Duspol Digital - Multimeter BENNING - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Duspol Digital BENNING in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Duspol Digital BENNING
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Duspol Digital - BENNING en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Duspol Digital van het merk BENNING.
GEBRUIKSAANWIJZING Duspol Digital BENNING
NL Gebruiksaanwijzing
Voordat u de spanningstester DUSPOL ^® digital gebruikt: Lees de bedieningshandleiding en neem in ieder geval de veiligheidsinstructies in acht!
Inhoudsopgave
-
Veiligheidsinstructies
-
Apparaatbeschrijving
-
Functiecontrole voor het gebruik ter controle van de spanningloosheid van de installatie
-
Controle van de installatie op spanningloosheid
-
Vermogeninschakeling met vibratiemotor
-
Buitengeleider testen (faseweergave)
-
Draaiveld testen
-
Doorgangstest
-
Weerstandsmeting
-
Diodetest
-
Kabelbreukdetector
-
Meetpunt-/displayverlichting
-
Batterij vervangen
-
Technische gegevens
-
Algemeen onderhoud
-
Milieubescherming
1. Veiligheidsinstructies
- Het apparaat mag bij het gebruik alleen worden vastgenomen aan de geïsoleerde handgrepen L1 ⑧ en L2 ⑨ en de teststaven L1/- ② en L2/+ ③ mogen niet worden aangeraakt!
- Controleer vlak voor en na het gebruik ter controle van de spanningloosheid van de installatie de spanningszoeker ten aanzien van zijn functionaliteit (zie hoofdstuk 3)! De spanningstester mag niet worden gebruikt, wanneer de functie van een of meerdere indicators uitvalt of wanneer er geen gebruiksklare toestand kan worden vastgesteld! De controle dient dan met een andere spanningszoeker te worden herhaald.
- De spanningstester kan bij lege batterijen slechts beperkt worden gebruikt! Vanaf een spanning van AC/DC ≥ 50 V is een spanningstest via de graduele LED-indicator 10 ook zonder batterijen mogelijk. Het LC-display 6 wordt vanaf een spanning van AC/DC ≥ 150 V ingeschakeld.
- De spanningstoster mag alleen in het aangegeven nominale spanningsbereik en in elektrische installaties tot AC 1.000 V/DC 1.200 V worden gebruikt!
- De spanningstester mag alleen binnen het aangegeven nominale spanningsbereik en in elektrische installaties tot AC/DC 1.000 V worden gebruikt!
- Het apparaat mag niet worden gebruikt met een geopend batterijvak.
- De spanningstester is voorzien voor gebruik door gespecialiseerde elektrotechnici in combinatie met veilige werkmethoden.
- De graduele LED-indicator 10 dient om het spanningsbereik weer te geven en is niet bestemd voor meetdoeleinden.
- Het creëren van een spanningstester voor meer dan 30 seconden spanning (maximaal toegestane inschakelduur ID = 30 seconden)
- De spanningstester mag niet worden gedemonteerd!
- De spanningstester moet worden beschermd tegen verontreinigingen en beschadigingen van het behuizingoppervlak.
- Als bescheming tegen lichamelijke letsels moet na gebruik van de spanningstester de meegeleverde teststaafbescherming worden aangebracht op de teststaven!
- Mork op dat de impedantie (inwendige weerstand) van de spanningstester de weergave van stoorspanningen (capacitief of inductief gekoppeld) beïnvloedt!
Afhankelijk van de inwendige impedantie van de spannings- tester zijn er, in aanwezigheid van stoorspanning, verschil- lende mogelijkheden voor de weergave *bedrijfsspanning
aanwezig" of "bedrijfsspanning niet aanwezig".
Laagohmige spanningstester (impedantie < 100 kΩ), stoorspanning wordt onderdrukt of verlaagd:
Een spanningstester met relatief lage inwendige impedantie zal in vergelijking met de referentiewaarde 100 kΩ niet alle stoorspanningen weergeven met een oorsprongwaarde boven ELV (50 V AC/120 V DC). Bij contact met de te testen delen kan de spanningstester de stoorspanningen door ontlading tijdelijk tot een niveau onder ELV verlagen; na het verwijderen van de spanningstester zal de stoorspanning echter weer haar oorspronkelijke waarde aannemen.
Wanneer de indicatie "spanning aanwozig" niet verschijnt, is het ten stelligste aan te bevelen de aardingsinrichting in te leggen voor met de werken wordt begonnen.
Hoogohmige spanningstester (impedantie > 100 kΩ): Stoor-spanning wordt niet onderdrukt of verlaagd:
Een spanningstester met relatief hoge inwendige impedantie zal in vergelijking met de referentiewaarde 100 kΩ bij aanwezige stoorspanning "bedrijfsspanning niet aanwezig" niet eenduidig aangeven. Wanneer de aanduiding "spanning aanwezig" verschijnt bij een component die als gescheiden van de installatie geldt, is het dringend aan te bevelen met bijkomende maatregelen (bijvoorbeeld: gebruik van een geschikte spanningstester die een onderscheid kan maken tussen bedrijfsspanning en stoorspanning, visuele controle van het scheidingspunt in het elektrisch net, enz.) de toestand "bedrijfsspanning niet aanwezig" van het te testen onderdeel aan te tonen en vast te stellen dat de door de spanningstester aangegeven spanning een stoorspanning is.
Spanningstesters die door belastingsbijschakeling een onderscheid kunnen maken tussen bedrijfsspanning en stoorspanning:
Een spanningstester met vermelding van twee waarden van de inwendige impedantie, is geslaagd in de test van zijn uitvoering/constructie voor de behandeling van stoorspanningen en is (binnen de technische grenzen) in staat een onderscheid te maken tussen bedrijfsspanning en stoorspanning en het aanwezige spanningstype direct of indirect weer te geven.
Elektrische symbolen op het apparaat:
| Symbool Betekenis | |
| Belangrijke documentatie!Het symbool geeft aan dat de gids beschreven in de handleiding, om risico's te vermijden | |
| Apparaat of uitrusting voor het werken onder spanning | |
| Drukschakelaar | |
| AC wisselspanning | |
| DC gelijkspanning | |
| DC/AC gelijk- en wisselspanning | |
| Aardo (spanning naar aardo) | |
| Indicatie van de draaiveldrichting; de draaiveldrichting kan alleen bij 50 of 60 Hz en in een geaard netwerk worden weergegeven | |
| Dit symbool geeft de juiste plaatsingsrichting van de batterijpolen aan | |
2. Apparaatbeschrijving
4 LED-meetpuntverlichting
5 Sensor van de kabelbreukdetector
8 LC-display
7 Drukschakelaar
B Handgreep L1
9 Indicatorgreep L2
10 Graduele LED-indicator
11 Rode LED ♦ voor het testen van de buitengeleider (fase-weergave)
⑫ Groene LED's ◀LR▶ van de draaiveldindicatie (links/rechts)
13 Gele LED Ω voor doorgangstest (lampje brandt permanent)/ kabelbreukdetector (lampje knippert)
14 Lichtsensor voor LC-displayverlichting
15 -symbool voor het testen van de buitengeleider (fase-weergave)
- Symbol van de draaiveldindicatie (links/ rechts)
17 Indicatieveld van de spanning (V)/weerstand (kΩ)
18 +/- van de polariteitsindicatie
19 VocVac spanningstype (gelijk-f wisselspanning)
20 Frequentie indicatie (Hz)
21 Symbol voor diodetest
22 □ symbool bij lege batterij
23 kΩ symbool voor weerstandsmeting
3. Functiecontrole voor het gebruik ter controle van de spanningloosheld van de installatie (afbeelding A)
- Onmiddellijk voor en na het gebruik moet de spannings- tester worden gecontroleerd op zijn werking!
- De spanningstester moet als volgt kunnen worden ingeschakeld:
- Automatisch bij aanwezigheid van een spanning vanaf 9 V op de teststaven L1/- ② en L2/+ ③.
- Door bodiening van de drukschakelaar ⑦ in de indicatichandgroep L2 ⑨.
- Door het kortsluiten van de beide teststaven L1/- en L2/+ 3.
- Wanneer op het LC-display 6 het symbool □22 verschijnt, danmoet de batterij worden vervangen.
- De uitschakeling vindt automatisch plaats na 10 seconden
- Activering van de ingebouwde testfunctie (zelfest):
- De teststaven L1/- ② en L2/+ ③ moeten worden kortgesloten.
- De drukschakelaar ⑦ in de indicatiehandgreep L2 ⑨ moet gedurende ca. 3 seconden ingedrukt worden gehouden om de ingebouwde testfunctie te starten.
- De zoemer weerklinkt, alle segmenten van het LC-display, alle LED's (looplicht) en de achtergrond- en meetpuntverlichting moeten hun werking aangeven.
- Test de spanningstester op bekende spanningsbronnen bijv. op een 230 V-contactdoos.
- Gebruik de spanningszoeker niet, wanneer spanningsindicator, fase-indicator en vibratiemotor niet correct functioneren!
- Controle van de installatie op spanningloosheid (afbeelding B/C)
Bij de installatiecontrole dient u de spanningloosheid van de installatie te controleren door de spanningsindicator, de fase-indicator (fase-indicator functioneert alleen in het gearde wisselspanningsnet) en de vibriatiemotor (vibratiemotor wordt door bediening van beide druktoelsen geactiveer) te controleren. Van spanningloosheid van de installatie is alleen sprake, wanneer alle drie testkringen spanningloosheid aangeven (spanningsindicator, fase-indicator en vibriatiemolor).
- Leg de beide testslaven L1/+ ② en L2/- ③ legen de le testen installatieonderdelen.
- De spanningstester wordt bij aanwezigheid van een spanning ≥ 9 V automatisch ingeschakeld.
- De omvang van de aanwezige spanning wordt weergegeven via de graduele LED-indicator 10 en het digitale indicatieveld 6. De 400 V LED van de graduele LED-indicator 10 omvat het spanningsbereik van AC/DC 400 V - AC 1000 V/DC 1200 V.
- Wisselspanningen worden door het VAC-symbol 19 op het LC-display 6 weergegeven. Daarnaast wordt de frequentie 20 van de aanwozige wisselspanning weergegeven.
- Gelijkspanningen worden door het VDC-symbol 19 op het LC-display 6 weergegeven. Daarnaast wordt via de polariteitsindicatie 18 de polariteit + of – weergegeven die aanwezig is op de teststaaf L2/+ 3.
- Om een onderscheid te maken tussen energierlijke en energiearme spanningen (bijv. capacitief ingekoppelde stoorspanningen) kan door bediening van de beide drukschakelaars een interne last in de spanningstester worden ingeschakeld. (zie hoofdstuk 5.)
Spanningstest < 6 V (Low-Volt) (afbeelding D)
Om spanningen lager dan 6 V te meten, moeten de teststaven L1/-2 en L2/+3 worden kortgesloten en moet de drukschakelaar 7 in de indicatiehandgreep L2 9 3x worden bediend tot het symbool „Lo U* op het LC-display 6 verschijnt.
- In het Low-Volt-bereik kunnen spanningen van 1,0 V tot 11,9 V worden gemeten.
- Na de activering is het Low-Volt-bereik gedurende ca. 10 seconden actief.
- Door aanwezigheid van een spanning ≥ 12 V wordt er automatisch omgeschakeld naar het grotere spanningsbereik.
Opmerking:
In het Low-Volt-bereik is de frequentie-indicatie 20 uitgeschakeld.
Overbelastingsindicatie
Indien de spanning op de teststaven L1/- ② en L2/+ ③ hoger is dan de toegestane nominale spanning, dan wordt het symbool „OL“ op het LC-display ⑥ weergegeven en alle LED's van de graduele indicator ⑩ knipperen. De overbelastingsindicatie vindt plaats vanaf: AC 1050 V, DC 1250 V
- Vermogeninschakeling met vibratiemotor (afbeelding B/C)
De beide handgrepen L1 8 en L2 9 zijn voorzien van drukschakelaars 7. Bij bediening van de beide drukschakelaars wordt er op een lagere inwendige weerstand geschakeld. Hierbij wordt een vibratiemotor (motor met onbalans) onder spanning gezet. Vanaf ca. 200 V wordt deze in een draaibeweging gebracht. Naarmate de spanning stijgt, vorhogen ook het toerental en de vibratie. De duur van de test met een lagere inwendige weerstand (lasttest) is afhankelijk van de omvang van de te meten spanning. Om ervoor te zorgen dat het apparaat niet ontoclaatbaar wordt verhit, is er een thermische beveiliging (terugregeling) voorzien. Bij deze terugregeling daalt het toerental van de vibratiemotor en stijgt de inwendige weerstand.
De lastinschakeling (beide drukschakelaars zijn ingedrukt) kan worden gebruikt om ...
- blinde spanningen (inductieve en capacitieve spanningen) le onderdrukken
- condensatoren te ontladen
- een 10/30 mA aardlekschakelaar te activeren. De active-ring van de aardlekschakelaar vindt plaats door middel van een test aan de buitengeleider (faseweergave) tegen PE (aarde). (afbeelding F)
- Bultengeleider testen (faseweergave) (afbeelding E)
- Neem de beide handgrepen L1 ③ en L2 ⑨ over het volledige oppervlak vast om een capacitieve koppeling tegen aarda to garanderen.
- Schakel de spanningstester in door de drukschakelaar ⑦ in de indicatiehandgreep L2⑨ kort te bedienen (blijft ca. 10 seconden ingeschakeld!). Bij een ingeschakeld apparaat geeft de indicatie „0,0“ aan.
- Leg de teststaaf L2/+ ⑨ tegen het te testen installationonderdeel.
Zorg er daarbij in ieder geval voor dat bij de eenpolige bu-
ilengeleidertest (faseweergave) de teststaaf L1/- ② niet wordt aangeraakt en deze contactvrij blijft.
- Wanneer de rode LED ♦ 11 en het symbool ♦ 15 op het LC-display Ⓤ branden. dan ligt op dit installatieonderdeel de buitengeleider (fase) van een wisselspanning.
Opmerking:
De eenpolige buitengeleidertest (faseweergave) is mogelijk in het geaarde netwerk vanaf 230 V, 50/60 Hz (fase tegen aarde). Beschermende kleding en isolerende lokale omstandigheden kunnen de werking negatief beïnvloeden.
Let op!
Een spanningsvrijheid kan alleen worden vastgesteld door een tweepolige test.
7. Draaiveld testen (afbeelding G/H)
- Noem de beide handgropen L1 8 en L2 9 over het volledige oppervlak vast om een capacitieve koppeling tegen aarde te garanderen.
- Leg de teststaven L1/- ② en L2/+ ③ tegen twee buitengeleiders (fasen) van een draaistroomnet en controleer of er een buitengeleiderspanning van bijv. 400 V aanwezig is.
- Een rechts draaiveld (fase L1 voor fase L2) is aanwezig, wanneer de groene LED „▶* van de draaiveldindicatie 12 en het symbool van de draaiveldindicatie 16 op het LC-display 5 branden.
- Een links draaiveld (fase L2 voor fase L1) is aanwezig, wanneer de groene LED. ◀* van de draaiveldindicatie 12 en het symbool van de draaiveldindicatie 16 op het LC-display branden.
- Bij het testen van het draaiveld is steeds een tegencontrole vereist met verwisselde teststaven L1/- ② en L2/+ ③, waarbij het draaiveld moet veranderen.
Opmerking:
Het testen van het draaiveld is vanaf 400 V - 900 V; 50/60 Hz (fase tegen fase) in het geaarde draaistroomnet mogelijk. Beschermende kleding en isolerende lokale omstandigheden kunnen de working negatief beïnvloeden
8. Doorgangstest (afbeelding I)
- De doorgangstest moet worden uitgevoerd op spanningsvrij geschakelde installatieonderdelen, eventueel moeten condensatoren worden ontladen.
- Leg de beide teststaven L1/- ② en L2/+ ③ tegen de te testen installatieonderdelen.
- Bij doorgang (R < 100 kΩ) weerklinkt er een geluidssignaal en de gele LED Ω 13 voor doorgang brandt.
- Wanneer er op het testpunt een spanning aanwezig is, dan schakelt de spanningstester automatisch om op spanningstest en wordt dit weergegeven.
9. Weerstandsmeting (afbeelding J)
- De weerstandsmeting moet worden uitgevoerd op spanningsvrij geschakelde installatieonderdelen, eventueel moeten condensatoren worden ontladen.
- De teststaven L1/- ② en L2/+ ③ moeten worden kortgesloten en de drukschakelaar ⑦ in de indicatiehandgreep L2 ⑨ moet 1x worden bediend tot het symbool kΩ ⑩ en „Ohm“ op het LC-display ⑪ verschijnen. De indicatie „OL“ duidt op een meetwaarde buiten het meetberoik.
- Do woorstandsmeting is gedurende ca. 10 seconden actief.
- Leg de teststaven L1/- ② en L2/+ ③ tegen de te testen installatieonderdelen om weerstanden van 0,1 kΩ tot 300 kΩ te meten.
Opmerking:
Indien nodig kan bij een geactiveerde weerstandsmeting een nulafstelling worden uitgevoerd. Hiervoor moeten de teststaven L1/- ② en L2/+ ③ moeten worden kortgesloten en moet de drukschakelaar ⑦ in de indicatiehandgreep L2 ⑨ gedurende ca. 2 seconden worden ingedrukt tot .0,0 ^a kΩ op het LC-display verschijnt.
10. Diodetest (afbeelding K/L)
De diodetest moet worden uitgevoerd op spanningsvrij geschakelde installatieonderdelen. eventueel moeten condensatoren worden ontladen.
- De teststaven L1/- ② en L2/+ ③ moeten worden kortgesloten en de drukschakelaar ⑦ in de indicatiehandgroep L2 ⑨ moet 2x worden bediend tot het diodesymbool ➞ ⑪ on „diod“ op het LC-display ⑥ verschijnen. Indicatie: „OL“ VDC
- De diodetest is gedurende ca. 10 seconden actief.
- Leg de teststaaf L1/- ② op de kathode en de teststaaf L2/+ ③ op de anode van de diode om de doorlaatspanning van 0,3 V tot 2 V te bepalen. Bij een defecte (doorgelegeerde diode) wordt een spanningswaarde van ca. 0,0 V weergegeven.
- Bij een in blokkeerrichting geteste diode geeft het LC-display „OL“ aan.
11. Kabelbreukdetector (afbeelding M)
- De kabelbreukdetector lokaliseert contactloos kabelbreuken aan open liggende en onder spanning staande leidingen.
- Schakel de spanningstester in door de drukschakelaar 7 in de indicatiehandgreep L2 8 kort te bedienen (blijft ca. 10 seconden ingeschakeldl). Bij een ingeschakeld apparaat geeft de indicatie .0,0" aan.
- Neem de indicatiehandgreep L2 9 over het volledige oppervlak vast en ga met de detector 15 over een leiding die onder spanning staat (bijv. kabeltrommel of lichtketting), van het voedingspunt (fase) in de richting van het andere leidinguiteinde.
- Zolang de leiding niet onderbroken is, knippert de gele LED Ω 13 voor doorgang.
- Het kabelbroukpunt is gelokalisoord, zodra de gele LED Ω 13 dooft.
Opmerking:
De kabelbreuk detector kan geaard stopcontact van 230 V,
50/60 Hz (fase naar aarde) worden gebruikt. Isolerende beschermende kleding en de plaatselijke omstandigheden kunnen invloed hebben op de functie.
12. Meetpunt-/displayverlichting (afbeelding N)
- De meetpuntverlichting ④ kan bij geopende teststaven door bediening (1 seconde) van de drukschakelaar ⑦ in de indicatiehandgreep L2 ⑧ worden ingeschakeld.
- Het automatisch uit na 10 seconden
- De achtergrondverlichting van het LC-display 6 wordt automatisch geactiveerd via een lichtsensor 14.
13. Batterij vervangen (afbeelding O)
- Het apparaat mag niet onder spanning worden gezet bij een geopend batterijvak!
- Het vervangen van de batterijen is noodzakelijk, wanneer op het LC-display 6 het symbool □22 verschijnt.
- Het batterijvak bevindt zich aan de achterzijde van de indicatiehandgreep L2i+ 9.
- Draai de schroef van het deksel van het batterijvak los en vervang de gebruikte batterijen door twee nieuwe batterijen van het type Micro (LR03/AAA).
- Let op de juiste plaatsingsrichting van de batterijpolen!
- Plaats het batterijdeksel op de indicatiehandgreep L2 en draai de schroef vast.
Resolutie 0,1 V (tot 198,9 V), 1 V (vanaf 199 V)
- Spanningsbereik < 6 V (Low-Volt): 1,0 V tot AC/DC 11,9 V
Resolutie 0,1 V
Nauwkeurigheid: ± 3 % van de meetwaarde + 5 digits
- Impedantie (inwendige weerstand) meetcircuit/ lastcircuit: 188 kΩ/ 5 kΩ
- Stroomopname meetcircuit: 1 < 3.5 mA
- Stroomopname lastcircuit: I _s < 550 mA (1.000 V)
- Polariteitsindicatie: LCD-symbol +/-
- Testen van de buitengeleider (faseweergave): ≥ U, 230 V, 50 Hz/60 Hz
- Testen van het draaiveld: ≥ U, 400 V, 50 Hz/60 Hz
- Doorgangstest: 0 tol ca. 100 kΩ. LED + zoemer, test-stroom: maximum 10 μA
- Diodelest: 0.3 V - 2.0 V, leststroom: maximum 10 μA
- Frequentiebereik: 0 - 1.000 Hz,
Nauwkeurigheid: ± 3 % van de meetwaarde + 2 digit - Weerstandsbereik: 0,1 kΩ - 300 kΩ, teststroom: maximum 10 μA
Nauwkeurigheid: ± 10 % van de meetwaarde + 5 digit - Kabelbreukdetector: ≥ U _r 230 V
- Vibratiemotor, start: ≥ U 200 V
- Overspanningscategorie: CAT IV 600 V, ↓CAT III 1000 V
- Beschermingsgraad: IP 65 (DIN VDE 0470-1 IEC/EN 60529) 6 - oerste kongetal: Bescherming tegen toogang tot govaarlijke ondordelen en bescherming tegen vaste vreomde voorwerpen, stofdicht
5 - tweede kengetal: Beschermd tegen straalwater. Ook te gebruiken bij neerslag. - max. toegestane Inschakelduur: 30 s (max. 30 seconden), 240 s uit
- Apparaatinschakeling door meetspanning: ≥ 9 V, bediening van de drukschakelaar ⑦ in de indicatiehandgreep L2/+ ⑨ of kortsluiten van de teststaven L1/- ② en L2/+ ③
- Ballerij: 2 x micro, LR03/AAA (1,5 V)
- Gewicht: ca. 250 g
- Lengte van de verbindingsleiding: ca. 1000 mm
- Temperatuurbereik voor werking en opslag: - 15 °C tot + 55 °C (klimaatcategorie N)
- Relatieve luchtvochtigheid: 20 % tot 96 % (klimaatcategorie N)
- Terugregeltijden (themische beveiliging): Spanning/tijd: 230 V/30 s, 400 V/9 s, 690 V/5 s, 1000 V/2 s
- Activeringstijd van de indicator (inschakeltijd): 1 s
15. Algemeen onderhoud
Reinig de behuizing aan de buitenkant met een schone, drogo doek.
Indien er verontreinigingen of afzettingen aanwezig zijn in het gebied van de batterij of van de batterijbehuizing, dan reinigt u ook deze met een droge doek.
Verwijder de batterijen uit het apparaat bij een langdurige opslag!
Lever het apparaal aan het einde van zijn levensduur in bij de beschikbare recycling- en inzamelsystemen.