STIGA Tornado 7108 W - Tractor

Tornado 7108 W - Tractor STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Tornado 7108 W STIGA in PDF-formaat.

📄 944 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice STIGA Tornado 7108 W - page 578
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : STIGA

Model : Tornado 7108 W

Categorie : Tractor

Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Tornado 7108 W - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Tornado 7108 W van het merk STIGA.

GEBRUIKSAANWIJZING Tornado 7108 W STIGA

Grasmaaier met zittende bediener - GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.

NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing 

  3.1  Beschrijving machine en beoogd gebruik

4.5 Montage van de houders van de

  • opvangzak p. 8
  •   4.6  Verwijdering van de pal van de veerhaak  van de opvangzak p. 8
  •   4.7  Montage van de voorbumper p. 8
  •   4.8  Montage van de opvangzak p. 9

4.9 Montage van de hendels voor de

kanteling van de opvangzak .................. 9   4.10 Montage van de zijbeschermingen van  het samenstel van de snij-inrichtingen  (indien voorzien) ................................... 9

4.11 Montage van de zijdelingse

aaatdeector (enkel voor modellen met  zijdelingse aaat) .................................. 9

5.10 Toets toelating snijden bij

achteruitversnelling ............................. 12

5.11 Bedieningen voor de regeling van de

5.14 Hulpaansluiting voor accessoires ........ 13

  6.1  Voorafgaande werkzaamheden ........... 16

7.2 Brandstof bijvullen / lediging

7.7 Moeren en schroeven voor bevestiging 25

In de tekst van de handleiding worden enkele  paragrafen, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de  werking, gekenmerkt door diverse symbolen  die de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de machine beschadigd wordt of dat er schade veroorzaakt wordt. Het symbool   wijst op een gevaar.  Veronachtzaming van de waarschuwing  leidt tot mogelijke persoonlijke letsels of  letsels aan anderen en/of schade. De paragrafen die aangegeven zijn met een grijze stippen-boord wijzen op  optionele kenmerken die niet aanwezig zijn  op alle modellen die in deze handleiding  beschreven zijn. Controleer of het kenmerk  aanwezig is op het model in kwestie. De aanwijzingen "voor", "achter",  "rechts" en "links" hebben betrekking  op de werkpositie van de bediener.

De afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzingen  zijn genummerd 1, 2, 3 enz. De onderdelen die op de afbeeldingen zijn aangegeven, zijn gekentekend  met de letters A, B, C enz. Een verwijzing naar het onderdeel C in  afbeelding 2 wordt aangegeven met de tekst: "Zie  afbeelding 2.C" of eenvoudigweg "(Afb. 2.C)". De afbeeldingen zijn indicatief. De eectieve delen kunnen wijzigen ten  opzichte van wat aangegeven is.

De handleiding is onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. De titel van de  paragraaf "2.1 Training" is een ondertitel van  "2. Veiligheidsvoorschriften". De verwijzingen  naar titels of paragrafen zijn aangegeven met  de afkorting hfdst. of par. en het desbetreend  nummer. Voorbeeld: "hfdst. 2" of "par. 2.1"

Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het niet in acht  nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/of ernstige letsels veroorzaken.

  • Laat nooit toe dat de machine gebruikt  wordt door kinderen of door personen die  niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen.  De minimale leeftijd van de gebruiker  kan landelijk gereglementeerd zijn.
  • Gebruik de machine nooit indien de  gebruiker vermoeid of onwel is, of indien  hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of  andere stoen ingenomen heeft die een  negatieve invloed kunnen hebben op  zijn reactievermogen en aandacht.
  • Vervoer geen kinderen of andere passagiers. 
  • Denk eraan dat de persoon die de machine  bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor  ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen  kunnen overkomen. Het valt onder de  verantwoordelijkheid van de gebruiker om de  risico’s, die het terrein waarop hij moet werken  met zich mee kan brengen, te beoordelen  en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te  treen met het oog op zijn eigen veiligheid  en die van anderen, met name op hellingen,  hobbelige, gladde of instabiele terreinen.
  • Indien men de machine aan derden wil geven  of lenen, moet men zich ervan verzekeren  dat de gebruiker de gebruiksaanwijzingen  in dit handboek doorneemt.

2.2 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)

  • Draag geschikte kledij, stevige werkschoenen  met antislipzolen en een lange broek. Bedien  de machine niet met blote voeten of met open  sandalen. Draag gehoorbeschermingen.
  • Het gebruik van gehoorbeschermingen  kan de capaciteit van het horen van  eventuele waarschuwingen verminderen  (roepen of alarmsignalen). Let altijd op  voor wat gebeurt rondom de werkzone.
  • Draag geen sjaal, hemd, halsketting,  armbanden, kledij met losse delen, of met  bandjes of dassen of andere hangende of wijde accessoires die vastgegrepen kunnen  worden door de machine of voorwerpen  en materiaal aanwezig op de werkplaats.NL - 3
  • Lang haar wordt zorgvuldig bijeengebonden. Werkzone / Machine
  • Controleer grondig de hele werkzone en  verwijder alles wat van door de machine  weg zou kunnen uitgestoten worden of  de snij-inrichting/draaiende organen zou kunnen beschadigen worden (keien,  takken, ijzerdraad, beenderen, enz.).. Benzinemotoren: brandstof GEVAAR! De brandstof is zeer ontvlambaar. 
  • Bewaar de brandstof in speciale  houders die daarvoor gehomologeerd  zijn, op een veilige plaats, uit de buurt van warmtebronnen of naakte vlammen.
  • Laat de houders en de opslagzone van de benzine vrij van resten van gras, bladeren of te grote hoeveelheden vet.
  • De recipiënten moeten buiten het bereik  van kinderen bewaard worden.
  • Rook niet tijdens het tanken of het  bijvullen van brandstof of elke keer  wanneer men met de brandstof werkt.
  • Als de motor aanstaat of warm is mag  u geen brandstof toevoegen of de dop van de benzinetank afdraaien.
  • Open de dop van het reservoir langzaam om  de interne druk geleidelijk aan af te laten.
  • Reinig onmiddellijk elk spoor van brandstof  dat op de machine of op de grond gelekt is.
  • Draai de dop altijd weer goed op  het brandstofreservoir en op de houder van de brandstof.
  • Start de machine nooit op de plaats  waar de brandstof bijgevuld werd;  de  motor moet steeds gestart worden op  een afstand van minstens 3 meter van de  plaats waar de brandstof bijgevuld werd.
  • Zorg ervoor dat de brandstof niet in aanraking komt met de kledij en trek in  ieder geval steeds nieuwe kleren aan  vooraleer de motor op te starten.
  • Schakel de motor niet aan in gesloten  ruimtes, waar er zich gevaarlijke  koolstofmonoxidedampen kunnen  vormen. De machine dient altijd in de  open lucht of in een goed geventileerde ruimte gestart te worden! Denk er altijd  aan dat de uitlaatgassen giftig zijn!
  • Richt, tijdens het opstarten van de machine,  de geluidsdemper en dus de uitlaatgassen  nooit naar ontvlambare materialen.
  • Gebruik de machine niet in omgevingen  met gevaar op ontplong, in aanwezigheid  van ontvlambare vloeistoen, gas of stof.  Elektrische contacten of mechanische  wrijvingen kunnen vonken veroorzaken die het  stof of de dampen kunnen doen ontbranden. 
  • Enkel bij daglicht of met goed kunstmatig  licht en bij goede zichtbaarheid reinigen.
  • Verwijder personen, kinderen en dieren uit  de werkzone. De kinderen moeten onder  toezicht van een andere volwassene staan.
  • Werk niet op nat gras, bij regen of  bij risico op onweer, in het bijzonder  wanneer er kans op bliksem bestaat.
  • Let bijzonder goed op de onregelmatigheden  van het terrein (drempels, geulen), op de  hellingen, op verborgen gevaren en op de aanwezigheid van eventuele hindernissen die  de zichtbaarheid zouden kunnen beperken.
  • Wees zeer voorzichtig nabij ravijnen, grachten of dijken. De machine kan  omkantelen indien een wiel over de  rand gaat of indien de rand inzakt.
  • Let op in geval van hellende terreinen, waar bijzondere aandacht vereist is om  omkantelen of verlies van controle over de  machine te vermijden. De voornaamste  oorzaken waardoor de macht over het  stuur kwijt geraakt kan worden zijn: – Onvoldoende grip van de wielen – Overdreven snelheid – Niet passende remming – De machine is niet geschikt voor het  doel waarvoor zij gebruikt wordt – Gebrek aan kennis van de gevolgen  die de toestand waarin het terrein  zich bevindt kan hebben; – Onjuist gebruik als trekvoertuig.
  • Wanneer de machine nabij de  openbare weg gebruikt, moet opgelet  worden voor het verkeer.
  • Laat de machine niet stilstaand in  hoog gras met de motor draaiend,  om risico op brand te vermijden.NL - 4 Gedrag
  • Laat u tijdens het rijden niet aeiden,  behoud de nodige concentratie.
  • Let op wanneer u achteruit of achterwaarts  rijdt. Kijk achteruit voor en tijdens het  achteruit rijden om u ervan te verzekeren  dat er geen hindernissen zijn.
  • Let op wanneer u lasten trekt of  zware uitrustingen gebruikt; – Gebruik voor de trekstangen alleen de  goedgekeurde bevestigingspunten; – Beperk het aantal ladingen tot diegenen die  gemakkelijk kunnen gecontroleerd worden; – Neem geen scherpe bochten. Let  op bij het achteruit rijden; – Gebruik tegengewichten of gewichten  op de wielen wanneer dit wordt  aangeraden in de gebruiksaanwijzing.
  • Let op bij het gebruik van opvangzakken en  toebehoren die de stabiliteit van de machine  kan wijzigen, in het bijzonder op hellingen.
  • Houd altijd de handen en voeten ver van de snij-inrichting, zowel wanneer  de motor gestart wordt als tijdens  het gebruik van de machine.
  • Let op: het snij-element blijft gedurende  enkele seconden na zijn afkoppeling of  na uitschakeling van de motor draaien.
  • Let goed op de snijgroep met meerdere  snij-inrichtingen, aangezien een draaiende snij-inrichting ook de  andere zou kunnen doen draaien.
  • Blijf steeds op afstand van de aaatopening.
  • Raak de delen van de motor die zich  tijdens het gebruik opwarmen, nooit  aan. Risico op brandwonden.
  • Laat de machine niet stilstaand in  hoog gras met de motor draaiend,  om risico op brand te vermijden. In geval van breuken of ongevallen tijdens  het werk, dient men de motor onmiddellijk  stil te zetten en de machine te verwijderen  om geen verdere schade te berokkenen; in  geval van ongevallen met persoonlijke letsels  of letsels aan derden, dient men onmiddellijk  de meest geschikte eerste-hulp-procedures  te volgen voor de situatie en zich tot een gezondheidsstructuur te richten voor de nodige zorgen. Verwijder zorgvuldig eventuele resten die  schade of letsels aan personen of dieren kunnen  veroorzaken indien ze onopgemerkt blijven. Beperkingen voor het gebruik
  • Gebruik de machine nooit wanneer de  beveiligingen beschadigd zijn, ontbreken of  niet correct geplaatst zijn (opvangzakken,  zijdelingse aaatbescherming,  achterste aaatbescherming).
  • Gebruik de machine niet indien de  toebehoren/werktuigen niet op de  voorziene plaatsen geïnstalleerd zijn. 
  • De aanwezige veiligheidsinrichtingen/ microschakelaars niet uitschakelen,  afschakelen, verwijderen of schenden.
  • Wijzig de regelingen van de motor niet, en  bereik geen te hoog toerental. Als de motor  aan een te hoog toerental draait, vergroot het risico voor persoonlijke letsels.
  • Overbelast de machine niet en gebruik  geen kleine machine om zware werken  te verrichten; het gebruik van een  machine met aangepaste afmetingen  zal de risico’s beperken en de  kwaliteit van het werk verbeteren.
  • De machine is niet goedgekeurd om  op de openbare weg te rijden. Ze mag  (volgens het Wegverkeersregelement)  uitsluitend gebruikt worden op privé- terrein dat voor verkeer gesloten is.
  • Gebruik de machine nooit als er onderdelen  versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten  vervangen en niet gerepareerd worden.
  • Om het risico op brand te verminderen,  moet men regelmatig controleren of er  geen lekken van olie en/of brandstof zijn.
  • Tijdens de afstellingen van de machine, moet  men erop letten dat de vingers niet tussen  de bewegende snij-inrichting en de vaste  delen van de machine geklemd geraken.  Het niveau van het geluid en van de trillingen dat aangegeven is in deze handleiding, zijn de maximale waarden voor het gebruik  van de machine. Het gebruik van een niet  gebalanceerd maai-element, een overdreven  snelheid van de beweging en gebrekkig  onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijk preventieve maatregelen  te treen om mogelijke schade ten gevolge  van een hoog geluidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud  van de machine, draag gehoorbescherming,  maak pauzes tijdens het werk.  Stalling
  • Zet de machine niet met brandstof in de tank  in een ruimte waar de brandstofdampenNL - 5 met vlammen, vonken of een warmtebron  in aanraking zouden kunnen komen.
  • Laat geen houders met restmateriaal  in een gesloten ruimte, om het  risico op brand te voorkomen. 

2.5 BESCHERMING VAN DE OMGEVING

De milieubescherming moet een belangrijk  en prioritair aspect vormen voor het gebruik  van de machine, ten gunste van de civiele  samenleving en de omgeving waarin we leven. 

  • Wees geen storend element voor uw  buren. Gebruik de machine enkel op  redelijke uren (niet 's ochtends vroeg  of 's avonds laat wanneer dit andere  personen zou kunnen storen). 
  • Volg nauwgezet de plaatselijke normen  voor het verwerken van de verpakking,  olie, brandstof, lters, versleten delen of  eender welk element met een sterke invloed  op de omgeving; dit afval mag niet met  de huisafval weggeworpen worden, maar  moet gescheiden worden en aan speciale  verzamelcentra toevertrouwd worden, die de  recyclage van de materialen zullen verzorgen.
  • Volg nauwkeurig de lokale normen op  voor de afdanking van het afval. 
  • Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu  achtergelaten worden maar moet ze naar  een opvangcentrum gebracht worden,  volgens de geldende plaatselijke normen.

Dit is een grasmaaier met zittende bestuurder. De machine is voorzien van een motor, die  de snij-inrichting inschakelt, beschermd door  een carter, en een aandrijvingsgroep die de beweging aan de machine doorgeeft. De machine is voorzien van het volgende: – hydrostatische transmissie met oneindig  variabele transmissieverhoudingen  vooruit en achteruit (“Hydro”),  met tweewielaandrijving (2WD)  of vierwielaandrijving (4WD). De bediener kan de machine bedienen en  de hoofdcommando’s inschakelen terwijl  hij steeds op zijn plaats blijft zitten. De veiligheidsinrichtingen op de machine  doen de motor en de snij-inrichting na  enkele seconden stilvallen (par. 6.2.2).

3.1.1 Voorzien gebruik

Deze machine is ontworpen en  gebouwd voor het maaien van gras. Deze machine kan, in het algemeen:

achterlaten op het terrein.

4. gras maaien, en het zijdelings achterlaten.

Het gebruik van bijzonder toebehoren,  voorzien door de Fabrikant als oorspronkelijke  uitrusting of afzonderlijk aan te kopen,  staat toe dit werk uit te voeren volgens  de verschillende werkwijzen die in deze  handleiding of in de instructies die met het  toebehoren geleverd worden, beschreven zijn. Tegelijkertijd kan de mogelijkheid bijkomend  toebehoren te gebruiken (indien voorzien door  de Fabrikant) het gebruik ervan uitbreiden  naar andere functies, volgens de limieten en  condities die beschreven zijn in de instructies die het toebehoren zelf vergezellen.

3.1.2 Onjuist gebruik

Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat  hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en  schade berokkenen aan personen en/of zaken.  De volgende situaties behoren tot het onjuist gebruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend): – op de machine of op een aanhangwagen  andere personen, kinderen of dieren  vervoeren, aangezien deze zouden kunnen vallen en ernstige letsels zouden  kunnen opdoen of de veiligheid van de rit  in het gedrang zouden kunnen brengen; – ladingen trekken of duwen zonder het  gebruik van het daarvoor bestemde  toebehoren voor het slepen; – gebruik van de machine op onstabiele,  gladde, bevroren, stenige of oneen  terreinen, in geval van plassen of moerassen die niet toestaan de  consistentie van het terrein in te schatten; – de snij-inrichting aanschakelen  op zones zonder gras; – gebruik van de machine voor het  verzamelen van bladeren of afval.NL - 6 BELANGRIJK Het onjuist gebruik brengt verval van zowel de garantie als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen.

3.1.3 Type gebruiker

Deze machine is bestemd voor gebruik  door consumenten, d.w.z. door niet  professionele bedieners. Ze is bestemd  voor een amateuriëel gebruik. BELANGRIJK De machine mag steeds slechts door een enkele bediener gebruikt worden.

3.2 VEILIGHEIDSSIGNALEN

Op de machine verschijnen verschillende  symbolen (afb. 2). Hun taak is de bediener  te herinneren aan het gedrag dat hij moet  aanhouden om de machine met de nodige  aandacht en voorzichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen: Let op! Lees de aanwijzingen  door voordat de machine  wordt gebruikt. Let op! Verwijder de sleutel,  en lees de aanwijzingen  door voordat eender welke handelingen van het  onderhoud of de herstelling wordt uitgevoerd. Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Niet werken  zonder de achterste aaatbeveiliging of de  opvangzak erop bevestigd te  hebben. (enkel voor modellen  met opvang achteraan). Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Houd  personen uit de buurt. Gevaar! Omkantelen van de machine: Gebruik deze  machine niet op hellingen  van meer dan 10°. Gevaar! Verminking:  Controleer dat kinderen  op voldoende afstand van de machine blijven  wanneer de motor draait. Risico voor snijwonden. Bewegende snij-inrichtingen.  Plaats de handen of de voeten nooit in de zitting van de snij-inrichtingen. Let op! Houd voldoende afstand van de hete oppervlakken. Klim niet op de machine  langs de beschermingen  van de snijgroep. max xxx N (xx kg) max xxx N (xxx kg) Bij gebruik van de trekset  mogen de laadlimieten niet  overschreden worden die zijn  aangeduid op het etiket, en  moeten de veiligheidsnormen  gerespecteerd worden. BELANGRIJK De beschadigde of onleesbaar geworden labels moeten vervangen worden. Vraag nieuwe labels aan uw eigen geautoriseerd Dienstcentrum.

bedrijfssnelheid motor

9. Massa van de machine met lege tank in kg

10. Type aandrijving

Schrijf de identicatiegegevens van  de machine in de vakjes op het label  aan de achterkant van de omslag. BELANGRIJK Gebruik de identicatiegegevens die aangegeven zijn op het identicatielabel van het product bij ieder contact met de geautoriseerde werkplaats. BELANGRIJK Het voorbeeld van de verklaring van overeenstemming bevindt zich op de laatste pagina’s van de handleiding.NL - 7

3.4 BELANGRIJKSTE ONDERDELEN

De machine bestaat uit de volgende  hoofdzakelijke onderdelen, die de  volgende functies hebben (Afb. 1): A. Motor: brengt de beweging naar  zowel de snij-inrichtingen als de  wielaandrijving over; de kenmerken en  de gebruiksnormen worden beschreven  in een specieke handleiding. B. Snijgroep: dit is het geheel  bestaande uit de carter, waarin zich de  draaiende snij-inrichtingen bevinden, en de snij-inrichtingen zelf. C. Snij-inrichtingen: dit zijn de elementen  die ervoor dienen om het gras te maaien;  de windvleugels die aan de uiteinden  zitten bevorderen de afvoer van het gemaaid gras naar het uitwerpkanaal. D. Achterste aaatbeveiliging (beschikbaar  op aanvraag): wanneer deze op de plaats  van de opvangzak gemonteerd is, verhindert  ze dat eventuele voorwerpen die door de  snij-inrichting opgevangen werden, ver weg  van de machine geschoten worden.(enkel  voor modellen met opvang achteraan). E. Zijdelingse aaatdeector: naast de functie van het zijdelings achterlaten van het gras op het terrein, betreft het een veiligheidselement dat er voor zorgt  dat eventuele voorwerpen opgevangen  door de snij-inrichting niet ver van de machine worden weggeslingerd (enkel  voor modellen met zijdelingse aaat). F. Opvangzak: naast de functie van het  opvangen van het gemaaide gras, betreft  het een veiligheidselement dat er voor zorgt  dat eventuele voorwerpen opgevangen  door de snij-inrichting niet ver van de machine worden weggeslingerd (enkel voor modellen met opvang achteraan). G. Uitwerpkanaal: dit is het  verbindingselement tussen de  snijgroep en de opvangzak (enkel voor modellen met opvang achteraan). H. Bestuurdersplaats: dit is de werkplaats  van de bestuurder, uitgerust met een  sensor die de aanwezigheid van de  bestuurder waarneemt met het oog op de  werking van de beveiligingssystemen.

I. Stuur: hiermee kunnen de 

voorwielen bestuurd worden. J. Buer vooraan: biedt bescherming  aan de voorkant van de machine. K. Batterij: levert de energie om de motor  te kunnen starten; de kenmerken en de  gebruiksnormen worden beschreven  in een specieke handleiding.

De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Om vervoers- en opslagredenen worden  sommige onderdelen van machine niet  direct in de fabriek gemonteerd. Zij dienen  na het uitpakken gemonteerd te worden  aan de hand van de volgende instructies. Het uitpakken en de vervollediging  van de montage moeten uitgevoerd worden op een vlakke en stevige ondergrond, met voldoende ruimte voor de verplaatsing van de machine en de verpakkingen, en steeds met behulp van de geschikte instrumenten. Gebruik de machine niet vooraleer de aanwijzingen van de sectie "MONTAGE" teneinde gebracht te hebben.

4.1 ONDERDELEN VOOR DE MONTAGE

De verpakking bevat de onderdelen voor de  montage die in de volgende tabel vermeld zijn: Beschrijving 1 Stuur 2 Deksel van het instrumentenpaneel en van  de onderdelen voor montage van het stuur 3 Bestuurdersstoel 4 Voorbumper (indien voorzien) 5 Zak met relatieve schroeven voor de mon- tage en de relatieve aanwijzingen (enkel  voor modellen TS-TX-TH) (enkel voor mo- dellen met opvang achteraan) 6 De houders van de zak en de relatieve  accessoires voor de vervollediging en de montage (enkel voor modellen met opvang achteraan) 7 Zijdelingse aaatdeector (enkel voor mo- dellen met zijdelingse aaat) 8 Zijdelingse versterkingen van de snijgroep  (indien voorzien). 9 Enveloppe met: - de verschillende gebruikershandleidingen  en de documenten,  - schroeven voor montage van de stoel - kit voor montage van de zijdelingse  aaatdeector (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) - de schroeven en moeren voor de aanslui- ting van de accukabels - 2 contactsleutels - 1 reservezekering van 10 A 10 Kit Melching (enkel voor modellen met zij- delingse aaat) (indien voorzien).NL - 8

1. Open de verpakking voorzichtig, let 

erop geen onderdelen te verliezen.

2. Raadpleeg de documentatie in de doos, 

inclusief deze gebruiksaanwijzingen.

3. Haal alle onderdelen die niet

gemonteerd zijn uit de doos.

4. Haal de machine uit de verpakking, met 

de volgende voorzorgsmaatregelen: – breng de snijgroep op de maximale  hoogte (par. 5.11) om deze niet te  beschadigen wanneer de machine  van het basispallet gehaald wordt; – Haal de machine van het basispallet. 

5. Plaats de hendel voor de ontgrendeling

1. Plaats de machine op een vlakke 

ondergrond en zorg er voor dat de voorwielen uitgelijnd zijn.

2. Gebruik een schroevendraaier om 

de centrale bedekking (afb. 3.B) van  het stuur (afb. 3.A) te verwijderen.

3. Plaats het stuur (afb. 3.A) op de uitstekende 

as (afb. 3.C), draai het zodanig dat de spaken  naar de stoel zijn gericht en duw er op tot  de naaf van het stuur wordt geklemd op de  uitstekende uiteinden van de stift (afb. 3.D).

4. Bevestig het stuur met behulp van 

de bijgeleverde schroef (afb. 3.E) en  sluitringen (afb. 3.F) en (afb. 3.G),  in de aangeduide volgorde.

aan (afb. 3.B) door de haken in de  respectievelijke zittingen te klemmen.

4.3 MONTAGE VAN DE STOEL

Trek de hendel voor de regeling (afb. 4.C)  naar boven en plaats de stoel (afb. 4.A) in de  geleider (afb. 4.B) vanaf de zijde van het stuur,  tot het in een van de zes posities wordt geklikt. Nu is de stoel stabiel gemonteerd, en kan hij  niet meer verwijderd worden als de hendel (afb.  4.D) niet wordt ingedrukt die hem vergrendelt.

positieve klem (+) en da de zwarte draad (afb.  5.D) op de negatieve klem (–) met behulp van  de bijgeleverde schroeven, zoals aangeduid.

2. Monteer de veer (afb. 5.B) om de accu te 

bevestigen, maar let op dat de accukabels  correct worden gepositioneerd zodat ze niet  worden geklemd door de veer (afb. 5.B). BELANGRIJK Zorg er altijd voor de accu volledig op te laden en volg hierbij de aanwijzingen die in het instructieboekje van de accu staan aangegeven. BELANGRIJK Om de ingreep van de beveiliging van de elektronische kaart te vermijden, mag de motor absoluut niet gestart worden voordat de accu helemaal is opgeladen!

Monteer de twee houders (afb. 6.A) op de  achterste plaat (afb. 6.B), door voor elke  houder de drie bijgeleverde schroeven (afb. 6.C) te gebruiken zoals is aangeduid, zonder  de relatieve moeren te blokkeren (afb. 6.D). Koppel het bovenste deel (afb. 6.E) van het  frame van de opvangzak op de houders, en  centreer het ten opzichte van de achterste plaat (afb. 6.B). Regel de positie van de twee houders (afb.  6.F) ten opzichte van de aanslag (afb. 6.G)  zodat, wanneer het frame van de opvangzak  wordt gedraaid, de pen (afb. 6.H) correct in  de zitting (afb. 6.I) wordt geplaatst. Controleer nogmaals of het frame (afb. 6.E)  goed is gecentreerd ten opzichte van de achterste plaat (afb. 6.B) en dat de rotatie niet  wordt belemmerd, zoals eerder is aangeduid,  en draai daarna de schroeven (afb. 6.C)  en de moeren (afb. 6.D) helemaal vast.

Voor transportredenen is de veerhaak  (afb. 7.A) voor de koppeling van de  zak op de achterste plaat vergrendeld  met behulp van de pal (afb. 7.B). Deze pal moet verwijderd worden  voordat de montage van de houders  van de opvangzak wordt uitgevoerd,  en moet niet meer gebruikt worden.

2. Enkel voor modellen met

elektrische kanteling: Monteer de twee rollen (afb. 9.G) op de pennen van  de houders (afb. 9.H), richt de kraag  naar de houder, en bevestig ze met  behulp van de veerringen (afb. 9.I).  Monteer daarna de houders op het voorste frame (afb. 9.B) met behulp van  de schroeven en de moeren (afb. 9.J).

4. Plaats de handgreep (afb. 9.M) in 

de garen in de bedekking (afb. 9.N),  bevestig het samenstel op het frame  met behulp van de schroeven (afb. 9.O)  zoals is aangeduid en de zelftappende schroeven achteraan (afb. 9.P).

5. Breng de versterking (afb. 9.Q) aan onder 

het frame met behulp van de schroeven  en de moeren (afb. 9.R), en richt het  platte deel naar het omhulsel. Plaats de  hendel voor de lediging (afb. 9.S) in de  zitting, en monteer de blokkeerschroef  (afb. 9.T) en de relatieve moer (afb. 9.U).

  • Voor modellen TS-TX-TH Voltooi de montage van de zak volgens  de aanwijzingen in het instructieboekje  dat bij het component wordt geleverd.

Positioneer de as van de hendels (afb. 10.A)  in de gleuf van de twee plaatjes (afb. 10.B) en  bevestig ze in de houders van de opvangzak  (afb. 10.C), door de bijgeleverde schroeven  en moeren (afb. 10.D) te gebruiken, in de  sequentie die is aangeduid op de afbeelding. Sluit het uiteinde van de stang (afb. 10.E) van  de zuiger voor de stijging aan op de hendel (afb. 10.F) met behulp van de pen (afb. 10.G),  en monteer de twee veerringen (afb. 10.H). Voordat de zak op de houders wordt  gemonteerd, moet gecontroleerd worden  of de beweging van de hendels voor  de kanteling niet wordt belemmerd.

DE SNIJ-INRICHTINGEN (INDIEN VOORZIEN) Monteer de beschermingen (afb. 11.A) met  behulp van de bijgeleverde schroeven (afb. 11.B) en moeren (afb. 11.C), volgens de  aanduidingen voor elk type van machine.

de binnenkant van de zijdelingse  aaatdeector (afb. 12.A), door het  uiteinde (afb. 12.B.1) in de opening te  voeren en te draaien zodat zowel de veer  (afb. 12.B) als het uiteinde (afb. 12.B.2)  goed in hun respectieve zittingen rusten.

2. Positioneer de zijdelingse aaatdeector 

(afb. 12.A) ter hoogte van de houders  (afb. 12.C) van de snijgroep, en  gebruik een schroevendraaier om het  tweede uiteinde (afb. 12.B.2) van de  veer (afb. 12.B) te draaien zodat deze  aan de buitenzijde van de zijdelingse aaatdeector wordt gesteld.NL - 10

3. Steek de pin (afb. 12.D) in de gaten 

van de houders (afb. 12.C) en van de  zijdelingse aaatdeector, doorheen  de windingen van de veer (afb. 12.B)  tot het open uiteinde ervan helemaal  uit de meest interne houder komt.

4. Steek de stift (afb. 12.E) in de 

opening(afb. Do.1) van de pin (afb.  12.D) en verdraai de pin zodat de twee  uiteinden (afb. 12.E.1) van de stift (met  behulp van een tang), geplooid worden,  zodat de stift niet los kan komen en zo  de pin kan doen vrijkomen (afb. 12.D). Waak erover dat de veer op correcte wijze werkt en de zijdelingse aflaatdeflector stabiel op zijn plaats houdt in de lage stand, en zorg ervoor dat de pin goed geplaatst is en niet per ongeluk naar buiten kan steken. BELANGRIJK Voor de modellen met mogelijkheid tot zijdelingse aaat: controleer dat de bescherming van de zijdelingse aaat (afb. 21.A) laag is gesteld en wordt geblokkeerd door de veiligheidshendel (afb. 21.B). BELANGRIJK Voordat de demontage of het onderhoud van de deector wordt uitgevoerd, moet de veiligheidshendel (g. 21.B) geduwd worden en moet de bescherming van de zijdelingse aaat (g. 21.A) hoog gesteld worden om de demontage ervan toe te staan. OPMERKING Voor de demontage van de deector moeten de handelingen van de montage in de omgekeerde volgorde uitgevoerd worden.

Met dit pedaal wordt de wielaandrijving  ingeschakeld en wordt de snelheid van de  machine vooruit geregeld (afb. 13.B, 14.B):

1. Voorwaartse versnelling

Door de druk op het pedaal te  verhogen, neemt de snelheid  van de machine geleidelijk toe.

2. Vrije stand Als het pedaal wordt 

losgelaten komt het automatisch  weer in de vrije stand terug. OPMERKING De conditie van “Vrijstand” wordt gesignaleerd door het oplichten van de controlelamp (afb. 16.F). OPMERKING Als het pedaal wordt geactiveerd wanneer de handrem (afb. 13.D) is ingeschakeld, wordt de motor stilgelegd.

5.3 PEDAAL ACHTERUITVERSNELLING

Met dit pedaal wordt de aandrijving in  de achteruitversnelling geactiveerd, en wordt de snelheid van de machine  geregeld (afb. 13.C, 14.C):

1. Achteruitversnelling Door de

druk op het pedaal te verhogen,  neemt de snelheid van de  machine geleidelijk toe. Het inschakelen van  de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.

2. Vrije stand Als het pedaal wordt 

losgelaten komt het automatisch  weer in de vrije stand terug. OPMERKING De conditie van “Vrijstand” wordt gesignaleerd door het oplichten van de controlelamp (afb. 16.F). OPMERKING Als het pedaal wordt geactiveerd wanneer de handrem (afb. 15.D) is ingeschakeld, wordt de motor stilgelegd.

5.4 BEDIENING ONTGRENDELING

HYDROSTATISCHE TRANSMISSIE Deze bediening heeft twee posities,  aangeduid door een plaat (afb. 13.Do, 14.D):

1. Aandrijving ingeschakeld:

voor alle gebruikscondities, in  bedrijf en tijdens het maaien..NL - 11

2. Aandrijving uitgeschakeld:

de vereiste inspanning voor de handmatige verplaatsing  van de machine met uitgeschakelde motor wordt zo danig verminderd. Om schade aan de transmissiegroep te vermijden, mag deze handeling enkel uitgevoerd worden wanneer de motor is stilgelegd, met de pedalen (afb. 13.B, 13.C, 14.B, 14.C) in de vrijstand.

De verplaatsing van de machine kan  gemakkelijk enkel achteruit uitgevoerd worden,  ook al is de achterste transmissie ontgrendeld.

De sleutel activeert/deactiveert de inschakeling van de machine Hij heeft drie standen (afb. 15.A):

1. Stand Stop De machine wordt 

onmiddellijk uitgeschakeld.

2. Stand Draaien Alle services actief.

3. Stand Start Schakelt de startmotor in 

en de machine wordt opgestart. Zodra  de sleutel, vanuit de stand opstarten, losgelaten wordt, komt deze vanzelf  weer in de stand Draaien terug.

Stelt het aantal toeren van de motor af. Afhankelijk van het motortype, kan de  bediening van het gaspedaal als volgt zijn:

opstarten (indien voorzien) Wordt  gebruikt voor de inschakeling bij  koude motor. De stand "CHOKE" zorgt voor een verrijking van de mengeling  en mag enkel gedurende de strikt  benodigde tijd gebruikt worden.

motor. Dit dient steeds gebruikt  te worden voor het opstarten van  de motor, tijdens de werking en  tijdens het maaien van het gras.

gebruiken wanneer de motor warm  genoeg is tijdens de parkeerfasen. Tijdens het rijden dient er een stand tussen «schildpad» en «haas» gekozen te worden. Sommige modellen zijn voorzien van een systeem dat automatisch de positie van de choke in de carburator controleert tijdens de inschakeling van de motor en de verwarming.

De handrem voorkomt dat de machine  gaat rijden na het parkeren.  De hendel heeft twee standen (afb. 15.D):

1. Rem uitgeschakeld. Om de handrem 

uit te schakelen, moet het pedaal  (afb. 13.A, 14.A) ingedrukt worden.  De hendel keert terug naar de stand  voor uitgeschakelde handrem.

2. inrichtingen uitgeschakeld.

Wanneer de snij-inrichtingen worden ontkoppeld, wordt tegelijkertijd een rem geactiveerd die de rotatie ervan binnen enkele seconden stopt. De conditie van “snij- inrichtingen gekoppeld” wordt gesignaleerd door het oplichten van de controlelamp (afb. 16.A). Het inschakelen van de messen zonder het in acht nemen van de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen veroorzaakt het afslaan van de motor die niet meer kan worden aangezet (zie par. 6.2.2)

  • Bediening met hendel Met deze hendel kan de snijgroep  hoog en laag gesteld worden, op 7  verschillende maaihoogtes (afb. 15.H). De zeven standen zijn aangegeven van «1» t/m «7» op  het relatieve plaatje, en stemmen  overeen met dezelfde aantal  maaihoogtes tussen 3 en 9 cm. Om over te gaan van de ene  stand naar de andere, moet  op de ontgrendelingsknop op  het uiteinde gedrukt worden.
  • Bediening met hendel en knop Gebruik de hendel (afb. 15.H) voor het  hoog- en laagstellen van de snijgroep.

Snijgroep hoog gesteld.

Snijgroep laag gesteld Met de knop (afb. 15.I) kan de snijgroep  op 9 verschillende hoogtes gepositioneerd worden, tussen 2 en 10 cm.

stand «B» wordt geplaatst, wordt de  snijgroep automatisch op de vooraf  bepaalde hoogte gepositioneerd. OPMERKING Plaats de hendel (afb. 15.H) op stand «A» tijdens de verplaatsing en het transport.NL - 13

Met deze inrichting kan de gewenste  snelheid vooruit gehandhaafd worden, zonder dat het pedaal moet  ingedrukt worden (afb. 13.B, 14.B). De paddenstoelbediening heeft twee standen:

1. Ingedrukt. Inrichting

uitgeschakeld (niet actief)

2. Uitgetrokken. Inrichting

ingeschakeld (actief)

  • Wanneer de inrichting wordt ingeschakeld  terwijl vooruit wordt gereden, handhaaft de  machine de snelheid die op dat ogenblik  is bereikt, zonder dat het pedaal moet  ingedrukt worden (afb. 13.B, 14.B).
  • In de achteruitversnelling van de inrichting niet ingeschakeld worden.
  • Wanneer de inrichting is ingeschakeld,  is het niet mogelijk om het pedaal  van de achteruitversnelling te activeren (afb. 13.C, 14.C). OPMERKING Tijdens hellingen of afdalingen kan de snelheid variëren ten opzichte van diegene die is ingesteld op een vlak terrein. Om de inrichting uit te schakelen en de  bediening van de voortbewegingssnelheid  te resetten met het pedaal (afb. 13.B,  14.B) moet als volgt gehandeld worden:
  • druk het rempedaal in (afb. 13.A, 14.A). In beide gevallen keert de  paddenstoelbediening automatisch  terug naar de stand «Ingedrukt». BELANGRIJK Gebruik de paddenstoelbediening absoluut niet om de inrichting uit te schakelen.

5.13 TELLER (INDIEN VOORZIEN)

De teller (afb. 15.K) wordt geactiveerd  elke keer dat de sleutel (afb. 15.A) op  «START» wordt gedraaid. Hij duidt het  aantal bedrijfsuren van de motor aan.

5.14 HULPAANSLUITING

VOOR ACCESSOIRES Staat de aansluiting toe van elektrische  apparatuur met voeding 12 Volt in  gelijkstroom, met maximum vermogen  van 50 Watt, voorzien van een geschikte  stekker (type voor auto) (afb. 15.M). – De aansluiting is onder spanning gesteld wanneer de sleutel (afb. 15.A) op «START» is gedraaid.

5.15 BEDIENING KANTELING OPVANGZAK

  • Handmatige bediening De kanteling van de opvangzak om deze leeg  te maken, gebeurt met de hendel (afb. 15.L),  die uit zijn zitting kan verwijderd worden.
  • Elektrische bediening De kanteling van de opvangzak om deze leeg  te maken, gebeurt met de knop (afb. 15.N),  die moet ingedrukt gehouden worden tot de  motor voor de bediening wordt stilgelegd. De opvangzak wordt opnieuw in de  bedrijfsstand gesteld door de knop  (afb. 15.O) ingedrukt te houden tot de  veerhaak wordt gekoppeld en de motor  voor de bediening wordt stilgelegd.
  • Geluidssignalen Er zijn twee types geluidssignalen:

GELUIDSSIGNALEN Wanneer de sleutel op «START» wordt  gedraaid, lichten alle iconen gelijktijdig  en ongeveer een halve seconde lang op (met een kort geluidssignaal) wat aanduidt  dat de werking correct is. de display wordt  in de functie “Urenteller” gesteld. De controlelampen duiden  achtereenvolgens het volgende aan: Controlelamp aan: snij-inrichtingen  gekoppeld (afb. 16.A). Controlelamp aan: handrem  ingeschakeld (afb. 16.B). Controlelamp aan: bediener  afwezig (afb. 16.C). Eenvoudige controlelamp brandstof (afb. 16.D). Controlelamp knippert:  brandstof in reserve. Controlelamp brandstof met peilmeter (afb. 16.D). De controlelamp van het brandstofpeil in  de tank volgens het volgende criterium: Het brandstofpeil bevindt zich boven de helft van de inhoud van de tank. Het brandstofpeil bevindt zich ongeveer aan de helft van de inhoud van de tank. Brandstofpeil in reserve. OPMERKING De reserve is ongeveer 2 liter brandstof, waarmee ongeveer 30-40 minuten gras mee kan gemaaid worden.NL - 15 Controlelamp knippert: Storingen  smering motor (afb. 16.E). Leg de  motor onmiddellijk stil, controleer  het oliepeil, en contacteer een erkende assistentiedienst. Controlelamp aan: De opvangzak  of de achterste aaatbeveiliging  ontbreekt (afb. 16.F) (enkel voor  modellen met opvang achteraan). Controlelamp aan: bij draaiden  motor zijn er storingen bij het  opladen van de accu (afb. 16.G). Controlelamp knippert vóór de start:  de accu is niet in staat om de motor  te starten. Contacteer een erkende  assistentiedienst (afb. 16.G). Controlelamp aan: de transmissie is  in de “vrijstand” gesteld (afb. 16.H).

  • Bedrijfsfuncties Druk op de knop «MODE» om de  bedrijfsfuncties achtereenvolgens te bereiken. Urenteller (afb. 16.I). Duidt het totaal  aantal bedrijfsuren van de motor aan. Voltmeter (afb. 16.O). Duidt de  lading van de accu aan. Urenteller (afb. 16.K) Duidt het  toerental van de motor aan in  numerieke waarden of in een reeks  sterretjes, die overeenstemmen met: Weergegeven waarde: < 1600 motor aan minimum  toerental < 2500 snelheid voor verplaatsingen > 2500 snelheid om gras te maaien

snelheid voor verplaatsingen

snelheid om gras te maaien OPMERKING Het knipperen duidt aan dat het toerental van de motor niet geschikt is om gras te maaien. Klok (indien voorzien) (afb. 16.L) Duidt  het uur aan in de modus 24 uur/dag. De regeling moet uitgevoerd worden met de  sleutel op «START», bij stilgelegde motor,  door de volgende procedure te volgen:

  • Druk meerdere malen op de toets «MODE»  tot de icoon van de klok wordt weergegeven.
  • Houd de toets «MODE» ingedrukt  tot de eerste twee cijfers (uur)  beginnen te knipperen.
  • Druk op een van de zijdelingse toetsen  (afb. 16.K,L) om de waarde met één  eenheid te vergroten of te verkleinen.
  • Druk op de toets «MODE» tot de andere twee  cijfers (minuten) beginnen te knipperen.
  • Druk op één van de twee zijdelingse  toetsen om de waarden met één eenheid  te vergroten of de verkleinen.
  • Druk op de toets «MODE» om  de instelling af te sluiten. OPMERKING De klok wordt gevoed door een buerbatterij; wanneer deze batterij leeg gaat, moet een erkende assistentiedienst gecontacteerd worden.
  • Geluidssignalen Er zijn twee types geluidssignalen:

GELUIDSSIGNALEN Wanneer de sleutel op «START» wordt  gedraaid, lichten alle iconen gelijktijdig  en ongeveer een halve seconde lang op (met een kort geluidssignaal) wat  aanduidt dat de werking correct is. De iconen duiden achtereenvolgens het volgende aan: Icoon aan: snij-inrichtingen  gekoppeld (afb. 16.A).NL - 16 Icoon aan: handrem  ingeschakeld (afb. 16.B). Controlelamp aan: bediener  afwezig (afb. 16.C). Icoon brandstof met peilmeter (afb. 16.D). De icoon van het brandstofpeil in de tank volgens het volgende criterium: Het brandstofpeil bevindt zich boven de helft van de inhoud van de tank. Het brandstofpeil bevindt zich ongeveer aan de helft van de inhoud van de tank. Brandstofpeil in reserve. OPMERKING De reserve is ongeveer 2 liter brandstof, waarmee ongeveer 30-40 minuten gras mee kan gemaaid worden. Icoon aan: Storingen smering motor  (afb. 16.E). Leg de motor onmiddellijk  stil, controleer het oliepeil, en contacteer een erkende assistentiedienst. Icoon aan: De opvangzak of de  achterste aaatbeveiliging ontbreekt  (afb. 16.F) (enkel voor modellen  met opvang achteraan). Icoon aan: De opvangzak is vol,  en moet dus leeggemaakt worden  (afb. 16.F) (enkel voor modellen  met opvang achteraan). Icoon batterij met niveaumeter (afb. 16.D). Icoon aan: De batterij is opgeladen. Icoon aan: Het spanningsniveau  van de accu is optimaal. Icoon aan bij stilgelegde motor: Duidt  aan dat de accu moet opgeladen worden Icoon aan bij draaiende motor:  Duidt storingen aan bij het opladen van de accu. Icoon knippert: De accu is niet in staat  om de motor te starten, contacteer  dus een erkende assistentiedienst. Icoon aan: de transmissie is in de  “vrijstand” gesteld (afb. 16.H). Urenteller (afb. 16.I). Duidt het totaal  aantal bedrijfsuren van de motor aan. Koplampen (afb. 16.P). Icoon aan: Duidt  aan dat de koplampen zijn ingeschakeld. Onderhoud noodzakelijk (afb. 16.Q).  Icoon aan: Indicator van het periodieke  onderhoud. De onderhoudshandelingen die uitgevoerd moeten worden, zijn  beschreven in hfdst. 13. De icoon licht  elke 50 uur op, en blijft 1 uur aan. Groene zone (afb. 16.R). Het  toerental van de motor is geschikt  om het gras optimaal te maaien.

  • Geluidssignalen Er zijn twee types geluidssignalen:

De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen.

1. plaats de machine horizontaal op het terrein;

2. voorzie de machine in de modaliteit 

die het meest geschikt is voor de uit te  voeren werkzaamheden (par. 6.1.4);NL - 17

6.1.1 Olie en benzine bijvullen

BELANGRIJK De machine wordt zonder motorolie en brandstof geleverd. Vooraleer de machine te gebruiken, moet  men de aanwezigheid van brandstof en het  oliepeil controleren (par. 7.2, par. 7.3). Voor de  werkwijzen en de voorzorgsmaatregelen voor het  bijvullenent van brandstof en olie (zie par. 7.2, par. 7.3) en het instructieboekje van de motor.

6.1.2 Verstelling van de stoel

De stoel kan versteld worden in  zes verschillende standen. Voor de regeling moet de hendel (afb. 17.A) hoog gesteld worden en moet de  stoel verschoven worden; blokkeer hem  wanneer de gewenste stand wordt bereikt.

6.1.3 Druk van de banden

Een juiste bandenspanning is noodzakelijk  om de snijgroep geheel evenredig  boven het grasoppervlakte te krijgen,  zodat u een mooi maaibeeld krijgt.

1. Draai de beschermende dopjes los.

2. Sluit de kleppen aan op een persluchttoevoer 

voorzien van een drukmeter (afb. 18)

3. Regel de druk op de waarden aangegeven 

in de tabel "Technische Gegevens".

6.1.4 Voorbereiding van de

machine voor het werk OPMERKING Met deze machine kan men het gras op verschillende wijzen maaien; vooraleer het werk aan te vangen, raadt men aan de machine af te stellen al naargelang de wijze waarop men het gras wil maaien. a. Voorbereiding voor het maaien en opvangen van het gras in de opvangzak (enkel voor modellen met opvang achteraan) – Bevestig de opvangzak (afb. 19.A)  op de houders (afb. 19.B) en centreer  hem ten opzichte van de achterste  plaat door de twee referenties te doen  overeenstemmen (afb. 19.B). – Zorg dat de onderste pijp van de opvangzakmonding zich vast haakt aan de  daarvoor bestemde veerhaak (afb. 19.C). – Indien de koppeling moeilijk of te  slap zou zijn, moet de borgveer  geregeld worden (zie 8.9). b. Voorbereiding voor het maaien en de aaat achteraan van het gras op de grond (enkel voor modellen met opvang achteraan) – Indien men wenst te werken zonder de  opvangzak, is er, op aanvraag, een kit voor  de achterste aaatbeveiliging (afb. 20; hfdst.  15.7) leverbaar die, zoals aangegeven  in de bijbehorende instructies, op de achterplaat bevestigd dient te worden. c. Voorbereiding voor het maaien en jnmalen van het gras – Indien men het gras wil maaien, zeer jn  hakken en op het gazon laten liggen, is er, op aanvraag, een kit voor "mulching"  (hfdst. 15.1) beschikbaar die bevestigd  moet worden zoals aangegeven is  in de desbetreende instructies. Voor de modellen met zijdelingse aflaat moet gecontroleerd worden dat de versterking van de zijdelingse aflaat is gemonteerd (afb. 22.A) (indien voorzien). d. Voorbereiding voor het maaien en de zijdelingse aaat van het gras op de grond (enkel voor modellen met zijdelingse opvang) – Controleer altijd dat de interne veer van de deector (afb. 21.A) en de veiligheidshendel  (afb. 21.B) correct werken, door ze  stabiel in de lage stand te houden. – Indien hoog of nat gras moet gemaaid  worden, wordt aanbevolen om de  versterking van de zijdelingse aaat te  verwijderen (afb. 22.A) (indien voorzien). – Om de versterking te verwijderen,  moeten de schroeven (afb. 22.B)  losgedraaid worden terwijl de  zijdelingse aaatdeector hoog  wordt gehouden (afb. 22.C). In geval van zijdelingse botsingen zonder gemonteerde versterking (afb. 22.A) kan het zijn dat de snijgroep wordt vervormd. Controleer dat de versterking van de zijdelingse aflaat na gebruik opnieuw wordt gemonteerd.

6.1.5 Herpositionering van de

antiscalp wielen De functie van de antiscalp wielen is  het risico op scheuren in het gazon te vermijden, die veroorzaakt zouden kunnenNL - 18 worden doordat de rand van de snijgroep  op onregelmatige grond sleept. Plaats de wielen zoals aangegeven (par. 7.4). 

6.2 VEILIGHEIDSCONTROLES

Voer de volgende veiligheidscontroles uit en controleer of de resultaten overeenstemmen  met wat aangegeven is in de tabellen. Voer steeds de veiligheidscontroles uit vooraleer de machine te gebruiken.

6.2.1 Algemene veiligheidscontrole

Object Resultaat Accu Geen schade aan het omhulsel, aan het deksel  of aan de klemmen. Achterste aaatbescherming,  zuigrooster Ongeschonden. Geen schade. Correct gemonteerd. Zijdelingse aaatbescherming,  zuigrooster Ongeschonden Geen schade. Correct gemonteerd.  Brandstofsysteem  en verbindingen Geen lekken Elektrische kabels Isolatie volledig intact Geen mechanische  schade. Oliecircuit Geen lekken  Geen schade. Veiligheidsinrichtingen Deze werken zoals  beschreven in par. 6.2.2

6.2.2 Controle van de

veiligheidsinrichtingen De veiligheidsmechanismen  hebben twee functies: A. ze voorkomen de start van de motor  als de veiligheidsmaatregelen  niet in acht zijn genomen; B. ze stoppen de motor als er ook maar  een enkel veiligheidsconditie wegvalt.  Actie Resultaat

uitgeschakeld; 3.  de gebruiker zit op  de machine;  De motor start de bediener de stoel verlaat De motor stopt Actie Resultaat de opvangzak wordt  opgetild of de achterste aaatbeveiliging wordt  verwijderd terwijl de snij- inrichtingen ingeschakeld  zijn (enkel voor modellen met opvang achteraan) De motor stopt de handrem wordt  ingeschakeld zonder  de snij-inrichtingen te hebben uitgeschakeld. De motor stopt men schakelt de  versnellingshendel in ofwel het pedaal met de  handrem ingeschakeld De motor stopt men schakelt de  achterwaartse versnelling  in, met de snij-inrichtingen  ingeschakeld, zonder de  toets voor toelating ingedrukt  te houden (par. 5.10) De motor stopt Schakel de machine  aan in de vooruit- en de achteruitversnelling, en schakel de vrijstand in/ laat het aandrijfpedaal los (par. 5.2; par. 5.3) De machine  vertraagt en stopt. Activeer het rempedaal  (par. 5.1) De machine stopt. Rijtest Geen abnormale  trillingen. Geen abnormaal geluid Indien eender welke van deze resultaten verschilt van wat aangegeven is in de tabellen, mag de machine niet gebruikt worden! Richt u tot een dienstcentrum voor de nodige controles en herstelling. BELANGRIJK Denk er altijd aan dat de beveiligingssystemen het starten van de motor beletten wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Nadat in de bovenstaande gevallen het belet tot starten is hersteld, dient de sleutel (afb. 15.A) in de stopstand gedraaid te worden voordat de motor opnieuw gestart kan worden.

  • Het gazon in geen geval te maaien in de  dwarsrichting ten opzichte van de helling.  Maai een hellend gazon altijd van boven naar beneden en nooit in de dwarsrichting.  Pas erg goed op bij het veranderen van richting en let erop niet op obstakels te stuiten  (bijv. stenen, takken, wortels, enz.). Deze  obstakels kunnen het zijwaarts glijden en  het omkiepen van de machine veroorzaken  of de macht over het stuur doen verliezen.
  • Niet plotseling te stoppen of weg te rijden  bij het op– of afrijden van een helling;
  • Schakel de aandrijving zacht en  uiterst voorzichtig in om te vermijden  dat de machine zou steigeren.
  • Verminder de snelheid: – vooraleer van richting te veranderen en in smalle bochten – vooraleer een hellend terrein op te rijden, vooral benedenwaarts
  • Gebruik de achteruitversnelling nooit om  snelheid te minderen; dit kan de macht over het  stuur doen verliezen, vooral op gladde terreinen.
  • Schakel altijd de handrem in voordat u de  machine stilstaand en onbeheerd achterlaat.
  • Rijd van afdalingen zonder het aandrijfpedaal te activeren, maar benut het remmende  eect van de hydrostatische transmissie,  wanneer de transmissie niet is ingeschakeld

25.A) (indien voorzien).

2. Op de bestuurdersstoel gaan zitten.

3. De aandrijving in de vrije stand

6. Plaats het versnellingscommando in de stand 

voor maximaal toerental "haas" (par. 5.6).

7. Bij koud opstarten: schakel de 

choke (par. 5.6) in (indien voorzien).

8. Steek de sleutelschakelaar in het contactslot 

en draai deze in de «draaien» stand  om het elektrische circuit in werking te  stellen. Wacht 2 seconden en draai in de «starten» stand om de motor te starten.

de motor normaal draait: 10a. Schakel het commando choke uit  (par. 5.6, type "II"), en plaats het  versnellingscommando in het maximale  toerental “haas” (indien voorzien). 10b. Schakel het commando choke uit  (par. 5.6, type "I") (indien voorzien). OPMERKING Het gebruik van het commando choke bij reeds warme motor kan de bougie vervuilen en een onregelmatige werking van de motor veroorzaken.

11. Als de motor eenmaal draait, breng de 

gashendel terug in de «schildpad» stand; OPMERKING Als er moeilijkheden zijn bij het starten, blijf dan niet te lang aanhouden om de accu niet uit te putten en de motor niet te verzuipen. Draai de sleutel weer in de «stop» stand, wacht enkele minuten en probeer opnieuw te starten. Indien het probleem voortduurt, raadpleeg dan hoofdstuk «14» van deze handleiding en de handleiding van de motor.

6.5.1 Vooruit rijden en verplaatsingen

Tijdens het vervoer:

  • de snij-inrichtingen uitschakelen (par. 5.9); 
  • plaats de snijgroep op de maximale hoogte (par. 5.11);
  • breng het versnellingscommando  naar een tussenpositie, tussen het minimale toerental «schildpad» en  het maximale toerental «haas».
  • schakel de handrem uit, laat het  rempedaal los (par. 5.7).
  • druk het aandrijfpedaal (par. 5.2) in  de richting van de “vooruitversnelling”  en bereik de gewenste snelheid door  de druk op het pedaal zelf en op het  gaspedaal geleidelijk aan te vergroten. De inschakeling van de aandrijving moet gebeuren volgens de beschreven modi (par. 5.2) om te vermijden dat een te bruuske koppeling het steigeren en controleverlies van het voertuig kan veroorzaken, en dit vooral op hellingen.

BELANGRIJK Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.

6.5.4 Het gras maaien

Doe als volgt om met de machine te werken:

1. breng de versnellingshendel naar de

stand van het maximaal toerental ("haas");  tijdens het gebruik van de machine moet  deze stand steeds gebruikt worden;

2. plaats de snijgroep op de maximale hoogte;

4. Begin geleidelijk aan en zeer 

voorzichtig te rijden en te maaien,  zoals eerder al werd beschreven;

5. Pas de snelheid en de maaihoogte aan (par. 

5.11) aan de toestand van het gras (hoogte,  densiteit en vochtigheid van het gras) en  aan de hoeveelheid verwijderd gras; 

6. Het uitzicht van het grasveld zal

mooier zijn als de maaibeurten altijd op  dezelfde hoogte worden uitgevoerd, en  afwisselend in beide richtingen (afb. 27). BELANGRIJK Om achteruit te kunnen rijden met de snij-inrichtingen ingeschakeld, moet men de toets voor toelating ingedrukt houden (par. 5.10) om te vermijden dat de motor stilvalt. Elke keer als een afname in het aantal  toeren van de motor wordt waargenomen,  moet men de snelheid te vertragen, denk  eraan dat er nooit een mooi maaibeeld  verkregen wordt als de rijsnelheid te hoog  is ten opzichte van de hoeveelheid gras. Schakel de snij-inrichtingen uit en breng  de snijgroep naar de hoogste stand. – Tijdens verplaatsingen tussen werkzones – Bij het oversteken van  oppervlaktes zonder gras. – Elke keer wanneer men een  hindernis moet overkomen.

6.5.5 Tips om altijd een mooi

  • Voor een mooi, groen en zacht gazon is het  nodig dat het gras regelmatig gemaaid wordt.  Het gazon kan van verschillende soorten  gras zijn. Bij regelmatige maaibeurten, groeit  het gras sneller, waardoor meer wortelgroei  ontstaat en een mooi dicht gazon bekomen  wordt; indien minder vaak gemaaid wordt,  wordt ook de groei van hoog en wild gras  bevorderd (klaver, margrieten, enz.) De  maaifrequentie wordt bepaald aan de hand  van de groei van het gras, waarbij vermeden  moet worden dat het gras te hoog wordt.
  • De optimale hoogte van het gras van een  goed verzorgd gazon bedraagt ongeveer 4-5 cm en met een enkele maaibeurt wordt  het best niet meer dan een derde van de  volledig lengte gemaaid. Als het gras erg  hoog is, raden wij aan om het gazon, met  tussenpoos van één dag, in twee keer te  maaien, de eerste keer met de snijgroep op  de maximale hoogte, en de twee keer met de  snijgroep op de gewenste hoogte (afb. 26).
  • Een te lage maaihoogte kan het  grasveld schaden, zodat “vlekken”  kunnen gevormd worden.
  • In de warmste en droogste tijden van het jaar  is het beter om het gras iets hoger te laten  worden zodat het gazon niet uitdroogt.
  • Het is beter het gras te maaien als het gazon  goed droog is. Maai het gras niet wanneer  het nog nat is; dit kan de doeltreendheid  van het draaisysteem verminderen omdat  het gras zou blijven kleven en het gras  dus zou kunnen weggerukt worden.
  • De snij-inrichtingen dienen geen gebreken  te vertonen en goed scherp te zijn, zodat het gras op de juiste manier wordt afgesneden  zonder uitgerukt te worden. Dit kan namelijk  tot vergeling van de punten leiden.
  • De motor dient op volle toeren te draaien  om zowel het gras op de juiste manier af te  snijden als een goede afvoer van het gras naar het uitwerpkanaal te verkrijgen.
  • Als het uitwerpkanaal telkens met gras  verstopt, is het beter om de snelheid te  vertragen zodat het maaien niet te snel  gebeurt ten opzichte van de toestand van het gazon; mocht het probleem  aanhouden dan kan het ook zijn dat de snij- inrichtingen niet goed geslepen zijn of dat het proel van de vleugels vervormd is.
  • Pas erg goed op bij het maaien langs struiken  en boorden. Deze kunnen de stand van de  snijgroep ontregelen en de zijkant van de  snijgroep en de snij-inrichtingen beschadigen.NL - 21

6.5.6 Lediging van de opvangzak (indien

voorzien, enkel voor modellen met opvang achteraan) OPMERKING Het legen van de opvangzak kan alléén worden uitgevoerd als de messen uitgeschakeld zijn; is dit niet het geval dan slaat de motor af.

  • Zorg dat de opvangzak niet te  vol raakt om verstopping van het  uitwerpkanaal te voorkomen. 
  • Een geluidssignaal geeft aan dat de opvangzak vol is:

1. de snij-inrichtingen uitschakelen 

(par. 5.9) en het signaal stopt;

2. plaats het versnellingscommando in de 

stand voor minimaal toerental "schildpad";

6. sluit de opvangzak zodat dat hij wordt 

6. als de zak helemaal is leeggemaakt, 

moet de knop ingedrukt gehouden  worden (afb. 28.D) tot de  opvangzak helemaal is gedaald,  en controleer dat hij bevestigd blijft aan de veerhaak (afb. 28.B). OPMERKING Het kan zijn, nadat de zak is leeggemaakt, dat het geluidssignaal opnieuw wordt geactiveerd wanneer de snijgroep wordt gekoppeld omdat er gras achterbleef op de microschakelaar; in dit geval moet de snijgroep ontkoppeld worden en onmiddellijk opnieuw gekoppeld worden om het geluidssignaal uit te schakelen. Houd de taster (afb. 28.E) altijd schoon.

6.5.7 Reiniging van het uitwerpkanaal

(enkel voor modellen met opvang achteraan)

  • In geval van hoog en nat gras gecombineerd  met een te hoge snelheid kan er zich een  verstopping van het uitwerpkanaal voordoen.  In geval van verstopping dient men in acht te  nemen wat beschreven is in hoofdstuk 7.6.2.

6.5.8 Einde van het maaien

1. de snij-inrichtingen uitschakelen;

snijgroep in de hoogste stand.

1. plaats het versnellingscommando in de 

stand voor minimaal toerental "schildpad";  Om een ontplong in de knalpot  te vermijden dient u de gashendel, 20 seconden voordat u de motor afzet, in de stand «schildpad» te laten.

2. de motor uitschakelen door de 

sleutel in de stop-stand te zetten;

3. wanneer de motor uitgeschakeld 

is, de brandstofkraan (afb. 25.A)  openen (indien voorzien);

4. de sleutel verwijderen

BELANGRIJK Om de lading van de accu in stand te houden, wordt de sleutel niet in de stand «draaien» of «koplampen aan» gelaten wanneer de motor niet aanstaat. De motor kan onmiddellijk na het uitschakelen zeer warm zijn. Raak de knalpot of de delen ernaast niet aan. Gevaar op brandwonden.

3. Controleer dat geen geloste of

beschadigde delen aanwezig zijn. Vervang  indien noodzakelijk de beschadigde  componenten en draai eventueel geloste  bouten en schroeven vast, of contacteer een erkende assistentiedienst. BELANGRIJK – Stel de snijgroep laag; – zet de machine in de vrijstand; – trek de handrem aan; – leg de motor stilNL - 22 – verwijder de contactsleutel (controleer dat alle bewegende delen volledig stilstaan):

  • elke keer wanneer men de machine  onbewaakt laat, de bestuurdersplaats  verlaat: of de machine parkeert.

De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Vooraleer eender welke controle, reiniging of ingreep voor onderhoud/ afstelling op de machine uit te voeren:

  • ontkoppel de snijgroep;
  • zet de machine in de vrijstand;
  • trek de handrem aan.
  • schakel de motor uit;
  • verwijder de sleutel, (laat de sleutel nooit op de machine zitten, of laat deze niet binnen het bereik van kinderen of niet geschikte personen);
  • verzeker U ervan dat alle bewegende delen volledig stilstaan;
  • lees de desbetreende instructies;
  • Draag geschikte kledij, werkhandschoenen en een beschermende bril.
  • De frequenties en de soorten ingrepen zijn  samengevat in de "Tabel Onderhoud". Het  doel van de tabel is om uw machine een  optimale conditie te laten behouden. Hierin  staan de voornaamste ingrepen en de tijden  waarop ze uitgevoerd moeten worden. Voer  de desbetreende handeling uit in functie  van de eerstkomende vervaldatum.

7.2 BRANDSTOF BIJVULLEN / LEDIGING

BRANDSTOFRESERVOIR BELANGRIJK Volg alle voorschriften aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor. Het type van brandstof dat moet gebruikt worden, is aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor.

Om brandstof bij te vullen:

1. Draai de brandstofdop los, en

verwijder hem (afb. 30).

2. Plaats de trechter (afb. 30).

3. Vul brandstof bij zonder het

reservoir volledig te vullen.

4. Verwijder de trechter.

5. Schroef de dop van het brandstofreservoir

na het bijvullen goed dicht en reinig eventuele lekken. BELANGRIJK Vermijd benzine op de plastic gedeelten te gieten zodanig dat ze niet beschadigd worden; bij toevallige lekken onmiddellijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen van de carrosserie of de motor, veroorzaakt door benzine.

7.2.2 Lediging reservoir

OPMERKING Benzine is onderhevig aan bederf en mag niet langer dan 30 dagen in het reservoir blijven. Alvorens de machine gedurende een lange periode te stallen (hfdstk. 9), dient men het reservoir van de brandstof te ledigen. Laat de motor afkoelen alvorens het reservoir van de brandstof te ledigen.

1. Plaats de machine op een vlakke 

oppervlakte, in de open lucht.

2. Plaats een opvanghouder ter

5. Vang de brandstof op in een

7. Sluit de brandstofkraan (indien voorzien).

Controleer, voordat er opnieuw met de machine gewerkt wordt, of er uit de slang, de benzinekraan en de carburateur geen benzine lekt.

7.3 CONTROLE, BIJVULLEN,

AFLATEN MOTOROLIE BELANGRIJK Volg alle voorschriften aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor. Het type van olie dat moet gebruikt worden, is aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor.

7.3.1 Controle / bijvullen

Controleer het oliepeil vòòr ieder gebruik.NL - 23 Procedure:

  • Stel de machine op een vlakke  ondergrond voor de controle.
  • Controleer het oliepeil van de motor:  volgens de precieze werkwijzen  aangegeven in de handleiding van de motor, moet dit tussen de kentekens MIN  en MAX van het staafje zijn (Afb. 32). Vul niet teveel olie bij, dit zou kunnen leiden tot oververhitting van de motor. Indien het peil over het niveau "MAX"  komt, moet men het juiste peil herstellen.

Om de correcte werking en de duurzaamheid  van de machine te garanderen, moet de  motorolie regelmatig ververst worden aan  de intervallen die zijn aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor zelf. De motorolie kan zeer heet zijn indien ze onmiddellijk na het uitschakelen van de motor verwijderd wordt. Laat daarom de motor enkele minuten afkoelen alvorens de olie te verwijderen. Vervang de motorolie volgens de frequenties  aangegeven in de handleiding van de motor.  Ga als volgt te werk:

1. Plaats de machine op een 

2. Plaats een opvanghouder ter hoogte

4. Vang de olie op in de houder.

5. Hermonteer de aaatdop (afb. 33 B) 

en let erop dat de interne dichting goed geplaatst is (afb. 33.C).

6. Klem de dop goed aan, terwijl u de 

1. Plaats de machine op een 

2. Plaats een opvanghouder ter hoogte

van de houder (afb. 33.E) en gebruik  een klem om de klemring (afb. 33.F)  iets te lossen zodat de afvoerdop kan verwijderd worden (afb. 33.G).

4. Buig de verlengpijp, en laat de olie

uitstromen in een geschikte bak

5. Hermonteer de dop (afb. 33.G) en 

koppel de verlengpijp (afb. 33.D)  opnieuw op de houder (afb. 33.E)  voordat olie wordt toegevoegd.

1. Plaats de machine op een 

2. Een opvangbak onder de 

5. De verlengpijp verbuigen en de olie

vasthaken aan de steun (afb. 33.C)  voordat u de olie weer bijvult.

7. Reinig eventuele olielekken.

BELANGRIJK Dien de olie in voor verwerking volgens de plaatselijke normen.

7.4 ANTISCALP WIELEN

Dankzij de verschillende montageposities  van de wieltjes kan een veiligheidsruimte  “H” gehandhaafd worden tussen de rand  van de snijgroep en het terrein (afb. 23.A). Regel de positie van de antiscalp wielen  naar gelang de oneenheid van de grond.  Deze werkzaamheid moet steeds  op beide wieltjes uitgevoerd worden, die  op dezelfde hoogte geplaatst moeten  worden, BIJ UITGESCHAKELDE  MOTOR EN SNIJ-INRICHTINGEN. Om de positie te veranderen:

1. Koppel de aanslagplaat (afb. 23.B) los 

met behulp van een schroevendraaier,  en verwijder de pen (afb. 23.C)  met de veer (afb. 23.D).

2. Plaats het wieltje (afb. 23.A) 

opnieuw in de gewenste standNL - 24

3. Hermonteer de pen (afb. 23.C), de veer 

(afb. 23.D) en de aanslagplaat (afb. 23.B)  in de aangeduide volgorde, en zorg er voor dat de kop van de pen (afb. 23.C) naar de  binnenzijde van de machine is gericht

Het is fundamenteel om de accu zorgvuldig te  onderhouden voor een duurzaam bestaan. De accu van uw machine dient  steeds te worden opgeladen:

  • bij het eerste gebruik na de  aankoop van de machine;
  • alvorens elke langdurige periode van  inactiviteit (meer dan 30 dagen) (par. 9);
  • vóór de machine na een lange periode van  stilstand opnieuw in gebruik te nemen. Lees met aandacht de oplaadprocedures die  in de handleiding van de accu staan en volg ze op. Als deze procedures niet in acht worden  genomen of als de accu niet wordt opgeladen,  kan er zich onherstelbare schade voordoen  aan de elementen van de accu. Een lege accu  moet zo snel mogelijk opgeladen te worden. BELANGRIJK Het opladen dient uitgevoerd te worden met gelijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen kunnen de accu op een onherstelbare manier beschadigen.
  • De machine is uitgerust met een connector  (afb. 34.A) voor het opladen, die aangesloten  moet worden op de overeenstemmende  connector van de speciale acculader van behoud in dotatie (indien voorzien) of  beschikbaar op aanvraag (par. 15.2). BELANGRIJK Deze connector mag uitsluitend gebruikt worden voor de aansluiting op de acculader van behoud die voorzien is door de Fabrikant. Voor zijn gebruik: – de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in de desbetreende gebruiksinstructies; – de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in het instructieboekje van de accu;

Reinig de machine na ieder gebruik  volgens de volgende aanwijzingen.

7.6.1 Reiniging van de machine

  • Reinig de buitenkant van de machine door met  een vochtige spons en schoonmaakmiddel  over de delen in kunststof van de machine te  gaan. Let er op dat de motor, de elektrische  onderdelen en de elektronische kaart  onder het dashboard niet nat worden.
  • Om brandgevaar zoveel mogelijk te beperken  dienen de motor, de geluiddemper van  de uitlaat en de accubak vrij gehouden te  worden van gras, bladeren of teveel vet. BELANGRIJK Gebruik in geen geval hogedrukreinigers of bijtende middelen voor het reinigen van de carrosserie en de motor!

7.6.2 Reiniging van het uitwerpkanaal

(enkel voor modellen met opvang achteraan) Als de uitwerpkanaal verstopt  is, als volgt te werk gaan:

1. de opvangzak of de achterste 

aaatbeveiliging verwijderen ;

2. het opgehoopte gras bij de uitmonding 

van het uitwerpkanaal verwijderen .

7.6.3 Reiniging van de zak (enkel voor

modellen met opvang achteraan)

binnenkant van de snijgroep reinigen (par. 

7.6.4-a); vervolgens moet men de zak 

verwijderen, ledigen, spoelen en zodanig  ophangen dat hij snel kan drogen.

7.6.4 Reiniging van de snijgroep

Verwijder tijdens het schoonmaken van de snijgroep mensen en dieren uit het omliggende gebied. a. Reiniging van de binnenkant Verwijder grasresten en modder van de  snijgroep. Anders, als deze opdrogen, kan het  zijn dat de machine vervolgens moeilijk start.  Het reinigen van de binnenkant van de snijgroep  en het uitwerpkanaal dient, onder de volgende  condities, op een harde ondergrond te gebeuren: – wanneer de opvangzak of de achterste  aaatbescherming gemonteerd zijn (enkel voor modellen met opvang achteraan); – zijdelingse aaatdeector gemonteerd  (enkel voor modellen met zijdelingse aaat); – de gebruiker zit op de machine; – zet de snijgroep in stand «1»; – de motor draait – de koppeling staat in de vrije stand – de snij-inrichtingen zijn ingeschakeldNL - 25

  • Sluit afwisselend een waterleiding aan op  de specieke verbindingen (afb. 35.A), laat  het water enkele minuten in elke leiding  stromen, met de snijgroep in beweging. BELANGRIJK Om de goede werking van de elektromagnetische koppeling niet te compromitteren, dient men: - te vermijden dat de koppeling in aanraking komt met olie; - geen hogedruk-waterstralen direct op de groep van de koppeling richten; - de koppeling nooit met benzine te reinigen. b. Reiniging van de buitenkant Op de bovenkant van de snijgroep mogen zich geen afval en droge grasresten ophopen om de doeltreffendheid en de veiligheid van de machine op maximaal niveau te houden. Voor de reiniging van de bovenkant  van de snijgroep:
  • de snijgroep helemaal omlaag  zetten (stand «1»);
  • blaas een persluchtstraal via de openingen van de rechter en linker bescherming (afb. 36).
  • Houd de schroeven en moeren goed  vastgedraaid, om er zeker van te zijn  dat de machine altijd veilig werkt

Men dient onmiddellijk de Verkoper of een gespecialiseerd Centrum te contacteren indien men onregelmatigheden aantreft in de werking: - van de rem - bij het inschakelen en stoppen van de snij-inrichtingen - van de inschakeling van de aandrijving vooruit of achteruit.

8.2.1 Uitlijning snijgroep

Een correcte afstelling van de snijgroep is belangrijk om een mooi gelijkmatig  gemaaid gazon te verkrijgen (afb. 37). Als het gras onregelmatig gemaaid wordt,  de bandenspanning nakijken (par. 6.1.3). Indien dat niet voldoende is voor een eenvormig gazon, neem dan contact  op met uw verkoper voor de afstelling  van de uitlijning van de snijgroep.

8.2.2 Verwijder grasresten en modder

van de snijgroep. Anders, als deze opdrogen, kan het zijn dat de machine vervolgens moeilijk start. Een botte snij-inrichting rukt het gras uit een  veroorzaakt de vergeling van het gazon. Alle handelingen die betrekking hebben op de snij-inrichtingen (demontage, slijpen, in balans brengen, herstelling, hermontage en/of vervanging) vergen een specifieke vaardigheid en het gebruik van geschikt gereedschap; uit veiligheidsoverwegingen moeten deze handelingen daarom steeds uitgevoerd worden in een Gespecialiseerd centrum. Laat de beschadigde, vervormde of versleten snijgroep altijd vervangen samen met de schroeven, zodat de balancering wordt gehandhaafd. BELANGRIJK Alle snijgroepen moeten tegelijkertijd vervangen worden, en vooral in geval van gevoelige verschillen van de slijtage. BELANGRIJK Gebruik steeds originele snij-inrichtingen, met de code aangegeven in de tabel "Technische Gegevens". Gezien de ontwikkeling van het product,  kunnen de snij-inrichtingen aangegeven in  de "Technische Gegevens" in de loop van  de tijd vervangen worden door andere, met  soortgelijke eigenschappen voor wat betreft  verwisselbaarheid en functionele veiligheid.NL - 26

8.3.1 Voorafgaande werkzaamheden

BELANGRIJK Gebruik een geschikt hefmiddel, bijvoorbeeld een schaarkrik. Vooraleer de wielen te vervangen, moet men  de volgende werkzaamheden uitvoeren:

  • Verwijder alle toebehoren.
  • Plaats de machine op een stevige en  vlakke oppervlakte, die de stabiliteit  van de machine garandeert.
  • De sleutel verwijderen ;
  • Plaats de krik op het hefpunt  nabij het wiel dat vervangen moet  worden (par. 8.3.2; par. 8.3.3).
  • Controleer of de krik perfect  loodrecht op het terrein staat.

8.3.2 Keuze en plaatsing van de

krik op de achterwielen Plaats houten wiggen (afb. 38.A) aan de basis  van de wielen (afb. 38.B), aan de kant van het  wiel dat vervangen moet worden (afb. 38.C). Voor modellen met opvang achteraan:

  • De maximale hoogte van de gesloten  krik is 110mm. (afb. 39).
  • Plaats de krik onder het achterste plaatje (afb.  40.A), op 180 mm. van de zijdelingse boord. Voor modellen met zijdelingse aaat:
  • De maximale hoogte van de gesloten  krik is 110mm. (afb. 41).
  • Plaats de krik onder de achterste as, op het  op de afbeelding aangegeven punt (afb. 42.A) OPMERKING Wanneer de krik geplaatst is zoals beschreven in deze paragraaf, is het mogelijk enkel het wiel dat moet vervangen worden, op te tillen.

8.3.3 Keuze en plaatsing van de

krik op de voorwielen

gesloten krik is 110mm. OPMERKING De keuze van de positie van de krik moet uitgevoerd worden op basis van het type van machine.

3. Positioneer de krik onder het voorste deel 

van de machine in punt (afb. 44.A, 45.A,  46.A) zoals is aangeduid op de afbeelding. OPMERKING de krik moet in het vlakke deel van de houder geplaatst worden (afb. 44.B, 45.B). OPMERKING de krik moet in het centrale deel van de houder geplaatst worden (afb. 46.B, .B).

8.3.4 Vervanging van het wiel

BELANGRIJK Verzeker u ervan dat de machine stabiel en stil blijft staan tijdens het optillen. Indien men iets vreemds merkt, moet men de krik onmiddellijk omlaag brengen, controleren en eventuele problemen oplossen en vervolgens de krik opnieuw optillen.

1. Verwijder de bedekking (afb. 47.A) 

voordat de machine wordt opgetild.

2. Til de krik voldoende op om het wiel 

gemakkelijk te kunnen verwijderen.

3. Verwijder, met behulp van een 

schroevendraaier, de veerring (afb. 47.B) en de drukring (afb. 47.C.).

4. Verwijder het wiel dat 

vervangen moet worden.

7. Plaats de drukring en de veerring 

zorgvuldig weer op hun plaats.

8. Laat het wiel op de grond steunen, en 

hermonteer de bedekking (afb. 47.A). BELANGRIJK Controleer of de achterste wielen op dezelfde hoogte staan (afb. 48.A) en het verschil tussen de externe diameters tussen de twee wielen (afb. 48.B) niet meer is dan 8-10 mm. Indien dit wel zo is, moet men, om een onregelmatig maaien te voorkomen, de uitlijning van de snijgroep bij een geautoriseerd dienstcentrum laten afstellen.

8.3.5 De banden repareren of vervangen

Elke vervanging of herstelling van een band moet  uitgevoerd worden door een gespecialiseerde  bandentechnicus, volgens de modi die  zijn aangeduid voor het gebruikte type.NL - 27

De elektronische kaart is een onderdeel dat  zich onder het dashboard bevindt en dat alle beveiligingen van de machine beheert. De elektronische kaart is voorzien van een  automatische reset van de beveiliging die het  circuit onderbreekt in geval van storingen in de  elektrische installatie; de activering veroorzaakt  de stop van de motor, wat wordt gesignaleerd  door een geluidssignaal dat wordt gedeactiveerd  wanneer de sleutel wordt verwijderd. Het circuit wordt na enkele seconden  automatisch gereset; zoek en verwijder  de oorzaak van het probleem, zodat de  onderbrekingen worden vermeden. Om de ingreep van de beveiliging te vermijden; – keer de accupolen niet om; – laat de machine niet werken zonder accu, zodat geen storingen van de werking van de regelaar van de oplader worden veroorzaakt; – let op dat geen kortsluitingen worden veroorzaakt.

De machine is uitgerust met een aantal  zekeringen (afb. 49.A) met verschillend vermogen  en met de volgende functies en kenmerken: – Zekering van 10 A = bescherming van het  hoofdcircuit en het vermogenscircuit van  de elektronische kaart, waarvan de ingreep  de stop van de machine en de complete  uitschakeling van de controlelamp op het  dashboard kan veroorzaken (par. 5.16) – Zekering van 25 A = bescherming  van het laadcircuit; wanneer deze  zekering in werking treedt, verliest  de accu geleidelijk aan zijn lading en  ontstaan er problemen bij het starten. – Zekering van 5 A = bescherming  van de hulpaansluiting van 12 Volt voor de accessoires. – Zekering van 15 A = bescherming  van het circuit van het motor voor de  bediening, waarvan de activering  de elektrische aandrijving van het  kantelsysteem van de zak niet toestaat;  het leegmaken is enkel mogelijk met de  handmatige hendel (indien gemonteerd). Het vermogen van de zekering is  aangegeven op de zekering zelf. Een doorgebrande zekering dient altijd vervangen te worden door eenzelfde type met hetzelfde vermogen. Als de oorzaak van het in werking treden  niet gevonden kan worden dient er contact  opgenomen te worden met uw Verkoper.

  • De koplampen (18W) zijn door middel  van een bajonettting in de lamphouder  gedraaid. De lamphouder kan verwijderd  worden door deze met behulp van een  tang tegen de klok in te draaien (afb. 50)

1. Til de kap op en verwijder de 

connector (afb. 52.A).

2. Verwijder de splitpen (afb. 52.B) 

en verwijder de kap zijdelings.

handelingen van de demontage uitgevoerd  worden in de omgekeerde volgorde.

Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud.; de eenheid is  voorzien van een permanente smering die  geen vervanging of aanvulling behoeft.

Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud. De olie van het hydraulische verbindindingscircuit  moet regelmatig gecontroleerd,  bijgevuld en ververst worden.NL - 28 Controleer dat het oliepeil van het hydraulische systeem zich tussen  de referenties «MIN» en «MAX»  op het reservoir bevindt. Als het peil lager is dan de referentie «MIN» (Afb. 56): – demonteer de bescherming (afb. 56.A)  die is bevestigd met de moer (afb. 56.B): – draai de dop (afb. 56.C) los  en voeg olie 10W30 toe tot de  referentie «MAX» wordt bereikt: – hermonteer de dop (afb. 56.C) en  de bescherming (afb. 56.A). BELANGRIJK Indien regelmatig moet bijgevuld worden, moet gecontroleerd worden dat geen lekken aanwezig zijn in de leidingen en het reservoir, en contacteer de verkoper voor de noodzakelijke handelingen.

Als de opvangzak neigt te hobbelen  of te openen wanneer op hobbelige  terreinen wordt gewerkt, of als de  herkoppeling moeilijk is nadat de zak  is leeggemaakt, moet de spanning van  de veer geregeld worden (afb. 57.A). Wijzig het koppelingspunt door een van  de gaten (afb. 57.B) te gebruiken, tot het  gewenste resultaat wordt verkregen.

Wanneer de machine gedurende meer dan  30 dagen opgeborgen moet worden:

instructies van de handleiding van de motor.

– met de snijgroep omlaag – in een droge ruimte – beschermd tegen slechte  weersomstandigheden – indien mogelijk bedekt met  een doek (par. 15.4) – buiten bereik van kinderen. – na zich ervan verzekerd te hebben  de sleutels of werktuigen die voor  het onderhoud gebruikt werden,  verwijderd te hebben. Wanneer de machine weer in  werking gezet wordt:

  • controleer of er uit de slang, de benzinekraan  en de carburateur geen benzine lekt.
  • bereid de machine voor zoals aangegeven  in hoofdstuk "6. Gebruik van de machine".

10. HANTERING EN TRANSPORT

  • Wanneer men de machine  hanteert, moet men: – ontkoppel de snijgroep; – plaats de snijgroep op de maximale hoogte; – de motor uitschakelen;
  • Wanneer men de machine met een wagen  of aanhangwagen vervoert, moet men: – opritten gebruiken met geschikte  weerstand, breedte en lengte; – de machine laden met de motor  uitgeschakeld, met de contactsleutel  uit het stopcontact van de machine,  zonder bediener, duwend, en met  een geschikt aantal personen; – de brandstofkraan sluiten (indien voorzien). – de snijgroep omlaag brengen; – trek de handrem aan. – de machine zo plaatsen dat ze  geen gevaar veroorzaakt; – ze stevig aan het vervoersmiddel  bevestigen met koorden of kettingen  om te vermijden dat ze kantelt en zo  eventueel beschadigd kan worden of  dat er brandstof zou kunnen lekken.

11. ASSISTENTIE EN HERSTELLINGEN

Deze handleiding verstrekt alle gegevens die u  nodig hebt om de machine te kunnen gebruiken  en om er op de juiste manier eenvoudige  onderhoudswerkzaamheden aan te kunnen  verrichten, die de gebruiker zelf kan uitvoeren.  Alle afstellingen en onderhoudshandelingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten  uitgevoerd worden door uw Verkoper of in een  gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de  nodige kennis en uitrustingen om de werken correct  uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk  niveau van veiligheid van de machine. Handelingen die in niet geschikte structuren of  door onbekwame personen uitgevoerd werden,  doen elke vorm van garantie en alle verplichtingen  of aansprakelijkheid van de Fabrikant vervallen.NL - 29

  • Enkel de geautoriseerde dienstcentra  mogen de herstellingen en  onderhoudsingrepen in garantie uitvoeren.
  • Niet originele wisselstukken en toebehoren  zijn niet goedgekeurd; het gebruik van niet  originele wisselstukken en toebehoren  brengt de veiligheid van de machine in  gevaar en ontheft de Fabrikant van alle  verplichtingen en aansprakelijkheden.
  • De originele wisselstukken worden  geleverd door de geautoriseerde dienstcentra en wederverkopers.
  • Men raadt aan de machine eens per jaar  aan een geautoriseerd dienstcentrum toe te  vertrouwen voor het onderhoud, assistentie  en controle van de veiligheidsinrichtingen.

De garantie dekt alle defecten van het materiaal  en van de fabricatie. De gebruiker moet  aandachtig de aanwijzingen volgen die in de  bijgevoegde documentatie verschaft is. De garantie geldt niet voor schade te wijten aan:

  • Onjuist of niet toegestaan gebruik en montage
  • Gebruik van niet originele wisselstukken.
  • Gebruik van toebehoren dat niet door de  fabrikant verschaft of goedgekeurd werd. Deze garantie geldt bovendien niet voor:
  • Motoren. Deze zijn gedekt door de garantie  van de fabrikant van de motor volgens de  aangegeven termijnen en condities. De aankoper is beschermd door de nationale  wetten van zijn eigen land. De rechten van  de koper die voorzien zijn in de nationale  wetten van zijn eigen land zijn op geen  enkele wijze beperkt door deze garantie.

Ingreep Intervallen (uur) Paragraaf / Opmerkingen Eerste maal Daarna elke MACHINE Veiligheidscontroles / Controle van de commando's Voor eender welk gebruik par. 6.2 Controle bandendruk Voor eender welk gebruik par. 6.1.3 Controleer de beschermingen van de aaat  achteraan / zijdelingse aaat. Controle van  de opvangzak, zijdelingse aaatdeector. Voor eender welk gebruik par. 6.1.4 Algemene reiniging en controle Aan het einde van ieder gebruik par. 7.6 Controle van eventuele schade aan de machine. Contacteer, indien nodig, het  geautoriseerde dienstcentrum. Aan het einde van ieder gebruik

Vervanging riem commando snij-inrichtingen - ** / ***NL - 30 MOTOR * Controle/bijvullen brandstof Voor eender welk gebruik par 7.2 Controle / bijvullen motorolie Voor eender welk gebruik par 7.3 Vervanging motorolie

*   Raadpleeg de handleiding van de motor voor de volledige lijst van de handelingen en de intervallen **   Neem contact op met uw verkoper zodra u storingen vermoedt ***  Handeling die door uw Verkoper of door een gespecialiseerd Centrum moet uitgevoerd worden ***  De algemene smering van alle bewegende onderdelen moet bovendien, elke keer er  verwacht wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken, uitgevoerd worden.

1. Met de sleutel op

«START» blijft het  dashboard uitgeschakeld,  zonder geluidssignaal De bescherming van de elektronische  kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP» en  zoek de oorzaken van het defect: de accu is niet goed aangesloten controleer de verbindingen (par. 4.4) de polen van de accu zijn omgewisseld controleer de verbindingen (par. 4.4). de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) de zekering is doorgebrand vervang de zekering (10.A) (par. 8.5). kaart nat drogen met lauwe lucht

2. Met de sleutel op «START» 

blijft het dashboard uitgeschakeld, maar er  wordt een geluidssignaal  geactiveerd De bescherming van de elektronische  kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: kaart nat drogen met lauwe lucht 3.  De sleutel staat op «START», het dashboard  licht op maar de  startmotor draait niet de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) zekering voor het opladen onderbroken vervang de zekering (25 A) (par. 8.5).

4. De sleutel staat in de

«START» stand, de  startmotor draait maar  de motor slaat niet aan de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) te weinig benzineaanvoer controleer het peil in het reservoir (par. 7.2.1) open de kraan (indien  voorzien) (par. 6.4) controleer de benzinelter er een defect in de ontsteking  is opgetreden controleer of de bougiekap  juist bevestigd is controleer of de elektroden niet vuil zijn  en of hun onderlinge afstand juist is Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde  remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NL - 31

PROBLEMEN MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING

5. Een moeilijke start of 

een onregelmatige  werking van de motor er brandstofproblemen zijn reinig of vervang luchtlter leeg de benzinetank en vul  met nieuwe benzine controleer en vervang eventueel de benzinelter

6. Tijdens het maaien is 

er een krachtverlies  van de motor de rijsnelheid is te hoog ten opzicht van de snijhoogte neem in snelheid af en/of zet het  maaidek in een hogere stand (par. 6.5.4)

7. Wanneer de snijgroep wordt 

gekoppeld, slaat de motor af geen toestemming voor de inschakeling controleer of de voorwaarden  voor de toestemming worden  gerespecteerd (par. 6.2.2)

8. De controlelamp van de 

accu gaat niet uit na enkele  minuten van werking accu onvoldoende opgeladen contacteer uw Verkoper

9. De controlelamp van de 

olie licht op gedurende de werking (indien voorzien) problemen met de smering van de motor Draai de sleutel onmiddellijk  op «STOP»: herstel het oliepeil (zie 7.3.1) vervang de lter (als het probleem  aanhoudt, moet de verkoper  gecontacteerd worden)

10. De motor slaat af, er 

wordt een geluidssignaal  geproduceerd De bescherming van de elektronische  kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: overspanning veroorzaakt  door de regelaar oplader contacteer uw Verkoper de accu is niet goed aangesloten (onzekere contacten) controleer de verbindingen (par. 3.4)

11. De motor slaat af, en er 

wordt geen geluidssignaal  geproduceerd accu losgekoppeld controleer de verbindingen (par. 3.4) problemen met de motor contacteer uw Verkoper

12. De snij-inrichtingen

schakelen zich niet  in of stoppen niet onmiddellijk wanneer ze  uitgeschakeld worden. riem gelost contacteer uw Verkoper problemen met de  elektromagnetische koppeling contacteer uw Verkoper 13.  Onregelmatig maaien  en onvoldoende opvang (enkel voor modellen  met opvang achteraan) de snijgroep staat niet evenwijdig  ten opzichte van het terrein controleer de druk van de  banden (par. 6.1.3) herstel de uitlijning van de snijgroep ten opzichte van het terrein (par. 8.2.1) onwerkzaamheid van de snij-inrichtingen contacteer uw Verkoper de rijsnelheid is te hoog ten opzichte van de hoogte van het gras neem in snelheid af en/ of zet de snijgroep in een hogere stand (par. 6.5.4) wacht tot het gras droog is het kanaal is verstopt verwijder de opvangzak en maak  het kanaal leeg (zie 7.6.2) Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde  remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NL - 32

(enkel voor modellen  met zijdelingse aaat) de snijgroep staat niet evenwijdig  ten opzichte van het terrein controleer de druk van de  banden (par. 6.1.3) herstel de uitlijning van de snijgroep ten opzichte van het terrein (par. 8.2.1) onwerkzaamheid van de snij-inrichtingen contacteer uw Verkoper

15. Vreemde trillingen 

tijdens het werk de snijgroep zit vol met gras reinig de snijgroep (par. 7.6.4) de snij-inrichtingen zijn uit balans of losgekomen contacteer uw Verkoper de bevestigingen zijn losgeraakt controleer en draai de bevestigingsschroeven van de motor en het chassis goed vast

16. Onzekere of niet 

werkzame remming niet correct afgestelde rem contacteer uw Verkoper

17. Onregelmatige beweging, 

weinig tractie bij stijging of  neiging van de machine  om op te trekken problemen aan de riem of aan  het inschakelsysteem contacteer uw Verkoper

aandrijfpedaal wordt  ingedrukt bij draaiende  motor, beweegt de  machine niet vooruit ontgrendelingshendel in stand voor transmissie ontgrendeld breng de hendel weer naar de stand  voor transmissie ingeschakeld (par. 5.4)

19. De machine begint 

abnormaal te trillen beschadiging of losgekomen delen stop de machine en haal  de contactsleutel weg controleer eventuele beschadigingen controleer of er delen losgekomen  zijn en schroef ze weer vast voer de controles, vervangingen of herstellingen uit bij een Gespecialiseerd Centrum Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde  remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.

Laat toe de accu eciënt te houden  tijdens de periodes van inactiviteit van de machine, waarbij een optimaal laadniveau  en een langere duurzaamheid van de  accu gegarandeerd wordt (afb. 58.B).

Beschermt de machine van stof als  deze niet gebruikt wordt (afb. 58.D)

15.5 SET GEWICHTEN ACHTERAAN

Verbeteren de stabiliteit achteraan van de machine, vooral bij gebruik overwegend  op hellende terreinen (afb. 58.E).NL - 33

AFLAATBEVEILIGING Te gebruiken in plaats van de opvangzak, wanneer  het gras niet wordt opgevangen (afb. 58.F).  (enkel voor modellen met aaat achteraan)

15.7 SNEEUWKETTINGEN 18’’, 20’’

Verbeteren de grip van de achterwielen op  besneeuwde wegen, en staan het gebruik  van sneeuwruimers toe (afb. 58.G).

Voor het transport van gereedschappen of andere voorwerpen, binnen de  toegestane laadlimieten (afb. 58.I).

SNEEUWSCHUIF Voor het zijdelings ophopen of ruimen  van verwijderde sneeuw (afb. 58.M).

15.14 FRONTALE VEGER

Om bladeren en vuil te verwijderen van paden  en vaste ondergronden, voor het verwijderen  van dunne lagen verse sneeuw (afb. 58.N).

Voor de montage van bijkomende  frontale accessoires waarvoor geen  aftakas noodzakelijk is (afb. 58.R1).

n) Zur Verfassung der technischen Unterlagen befugte Person: o) Ort und Datum NL ( Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing) EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)

2. Verklaart onder zijn eigen

verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel c) Serienummer d) Motor: benzinemotor

3. Voldoet aan de specificaties van de

richtlijnen: e) Certificatie-instituut

4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde

normen g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen

n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum