Tornado 7108 W - Tractor STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Tornado 7108 W STIGA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Tornado 7108 W - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Tornado 7108 W van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING Tornado 7108 W STIGA
Grasmaaier met zittende bediener - GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing
3.1 Beschrijving machine en beoogd gebruik
4.5 Montage van de houders van de
- opvangzak p. 8
- 4.6 Verwijdering van de pal van de veerhaak van de opvangzak p. 8
- 4.7 Montage van de voorbumper p. 8
- 4.8 Montage van de opvangzak p. 9
4.9 Montage van de hendels voor de
kanteling van de opvangzak .................. 9 4.10 Montage van de zijbeschermingen van het samenstel van de snij-inrichtingen (indien voorzien) ................................... 9
4.11 Montage van de zijdelingse
aaatdeector (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) .................................. 9
5.10 Toets toelating snijden bij
achteruitversnelling ............................. 12
5.11 Bedieningen voor de regeling van de
5.14 Hulpaansluiting voor accessoires ........ 13
6.1 Voorafgaande werkzaamheden ........... 16
7.2 Brandstof bijvullen / lediging
7.7 Moeren en schroeven voor bevestiging 25
In de tekst van de handleiding worden enkele paragrafen, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de machine beschadigd wordt of dat er schade veroorzaakt wordt. Het symbool wijst op een gevaar. Veronachtzaming van de waarschuwing leidt tot mogelijke persoonlijke letsels of letsels aan anderen en/of schade. De paragrafen die aangegeven zijn met een grijze stippen-boord wijzen op optionele kenmerken die niet aanwezig zijn op alle modellen die in deze handleiding beschreven zijn. Controleer of het kenmerk aanwezig is op het model in kwestie. De aanwijzingen "voor", "achter", "rechts" en "links" hebben betrekking op de werkpositie van de bediener.
De afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzingen zijn genummerd 1, 2, 3 enz. De onderdelen die op de afbeeldingen zijn aangegeven, zijn gekentekend met de letters A, B, C enz. Een verwijzing naar het onderdeel C in afbeelding 2 wordt aangegeven met de tekst: "Zie afbeelding 2.C" of eenvoudigweg "(Afb. 2.C)". De afbeeldingen zijn indicatief. De eectieve delen kunnen wijzigen ten opzichte van wat aangegeven is.
De handleiding is onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. De titel van de paragraaf "2.1 Training" is een ondertitel van "2. Veiligheidsvoorschriften". De verwijzingen naar titels of paragrafen zijn aangegeven met de afkorting hfdst. of par. en het desbetreend nummer. Voorbeeld: "hfdst. 2" of "par. 2.1"
Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/of ernstige letsels veroorzaken.
- Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt door kinderen of door personen die niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen. De minimale leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn.
- Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of andere stoen ingenomen heeft die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn reactievermogen en aandacht.
- Vervoer geen kinderen of andere passagiers.
- Denk eraan dat de persoon die de machine bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico’s, die het terrein waarop hij moet werken met zich mee kan brengen, te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treen met het oog op zijn eigen veiligheid en die van anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen.
- Indien men de machine aan derden wil geven of lenen, moet men zich ervan verzekeren dat de gebruiker de gebruiksaanwijzingen in dit handboek doorneemt.
2.2 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
- Draag geschikte kledij, stevige werkschoenen met antislipzolen en een lange broek. Bedien de machine niet met blote voeten of met open sandalen. Draag gehoorbeschermingen.
- Het gebruik van gehoorbeschermingen kan de capaciteit van het horen van eventuele waarschuwingen verminderen (roepen of alarmsignalen). Let altijd op voor wat gebeurt rondom de werkzone.
- Draag geen sjaal, hemd, halsketting, armbanden, kledij met losse delen, of met bandjes of dassen of andere hangende of wijde accessoires die vastgegrepen kunnen worden door de machine of voorwerpen en materiaal aanwezig op de werkplaats.NL - 3
- Lang haar wordt zorgvuldig bijeengebonden. Werkzone / Machine
- Controleer grondig de hele werkzone en verwijder alles wat van door de machine weg zou kunnen uitgestoten worden of de snij-inrichting/draaiende organen zou kunnen beschadigen worden (keien, takken, ijzerdraad, beenderen, enz.).. Benzinemotoren: brandstof GEVAAR! De brandstof is zeer ontvlambaar.
- Bewaar de brandstof in speciale houders die daarvoor gehomologeerd zijn, op een veilige plaats, uit de buurt van warmtebronnen of naakte vlammen.
- Laat de houders en de opslagzone van de benzine vrij van resten van gras, bladeren of te grote hoeveelheden vet.
- De recipiënten moeten buiten het bereik van kinderen bewaard worden.
- Rook niet tijdens het tanken of het bijvullen van brandstof of elke keer wanneer men met de brandstof werkt.
- Als de motor aanstaat of warm is mag u geen brandstof toevoegen of de dop van de benzinetank afdraaien.
- Open de dop van het reservoir langzaam om de interne druk geleidelijk aan af te laten.
- Reinig onmiddellijk elk spoor van brandstof dat op de machine of op de grond gelekt is.
- Draai de dop altijd weer goed op het brandstofreservoir en op de houder van de brandstof.
- Start de machine nooit op de plaats waar de brandstof bijgevuld werd; de motor moet steeds gestart worden op een afstand van minstens 3 meter van de plaats waar de brandstof bijgevuld werd.
- Zorg ervoor dat de brandstof niet in aanraking komt met de kledij en trek in ieder geval steeds nieuwe kleren aan vooraleer de motor op te starten.
- Schakel de motor niet aan in gesloten ruimtes, waar er zich gevaarlijke koolstofmonoxidedampen kunnen vormen. De machine dient altijd in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte gestart te worden! Denk er altijd aan dat de uitlaatgassen giftig zijn!
- Richt, tijdens het opstarten van de machine, de geluidsdemper en dus de uitlaatgassen nooit naar ontvlambare materialen.
- Gebruik de machine niet in omgevingen met gevaar op ontplong, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistoen, gas of stof. Elektrische contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken veroorzaken die het stof of de dampen kunnen doen ontbranden.
- Enkel bij daglicht of met goed kunstmatig licht en bij goede zichtbaarheid reinigen.
- Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. De kinderen moeten onder toezicht van een andere volwassene staan.
- Werk niet op nat gras, bij regen of bij risico op onweer, in het bijzonder wanneer er kans op bliksem bestaat.
- Let bijzonder goed op de onregelmatigheden van het terrein (drempels, geulen), op de hellingen, op verborgen gevaren en op de aanwezigheid van eventuele hindernissen die de zichtbaarheid zouden kunnen beperken.
- Wees zeer voorzichtig nabij ravijnen, grachten of dijken. De machine kan omkantelen indien een wiel over de rand gaat of indien de rand inzakt.
- Let op in geval van hellende terreinen, waar bijzondere aandacht vereist is om omkantelen of verlies van controle over de machine te vermijden. De voornaamste oorzaken waardoor de macht over het stuur kwijt geraakt kan worden zijn: – Onvoldoende grip van de wielen – Overdreven snelheid – Niet passende remming – De machine is niet geschikt voor het doel waarvoor zij gebruikt wordt – Gebrek aan kennis van de gevolgen die de toestand waarin het terrein zich bevindt kan hebben; – Onjuist gebruik als trekvoertuig.
- Wanneer de machine nabij de openbare weg gebruikt, moet opgelet worden voor het verkeer.
- Laat de machine niet stilstaand in hoog gras met de motor draaiend, om risico op brand te vermijden.NL - 4 Gedrag
- Laat u tijdens het rijden niet aeiden, behoud de nodige concentratie.
- Let op wanneer u achteruit of achterwaarts rijdt. Kijk achteruit voor en tijdens het achteruit rijden om u ervan te verzekeren dat er geen hindernissen zijn.
- Let op wanneer u lasten trekt of zware uitrustingen gebruikt; – Gebruik voor de trekstangen alleen de goedgekeurde bevestigingspunten; – Beperk het aantal ladingen tot diegenen die gemakkelijk kunnen gecontroleerd worden; – Neem geen scherpe bochten. Let op bij het achteruit rijden; – Gebruik tegengewichten of gewichten op de wielen wanneer dit wordt aangeraden in de gebruiksaanwijzing.
- Let op bij het gebruik van opvangzakken en toebehoren die de stabiliteit van de machine kan wijzigen, in het bijzonder op hellingen.
- Houd altijd de handen en voeten ver van de snij-inrichting, zowel wanneer de motor gestart wordt als tijdens het gebruik van de machine.
- Let op: het snij-element blijft gedurende enkele seconden na zijn afkoppeling of na uitschakeling van de motor draaien.
- Let goed op de snijgroep met meerdere snij-inrichtingen, aangezien een draaiende snij-inrichting ook de andere zou kunnen doen draaien.
- Blijf steeds op afstand van de aaatopening.
- Raak de delen van de motor die zich tijdens het gebruik opwarmen, nooit aan. Risico op brandwonden.
- Laat de machine niet stilstaand in hoog gras met de motor draaiend, om risico op brand te vermijden. In geval van breuken of ongevallen tijdens het werk, dient men de motor onmiddellijk stil te zetten en de machine te verwijderen om geen verdere schade te berokkenen; in geval van ongevallen met persoonlijke letsels of letsels aan derden, dient men onmiddellijk de meest geschikte eerste-hulp-procedures te volgen voor de situatie en zich tot een gezondheidsstructuur te richten voor de nodige zorgen. Verwijder zorgvuldig eventuele resten die schade of letsels aan personen of dieren kunnen veroorzaken indien ze onopgemerkt blijven. Beperkingen voor het gebruik
- Gebruik de machine nooit wanneer de beveiligingen beschadigd zijn, ontbreken of niet correct geplaatst zijn (opvangzakken, zijdelingse aaatbescherming, achterste aaatbescherming).
- Gebruik de machine niet indien de toebehoren/werktuigen niet op de voorziene plaatsen geïnstalleerd zijn.
- De aanwezige veiligheidsinrichtingen/ microschakelaars niet uitschakelen, afschakelen, verwijderen of schenden.
- Wijzig de regelingen van de motor niet, en bereik geen te hoog toerental. Als de motor aan een te hoog toerental draait, vergroot het risico voor persoonlijke letsels.
- Overbelast de machine niet en gebruik geen kleine machine om zware werken te verrichten; het gebruik van een machine met aangepaste afmetingen zal de risico’s beperken en de kwaliteit van het werk verbeteren.
- De machine is niet goedgekeurd om op de openbare weg te rijden. Ze mag (volgens het Wegverkeersregelement) uitsluitend gebruikt worden op privé- terrein dat voor verkeer gesloten is.
- Gebruik de machine nooit als er onderdelen versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten vervangen en niet gerepareerd worden.
- Om het risico op brand te verminderen, moet men regelmatig controleren of er geen lekken van olie en/of brandstof zijn.
- Tijdens de afstellingen van de machine, moet men erop letten dat de vingers niet tussen de bewegende snij-inrichting en de vaste delen van de machine geklemd geraken. Het niveau van het geluid en van de trillingen dat aangegeven is in deze handleiding, zijn de maximale waarden voor het gebruik van de machine. Het gebruik van een niet gebalanceerd maai-element, een overdreven snelheid van de beweging en gebrekkig onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijk preventieve maatregelen te treen om mogelijke schade ten gevolge van een hoog geluidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud van de machine, draag gehoorbescherming, maak pauzes tijdens het werk. Stalling
- Zet de machine niet met brandstof in de tank in een ruimte waar de brandstofdampenNL - 5 met vlammen, vonken of een warmtebron in aanraking zouden kunnen komen.
- Laat geen houders met restmateriaal in een gesloten ruimte, om het risico op brand te voorkomen.
2.5 BESCHERMING VAN DE OMGEVING
De milieubescherming moet een belangrijk en prioritair aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gunste van de civiele samenleving en de omgeving waarin we leven.
- Wees geen storend element voor uw buren. Gebruik de machine enkel op redelijke uren (niet 's ochtends vroeg of 's avonds laat wanneer dit andere personen zou kunnen storen).
- Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, olie, brandstof, lters, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op de omgeving; dit afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
- Volg nauwkeurig de lokale normen op voor de afdanking van het afval.
- Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een opvangcentrum gebracht worden, volgens de geldende plaatselijke normen.
Dit is een grasmaaier met zittende bestuurder. De machine is voorzien van een motor, die de snij-inrichting inschakelt, beschermd door een carter, en een aandrijvingsgroep die de beweging aan de machine doorgeeft. De machine is voorzien van het volgende: – hydrostatische transmissie met oneindig variabele transmissieverhoudingen vooruit en achteruit (“Hydro”), met tweewielaandrijving (2WD) of vierwielaandrijving (4WD). De bediener kan de machine bedienen en de hoofdcommando’s inschakelen terwijl hij steeds op zijn plaats blijft zitten. De veiligheidsinrichtingen op de machine doen de motor en de snij-inrichting na enkele seconden stilvallen (par. 6.2.2).
3.1.1 Voorzien gebruik
Deze machine is ontworpen en gebouwd voor het maaien van gras. Deze machine kan, in het algemeen:
achterlaten op het terrein.
4. gras maaien, en het zijdelings achterlaten.
Het gebruik van bijzonder toebehoren, voorzien door de Fabrikant als oorspronkelijke uitrusting of afzonderlijk aan te kopen, staat toe dit werk uit te voeren volgens de verschillende werkwijzen die in deze handleiding of in de instructies die met het toebehoren geleverd worden, beschreven zijn. Tegelijkertijd kan de mogelijkheid bijkomend toebehoren te gebruiken (indien voorzien door de Fabrikant) het gebruik ervan uitbreiden naar andere functies, volgens de limieten en condities die beschreven zijn in de instructies die het toebehoren zelf vergezellen.
3.1.2 Onjuist gebruik
Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en schade berokkenen aan personen en/of zaken. De volgende situaties behoren tot het onjuist gebruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend): – op de machine of op een aanhangwagen andere personen, kinderen of dieren vervoeren, aangezien deze zouden kunnen vallen en ernstige letsels zouden kunnen opdoen of de veiligheid van de rit in het gedrang zouden kunnen brengen; – ladingen trekken of duwen zonder het gebruik van het daarvoor bestemde toebehoren voor het slepen; – gebruik van de machine op onstabiele, gladde, bevroren, stenige of oneen terreinen, in geval van plassen of moerassen die niet toestaan de consistentie van het terrein in te schatten; – de snij-inrichting aanschakelen op zones zonder gras; – gebruik van de machine voor het verzamelen van bladeren of afval.NL - 6 BELANGRIJK Het onjuist gebruik brengt verval van zowel de garantie als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen.
3.1.3 Type gebruiker
Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, d.w.z. door niet professionele bedieners. Ze is bestemd voor een amateuriëel gebruik. BELANGRIJK De machine mag steeds slechts door een enkele bediener gebruikt worden.
3.2 VEILIGHEIDSSIGNALEN
Op de machine verschijnen verschillende symbolen (afb. 2). Hun taak is de bediener te herinneren aan het gedrag dat hij moet aanhouden om de machine met de nodige aandacht en voorzichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen: Let op! Lees de aanwijzingen door voordat de machine wordt gebruikt. Let op! Verwijder de sleutel, en lees de aanwijzingen door voordat eender welke handelingen van het onderhoud of de herstelling wordt uitgevoerd. Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Niet werken zonder de achterste aaatbeveiliging of de opvangzak erop bevestigd te hebben. (enkel voor modellen met opvang achteraan). Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Houd personen uit de buurt. Gevaar! Omkantelen van de machine: Gebruik deze machine niet op hellingen van meer dan 10°. Gevaar! Verminking: Controleer dat kinderen op voldoende afstand van de machine blijven wanneer de motor draait. Risico voor snijwonden. Bewegende snij-inrichtingen. Plaats de handen of de voeten nooit in de zitting van de snij-inrichtingen. Let op! Houd voldoende afstand van de hete oppervlakken. Klim niet op de machine langs de beschermingen van de snijgroep. max xxx N (xx kg) max xxx N (xxx kg) Bij gebruik van de trekset mogen de laadlimieten niet overschreden worden die zijn aangeduid op het etiket, en moeten de veiligheidsnormen gerespecteerd worden. BELANGRIJK De beschadigde of onleesbaar geworden labels moeten vervangen worden. Vraag nieuwe labels aan uw eigen geautoriseerd Dienstcentrum.
bedrijfssnelheid motor
9. Massa van de machine met lege tank in kg
10. Type aandrijving
Schrijf de identicatiegegevens van de machine in de vakjes op het label aan de achterkant van de omslag. BELANGRIJK Gebruik de identicatiegegevens die aangegeven zijn op het identicatielabel van het product bij ieder contact met de geautoriseerde werkplaats. BELANGRIJK Het voorbeeld van de verklaring van overeenstemming bevindt zich op de laatste pagina’s van de handleiding.NL - 7
3.4 BELANGRIJKSTE ONDERDELEN
De machine bestaat uit de volgende hoofdzakelijke onderdelen, die de volgende functies hebben (Afb. 1): A. Motor: brengt de beweging naar zowel de snij-inrichtingen als de wielaandrijving over; de kenmerken en de gebruiksnormen worden beschreven in een specieke handleiding. B. Snijgroep: dit is het geheel bestaande uit de carter, waarin zich de draaiende snij-inrichtingen bevinden, en de snij-inrichtingen zelf. C. Snij-inrichtingen: dit zijn de elementen die ervoor dienen om het gras te maaien; de windvleugels die aan de uiteinden zitten bevorderen de afvoer van het gemaaid gras naar het uitwerpkanaal. D. Achterste aaatbeveiliging (beschikbaar op aanvraag): wanneer deze op de plaats van de opvangzak gemonteerd is, verhindert ze dat eventuele voorwerpen die door de snij-inrichting opgevangen werden, ver weg van de machine geschoten worden.(enkel voor modellen met opvang achteraan). E. Zijdelingse aaatdeector: naast de functie van het zijdelings achterlaten van het gras op het terrein, betreft het een veiligheidselement dat er voor zorgt dat eventuele voorwerpen opgevangen door de snij-inrichting niet ver van de machine worden weggeslingerd (enkel voor modellen met zijdelingse aaat). F. Opvangzak: naast de functie van het opvangen van het gemaaide gras, betreft het een veiligheidselement dat er voor zorgt dat eventuele voorwerpen opgevangen door de snij-inrichting niet ver van de machine worden weggeslingerd (enkel voor modellen met opvang achteraan). G. Uitwerpkanaal: dit is het verbindingselement tussen de snijgroep en de opvangzak (enkel voor modellen met opvang achteraan). H. Bestuurdersplaats: dit is de werkplaats van de bestuurder, uitgerust met een sensor die de aanwezigheid van de bestuurder waarneemt met het oog op de werking van de beveiligingssystemen.
I. Stuur: hiermee kunnen de
voorwielen bestuurd worden. J. Buer vooraan: biedt bescherming aan de voorkant van de machine. K. Batterij: levert de energie om de motor te kunnen starten; de kenmerken en de gebruiksnormen worden beschreven in een specieke handleiding.
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Om vervoers- en opslagredenen worden sommige onderdelen van machine niet direct in de fabriek gemonteerd. Zij dienen na het uitpakken gemonteerd te worden aan de hand van de volgende instructies. Het uitpakken en de vervollediging van de montage moeten uitgevoerd worden op een vlakke en stevige ondergrond, met voldoende ruimte voor de verplaatsing van de machine en de verpakkingen, en steeds met behulp van de geschikte instrumenten. Gebruik de machine niet vooraleer de aanwijzingen van de sectie "MONTAGE" teneinde gebracht te hebben.
4.1 ONDERDELEN VOOR DE MONTAGE
De verpakking bevat de onderdelen voor de montage die in de volgende tabel vermeld zijn: Beschrijving 1 Stuur 2 Deksel van het instrumentenpaneel en van de onderdelen voor montage van het stuur 3 Bestuurdersstoel 4 Voorbumper (indien voorzien) 5 Zak met relatieve schroeven voor de mon- tage en de relatieve aanwijzingen (enkel voor modellen TS-TX-TH) (enkel voor mo- dellen met opvang achteraan) 6 De houders van de zak en de relatieve accessoires voor de vervollediging en de montage (enkel voor modellen met opvang achteraan) 7 Zijdelingse aaatdeector (enkel voor mo- dellen met zijdelingse aaat) 8 Zijdelingse versterkingen van de snijgroep (indien voorzien). 9 Enveloppe met: - de verschillende gebruikershandleidingen en de documenten, - schroeven voor montage van de stoel - kit voor montage van de zijdelingse aaatdeector (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) - de schroeven en moeren voor de aanslui- ting van de accukabels - 2 contactsleutels - 1 reservezekering van 10 A 10 Kit Melching (enkel voor modellen met zij- delingse aaat) (indien voorzien).NL - 8
1. Open de verpakking voorzichtig, let
erop geen onderdelen te verliezen.
2. Raadpleeg de documentatie in de doos,
inclusief deze gebruiksaanwijzingen.
3. Haal alle onderdelen die niet
gemonteerd zijn uit de doos.
4. Haal de machine uit de verpakking, met
de volgende voorzorgsmaatregelen: – breng de snijgroep op de maximale hoogte (par. 5.11) om deze niet te beschadigen wanneer de machine van het basispallet gehaald wordt; – Haal de machine van het basispallet.
5. Plaats de hendel voor de ontgrendeling
1. Plaats de machine op een vlakke
ondergrond en zorg er voor dat de voorwielen uitgelijnd zijn.
2. Gebruik een schroevendraaier om
de centrale bedekking (afb. 3.B) van het stuur (afb. 3.A) te verwijderen.
3. Plaats het stuur (afb. 3.A) op de uitstekende
as (afb. 3.C), draai het zodanig dat de spaken naar de stoel zijn gericht en duw er op tot de naaf van het stuur wordt geklemd op de uitstekende uiteinden van de stift (afb. 3.D).
4. Bevestig het stuur met behulp van
de bijgeleverde schroef (afb. 3.E) en sluitringen (afb. 3.F) en (afb. 3.G), in de aangeduide volgorde.
aan (afb. 3.B) door de haken in de respectievelijke zittingen te klemmen.
4.3 MONTAGE VAN DE STOEL
Trek de hendel voor de regeling (afb. 4.C) naar boven en plaats de stoel (afb. 4.A) in de geleider (afb. 4.B) vanaf de zijde van het stuur, tot het in een van de zes posities wordt geklikt. Nu is de stoel stabiel gemonteerd, en kan hij niet meer verwijderd worden als de hendel (afb. 4.D) niet wordt ingedrukt die hem vergrendelt.
positieve klem (+) en da de zwarte draad (afb. 5.D) op de negatieve klem (–) met behulp van de bijgeleverde schroeven, zoals aangeduid.
2. Monteer de veer (afb. 5.B) om de accu te
bevestigen, maar let op dat de accukabels correct worden gepositioneerd zodat ze niet worden geklemd door de veer (afb. 5.B). BELANGRIJK Zorg er altijd voor de accu volledig op te laden en volg hierbij de aanwijzingen die in het instructieboekje van de accu staan aangegeven. BELANGRIJK Om de ingreep van de beveiliging van de elektronische kaart te vermijden, mag de motor absoluut niet gestart worden voordat de accu helemaal is opgeladen!
Monteer de twee houders (afb. 6.A) op de achterste plaat (afb. 6.B), door voor elke houder de drie bijgeleverde schroeven (afb. 6.C) te gebruiken zoals is aangeduid, zonder de relatieve moeren te blokkeren (afb. 6.D). Koppel het bovenste deel (afb. 6.E) van het frame van de opvangzak op de houders, en centreer het ten opzichte van de achterste plaat (afb. 6.B). Regel de positie van de twee houders (afb. 6.F) ten opzichte van de aanslag (afb. 6.G) zodat, wanneer het frame van de opvangzak wordt gedraaid, de pen (afb. 6.H) correct in de zitting (afb. 6.I) wordt geplaatst. Controleer nogmaals of het frame (afb. 6.E) goed is gecentreerd ten opzichte van de achterste plaat (afb. 6.B) en dat de rotatie niet wordt belemmerd, zoals eerder is aangeduid, en draai daarna de schroeven (afb. 6.C) en de moeren (afb. 6.D) helemaal vast.
Voor transportredenen is de veerhaak (afb. 7.A) voor de koppeling van de zak op de achterste plaat vergrendeld met behulp van de pal (afb. 7.B). Deze pal moet verwijderd worden voordat de montage van de houders van de opvangzak wordt uitgevoerd, en moet niet meer gebruikt worden.
2. Enkel voor modellen met
elektrische kanteling: Monteer de twee rollen (afb. 9.G) op de pennen van de houders (afb. 9.H), richt de kraag naar de houder, en bevestig ze met behulp van de veerringen (afb. 9.I). Monteer daarna de houders op het voorste frame (afb. 9.B) met behulp van de schroeven en de moeren (afb. 9.J).
4. Plaats de handgreep (afb. 9.M) in
de garen in de bedekking (afb. 9.N), bevestig het samenstel op het frame met behulp van de schroeven (afb. 9.O) zoals is aangeduid en de zelftappende schroeven achteraan (afb. 9.P).
5. Breng de versterking (afb. 9.Q) aan onder
het frame met behulp van de schroeven en de moeren (afb. 9.R), en richt het platte deel naar het omhulsel. Plaats de hendel voor de lediging (afb. 9.S) in de zitting, en monteer de blokkeerschroef (afb. 9.T) en de relatieve moer (afb. 9.U).
- Voor modellen TS-TX-TH Voltooi de montage van de zak volgens de aanwijzingen in het instructieboekje dat bij het component wordt geleverd.
Positioneer de as van de hendels (afb. 10.A) in de gleuf van de twee plaatjes (afb. 10.B) en bevestig ze in de houders van de opvangzak (afb. 10.C), door de bijgeleverde schroeven en moeren (afb. 10.D) te gebruiken, in de sequentie die is aangeduid op de afbeelding. Sluit het uiteinde van de stang (afb. 10.E) van de zuiger voor de stijging aan op de hendel (afb. 10.F) met behulp van de pen (afb. 10.G), en monteer de twee veerringen (afb. 10.H). Voordat de zak op de houders wordt gemonteerd, moet gecontroleerd worden of de beweging van de hendels voor de kanteling niet wordt belemmerd.
DE SNIJ-INRICHTINGEN (INDIEN VOORZIEN) Monteer de beschermingen (afb. 11.A) met behulp van de bijgeleverde schroeven (afb. 11.B) en moeren (afb. 11.C), volgens de aanduidingen voor elk type van machine.
de binnenkant van de zijdelingse aaatdeector (afb. 12.A), door het uiteinde (afb. 12.B.1) in de opening te voeren en te draaien zodat zowel de veer (afb. 12.B) als het uiteinde (afb. 12.B.2) goed in hun respectieve zittingen rusten.
2. Positioneer de zijdelingse aaatdeector
(afb. 12.A) ter hoogte van de houders (afb. 12.C) van de snijgroep, en gebruik een schroevendraaier om het tweede uiteinde (afb. 12.B.2) van de veer (afb. 12.B) te draaien zodat deze aan de buitenzijde van de zijdelingse aaatdeector wordt gesteld.NL - 10
3. Steek de pin (afb. 12.D) in de gaten
van de houders (afb. 12.C) en van de zijdelingse aaatdeector, doorheen de windingen van de veer (afb. 12.B) tot het open uiteinde ervan helemaal uit de meest interne houder komt.
4. Steek de stift (afb. 12.E) in de
opening(afb. Do.1) van de pin (afb. 12.D) en verdraai de pin zodat de twee uiteinden (afb. 12.E.1) van de stift (met behulp van een tang), geplooid worden, zodat de stift niet los kan komen en zo de pin kan doen vrijkomen (afb. 12.D). Waak erover dat de veer op correcte wijze werkt en de zijdelingse aflaatdeflector stabiel op zijn plaats houdt in de lage stand, en zorg ervoor dat de pin goed geplaatst is en niet per ongeluk naar buiten kan steken. BELANGRIJK Voor de modellen met mogelijkheid tot zijdelingse aaat: controleer dat de bescherming van de zijdelingse aaat (afb. 21.A) laag is gesteld en wordt geblokkeerd door de veiligheidshendel (afb. 21.B). BELANGRIJK Voordat de demontage of het onderhoud van de deector wordt uitgevoerd, moet de veiligheidshendel (g. 21.B) geduwd worden en moet de bescherming van de zijdelingse aaat (g. 21.A) hoog gesteld worden om de demontage ervan toe te staan. OPMERKING Voor de demontage van de deector moeten de handelingen van de montage in de omgekeerde volgorde uitgevoerd worden.
Met dit pedaal wordt de wielaandrijving ingeschakeld en wordt de snelheid van de machine vooruit geregeld (afb. 13.B, 14.B):
1. Voorwaartse versnelling
Door de druk op het pedaal te verhogen, neemt de snelheid van de machine geleidelijk toe.
2. Vrije stand Als het pedaal wordt
losgelaten komt het automatisch weer in de vrije stand terug. OPMERKING De conditie van “Vrijstand” wordt gesignaleerd door het oplichten van de controlelamp (afb. 16.F). OPMERKING Als het pedaal wordt geactiveerd wanneer de handrem (afb. 13.D) is ingeschakeld, wordt de motor stilgelegd.
5.3 PEDAAL ACHTERUITVERSNELLING
Met dit pedaal wordt de aandrijving in de achteruitversnelling geactiveerd, en wordt de snelheid van de machine geregeld (afb. 13.C, 14.C):
1. Achteruitversnelling Door de
druk op het pedaal te verhogen, neemt de snelheid van de machine geleidelijk toe. Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.
2. Vrije stand Als het pedaal wordt
losgelaten komt het automatisch weer in de vrije stand terug. OPMERKING De conditie van “Vrijstand” wordt gesignaleerd door het oplichten van de controlelamp (afb. 16.F). OPMERKING Als het pedaal wordt geactiveerd wanneer de handrem (afb. 15.D) is ingeschakeld, wordt de motor stilgelegd.
5.4 BEDIENING ONTGRENDELING
HYDROSTATISCHE TRANSMISSIE Deze bediening heeft twee posities, aangeduid door een plaat (afb. 13.Do, 14.D):
1. Aandrijving ingeschakeld:
voor alle gebruikscondities, in bedrijf en tijdens het maaien..NL - 11
2. Aandrijving uitgeschakeld:
de vereiste inspanning voor de handmatige verplaatsing van de machine met uitgeschakelde motor wordt zo danig verminderd. Om schade aan de transmissiegroep te vermijden, mag deze handeling enkel uitgevoerd worden wanneer de motor is stilgelegd, met de pedalen (afb. 13.B, 13.C, 14.B, 14.C) in de vrijstand.
De verplaatsing van de machine kan gemakkelijk enkel achteruit uitgevoerd worden, ook al is de achterste transmissie ontgrendeld.
De sleutel activeert/deactiveert de inschakeling van de machine Hij heeft drie standen (afb. 15.A):
1. Stand Stop De machine wordt
onmiddellijk uitgeschakeld.
2. Stand Draaien Alle services actief.
3. Stand Start Schakelt de startmotor in
en de machine wordt opgestart. Zodra de sleutel, vanuit de stand opstarten, losgelaten wordt, komt deze vanzelf weer in de stand Draaien terug.
Stelt het aantal toeren van de motor af. Afhankelijk van het motortype, kan de bediening van het gaspedaal als volgt zijn:
opstarten (indien voorzien) Wordt gebruikt voor de inschakeling bij koude motor. De stand "CHOKE" zorgt voor een verrijking van de mengeling en mag enkel gedurende de strikt benodigde tijd gebruikt worden.
motor. Dit dient steeds gebruikt te worden voor het opstarten van de motor, tijdens de werking en tijdens het maaien van het gras.
gebruiken wanneer de motor warm genoeg is tijdens de parkeerfasen. Tijdens het rijden dient er een stand tussen «schildpad» en «haas» gekozen te worden. Sommige modellen zijn voorzien van een systeem dat automatisch de positie van de choke in de carburator controleert tijdens de inschakeling van de motor en de verwarming.
De handrem voorkomt dat de machine gaat rijden na het parkeren. De hendel heeft twee standen (afb. 15.D):
1. Rem uitgeschakeld. Om de handrem
uit te schakelen, moet het pedaal (afb. 13.A, 14.A) ingedrukt worden. De hendel keert terug naar de stand voor uitgeschakelde handrem.
2. inrichtingen uitgeschakeld.
Wanneer de snij-inrichtingen worden ontkoppeld, wordt tegelijkertijd een rem geactiveerd die de rotatie ervan binnen enkele seconden stopt. De conditie van “snij- inrichtingen gekoppeld” wordt gesignaleerd door het oplichten van de controlelamp (afb. 16.A). Het inschakelen van de messen zonder het in acht nemen van de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen veroorzaakt het afslaan van de motor die niet meer kan worden aangezet (zie par. 6.2.2)
- Bediening met hendel Met deze hendel kan de snijgroep hoog en laag gesteld worden, op 7 verschillende maaihoogtes (afb. 15.H). De zeven standen zijn aangegeven van «1» t/m «7» op het relatieve plaatje, en stemmen overeen met dezelfde aantal maaihoogtes tussen 3 en 9 cm. Om over te gaan van de ene stand naar de andere, moet op de ontgrendelingsknop op het uiteinde gedrukt worden.
- Bediening met hendel en knop Gebruik de hendel (afb. 15.H) voor het hoog- en laagstellen van de snijgroep.
Snijgroep hoog gesteld.
Snijgroep laag gesteld Met de knop (afb. 15.I) kan de snijgroep op 9 verschillende hoogtes gepositioneerd worden, tussen 2 en 10 cm.
stand «B» wordt geplaatst, wordt de snijgroep automatisch op de vooraf bepaalde hoogte gepositioneerd. OPMERKING Plaats de hendel (afb. 15.H) op stand «A» tijdens de verplaatsing en het transport.NL - 13
Met deze inrichting kan de gewenste snelheid vooruit gehandhaafd worden, zonder dat het pedaal moet ingedrukt worden (afb. 13.B, 14.B). De paddenstoelbediening heeft twee standen:
1. Ingedrukt. Inrichting
uitgeschakeld (niet actief)
2. Uitgetrokken. Inrichting
ingeschakeld (actief)
- Wanneer de inrichting wordt ingeschakeld terwijl vooruit wordt gereden, handhaaft de machine de snelheid die op dat ogenblik is bereikt, zonder dat het pedaal moet ingedrukt worden (afb. 13.B, 14.B).
- In de achteruitversnelling van de inrichting niet ingeschakeld worden.
- Wanneer de inrichting is ingeschakeld, is het niet mogelijk om het pedaal van de achteruitversnelling te activeren (afb. 13.C, 14.C). OPMERKING Tijdens hellingen of afdalingen kan de snelheid variëren ten opzichte van diegene die is ingesteld op een vlak terrein. Om de inrichting uit te schakelen en de bediening van de voortbewegingssnelheid te resetten met het pedaal (afb. 13.B, 14.B) moet als volgt gehandeld worden:
- druk het rempedaal in (afb. 13.A, 14.A). In beide gevallen keert de paddenstoelbediening automatisch terug naar de stand «Ingedrukt». BELANGRIJK Gebruik de paddenstoelbediening absoluut niet om de inrichting uit te schakelen.
5.13 TELLER (INDIEN VOORZIEN)
De teller (afb. 15.K) wordt geactiveerd elke keer dat de sleutel (afb. 15.A) op «START» wordt gedraaid. Hij duidt het aantal bedrijfsuren van de motor aan.
5.14 HULPAANSLUITING
VOOR ACCESSOIRES Staat de aansluiting toe van elektrische apparatuur met voeding 12 Volt in gelijkstroom, met maximum vermogen van 50 Watt, voorzien van een geschikte stekker (type voor auto) (afb. 15.M). – De aansluiting is onder spanning gesteld wanneer de sleutel (afb. 15.A) op «START» is gedraaid.
5.15 BEDIENING KANTELING OPVANGZAK
- Handmatige bediening De kanteling van de opvangzak om deze leeg te maken, gebeurt met de hendel (afb. 15.L), die uit zijn zitting kan verwijderd worden.
- Elektrische bediening De kanteling van de opvangzak om deze leeg te maken, gebeurt met de knop (afb. 15.N), die moet ingedrukt gehouden worden tot de motor voor de bediening wordt stilgelegd. De opvangzak wordt opnieuw in de bedrijfsstand gesteld door de knop (afb. 15.O) ingedrukt te houden tot de veerhaak wordt gekoppeld en de motor voor de bediening wordt stilgelegd.
- Geluidssignalen Er zijn twee types geluidssignalen:
GELUIDSSIGNALEN Wanneer de sleutel op «START» wordt gedraaid, lichten alle iconen gelijktijdig en ongeveer een halve seconde lang op (met een kort geluidssignaal) wat aanduidt dat de werking correct is. de display wordt in de functie “Urenteller” gesteld. De controlelampen duiden achtereenvolgens het volgende aan: Controlelamp aan: snij-inrichtingen gekoppeld (afb. 16.A). Controlelamp aan: handrem ingeschakeld (afb. 16.B). Controlelamp aan: bediener afwezig (afb. 16.C). Eenvoudige controlelamp brandstof (afb. 16.D). Controlelamp knippert: brandstof in reserve. Controlelamp brandstof met peilmeter (afb. 16.D). De controlelamp van het brandstofpeil in de tank volgens het volgende criterium: Het brandstofpeil bevindt zich boven de helft van de inhoud van de tank. Het brandstofpeil bevindt zich ongeveer aan de helft van de inhoud van de tank. Brandstofpeil in reserve. OPMERKING De reserve is ongeveer 2 liter brandstof, waarmee ongeveer 30-40 minuten gras mee kan gemaaid worden.NL - 15 Controlelamp knippert: Storingen smering motor (afb. 16.E). Leg de motor onmiddellijk stil, controleer het oliepeil, en contacteer een erkende assistentiedienst. Controlelamp aan: De opvangzak of de achterste aaatbeveiliging ontbreekt (afb. 16.F) (enkel voor modellen met opvang achteraan). Controlelamp aan: bij draaiden motor zijn er storingen bij het opladen van de accu (afb. 16.G). Controlelamp knippert vóór de start: de accu is niet in staat om de motor te starten. Contacteer een erkende assistentiedienst (afb. 16.G). Controlelamp aan: de transmissie is in de “vrijstand” gesteld (afb. 16.H).
- Bedrijfsfuncties Druk op de knop «MODE» om de bedrijfsfuncties achtereenvolgens te bereiken. Urenteller (afb. 16.I). Duidt het totaal aantal bedrijfsuren van de motor aan. Voltmeter (afb. 16.O). Duidt de lading van de accu aan. Urenteller (afb. 16.K) Duidt het toerental van de motor aan in numerieke waarden of in een reeks sterretjes, die overeenstemmen met: Weergegeven waarde: < 1600 motor aan minimum toerental < 2500 snelheid voor verplaatsingen > 2500 snelheid om gras te maaien
snelheid voor verplaatsingen
snelheid om gras te maaien OPMERKING Het knipperen duidt aan dat het toerental van de motor niet geschikt is om gras te maaien. Klok (indien voorzien) (afb. 16.L) Duidt het uur aan in de modus 24 uur/dag. De regeling moet uitgevoerd worden met de sleutel op «START», bij stilgelegde motor, door de volgende procedure te volgen:
- Druk meerdere malen op de toets «MODE» tot de icoon van de klok wordt weergegeven.
- Houd de toets «MODE» ingedrukt tot de eerste twee cijfers (uur) beginnen te knipperen.
- Druk op een van de zijdelingse toetsen (afb. 16.K,L) om de waarde met één eenheid te vergroten of te verkleinen.
- Druk op de toets «MODE» tot de andere twee cijfers (minuten) beginnen te knipperen.
- Druk op één van de twee zijdelingse toetsen om de waarden met één eenheid te vergroten of de verkleinen.
- Druk op de toets «MODE» om de instelling af te sluiten. OPMERKING De klok wordt gevoed door een buerbatterij; wanneer deze batterij leeg gaat, moet een erkende assistentiedienst gecontacteerd worden.
- Geluidssignalen Er zijn twee types geluidssignalen:
GELUIDSSIGNALEN Wanneer de sleutel op «START» wordt gedraaid, lichten alle iconen gelijktijdig en ongeveer een halve seconde lang op (met een kort geluidssignaal) wat aanduidt dat de werking correct is. De iconen duiden achtereenvolgens het volgende aan: Icoon aan: snij-inrichtingen gekoppeld (afb. 16.A).NL - 16 Icoon aan: handrem ingeschakeld (afb. 16.B). Controlelamp aan: bediener afwezig (afb. 16.C). Icoon brandstof met peilmeter (afb. 16.D). De icoon van het brandstofpeil in de tank volgens het volgende criterium: Het brandstofpeil bevindt zich boven de helft van de inhoud van de tank. Het brandstofpeil bevindt zich ongeveer aan de helft van de inhoud van de tank. Brandstofpeil in reserve. OPMERKING De reserve is ongeveer 2 liter brandstof, waarmee ongeveer 30-40 minuten gras mee kan gemaaid worden. Icoon aan: Storingen smering motor (afb. 16.E). Leg de motor onmiddellijk stil, controleer het oliepeil, en contacteer een erkende assistentiedienst. Icoon aan: De opvangzak of de achterste aaatbeveiliging ontbreekt (afb. 16.F) (enkel voor modellen met opvang achteraan). Icoon aan: De opvangzak is vol, en moet dus leeggemaakt worden (afb. 16.F) (enkel voor modellen met opvang achteraan). Icoon batterij met niveaumeter (afb. 16.D). Icoon aan: De batterij is opgeladen. Icoon aan: Het spanningsniveau van de accu is optimaal. Icoon aan bij stilgelegde motor: Duidt aan dat de accu moet opgeladen worden Icoon aan bij draaiende motor: Duidt storingen aan bij het opladen van de accu. Icoon knippert: De accu is niet in staat om de motor te starten, contacteer dus een erkende assistentiedienst. Icoon aan: de transmissie is in de “vrijstand” gesteld (afb. 16.H). Urenteller (afb. 16.I). Duidt het totaal aantal bedrijfsuren van de motor aan. Koplampen (afb. 16.P). Icoon aan: Duidt aan dat de koplampen zijn ingeschakeld. Onderhoud noodzakelijk (afb. 16.Q). Icoon aan: Indicator van het periodieke onderhoud. De onderhoudshandelingen die uitgevoerd moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 13. De icoon licht elke 50 uur op, en blijft 1 uur aan. Groene zone (afb. 16.R). Het toerental van de motor is geschikt om het gras optimaal te maaien.
- Geluidssignalen Er zijn twee types geluidssignalen:
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen.
1. plaats de machine horizontaal op het terrein;
2. voorzie de machine in de modaliteit
die het meest geschikt is voor de uit te voeren werkzaamheden (par. 6.1.4);NL - 17
6.1.1 Olie en benzine bijvullen
BELANGRIJK De machine wordt zonder motorolie en brandstof geleverd. Vooraleer de machine te gebruiken, moet men de aanwezigheid van brandstof en het oliepeil controleren (par. 7.2, par. 7.3). Voor de werkwijzen en de voorzorgsmaatregelen voor het bijvullenent van brandstof en olie (zie par. 7.2, par. 7.3) en het instructieboekje van de motor.
6.1.2 Verstelling van de stoel
De stoel kan versteld worden in zes verschillende standen. Voor de regeling moet de hendel (afb. 17.A) hoog gesteld worden en moet de stoel verschoven worden; blokkeer hem wanneer de gewenste stand wordt bereikt.
6.1.3 Druk van de banden
Een juiste bandenspanning is noodzakelijk om de snijgroep geheel evenredig boven het grasoppervlakte te krijgen, zodat u een mooi maaibeeld krijgt.
1. Draai de beschermende dopjes los.
2. Sluit de kleppen aan op een persluchttoevoer
voorzien van een drukmeter (afb. 18)
3. Regel de druk op de waarden aangegeven
in de tabel "Technische Gegevens".
6.1.4 Voorbereiding van de
machine voor het werk OPMERKING Met deze machine kan men het gras op verschillende wijzen maaien; vooraleer het werk aan te vangen, raadt men aan de machine af te stellen al naargelang de wijze waarop men het gras wil maaien. a. Voorbereiding voor het maaien en opvangen van het gras in de opvangzak (enkel voor modellen met opvang achteraan) – Bevestig de opvangzak (afb. 19.A) op de houders (afb. 19.B) en centreer hem ten opzichte van de achterste plaat door de twee referenties te doen overeenstemmen (afb. 19.B). – Zorg dat de onderste pijp van de opvangzakmonding zich vast haakt aan de daarvoor bestemde veerhaak (afb. 19.C). – Indien de koppeling moeilijk of te slap zou zijn, moet de borgveer geregeld worden (zie 8.9). b. Voorbereiding voor het maaien en de aaat achteraan van het gras op de grond (enkel voor modellen met opvang achteraan) – Indien men wenst te werken zonder de opvangzak, is er, op aanvraag, een kit voor de achterste aaatbeveiliging (afb. 20; hfdst. 15.7) leverbaar die, zoals aangegeven in de bijbehorende instructies, op de achterplaat bevestigd dient te worden. c. Voorbereiding voor het maaien en jnmalen van het gras – Indien men het gras wil maaien, zeer jn hakken en op het gazon laten liggen, is er, op aanvraag, een kit voor "mulching" (hfdst. 15.1) beschikbaar die bevestigd moet worden zoals aangegeven is in de desbetreende instructies. Voor de modellen met zijdelingse aflaat moet gecontroleerd worden dat de versterking van de zijdelingse aflaat is gemonteerd (afb. 22.A) (indien voorzien). d. Voorbereiding voor het maaien en de zijdelingse aaat van het gras op de grond (enkel voor modellen met zijdelingse opvang) – Controleer altijd dat de interne veer van de deector (afb. 21.A) en de veiligheidshendel (afb. 21.B) correct werken, door ze stabiel in de lage stand te houden. – Indien hoog of nat gras moet gemaaid worden, wordt aanbevolen om de versterking van de zijdelingse aaat te verwijderen (afb. 22.A) (indien voorzien). – Om de versterking te verwijderen, moeten de schroeven (afb. 22.B) losgedraaid worden terwijl de zijdelingse aaatdeector hoog wordt gehouden (afb. 22.C). In geval van zijdelingse botsingen zonder gemonteerde versterking (afb. 22.A) kan het zijn dat de snijgroep wordt vervormd. Controleer dat de versterking van de zijdelingse aflaat na gebruik opnieuw wordt gemonteerd.
6.1.5 Herpositionering van de
antiscalp wielen De functie van de antiscalp wielen is het risico op scheuren in het gazon te vermijden, die veroorzaakt zouden kunnenNL - 18 worden doordat de rand van de snijgroep op onregelmatige grond sleept. Plaats de wielen zoals aangegeven (par. 7.4).
6.2 VEILIGHEIDSCONTROLES
Voer de volgende veiligheidscontroles uit en controleer of de resultaten overeenstemmen met wat aangegeven is in de tabellen. Voer steeds de veiligheidscontroles uit vooraleer de machine te gebruiken.
6.2.1 Algemene veiligheidscontrole
Object Resultaat Accu Geen schade aan het omhulsel, aan het deksel of aan de klemmen. Achterste aaatbescherming, zuigrooster Ongeschonden. Geen schade. Correct gemonteerd. Zijdelingse aaatbescherming, zuigrooster Ongeschonden Geen schade. Correct gemonteerd. Brandstofsysteem en verbindingen Geen lekken Elektrische kabels Isolatie volledig intact Geen mechanische schade. Oliecircuit Geen lekken Geen schade. Veiligheidsinrichtingen Deze werken zoals beschreven in par. 6.2.2
6.2.2 Controle van de
veiligheidsinrichtingen De veiligheidsmechanismen hebben twee functies: A. ze voorkomen de start van de motor als de veiligheidsmaatregelen niet in acht zijn genomen; B. ze stoppen de motor als er ook maar een enkel veiligheidsconditie wegvalt. Actie Resultaat
uitgeschakeld; 3. de gebruiker zit op de machine; De motor start de bediener de stoel verlaat De motor stopt Actie Resultaat de opvangzak wordt opgetild of de achterste aaatbeveiliging wordt verwijderd terwijl de snij- inrichtingen ingeschakeld zijn (enkel voor modellen met opvang achteraan) De motor stopt de handrem wordt ingeschakeld zonder de snij-inrichtingen te hebben uitgeschakeld. De motor stopt men schakelt de versnellingshendel in ofwel het pedaal met de handrem ingeschakeld De motor stopt men schakelt de achterwaartse versnelling in, met de snij-inrichtingen ingeschakeld, zonder de toets voor toelating ingedrukt te houden (par. 5.10) De motor stopt Schakel de machine aan in de vooruit- en de achteruitversnelling, en schakel de vrijstand in/ laat het aandrijfpedaal los (par. 5.2; par. 5.3) De machine vertraagt en stopt. Activeer het rempedaal (par. 5.1) De machine stopt. Rijtest Geen abnormale trillingen. Geen abnormaal geluid Indien eender welke van deze resultaten verschilt van wat aangegeven is in de tabellen, mag de machine niet gebruikt worden! Richt u tot een dienstcentrum voor de nodige controles en herstelling. BELANGRIJK Denk er altijd aan dat de beveiligingssystemen het starten van de motor beletten wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Nadat in de bovenstaande gevallen het belet tot starten is hersteld, dient de sleutel (afb. 15.A) in de stopstand gedraaid te worden voordat de motor opnieuw gestart kan worden.
- Het gazon in geen geval te maaien in de dwarsrichting ten opzichte van de helling. Maai een hellend gazon altijd van boven naar beneden en nooit in de dwarsrichting. Pas erg goed op bij het veranderen van richting en let erop niet op obstakels te stuiten (bijv. stenen, takken, wortels, enz.). Deze obstakels kunnen het zijwaarts glijden en het omkiepen van de machine veroorzaken of de macht over het stuur doen verliezen.
- Niet plotseling te stoppen of weg te rijden bij het op– of afrijden van een helling;
- Schakel de aandrijving zacht en uiterst voorzichtig in om te vermijden dat de machine zou steigeren.
- Verminder de snelheid: – vooraleer van richting te veranderen en in smalle bochten – vooraleer een hellend terrein op te rijden, vooral benedenwaarts
- Gebruik de achteruitversnelling nooit om snelheid te minderen; dit kan de macht over het stuur doen verliezen, vooral op gladde terreinen.
- Schakel altijd de handrem in voordat u de machine stilstaand en onbeheerd achterlaat.
- Rijd van afdalingen zonder het aandrijfpedaal te activeren, maar benut het remmende eect van de hydrostatische transmissie, wanneer de transmissie niet is ingeschakeld
25.A) (indien voorzien).
2. Op de bestuurdersstoel gaan zitten.
3. De aandrijving in de vrije stand
6. Plaats het versnellingscommando in de stand
voor maximaal toerental "haas" (par. 5.6).
7. Bij koud opstarten: schakel de
choke (par. 5.6) in (indien voorzien).
8. Steek de sleutelschakelaar in het contactslot
en draai deze in de «draaien» stand om het elektrische circuit in werking te stellen. Wacht 2 seconden en draai in de «starten» stand om de motor te starten.
de motor normaal draait: 10a. Schakel het commando choke uit (par. 5.6, type "II"), en plaats het versnellingscommando in het maximale toerental “haas” (indien voorzien). 10b. Schakel het commando choke uit (par. 5.6, type "I") (indien voorzien). OPMERKING Het gebruik van het commando choke bij reeds warme motor kan de bougie vervuilen en een onregelmatige werking van de motor veroorzaken.
11. Als de motor eenmaal draait, breng de
gashendel terug in de «schildpad» stand; OPMERKING Als er moeilijkheden zijn bij het starten, blijf dan niet te lang aanhouden om de accu niet uit te putten en de motor niet te verzuipen. Draai de sleutel weer in de «stop» stand, wacht enkele minuten en probeer opnieuw te starten. Indien het probleem voortduurt, raadpleeg dan hoofdstuk «14» van deze handleiding en de handleiding van de motor.
6.5.1 Vooruit rijden en verplaatsingen
Tijdens het vervoer:
- de snij-inrichtingen uitschakelen (par. 5.9);
- plaats de snijgroep op de maximale hoogte (par. 5.11);
- breng het versnellingscommando naar een tussenpositie, tussen het minimale toerental «schildpad» en het maximale toerental «haas».
- schakel de handrem uit, laat het rempedaal los (par. 5.7).
- druk het aandrijfpedaal (par. 5.2) in de richting van de “vooruitversnelling” en bereik de gewenste snelheid door de druk op het pedaal zelf en op het gaspedaal geleidelijk aan te vergroten. De inschakeling van de aandrijving moet gebeuren volgens de beschreven modi (par. 5.2) om te vermijden dat een te bruuske koppeling het steigeren en controleverlies van het voertuig kan veroorzaken, en dit vooral op hellingen.
BELANGRIJK Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.
6.5.4 Het gras maaien
Doe als volgt om met de machine te werken:
1. breng de versnellingshendel naar de
stand van het maximaal toerental ("haas"); tijdens het gebruik van de machine moet deze stand steeds gebruikt worden;
2. plaats de snijgroep op de maximale hoogte;
4. Begin geleidelijk aan en zeer
voorzichtig te rijden en te maaien, zoals eerder al werd beschreven;
5. Pas de snelheid en de maaihoogte aan (par.
5.11) aan de toestand van het gras (hoogte, densiteit en vochtigheid van het gras) en aan de hoeveelheid verwijderd gras;
6. Het uitzicht van het grasveld zal
mooier zijn als de maaibeurten altijd op dezelfde hoogte worden uitgevoerd, en afwisselend in beide richtingen (afb. 27). BELANGRIJK Om achteruit te kunnen rijden met de snij-inrichtingen ingeschakeld, moet men de toets voor toelating ingedrukt houden (par. 5.10) om te vermijden dat de motor stilvalt. Elke keer als een afname in het aantal toeren van de motor wordt waargenomen, moet men de snelheid te vertragen, denk eraan dat er nooit een mooi maaibeeld verkregen wordt als de rijsnelheid te hoog is ten opzichte van de hoeveelheid gras. Schakel de snij-inrichtingen uit en breng de snijgroep naar de hoogste stand. – Tijdens verplaatsingen tussen werkzones – Bij het oversteken van oppervlaktes zonder gras. – Elke keer wanneer men een hindernis moet overkomen.
6.5.5 Tips om altijd een mooi
- Voor een mooi, groen en zacht gazon is het nodig dat het gras regelmatig gemaaid wordt. Het gazon kan van verschillende soorten gras zijn. Bij regelmatige maaibeurten, groeit het gras sneller, waardoor meer wortelgroei ontstaat en een mooi dicht gazon bekomen wordt; indien minder vaak gemaaid wordt, wordt ook de groei van hoog en wild gras bevorderd (klaver, margrieten, enz.) De maaifrequentie wordt bepaald aan de hand van de groei van het gras, waarbij vermeden moet worden dat het gras te hoog wordt.
- De optimale hoogte van het gras van een goed verzorgd gazon bedraagt ongeveer 4-5 cm en met een enkele maaibeurt wordt het best niet meer dan een derde van de volledig lengte gemaaid. Als het gras erg hoog is, raden wij aan om het gazon, met tussenpoos van één dag, in twee keer te maaien, de eerste keer met de snijgroep op de maximale hoogte, en de twee keer met de snijgroep op de gewenste hoogte (afb. 26).
- Een te lage maaihoogte kan het grasveld schaden, zodat “vlekken” kunnen gevormd worden.
- In de warmste en droogste tijden van het jaar is het beter om het gras iets hoger te laten worden zodat het gazon niet uitdroogt.
- Het is beter het gras te maaien als het gazon goed droog is. Maai het gras niet wanneer het nog nat is; dit kan de doeltreendheid van het draaisysteem verminderen omdat het gras zou blijven kleven en het gras dus zou kunnen weggerukt worden.
- De snij-inrichtingen dienen geen gebreken te vertonen en goed scherp te zijn, zodat het gras op de juiste manier wordt afgesneden zonder uitgerukt te worden. Dit kan namelijk tot vergeling van de punten leiden.
- De motor dient op volle toeren te draaien om zowel het gras op de juiste manier af te snijden als een goede afvoer van het gras naar het uitwerpkanaal te verkrijgen.
- Als het uitwerpkanaal telkens met gras verstopt, is het beter om de snelheid te vertragen zodat het maaien niet te snel gebeurt ten opzichte van de toestand van het gazon; mocht het probleem aanhouden dan kan het ook zijn dat de snij- inrichtingen niet goed geslepen zijn of dat het proel van de vleugels vervormd is.
- Pas erg goed op bij het maaien langs struiken en boorden. Deze kunnen de stand van de snijgroep ontregelen en de zijkant van de snijgroep en de snij-inrichtingen beschadigen.NL - 21
6.5.6 Lediging van de opvangzak (indien
voorzien, enkel voor modellen met opvang achteraan) OPMERKING Het legen van de opvangzak kan alléén worden uitgevoerd als de messen uitgeschakeld zijn; is dit niet het geval dan slaat de motor af.
- Zorg dat de opvangzak niet te vol raakt om verstopping van het uitwerpkanaal te voorkomen.
- Een geluidssignaal geeft aan dat de opvangzak vol is:
1. de snij-inrichtingen uitschakelen
(par. 5.9) en het signaal stopt;
2. plaats het versnellingscommando in de
stand voor minimaal toerental "schildpad";
6. sluit de opvangzak zodat dat hij wordt
6. als de zak helemaal is leeggemaakt,
moet de knop ingedrukt gehouden worden (afb. 28.D) tot de opvangzak helemaal is gedaald, en controleer dat hij bevestigd blijft aan de veerhaak (afb. 28.B). OPMERKING Het kan zijn, nadat de zak is leeggemaakt, dat het geluidssignaal opnieuw wordt geactiveerd wanneer de snijgroep wordt gekoppeld omdat er gras achterbleef op de microschakelaar; in dit geval moet de snijgroep ontkoppeld worden en onmiddellijk opnieuw gekoppeld worden om het geluidssignaal uit te schakelen. Houd de taster (afb. 28.E) altijd schoon.
6.5.7 Reiniging van het uitwerpkanaal
(enkel voor modellen met opvang achteraan)
- In geval van hoog en nat gras gecombineerd met een te hoge snelheid kan er zich een verstopping van het uitwerpkanaal voordoen. In geval van verstopping dient men in acht te nemen wat beschreven is in hoofdstuk 7.6.2.
6.5.8 Einde van het maaien
1. de snij-inrichtingen uitschakelen;
snijgroep in de hoogste stand.
1. plaats het versnellingscommando in de
stand voor minimaal toerental "schildpad"; Om een ontplong in de knalpot te vermijden dient u de gashendel, 20 seconden voordat u de motor afzet, in de stand «schildpad» te laten.
2. de motor uitschakelen door de
sleutel in de stop-stand te zetten;
3. wanneer de motor uitgeschakeld
is, de brandstofkraan (afb. 25.A) openen (indien voorzien);
4. de sleutel verwijderen
BELANGRIJK Om de lading van de accu in stand te houden, wordt de sleutel niet in de stand «draaien» of «koplampen aan» gelaten wanneer de motor niet aanstaat. De motor kan onmiddellijk na het uitschakelen zeer warm zijn. Raak de knalpot of de delen ernaast niet aan. Gevaar op brandwonden.
3. Controleer dat geen geloste of
beschadigde delen aanwezig zijn. Vervang indien noodzakelijk de beschadigde componenten en draai eventueel geloste bouten en schroeven vast, of contacteer een erkende assistentiedienst. BELANGRIJK – Stel de snijgroep laag; – zet de machine in de vrijstand; – trek de handrem aan; – leg de motor stilNL - 22 – verwijder de contactsleutel (controleer dat alle bewegende delen volledig stilstaan):
- elke keer wanneer men de machine onbewaakt laat, de bestuurdersplaats verlaat: of de machine parkeert.
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Vooraleer eender welke controle, reiniging of ingreep voor onderhoud/ afstelling op de machine uit te voeren:
- ontkoppel de snijgroep;
- zet de machine in de vrijstand;
- trek de handrem aan.
- schakel de motor uit;
- verwijder de sleutel, (laat de sleutel nooit op de machine zitten, of laat deze niet binnen het bereik van kinderen of niet geschikte personen);
- verzeker U ervan dat alle bewegende delen volledig stilstaan;
- lees de desbetreende instructies;
- Draag geschikte kledij, werkhandschoenen en een beschermende bril.
- De frequenties en de soorten ingrepen zijn samengevat in de "Tabel Onderhoud". Het doel van de tabel is om uw machine een optimale conditie te laten behouden. Hierin staan de voornaamste ingrepen en de tijden waarop ze uitgevoerd moeten worden. Voer de desbetreende handeling uit in functie van de eerstkomende vervaldatum.
7.2 BRANDSTOF BIJVULLEN / LEDIGING
BRANDSTOFRESERVOIR BELANGRIJK Volg alle voorschriften aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor. Het type van brandstof dat moet gebruikt worden, is aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor.
Om brandstof bij te vullen:
1. Draai de brandstofdop los, en
verwijder hem (afb. 30).
2. Plaats de trechter (afb. 30).
3. Vul brandstof bij zonder het
reservoir volledig te vullen.
4. Verwijder de trechter.
5. Schroef de dop van het brandstofreservoir
na het bijvullen goed dicht en reinig eventuele lekken. BELANGRIJK Vermijd benzine op de plastic gedeelten te gieten zodanig dat ze niet beschadigd worden; bij toevallige lekken onmiddellijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen van de carrosserie of de motor, veroorzaakt door benzine.
7.2.2 Lediging reservoir
OPMERKING Benzine is onderhevig aan bederf en mag niet langer dan 30 dagen in het reservoir blijven. Alvorens de machine gedurende een lange periode te stallen (hfdstk. 9), dient men het reservoir van de brandstof te ledigen. Laat de motor afkoelen alvorens het reservoir van de brandstof te ledigen.
1. Plaats de machine op een vlakke
oppervlakte, in de open lucht.
2. Plaats een opvanghouder ter
5. Vang de brandstof op in een
7. Sluit de brandstofkraan (indien voorzien).
Controleer, voordat er opnieuw met de machine gewerkt wordt, of er uit de slang, de benzinekraan en de carburateur geen benzine lekt.
7.3 CONTROLE, BIJVULLEN,
AFLATEN MOTOROLIE BELANGRIJK Volg alle voorschriften aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor. Het type van olie dat moet gebruikt worden, is aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor.
7.3.1 Controle / bijvullen
Controleer het oliepeil vòòr ieder gebruik.NL - 23 Procedure:
- Stel de machine op een vlakke ondergrond voor de controle.
- Controleer het oliepeil van de motor: volgens de precieze werkwijzen aangegeven in de handleiding van de motor, moet dit tussen de kentekens MIN en MAX van het staafje zijn (Afb. 32). Vul niet teveel olie bij, dit zou kunnen leiden tot oververhitting van de motor. Indien het peil over het niveau "MAX" komt, moet men het juiste peil herstellen.
Om de correcte werking en de duurzaamheid van de machine te garanderen, moet de motorolie regelmatig ververst worden aan de intervallen die zijn aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor zelf. De motorolie kan zeer heet zijn indien ze onmiddellijk na het uitschakelen van de motor verwijderd wordt. Laat daarom de motor enkele minuten afkoelen alvorens de olie te verwijderen. Vervang de motorolie volgens de frequenties aangegeven in de handleiding van de motor. Ga als volgt te werk:
1. Plaats de machine op een
2. Plaats een opvanghouder ter hoogte
4. Vang de olie op in de houder.
5. Hermonteer de aaatdop (afb. 33 B)
en let erop dat de interne dichting goed geplaatst is (afb. 33.C).
6. Klem de dop goed aan, terwijl u de
1. Plaats de machine op een
2. Plaats een opvanghouder ter hoogte
van de houder (afb. 33.E) en gebruik een klem om de klemring (afb. 33.F) iets te lossen zodat de afvoerdop kan verwijderd worden (afb. 33.G).
4. Buig de verlengpijp, en laat de olie
uitstromen in een geschikte bak
5. Hermonteer de dop (afb. 33.G) en
koppel de verlengpijp (afb. 33.D) opnieuw op de houder (afb. 33.E) voordat olie wordt toegevoegd.
1. Plaats de machine op een
2. Een opvangbak onder de
5. De verlengpijp verbuigen en de olie
vasthaken aan de steun (afb. 33.C) voordat u de olie weer bijvult.
7. Reinig eventuele olielekken.
BELANGRIJK Dien de olie in voor verwerking volgens de plaatselijke normen.
7.4 ANTISCALP WIELEN
Dankzij de verschillende montageposities van de wieltjes kan een veiligheidsruimte “H” gehandhaafd worden tussen de rand van de snijgroep en het terrein (afb. 23.A). Regel de positie van de antiscalp wielen naar gelang de oneenheid van de grond. Deze werkzaamheid moet steeds op beide wieltjes uitgevoerd worden, die op dezelfde hoogte geplaatst moeten worden, BIJ UITGESCHAKELDE MOTOR EN SNIJ-INRICHTINGEN. Om de positie te veranderen:
1. Koppel de aanslagplaat (afb. 23.B) los
met behulp van een schroevendraaier, en verwijder de pen (afb. 23.C) met de veer (afb. 23.D).
2. Plaats het wieltje (afb. 23.A)
opnieuw in de gewenste standNL - 24
3. Hermonteer de pen (afb. 23.C), de veer
(afb. 23.D) en de aanslagplaat (afb. 23.B) in de aangeduide volgorde, en zorg er voor dat de kop van de pen (afb. 23.C) naar de binnenzijde van de machine is gericht
Het is fundamenteel om de accu zorgvuldig te onderhouden voor een duurzaam bestaan. De accu van uw machine dient steeds te worden opgeladen:
- bij het eerste gebruik na de aankoop van de machine;
- alvorens elke langdurige periode van inactiviteit (meer dan 30 dagen) (par. 9);
- vóór de machine na een lange periode van stilstand opnieuw in gebruik te nemen. Lees met aandacht de oplaadprocedures die in de handleiding van de accu staan en volg ze op. Als deze procedures niet in acht worden genomen of als de accu niet wordt opgeladen, kan er zich onherstelbare schade voordoen aan de elementen van de accu. Een lege accu moet zo snel mogelijk opgeladen te worden. BELANGRIJK Het opladen dient uitgevoerd te worden met gelijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen kunnen de accu op een onherstelbare manier beschadigen.
- De machine is uitgerust met een connector (afb. 34.A) voor het opladen, die aangesloten moet worden op de overeenstemmende connector van de speciale acculader van behoud in dotatie (indien voorzien) of beschikbaar op aanvraag (par. 15.2). BELANGRIJK Deze connector mag uitsluitend gebruikt worden voor de aansluiting op de acculader van behoud die voorzien is door de Fabrikant. Voor zijn gebruik: – de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in de desbetreende gebruiksinstructies; – de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in het instructieboekje van de accu;
Reinig de machine na ieder gebruik volgens de volgende aanwijzingen.
7.6.1 Reiniging van de machine
- Reinig de buitenkant van de machine door met een vochtige spons en schoonmaakmiddel over de delen in kunststof van de machine te gaan. Let er op dat de motor, de elektrische onderdelen en de elektronische kaart onder het dashboard niet nat worden.
- Om brandgevaar zoveel mogelijk te beperken dienen de motor, de geluiddemper van de uitlaat en de accubak vrij gehouden te worden van gras, bladeren of teveel vet. BELANGRIJK Gebruik in geen geval hogedrukreinigers of bijtende middelen voor het reinigen van de carrosserie en de motor!
7.6.2 Reiniging van het uitwerpkanaal
(enkel voor modellen met opvang achteraan) Als de uitwerpkanaal verstopt is, als volgt te werk gaan:
1. de opvangzak of de achterste
aaatbeveiliging verwijderen ;
2. het opgehoopte gras bij de uitmonding
van het uitwerpkanaal verwijderen .
7.6.3 Reiniging van de zak (enkel voor
modellen met opvang achteraan)
binnenkant van de snijgroep reinigen (par.
7.6.4-a); vervolgens moet men de zak
verwijderen, ledigen, spoelen en zodanig ophangen dat hij snel kan drogen.
7.6.4 Reiniging van de snijgroep
Verwijder tijdens het schoonmaken van de snijgroep mensen en dieren uit het omliggende gebied. a. Reiniging van de binnenkant Verwijder grasresten en modder van de snijgroep. Anders, als deze opdrogen, kan het zijn dat de machine vervolgens moeilijk start. Het reinigen van de binnenkant van de snijgroep en het uitwerpkanaal dient, onder de volgende condities, op een harde ondergrond te gebeuren: – wanneer de opvangzak of de achterste aaatbescherming gemonteerd zijn (enkel voor modellen met opvang achteraan); – zijdelingse aaatdeector gemonteerd (enkel voor modellen met zijdelingse aaat); – de gebruiker zit op de machine; – zet de snijgroep in stand «1»; – de motor draait – de koppeling staat in de vrije stand – de snij-inrichtingen zijn ingeschakeldNL - 25
- Sluit afwisselend een waterleiding aan op de specieke verbindingen (afb. 35.A), laat het water enkele minuten in elke leiding stromen, met de snijgroep in beweging. BELANGRIJK Om de goede werking van de elektromagnetische koppeling niet te compromitteren, dient men: - te vermijden dat de koppeling in aanraking komt met olie; - geen hogedruk-waterstralen direct op de groep van de koppeling richten; - de koppeling nooit met benzine te reinigen. b. Reiniging van de buitenkant Op de bovenkant van de snijgroep mogen zich geen afval en droge grasresten ophopen om de doeltreffendheid en de veiligheid van de machine op maximaal niveau te houden. Voor de reiniging van de bovenkant van de snijgroep:
- de snijgroep helemaal omlaag zetten (stand «1»);
- blaas een persluchtstraal via de openingen van de rechter en linker bescherming (afb. 36).
- Houd de schroeven en moeren goed vastgedraaid, om er zeker van te zijn dat de machine altijd veilig werkt
Men dient onmiddellijk de Verkoper of een gespecialiseerd Centrum te contacteren indien men onregelmatigheden aantreft in de werking: - van de rem - bij het inschakelen en stoppen van de snij-inrichtingen - van de inschakeling van de aandrijving vooruit of achteruit.
8.2.1 Uitlijning snijgroep
Een correcte afstelling van de snijgroep is belangrijk om een mooi gelijkmatig gemaaid gazon te verkrijgen (afb. 37). Als het gras onregelmatig gemaaid wordt, de bandenspanning nakijken (par. 6.1.3). Indien dat niet voldoende is voor een eenvormig gazon, neem dan contact op met uw verkoper voor de afstelling van de uitlijning van de snijgroep.
8.2.2 Verwijder grasresten en modder
van de snijgroep. Anders, als deze opdrogen, kan het zijn dat de machine vervolgens moeilijk start. Een botte snij-inrichting rukt het gras uit een veroorzaakt de vergeling van het gazon. Alle handelingen die betrekking hebben op de snij-inrichtingen (demontage, slijpen, in balans brengen, herstelling, hermontage en/of vervanging) vergen een specifieke vaardigheid en het gebruik van geschikt gereedschap; uit veiligheidsoverwegingen moeten deze handelingen daarom steeds uitgevoerd worden in een Gespecialiseerd centrum. Laat de beschadigde, vervormde of versleten snijgroep altijd vervangen samen met de schroeven, zodat de balancering wordt gehandhaafd. BELANGRIJK Alle snijgroepen moeten tegelijkertijd vervangen worden, en vooral in geval van gevoelige verschillen van de slijtage. BELANGRIJK Gebruik steeds originele snij-inrichtingen, met de code aangegeven in de tabel "Technische Gegevens". Gezien de ontwikkeling van het product, kunnen de snij-inrichtingen aangegeven in de "Technische Gegevens" in de loop van de tijd vervangen worden door andere, met soortgelijke eigenschappen voor wat betreft verwisselbaarheid en functionele veiligheid.NL - 26
8.3.1 Voorafgaande werkzaamheden
BELANGRIJK Gebruik een geschikt hefmiddel, bijvoorbeeld een schaarkrik. Vooraleer de wielen te vervangen, moet men de volgende werkzaamheden uitvoeren:
- Verwijder alle toebehoren.
- Plaats de machine op een stevige en vlakke oppervlakte, die de stabiliteit van de machine garandeert.
- De sleutel verwijderen ;
- Plaats de krik op het hefpunt nabij het wiel dat vervangen moet worden (par. 8.3.2; par. 8.3.3).
- Controleer of de krik perfect loodrecht op het terrein staat.
8.3.2 Keuze en plaatsing van de
krik op de achterwielen Plaats houten wiggen (afb. 38.A) aan de basis van de wielen (afb. 38.B), aan de kant van het wiel dat vervangen moet worden (afb. 38.C). Voor modellen met opvang achteraan:
- De maximale hoogte van de gesloten krik is 110mm. (afb. 39).
- Plaats de krik onder het achterste plaatje (afb. 40.A), op 180 mm. van de zijdelingse boord. Voor modellen met zijdelingse aaat:
- De maximale hoogte van de gesloten krik is 110mm. (afb. 41).
- Plaats de krik onder de achterste as, op het op de afbeelding aangegeven punt (afb. 42.A) OPMERKING Wanneer de krik geplaatst is zoals beschreven in deze paragraaf, is het mogelijk enkel het wiel dat moet vervangen worden, op te tillen.
8.3.3 Keuze en plaatsing van de
krik op de voorwielen
gesloten krik is 110mm. OPMERKING De keuze van de positie van de krik moet uitgevoerd worden op basis van het type van machine.
3. Positioneer de krik onder het voorste deel
van de machine in punt (afb. 44.A, 45.A, 46.A) zoals is aangeduid op de afbeelding. OPMERKING de krik moet in het vlakke deel van de houder geplaatst worden (afb. 44.B, 45.B). OPMERKING de krik moet in het centrale deel van de houder geplaatst worden (afb. 46.B, .B).
8.3.4 Vervanging van het wiel
BELANGRIJK Verzeker u ervan dat de machine stabiel en stil blijft staan tijdens het optillen. Indien men iets vreemds merkt, moet men de krik onmiddellijk omlaag brengen, controleren en eventuele problemen oplossen en vervolgens de krik opnieuw optillen.
1. Verwijder de bedekking (afb. 47.A)
voordat de machine wordt opgetild.
2. Til de krik voldoende op om het wiel
gemakkelijk te kunnen verwijderen.
3. Verwijder, met behulp van een
schroevendraaier, de veerring (afb. 47.B) en de drukring (afb. 47.C.).
4. Verwijder het wiel dat
vervangen moet worden.
7. Plaats de drukring en de veerring
zorgvuldig weer op hun plaats.
8. Laat het wiel op de grond steunen, en
hermonteer de bedekking (afb. 47.A). BELANGRIJK Controleer of de achterste wielen op dezelfde hoogte staan (afb. 48.A) en het verschil tussen de externe diameters tussen de twee wielen (afb. 48.B) niet meer is dan 8-10 mm. Indien dit wel zo is, moet men, om een onregelmatig maaien te voorkomen, de uitlijning van de snijgroep bij een geautoriseerd dienstcentrum laten afstellen.
8.3.5 De banden repareren of vervangen
Elke vervanging of herstelling van een band moet uitgevoerd worden door een gespecialiseerde bandentechnicus, volgens de modi die zijn aangeduid voor het gebruikte type.NL - 27
De elektronische kaart is een onderdeel dat zich onder het dashboard bevindt en dat alle beveiligingen van de machine beheert. De elektronische kaart is voorzien van een automatische reset van de beveiliging die het circuit onderbreekt in geval van storingen in de elektrische installatie; de activering veroorzaakt de stop van de motor, wat wordt gesignaleerd door een geluidssignaal dat wordt gedeactiveerd wanneer de sleutel wordt verwijderd. Het circuit wordt na enkele seconden automatisch gereset; zoek en verwijder de oorzaak van het probleem, zodat de onderbrekingen worden vermeden. Om de ingreep van de beveiliging te vermijden; – keer de accupolen niet om; – laat de machine niet werken zonder accu, zodat geen storingen van de werking van de regelaar van de oplader worden veroorzaakt; – let op dat geen kortsluitingen worden veroorzaakt.
De machine is uitgerust met een aantal zekeringen (afb. 49.A) met verschillend vermogen en met de volgende functies en kenmerken: – Zekering van 10 A = bescherming van het hoofdcircuit en het vermogenscircuit van de elektronische kaart, waarvan de ingreep de stop van de machine en de complete uitschakeling van de controlelamp op het dashboard kan veroorzaken (par. 5.16) – Zekering van 25 A = bescherming van het laadcircuit; wanneer deze zekering in werking treedt, verliest de accu geleidelijk aan zijn lading en ontstaan er problemen bij het starten. – Zekering van 5 A = bescherming van de hulpaansluiting van 12 Volt voor de accessoires. – Zekering van 15 A = bescherming van het circuit van het motor voor de bediening, waarvan de activering de elektrische aandrijving van het kantelsysteem van de zak niet toestaat; het leegmaken is enkel mogelijk met de handmatige hendel (indien gemonteerd). Het vermogen van de zekering is aangegeven op de zekering zelf. Een doorgebrande zekering dient altijd vervangen te worden door eenzelfde type met hetzelfde vermogen. Als de oorzaak van het in werking treden niet gevonden kan worden dient er contact opgenomen te worden met uw Verkoper.
- De koplampen (18W) zijn door middel van een bajonettting in de lamphouder gedraaid. De lamphouder kan verwijderd worden door deze met behulp van een tang tegen de klok in te draaien (afb. 50)
1. Til de kap op en verwijder de
connector (afb. 52.A).
2. Verwijder de splitpen (afb. 52.B)
en verwijder de kap zijdelings.
handelingen van de demontage uitgevoerd worden in de omgekeerde volgorde.
Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud.; de eenheid is voorzien van een permanente smering die geen vervanging of aanvulling behoeft.
Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud. De olie van het hydraulische verbindindingscircuit moet regelmatig gecontroleerd, bijgevuld en ververst worden.NL - 28 Controleer dat het oliepeil van het hydraulische systeem zich tussen de referenties «MIN» en «MAX» op het reservoir bevindt. Als het peil lager is dan de referentie «MIN» (Afb. 56): – demonteer de bescherming (afb. 56.A) die is bevestigd met de moer (afb. 56.B): – draai de dop (afb. 56.C) los en voeg olie 10W30 toe tot de referentie «MAX» wordt bereikt: – hermonteer de dop (afb. 56.C) en de bescherming (afb. 56.A). BELANGRIJK Indien regelmatig moet bijgevuld worden, moet gecontroleerd worden dat geen lekken aanwezig zijn in de leidingen en het reservoir, en contacteer de verkoper voor de noodzakelijke handelingen.
Als de opvangzak neigt te hobbelen of te openen wanneer op hobbelige terreinen wordt gewerkt, of als de herkoppeling moeilijk is nadat de zak is leeggemaakt, moet de spanning van de veer geregeld worden (afb. 57.A). Wijzig het koppelingspunt door een van de gaten (afb. 57.B) te gebruiken, tot het gewenste resultaat wordt verkregen.
Wanneer de machine gedurende meer dan 30 dagen opgeborgen moet worden:
instructies van de handleiding van de motor.
– met de snijgroep omlaag – in een droge ruimte – beschermd tegen slechte weersomstandigheden – indien mogelijk bedekt met een doek (par. 15.4) – buiten bereik van kinderen. – na zich ervan verzekerd te hebben de sleutels of werktuigen die voor het onderhoud gebruikt werden, verwijderd te hebben. Wanneer de machine weer in werking gezet wordt:
- controleer of er uit de slang, de benzinekraan en de carburateur geen benzine lekt.
- bereid de machine voor zoals aangegeven in hoofdstuk "6. Gebruik van de machine".
10. HANTERING EN TRANSPORT
- Wanneer men de machine hanteert, moet men: – ontkoppel de snijgroep; – plaats de snijgroep op de maximale hoogte; – de motor uitschakelen;
- Wanneer men de machine met een wagen of aanhangwagen vervoert, moet men: – opritten gebruiken met geschikte weerstand, breedte en lengte; – de machine laden met de motor uitgeschakeld, met de contactsleutel uit het stopcontact van de machine, zonder bediener, duwend, en met een geschikt aantal personen; – de brandstofkraan sluiten (indien voorzien). – de snijgroep omlaag brengen; – trek de handrem aan. – de machine zo plaatsen dat ze geen gevaar veroorzaakt; – ze stevig aan het vervoersmiddel bevestigen met koorden of kettingen om te vermijden dat ze kantelt en zo eventueel beschadigd kan worden of dat er brandstof zou kunnen lekken.
11. ASSISTENTIE EN HERSTELLINGEN
Deze handleiding verstrekt alle gegevens die u nodig hebt om de machine te kunnen gebruiken en om er op de juiste manier eenvoudige onderhoudswerkzaamheden aan te kunnen verrichten, die de gebruiker zelf kan uitvoeren. Alle afstellingen en onderhoudshandelingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine. Handelingen die in niet geschikte structuren of door onbekwame personen uitgevoerd werden, doen elke vorm van garantie en alle verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fabrikant vervallen.NL - 29
- Enkel de geautoriseerde dienstcentra mogen de herstellingen en onderhoudsingrepen in garantie uitvoeren.
- Niet originele wisselstukken en toebehoren zijn niet goedgekeurd; het gebruik van niet originele wisselstukken en toebehoren brengt de veiligheid van de machine in gevaar en ontheft de Fabrikant van alle verplichtingen en aansprakelijkheden.
- De originele wisselstukken worden geleverd door de geautoriseerde dienstcentra en wederverkopers.
- Men raadt aan de machine eens per jaar aan een geautoriseerd dienstcentrum toe te vertrouwen voor het onderhoud, assistentie en controle van de veiligheidsinrichtingen.
De garantie dekt alle defecten van het materiaal en van de fabricatie. De gebruiker moet aandachtig de aanwijzingen volgen die in de bijgevoegde documentatie verschaft is. De garantie geldt niet voor schade te wijten aan:
- Onjuist of niet toegestaan gebruik en montage
- Gebruik van niet originele wisselstukken.
- Gebruik van toebehoren dat niet door de fabrikant verschaft of goedgekeurd werd. Deze garantie geldt bovendien niet voor:
- Motoren. Deze zijn gedekt door de garantie van de fabrikant van de motor volgens de aangegeven termijnen en condities. De aankoper is beschermd door de nationale wetten van zijn eigen land. De rechten van de koper die voorzien zijn in de nationale wetten van zijn eigen land zijn op geen enkele wijze beperkt door deze garantie.
Ingreep Intervallen (uur) Paragraaf / Opmerkingen Eerste maal Daarna elke MACHINE Veiligheidscontroles / Controle van de commando's Voor eender welk gebruik par. 6.2 Controle bandendruk Voor eender welk gebruik par. 6.1.3 Controleer de beschermingen van de aaat achteraan / zijdelingse aaat. Controle van de opvangzak, zijdelingse aaatdeector. Voor eender welk gebruik par. 6.1.4 Algemene reiniging en controle Aan het einde van ieder gebruik par. 7.6 Controle van eventuele schade aan de machine. Contacteer, indien nodig, het geautoriseerde dienstcentrum. Aan het einde van ieder gebruik
Vervanging riem commando snij-inrichtingen - ** / ***NL - 30 MOTOR * Controle/bijvullen brandstof Voor eender welk gebruik par 7.2 Controle / bijvullen motorolie Voor eender welk gebruik par 7.3 Vervanging motorolie
* Raadpleeg de handleiding van de motor voor de volledige lijst van de handelingen en de intervallen ** Neem contact op met uw verkoper zodra u storingen vermoedt *** Handeling die door uw Verkoper of door een gespecialiseerd Centrum moet uitgevoerd worden *** De algemene smering van alle bewegende onderdelen moet bovendien, elke keer er verwacht wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken, uitgevoerd worden.
1. Met de sleutel op
«START» blijft het dashboard uitgeschakeld, zonder geluidssignaal De bescherming van de elektronische kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: de accu is niet goed aangesloten controleer de verbindingen (par. 4.4) de polen van de accu zijn omgewisseld controleer de verbindingen (par. 4.4). de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) de zekering is doorgebrand vervang de zekering (10.A) (par. 8.5). kaart nat drogen met lauwe lucht
2. Met de sleutel op «START»
blijft het dashboard uitgeschakeld, maar er wordt een geluidssignaal geactiveerd De bescherming van de elektronische kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: kaart nat drogen met lauwe lucht 3. De sleutel staat op «START», het dashboard licht op maar de startmotor draait niet de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) zekering voor het opladen onderbroken vervang de zekering (25 A) (par. 8.5).
4. De sleutel staat in de
«START» stand, de startmotor draait maar de motor slaat niet aan de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) te weinig benzineaanvoer controleer het peil in het reservoir (par. 7.2.1) open de kraan (indien voorzien) (par. 6.4) controleer de benzinelter er een defect in de ontsteking is opgetreden controleer of de bougiekap juist bevestigd is controleer of de elektroden niet vuil zijn en of hun onderlinge afstand juist is Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NL - 31
PROBLEMEN MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING
5. Een moeilijke start of
een onregelmatige werking van de motor er brandstofproblemen zijn reinig of vervang luchtlter leeg de benzinetank en vul met nieuwe benzine controleer en vervang eventueel de benzinelter
6. Tijdens het maaien is
er een krachtverlies van de motor de rijsnelheid is te hoog ten opzicht van de snijhoogte neem in snelheid af en/of zet het maaidek in een hogere stand (par. 6.5.4)
7. Wanneer de snijgroep wordt
gekoppeld, slaat de motor af geen toestemming voor de inschakeling controleer of de voorwaarden voor de toestemming worden gerespecteerd (par. 6.2.2)
8. De controlelamp van de
accu gaat niet uit na enkele minuten van werking accu onvoldoende opgeladen contacteer uw Verkoper
9. De controlelamp van de
olie licht op gedurende de werking (indien voorzien) problemen met de smering van de motor Draai de sleutel onmiddellijk op «STOP»: herstel het oliepeil (zie 7.3.1) vervang de lter (als het probleem aanhoudt, moet de verkoper gecontacteerd worden)
10. De motor slaat af, er
wordt een geluidssignaal geproduceerd De bescherming van de elektronische kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: overspanning veroorzaakt door de regelaar oplader contacteer uw Verkoper de accu is niet goed aangesloten (onzekere contacten) controleer de verbindingen (par. 3.4)
11. De motor slaat af, en er
wordt geen geluidssignaal geproduceerd accu losgekoppeld controleer de verbindingen (par. 3.4) problemen met de motor contacteer uw Verkoper
12. De snij-inrichtingen
schakelen zich niet in of stoppen niet onmiddellijk wanneer ze uitgeschakeld worden. riem gelost contacteer uw Verkoper problemen met de elektromagnetische koppeling contacteer uw Verkoper 13. Onregelmatig maaien en onvoldoende opvang (enkel voor modellen met opvang achteraan) de snijgroep staat niet evenwijdig ten opzichte van het terrein controleer de druk van de banden (par. 6.1.3) herstel de uitlijning van de snijgroep ten opzichte van het terrein (par. 8.2.1) onwerkzaamheid van de snij-inrichtingen contacteer uw Verkoper de rijsnelheid is te hoog ten opzichte van de hoogte van het gras neem in snelheid af en/ of zet de snijgroep in een hogere stand (par. 6.5.4) wacht tot het gras droog is het kanaal is verstopt verwijder de opvangzak en maak het kanaal leeg (zie 7.6.2) Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NL - 32
(enkel voor modellen met zijdelingse aaat) de snijgroep staat niet evenwijdig ten opzichte van het terrein controleer de druk van de banden (par. 6.1.3) herstel de uitlijning van de snijgroep ten opzichte van het terrein (par. 8.2.1) onwerkzaamheid van de snij-inrichtingen contacteer uw Verkoper
15. Vreemde trillingen
tijdens het werk de snijgroep zit vol met gras reinig de snijgroep (par. 7.6.4) de snij-inrichtingen zijn uit balans of losgekomen contacteer uw Verkoper de bevestigingen zijn losgeraakt controleer en draai de bevestigingsschroeven van de motor en het chassis goed vast
16. Onzekere of niet
werkzame remming niet correct afgestelde rem contacteer uw Verkoper
17. Onregelmatige beweging,
weinig tractie bij stijging of neiging van de machine om op te trekken problemen aan de riem of aan het inschakelsysteem contacteer uw Verkoper
aandrijfpedaal wordt ingedrukt bij draaiende motor, beweegt de machine niet vooruit ontgrendelingshendel in stand voor transmissie ontgrendeld breng de hendel weer naar de stand voor transmissie ingeschakeld (par. 5.4)
19. De machine begint
abnormaal te trillen beschadiging of losgekomen delen stop de machine en haal de contactsleutel weg controleer eventuele beschadigingen controleer of er delen losgekomen zijn en schroef ze weer vast voer de controles, vervangingen of herstellingen uit bij een Gespecialiseerd Centrum Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.
Laat toe de accu eciënt te houden tijdens de periodes van inactiviteit van de machine, waarbij een optimaal laadniveau en een langere duurzaamheid van de accu gegarandeerd wordt (afb. 58.B).
Beschermt de machine van stof als deze niet gebruikt wordt (afb. 58.D)
15.5 SET GEWICHTEN ACHTERAAN
Verbeteren de stabiliteit achteraan van de machine, vooral bij gebruik overwegend op hellende terreinen (afb. 58.E).NL - 33
AFLAATBEVEILIGING Te gebruiken in plaats van de opvangzak, wanneer het gras niet wordt opgevangen (afb. 58.F). (enkel voor modellen met aaat achteraan)
15.7 SNEEUWKETTINGEN 18’’, 20’’
Verbeteren de grip van de achterwielen op besneeuwde wegen, en staan het gebruik van sneeuwruimers toe (afb. 58.G).
Voor het transport van gereedschappen of andere voorwerpen, binnen de toegestane laadlimieten (afb. 58.I).
SNEEUWSCHUIF Voor het zijdelings ophopen of ruimen van verwijderde sneeuw (afb. 58.M).
15.14 FRONTALE VEGER
Om bladeren en vuil te verwijderen van paden en vaste ondergronden, voor het verwijderen van dunne lagen verse sneeuw (afb. 58.N).
Voor de montage van bijkomende frontale accessoires waarvoor geen aftakas noodzakelijk is (afb. 58.R1).
n) Zur Verfassung der technischen Unterlagen befugte Person: o) Ort und Datum NL ( Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing) EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)
2. Verklaart onder zijn eigen
verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel c) Serienummer d) Motor: benzinemotor
3. Voldoet aan de specificaties van de
richtlijnen: e) Certificatie-instituut
4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde
normen g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen
n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum
Notice-Facile