Park Pro 340 IX - Tractor STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Park Pro 340 IX STIGA in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Park Pro 340 IX STIGA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Park Pro 340 IX - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Park Pro 340 IX van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING Park Pro 340 IX STIGA
| [38] | Hydraulische aansluitingen | |||
| [1] | Type | [39] | Gemeten geluidsvermogenniveau | |
| [2] | Model | [40] | Onzekerheid | |
| [3] | Motor | [41] | Gegarandeerd geluidsvermogenniveau | |
| [4] | Cilinderinhoud | [42] | Geluidsdrukniveau | |
| [5] | Vermogen | [43] | Onzekerheid | |
| [6] | Motortoeren | [44] | Waarde van de trillingen op de bestuurdersplaats | |
| [7] | Elektrisch systeem | [45] | Onzekerheid | |
| [8] | Accu | [46] | Waarde van de trillingen aan het stuurwiel | |
| [9] | Vermogen accessoire achterzijde | [47] | Onzekerheid | |
| [10] | Brandstof | [48] | OPTIONELE ACCESSOIRES | |
| [A] | Loodvrije benzine | [49] | Beschrijving | |
| [11] | Inhoud brandstoftank | [50] | Aanhanger | |
| [12] | Motorolie | [51] | Mestverspreider | |
| [13] | Motorolie, klasse | [52] | Bladeren- en grasopvangbak | |
| [A] | SJ of hoger | [53] | Zandstrooier | |
| [14] | Inhoud motoroliereservoir, zonder vervanging van het filter | [54] | Verticuteermachine | |
| [15] | Inhoud motoroliereservoir, met vervanging van het filter | [55] | Sneeuwkettingen | |
| [56] | Modderwielen/sneeuwwielen | |||
| [16] | Transmissieolie | [57] | Maaisysteemgroep | |
| [17] | Hoeveelheid transmissieolie op het moment van de verversing | [58] | Eg aan voorzijde | |
| [59] | Hakselaar | |||
| [18] | Bougie | [60] | Roterende sneeuwruimer | |
| [19] | Bougie, afstand elektroden | [61] | Frontborstel | |
| [20] | Banden | [62] | Sneeuwruimer met sneeuwschuif | |
| [21] | Bandenspanning | voor | [63] | Bodemventilator/verticuleermachine |
| achter | [64] | Tegengewichten achterwielen | ||
| [22] | Maaibreedte en -hoogte | [65] | Hefsysteem achterzijde voor accessoires | |
| [A] | Zie voor de maaihoogte de “Tabel technische gegevens” van de handleiding van de “maaisyste-emgroep” | [66] | Pakkendrager [340 IX] | |
| [67] | TABEL VOOR DE JUISTE COMBINATIE VAN ACCESSOIRES | |||
| [23] | Rijsnelheid (bij benadering), vooruit | [68] | ACCESSOIRES ACHTERZIJDE | |
| [24] | Rijsnelheid (bij benadering), achteruit | [69] | ACCESSOIRES VOORZIJDE | |
| [25] | Gewicht | [70] | Accessoire | |
| [26] | Afmetingen | |||
| [27] | A = Lengte | |||
| [28] | B = Wielbasis | |||
| [29] | C = Hoogte | |||
| [30] | D = Breedte | |||
| [31] | Belastingslimiet voor trekinrichting (maximale verticale kracht) | |||
| [32] | Belastingslimiet voor trekinrichting (maximaal gewicht dat getrokken kan worden) | |||
| [33] | Maximaal toegestane helling | |||
| [34] | Display | |||
| [35] | Display urenteller | |||
| [36] | Pakkendrager als standaarduitrusting | |||
| [37] | Maximaal draagvermogen pakkendrager | |||
0 TABELL - TEKNISKE DATA
Max. Zuggewicht (4:C).
7.8.1 Algemene veiligheidscontrole 20
7.8.2 Elektrische veiligheidscontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
7.9 STARTEN/BEDRIJF. 20
7.9.1 Bedrijf 21
7.10 STOPPEN 21
7.11 REINIGING 21
8 GEBRUIK VAN HET ACCESSOIRE 21
8.1 MAAIHOOGTE 21
8.2 MAAIADVIES 21
9 ONDERHOUD 22
9.1 ASSISTENTIEPROGRAMMA 22
9.2 VOORBEREIDING....22
9.3 Onderhoudstabel 22
9.4 BANDENSPANNING....22
9.5 CONTROLEREN / BIJVULLEN VAN DE MOTOROLIE. 22
9.5.1 Controleren / bijvullen (26) (Mod. Honda GXV 630; 660; 690) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
9.5.2 Controleren / bijvullen (29; 27) (Mod. B&S 8270; B&S VANGUARD 18HP). . . . . . . . 23
9.6 CONTROLEREN / BIJVULLEN VAN DE TRANSMISSIEOLIE. 23
9.6.1 Controleren / bijvullen (25) 23
9.7 RIEMAANDRIJVINGEN. 23
9.8 ACCU 23
9.8.1 Opladen via de motor. 23
9.8.2 Opladen via acculader 23
9.8.3 Verwijderen/terugplaatsen. 23
9.8.4 Reiniging 24
9.9 LUCHTFILTER, MOTOR 24
9.9.1 Luchtfilter - mod.: [Honda GXV 630; 660; 690] (26) ..... 24
9.9.2 Luchtfilter - mod.: [B&S 8270] (29X). 24
9.9.3 Luchtfilter (Mod. B&S VANGUARD 18HP) (27X) 24
9.9.4 Bougie 24
9.9.5 Luchtinlaat 24
9.10 SMERING (28) 25
9.10.1 Zekeringen (31:F) 25
Alvorens de machine in bedrijf te stellen dient u de gebruikershandleiding aandachtig door te lezen.
1.1 STRUCTUUR VAN DE HANDLEIDING
De handleiding bestaat uit de voorpagina, een inhoudsopgave, een gedeelte met alle afbeeldingen, de tekst met uitleg.
De inhoud is onderverdeeld in hoofdstukken, paragrafen en subparagrafen.
Deze handleiding bevat een aantal tabellen met betrekking tot de verschillende motoren die (indien aanwezig). Markeer de gegevens die voor uw machine/motor van toepassing zijn.
Afbeeldingen
De afbeeldingen in deze gebruikershandleiding zijn genummerd met 1, 2, 3 etc.
Onderdelen in afbeeldingen worden aangegeven met A, B, C etc.
Een verwijzing naar de afbeelding wordt aangegeven met het opschrift (2).
Een verwijzing naar onderdeel C in afbeelding 2 wordt aangegeven met het opschrift (2:C).
Titels
De titels van de paragrafen van deze handleiding zijn als volgt genummerd:
"2.2.1 Definitie van de gebruikers" is een subparagraaf van "1.1 STRUCTUUR VAN DE HANDLEIDING" en maakt onderdeel uit van deze paragraaf.
Wanneer naar titels van paragrafen wordt verwezen, worden over het algemeen alleen de betreffende nummers gegeven, bijvoorbeeld "Zie 9.4.4".
1.2 IN DE HANDLEIDING GEBRUIKTE SYMBOLEN

WAARSCHUWING-symbool. Als de instructies niet nauwkeurig worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstige persoonlijke verwondingen en/of materiële schade.

VERPLICHTINGS-symbool. Geeft een handeling aan die verplicht moet worden uitgevoerd.

VERBODS-symbool. Geeft een verboden handeling aan.

Symbool OPMERKING. Duidt op belangrijke informatie of gedetailleerde toelichting.

Symbool VERWIJZING. Duidt op een verwijzing naar een informatie, de noot geeft aan waar de informatie te vinden is.
1.3 BEWAREN VAN DE HANDLEIDING
Bewaar de handleiding in goede en leesbare staat, op een bekende plaats die gemakkelijk toegankelijk is voor de gebruiker van de machine.
2 DE MACHINE LEREN KENNEN
Dit is een machine die bestemd is voor tuinwerkzaamheden, namelijk een zitmaaier met maaidek aan de voorzijde.
De machine is voorzien van een motor die het maaisysteem aandrijft, beschermd door een carter, alsmede een aandrijfgroep die de machine laat rijden. De machine heeft knikbesturing. Dit betekent dat het frame in een voor- en een achtergedeelte is verdeeld en dat deze delen ten opzichte van elkaar gestuurd kunnen worden. Knikbesturing zorgt ervoor dat de machine met een extreem kleine draaicirkel rond bomen en andere obstakels kan draaien.
Vanaf de zitting kan bestuurder de machine be-sturen en de voornaamste bedieningen activeren. Bij activering van de op de machine gemonteer-de veiligheidsvoorzieningen worden de motor en het maaisysteem gestopt.
2.1 KENMERKEN VAN DE MACHINE
De machine heeft vierwielaandrijving. Het vermogen van de motor wordt hydraulisch op de wielen overgebracht.
De motor stuurt een oliepomp aan die olie naar de voor- en achterassen (wielen) pompt via een hydraulisch circuit.
De voor- en achterwielen draaien op dezelfde snelheid.
Om het draaien te vergemakkelijken zijn beide assen voorzien van een differentieel.
De aan de voorzijde gemonteerde accessoires worden aangedreven door aandrijfriemen.
Bepaalde afstellingen van deze onderdelen kunnen van het handmatige of elektrische type zijn, zoals bijvoorbeeld de instelling van de maaihoogte voor de maaisysteemgroep. Andere bewegingssystemen voor andere accessoires kunnen handmatig of hydraulisch bediend zijn.
De aansluiting van deze bewegingssystemen op het hydraulische systeem van de machine geschiedt via de twee optionele hydraulische aansluitingen (18:A; 18:B).
2.2 VOORZIEN GEBRUIK
Deze machine is ontworpen en gebouwd om gras te maaien.
Het gebruik van specifieke accessoires, door de fabrikant voorzien als originele uitrusting of apart verkrijgbare uitrusting, maakt het mogelijk dit werk op verschillende manieren uit te voeren; deze gebruiksmodi worden toegelicht in deze handleiding of in de instructies die bij de afzonderlijke accessoires worden geleverd. Op dezelfde wijze kan dankzij de mogelijkheid, aanvullende uitrustingen te gebruiken (indien dit door de fabrikant is voorzien), het voorziene gebruik tot andere functies worden uitgebreid, volgens de limieten en de voorwaarden die zijn aangegeven in de gebruiksaanwijzingen die bij de betreffende apparatuur worden geleverd.

De machine mag door slechts één be- stuurder worden gebruikt.

De stabiliteit van de machine wordt gereduceerd als er een frontaccessoire anders dan de maaisysteemgroep wordt gebruikt.

De machine moet altijd met minimaal de maaisysteemgroep of een ander gemonteerd frontaccessoire worden gebruikt
2.2.1 Definitie van de gebruikers
Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, dat wil zeggen niet-professionele gebruikers.
Deze machine is bestemd voor "hobbygebruik".
2.3 ONEIGENLIJK GEBRUIK
leder willekeurig ander gebruik dat van het hierboven vermelde gebruik afwijkt, kan gevaarlijk zijn en schade aan personen en/of voorwerpen toebrengen. Onder oneigenlijk gebruik vallen (als voorbeeld, naar niet alleen):
- het transporteren, op de machine of op een aanhanger, van andere personen, kinderen of dieren;
-
het trekken of duwen van lasten zonder de hiervoor bestemde trekinrichting (accessoire) te gebruiken;
-
het rijden met de machine over instabiel, glad, bevoren, steenachtig of los terrein, of door waterplassen of poelen die het niet mogelijk maken de consistentie van de grond te beoordelen;
- het activeren van het maaisysteem op gedeeltes waar geen gras groeit.

Oneigenlijk gebruik van de machine maakt iedere garantie ongeldig en ontheft de fabrikant van iedere aansprakelijkheid; dit betekent dat de kosten die voortvloeien uit schade of persoonlijk letsel of schade aan derden voor rekening van de gebruiker komen.
2.4 VEILIGHEIDSAANDUIDINGEN (4)
De veiligheidsaanduidingen die op de machine zijn aangebracht, wijzen de gebruiker op het gedrag dat bij het gebruik van de machine in acht moet worden genomen, met name bij werkzaamheden die voorzichtigheid en oplettendheid vereisen.

LET OP. Wijst op een gevaar. Komt normal in combinatie met andere aanduidingen voor, die aangeven om wat voor soort gevaar het gaat.

Let op! Lees vóór gebruik van de machine de gebruikershandleiding.

Let op! Kijk uit voor eventuele rondslingerende voorwerpen. Pas op voor eventuele omstanders.

Let op! Gebruik altijd gehoorbescherming.

Let op! De machine is niet goedgekeurd om op de openbare weg te rijden.

Let op! U mag met de met de origine-le accessoires uitgeruste machine niet rijden op een helling met een grotere hellingshoek dan 10°, ongeacht de rij-richting.

Bandenspanning. Het etiket vermeldt de optimale waarden voor de bandenspanning (zie TABEL MET TECHNISCHE GEGEVENS). Een correcte bandenspanning is een fundamentele voorwaarde om goede resultaten te verkrijgen bij het gebruik van de machine.

Indicatie blokkering parkeerrem.

Geeft het maximale draagvermogen van de pakkendrager aan (4:A). (Indien aanwezig)
Het etiket bevindt zich:
- in de nabijheid van de pakkendrager op de motorkap.

Indicatie inschakeling / uit- schakeling aandrijving (4:B).
Het etiket bevindt zich:
- in de nabijheid van de hendel voor inschakeling/uitschakeling van de aandrijving.

Indicatie maximumgewicht dat kan worden getrokken (4:C).
Het etiket bevindt zich:
- in de nabijheid van de trekplaat.

Let op! Gevaar voor brand- wonden (4:D). Kom niet aan de geluiddemper.
Het etiket bevindt zich:
- in de nabijheid van de uitlaat;

Let op! Gevaar voor beknelling (4:E). Houd uw handen en voeten uit de buurt van de scharnierende koppeling van de stuurinrichting en van de trekhaak wanneer er een accessoire is aangekoppeld.
Het etiket bevindt zich:
- in de nabijheid van de scharnierende koppeling van de stuurinrichting;
- in de nabijheid van de trekplaat.

Beschadigde of onleesbaar geworden etiketten moeten worden vervangen.

Ga voor nieuwe etiketten naar uw erkende servicewerkplaats.
2.5 IDENTIFICATIE-ETIKET PRODUCT
Het identificatie-etiket bevat de volgende gegevens (zie afb. 1):
- Adres van de fabrikant
- Machinetype
- Geluidsvermogenniveau
- CE-merk vanovereenstemming
-
Gewicht in kg
-
Vermogen en bedrijfstoerental van de motor
-
Bouwjaar
-
Serienummer
-
Artikelcode

Noteer het serienummer van uw machine in de hiervoor bestemde ruimte van de afbeelding (1:10).
De identiteit van het product wordt bepaald door twee onderdelen:
- De artikel- en serienummers op de machine:
- Het model-, type- en serienummer van de motor:

Gebruik de identificatiegegevens iedere keer dat u contact opneemt met de erken-de werkplaats

Het voorbeeld van de verklaring van overeenstemming staat op de een na laatste pagina van de handleiding.
2.6 HOOFDONDERDELEN (1)
De machine bestaat uit de volgende hoofdonder- delen (zie afb. 1):
A. Frame
B. Wielen
C. Stuurwiel
D. Zitting
E. Console
F. Bedieningspedalen
G. Hendel voor het opheffen van aan de voorzijde gemonteerde accessoires
H. Motorkap
I. Vast motorcarter
L. Behuizing zekeringen
M. Accu
N. Brandstoftank
O. Oliereservoir aandrijving
P. Motor
Q. Hydraulische aansluitingen (mod. 740 IOX)
R. Snelsluitingen voor accessoires
3 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

Lees deze aanwijzingen aandachtig door voordat u de machine gaat gebruiken.
3.1 ALGEMENE AANBEVELINGEN

LET OP! Lees deze aanwijzingen aan- dachtig door voordat u de machine gaat gebruiken.
Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken.
Leer de machine te stoppen en de bedieningen snel uit te schakelen..
Als u zich niet aan deze richtlijnen en instructies houdt, kan dit leiden tot elektrische schokken, brand en/of ernstig letsel.
Bewaar alle richtlijnen en instructies om ze ook in de toekomst te kunnen raadplegen.

Laat kinderen of personen die deze gebruiksaanwijzing niet gelezen hebben de machine niet gebruiken.
De leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn.

Gebruik de machine niet wanneer er zich personen, met name kinderen of dieren in de nabijheid bevinden.

Gebruik de machine in geen geval indien de gebruiker moe is, zich niet fit voelt of geneesmiddelen, drugs, alcohol of schadelijke stoffen ingenomen heeft die zijn reactievermogen en aandacht kunnen verminderen.

Denk eraan dat de gebruiker van de machine aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen.
Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico's die het terrein waar hij op moet werken met zich kan brengen te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treffen, met het oog op zijn eigen veiligheid en die van anderen, met name
op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen.

Indien u de machine aan anderen wilt doorverkopen of uitlenen, dient u zich ervan te verzekeren dat de gebruiker de aanwijzingen uit deze handleiding heeft gezien.

Vervoer geen kinderen of andere passagiers op deze machine, ze zouden kunnen vallen en ernstig letsel oplopen of de rijveiligheid in gevaar kunnen brengen.

De bestuurder van de machine dient de aanwijzingen voor het besturen van de machine stipt op te volgen en wel:
a. de bestuurder mag niet afgeleid worden en dient alle aandacht bij zijn werk te houden;
b. de bestuurder dient eraan te denken dat het verlies van de macht over het stuur van de machine, terwijl hij van een helling afglijdt, niet hersteld kan worden door de rem te gebruiken. De voornaamste oorzaken waardoor u de macht over het stuur kwijt kunt raken zijn de volgende:
- de wielen hebben niet voldoende grip;
- te hoge snelheid;
- niet goed remmen;
- de machine is niet geschikt voor het doel waarvoor hij wordt gebruikt;
- gebrek aan kennis ten aanzien van de gevolgen die de toestand waarin het terrein zich verkeerd kunnen hebben, in het bijzonder op hellingen;
- Onjuist gebruik als sleepvoertuig;

De machine is van een aantal microschakelaars en veiligheidsinrichtingen voorzien. U mag deze voorzieningen in geen geval beschadigen of verwijderen, op straffe van verval van de garantie en de fabrikant kan hier dan niet voor aansprakelijk gesteld worden. Controleer elke keer voordat u de machine gebruikt, of de veiligheidsmechanismes goed functioneren.
3.2 VOOR HET GEBRUIK
- Wanneer u de machine gebruikt, dient u altijd stevige werkschoenen met antislipzool en een lange broek te dragen.
- Bedien de machine niet wanneer u op blote voeten bent of open sandalen draagt.
- Draag geen kettingen, armbanden, kleding met loshangende delen of koorden of dassen.
- Steek lang haar op. Gebruik altijd gehoorbescherming.
- Controleer het gehele terrein dat u wilt maaien grondig en verwijder alles wat uit de machine zou kunnen worden geslingerd of wat de maagroep en de motor zou kunnen beschadigen (zoals stenen, takken, ijzerdraad, botten etc.).

LET OP: GEVAAR! De brandstof is uiterst brandbaar.
a. Bewaar de brandstof in speciale tanks;
b. Giet de brandstof, met behulp van een trechter, alleen in de open lucht in de tank en als u dit doet mag u hierbij, en ook niet tijdens het hante- ren van de brandstof, niet roken;
c. Giet de brandstof in de tank vóórdat u de motor aanzet: als de motor aan- staat of warm is mag u geen bran- dstof toevoegen of niet de dop van de brandstoftank eraf draaien;
d. Als u brandstof gelekt heeft mag u de motor niet starten maar dient u de machine uit de buurt van de plek waar u de brandstof gelekt heeft te brengen en te voorkomen dat er brand ontstaat. U dient te wachten totdat de brandstof verdampt is en de brandstof dampen opgelost zijn;
e. Draai de doppen van de brandstof-tank van de machine en van het brandstofblik altijd goed dicht.

Vervang de geluiddempers als deze defect zijn.

Vóór het gebruik dient u een algemene controle van de machine te verrichten, met name de toestand van het maaisysteem, en dient u te controleren of de bouten en het maaisysteem niet versleten of beschadigd zijn.
Vervang het beschadigde of versleten maaisysteem en/of de bouten als één geheel om ervoor te zorgen dat het maaisysteem in balans blijft.
Eventuele reparaties moeten door een gespecialiseerd centrum worden uitgevoerd.

Controleer regelmatig de toestand van de accu. Vervang hem in geval van beschadiging van de behuizing, of de klemmen.
Start de motor niet in gesloten ruimten, waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan ophopen.
De machine alleen in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte starten.
Denk eraan dat de uitlaatgassen giftig zijn.

Werk uitsluitend bij daglicht of met goed kunstlicht en wanneer het zicht goed is.
Verwijder personen, kinderen en die- ren uit de werkzone.

Vermijd, indien mogelijk, op nat gras te werken. Vermijd te werken in de regen en bij risico op onweer. Gebruik de machine niet als het slecht weer is, met name als er kans op bliksem bestaat.

Alvorens de motor te starten, het maaisysteem of de krachtafnemer uitschakelen en de aandrijving in "neutraal" schakelen.

Rijd voorzichtig wanneer u obstakels nadert die uw zicht beperken.

Schakel de parkeerrem in wanneer u de machine parkeert.

Deze machine mag op een helling van maximaal 10° (17%) rijden, ongeacht de rijrichting.

Denk eraan dat er geen "veilige" hellingen bestaan. U dient bijzonder goed op te letten als u zich op een helling begeeft. Om te voorkomen dat u omkantelt of de controle over de machine verliest:
a. niet plotseling stoppen of optrekken als u een helling op- of afrijdt;
b. de koppeling altijd voorzichtig laten opkomen en altijd een versnelling ingeschakeld houden, met name bij het naar beneden rijden;
c. de snelheid op de hellingen en in scherpe bochten laag houden;
d. op hobbels, taluds en op verborgen gevaren letten.
e. Nooit dwars op de helling maaien. Hellende grasvelden moeten in de richting van de helling/daling worden gemaaaid, en nooit overdwars. Let goed op bij veranderingen van richting. Let op dat de bovenste wielen geen obstakels (stenen, takken, wortels etc.) tegenkomen waardoor de machine opzij wegglijdt, kantelt of men de controle erover verliest.

Op een helling moet u altijd snelheid minderen voordat u van richting verandert, en de machine altijd op de handrem zetten voordat u de machine onbeheerd achterlaat.

Let goed op bij in de nabijheid van afgronden, greppels of dijken. De machine kan omkantelen wanneer een wiel over de rand komt of wanneer de rand afbreekt.

Let goed op wanneer u bij het werken achteruit rijdt. Kijk voordat en terwijl u achteruit rijdt, achter u om te controle-ren of er geen obstakels aanwezig zijn.

Let op bij het trekken van lasten of zware gereedschappen:
a. Gebruik voor de trekplaten alleen de goedgekeurde bevestigingspunten;
b. Leg alleen gemakkelijk controleerbare lasten op;
c. Neem geen scherpe bochten. Let op bij het achteruit rijden;
d. Gebruik tegengewichten of gewichten op de wielen wanneer dit wordt aangeraden in de gebruiksaanwijzing.

Schakel het maaisysteem of de krachtafnemer af bij het oversteken van niet met gras begroeide terreinen, onderweg naar of op de terugweg van het te maaien gebied en zet de maaisysteemgroep in de hoogste stand.

Wanneer u de machine in de buurt van een weg gebruikt, goed op het verkeer letten.

LET OP! De machine is niet goed-gekeurd om op de openbare weg te rijden. U mag de machine (overeenkomstig het Wegenverkeersreglement) alleen op privéterrein gebruiken, dat voor openbaar wegverkeer afgesloten is.

De machine nooit gebruiken wanneer de beschermingen beschadigd zijn.

Kom niet met uw handen of voeten in de buurt van of onder de draaiende delen. Blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening.

De machine niet in hoog gras laten staan met een draaiende motor, teneinde geen risico op brand te veroorzaken.

Richt wanneer u accessoires gebruikt de uitlaat nooit op andere personen.

Gebruik alleen accessoires die zijn goedgekeurd door de fabrikant van de machine.

Gebruik de machine niet als de accessoires/werktuigen niet op de voorziene punten zijn gemonteerd. Rijden zonder accessoires kan een negatief effect hebben op de stabiliteit van de machine.

Let goed op bij het gebruik van opvangzakken en accessoires die effect kunnen hebben op de stabiliteit van de machine, met name op hellingen.

Wijzig de afstelling van de motor niet en laat het toerental van de motor niet buitengewoon hoog oplopen.

Kom niet aan motoronderdelen die gedurende het gebruik heet worden. Kans op brandwonden.

Schakel het maaisysteem of de krachtafnemer uit, zet in de neutrale stand en schakel de parkeerrem in, stop de motor en haal de sleutel eruit (waarbij u zich ervan verzekert dat alle draaiende delen volledig tot stilstand zijn gekomen):
a. ledere keer dat u de machine onbeheerd achterlaat of de bestuurdersplaats verlaat:
b. Voordat u de oorzaken van blokkeringen opheft of voordat u het windka-naal leegmaakt;
c. Vóórdat u de machine controleert, schoonmaakt of ermee werkt;
d. Nadat u op een vreemd voorwerp gestoten bent. Controleer of de machine beschadigd is en voer de nodige reparaties uit vóórdat u de machine opnieuw gebruikt;

Schakel het maaisysteem of de krachtafnemer uit en stop de motor (waarbij u zich ervan verzekert dat alle draaiende delen volledig tot stilstand zijn gekomen):
a. voordat u benzine bijvult;
b. iedere keer als u de opvangzak verwijdert of opnieuw aanbrengt;
c. voordat u de maaihoogte instelt, als dit niet vanaf de bestuurdersplaats gedaan kan worden.

Het maaisysteem of de krachtafnemer moeten gedurende transport of wanneer ze niet in gebruik zijn worden uitgeschakeld.

Neem gas terug voordat u de motor uitschakelt. Draai, na voltooiing van het maaien, de benzinekraan dicht, waarbij u de in het boekje vermelde aanwijzingen dient na te leven.

Let, wanneer er meer dan één maaisysteem aanwezig is, op de groep van maaielementen; één draaiend maaisysteem kan de andere systemen namelijk aan het draaien brengen.

LET OP – In geval van breuk van onderdelen of ongelukken gedurende het werk, de motor onmiddellijk afzetten en de machine verwijderen om geen verdere schade te veroorzaken; in geval van ongelukken waarbij uzelf of anderen verwond zijn geraakt, onmiddellijk de eerstehulpdiensten inschakelen en/of naar een ziekenhuis gaan. Eventuele resten die, indien ze ongezien blijven, schade of letsel van personen of dieren kunnen veroorzaken, zorgvuldig verwijderen.

LET OP - Het niveau van het geluid en van de trillingen dat aangegeven is in deze handleiding, zijn de maximale
waarden voor het gebruik van de machine. Het gebruik van een niet gebalanceerd maai-element, een overdreven snelheid van de beweging, het gebrek aan onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Daarom is het noodzakelijk preventieve maatregelen te treffen om mogelijke schade wegens een hoog geluidsniveau en wegens belastingen door trillingen te vermijden; voer het nodige onderhoud uit op de machine, gebruik gehoorbescherming, en neem pauzes tijdens het werk in acht.
3.4 ONDERHOUD EN OPSLAG

LET OP! – Haal de sleutel uit het contact en lees de bijgeleverde instructies alvorens enige reinigings-, of onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Trek geschikte kleding en werkhandschoenen voor alle handelingen die gevaarlijk kunnen zijn voor de handen.

LET OP! – Gebruik de machine nooit als er onderdelen versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten vernieuwd en niet gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet originele en/of niet goed gemonteerde onderdelen beïnvloedt de veiligheid van de machine, kan ongelukken of persoonlijk letsel aanrichten en de fabrikant kan hiervoor niet aansprakelijk gesteld worden.

Alle onderhoudshandelingen en af- stellingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machi- ne. Werkzaamheden die worden uit- gevoerd in niet adequaat toegeruste structuren of door niet-gekwalificeerd personeel leiden tot het vervallen van iedere vorm van garantie en ontheffen de fabrikant van alle verplichtingen en van iedere aansprakelijkheid
- Verwijder na elk gebruik de sleutel en controleer op eventuele schade.
- Zorg ervoor dat moeren en bouten altijd zijn vastgedraaid, om er zeker van te zijn dat de machine altijd in veilige gebruikscondities is. Regelmatig onderhoud is van essentieel belang voor de veiligheid en om de prestaties van de machine hoog te houden.
- Controleer regelmatig of de schroeven van het maaisysteem goed zijn aangehaald.

Draag werkhandschoenen wanneer u aan het maaisysteem komt om dit te demonteren of te monteren.

Let bij het slijpen van het maaisysteem op dat dit in balans blijft. Alle werkzaamheden die betrekking hebben op het maaisysteem (demontage, slijpen, uitbalanceren, montage en/of vervanging) zijn ingewikkelde werkzaamheden die specifieke competenties vereisen en, om veiligheidsredenen, het gebruik van speciale gereedschappen. Dergelijke werkzaamheden dienen daarom altijd bij een gespecialiseerd centrum te worden uitgevoerd.
- Controleer regelmatig de werking van de remmen. Het is belangrijk de remmen goed te onderhouden en ze, indien nodig, te repareren.
- Vervang beschadigde waarschuwings- en instructiestickers.
- Als de machine niet is voorzien van mechanische transportvergrendelingen, moet u de accessoires altijd op de grond laten rusten wanneer u de machine parkeert, opbergt of onbewaakt achterlaat.
- Berg de machine op in een ruimte die niet voor kinderen toegankelijk is.

Zet de machine nooit met brandstof in de tank in een ruimte waar de brandstofdampen met vlammen, vonken of een warmtebron in aanraking zouden kunnen komen.
- Laat de motor eerst afkoelen vóórdat u de machine opbergt.
- Om het brandgevaar zoveel mogelijk te beperken dient u de motor, de geluiddemper van het
uitwerpmechanisme, de accubak en de brandstoftank vrij te houden van gras, bladeren of teveel vet.
- Om het gevaar op brand te verkleinen regelmatig controleren of er sprake is van olie- en/of brandstoflekkage.
- Als u de tank moet legen, dient u dit in de open lucht te doen terwijl de motor koud is.
- Laat de sleutels nooit in het contact zitten of binnen het bereik van kinderen of personen die de machine niet mogen gebruiken. Voordat u onderhoud gaat uitvoeren, altijd eerst de sleutel uit het contact halen.

LET OP! Het zuur dat in de accu zit is bijtend. Bij mechanische schade of overlading kan het zuur uit de accu lekken. Vermijd inademing en aanraking met willekeurig welke lichaamsdelen.

Zuurdampen kunnen bij inademing letsel veroorzaken aan slijmvliezen en inwendige organen. Ga onmiddellijk naar een arts.

LET OP! – De accu niet te veel opladen. Door overlading van de accu kan deze ontploffen, waardoor het zuur uit de accu ontsnapt.

LET OP! – Zuur kan ernstige schade veroorzaken aan gereedschappen, kleding en ander materiaal. Spoel gemorst zuur onmiddellijk weg met water.

De klemmen van de accu nooit kortsluiten. Hierbij kunnen vonken ontstaan, waardoor brand kan worden veroorzaakt.

LET OP voor de hydraulische onderdelen. Onder druk wegspuitende hydraulische vloeistof kan in de huid dringen en deze ernstig beschadigen, in dit geval is onmiddellijke medische hulp vereist.
3.5 TRANSPORT

LET OP! - Als de machine op een vrachtwagen of op een oplegger vervoerd moet worden, dient men toegangshellingen met geschikte draagkracht, breedte en lengte te gebruiken.
Sluit gedurende het transport brandstofkraan (indien voorzien), zet de maaisysteemgroep of het accessoire, in de laagste stand, schakel de handrem in en zorg dat de machine goed vastzit aan het vervoermiddel met touwen of kettingen.
3.6 MILIEU
- Bij het gebruik van deze machine dient men altijd de prioriteit te geven aan de bescherming van het milieu, en de fatsoensnormen van de samenleving en van de omgeving waarin we wonen in acht te nemen. Zorg ervoor dat u geen overlast voor uw buren veroorzaakt.
- Houd u strikt aan de plaatselijke voorschriften voor de gescheiden afvalverwerking van verpakkingen, olie, brandstof, filters, kapotte onderdelen of andere elementen die schadelijk zijn voor het milieu; deze zaken moeten niet bij het huisvuil worden gegooid, maar moeten worden verzameld en afgegeven bij speciale centra, die deze materialen kunnen recyclen.
- Houd u strikt aan de plaatselijke voorschriften voor de afvoer van het restmateriaal dat overblijft na het maaien.
- Op het moment dat de machine wordt afgedankt, mag hij niet in het milieu worden achtergelaten. Breng hem naar een centrum voor afvalverzameling, in overeenstemming met de geldende plaatselijke voorschriften.
4 VERZEKER UW ZITMAAIER
Controleer of uw nieuwe zitmaaier verzekerd is.
Neem contact op met uw verzekeringsmaatschappij.
U dient een polis af te sluiten die verkeersongelukken, brand, schade en diefstal omvat.
5 MONTAGE

U dient de machine niet te gebruiken voordat alle aanwijzingen uit het hoofdstuk "MONTAGE" zijn opgevolgd.

Het uitpakken en monteren van de machine moeten op een rechte en stevige ondergrond plaatsvinden en met voldoende ruimte om de machine en de verpakkingen te verplaatsen. Gebruik altijd geschikte werktuigen.
5.1 ONDERDELEN VOOR DE MONTAGE (3)
De machine wordt afgeleverd met gedemonteerde zitting, armleuningen, stuurwiel, trekplaat en snelsluitingen. De accu zit op zijn plaats en is aangesloten.
In de verpakking zitten de in de volgende tabel vermelde onderdelen voor de montage (3):
| [740 IOX; 540 IX] | |||
| Pos. N. | Beschrijving Afmeting | ||
| A 2 Spanstift 6 x 36 | |||
| B 2 Sleutel voor contactslot / | |||
| C | 1 Sleutel voor hoofdschakelaar | / | |
| D | 2 Armleuningen | / | |
| E 4 Bevestigingsschroeven zitting M8 x 40 | |||
| F | 10 Pinnen voor bevestiging balg | ||
| G | 4 Bussen voor bevestiging zitting | ||
| H | 4 Grower-ringen M8 | ||
| L | 4 Zeskantschroef M8 x 40 | ||
| M | 1 Opbergvak | ||
| N | 4 TORX schroeven (bevestiging opbergvak) | M6 x 20 | |
| O | 1 Trekplaat | ||
| P 2 Flensmoer M8 | |||
| Q | 2 Zeskantschroef M8 x 20 | ||
| R | 2 Snelsluitingen | ||
| [340 IX] | |||
| Pos. | N. Beschrijving | Afmeting | |
| A | 2 Spanstift | 6 x 36 | |
| B | 2 Sleutel voor contactslo | / | |
| C | 1 Sleutel voor hoofdschakelaar | / | |
| D | 2 Armleuningen | / | |
| M | 1 Opbergvak | ||
| N | 4 TORX schroeven (bevestiging opbergvak) | M6 x 20 | |
| O | 1 Trekplaat | ||
| P | 2 Flensmoer | M8 | |
| Q | 2 Zeskantschroef | M8 | x 20 |
| R | 2 Snelsluitingen | ||
| S | 2 Bevestigingspen zitting | M8 | |
5.2 ZITTING

Installeer de zitting door de aanwijzingen in onderstaande volgorde uit te voeren.
5.2.1 Montage van de armleuningen (6)
De armleuningen en de onderdelen die nodig zijn voor de installatie ervan worden in een aparte verpakking geleverd. Deze zit in de verpakking van de machine.
5.2.2 Montage van de zitting (5) (Mod. 740 IOX, 540 IX)
- Smeer een laagje vet op de 4 glijblokken (5:A).
- Prepareer de 4 schroeven (M8 x 40) met de veerringen en bussen erop gemonteerd. Zie (5:B).
- Licht de drager van de zitting (5:C) op zodat hij in verticale stand staat.
- Breng de zitting in de buurt van de drager en steek de groep (5:B) in de sleuf (5:D) van de drager.
- Plaats de zitting op de drager en breng hem zodanig in positie dat de gaten van de bevestigingsschroeven zich ongeveer halverwege de slag van de glijblokken bevinden.
- Steek de 4 schroeven (5:B) in en draai ze vast.
- Blokkeer de schroeven, aanhaalkoppel 20÷25 Nm.

Als het aanhaalmoment groter dan 25 Nm is, raakt de zitting beschadigd.
- Verbind de connector van de zitting (5:E) met de connector van de bedrading (5:F).

Als de connectors niet met elkaar zijn verbonden, werkt de machine niet.
- Laat de kabel van de bedrading door de bevestigingsclip (5:H) gaan om deze goed op zijn plaats te houden.
5.2.3 Montage van de zitting (5) (Mod. 340 IX)
- De zitting is bij aflevering reeds op de draagplaat gemonteerd.
- Breng de zitting in positie door de gaten van de plaat van de zitting samen te laten vallen met de gaten van de onderplaat.
-
Plaats de schroeven (M8x40) in de gaten van de drager van de zitting en in de gaten van de plaat van de zitting.
-
Schroef de zitting vast. Aanhaalmoment: 20±25 Nm.

Als het aanhaalmoment groter dan 20±25 Nm is, raakt de zitting beschadigd.
5.2.4 Montage balg (7) (Mod. 740 IOX, 540 IX)
- Bevestig de zitting met de 2 schroeven (7:B).
- Plaats de balg (7:A).
- Bevestig de balg met de 10 pinnen (7:C).
5.2.5 Montage van het opbergvak (8)
Monteer het opbergvak (8:B) op de rugleuning van de zitting (8:A) met behulp van de 4 schroeven (8:C).
5.3 STUURWIEL (9)
- Schuif de mof van het stuurwiel (9:A) helemaal tot aan het eind op de kolom (9:B).
- Lijn de gaten van de mof uit met de gaten van de kolom.
- Na de gaten (9:C) te hebben uitgelijnd, de twee stiften (9:D) insteken.
5.4 TREKPLAAT (10)
Monteer de trekplaat (10:A) aan de achterzijde van de machine.
Gebruik de schroeven en moeren (10:B; 10:C).
Aanhaalmoment: 22 Nm.
5.5 SNELSLUITINGEN (1:R)
De snelsluitingen en installatie-instructies worden in een aparte doos geleverd. Deze zit in de verpakking van de machine.
Monteer de snelsluitingen op de voorste assen van de machine.
5.6 DE ACCU OPLADEN

Voor het eerste gebruik dient de accu volledig te worden opgeladen.

Zie voor de procedures voor het opla- den van de accu 9.8.
5.7 BANDENSPANNING
Zie voor de bandenspanning "TABEL TECHNISCHE GEGEVENS"
5.8 ACCESSOIRES
Voor de montage van accessoires kijkt u in de aparte montagehandleiding die bij iedere accessoire wordt geleverd.

Richt u tot het erkende dienstcentrum voor het aanbrengen van het correcte toebehoren.

Opmerking: In dit geval wordt de maaisysteemgroep als een accessoire beschouwd
6 BEDIENINGEN EN INSTRUMENTEN
6.1 MOTORKAP (11)
De motorkap wordt als volgt geopend:
- Draai de twee schroeven (11:A) 90°
- Trek de handgreep (11:B) naar boven en licht tegelijkertijd voorzichtig de motorkap (11:C) op.
- Om de motorkap te sluiten, zo nodig lichte druk uitoefenen totdat de handgreep (11:B) vastklikt. Draai de twee schroeven(11:A) 90°.

Het is verboden de motor te starten wanneer de motorkap geopend is.
6.2 HOOFDSCHAKELAAR MET SLEUTEL (12)
De elektrische voeding wordt geactiveerd met de sleutel (12:A). Deze bevindt zich onder de motorkap(1:H), om toegang tot de hoofdschakelaar te krijgen moet de motorkap dus worden geopend (zie 6.1).
Steek de sleutel (12:A) in de hoofdschakelaar, druk op de sleutel en draai hem met de klok mee om de voeding van het elektrische systeem te activeren.
Draai de sleutel tegen de klok in om de elektrische voeding uit te schakelen.

De sleutel kan alleen worden uitgetrokken wanneer hij tegen de klok in is gedraaid.
6.3 PEDAAL PARKEERREM(13:A)

Druk het pedaal tijdens het bedrijf nooit gedeeltelijk in. De krachtoverbrenging kan dan oververhit raken.
Het pedaal (13:A) heeft de volgende drie standen:

Omhoog. De aandrijving is ingeschakeld. De parkeerrem is niet geactiveerd.
Volledig ingetrapt. De aandrijving is uitgeschakeld. De parkeerrem is geactiveerd maar niet vergrendeld. Deze stand wordt ook gebruikt als noodrem.
6.4 BLOKKEERHENDEL VAN DE PARKEER-REM (13:B)

Vergrendelt het "rem"-pedaal in volledig ingetrapte stand. Deze functie wordt gebruikt om de machine te vergrendelen op hellingen, tijdens transport enz., als de motor niet draait.
Vergrendelen:
- Trap het pedaal (13:A) volledig in.
- Trek de hendel (13:B) omhoog.
- Laat het pedaal (13:A) los.
- Laat de hendel (13:B) los.
Ontgrendelen:
Trap het pedaal (13:A) in en laat het weer los.
6.5 PEDAAL AANDRIJVING (13:C)
Het pedaal regelt de overbrengingsverhouding tussen de motor en de aandrijfwielen (= de snelheid).
Wanneer het pedaal omhoog staat, wordt de bedrijfsrem geactiveerd.

- Pedaal voorwaarts, – de machine gaat vooruit.
- Pedaal onbelast – de machine staat stil.
- Pedaal achterwaarts – de machine rijdt achteruit.
Minder druk op het pedaal – de machine remt.

Als de machine niet remt zoals verwacht als het pedaal wordt losgelaten, moet het linker pedaal (13:A) als noodrem worden gebruikt.
De hoogte van het stuur is volledig instelbaar. Draai de instelknop (13:D) op de stuurkolom los en stel het stuur op de gewenste stand in. Draai de knop weer vast.

Verstel het stuur nooit tijdens het rijden.

Draai nooit aan het stuur als de machine stilstaat en het accessoire in de werkstand staat. De kans bestaat dat het stuurbekrachtigingmechanisme wordt overbelast.
Dient voor het regelen van het motortoerental.

- Vol gas - bij gebruik van de machine altijd vol gas geven.

- Stationair.
Wordt gebruikt om de motor te starten als deze koud is. De chokehendel heeft twee standen:

-
Hendel helemaal uitgetrokken - de choke is ingeschakeld. (voor koude start).
-
Hendel naar binnen geduwd - de cho- ke is uitgeschakeld. (normale werking en warme start.)

Rijd nooit met ingeschakelde choke als de motor warm is.
6.9 CONTACTSLOT MET SLEUTEL(14:C)

Sleutel voor het vrijgeven/belemmeren van de inschakeling van de machine.
Steek de sleutel (14:C) in en draai hem op de stand "I" (RIJDEN) om de inschakeling van de machine vrij te geven. Alle lampjes van het display en het geluidssignaal worden een ogenblik ingeschakeld. Op het display blijven alleen de volgende elementen actief: de functie "urenteller", het lampje van de olie (dooft automatisch meteen na het starten van de motor) en eventueel het lampje van de parkeerrem, indien ingeschakeld, en die van de stoel als de bestuurder niet op de stoel zit.
Zet de sleutel weer in de stand "O" om in- schakeling van de machine te belemme- ren.

De sleutel kan alleen worden uitgetrokken in de stand "O".

Als de bestuurder afwezig is en de sleutel in de stand "I" staat, zal na 30 seconden en ononderbroken geluidssignaal worden geactiveerd. Het geluidssignaal houdt aan tot de bestuurder aanwezig is of tot de machine wordt uitgeschakeld.
6.10 DISPLAY EN TOETS MODE' VAN DE CON- SOLE (14:D; 15) (Mod. 740 IOX, 540 IX)

Toets MODE (14:E). Met de toets MODE kunnen de bij de functies behorende ver- klikkers worden geselecteerd: urenteller, omgevingstemperatuur, motortoeren, accu. Bovendien kan de inschakeling van de koplamp worden geforceerd, door de schemersensor uit te schakelen.
- De toets kort indrukken en weer loslaten om achtereenvolgens de bij de verschillende functies behorende verklikkers van het display in te schakelen. Op de alfanumerieke digits van het display worden de gegevens getoond die bij het geselecteerde pictogram horen, het laatste cijfer is voor de meeteenheid.
- Langer dan 1 seconde indrukken om de koplamp handmatig in of uit te schakelen.

Bij iedere inschakeling van de machine wordt het automatische beheer van de inschakeling van de koplamp automatisch hersteld.
Digits (15:A). Deel van het display dat alfanumerieke gegevens toont voor de verschillende functies.

Urenteller(15:B). De alfanumerieke digits tonen het aantal uren dat de machine heeft gereden, onderverdeeld in uren en tiende van uren. Werkt alleen bij draaiende motor. De meeteenheid wordt gevolgd door de letter H.

Omgevingstemperatuur (15:C). De alfanumerieke digits tonen de omgevingstemperatuur. De meeteenheid wordt gevolgd door de letter C.

Toerenteller (15:D). De digits tonen het aantal toeren van de motor. Als ze knipperen, betekent dit dat het motortoerental, met actieve krachtafnemer, niet optimaal is (hoger dan 2500 TPM). Geef vol gas.

Service (15:E). Signaleringen voor het onderhoud. De cijfers op de digits beginnen te knipperen wanneer de machine de onderhoudslimiet bereikt.
Het knipperen duurt twee minuten en heeft de prioriteit boven andere functies van het display. In deze fase kan de toets MODE niet worden gebruikt.
Wanneer de waarde 99999 uur wordt be- reikt, begint de teller weer opnieuw bij nul. Bij meer dan 999 uur, worden de minuten niet langer geteld.

Accu (15:F). De alfanumerieke digits to- nen de accuspanning.

Krachtafnemer (15:G). Het brandende lampje geeft aan dat de krachtafnemer is ingeschakeld.

12V ON/OFF (15:H). Het brandende lampje geeft aan dat het accessoire aan de achterzijde is ingeschakeld.

Koplamp(15:l). Het brandende lampje geeft aan dat de koplamp, die normaal wordt beheerd door de schemersensor, is ingeschakeld.

Maximale helling (15:L). Het lampje begint te knipperen wanneer de helling van de machine de drempel van 10° overschrijdt.

In geval van storingen van de sensor wordt de melding "TILT FAULT" weergegeven.

Pedaal parkeerrem (15:M). Het brandende lampje geeft aan dat de parkeerrem is ingeschakeld.

Zitting (15:N). Het brandende lampje geeft aan dat de bestuurder niet op zijn plaats zit.

Olie (15:P). Als het lampje brandt gedurende de werking van de machine, is er niet genoeg olie.
6.11 BEDIENING KOPLAMPEN EN ACCESSOIRE ACHTERZIJDE (14:D; 15) (Mod. 340 IX)

Toets koplamp /12V (14:E). Door op de toets Koplamp/12V te drukken worden de functies voor inschakeling van de koplamp en activering van het accessoire aan de achterzijde geactiveerd.

Wanneer de bediening wordt ingeschakeld, gaat er een ronde led rond de drukknop branden.
- Kort indrukken en loslaten om de ko-plamp handmatig in of uit te schakelen.
Als de bediening actief is, gaat de led net boven de drukknop branden.
- De toets langer dan 1 seconde indrukken om het accessoire aan de achterzijde handmatig in of uit te schakelen. Als de bediening actief is, gaat de led net onder de drukknop branden.
6.12 DISPLAY URENTELLER (14:D; 15) (Mod. 340 X)

Display urenteller (15:B). De alfanumerieke digits tonen het aantal uren dat de machine heeft gereden, onderverdeeld in uren en tiende van uren. Werkt alleen bij draaiende motor. De meeteenheid wordt gevolgd door de letter H.
Wanneer de waarde 99999 uur wordt be- reikt, begint de teller weer opnieuw bij nul. Bij meer dan 999 uur, worden de minuten niet langer geteld.
6.13 KRACHTAFNEMER (14:F)

Knop voor inschakeling/uitschakeling krachtafnemer (14:F). Druk op de knop om de krachtafnemer in of uit te schakelen.
6.14 MAAIHOOGTE-INSTELLING (14:G)
De machine heeft twee knoppen voor instelling van de maaihoogte:

Indrukken om de maaihoogte te vergroten.

Indrukken om de maaihoogte te verminde- ren.
Het maaidek wordt aangesloten op het contact (16:A).
6.15 BEDIENING VOOR INSTELLING ACCESSOIRE ACHTERZIJDE (14:H; 14:I)
De machine heeft een bediening voor de elektrische regeling van een accessoire aan de achterzijde (optioneel accessoire).
De contactdoos (17:B) (optioneel) voor aansluiting van het accessoire zit op de rechter achterzijde van de machine.

De knop dient voor het omhoog en omlaag brengen van het accessoire aan de achterzijde.

6.16 BEDIENING VOOR ACCESSOIRE ACHTERZIJDE (14:L)
De machine is geschikt voor gebruik van een elektrisch accessoire aan de achterzijde.
De contactdoos (17:a) voor aansluiting van het accessoire zit op de rechter achterzijde van de machine.

Deze knop wordt gebruikt om de stroom-toevoer naar het accessoire in te schakelen / te onderbreken.
Zie voor het vermogen van het accessoire aan de achterzijde " [1] 00 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS"

Gebruik enkel door STIGA SpA goedgekeurde accessoires.
6.17 HYDRAULISCH SYSTEEM VOOR HET HEFFEN VAN ACCESSOIRES (1:G)
Het hydraulische systeem voor het opheffen van accessoires is alleen actief wanneer de motor draait en het pedaal (13:A) is losgelaten. Het systeem voor het opheffen van accessoires wordt bediend via de hendel (14:M).
De hendel kan in vier standen worden gezet:

Zweefstand. Zet de hendel in de voorste stand, de hendel zal in deze stand blokkeren. Op dit punt wordt het accessoire omlaag gebracht tot in de zweefstand. In deze stand rust het accessoire altijd op de grond en oefent het altijd dezelfde druk uit, zodat de contouren van het terrein worden gevolgd. Gebruik de zweefstand geduren- de het uitvoeren van werkzaamheden.

Omlaag. Het accessoire beweegt omlaag, onafhankelijk van het gewicht ervan.

Ruststand (middenstand). Na de beweging omhoog of omlaag keert de hendel terug in de ruststand. Het accessoire handhaaft de positie die als laatste werd ingesteld.

Omhoog. Zet de hendel in de achterste stand, totdat het accessoire de hoogste stand heeft bereikt (transportstand). Laat de hendel vervolgens los: het accessoire blijft geblokkeerd in de transportstand.
6.18 BEDIENINGSHENDELS HYDRAULISCHE AANSLUITINGEN (14:O; 14:N) (Mod. 740 IOX)
De twee hendels (14:O; 14:N:) bedienen de hydraulische aansluitingen (18:A; 18:B) op de linker voorzijde.
Om toegang tot de aansluitingen te krijgen, verwijdert u het beschermcarter (18:C) dat vastzit met een schroef.
Verbind de hydraulische leidingen van het accessoire met een paar aansluitingen AUX1 of AUX2 (18).
Beide hendels hebben drie standen:
Stand vooruit / achteruit: door de hendel in één van deze richtingen te verplaatsen, verkrijgt u de voorziene beweging voor het aangesloten accessoire (zie de instructies die bij het accessoire zijn geleverd).
Middenstand: ruststand.
Om het accessoire te activeren, gaat u als volgt te werk:
- Druk de hendel zoveel vooruit / achteruit als nodig is om de gewenste beweging te verkrijgen.
- Laat de hendel los om het accessoire in de gekozen stand te blokkeren, de hendel keert automatisch terug in de ruststand.
6.19 HENDEL VOOR INSCHAKELING / DE-BLOKKERING VAN DE AANDRIJVING (19)
Hendel om de traploze transmissie uit te schakelen.

De hendel voor inschakeling / deblok- kering mag nooit tussen de binnenste en buitenste stand staan. Dit leidt tot oververhitting en beschadiging van de transmissie.
Hiermee kunt u de machine handmatig verplaatsen (door hem te duwen of te trekken) zonder de motor te gebruiken. De twee standen zijn:

-
Transmissie ingeschakeld = hendel naar buiten. Voor normaal gebruik, de blokkering van de hendel in deze stand wordt aangegeven door een klik.
-
Transmissie gedeblokkeerd = hendel n aar binnen. De machine kan handmatig worden verplaatst.
De machine mag niet over lange afstanden of met hoge snelheid worden gesleept. Hierdoor kan de transmissie worden beschadigd.

Stel de machine niet in werking met de transmissie gedeblokkeerd (hendel naar binnen). Gevaar voor beschadiging en olielekken in de achteras.
6.20 INSTELLING VAN DE ZITTING (20)
De zitting kan naar voor of achter worden geschoven zoals hierna aangegeven:
- Verplaats de bedieningshendel (20:A) omhoog.
- Breng de zitting in de gewenste stand.
- Laat de hendel (20:A) los om de zitting te blokkeren.
Met de knop (20:B) [740 IOX / 540 IX] kan worden ingesteld hoe stug de vering is.
- Draai de knop met de klok mee om de vering stugger te maken.
- Draai de knop tegen de klok in om de vering zachter te maken.

Draai aan de knop tot u de meest comfortabele stand hebt gevonden.
De zitting is voorzien van een beveiligingsschakelaar die is aangesloten op het beveiligings-systeem van de machine. Dit houdt in dat de machine niet gestart kan worden als er niemand op de zitting zit. (zie 7.8.2).
6.21 SNELSLUITINGEN (21; 22; 23)

Dankzij deze snelsluitingen kan zeer snel en eenvoudig van accessoire gewisseld worden.
De snelsluitingen zorgen ervoor dat het maaidek gemakkelijk kan wisselen tussen de twee standen: Normale stand met volledig aangespannen riem.
4 cm achter de normale stand met losse riem, zodat het maaidek dichter bij de basismachine komt.
Omdat de riemspanner loskomt van de riem, vereenvoudigen de snelsluitingen de vervanging van de riem en het maaidek en wordt het omschakelen naar de reinigingsstand en de servicestanden gemakkelijker.
Spanning van de riem halen (21)

Zie ook de aanwijzingen die bij het accessoire en de snelsluiting zijn geleverd.
- Verwijder de splitpennen of de borgstiften (21:C) aan beide zijden.
- Open de snelsluitingen door de achterste gedeelten met uw hiel naar beneden te drukken (21:A).

Nadat de snelsluitingen geopend zijn, zijn de armen van het accessoire vrij, en zitten dus niet langer aan de bevestiging vast.

Voor afstel- of onderhoudswerkzaam- heden, de armen weer op de sluiting plaatsen en de sluiting vergrendelen.
-
Voer de noodzakelijke aanpassingen uit, bijvoorbeeld:
-
Haak de riem los.
- Verwissel het accessoire door de armen (22) los te maken.
Aanspannen van de riem (21, 22)
Span de uiteinden afzonderlijk aan volgens onderstaande instructies.

Draai de hendel niet met uw handen. Gevaar voor verwonding door beknelling.
- Plaats uw voet op de hendel (22:A) en draai voorzichtig een halve slag naar voren.
- Installeer de splitpen of borgstift (21:C).
- Doe hetzelfde aan de andere kant.
7 STARTEN EN BEDRIJF
7.1 VOORZORGSMAATREGELEN

Controleer altijd of het oliepeil in de motor correct is. Dit is met name belangrijk bij het werken op hellingen (zie 7.6).
Schakel de parkeerrem in wanneer u de machine parkeert.

Wanneer u op de maximumsnelheid rijdt, het stuur niet volledig draaien. De machine kan dan kantelen.

Blijf met uw handen en voeten uit de buurt van de scharnierende koppeling van de stuurinrichting en van de drager van de zitting. Gevaar voor verwonding door beknelling.
7.2 GECOMBINEERD GEBRUIK VAN ACCESSOIRES

Zie voor het gecombineerde gebruik van accessoires de "TABEL VOOR DE JUISTE COMBINATIE VAN ACCESSOIRES" in hoofdstuk "0 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS"
7.3 BIJVULLEN MET BENZINE (24)

Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Meng de benzine niet met olie.
Voor de inhoud van de tank zie “[1] 00 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS”. De tank is doorzichtig, zodat het peil gemakkelijk gecontroleerd kan worden.

LET OP! De benzine mag niet langer dan 30 dagen in de tank blijven, anders bederft hij.
Het is mogelijk om milieuvriendelijke benzine te gebruiken, bijvoorbeeld alkylaatbenzine. Door zijn speciale samenstelling heeft deze benzine een minder slechte uitwerking op het milieu.
Er zijn geen negatieve effecten van het gebruik ervan bekend. In de handel bestaan echter soorten alkylaatbenzine waarvoor geen precieze indicaties ten aanzien van het gebruik kunnen worden gegeven.
Raadpleeg voor meer informatie de instructies en gegevens die worden geleverd door de fabrikant van de alkylaatbenzine.
Het raam (24:A) van de tank is doorzichtig zodat het peil gemakkelijk kan worden gecontroleerd. U mag de tank niet volledig vullen. Laat wat ruimte over (tenminste de volledige vulmond + 1 - 2 cm boven in de tank) zodat de benzine, wanneer hij warm wordt, kan uitzetten zonder over te stromen.

Wanneer u de machine voor de laatste keer gebruikt voordat u hem voor een lange periode opbergt (bijvoorbeeld voor de winter), dient u ervoor te zorgen dat er precies genoeg brandstof in de tank zit voor dat gebruik.
Alvorens de machine voor lange tijd op te bergen, dient de brandstoftank volledig te worden geleegd (zie 11).
7.4 MOTORKAP (10)

Zie voor de toegang tot de motor en de hoofdschakelaar met sleutel 6.1.
7.5 MOTORCARTER (30)
Om het motorcarter te demonteren dient u eerst de motorkap te openen.
7.5.1 Demontage motorcarter
- Draai de 8 schroeven (30:A) los.
- Verwijder de dop van de benzinetank.
- Verwijder het motorcarter (30:B).
- Zet de dop van de tank terug.
- Voer de noodzakelijke werkzaamheden uit.
7.5.2 Montage motorcarter
- Verwijder opnieuw de dop van de benzinetank.
- Zet het motorcarter (30:B) terug.
- Zet de dop van de tank terug.
- Draai de 8 schroeven weer vast.
7.6 CONTROLE VAN HET OLIEPEIL VAN DE MOTOR (25)
Bij de aflevering zit er al olie in de motor.

Alvorens de machine te starten, het oliepeil van de motor controleren.

Zie voor controleren / bijvullen van de motorolie 9.5.1, 9.5.2.
7.7 CONTROLE VAN HET TRANSMISSIE-OLIEPEIL

Zie voor controleren / bijvullen van de transmissieolie 9.6.1.
7.8 VEILIGHEIDSCONTROLES
Controleer, wanneer u de machine uitprobeert, of de resultaten van de veiligheidscontroles overeenstemmen met hetgeen vermeld is in onderstaande tabellen.

De veiligheidscontroles moeten voor ieder gebruik worden uitgevoerd.

Als één van de resultaten van de controles afwijkt van hetgeen in onderstaande tabellen is aangegeven, mag u de machine niet gebruiken! Breng de machine naar een servicewerkplaats voor de noodzakelijke controles en reparaties.
7.8.1 Algemene veiligheidscontrole
| Onderdeel Resultaat | |
| Brandstofsysteemen aansluitingen. | Geen lekkages. |
| Elektrischekabels. | Alle isolatie intact.Geen mechanischeschade. |
| Uitlaatsysteem. Geen lekkages bij de aan-sluitingen. Alle schroevenaangespannen. | |
| Oliecircuit Geen lekkages. Geenschade. | |
| Rijd de machinevoor- en achteruiten laat het pedaalvan de aandrijvingomhoog komen. | De machine zal stoppen. |
| Testrit Geen abnormale trillingen.Geen abnormale geluiden. | |
7.8.2 Elektrische veiligheidscontrole
| Toestand Handeling Resultaat | ||
| Bestuurder zit niet op zitting. Parkeerrem ingeschakeld. | Probeer de motor te starten. | De motor slaat niet aan. In het display (indien aanwezig) verschijnt het opschrift “SIT DOWN”. |
| Bestuurder zit op zitting. Parkeerrem uitgeschakeld. | Probeer de motor te starten. | De motor slaat niet aan. In het display (indien aanwezig) verschijnt het opschrift “PRESS BRAKE”. |
| Bestuurder zit op zitting. Parkeerrem ingeschakeld. | Probeer de motor te starten. | De motor slaat aan. |
| Motor draait, maaisysteem uitgeschakeld, parkeerrem ingeschakeld. | De bestuurder gaat staan. | De motor blijft draaien. |
| Motor draait, maaisysteem uitgeschakeld, parkeerrem uitgeschakeld. | De bestuurder gaat staan. | De motor slaat af. |
| Motor draait, maaisysteem ingeschakeld, parkeerrem uitgeschakeld. | De bestuurder gaat staan. | De motor slaat af. |
| Motor draait, maaisysteem ingeschakeld, parkeerrem ingeschakeld. | De bestuurder gaat staan. | De motor slaat af. |
7.9 STARTEN / BEDRIJF

Wanneer de machine wordt gebruikt, moet de motorkap gesloten en vergrendeld zijn.

Bij gebruik van de machine altijd vol gas geven.
- Open de benzinekraan (24:B).
- Steek de sleutel in de hoofdschakelaar (12:A).
- Schakel de transmissie in (19) - (hendel naar buiten).
- Steek de sleutel in het contactslot (14:C).
- Houd uw voet niet op het aandrijfpedaal (13:C).
Koude start
- Schakel de parkeerrem in (13:A).
- Geef vol gas (14:A).
- Trek de chokehendel helemaal naar buiten (14:B).
- Draai de sleutel van het contactslot in de stand "I" en druk op de knop START (14:P).

Alvorens met de machine te gaan werken, een paar minuten wachten tot de olie warm is.

In geval van gebruik aan lage temperaturen moet de machine opwarmen tot de hydraulische olie en de overbrenging op temperatuur zijn gebracht. Anders kan de overbrenging beschadigd worden.
Warme start
- Schakel de parkeerrem in (13:A).
- Geef vol gas (14:A).
- De chokehendel (14:B) moet omlaag staan.
- Draai de sleutel van het contactslot in de stand "I" en druk op de knop START.

Om verder te aan raadpleegt u de instructies uit paragraaf paragraaf 7.9.1.
7.9.1 Bedrijf
Om met de machine te werken, als volgt te werk gaan:
- Trap het pedaal (13:A) volledig in en laat het weer opkomen.
- Bedien het pedaal (13:C) om de machine te laten bewegen.
- Rijd naar het werkgebied.
- Activeer, als er accessoires gemonteerd zijn, de krachtafnemer (14:F).
- Begin te werken.
7.10 STOPPEN
Om te machine te stoppen, als volgt te werk gaan:
- Trap het pedaal van de parkeerrem volledig in (13:A).
- Trek de hendel (13:B) omhoog.
- Laat het pedaal (13:A) los.
- Laat de motor één tot twee minuten stationair draaien.
- Druk op de knop STOP (14:P) om de machine uit te schakelen.
- Zet de sleutel van het contactslot (14:C) in de stand "0" en trek hem eruit.
- Sluit de benzinekraan. Dit is vooral belangrijk als de machine op bijv. een aanhanger vervoerd moet worden.
- Trek de sleutel uit de hoofdschakelaar.

Als u de machine achter moet laten, de sleutel van het contactslot (14:C) en de sleutel van de hoofdschakelaar(12:A) verwijderen.

Direct na gebruik kan de motor bijzonder heet zijn. Raak de demper, de cilinder of de koelribben niet aan. Dit kan ernstige brandwonden veroorzaken.
7.11 REINIGING

Spuit nooit water onder hoge druk op de machine. Hierdoor kunnen asafdichtingen, elektrische onderdelen of hydraulische kleppen beschadigd raken.
Spuit nooit water op hoge druk tegen de ribben van de radiateur. De structuur van de ribben zou hierdoor beschadigd worden.
Maak de machine na gebruik altijd schoon. Houd u hierbij aan de volgende aanwijzingen:
- Spuit geen water rechtstreeks op de motor.
- Maak de motor schoon met een borstel en/of perslucht.
- Maak de koelluchtinlaat van de motor schoon.
- Start na het schoonmaken met water de machine en de maaisysteemgroep, om het water te verwijderen, dat anders in de lagers zou kunnen dringen en daar schade veroorzaken.
8 GEBRUIK VAN HET ACCESSOIRE

Controleer of het gras dat u gaat maaien vrij is van vreemde voorwerpen zoals stenen etc.
8.1 MAAIHOOGTE
U krijgt de beste resultaten als een derde van de hoogte van het gras wordt gemaaid. Zie afb. 32. Als het gras lang is en veel korter moet worden, kunt u beter twee keer maaien met twee verschillende maaihoogtes.
Gebruik niet de minimum maaihoogte als het oppervlak van het gazon ongelijkmatig is.
Anders loopt u het gevaar dat het maaisysteem beschadigd raakt door het oppervlak en dat de toplaag van het gazon wordt verwijderd.
8.2 MAAIADVIES
Volg voor een optimaal maairesultaat onderstaande aanwijzingen op.
Maai het gras regelmatig.
Gebruik de motor op volle kracht.
Het gras moet droog zijn.
Zorg dat de messen scherp zijn.
Houd de onderzijde van het maaidek schoon.
9 ONDERHOUD
9.1 ASSISTENTIEPROGRAMMA
Om de machine altijd in goede condities te houden voor wat betreft de betrouwbaarheid, werkveiligheid en milieuvriendelijkheid, moet het assistentieprogramma van STIGA SpA gegarandeerd worden.
De punten van dit programma worden aangeduid in de handleiding voor het onderhoud van STIGA SpA in bijlage.
De basiscontrole moet altijd worden uitgevoerd door een erkende servicewerkplaats.
De Eerste controle en de Tussencontrole kunnen het beste worden overgelaten aan een erkende servicewerkplaats, maar mogen ook door de gebruiker zelf worden uitgevoerd. De procedures zijn vermeld in het machinedocument en zijn beschreven in hoofdstuk "7 STARTEN EN BEDRIJF" en ook op de volgende pagina's.
Door de controles uit te laten voeren door een erkende servicewerkplaats, bent u verzekerd van professionaliteit en originele vervangingsonderdelen.
Het machinedocument wordt bij iedere Basiscontrole en bij iedere Tussencontrole door een erkende servicewerkplaats gestempeld. Een document met deze stempels verhoogt de tweedehands waarde van de machine.
9.2 VOORBEREIDING
Controles en onderhoudswerkzaamheden moeten altijd worden uitgevoerd bij stilstaande machine en uitgeschakelde motor.

Schakel altijd de parkeerrem in om te voorkomen dat de machine wegrolt.
Zet de motor af.
Vermijd onverwachts starten van de motor door de sleutel van het contact-slot (14:C) en de sleutel van de hoofdschakelaar (12:A) te verwijderen.

Zie voor de verversingsintervallen hoofdstuk 13.
9.3 Onderhoudstabel

Zie hoofdstuk "13 OVERZICHTSTABEL ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN". Het doel van de tabel is u te helpen om
uw machine efficiënt en veilig te houden. De tabel bevat de voornaamste werkzaamheden en de intervallen die er tussen de werkzaamheden moeten zitten.
Voer de betreffende handeling uit op het moment dat zich het eerst voordoet.

Ververs de olie regelmatiger als de machine onder extreme condities of bij hoge omgevingstemperaturen wordt gebruikt.
9.4 BANDENSPANNING
Regel de bandenspanning op de waarden die zijn vermeld in paragraaf "cap. 00 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS".
9.5 CONTROLEREN / BIJVULLEN VAN DE MOTOROLIE

Zie hiervoor ook de bij de machine ge-leverde handleiding van de motor.

Controleer voor elk gebruik of het olie- peil correct is. Voor deze controle moet de machine op een rechte ondergrond staan.

Het oliepeil mag nooit boven de "FUL-L"-streep komen. Een te hoog oliepeil kan de motor oververhitten. Als het oliepeil boven de "FULL"-streep staat, dient u olie af te tappen totdat het juiste peil is bereikt.

Ververs de olie regelmatiger als de machine onder extreme condities of bij hoge omgevingstemperaturen wordt gebruikt.
9.5.1 Controleren / bijvullen (26) (Mod. Honda GXV 630; 660; 690)
Veeg de omgeving van de peilstok schoon. Draai de oliepeilstok los en trek deze omhoog. Veeg de oliepeilstok af.
Duw de oliepeilstok volledig naar beneden maar schroef deze niet vast.
Trek de peilstok weer naar buiten. Lees het oliepeil af.
Vul olie bij tot de "FULL"-streep (26) als het oliepeil onder deze markering staat.
9.5.2 Controleren / bijvullen (29; 27) (Mod. B&S 8270; B&S VANGUARD 18HP)

Veeg de omgeving van de peilstok schoon. Draai de oliepeilstok los en trek deze omhoog. Veeg de oliepeilstok af.
Duw de oliepeilstok volledig naar beneden en schroef deze vast.
Schroef de peilstok weer los en trek deze weer omhoog. Lees het oliepeil af.
Vul olie bij tot de "FULL"-streep als het oliepeil onder deze markering staat (29; 27).
9.6 CONTROLEREN / BIJVULLEN VAN DE TRANSMISSIEOLIE
Zie voor de oliesoort paragraaf "TABEL TECHNISCHE GEGEVENS".
9.6.1 Controleren / bijvullen (25)
- Zet de machine op een vlakke ondergrond.
- Lees het oliepeil af op het reservoir (25:A). Het oliepeil moet tot de lijn komen.
- Vul indien nodig olie bij.
9.7 RIEMAANDRIJVINGEN
Controleer of alle riemen intact zijn.
9.8 ACCU
Zie voor het op de machine gebruikte accutype "cap. 00 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS"

LET OP! De accu bevat een bijtend zuur, het is gevaarlijk om hiermee in aanraking te komen. Ga voorzichtig met de accu om en zorg ervoor dat het zuur niet naar buiten kan stromen.

Als u het zuur in uw ogen of op uw huid krijgt, kan dit ernstig letsel veroorzaken. Als er zuur op uw lichaam terechtkomt, moet u het betreffende lichaamsdeel onmiddellijk afspoelen met een ruime hoeveelheid water en zo snel mogelijk medische hulp zoeken.
De accuvloeistof niet controleren en/of bijvullen. Het enige onderhoud dat verricht moet worden, is het opladen van de accu, bijvoorbeeld nadat de machine voor lange tijd heeft stilgestaan.
De accu kan worden opgeladen:
- via de motor
- via een acculader.
9.8.1 Opladen via de motor
Dit is alleen mogelijk als de accu nog iets geladen is, zodat de machine kan worden gestart.
- In geval van een nieuwe accu, de kabels op de accu aansluiten.
- Rijd de machine naar buiten.
- Start de motor volgens de instructies in deze handleiding.
- Laat de motor 45 minuten onafgebroken werken (dit is de tijd die nodig is om de accu volledig op te laden).
- Zet de motor af.
9.8.2 Opladen via acculader

Gebruik een acculader met constante spanning. Gebruik van een standaard acculader kan de accu beschadigen. Neem voor meer informatie contact op met uw dealer.

Alvorens de acculader aan te sluiten, de accu loskoppelen van het elektrische systeem.
9.8.3 Verwijderen/terugplaatsen
De accu zit achter het accudeksel (30:C).
Om bij te accu te kunnen dient u als volgt te werk te gaan:
- Sluit de benzinekraan (24:B).
- Trek de sleutel uit de hoofdschakelaar.(zie 6.2).
- Verwijder de 3 schroeven (31:A).
- Verwijder het accudeksel (31:B) door het naar boven te trekken.
- Verwijder de bevestiging van de accu (31:D) door de twee schroeven (31:E) los te draaien.
- Koppel de zwarte draad los (= min).
- Haal de accu (31:A) gedeeltelijk uit zijn behuizing.
- Koppel de rode draad los (= plus).
- Vervang de lege accu.
- Sluit de rode kabel aan op de positieve accuklem (+).
- Druk de nieuwe accu in de behuizing.

Let op: wanneer u de accu op zijn plaats duwt, de rode kabel begeleiden om te voorkomen dat hij verstrikt raakt: hierdoor zou de accu niet meer correct in de behuizing kunnen worden geplaatst.
- Sluit de zwarte kabel aan op de negatieve
accuklem (-).
- Zet de bevestiging van de accu terug door de twee schroeven (31:E) vast te draaien.
- Zet het accudeksel terug (31:B).
- Draai de 3 schroeven weer vast (31:A).
- Steek de sleutel in de hoofdschakelaar (alleen als u de machine wilt gebruiken).
- Open de benzinekraan weer (alleen als u de machine wilt gebruiken).

Als u de kabels niet in de goede volgorde aansluit of losmaakt, kan er kortsluiting ontstaan en kan de accu beschadigd raken.
Als u de kabels verwisselt, raken de dynamo en de accu beschadigd.
Zet de kabels stevig vast. Losse kabels kunnen brand veroorzaken.
De accu moet altijd aangesloten zijn als u de motor wilt laten lopen. Anders kunnen de dynamo en het elektrische systeem beschadigd raken.
9.8.4 Reiniging
Indien de accupolen geoxideerd zijn, moeten deze schoongemaakt worden. Reinig de accupolen met een staalborstel en smeer ze in met vet.
9.9 LUCHTFILTER, MOTOR

Zie hiervoor ook de bij de machine ge-leverde handleiding van de motor.

LET OP! Reinig/vervang beide filters vaker indien de machine in stoffige omstandigheden moet werken. Verwijder/installer de luchtfilters als volgt:
9.9.1 Luchtfilter - mod.: [Honda GXV 630; 660; 690] (26)
- Maak de behuizing van het luchtfilter zorgvul-dig schoon.
- Demonteer de luchtfilterkap (26:D) door de twee lipjes aan de zijkanten los te maken.
- Demonteer het voorfilter (26:C), verwijder het papierfilter(26:B). Zorg ervoor dat de carburateur niet vuil wordt. Maak de behuizing van het luchtfilter schoon.
-
Maak het papierfilter schoon door er zachtjes mee tegen een plat oppervlak te tikken. Indien het filter erg vuil is, moet het worden vervangen.
-
Monteer alles weer in omgekeerde volgorde. Bij het schoonmaken van het papierfilter mogen geen perslucht of oplosmiddelen op basis van petroleum worden gebruikt, bijv. kerosine. Hierdoor raakt het filter beschadigd.
Gebruik geen perslucht bij het schoonmaken van het papierfilter. Het papierfilter hoeft niet te worden gesmeerd.
9.9.2 Luchtfilter - mod.: [B&S 8270] (29X)
- Maak het gebied rond de luchtfilterkap voorzichtig schoon.
- Demonteer de luchtfilterkap (29X:A) door de twee knoppen (29X:B) los te schroeven.
- Demonteer de filtergroep (29X:C). Haal het voorfilter naar buiten (29X:D).
- Maak het papierfilter schoon door er zachtjes mee tegen een plat oppervlak te tikken. Indien het filter erg vuil is, moet het worden vervangen.
- Maak het voorfilter schoon. Indien het erg vuil is, moet het worden vervangen.
- Monteer alles weer in omgekeerde volgorde.
9.9.3 Luchtfilter (Mod. B&S VANGUARD 18HP) (27X)

LET OP! Reinig/vervang beide filters vaker indien de machine in stoffige omstandigheden moet werken.
- Maak het gebied rond de luchtfilterkap voorzichtig schoon.
- Demonteer de luchtfilterkap (27X:A) door de twee klemmen te verwijderen.
- Demonteer de filtergroep (27X:B). Het voorfilter zit boven het luchtfilter. Zorg ervoor dat de carburateur niet vuil wordt. Maak de behuizing van het luchtfilter schoon.
- Maak het papierfilter schoon door er zachtjes mee tegen een plat oppervlak te tikken. Indien het filter erg vuil is, moet het worden vervangen.
- Maak het voorfilter schoon. Indien het filter erg vuil is, moet het worden vervangen.
- Monteer alles weer in omgekeerde volgorde.
9.9.4 Bougie
Maak de zone rond de bevestiging van de bougie schoon voordat u deze losmaakt.
Zie voor het type bougies en de afstand van de elektroden paragraaf "cap. 00 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS".
9.9.5 Luchtinlaat
Zie afbeelding (26:A, 27:C, 29X:E). De motor is luchtgekoeld. Door een verstopt koelsysteem kan de motor beschadigd raken. Maak de luchtinlaat van de motor schoon. Het koelsysteem wordt bij elke basic service nauwkeurig gereinigd.
9.10 SMERING (28)
| Object Actie Afb. | ||
| Centraal draaipunt | 3 smeerpunten in de centrale zone aan de linker kant van de machine.Gebruik een vetnippel gevuld met universeel vet. Pomp tot het vet uitstroomt. | 28:A |
| Stuur 2 smeerpunten | in de centrale zone aan de linker kant van de machine.Gebruik een vetnippel gevuld met universeel vet. Pomp tot het vet uitstroomt. | 28:B |
| Riemspanner Smeer | der draaipunten van de spanarmen met smeerolie. | 28:C |
| Wiellagers 2 smeerpunten. | Gebruik een vetnippel gevuld met universeel vet. Pomp tot het vet uitstroomt. | 28:D |
| Houders met snelkoppeling | 1 smeerpunt voor elk voorwiel.Gebruik een vetnippel gevuld met universeel vet. Pomp tot het vet uitstroomt. | 28:E |
| Bedieningskabels Smeer de uiteinden van de bedieningskabels met smeerolie. | 28:F | |
9.10.1 Zekeringen (31:F)
| Bestemming Zeke- | ring |
| Voeding elektrische systeem 20 A | |
| Voeding acculader. 25 A |
Om de zekeringen te vervangen, gaat u als volgt te werk:
- Sluit de benzinekraan (24:B).
-
Open de motorkap (zie 7.4).
-
Trek de sleutel uit de hoofdschakelaar.(zie 6.2).
- Demonteer het motorcarter (zie 7.5.1)
- Vervang de kapotte zekering.
- Monteer het carter (zie 7.5.2).
- Steek de sleutel in de hoofdschakelaar (alleen als u de machine wilt gebruiken).
- Sluit de motorkap.
- Open de benzinekraan weer (alleen als u de machine wilt gebruiken).
10 ASSISTENTIE EN REPARATIES
In deze handleiding vindt u alle aanwijzingen die u nodig heeft voor de machinebediening en voor het basisonderhoud ervan, dat door de gebruiker kan worden verricht. Alle afstellings- en onderhoudswerkzaamheden die niet in deze handleiding zijn beschreven, dienen te worden uitgevoerd door uw dealer of door een gespecialiseerde werkplaats, die over de noodzakelijke kennis en apparatuur beschikt om het werk correct uit te voeren en zo de veiligheid en de originele staat van de machine te handhaven.

Alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren:
a. Zet de machine op een vlakke ondergrond.
b. Schakel de parkeerrem in.
c. Zet de motor af
d. Trek de sleutel uit het contactslot (14:C).
e. Trek de sleutel uit de hoofdschakelaar (12:A).
Erkende servicewerkplaatsen zijn bevoegd om reparaties en onderhoud te verrichten die binnen
de garantie vallen. Ze gebruiken uitsluitend originele reserveonderdelen.

De reserveonderdelen en de originele accessoires van STIGA SpA zijn specifiek ontwikkeld voor de machines van STIGA SpA. Niet-originele reserveonderdelen en accessoires worden niet gecontroleerd en goedgekeurd door STIGA SpA.

Het gebruik van niet-originele reserveonderdelen en accessoires kan negatieve gevolgen hebben voor de werking en de veiligheid van de machine. STIGA SpA kan niet aansprakelijk gesteld worden in geval van schade of letsels veroorzaakt door die producten.
De originele reserveonderdelen zijn uitsluitend verkrijgbaar bij erkende servicewerkplaatsen en dealers.

Wij raden u aan de machine eens per jaar naar een erkende servicewerkplaats te brengen voor onderhoud, service en controle van de veiligheidsinrichtingen.
11 OPBERGEN
- Maak de brandstoftank leeg:
- Start de motor van de machine en laat hem draaien tot hij afslaat.
- Maak de hele machine schoon. Het is met name belangrijk om de onderkant van het maaidek schoon te maken.
- Als de lak beschadigd is, hem bijwerken om roest te voorkomen.
- Berg de machine op in een overdekte en droge ruimte.

Alvorens de machine op te bergen, eerst de accu opladen. De accu zal ernstige schade oplopen als u de machine met lege accu opslaat.
12 KOOPVOORWAARDEN
De garantie dekt alle materiaal- en fabricagefouten. De gebruiker dient zich zorgvuldig aan de aanwijzingen uit bijgevoegde documentatie te houden.
De garantie dekt geen schade die is ontstaan:
- Doordat de gebruiker geen kennis heeft genomen van de begeleidende documentatie.
- Door onoplettendheid.
- Doordat de machine op onjuiste of verboden wijze werd gebruikt en gemonteerd.
- Door gebruik van niet-originele reserveonderdelen.
- Gebruik van accessoires die niet worden geleverd en niet zijn goedgekeurd door STIGA SpA.
Het volgende wordt niet door de garantie gedekt:
- Normale slijtage van verbruiksmaterialen, zoals aandrijfriemen, koplampen, wielen, bouten en draden.
- Normale slijtage.
- Motoren. Zijn gedekt door de garantie van de motorfabrikant, volgens de gespecificeerde termijnen en voorwaarden.
De koper geniet bescherming volgens de in zijn eigen land geldende wetten. De in het eigen land van de koper geldende wetten worden op generlei wijze beperkt door deze garantie.
13 OVERZICHTSTABEL ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
| Handeling | Interval bedrijfsuren / kalendermaanden | Par. ref. | |
| Eerste keer | Vervolgens | ||
| MACHINE | |||
| Controle van alle bevestigingen - Voor elk gebruik | - | ||
| Veiligheidscontroles / Controle van de bedieningen | - | Voor elk gebruik | - |
| Controle bandenspanning - Voor elk gebruik - | |||
| Algemene reiniging en controle | - | Na afloop van elk gebruik | - |
| Algemene smering - 50 uur en na iedere wasbeurt | 9.10 | ||
| Controleer de slijtage van de aandrijfriemen | 5 uur | 50 uur | 9.7 |
| De accu opladen | - | Alvorens de machine op te bergen | 9.8; 11 |
| Reiniging van de accuklemmen | 5 uur | 100 uur | 9.8.4 |
| MOTOREN / TRANSMISSIE (algemeen) | |||
| Controleren/bijvullen transmissieoliepeil | - | 50 uur | 9.6 |
| Vervanging brandstofffilter | - | Elk seizoen | *** |
| Verversing transmissieolie | 5 uur | 200 uur | *** |
| Vervanging filter transmissieoliereservoir | 5 uur | 200 uur | *** |
| Vervanging transmissieoliefilter | 50 uur | 200 uur | *** |
| Motor mod. Honda GXV 630; 660; 690 | |||
| Controleren/bijvullen motoroliepeil | - | Voor elk gebruik | 9.5.1 |
| Verversing motorolie | 20 uur /1 maand | 100 uur /6 maanden | *** |
| Vervanging motoroliefilter | - | 200 uur | *** |
| Reiniging/vervanging papierfilter | Controleren voor elk gebruik | ledere 100 uur / 6 maanden schoonmaken (vaker bij gebruik in stoffige gebieden). ledere 500 uur / 2 jaar vervangen (alleen filterelement). | 9.9.1 |
| Vervanging bougie | 200 uur | ||
| Reiniging luchtinlaat motor | 50 uur | ||
| Motor mod. B&S 8270 | |||
| Controleren/bijvullen motoroliepeil | - | Voor elk gebruik | 9.5.2 |
| Verversing motorolie | - | 50 - 100 uur / elk seizoen | *** (1) |
| Vervanging motoroliefilter | - | 50 - 100 uur / elk seizoen | *** (1) |
| Reiniging/vervanging luchtvoorfilter | 25 uur | 9.9.2 (2) | |
| Reiniging/vervanging luchtfilter | - | 100 uur / elk seizoen | 9.9.2 (2) |
| Vervanging bougie | Elk seizoen | ||
| Reiniging luchtinlaat motor | 8 uur / elke dag | ||
| Motore Mod. B&S Vanguard 18 HP | |||
| Controleren/bijvullen motoroliepeil | - Voor elk gebruik | 9.5.2 | |
| Verversing motorolie | 5 uur | 100 uur / elk seizoen *** (1) | |
| Vervanging motoroliefilter | - | 100 uur / elke olieverversing | *** (1) |
| Reiniging/vervanging luchtvoorfilter 25 uur | 9.9.3(2) | ||
| Reiniging luchtfilter - 100 uur | 9.9.3(2) | ||
| Vervanging luchtfilter | 400 uur / elk seizoen 9.9.3 | ||
| Vervanging bougie | 100 uur / elk seizoen | 9.9.4 | |
| Reiniging luchtinlaat motor | 8 uur / elke dag | 9.9.5 | |
| *** Werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd door uw dealer of door een erkende servicewerkplaats.(1) 50 uur in het geval van originele zwarte B&S filters - 100 uur in het geval van gele B&S filters met hoge efficiëntie.(2) Vaker schoonmaken bij zware werkomstandigheden of in het geval er deeltjes in de lucht zweven. | |||
14 MELDINGEN OP HET DISPLAY [Mod. 740IOX; 540IX]
| MELDING | ACTIE / MOGELIJKE OORZAAK | OPLOSSING |
| CHECK CONNECTION | Er werd gepoogd het accessoire aan de achterzijde te starten (14:L) . Er is geen accessoire verbonden met de contactdoos (17:A). | Steek de stekker van het accessoire in de contactdoos van de machine. |
| De stekker zit in het stopcontact maar de melding verdwijnt niet. | Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. | |
| NO MOVING | Er werd gepoogd de hoogte van het accessoire aan de achterzijde te regelen (14:I; 14:H). Er is geen accessoire verbonden met de contactdoos (17:B). | Steek de stekker van het accessoire in de contactdoos van de machine. |
| De stekker zit in het stopcontact maar de melding verdwijnt niet. | Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. | |
| START MOTOR | Er werd gepoogd de krachtafnemer in te schakelen met afgezette motor | Start de motor. |
| PRESS BRAKE | Er werd gepoogd de motor te starten met gedeactiveerde parkeerrem | Schakel de parkeerrem in. |
| SIT DOWN | Er werd gepoogd de motor te starten terwijl de bestuurder niet op de zitting zat. | Ga op de bestuurdersplaats zitten. |
| TILT FAULT | Storing van de hellingsensor.Dit opschrift loopt tweemaal over het display:- op het moment dat de hellingmeter uitvalt.- bij iedere start van de machine, meteen na de begincontrole van de lampjes van het display. | Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. |
15 GIDS VOOR HET OPSPOREN VAN STORINGEN
| STORING WAARSCHIJNLIJKE OORZAAK OPLOSSING | ||
| 1. De console gaat niet aan. | Hoofdschakelaar met sleutel op “O”. | De hoofdschakelaar met sleutel op “I” zetten. |
| 2. De console gaat niet aan.Met de hoofdschakelaar op “I” en het contactslot op “I” blijft de console uit | Zet de contactsleutel en de hoofdschakelaar op “O” en: | |
| Accu slecht aangesloten. | Controleer de aansluitingen van de accu. | |
| Accu helemaal leeg. Laad de accu op. | ||
| Zekering (20A) doorgebrand. Vervang de zekering. | ||
| 3. De startmotor draait nietMet de startsleutel op “I”, gaat het display aan, maar wanneer de knop «START / STOP ENGINE» wordt ingedrukt, draait de startmotor niet. | Accu niet genoeg opgeladen. Laad de accu op. | |
| 4. De startmotor draait, maar de motor slaat niet aanMet de startsleutel op “I”, gaat het display aan, maar wanneer de knop «START / STOP ENGINE» wordt ingedrukt, draait de startmotor wel, maar slaat de motor niet aan. | Benzinekraan dicht. Open de benzinekraan. | |
| Er is geen benzinetoevoer. | - Controleer het peil in de tank.- Controleer het benzinefilter. | |
| Probleem in de ontsteking. | - Controleer de bevestiging van de dop van de bougie.- Controleer of de elektroden schoon zijn en op de juiste afstand van elkaar zitten. | |
| 5. Het acculampje en de digits knipperen. (740 IOX, 540 IX)Het opschrift “BATT” verschijnt. (340 IX).(340 IX)Poging om de machine te starten; de machine start niet, het lampje «Accu» en het opschrift op de «Digits» beginnen te knipperen. Dit duidt op een spanning lager dan 12V. | Accu niet genoeg opgeladen. Laad de accu op. | |
| Zekering (25A) van acculader doorgebrand. | Vervang de zekering. | |
| Accu defect. Vervang de accu. | ||
| 6. Het acculampje en de digits knipperen. (740 IOX, 540 IX)Het opschrift “BATT” verschijnt. (340 IX).(340 IX)Het lampje «Accu» en het opschrift op de «Digits» beginnen te knipperen. Dit duidt op een spanning hoger dan 12V. | Het opschrift op de «Digits» wijst op een spanning hoger dan 12V; er is een te hoge spanning aanwezig. | Ga naar een erkende servicewerkplaats. |
| 7. Het acculampje en de digits knipperen en vervolgens slaat de motor af. (740 IOX, 540 IX)Het opschrift “BATT” verschijnt. (340 IX).(340 IX)Het lampje «Accu» en het opschrift op de «Digits» knipperen ten teken dat de spanning hoger is dan 12V, maar vervolgens slaat de machine af. | De accu is boven de activerings-drempel voor overspanning. | Ga naar een erkende servicewerkplaats. |
| 8. De motor draait, het lampje «Accu» en het opschrift op de «Digits» knipperen om aan te geven dat de spanning lager is dan 12V. (740 IOX, 540 IX) Het opschrift “BATT” ver-schijnt. (340 IX). (340 IX) | Als deze conditie aanhoudt: | |
| Zekering (25A) van de acculader doorgebrand. | Vervang de zekering. | |
| Accu defect. Vervang de accu. | ||
| De acculader is defect. Ga naar een erkende servicewerkplaats. | ||
| 9. Moeizaam starten of onregelmatige werking van de motor. | Problemen met de carburatie. Het luchtfilter schoonmaken of vervangen. | |
| 10. Afname van het motorrendement gedurende het snijden. | Hoge rijsnelheid in verhouding tot de maaihoogte. | Verminder de rijsnelheid en/of verhoog de maaihoogte. |
| 11. Het lampje van de accu gaat na enkele minuten bedrijf niet uit. (740 IOX, 540 IX) | Accu niet voldoende geladen. Ga naar een erkende servicewerkplaats. | |
| 12. Het lampje van de olie gaat gedurende het bedrijf branden. (740 IOX, 540 IX) | Problemen met de smering van de motor. | - Zet de machine onmiddellijk uit.- Vul het oliepeil aan (als het probleem aanhoudt, naar een erkende servicewerkplaats gaan). |
| 13. De motor slaat zonder duidelijke reden af. | - De brandstof is op.- Probeer de motor weer te starten. | Vul de brandstoftank (als het probleem aanhoudt, naar een erkende servicewerkplaats gaan). |
| 14. Onregelmatig snijden. | Controleer de bandenspanning. | |
| De messen van het maaisysteem zijn niet scherm. | Ga naar een erkende servicewerkplaats. | |
| Rijsnelheid hoog in verhouding tot de hoogte van het gras dat moet worden gemaaid. | Verminder de rijsnelheid en/of verhoog de maaihoogte. | |
| De maaisysteemgroep zit vol gras. - Wacht tot het gras gedroogd is.- Maak de maaisysteemgroep schoon. | ||
| 15. Afwijkende trillingen geduren-de het gebruik. | - Maaisysteem niet gebalanceerd.- Messen maaisysteem los.- losgeraakte onderdelen.- eventuele beschadigingen. | Ga naar een erkende servicewerkplaats voor controle, vervan-ging of reparatie. |
| 16. Met draaiende motor komt de machine niet in beweging wanneer het aandrijfpedaal wordt ingetrapt. | Hendel voor «uitschakeling van de transmissie» staat in uitgeschakelde stand. | Schakel de aandrijving in. |
Als de storingen niet verdwijnen na de hierboven handelingen te hebben verricht, contact opnemen met uw dealer.

Let op! Nooit proberen om zelf moeilijke reparaties uit te voeren terwijl u niet over de noodzakelijke middelen en technische kennis beschikt. Slecht uitgevoerde reparaties leiden automatisch tot het vervallen van de garantie. In deze gevallen aanvaardt de fabrikant geen enkele aansprakelijkhe.
NL • De inhoud en de afbeeldingen van deze gebruikshandleiding werden gerealiseerd voor rekening van STIGA S.p.A. en zijn beschermd door het auteursrecht – Elke niet-geautoriseerde reproductie of wijziging, ook gedeeltelijke, van het document is verboden.