BENNING CM 7 - Multimeter

CM 7 - Multimeter BENNING - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis CM 7 BENNING in PDF-formaat.

📄 116 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag
Notice BENNING CM 7 - page 69
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.

Gebruikersvragen over CM 7 BENNING

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding CM 7 - BENNING en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. CM 7 van het merk BENNING.

GEBRUIKSAANWIJZING CM 7 BENNING

Fig. 2: Meten van gelijkspanning

Fig. 4: Meten van gelijkstroom/ wisselstroom

Gebruiksaanwijzing BENNINGCM7

Digitale stroomtang/multimeter voor het meten van:

  • Gelijkspanning
  • Wisselspanning

- Gelijkstroom

  • Wisselstroom
  • Weerstand
  • Stroomdoorgang
  • Frequentie

Inhoud:

  1. Opmerkingen voor de gebruiker
  2. Veiligheidsvoorschriften
  3. Leveringsomvang
  4. Beschrijving van het apparaat
  5. Algemene kenmerken
  6. Gebruiksomstandigheden
  7. Elektrische gegevens
  8. Meten met de BENNING CM 7
  9. Onderhoud
  10. Technische gegevens van veiligheidsmeetkabelset
  11. Milieu

1. Opmerkingen voor de gebruiker

Deze gebruiksaanwijzing is bedoeld voor

- elektriciens en

- elektrotechnici.

De BENNING CM 7 is bedoeld voor metingen in droge ruimtes en mag niet worden gebruikt in elektrische circuits met een nominale spanning hoger dan 1000 V DC en 750 V AC (zie ook pt. 6: 'Gebruiksomstandigheden').

In de gebruiksaanwijzing en op de BENNING CM 7 worden de volgende symbolen gebruikt:

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 1

Aanleggen om GEVAARLIJKE ACTIEVE geleider of demonteren van deze is toegestaan.

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 2

Waarschuwing voor gevaarlijke spanning. Verwijst naar voorschriften die in acht genomen moeten worden om gevaar voor de omgeving te vermijden.

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 3

Let op de gebruiksaanwijzing. Dit symbool geeft aan dat de aanwijzingen in de handleiding in acht genomen moeten worden om gevaar te voorkomen.

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 4

Dit symbool geeft aan dat de BENNING CM 7 dubbel geïsoleerd is (beschermingsklasse II).

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 5

Dit symbool verschijnt in het scherm bij een te lage batterijspanning.

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 6

Dit symbool geeft de instelling 'doorgangstest' aan. De zoemer geeft bij doorgang een akoestisch signaal.

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 7

DC: gelijkspanning/-stroom

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 8

AC: wisselspanning/-stroom

BENNING CM 7 - Opmerkingen voor de gebruiker - 9

Aarding (spanning t.o.v. aarde)

Let op:

Na het verwijderen van de sticker „Warnung....“ (op de batterijdeksel) verschijnt de Engelse tekst!

2. Veiligheidsvoorschriften

Dit apparaat is gebouwd en getest volgens de voorschriften:

DIN VDE 0411 deel 1/ EN 61010-1

en heeft, vanuit een veiligheidstechnisch oogpunt, de fabriek verlaten in een perfecte staat. Om deze staat te handhaven en om zeker te zijn van gebruik zonder gevaar, dient de gebruiker goed te letten op de aanwijzingen en waarschuwingen zoals aangegeven in deze gebruiksaanwijzing.

BENNING CM 7 - Veiligheidsvoorschriften - 1

Het apparaat mag alleen worden gebruikt in elektrische circuits van overspanningscategorie III met max. 1000 V ten opzichte van aarde of overspanningscategorie IV met 600 V ten opzichte van aarde.

Gebruik alleen passende meetsnoeren voor deze. Bij metingen binnen de meetcategorie III of de meetcategorie IV mag het uitstekende geleidende gedeelte van een contactpunt op de veiligheidsmeetleidingen niet langer zijn dan 4 mm.

Voor metingen binnen de meetcategorie III en de meetcategorie IV moeten de bij de set gevoegde, met CAT III en CAT IV aangeduide opsteekdoppen op de contactpunten worden gestoken. Deze maatregel dient ter bescherming van de gebruiker.

Bedenk dat werken aan installaties of onderdelen die onder spanning staan, in principe altijd gevaar kan opleveren. Zelfs spanningen vanaf 30 V AC en 60 V DC kunnen voor mensen al levensgevaarlijk zijn.

BENNING CM 7 - Veiligheidsvoorschriften - 2

Elke keer, voordat het apparaat in gebruik wordt genomen, moet het worden gecontroleerd op beschadigingen. Ook de veiligheidsmeetsnoeren dienen nagezien te worden.

Bij vermoeden dat het apparaat niet meer geheel zonder gevaar kan worden gebruikt, mag het dan ook niet meer worden ingezet, maar zodanig worden opgeborgen dat het, ook niet bij toeval, niet kan worden gebruikt.

Ga ervan uit dat gebruik van het apparaat zonder gevaar niet meer mogelijk is:

  • bij zichtbare schade aan de behuizing en/ of meetsnoeren van het apparaat
  • als het apparaat niet meer (goed) werkt
  • na langdurige opslag onder ongunstige omstandigheden
  • na zware belasting of mogelijke schade ten gevolge van transport of onoordeelkundig gebruik.

BENNING CM 7 - Veiligheidsvoorschriften - 3

Om gevaar te vermijden

  • mogen de blanke meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren niet worden aangeraakt
  • moeten de meetsnoeren op de juiste contactbussen van de multimeter worden aangesloten.

3. Leveringsomvang

Bij de levering van de BENNING CM 7 behoren:

3.1 Eén BENNING CM 7
3.2 Eén veiligheidsmeetsnoer, rood (L = 1,4 m)
3.3 Eén veiligheidsmeetsnoer, zwart (L = 1,4 m)
3.4 Eén compactbeschermingsetui
3.5 Eén batterij van 9 V (ingebouwd).
3.6 Eén gebruiksaanwijzing

Opmerking t.a.v. aan slijtage onderhevige onderdelen:

  • De BENNING CM 7 wordt gevoed door een batterij van 9 V (IEC 6 LR 61).
  • De bovengenoemde veiligheidsmeetsnoeren (gekeurd toebehoren) voldoen aan CAT III 1000 V en zijn toegestaan voor een stroom van 10 A.

4. Beschrijving van het apparaat

Zie fig. 1: voorzijde van het apparaat.

Hieronder volgt een beschrijving van de in fig. 1 aangegeven informatie- en bedieningselementen.

① Digitaal display (LCD) voor het aflezen van gemeten waarde, weergave van een staafdiagram en de aanduiding indien meting buiten bereik van het toestel valt.
② Aanduiding polariteit.
③ Symbool voor lege batterijen.
4 Toets (geel), voor verlichting van het display.
⑤ ZERO-toets, voor nulafstelling c.q. differentiaalmeting

6 MIN/MAX-toets voor opslag in het geheugen van de hoogste en laagste meetwaarde.

⑦ Toets-PEAK voor opslag in het geheugen van de hoogste totaal gemeten waarde.

⑧ Draaischakelaar voor functiekeuze.

⑨ Contactbus (positief 1) voor V, Ω

10 COM-contactbus, gezamenlijke contactbus voor spannings-, weerstandsmetingen en doorgangstest.

⑪ Openingshendel om de stroomtang te openen en te sluiten.

⑫ Kraag om aanraken van aders te voorkomen.

13 Meettang om rondom éénaderige stroomvoerende leiding te plaatsen.

14 HOLD-toets voor opslag in het geheugen van de weergegeven meetwaarde.

1) Betreft automatische polariteitsaanduiding voor gelijkspanning.

5. Algemene kenmerken

5.1 Algemene gegevens van de stroomtang/ multimeter

5.1.1 De numerieke waarden zijn op een display (LCD) ① af te lezen met 3 ¾ cijfers van 14 mm hoog, met een komma voor de decimalen. De grootst mogelijk af te lezen waarde is 4000.

5.1.2 De polariteitsaanduiding ② werkt automatisch. Er wordt slechts één pool t.o.v. de contactbussen aangeduid met „-“.

5.1.3 Metingen buiten het bereik van de meter worden aangeduid met „OL“ of „-OL“, alsmede gedeeltelijk met een akoestisch signaal. NB: Geen aanduiding of waarschuwing bij overbelasting.

5.1.4 De gele toets ④ schakelt de verlichting van het display aan. Uitschakelen door opnieuw op de toets te drukken of automatisch na ca. 60 seconden.

5.1.5 ZERO-toets ⑤ (nulafstellingstoets)

Eén keer drukken op de nul-toets leidt tot nulafstelling bij gelijkstroommetingen. In weerstands- en frequentiebereiken kan de ZERO-toets voor differentiaalmeting worden toegepast. Dit wordt in het display door "REL" aangegeven. Bij nogmaals drukken op de nul-toets wordt de opgeslagen differentiaalwaarde (Offset) aangegeven. De aanduiding "REL" knippert in het display. Door langer dan 2 seconden indrukken van de toets wordt het apparaat weer in de meetmodus teruggeschakeld.

5.1.6 Opslaan van een gemeten waarde in het geheugen: „HOLD“. Door het indrukken van de toets „HOLD“ 14 wordt de gemeten waarde in het geheugen opgeslagen. Tegelijkertijd verschijnt het symbool „HOLD“ in het display. Door de toets opnieuw in te drukken wordt terug geschakeld naar de meetstatus.

5.1.7 De MIN/MAX-functie ⑥ bepaalt automatisch de hoogste en de laagste gemeten waarde. Door op de knop te drukken worden de volgende meetwaardes weergegeven: „MAX“ geeft de hoogste gemeten en opgeslagen waarde aan en „MIN“ de laagste. De voortdurende registratie van de MAX-/ MIN-waardes kan worden gestopt resp. gestart worden door het indrukken van de „HOLD“-toets ⑭. Door de MIN-/ MAX-toets langer in te drukken (2 sec.) wordt weer naar de normale status terug geschakeld.

5.1.8 De 'PEAK'-toets ⑦ (opslag van hoogste gemeten waarde) registreert en bewaart de positieve en negatieve piek- en amplitudewaarde in de functie V AC en AAC. Om de meetnauwkeurigheid te verhogen en de BENNING CM 7 juist af te stellen, moet u bij aanvang van de meting de 'PEAK'-toets ⑦ ongeveer 3 sec. indrukken. Door een druk op de knop worden de waardes van „PMAX“ of „PMIN“ weergegeven in het display. Door langer te drukken (ca. 2 sec.) op de 'PEAK'-toets ⑦ wordt weer naar de normale status terug geschakeld.

5.1.9 De meetfrequentie van de BENNING CM 7 bij cijferweergave bedraagt gemiddeld 1,5 metingen per seconde.

5.1.10 De BENNING CM 7 wordt in- en uitgeschakeld met de draaischakelaar 8. Uitschakelstand is „Off“.

5.1.11 De BENNING CM 7 schakelt zichzelf na ca. 30 minuten automatisch uit. (APO, Auto-Power-Off). Hij wordt weer ingeschakeld door een willekeurige toets in te drukken of door bediening van de schakelaar. Een zoemer waarschuwt voor de automatische uitschakeling. Deze automatische uitschakeling kunt u deactiveren door een toets in te drukken (m.u.v. de 'HOLD'-toets) en gelijktijdig de BENNING CM 7 vanuit „OFF“ in te schakelen.

5.1.12 De temperatuurcoëfficiënt van de gemeten waarde: 0,2 x (aangegeven nauwkeurigheid van de gemeten waarde)/ °C < 18 °C of > 28 °C, t.o.v. de waarde bij een referentietemperatuur van 23 °C.

5.1.13 De BENNING CM 7 wordt gevoed door een blokbatterij van 9 V

(IEC 6 LR 61).

5.1.14 Indien de batterijen onder de minimaal benodigde spanning dalen, verschijnt het batterijsymbool in het scherm.

5.1.15 De levensduur van een batterij (alkaline) bedraagt ongeveer 100 uur.

5.1.16 Afmetingen van het apparaat:

(L x B x H)=275 x 105 x 51 mm.

Gewicht = 534 gram.

5.1.17 De meegeleverde meetsnoeren zijn zonder meer geschikt voor de voor de BENNING CM 7 genoemde nominale spanning en stroom.

5.1.18 Maximale opening van de stroomtang: 53 mm.

5.1.19 Maximale diameter van de stroomleiding: 51 mm.

6. Gebruiksomstandigheden

- De BENNING CM 7 is bedoeld om gebruikt te worden voor metingen in droge ruimtes.

- Barometrische hoogte bij metingen: 2000 m. maximaal.

- Categorie van overbelasting/installatie:

IEC 60664-1/ IEC 61010-1 → 600 V categorie IV, 1000 V categorie III

- Beschermingsgraad stofindringing: 2.

-Beschermingsgraad:IP 30 (DIN VDE 0470-1 IEC/ EN 60529),

Betekenis IP 30: Het eerste cijfer (3); Bescherming tegen binnendringen van stof en vuil > 2,5 mm in doorsnede, (eerste cijfer is bescherming tegen stof/ vuil). Het tweede cijfer (0); Niet beschermd tegen water, (tweede cijfer is waterdichtheid).

- Werktemperatuur en relatieve vochtigheid:

Bij een werktemperatuur van 0 °C tot 30 °C:

relatieve vochtigheid van de lucht < 80 %.

Bij een werktemperatuur van 31 °C tot 40 °C:

relatieve vochtigheid van de lucht < 75%.

Bij een werktemperatuur van 41 °C tot 50 °C:

relatieve vochtigheid van de lucht < 45 %.

- Opslagtemperatuur: de BENNING CM 7 kan worden opgeslagen bij temperaturen van - 20 °C tot + 60 °C met een relatieve vochtigheid van de lucht < 80 %. Daarbij dienen wel de batterijen te worden verwijderd.

Opmerking: de nauwkeurigheid van de meting wordt aangegeven als som van:

- een relatief deel van de meetwaarde

- een aantal digits.

Deze nauwkeurigheid geldt bij temperaturen van 18 °C tot 28 °C bij een relatieve vochtigheid van de lucht < 80 %.

7.1 Meetbereik voor gelijkspanning

De ingangsweerstand bedraagt 1 MΩ.

MeetbereikResolutieNauwkeurigheid v/d metingBeveiliging tegen overbelasting
400 V0,1 V ± (0,7 % meetwaarde + 2 digits) 750 V_eff
1000 V1 V ± (0,7 % meetwaarde + 2 digits) 750 V_eff

7.2 Meetbereik voor wisselspanning

De ingangsweerstand bedraagt 1 MΩ parallel aan 100 pF.

MeetbereikResolutieNauwkeurigheid v/d meting *1*2 bij 50 Hz - 500 HzBeveiliging tegen overbelasting
400 V0,1 V± (1 % meetwaarde + 5 digits)750 V_eff
750 V1 V± (1 % meetwaarde + 5 digits)750 V_eff

* De meetwaarde wordt als echte effectieve meetwaarde (True RMS, AC-koppeling) gemeten en aangeduid. De meetnauwkeurigheid is gespecificeerd voor een sinusvorm in relatie tot de maximale meetwaarde evenals voor een niet sinusvormige curvevorm tot 50 % van de maximale meetwaarde.

Bij niet sinusvormige curvevormen wordt de aanduidingswaarde minder nauwkeurig. Zo bestaat voor de volgende Crest-factoren een extra foutmarge:

Crest-factor van 1,4 tot 2,0 extra foutmarge + 1 %

Crest-factor van 2,0 tot 2,5 extra foutmarge + 2,5 %

Crest-factor van 2,5 tot 3,0 extra foutmarge + 4 %

^*_2 Daar bovenop nog een extra foutmarge van ± 4 digits voor meetwaarde < 15 % van de meetbereikzendwaarde.

7.3 Gelijkstroombereiken

Meetbereik Resolutie Meetnauwkeurigheid Overbelastingsbeveiliging

0 - 200 A0,1 A ± (2,9 % van de meetwaarde + 3 A) 1000 A_eff
200 - 400 A0,1 A ± (1,9 % van de meetwaarde + 2 A) 1000 A_eff
400 - 1000 A1 A ± (2,9 % van de meetwaarde + 5 A) 1000 A_eff

De aangegeven nauwkeurigheid is gespecificeerd voor kabels die in het midden van de kop van meettang 18 worden gemeten (zie afbeelding 4: Meten van gelijkstroom/ wisselstroommeting). Voor kabels die niet in het midden van de kop van de meettang worden gemeten, moet rekening gehouden worden met een extra foutmarge van 1 % van de aanduidingswaarde.

Maximale remanentiefout: 1 % (bij herhalende meting)

7.4 Meetbereik voor wisselstroom

Meetbereik ResolutieNauwkeurigheid v/d meting *1*2 bij 50 Hz - 400 HzBeveiliging tegen overbelasting
0 - 200 A0,1 A ± (2,9 % meetwaarde + 3 A)1000 Aeff
200 - 400 A0,1 A± (1,9 % meetwaarde + 2 A)1000 Aeff
bij 50 Hz - 200 Hz
400 - 1000 A1 A± (2,9 % meetwaarde + 5 A)1000 Aeff

*1 De meetwaarde wordt als echte effectieve meetwaarde (True RMS, AC-koppeling) gemeten en aangeduid. De meetnauwkeurigheid is gespecificeerd voor een sinusvorm in relatie tot de maximale meetwaarde evenals voor een niet sinusvormige curvevorm tot 50 % van de maximale meetwaarde.

Bij niet sinusvormige curvevormen wordt de aanduidingswaarde minder nauwkeurig. Zo bestaat voor de volgende Crest-factoren een extra foutmarge:

Crest-factor van 1,4 tot 2,0 extra foutmarge + 1 %

Crest-factor van 2,0 tot 2,5 extra foutmarge + 2,5 %

Crest-factor van 2,5 tot 3,0 extra foutmarge + 4 %

^*2 Daar bovenop nog een extra foutmarge van ± 4 digits voor meetwaarde < 15 % van de meetbereikzendwaarde.

De aangegeven nauwkeurigheid is gespecificeerd voor stroomleidingen die precies in het midden van de stroomtang 13 omvat worden (zie afbeelding 4: Meten van gelijkstroom/ wisselstroommeting). Voor leidingen die niet precies in het midden omvat kunnen worden, moet rekening worden gehouden met een extra fout van 1 % van de aangegeven waarde.

7.5 Meetbereik voor weerstand en akoestische doorgangstest

Overbelastingsbeveiliging: 600 V _eff

MeetbereikResolutieNauwkeurigheid v/d metingMaximale nullastspanning
400 Ω0,1 Ω ± (1 % meetwaarde + 3 digits)3 V

De ingebouwde zoemer geeft een akoestisch signaal bij een weerstand R < 30 Ω.

In de PEAK-HOLD-functie (piekwaardegeheugen) moet met betrekking tot de gespecificeerde nauwkeurigheid rekening worden gehouden met een extra foutmarge:

+ (± 3 % + 20 digit)

Meetwaarden > 750 V spikes c.q. 800 A spikes zijn niet gespecificeerd.

De PEAK-HOLD-functie kiest automatisch het meetbereik met de kleinste resolutie.

7.8 MIN/MAX

In de MIN/MAX-functie (minimale/ maximale waardegeheugen) moet met betrekking tot de gespecificeerde nauwkeurigheid rekening worden gehouden met

een extra foutmarge:

+ (± 15 digit)

De MIN/MAX-functie kiest automatisch het meetbereik met de kleinste resolutie.

8. Meten met de BENNING CM 7

8.1 Voorbereiden van de metingen

  • Gebruik en bewaar de BENNING CM 7 uitsluitend bij de aangegeven werk- en opslagtemperaturen. Niet blootstellen aan direct zonlicht.
  • Controleer de gegevens op de veiligheidsmeetsnoeren ten aanzien van nominale spanning en stroom. Origineel met de BENNING CM 7 meegeleverde snoersets voldoen aan de te stellen eisen.
  • Controleer de isolatie van de veiligheidsmeetsnoeren. Beschadigde meetsnoeren direct verwijderen.
  • Veiligheidsmeetsnoeren testen op correcte doorgang. Indien de ader in het snoer onderbroken is, het meetsnoer direct verwijderen.
  • Voordat met de draaischakelaar 8 een andere functie gekozen wordt, dienen de meetsnoeren van het meetpunt te worden afgenomen.
  • Storingsbronnen in de omgeving van de BENNING CM 7 kunnen leiden tot instabiele aanduiding en/ of meetfouten.

8.2 Spanningsmeting

BENNING CM 7 - Spanningsmeting - 1

Let op de maximale spanning t.o.v. aarde. Gevaarlijke spanning!

De hoogste spanning die aan de contactbussen

COM-bus
10
- Bus voor V, Ω 9

van de BENNING CM 7 ligt t.o.v. aarde, mag maximaal 1000 V bedragen.

  • Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling (V AC) of (V DC).
  • Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus 10 van de BENNING CM 7.
  • Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω ⑨ van de BENNING CM 7.
  • Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit en lees de gemeten waarde af in het display ① van de BENNING CM 7.

Zie fig. 2: meten van gelijkspanning.

Zie fig. 3: meten van wisselspanning.

8.3 Stroommeting

8.3.1 Voorbereiden van metingen

  • Gebruik en bewaar de BENNING CM 7 uitsluitend bij de aangegeven werk- en opslagtemperaturen. Niet blootstellen aan direct zonlicht.
  • Storingsbronnen in de omgeving van de BENNING CM 7 kunnen leiden tot instabiele aanduiding en/ of meetfouten.

BENNING CM 7 - Stroommeting - 1

Geen spanning zetten op de contactbussen van de BENNING CM 7. Neem eventueel de veiligheidsmeetsnoeren van het apparaat.

8.3.2 Stroommeting

  • Kies met de draaiknop ⑧ de gewenste instelling (A AC) of (A DC) van de BENNING CM 7.
  • Druk op de openingshendel ⑪ en omvat de éénaderige, stroomvoerende leiding, zoveel mogelijk in het midden van de tang.
  • Lees de gemeten waarde af in het display ①.
    Zie fig. 4: meten van gelijkstroom/ wisselstroom

8.4 Weerstandsmeting en doorgangstest met akoestisch signaal

  • Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling (Ω) van de BENNING CM 7
  • Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus 10 van de BENNING CM 7.
  • Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω ⑨ van de BENNING CM 7.
  • Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit en lees de gemeten waarde af in het display ① van de BENNING CM 7.
  • Indien de gemeten weerstand in het circuit tussen de twee contactbussen kleiner is dan 30 Ω, wordt een akoestisch signaal afgegeven.
    Zie fig. 5: weerstandsmeting.

8.5 Frequentiemeting via stroomtang

BENNING CM 7 - Frequentiemeting via stroomtang - 1

Geen spanning zetten op de contactbussen van de BENNING CM 7. Neem eventueel de veiligheidsmeetsnoeren van het apparaat.

  • Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling (Hz) van de BENNINGCM7.
  • Druk op de openingshendel ⑪ en omvat de éénaderige, stroomvoerende leiding, zoveel mogelijk in het midden van de tang.
  • Lees de gemeten waarde af in het display ①.
    Zie fig. 6: frequentiemeting via stroomtang

9. Onderhoud

BENNING CM 7 - Onderhoud - 1

De BENNING CM 7 mag nooit onder spanning staan als het apparaat geopend wordt. Gevaarlijke spanning!

Werken aan een onder spanning staande BENNING CM 7 mag uitsluitend gebeuren door elektrotechnische specialisten, die daarbij de nodige voorzorgsmaatregelen dienen te treffen om ongevallen te voorkomen. Maak de BENNING CM 7 dan ook spanningsvrij alvorens het apparaat te openen.

  • Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van het te meten object.
  • Neem de veiligheidsmeetsnoeren af van de BENNING CM 7.
  • Zet de draaischakelaar ⑧ in de positie „Off“.

9.1 Veiligheidsborging van het apparaat

Onder bepaalde omstandigheden kan de veiligheid tijdens het werken met de BENNING CM 7 niet meer worden gegarandeerd, bijvoorbeeld in geval van:

  • zichtbare schade aan de behuizing.
  • meetfouten.
  • waarneembare gevolgen van langdurige opslag onder verkeerde omstandigheden.
  • transportschade.

In dergelijke gevallen dient de BENNING CM 7 direct te worden uitgeschakeld en niet opnieuw elders worden gebruikt.

9.2 Reiniging

Reinig de behuizing aan de buitenzijde met een schone, droge doek (speciale reinigingsdoeken uitgezonderd). Gebruik geen oplos- en/ of schuurmidde- len om de BENNING CM 7 schoon te maken. Let er in het bijzonder op dat het batterijvak en de batterijcontacten niet vervuilen door uitlopende batterijen. Indien toch verontreiniging ontstaat door elektrolyt of zich zout afzet bij de batterijen en/ of in het huis, dit eveneens verwijderen met een droge, schone doek.

9.3 Het wisselen van de batterijen

BENNING CM 7 - Het wisselen van de batterijen - 1

Vóór het openen van de BENNING CM 7 moet het apparaat spanningsvrij zijn. Gevaarlijke spanning!!

De BENNING CM 7 wordt gevoed door een batterij van 9 V (IEC 6 LR 61). Als het batterijsymbool ③ op het display ① verschijnt, moeten de batterijen worden vervangen.

De batterij word als volgt verwisseld:

  • Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van het te meten circuit.
  • Neem de veiligheidsmeetsnoeren af van de BENNING CM 7.
  • Zet de draaischakelaar 8 in de positie „Off“.
  • Leg het apparaat op de voorzijde en draai de schroef, uit het deksel van het batterijvak.
  • Neem het deksel van het batterijvak uit de achterwand.
  • Neem de lege batterij uit het batterijvak en demonteer de aansluitdraden van de batterij.

- Monteer de aansluitdraden op de juiste manier aan de nieuwe batterij en leg de bedrading zo terug dat het niet beklemd raakt in de behuizing. Leg dan de batterij op de daarvoor bedoelde plaats in het batterijvak.

- Klik het deksel weer op de achterwand en draai de schroef er weer in.

Zie fig. 7: vervanging van de batterij.

BENNING CM 7 - Het wisselen van de batterijen - 2

Gooi batterijen niet weg met het gewone huisvuil, maar lever ze in op de bekende inzamelpunten. Zo levert u opnieuw een bijdrage aan een schoner milieu.

9.4 IJking

Op de nauwkeurigheid van de metingen te waarborgen, is het aan te bevelen het apparaat jaarlijks door onze servicedienst te laten kalibreren.

-Beschermingsklassell(回), doorgaans dubbel geïsoleerd of versterkte isolatie

-Vervuilingsgraad:2

  • Lengte: 1,4 m, AWG 18,
  • Omgevingsvoorwaarden: metingen mogelijk tot H = 2000 m,
    temperatuur: 0 °C tot + 50 °C, vochtigheidsgraad 50 % tot 80 %,
  • Gebruik de veiligheidsmeetkabelset alleen indien ze in een goede staat is en volgens deze handleiding, anders kan de bescherming verminderd zijn.
  • Gebruik de veiligheidsmeetkabelset niet als de isolatie is beschadigd of als er een beschadiging/ onderbreking in de kabel of stekker is.
  • Raak tijdens de meting de blanke contactpennen niet aan. Alleen aan de handvaten vastpakken!
  • Steek de haakse aansluitingen in het te gebruiken BENNING meetapparaat.

11. Milieu

BENNING CM 7 - Milieu - 1

Wij raden u aan het apparaat aan het einde van zijn nuttige levensduur, niet bij het gewone huisafval te deponeren, maar op de daarvoor bestemde adressen.

Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : BENNING

Model : CM 7

Categorie : Multimeter