aanwezig is, en het verschil („dif”) tussen een veel-voud van de afsteekwaarde als geheel getal en het totale traject.
Als het totale meettraject iets geringer is dan een veelvoud als geheel getal, wordt een negatieve verschilwaarde en het volgende hogere veelvoud van de afsteekwaarde weergegeven.
Beweeg het meetgereedschap zo lang tot in de middelste meetwaarderegel a het gewenste veelvoud van de afsteekwaarde staat en de verschilwaarde in de onderste meetwaarderegel a „0,0 m” bedraagt. Breng vervolgens het referentiepunt van de meting over.
Voorbeelden:
a) Positieve verschilwaarde:
7,4m=(12×0,6m)+0,2m

In een totaal traject van 7,4 m is de afsteekwaarde van 0,6 m 12 keer aanwezig. Bovendien bevat het totale traject nog een rest van 0,2 m. Verkort de afstand tussen meetgereedschap en uitgangspunt met de verschilwaarde 0,2 m en breng vervolgens de lengte over.
b) Negatieve verschilwaarde:
7,0 m = (12 × 0,6 m) - 0,2 m

In een totaal traject van 7,0 m ontbreken 0,2 m om de afsteekwaarde van 0,6 m 12 keer aanwezig te laten zijn. Vergroot de afstand tussen meetgereedschap en uitgangspunt met 0,2 m en breng vervolgens de lengte over.
Door het kort indrukken van de meettoets 7 onderbreekt u de afsteekfunctie. Als u lang op de meettoets 7 drukt, start de afsteekfunctie opnieuw (met dezelfde afsteekwaarde).
De afsteekfunctie wordt na 5 minuten automatisch uitgeschakeld. Als u de functie eerder wilt beëindigen, drukt u een van de toetsen voor meetfuncties is.
Lijst van de laatste meetwaarden
Het meetgereedschap slaat de laatste 30 meetwaarden en de bijbehorende berekeningen op en toont deze in omgekeerde volgorde (de laatste meetwaarde eerst).

Druk voor het opvragen van de opgeslagen metingen op de toets 15. In het display verschijnt het resultaat van de laatste meting, naast de indicator voor de meetwaardenlijst d en een teller voor de nummering van de weergegeven metingen.
Als bij het opnieuw indrukken van de toets 15 geen andere metingen zijn opgeslagen, keert het meetgereedschap terug naar de laatste meetfunctie. Als u de meetwaardenlijst wilt verlaten, drukt u een van de toetsen voor meetfuncties in.
Als u de momenteel weergegeven vermelding uit de meetwaardenlijst wilt verwijderen, drukt u kort op de toets 16. Als u de hele meetwaardenlijst wilt verwijderen, houdt u de toets meetwaardenlijst 15 ingedrukt en drukt u tegelijkertijd kort op de toets 16.
Meetwaarden verwijderen
Door het kort indrukken van de toets 16 kunt u in alle meetfuncties de laatst gemeten afzonderlijke meetwaarde verwijderen. Door het meermaals kort indrukken van de toets worden de afzonderlijke meetwaarden in omgekeerde volgorde verwijderd.
In de functie muuropervlaktemeting wordt de laatste meetwaarde verwijderd als u de toets 16 de eerste keer kort indrukt, bij de tweede keer indrukken alle lengten B_x en bij de derde keer indrukken de ruimtehoogte A.









72 | Nederlands
Meetwaarden optellen
Als u meetwaarden wilt optellen, voert u eerst een willekeurige meting uit of kiest u een vermelding uit de meetwaardenlijst. Druk vervolgens op de plustoets 6. In het display verschijnt ter bevestiging „+”. Voer vervolgens een tweede meting uit of kies nog een vermelding uit de meetwaardenlijst.

Druk voor het opvragen van de som van beide metingen op de resultaattoets 5. De berekening wordt in de meetwaarderegels a weergegeven. De som staat in de resultaatregel c.
Na berekening van de som kunnen bij dit resultaat overige meetwaarden of
vermeldingen uit de meetwaardenlijst worden opgeteld als vóór de meting telkens de plustoets 6 wordt ingedrukt. De op-telling wordt beëindigd door het indrukken van de resultaat-toets 5.
Opmerkingen over de optelling:
- Lengte-, oppervlakte- en inhoudswaarden kunnen niet bij elkaar worden opgeteld. Als bijvoorbeeld een lengte- en een oppervlaktewaarde worden opgeteld, verschijnt bij het indrukken van de resultaattoets 5 kort „ERROR” in het display. Vervolgens keert het meetgereedschap terug naar de meetfunctie die het laatst actief was.
- Er wordt telkens het resultaat van een meting (bijvoorbeeld inhoudswaarde) opgeteld, bij duurmetingen de in de resultaatregel c weergegeven meetwaarde. De optelling van afzonderlijke meetwaarden uit de meetwaarderegels a is niet mogelijk.
- Bij vertraagde lengtemeting en in de afsteekfunctie zijn geen optellingen mogelijk. Reeds begonnen optellingen worden bij overgang naar deze functies onderbroken.
Meetwaarden aftrekken

Als u meetwaarden wilt aftrekken, drukt u op de mintoets 12. In het display verschijnt ter bevestiging „-”. Ga verder te werk als bij „Meetwaarden optellen”.
Tips voor de werkzaamheden
Algemene aanwijzingen
De ontvangstlens 26 en de uitgang van de laserstraal 27 mo- gen bij een meting niet afgedekt zijn.
Het meetgereedschap mag tijdens een meting niet bewogen worden (met uitzondering van de functies duurmeting, minimum- en maximummeting en afsteekfunctie). Leg daarom het meetgereedschap indien mogelijk tegen een vast aanslag- of steunoppervlak.
Invloeden op het meetbereik
Het meetbereik is afhankelijk van de belichting en de mate van weerspiegeling van het meetoppervlak. Gebruik voor een betere zichtbaarheid van de laserstraal bij werkzaamheden buitenshuis en bij fel zonlicht de laserbril 31 (toebehoren) en het laserdoelpaneel 32 (toebehoren), of zorg voor schaduw op het doelpaneel.
Invloeden op het meetresultaat
Vanwege bepaalde eigenschappen van materialen kunnen bij metingen op sommige oppervlakken foutmetingen niet worden uitgesloten. Daartoe behoren:
- transparante oppervlakken zoals glas en water,
- spiegelende oppervlakken zoals gepolijst metaal en glas,
- poreuze oppervlakken zoals isolatiemateriaal,
- oppervlakken met een structuur, zoals pleisterwerk en natuursteen.
Gebruik indien nodig op deze oppervlakken het laserdoelpaneel 32 (toebehoren).
Foute metingen zijn bovendien mogelijk op doeloppervlakken waarop schuin wordt gericht.
Ook kunnen luchtlagen met verschillende temperaturen of indirect ontvangen weerspiegelingen de meetwaarde beïnvloeden.
Meten met aanslagstift (zie afbeeldingen B, C, F en G)
Het gebruik van de aanslagstift 18 is bijvoorbeeld geschikt voor metingen vanuit hoeken (ruimtediagonalen) of moeilijk bereikbare plaatsen zoals rails van rolluiken.
Druk op de vergrendeling 1 van de aanslagstift om de stift uit of in te klappen of de positie ervan te veranderen.
Voor metingen vanaf buitenhoeken klapt u de aanslagstift opzij. Voor metingen vanaf de achterkant van de aanslagstift klapt u de stift naar achteren.
Stel het referentieniveau voor metingen met aanslagstift door het indrukken van de toets 8 overeenkomstig in (voor metingen met zijwaartse aanslagstift op meten vanaf achterkant van meetgereedschap).
Richten met de libel
Met de libel 14 kunt u het meetgereedschap eenvoudig waterpas uitrichten. Daarmee kunt gemakkelijker richten op het doeloppervlak, vooral op grotere afstanden.
De libel 14 is in combinatie met de laserstraal niet geschikt voor waterpaswerkzaamheden.
Richten met de richtlens (GLM 250 VF) (zie afbeelding N)
De zichtlijn door de richtlens en de laserstraal verlopen parallel aan elkaar. Daardoor wordt nauwkeurig richten over lange afstanden mogelijk gemaakt als de laserpunt met het blote oog niet meer zichtbaar is.
Kijk voor het richten door de zoeker 10 van de richtlens. Let erop dat het venster 25 van de richtlens vrij en schoon is.
Opmerking: Op korte afstand overlappen het feitelijke en het weergegeven doelpunt elkaar niet.
Richten met uitlijnhulp (zie afbeelding O)
Met de richtindicatie 24 kan het richten over grote afstanden worden vergemakkelijkt. Kijk daarvoor langs de richtindicatie aan de zijkant van het meetgereedschap. De laserstraal verloopt parallel aan deze zichtlijn.
Werkzaamheden met het statief (toebehoren)
Het gebruik van een statief is vooral bij grotere afstanden noodzakelijk. Zet het meetgereedschap met de 1/4"-schroefdraad 21 op de snelwisselplaat van het statief 30 of een in de










Nederlands | 73
handel verkrijgbaar fotostatief. Schroef het met de vastzet- schroef van de snelwisselplaat vast.
Stel het referentievlak voor metingen met de aanslagstift door het indrukken van de toets 8 overeenkomstig in (referentievlak schroefdraad).
Oorzaken en oplossingen van fouten
Oorzaak Oplossing
Temperatuurwaarschuwing (i) knippert, meting niet mogelijk
| Meetgereedschap buiten bedrijfs-temperatuur van - 10°C tot +50°C (in functie duurmeting tot +40°C). | Wacht tot het meet-gereedschap bedrijfs-temperatuur bereikt |
Batterijwaarschuwing (f) verschijnt
| Batterijspanning wordt minder (meting nog mogelijk). | Batterijen of accu's vervangen |
Batterijwaarschuwing (f) knippert, meting niet mogelijk
| Batterijspanning te laag Batterijen of accu's vervangen |
Indicaties „ERROR“ en „----” in het display
| Hoek tussen laserstraal en doel is te klein. | Vergroot de hoek tussen de laserstraal en het doel |
| Doeloppervlak weerspiegelt te sterk (bijv. spiegel) of te zwak (bijv. zwart textiel) of omgevingslicht is te sterk. | Gebruik het laserdoelpaneel 32 (toebehoren) |
| Uitgang laserstraal 27 of ontvangstlens 26 zijn beslagen (bijv. door snelle temperatuurverandering). | Wrijf de uitgang laserstraal 27 of de ontvangstlens 26 droog met een zachte doek |
| Berekende waarde is groter dan 999999 m/m ^2 /m ^3 . | Berekening in tussenstappen verdelen |
Indicatie „ERROR“ knippert boven in het display
| Optellen of aftrekken van meetwaarden met verschillende maateenheden | Alleen meetwaarden met dezelfde maateenheden optellen of aftrekken |
Meetresultaat onwaarschijnlijk
| Doeloppervlak weerspiegelt niet duidelijk (bijv. water of glas). | Dek het doeloppervlak af |
| Uitgang laserstraal 27 of ontvangstlens 26 is afgedekt. | Houd de uitgang laserstraal 27 of ontvangstlens 26 vrij |
| Obstakel in het verloop van de laserstraal | Laserpunt moet volledig op doeloppervlak liggen. |
| Verkeerd referentieniveau ingesteld | Kies een bij de meting passend referentie-niveau |

Het meetgereedschap controleert de juiste werking bij elke meting. Als een defect wordt vastgesteld, knippert in het display alleen nog het hiernaast staande symbool. In dit geval of wanneer de fout niet met de
bovengenoemde maatregelen kan worden verholpen, dient u het meetgereedschap via uw leverancier naar de klantenservice van Bosch te sturen.
Nauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap
U kunt de nauwkeurigheid van het meetgereedschap als volgt controleren:
- Kies een duurzaam onveranderlijke meetafstand van ca. 1 tot 10 meter, waarvan u de lengte precies kent (bijvoorbeeld kamerbreedte, deuropening). De meetafstand moet binnenshuis liggen. Het doeloppervlak van de meting moet glad en goed reflecterend zijn.
- Meet de afstand tien opeenvolgende keren.
De afwijking van de afzonderlijke metingen van de gemiddelde waarde mag maximaal ±1,5 mm bedragen. Houd de metingen bij, zodat u de nauwkeurigheid op een later tijdstip kunt vergelijken.
Onderhoud en service
Onderhoud en reiniging
Bewaar en transporteer het meetgereedschap alleen in het meegeleverde beschermetui.
Houd het meetgereedschap altijd schoon.
Dompel het meetgereedschap niet in water of andere vloeistoffen.
Verwijder vuil met een vochtige, zachte doek. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen.
Verzorg in het bijzonder de ontvangstlens 26 met dezelfde zorgvuldigheid waarmee een bril of een cameralens moeten worden behandeld.
Vermeld bij vragen en bestellingen van vervangingsonderde- len altijd het uit tien cijfers bestaande zaaknummer volgens het typeplaatje van het meetgereedschap.
Verzend het meetgereedschap in het beschermetui 28 in het geval van een reparatie.
Klantenservice en gebruiksadviezen
Onze klantenservice beantwoordt uw vragen over reparatie en onderhoud van uw product en over vervangingsonderdelen. Explosietekeningen en informatie over vervangingsonderdelen vindt u ook op:
www.bosch-pt.com
Het Bosch-team voor gebruiksadviezen helpt u graag bij vragen over onze producten en toebehoren.
Nederland
Tel.: (076) 579 54 54
Fax: (076) 579 54 94
E-mail: gereedschappen@nl.bosch.com









74 | Dansk
België
Tel.: (02) 588 0589
Fax: (02) 588 0595
E-mail: outillage.gereedschap@be.bosch.com
Afvalverwijdering
Meetgereedschappen, toebehoren en verpakkingen dienen op een voor het milieu verantwoorde manier te worden hergebruikt.
Alleen voor landen van de EU:

Gooi meetgereedschappen niet bij het huisvuil. Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EU over elektrische en elektronische oude apparaten en de omzetting van de richtlijn in nationaal recht moeten niet meer bruikbare meetgereedschappen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden hergebruikt.
Wijzigingen voorbehouden.