GLM 120 C Professional - Afstandsmeter BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis GLM 120 C Professional BOSCH in PDF-formaat.
Veelgestelde vragen - GLM 120 C Professional BOSCH
Gebruikersvragen over GLM 120 C Professional BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Afstandsmeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GLM 120 C Professional - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GLM 120 C Professional van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING GLM 120 C Professional BOSCH
nl Gorspronkelijke gebruiksaanwijzing
da Original brugsanvisning
sv Bruksanvisning i original
no Original driftsinstruks
Veiligheidsaanwijzingen


Alle aanwijzingen moeten gelezen en in acht genomen worden om zonder risico's en veilig met het meetgereedschap te werken. Wan-
neer het meetgereedschap niet volgens deze instructies gebruikt wordt, kunnen de geïntegreerde veiligheids- voorzieningen in het meetgereedschap belemmerd worden. Maak waarschuwingsstickers op het meetgereedschap nooit onleesbaar. BEWAAR DEZE INSTRUCTIES ZORGVULDIG EN GEEF ZE BIJ HET DOORGEVEN VAN HET MEETGEREEDSCHAP MEE.
▶ Voorzichtig – wanneer andere dan de hier aangegeven bedienings- of afstelvoorzieningen gebruikt of andere
methodes uitgevoerd worden, kan dit resulteren in een gevaarlijke blootstelling aan straling.
Het meetgereedschap wordt geleverd met een waarschuwingsplaatje (op de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen aangeduid met nummer (14)).

Als de tekst van het waarschuwingsplaatje niet in uw taal is, plak dan de meegeleverde sticker in uw eigen taal hierover heen, voordat u het gereedschap voor de eerste keer gebruikt.

Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk niet zelf in de directe of gereflecteerde laserstraal. Daardoor kunt u personen verblinden, ongevallen veroorzaken of het oog
beschadigen.
Als laserstraling het oog raakt, dan moeten de ogen bewust gesloten worden en moet het hoofd onmiddel- lijk uit de straal bewogen worden.
▶ Breng geen wijzigingen aan de laserinrichting aan.
- Gebruik de laserbril niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal; deze beschermt echter niet tegen de laserstraling.
- Gebruik de laserbril niet als zonnebril of in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige UV-bescherming en vermindert het waarnemen van kleuren.
Laat het meetgereedschap alleen repareren door gekwalificeerd geschoold personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de veiligheid van het meetgereedschap in stand blijft.
Laat kinderen het lasermeetgereedschap niet zonder toezicht gebruiken. Zij zouden per ongeluk personen kunnen verblinden.
▶ Werk met het meetgereedschap niet in een omgeving waar ontploffingsgevaar heerst en zich brandbare vloeistoffen, brandbare gassen of brandbaar stof bevinden. In het meetgereedschap kunnen vonken ontstaan die het stof of de dampen tot ontsteking brengen.
- Gebruik het meetgereedschap niet met ingestoken USB-kabel.
- Gebruik het meetgereedschap niet als extern USB-op-slagmedium.
Fotografeer geen personen of dieren met het meetgereedschap, omdat de laserstraal daarbij permanent ingeschakeld kan zijn. Bij ingeschakelde laserstraal kunt u personen verblinden, ongevallen veroorzaken of het oog beschadigen.
- Gebruik het meetgereedschap niet, wanneer beschadigingen van het displayglas te zien zijn (bijv. scheu-
86 | Nederlands
ren in het oppervlak enz.). Er bestaat verwondingsgevaar.
▶ Voorzichtig! Bij het gebruik van het meetgereedschap met Bluetooth® kunnen storingen bij andere apparaten en installaties, vliegtuigen en medische apparaten (bijv. pacemakers, hoorapparaten) ontstaan. Even- eens kan schade aan mens en dier in de directe omge- ving niet volledig uitgesloten worden. Gebruik het meetgereedschap met Bluetooth® niet in de nabijheid van medische apparaten, tankstations, chemische in- stallaties, gebieden waar ontploffingsgevaar heerst en in zones waar met explosieven wordt gewerkt. Ge- bruik het meetgereedschap met Bluetooth® niet in vliegtuigen. Vermijd het gebruik gedurende een langere periode heel dichtbij het lichaam.
Het Bluetooth*woordmerk evenals de beeldtekens (logo's) zijn gedeponeerde handelsmerken en eigendom van Bluetooth SIG, Inc. Elk gebruik van dit woordmerk/ deze beeldtekens door Robert Bosch Power Tools GmbH gebeurt onder licentie.
Veiligheidsaanwijzingen voor oplaadapparaten
- Dit oplaadapparaat is niet bestemd voor gebruik door kinderen en personen met beperkte lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke capaciteiten of gebrek aan ervaring en kennis. Dit oplaadapparaat kan door kinderen vanaf 8 jaar evenals door personen met beperkte lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke capaciteiten of gebrek aan ervaring en kennis gebruikt worden, mits zij onder toezicht staan van een persoon die voor hun veiligheid verantwoordelijk is, of door deze in het veilige gebruik van het oplaadapparaat geinstrueerd werden en zij de hiermee verbonden gevaren begrijpen. Anders bestaat er gevaar voor foute bediening en verwondingen.
Houd toezicht op kinderen bij gebruik, reiniging en onderhoud. Op deze manier wordt gewaarborgd dat kinderen niet met het oplaadapparaat spelen.
Houd het oplaadapparaat uit de buurt van regen of natheid. Het binnendringen van water in een elektrisch toestel verhoogt het risico van een elektrische schok.
▶ Laad het meetgereedschap alleen met het meegeleverde oplaadapparaat.
Houd het oplaadapparaat schoon. Door vervuiling bestaat er gevaar voor een elektrische schok.
- Controleer vóór elk gebruik oplaadapparaat, kabel en stekker. Gebruik het oplaadapparaat niet, als u beschadigingen vaststelt. Open het oplaadapparaat niet zelf en laat het uitsluitend repareren door gekwalificeerd geschoold personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen. Beschadigde oplaadapparaten, kabels en stekkers verhogen het risico van een elektrische schok.
- Gebruik het oplaadapparaat niet op een licht ontvlambare ondergrond (bijv. papier, textiel enz.) of in een brandbare omgeving. Vanwege de bij het opladen optredende verwarming van het oplaadapparaat bestaat brandgevaar.
Bij beschadiging en verkeerd gebruik van de accu kunnen er ook dampen vrijkomen. Zorg voor frisse lucht en raadpleeg bij klachten een arts. De dampen kunnen de luchtwegen irriteren.
Beschrijving van product en werking
Vouw de uitvouwbare pagina met de afbeelding van het meetgereedschap open en laat deze pagina opengevouwen terwijl u de gebruiksaanwijzing leest.
Beoogd gebruik
Het meetgereedschap is bestemd voor het meten van afstanden, lengtes, hoogtes, afstanden, hellingen en voor het berekenen van oppervlaktes en volumes.
De meetresultaten kunnen via Bluetooth® en USB-interface naar andere apparaten overgebracht worden.
Het meetgereedschap is geschikt voor gebruik binnenshuis en buitenshuis.
Afgebeelde componenten
De componenten zijn genummerd zoals op de afbeelding van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen.
(1) Display
(2) Meettoets [▲(te gebruiken aan voor- of zijkant)
(3) Softtoets [ ]
(4) Plustoets [+] / keuze naar rechts
(5) Zoomtoets
(6) Opname draagriem
(7) Ontgrendelknop meetpen
(8) Meetpen
(11) Mintoets [-]/keuze naar links
(12) Softtoets [ ]
(13) Functietoets [Func]
(14) Laser-waarschuwingsplaatje
(15) Serienummer
(16) Micro-USB-bus
(17) 1/4"-statiefschroefdraad
(18) Uitgang laserstraal
(19) Camera
(20) Ontvangstlens
(21) Draagriem
(22) Micro-USB-kabel
(23) Oplaadapparaat ^A
(24) Opbergetui
(25) Laserrichtbord ^A)
A) Niet elk afgebeeld en beschreven accessoire is standaard bij de levering inbegrepen. Alle accessoires zijn te vinden in ons accessoireprogramma.
Aanduidingselementen
(a) Resultaatregel
(b) Doelaanduiding (dradenkruis)
(c) Aanduiding hellingshoek
(d) Datum/tijd
(e) Referentievlak van de meting
(f) Verbindingsstatus

Bluetooth ^® niet geactiveerd

Bluetooth® geactiveerd, verbinding tot stand gebracht
(g) Accu-oplaadaanduiding
(h) Meetwaarderegels
(i) Instellingen (softtoets)
(j) Gekozen meetfunctie
(k) Intern geheugen (softtoets)
(I) Geïntegreerde helpfunctie (softtoets)
(m) Terug (softtoets)
(n) Startscherm (softtoets)
(o) Toestelinstellingen
Technische gegevens
| Digitale laserafstandsmeter | GLM 120 C |
| Productnummer | 3 601 K72 F.. |
| Meetbereik (typisch) 0,08–120 m | A) |
| Meetbereik (typisch, ongunstige omstandigheden) | 0,08–60 m^(B) |
| Meetnauwkeurigheid (typisch) | ± 1,5 m^A) |
| Meetnauwkeurigheid (typisch, ongunstige omstandigheden) | ± 3,0 m^B) |
| Kleinste aanduidingseenheid | 0,5 mm |
| Indirecte afstandsmeting en libel | |
| Meetbereik 0^-360^ (4x90°) | |
| Hellingmeting | |
| Meetbereik 0^-360^ (4x90°) | |
| Meetnauwkeurigheid (typisch) | ± 0,2^oC|D|(L) |
| Kleinste aanduidingseenheid | 0,1^ |
| Algemeen | |
| Gebruikstemperatuur –10 °C ...+45°C | F) |
| Opslagtemperatuur –20 °C ... +70 °C | |
| Toegestaan oplaadtemperatuurbereik | +5 °C ... +40 °C |
| Relatieve luchtvochtigheid max. | 90 % |
| Max. gebruikshoogte boven referentiehoogte | 2000 m |
| Vervuilingsgraad volgens IEC 61010-1 | 2^G) |
| Laserklasse 2 | |
| Lasertype 650 nm, < 1 mW | |
| Diameter laserstraal (bij 25 °C) ca. | |
| – op een afstand van 10 m 9 mm | |
| – op een afstand van 100 m | 90 mm |
| Automatische uitschakeling na ca. | |
| – Laser 20 s | |
| – Meetgereedschap (zonder meting) | 5 min^(I) |
| Gewicht volgens EPTAProcedure 01:2014 | 0,21 kg |
| Afmetingen 142 (176) x 64 x 28 mm | |
| Beschermklasse IP 54 (stof- en spatwaterbeschermd) | |
Gegevensoverdracht
88 | Nederlands
Digitale laserafstandsme- GLM 120 C ter
| Bluetooth® Bluetooth® (4.2 Low Ener-gy)1) | |
| Frequentieband 2402 – 2480 MHz | |
| Max. zendvermogen 8 mW | |
| Micro-USB-kabel USB 2.0 | |
| – Laadspanning 5,0 V | = |
| – Laadstroom 1000 mA | |
| Accu Li-Ion | |
| Nominale spanning 3,6 V | |
| Capaciteit 3120 mAh | |
| Aantal accucellen 1 | |
Oplaadapparaat
| Productnummer | 2 609 120 7.. |
| Oplaadtijd ca. 5,5 h | D) |
| Accu-laadspanning 5,0 V | = |
| Laadstroom 1000 mA | |
| Isolatieklasse / II | ☐ |
Een lange looptijd van de accu wordt gerealiseerd door energiebesparende maatregelen, zoals het deactiveren van de Bluetooth®-functie, wanneer deze niet nodig is of het reduceren van de helderheid van het display enz.
Het serienummer (15) op het typeplaatje dient voor een ondubbelzinnige identificatie van uw meetgereedschap.
A) Bij meting vanaf voorkant van het meetgereedschap, geldt voor een hoog reflectievermogen van het doel (bijv. een wit geverfde muur), zwakke achtergrondverlichting en een gebruikstemperatuur van 25 °C. Daarnaast moet met een afwijking van ± 0,05 mm/m gerekend worden.
B) Bij meting vanaf voorkant van het meetgereedschap, geldt voor een hoog reflectievermogen van het doel (bijv. een wit geverfde muur) en sterke achtergrondverlichting. Daarnaast moet met een afwijking van ± 0,15 mm/m gerekend worden.
C) Na kalibrering bij 0° en 90°. Extra hellingsfout van max. ±0,01°/graad tot 45°. De meetnauwkeurigheid heeft betrekking op de drie oriëntaties van de kalibrering van de hellingmeting, zie afbeelding H
D) Bij een gebruikstemperatuur van 25 °C. Oplaadtijd met 1 A-USB-oplaadapparaat. Sneller opladen bij uitgeschakeld meetgereedschap.
E) Als referentievlak voor de hellingmeting dient de linkerkant van het meetgereedschap.
F) In de functie permanente meting bedraagt de max. gebruikstemperatuur +40 °C.
G) alleen een niet geleidende vervuiling, waarbij soms een tijdelijke geleidbaarheid wordt verwacht door bedauwing
H) De automatische uitschakeltijd is instelbaar (2, 5, 10 minuten of nooit).
1) Bij Bluetooth ^® -Low-Energy-toestellen kan afhankelijk van model en besturingssysteem het opbouwen van een verbinding niet mogelijk zijn. Bluetooth ^® -toestellen moeten het GATT-profiel ondersteunen.
Eerste ingebruikneming
Accu opladen
- Gebruik alleen de in de technische gegevens vermelde oplaadapparaten. Alleen deze oplaadapparaten zijn af-gestemd op de Li-lon-accu die bij uw meetgereedschap moet worden gebruikt.
Het gebruik van oplaadapparaten van andere fabrikanten kan tot defecten bij het meetgereedschap leiden; dit meetgereedschap mag ook niet worden opgeladen met een hogere spanning (bijv. 12 V) van een oplaadapparaat in een motorvoertuig. Bij veronachtzaming vervalt de garantie.
▶ Let op de netspanning! De spanning van de stroombron moet overeenkomen met de gegevens op het typeplaatje van het oplaadapparaat.
Aanwijzing: De accu wordt gedeeltelijk geladen geleverd. Om het maximale vermogen van de accu te garanderen, dient u de accu vóór het eerste gebruik volledig op te laden.
Aanwijzing: De micro-USB-bus (16) voor het aansluiten van de micro-USB-kabel (22) bevindt zich onder de afdekking van de meetpen (8). Om de afdekking te openen, drukt u op de ontgrendelknop (7).
De Lithium-Ion-accu kan op elk moment worden opgeladen zonder de levensduur te verkorten. Een onderbreking van het opladen schaadt de accu niet.
Als het onderste segment van de accu-oplaadaanduiding (g) knippert, dan kunnen nog maar enkele metingen uitgevoerd worden. Laad de accu op.
Als het kader rond de segmenten van de accu-oplaadaanduiding (g) knippert, dan zijn geen metingen meer mogelijk. Het meetgereedschap kan nog slechts korte tijd gebruikt worden (bijv. om gegevens in de meetwaardelijst te controleren). Laad de accu op.
Verbind het meetgereedschap door middel van de meegeleverde micro-USB-kabel (22) met het oplaadapparaat (23). Steek het oplaadapparaat (23) in het stopcontact. Het opla den begint.
De accu-oplaadaanduiding (g) geeft de voortgang van het opladen aan. Tijdens het opladen knipperen de segmenten na elkaar. Als alle segmenten van de accu-oplaadaanduiding (g) te zien zijn, dan is de accu helemaal opgeladen.
Als het oplaadapparaat langdurig niet wordt gebruikt, dient u de verbinding met het elektriciteitsnet te verbreken.
Daarnaast kan de accu ook aan een USB-poort opgeladen worden. Sluit hiervoor het meetgereedschap met de micro-USB-kabel op een USB-poort aan. In de USB-modus (oplaadmodus, gegevensoverdracht) kan het opladen duidelijk langer duren.
Het meetgereedschap kan tijdens het opladen niet zelfstandig gebruikt worden.
Bluetooth® wordt tijdens het opladen uitgeschakeld. Bestaande verbindingen met andere apparaten worden onderbroken. Hierbij kunnen gegevens verloren gaan.
Aanwijzingen voor optimaal omgaan met de accu in het meetgereedschap
Bewaar het meetgereedschap uitsluitend in het toegestane temperatuurbereik, (zie „Technische gegevens“, Pagina 87). Laat het meetgereedschap bijv. in de zomer niet in de auto liggen.
Een duidelijk kortere gebruiksduur na het opladen duidt erop dat de accu versleten is en door de klantenservice van Bosch moet worden vervangen.
Neem de aanwijzingen met betrekking tot afvalverwijdering in acht.
Gebruik
Ingebruikname
Laat het ingeschakelde meetgereedschap niet onbeheerd achter en schakel het meetgereedschap na gebruik uit. Andere personen kunnen door de laserstraal verblind worden.
▶ Bescherm het meetgereedschap tegen vocht en fel zonlicht.
Stel het meetgereedschap niet bloot aan extreme temperaturen of temperatuurschommelingen. Laat het bijv. niet gedurende langere tijd in de auto liggen. Laat het meetgereedschap bij grotere temperatuurschommelingen eerst op temperatuur komen, voordat u het in gebruik neemt. Bij extreme temperaturen of temperatuurschommelingen kan de nauwkeurigheid van het meetgereedschap nadelig beïnvloed worden.
Vermijd krachtige stoten of vallen van het meetgereedschap. Na sterke invloeden van buitenaf op het meetgereedschap, moet u altijd vóór het opnieuw gebruiken hiervan een nauwkeurigheidscontrole uitvoeren Mauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap.
Het meetgereedschap is met een radio-interface uitgerust. Lokale gebruiksbeperkingen, bijv. in vliegtui-gen of ziekenhuizen, moeten in acht genomen worden.
In-/uitschakelen
Let er tijdens het werk op dat de ontvangstlens (20), de uitgang laserstraal (18) en de camera (19) niet worden afgesloten of afgedekt, omdat anders geen correcte metingen mogelijk zijn.
- Voor het inschakelen van het meetgereedschap en van de laser drukt u kort op de meettoets (2) [▲aan de voor- of zijkant.
- Voor het inschakelen van het meetgereedschap zonder laser drukt u kort op de toets Aan/Uit/Wissen (9) [Φ]
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
Voor het uitschakelen van de laser drukt u kort op de toets Aan/Uit/Wissen (9) [∅].
Voor het uitschakelen van de camera drukt u op de camera-toets (10).
Voor het uitschakelen van het meetgereedschap houdt u de toets Aan/Uit/Wissen (9) [5] ingedrukt.
Bij het uitschakelen van het meetgereedschap blijven de in het geheugen aanwezige waarden en toestelinstellingen behouden.
Camera
Bij het inschakelen van het meetgereedschap is de camera (19) automatisch ingeschakeld. Om deze uit te schakelen drukt u op de cameratoets (10).
Bij grotere afstanden (ca. > 5 m) verschijnt bovendien een doelmarkering om het meetpunt te markeren.
Optimalisatie van de zichtbaarheid van de laserpunt
Bij het gebruik van het meetgereedschap, vooral buiten, bij invallend zonlicht maar ook bij lange afstanden in gebouwen, kan het gebeuren dat de laserpunt niet zichtbaar is. De zichtbaarheid van de laserpunt/het meetdoel kan daarnaast door het inschakelen van de camera worden verbeterd door:
- het instellen van de helderheid van het display (toestelinstellingen)
- het gebruik van de zoomfunctie met de toets (5)
Meetprocedure
Na het inschakelen bevindt het meetgereedschap zich in de functie lengtemeting. Voor een andere meetfunctie drukt u op de toets (13) [Func]. Kies de gewenste meetfunctie met de toets (4) [+] of de toets (11) [-] (zie „Meetfuncties“, Pagina 91). Activeer de meetfunctie met de toets (13) [Func] of met de meettoets (2) [▲].
Als referentievlak voor de meting is na het inschakelen de achterkant van het meetgereedschap gekozen. Voor het wisselen van het referentievlak (zie „Referentievlak kiezen (zie afbeelding A)“, Pagina 89). Plaats het meetgereedschap op het gewenste startpunt van de meting (bijv. muur).
Aanwijzing: Als het meetgereedschap met de toets Aan/Uit/Wissen (9) [öw]erd ingeschakeld, druk dan kort op de meettoets (2) [om de laser in te schakelen.
Druk voor het activeren van de meting kort op de meettoets (2) [▲ Daarna wordt de laserstraal uitgeschakeld. Voor nog een meting herhaalt u deze procedure.
Bij een ingeschakelde permanente laserstraal en in de functie permanente meting begint de meting al na het eerste keer indrukken van de meettoets (2) [▲]
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
Aanwijzing: De meetwaarde verschijnt normaal gezien binnen 0,5 s en uiterlijk na ca. 4 s. De duur van de meting hangt van de afstand, de lichtomstandigheden en de reflectie-eigenschappen van het doeloppervlak af. Na de meting wordt de laserstraal automatisch uitgeschakeld. De ingeschakelde permanente laserstraal wordt na de meting niet uitgeschakeld (zie „Permanente laserstraal“, Pagina 90).
Referentievlak kiezen (zie afbeelding A)
Voor de meting kunt u uit vier verschillende referentievlakken kiezen:
90 | Nederlands
- de achterkant van het meetgereedschap (bijv. als het te- gen een muur wordt gelegd)
- de punt van de 180° uitgeklapte meetpen (8) (bijv. voor metingen vanuit hoeken)
- de voorkant van het meetgereedschap (bijv. bij het meten vanaf de rand van een tafel)
- het midden van de schroefdraad (17) (bijv. voor metingen met statief)
Het 180° uit- en inklappen van de meetpen (8) wordt automatisch herkend en het desbetreffende referentievlak wordt voorgesteld. Bevestig de instelling met de meettoets (2) [▲].
Kies met de softtoets (3) [ ] de instellingen van het meetgereedschap. Kies met de toets (4) [+] of de toets (11) [-] het referentievlak en bevestig dit met de toets (13) [Func].
Telkens na het inschakelen van het meetgereedschap is de achterkant van het meetgereedschap automatisch als referentievlak vooringesteld.
Permanente laserstraal
U kunt het meetgereedschap indien nodig naar permanente laserstraal omzetten. Kies hiervoor met de softtoets (3) [■] de instellingen van het meetgereedschap. Kies met de toets (4) [+] of de toets (11) [-] de permanente laserstraal en bevestig met de toets (13) [Func].
- Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
De laserstraal blijft in deze instelling ook tussen de metingen ingeschakeld. Voor de meting hoeft u de meettoets (2) [▲] slechts éénmaal kort in te drukken.
De permanente laserstraal moet in de instellingen worden uitgeschakeld of wordt automatisch uitgeschakeld als u het meetgereedschap uitschakelt.
Menu „Instellingen“
Om in het menu „Instellingen“ (i) te komen, drukt u kort op de softtoets (3) [■] of houdt u de toets (13) [Func] ingedrukt.
Kies met de toets (4) [+] of de toets (11) [-] de gewenste instelling en bevestig met de toets (13) [Func]. Kies de gewenste instelling.
Om het menu „Instellingen“ te verlaten, drukt u op de toets Aan/Uit/Wissen (9) of op de softtoets (12) [ ]
Instellingen
| Bluetooth® | |
| Referentievlak | |
| Timerfunctie | |
| Permanente laserstraal | |
| Kalibrering hellingmeting | |
| Kalibrering doelaanduiding | |
| Intern geheugen (wissen en formatteren) |
Instellingen

Toestelinstellingen
Timerfunctie
De timerfunctie helpt bijv. bij het meten op moeilijke toegan- kelijke plekken of wanneer bewegingen van het meetgereed- schap tijdens de meting moeten worden voorkomen.
Kies in de instellingen de timerfunctie. Kies de gewenste tijdspanne vanaf het activeren tot aan de meting en bevestig met de meettoets (2) [▲] of de toets (13) [Func].
Druk vervolgens op de meettoets (2) [▲om de laserstraal in te schakelen en op het doel te richten. Druk opnieuw op de meettoets (2) [▲om de meting te activeren. De meting vindt plaats na de gekozen tijdspanne. De meetwaarde verschijnt in de resultaatregel (a).
In de statusbalk bovenaan verschijnt de tijdspanne vanaf het activeren tot aan de meting.
Permanente meting evenals minimum-/maximummeting zijn bij een ingestelde timerfunctie niet mogelijk.
De timer blijft ingesteld tot het uitschakelen van het meetgereedschap of tot de timer in het menu „Instellingen“ wordt uitgeschakeld.
Kies met de toets (4) [+] of de toets (11) [-] de gewenste toestelinstelling en bevestig met de toets (13) [Func]. Kies de gewenste toestelinstelling.
Om het menu „Toestelinstellingen“ (o) te verlaten, drukt u op de toets Aan/Uit/Wissen (9) [of op de softtoets (12)

Toestelinstellingen
| [1000] | Taal |
| [1010] | Tijd en datum |
| [1011] | Maateenheid |
| [1012] | Hoekeenheid |
| [1013] | TrackMyTools |
| [1014] | Toestelinfo |
| [1015] | Geluidssignalen |
| [1016] | Uitschakeltijd |
| [1017] | Dimmer |
| [1018] | Displayhelderheid |
| [1019] | Displayoriëntatie |
Taal instellen
Kies in de toestelinstellingen „Taal“. Stel de gewenste taal in en bevestig met de toets (13) [Func].
Datum en tijd instellen
Kies in de toestelinstellingen „Tijd en datum“. Stel de datum en tijd overeenkomstig de instructies op het display in en bevestig met de softtoets (12) [ ]
Maateenheid wisselen
Kies in de toestelinstellingen „Maateenheid“. Basisinstelling is de maateenheid „m“ (meter).
Stel de gewenste maateenheid in en bevestig met de toets (13) [Func].
Voor het verlaten van het menupunt drukt u op de toets Aan/Uit/Wissen (9) [of op de softtoets (3) ]ha het uitschakelen van het meetgereedschap blijft de gekozen toestelinstelling opgeslagen.
Hoekeenheid wijzigen
Kies in de toestelinstellingen „Hoekeenheid“. Basisinstelling is de hoekeenheid „⁰“ (graden).
Stel de gewenste hoekeenheid in en bevestig met de toets (13) [Func].
Voor het verlaten van het menupunt drukt u op de toets Aan/Uit/Wissen (9) [ø of op de softtoets (3) ] na het uitschakelen van het meetgereedschap blijft de gekozen toestelinstelling opgeslagen.
TrackMyTools
Kies in de toestelinstellingen „TrackMyTools“. Bevestig de instelling met de toets (13) [Func].
Een eerste activering is vereist. De gegevensoverdracht is alleen met de betreffende app of het betreffende pc-programma mogelijk.
TrackMyTools kan elk moment weer worden gedeactiveerd.
Displayverlichting
Kies in de toestelinstellingen „Dimmer“.
De displayverlichting is permanent ingeschakeld. Als er niet op een toets wordt gedrukt, dan wordt de displayverlichting na ca. 30 seconden gedimd om de accu te sparen.
U kunt de tijd tot het begin van het dimmen instellen (toestelinstellingen).
U kunt de helderheid van het display in meerdere niveaus aan de omgevingsomstandigheden aanpassen (toestelinstellingen).
Meetfuncties
Aanwijzing: Geïntegreerde helpfunctie
In het meetgereedschap is bij elke meetfunctie als hulp een animatie beschikbaar. Kies hiervoor de toets (13) [Func], de toetsen (4) [+] of (11) [-] en vervolgens de softtoets (3)
[De animatie toont u de gedetailleerde werkwijze bij de gekozen meetfunctie.
De animatie kan op elk moment met de (3) [gestopt en weer gestart worden. U kunt vooruit en achteruit scrollen met de toetsen (4) [+] of (11) [-].
Lengtemeting
Kies de lengtemeting
Druk voor het inschakelen van de laserstraal kort op de meettoets (2) [▲]
Druk voor het meten kort op de meettoets (2) [▲ De meetwaarde verschijnt onderaan op het display.

Herhaal de hierboven genoemde stappen voor elke verdere meting. De laatste meetwaarde staat onderaan op het display, de voorlaatste meetwaarde erboven enz.
Permanente meting
Bij de permanente meting kan het meetgereedschap relatief ten opzichte van het doel worden verplaatst, waarbij de meetwaarde ongeveer elke 0,5 seconden wordt geactualiseerd. U kunt zich bijv. van een muur tot op de gewenste afstand verwijderen, de actuele afstand is altijd afleesbaar.
Kies de permanente meting
Druk voor het inschakelen van de laserstraal kort op de meettoets (2) [▲]
Beweeg het meetgereedschap zo lang tot de gewenste afstand onderaan op het display verschijnt.

Door kort op de meettoets (2) [▲te drukken onderbreekt u de permanente meting. De actuele meetwaarde verschijnt onderaan op het display. De maximale en de minimale meetwaarde staan daarboven. Opnieuw indrukken van de meettoets (2) [▲start de permanente
meting opnieuw.
De permanente meting schakelt na 5 min automatisch uit.
Oppervlaktemeting
Kies de oppervlaktemeting.
Meet daarna breedte en lengte na elkaar zoals bij een lengteming. Tussen de beide metingen blijft de laserstraal ingeschakeld. De te meten afstand knippert in de aanduiding voor oppervlaktemeting (zie aanduidingselement (j)).

De eerste meetwaarde verschijnt bovenaan op het display.
Na het afsluiten van de tweede meting wordt de oppervlakte automatisch berekend en weergegeven. Het eindresultaat staat onderaan op het display, de afzonderlijke meetwaar-
den erboven.
Volumemeting
Kies de volumemeting
Meet daarna breedte, lengte en diepte na elkaar zoals bij een lengtemeting. Tussen de drie metingen blijft de laserstraal ingeschakeld. De te meten afstand knippert in de aanduiding voor volumemeting (die aanduidingselement (j)).

De eerste meetwaarde verschijnt bovenaan op het display.
Na het afsluiten van de derde meting wordt het volume automatisch berekend en weergegeven. Het eindresultaat staat onderaan op het display, de afzonderlijke meetwaarden erbo-
ven.
92 | Nederlands
Indirecte afstandsmeting
Kies de indirecte afstandsmeting. Voor de indirecte afstandsmeting staan vier meetfuncties ter beschikking, waarmee telkens verschillende afstanden kunnen worden bepaald.
De indirecte afstandsmeting dient voor het bepalen van afstanden die niet rechtstreeks kunnen worden gemeten, omdat een obstakel de laserstraal belemmert of omdat er geen doeloppervlak als reflector beschikbaar is. Deze meetmethode kan alleen in verticale richting worden toegepast. Elke afwijking in horizontale richting leidt tot meetfouten.
Aanwijzing: De indirecte afstandsmeting is altijd onnauwkeuriger dan de directe afstandsmeting. Meetfouten kunnen afhankelijk van de toepassing groter zijn dan bij de directe afstandsmeting. Voor de verbetering van de meetnauwkeurigheid raden we het gebruik van een statief (accessoire) aan. Tussen de afzonderlijke metingen blijft de laserstraal ingeschakeld
a) Indirecte hoogtemeting (zie afbeelding B)
Kies de indirecte hoogtemeting.
Let erop dat het meetgereedschap zich op dezelfde hoogte als het onderste meetpunt bevindt. Kantel daarna het meetgereedschap om het referentievlak en meet net als bij een lengtemeting de afstand „1“ (op het display weergegeven als rode lijn).

Na afsluiting van de meting verschijnt het resultaat voor de gezochte afstand „X“ in de resultaatregel (a). De meetwaarden voor de afstand „1“ en de hoek „ø“ staan in de meetwaarderegels (h).
b) Dubbele indirecte hoogtemeting (zie afbeelding C)
Het meetgereedschap kan alle afstanden indirect meten die in het verticale vlak van het meetgereedschap liggen. Kies de dubbele indirecte hoogtemeting, Meet net als bij een lengtemeting de afstanden „1“ en „2“ in deze volgorde.

Na afsluiting van de meting verschijnt het resultaat voor de gezochte afstand „X“ in de resultaatregel (a). De meetwaarden voor de afstanden „1“, „2“ en de hoek „ø“ staan in de meetwaarderegels (h).
Let erop dat het referentievlak van de meting (bijv. achterkant van het meetgereedschap) bij alle afzonderlijke metingen binnen een meetmethode op exact dezelf-de plek blijft.
c) Indirecte lengtemeting (zie afbeelding D)
Kies de indirecte lengtemeting.
Let erop dat het meetgereedschap zich op dezelfde hoogte als het gezochte meetpunt bevindt. Kantel daarna het meetgereedschap om het referentievlak en meet net als bij een lengtemeting de afstand „1“.

Na afsluiting van de meting verschijnt het resultaat voor de gezochte afstand „X“ in de resultaatregel (a). De meetwaarden voor de afstand „1“ en de hoek „ø“ staan in de meetwaarderegels (h).
d) Trapeziummeting (zie afbeelding E)
De trapeziummeting kan bijv. voor het bepalen van de lengte van een dakhelling worden gebruikt.
Kies de trapeziummeting
Meet net als bij een lengtemeting de afstanden „1“, „2“ en „3“ in deze volgorde. Let erop dat de meting van de afstand „3“ exact op het eindpunt van de afstand „1“ begint en dat tussen de afstanden „1“ en „2“ evenals tussen „1“ en „3“ een rechte hoek bestaat.

Na afsluiting van de laatste meting verschijnt het resultaat voor de gezochte afstand „X“ in de resultaatregel (a). De afzonderlijke meetwaarden staan in de meetwaarderegels (h).
Muuroppervlaktemeting (zie afbeelding F)
De muuropervlaktemeting dient voor het bepalen van de som van een aantal oppervlakten met een gemeenschappelijke hoogte. In het weergegeven voorbeeld moet de totale oppervlakte van meerdere muren worden bepaald die dezelfde ruimtehoogte H, maar verschillende lengtes L hebben.
Kies de muuropervlaktemeting
Meet de ruimtehoogte H net als bij een lengtemeting. De meetwaarde verschijnt in de bovenste meetwaarderegel. De laser blijft ingeschakeld.

Meet daarna de lengte L _1 van de eerste muur. De oppervlakte wordt automatisch berekend en verschijnt in de resultaatregel (a). De laatste lengtemeetwaarde staat in de onderste meetwaarderegel (h). De laser blijft ingeschakeld.
Meet nu de lengte L 2 van de tweede muur. De in de meetwaarderegel (h) weergegeven afzonderlijke meetwaarde wordt bij de lengte L 1 opgeteld. De som van de beide lengtes (weergegeven in de middelste meetwaarderegel (h)) wordt vermenigvuldigd met de opgeslagen hoogte H. De totale oppervlaktewaarde verschijnt in de resultaatregel (a).
U kunt willekeurig veel verdere lengtes L_x meten die automatisch opgeteld en met de hoogte H vermenigvuldigd worden. Voorwaarde voor een correcte berekening van de oppervlakte is dat de eerste gemeten lengte (in het voorbeeld de ruimtehoogte H) voor alle deelvlakken hetzelfde is.
Uitzetfunctie (zie afbeelding G)
De uitzetfunctie meet herhalend een gedefinieerde lengte (afstand). Deze lengtes kunnen naar een oppervlak worden overgebracht om het bijv. mogelijk te maken materiaal in even lange stukken te snijden of staanderwanden in de droge montagebouw op te richten. De instelbare minimale lengte bedraagt 0,1 m, de maximale lengte bedraagt 50 m.
Aanwijzing: In de uitzetfunctie wordt de afstand tot de markering op het display weergegeven. De referentie is niet de rand van het meetgereedschap.
Kies de uitzetfunctie
Stel de gewenste lengte met toets (4) [+] of toets (11) [-] in.
Start de uitzetfunctie door op de meettoets (2) [▲te drukken en loop langzaam weg van het startpunt.

Het meetgereedschap meet permanent de afstand tot het startpunt. Daarbij worden de ge- definieerde lengte en de actuele meetwaarde weergegeven. De onderste of bovenste pijl geeft de kleinste afstand tot de komende of laatste markering aan.
Aanwijzing: Bij het permanent meten kunt u door indrukken en vasthouden van de meettoets (2) [▲ook een gemeten waarde als gedefinieerde lengte vastleggen.

De linker factor geeft aan hoe vaak de gedefinieerde lengte al werd bereikt. De groene pijlen aan de zijkant op het display geven het bereiken van een lengte voor markeringsdoeleinden aan.
Rode pijlen of een rode tekst geven de werkelijke waarde aan, wanneer de referentiewaarde buiten het display ligt.
Hellingmeting/digitale waterpas
Kies de hellingmeting/digitale waterpas
Het meetgereedschap schakelt automatisch tussen twee toestanden om.

De digitale waterpas dient voor de controle van de horizontale of verticale uitlijning van een object (bijv. wasmachine, koelkast enz.).
Wanneer de helling 3° overschrijdt, brandt het bolletje op het display rood.
Als referentievlak voor de digitale waterpas
dient de onderkant van het meetgereedschap.

De hellingmeting dient voor het meten van een stijging of helling (bijv. van trappen, leuningen, bij het inpassen van meubels, bij het plaatsen van buizen enz.).
Als referentievlak voor de hellingmeting dient de linkerkant van het meetgereedschap. Als de
aanduiding tijdens de meting knippert, wordt het meetgereedschap te sterk zijwaarts gekanteld.
Geheugenfuncties
De waarde of het eindresultaat van elke afgesloten meting wordt automatisch opgeslagen.
Tip: Wanneer de camera is ingeschakeld, wordt automatisch de foto samen met het meetresultaat opgeslagen. De volgende informatie wordt op de foto weergegeven:
- meetresultaat
- afzonderlijke metingen (vereist voor het bepalen van het meetresultaat)
- gebruikte meetfunctie
- referentie
- datum en tijd
- hellingshoek (alleen bij ingeschakelde waterpas)
Moet de foto voor documentatiedoeleinden worden gebruikt en per micro-USB-kabel worden overgedragen, dan raden we aan de zoomfunctie niet te activeren.
Wanneer het meetgereedschap per micro-USB-kabel met een eindapparaat werd verbonden, wordt daarnaast een CSV-bestand met alle opgeslagen meetwaarden aange- maakt.
Aanduiding geheugenwaarde
Maximaal 50 waarden (meetwaarden of foto's met meetwaarden) kunnen worden opgevraagd.
Kies de geheugenfunctie met de softtoets (12) [ ]

Bovenaan op het display verschijnt het nummer van de geheugenwaarde, onderaan de bijbehorende geheugenwaarde en de bijbehorende meetfunctie
Druk op de toets (4) [+] om vooruit door de opgeslagen waarden te bladeren.
Druk op de toets (11) [-] om achteruit door de opgeslagen waarden te bladeren.
Als er geen waarde in het geheugen beschikbaar is, dan verschijnt onderaan op het display „0.000“ en bovenaan „0“.
De oudste waarde bevindt zich op positie 1 in het geheugen, de nieuwste waarde op positie 50 (bij 50 beschikbare geheugenwaarden). Bij het opslaan van nog een waarde wordt altijd de oudste waarde in het geheugen gewist.
Geheugen wissen
Om het geheugen te openen, drukt u op de softtoets (12)
[Om de geheugeninhoud te wissen, drukt u vervolgens zo vaak als gewenst op de softtoets (3) Om alle in het geheugen aanwezige waarden te wissen, kan ook de functie
„in het menu „Instellingen“ worden gebruikt. Bevestig vervolgens met de softtoets (12) [ ]
Geheugen formatteren
Het USB-geheugen kan opnieuw geformatteerd worden (bijv. bij opslagproblemen). Kies hiervoor de functie „en het menu „Instellingen“ en bevestig met de softtoets (12)
[1] Bij het formatteren worden alle in het geheugen aanwezige gegevens gewist. Het USB-geheugen mag niet met andere apparaten worden geformatteerd (bijv. externe pc).
Waarden optellen/aftrekken
Meetwaarden of eindresultaten kunnen opgeteld of afgetrokken worden.
Waarden optellen
Het volgende voorbeeld beschrijft het optellen van oppervlaktes: Bepaal een oppervlakte conform het deel „Oppervlaktemeting“ (zie „Oppervlaktemeting“, Pagina 91).

Druk op de toets (4) [+]. De berekende oppervlakte en het symbool „+“ verschijnen. Druk op de meettoets (2) [▲] om een verdere oppervlaktemeting te starten. Bepaal de oppervlakte conform het deel „Oppervlaktemeting“ (zie „Oppervlaktemeting“, Pagina 91).
Zodra de tweede meting is afgesloten, verschijnt het resul-
94 | Nederlands
taat van de tweede oppervlaktemeting onderaan op het display. Om het eindresultaat weer te geven, drukt u opnieuw op de meettoets (2) [4]
Aanwijzing: Bij een lengtemeting verschijnt het eindresultaat direct.
Waarden aftrekken
Voor het aftrekken van waarden drukt u op de toets (11) [-]. De verdere werkwijze verloopt zoals bij „Waarden optellen“.
Meetwaarden wissen
Door het kort indrukken van de toets Aan/Uit/Wissen (9) [5] kunt u in alle meetfuncties de laatst bepaalde meetwaarde wissen.
Bluetooth®-interface
Gegevensoverdracht naar andere apparaten
Het meetgereedschap is uitgerust met een Bluetooth®-module die draadloos de gegevensoverdracht naar bepaalde mobiele eindapparaten met Bluetooth®-interface mogelijk maakt (bijv. smartphone, tablet).
Informatie over de noodzakelijke systeemeisen voor een Bluetooth®-verbinding, vindt u op de Bosch-internetpagina www.bosch-pt.com
▶ Meer informatie vindt u op de Bosch productpagina.
Bij de gegevensoverdracht met Bluetooth® kunnen vertragingen tussen mobiel eindapparaat en meetgereedschap optreden. Dat kan aan de afstand van beide toestellen tot elkaar of aan het meetobject zelf liggen.
Activering van de Bluetooth®-interface voor de gegevensoverdracht op een mobiel eindapparaat
De activering van de Bluetooth®-interface vindt plaats in de instellingen. Om het Bluetooth®-signaal te activeren, drukt u op de toets (4) [+]. Zorg ervoor dat de Bluetooth®-interface op uw mobiele eindapparaat geactiveerd is.
Voor de uitbreiding van de functieomvang van het mobiele eindapparaat en voor de vereenvoudiging van de gegevensverwerking staat de speciale Bosch-applicatie (app) „Measuring Master“ ter beschikking. Deze kunt u afhankelijk van eindapparaat in de desbetreffende stores downloaden:
Na het starten van de Bosch-toepassing wordt de verbinding tussen mobiel eindapparaat en meetgereedschap tot stand gebracht. Als meerdere actieve meetgereedschappen worden gevonden, kies dan het passende meetgereedschap aan de hand van het serienummer. Het serienummer (15) vindt u op het typeplaatje van uw meetgereedschap.
De verbindingsstatus evenals de actieve verbinding (f) verschijnt op het display (1) van het meetgereedschap.
Deactivering van de Bluetooth®-interface
De deactivering van de Bluetooth®-verbinding vindt plaats in de instellingen. Om het Bluetooth®-signaal te deactiveren, drukt u op de toets (11) [-] of schakelt u het meetgereedschap uit.
USB-interface
Gegevensoverdracht via USB-interface
Via de micro-USB-aansluiting van het meetgereedschap kan de gegevensoverdracht naar bepaalde apparaten met USB-interface plaatsvinden (bijv. computer, notebook).
Verbind het meetgereedschap via de micro-USB-kabel met uw computer of notebook. Het besturingssysteem op uw computer of notebook herkent automatisch het meetgereedschap als schijfstation.
Aanwijzing: Zodra het meetgereedschap via de micro-USB-kabel met een computer of notebook is verbonden, wordt de Li-Ion-accu opgeladen. Afhankelijk van de hoogte van de laadstroom varieert de oplaadtijd.
Aanwijzingen voor werkzaamheden
▶ Meer informatie vindt u op de Bosch productpagina.
- Het meetgereedschap is met een radio-interface uitgerust. Lokale gebruiksbeperkingen, bijv. in vliegtui-gen of ziekenhuizen, moeten in acht genomen worden.
Algemene aanwijzingen
De ontvangstlens (20), de uitgang voor de laserstraal (18) en de camera (19) mogen bij een meting niet zijn afgedekt. Het meetgereedschap mag tijdens een meting niet bewogen worden. Leg daarom het meetgereedschap het best tegen een vast aanslag- of steunvlak.
Invloeden op het meetbereik
Het meetbereik hangt van de lichtomstandigheden en de reflectie-eigenschappen van het doeloppervlak af. Gebruik voor een betere zichtbaarheid van de laserstraal bij sterk omgevingslicht de geïntegreerde camera (19), de laserbril (26) (accessoire) en het laserrichtbord (25) (accessoire), of verduister het doeloppervlak.
Invloeden op het meetresultaat
Vanwege bepaalde eigenschappen van materialen kunnen bij metingen op sommige oppervlakken foute metingen niet worden uitgesloten. Daartoe behoren:
- transparante oppervlakken (bijv. glas, water)
- spiegelende oppervlakken (bijv. gepolijst metaal, glas)
- poreuze oppervlakken (bijv. isolatiemateriaal)
- gestructureerde oppervlakken (bijv. ruw pleisterwerk, natuursteen)
Gebruik eventueel op deze oppervlakken het laserrichtbord (25) (accessoire).
Foute metingen zijn bovendien mogelijk op doeloppervlakken waarop schuin wordt gericht.
Ook kunnen luchtlagen met verschillende temperaturen of indirect ontvangen weerspiegelingen de meetwaarde beïnvloeden.
Nauwkeurigheidscontrole en kalibrering van de hellingmeting (zie afbeelding H)
Controleer regelmatig de nauwkeurigheid van de hellingmeting. Dit gebeurt door een omslagmeting. Leg daarvoor het meetgereedschap op een tafel en meet de helling. Draai het meetgereedschap 180° en meet opnieuw de helling. Het verschil van de weergegeven waarde mag max. 0,3° bedragen.
Bij grotere afwijkingen moet u het meetgereedschap opnieuw kalibreren. Kies hiervoor de instellingen. Volg de instructies op het display.
Na sterke temperatuurveranderingen en na stoten raden we u een nauwkeurigheidscontrole aan en evt. een kalibrering van het meetgereedschap. Na een temperatuurverandering moet het meetgereedschap zich een tijdje aan de temperatuur aanpassen, voordat een kalibrering plaatsvindt.
Nauwkeurigheidscontrole van de afstandsmeting
U kunt de nauwkeurigheid van het meetgereedschap als volgt controleren:
- Kies een duurzaam onveranderlijke meetafstand van ca. 3 tot 10 meter, waarvan u de lengte precies kent (bijvoorbeeld kamerbreedte, deuropening). De meting moet onder gunstige omstandigheden worden uitgevoerd, d.w.z. het meettraject moet in de binnenruimte liggen met een zwakke achtergrondverlichting en het doeloppervlak van de meting moet glad en goed reflecterend zijn (bijv. een wit geverfde muur).
- Meet het traject 10 keer na elkaar.
De afwijking van de afzonderlijke metingen van de gemiddelde waarde mag maximaal ± 2 mm over het volledige meettraject bij gunstige voorwaarden bedragen. Noteer de metingen om op een later tijdstip de nauwkeurigheid te kunnen vergelijken.
Nauwkeurigheidscontrole en kalibrering van de doelaanduiding (dradenkruis)
Controleer regelmatig de nauwkeurigheid van de uitlijning van de laser en de doelaanduiding.
- Kies een licht, indien mogelijk zwak verlicht oppervlak (bijv. een witte muur) op min. 5 m afstand als doel.
- Controleer of de laserpunt binnen de doelaanduiding op het display ligt.
Als de laserpunt niet binnen de doelaanduiding ligt, moet u de doelaanduiding opnieuw kalibreren.
Kies hiervoor ein de instellingen. Volg de instructies op het display.
Werken met het statief (accessoire)
Het gebruik van een statief is vooral bij grotere afstanden noodzakelijk. Plaats het meetgereedschap met de 1/4"-schroefdraad (17) op de snelwisselplaat van het statief (27) of een gangbaar fotostatief. Schroef het met de vastzet-schroef van de snelwisselplaat vast.
Stel het referentievlak voor metingen met statief in de instellingen in (referentievlak statief).
Storingen - oorzaken en oplossingen
Oorzaak Oplossing
Temperatuurwaarschuwing knippert, meting niet mogelijk
| Meetgereedschap bevindt zich buiten de gebruikstemperatuur van -10 °C tot +45 °C (in de functie permanente meting tot +40 °C). | Wachten tot het meetgereedschap de gebruikstemperatuur bereikt. |
Aanduiding „ERROR“ op het display
| Optellen of aftrekken van meetwaarden met verschillende maateenheden | Alleen meetwaarden met dezelfde maateenheden optellen/aftrekken. |
| Hoek tussen laserstraal endoel is te klein. | Hoek tussen laserstraal endoel groter maken. |
| Doeloppervlak reflecteert sterk (bijv. spiegel) of te zwak (bijv. zwarte stof), of omgevingslicht is te sterk. | Laserrichtbord (25) (accessoire) gebruiken |
| Uitgang laserstraal (18), ontvangstlens (20) of camera (19) is beslagen (bijv. door snelle temperatuurverandering). | Met een zachte doek uitgang laserstraal (18), ontvangstlens (20) of camera (19) droog wrijven |
| Berekende waarde is groter dan 1 999 999 of kleiner dan -999 999 m/m ^2 /m ^3 . | Berekening verdelen in tus-senstappen. |
Aanduiding „CAL“ en aanduiding „ERROR“ op het display
| De kalibrering van de helling-meting is niet in de correcte volgorde of in de correcte posities uitgevoerd. | Herhaal de kalibrering vol-gens de instructies op het display en in de gebruiksaan-wijzing. |
| De voor de kalibrering ge-bruikte vlakken waren niet nauwkeurig horizontaal of verticaal uitgelijnd. | Herhaal de kalibrering op een horizontaal of verticaal vlak en controleer de vlakken eerst met een waterpas. |
| Het meetgereedschap is bij het indrukken van de toets bewogen of gekanteld. | Herhaal de kalibrering en houd het meetgereedschap tijdens het indrukken van de toets rustig op het vlak. |
Accu-oplaadaanduiding (g), temperatuurwaarschuwing en aanduiding „ERROR“ op het display
| Temperatuur van het meetgereedschap buiten het toegestane oplaadtemperatuurbereik. | Wacht tot het oplaadtemperatuurbereik is bereikt. |
Accu-oplaadaanduiding (g) en aanduiding „ERROR“ op het display
| Acculaadspanning niet cor-rect. | Controleer of de steekverbin-ding correct tot stand is ge- |
96 | Nederlands
Oorzaak Oplossing
| bracht en het oplaadapparaat correct functioneert. Als het toestelsymbool knippert, is de accu defect en moet deze door de Bosch-klantenservice worden vervangen. |
Meetresultaat niet aannemelijk
| Doeloppervlak reflecteert niet duidelijk (bijv. water, glas). | Doeloppervlak afdekken. |
| Uitgang laserstraal (18) of ontvangstlens (20) of camera (19) is afgedekt. | Uitgang laserstraal (18), ont- vangstlens (20) of camera (19) vrijhouden. |
| Verkeerd referentievlak ingesteld. | Referentievlak passend bij de meting kiezen. |
| Obstakel in het verloop van de laserstraal. | Laserpunt moet volledig op doeloppervlak liggen. |
| Bluetooth®kan niet worden geactiveerd | |
| Accu is te zwak. Laad de accu van het meet-gereedschap op. | |
Geen Bluetooth®-verbinding
| Storing van de Bluetooth®-verbinding | Schakel Bluetooth® op het meetgereedschap en op het mobiele eindapparaat uit en weer in. |
| Controleer de applicatie op uw mobiele eindapparaat. | |
| Controleer of Bluetooth® op uw meetgereedschap en mobiele eindapparaat geactiveerd is. | |
| Controleer uw mobiele eindapparaat op overbelasting. | |
| Verkort de afstand tussen het meetgereedschap en uw mobiele eindapparaat. | |
| Vermijd obstakels (bijv. gewapend beton, metalen deuren) tussen het meetgereedschap en uw mobiele eindapparaat. Houd afstand tot elektromagnetische storingsbronnen (bijv. WiFi-zenders). |
Geen gegevensoverdracht via USB-interface mogelijk
| Micro-USB-kabel Controleer of de micro-USB-kabel correct en vast zit. |
| Controleer de micro-USB-kabel op beschadigingen. |

Het meetgereedschap bewaakt het correct functioneren bij elke meting. Wordt een defect vastgesteld, dan toont het display alleen nog het hiernaast afgebeelde symbool. In dit geval of wanneer de fout niet met de bovengenoem-
de maatregelen kan worden verholpen, dient u het meetgereedschap via uw leverancier naar de klantenservice van Bosch te sturen.
Onderhoud en service
Onderhoud en reiniging
Houd het meetgereedschap altijd schoon.
Dompel het meetgereedschap niet in water of andere vloeistoffen.
Verwijder vuil met een vochtige, zachte doek. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen.
Reinig vooral de ontvangstlens (20), de laseropening (18) en de camera (19) zeer voorzichtig: let erop dat er geen vuil op de ontvangstlens, de laseropening en de camera ligt. Reinig de ontvangstlens, de laseropening en de camera alleen met middelen die ook voor lenzen van fototoestellen geschikt zijn. Probeer niet met spitse voorwerpen vuil uit de ontvangstlens, de laseropening of de camera te verwijderen, en veeg niet over de ontvangstlens, laseropening en camera (gevaar voor krassen).
Stuur het meetgereedschap voor reparatie in het opbergetui (24) op.
Klantenservice en gebruiksadvies
Onze klantenservice beantwoordt uw vragen over reparatie en onderhoud van uw product en over vervangingsonderdelen. Explosietekeningen en informatie over vervangingsonderdelen vindt u ook op: www.bosch-pt.com
Het Bosch-gebruiksadviesteam helpt u graag bij vragen over onze producten en accessoires.
Vermeld bij vragen en bestellingen van vervangingsonderde- len altijd het uit tien cijfers bestaande productnummer vol- gens het typeplaatje van het product.
Nederland
Tel.: (076) 579 54 54
Fax: (076) 579 54 94
E-mail: gereedschappen@nl.bosch.com
België
Tel.: (02) 588 0589
Fax: (02) 588 0595
E-mail: outillage.gereedschap@be.bosch.com
Afvalverwijdering
Meetgereedschappen, accessoires en verpakkingen dienen op een voor het milieu verantwoorde manier te worden gere- cycled.

Gooi meetgereedschappen niet bij het huisvuil.
Alleen voor landen van de EU:
Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EU moeten niet meer bruikbare meetgereedschappen en volgens de Europese richtlijn 2006/66/EG moeten defecte of verbruikte accu's/batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled.
Accu's/batterijen:
- Geïntegreerde accu's mogen alleen voor het afvoeren door geschoold personeel verwijderd worden. Door het openen van de behuizingsschaal kan het meetgereedschap vernietigd worden.
Zorg er vóór het wegnemen van de accu voor dat de accu helemaal ontladen is.
Zorg er vóór het wegnemen van de accu voor dat de accu helemaal ontladen is. Verwijder het typeplaatje, open de meetpen en verwijder alle schroeven aan de achterkant van de behuizing. Pak de behuizingsschaal weg, koppel alle kabels van de printplaat los en draai de schroeven los. Nu kunt u de printplaat verwijderen en de accu is zichtbaar. Draai beide schroeven los en pak de accu weg om deze vakkundig af te voeren.
Ook bij volledige ontlading is nog een restlading in de accu aanwezig die bij kortsluiting vrij kan komen.
Gooi accu's of batterijen niet bij het huisvuil en evenmin in het vuur of het water. Accu's en batterijen moeten, indien mogelijk leeg, worden ingezameld, gerecycled of op een voor het milieu verantwoorde wijze worden afgevoerd.