GCL 250 Professional - Laserpointer BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis GCL 250 Professional BOSCH in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over GCL 250 Professional BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Laserpointer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GCL 250 Professional - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GCL 250 Professional van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING GCL 250 Professional BOSCH
nl Oorspronkelijke gebruiksaanwijzing
da Original brugsanvisning
sv Bruksarvisning i original
no Original driftsinstruks
Veiligheidsaanwijzingen

Alle aanwijzingen moeten gelezen en in acht genomen worden om gevaarloos en veilig met het meetgereedschap te werken. Wanneer het meetgereedschap niet volgens de
beschikbare aanwijzingen gebruikt wordt, kunnen de geïntegreerde veiligheidsvoorzieningen in het meetgereedschap belemmerd worden. Maak waarschuwingsstickers op het meetgereedschap nooit onleesbaar. BEWAAR DEZE AANWIJZINGEN ZORGVULDIG EN GEEF ZE BIJ HET DOORGEVEN VAN HET MEETGEREEDSCHAP MEE.
▶ Voorzichtig – wanneer andere dan de hier aangegeven bedienings- of afstelvoorzieningen gebruikt of andere methods uitgevoerd worden, kan dit resulteren in een gevaarlijke blootstelling aan straling.
- Het meetgereedschap is voorzien van een laser-waarschuwingsplaatje (aangegeven op de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen).
Is de tekst van het laser-waarschuwingsplaatje niet in uw taal, plak dan vóór het eerste gebruik de meegeleverde sticker in uw eigen taal hieroverheen.

Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk niet zelf in de directe of gereflecteerde laserstraal. Daardoor kunt u personen verblinden, ongevallen veroorzaken of het oog beschadigen.
Als laserstraling het oog raakt, dan moeten de ogen bewust gesloten worden en moet het hoofd onmiddelijk uit de straal bewogen worden.
▶ Breng geen wijzigingen aan de laserinrichting aan.
- Gebruik de laserbril (accessoire) niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal; deze beschermt echter niet tegen de laserstraling.
- Gebruik de laserbril (accessoire) niet als zonnebril of in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige UV-bescherming en vermindert het waarnemen van kleuren.
Laat het meetgereedschap alleen repareren door gekwalificeerd geschoold personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de veiligheid van het meetgereedschap in stand blijft.
Laat kinderen het lasermeetgereedschap niet zonder toezicht gebruiken. Zij zouden per ongeluk andere personen of zichzelf kunnen verblinden.
▶ Werk met het meetgereedschap niet in een omgeving waar ontploffingsgevaar heerst en zich brandbare vloeistoffen, brandbare gassen of brandbaar stof bevinden. In het meetgereedschap kunnen vonken ontstaan die het stof of de dampen tot ontsteking brengen.

Houd het meetgereedschap en de magnetische accessoires uit de buurt van implantaten en andere medische apparaten, zoals pacemakers en insulinepompen. Door de magneten van meetgereedschap en accessoires wordt een veld opgewekt dat de werking van implantaten en medische apparaten kan verstoren.
Houd het meetgereedschap en de magnetische accessoires uit de buurt van magnetische gegevensdragers en magnetisch gevoelige toestellen. Door de werking van de magneten van meetgereedschap en accessoires kan het tot onomkeerbaar gegevensverlies komen.
Beschrijving van product en werking
Neem goed nota van de afbeeldingen in het voorste deel van de gebruiksaanwijzing.
Beoogd gebruik
Het meetgereedschap is bedoeld voor het bepalen en controleren van horizontale en verticale lijnen evenals loodpunten.
Het meetgereedschap is geschikt voor gebruik binnenshuis en buitenshuis.
Afgebeelde componenten
De componenten zijn genummerd zoals op de afbeelding van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen.
(1) Opening voor laserstraal
(2) Batterijwaarschuwing
(3) Aanduiding ontvangermodus
(4) Aanduiding pendelvergrendeling
(5) Toets ontvangermodus
(6) Toets voor lasermodus
(7) Batterijvakdeksel
(8) Vergrendeling van het batterijvakdeksel
(9) Geleidegroef
(10) Aan/uit-schakelaar
(11) Statiefopname 1/4"
(12) Statiefopname 5/8"
(13) Serienummer
(14) Laser-waarschuwingsplaatje
(15) Draaihouder (RM 1)
(16) Geleidingsrail
(17) Bevestigingssleuf
(18) Magneet
(19) Plafondklem ^a)
(20) Universele houder (BM 1) ^a)
(21) Laserrichtbord ^a)
(22) Laserbril ^4
(23) Laserontvanger ^a)
(24) Statief (BT 150) ^a)
(25) Telescoopstang (BT 350) ^a)
(26) Koffer ^a)
(27) Inlay ^a)
(28) Opbergetui ^a)
a) Niet elk afgebeeld en beschreven accessoire is standaard bij de levering inbegrepen. Alle accessoires zijn te vinden in ons accessoireprogramma.
Technische gegevens
| Punt- en lijnlaser GCL 2-50 | |
| Productnummer | 3 601 K66 F00 |
| Werkbereik^A) | |
| – Laserlijnen standaard 15 m | |
| – Laserlijnen met laseront-vanger | 5-50 m |
| – Laserpunten 10 m | |
| Nivelleernauwkeurigheid ^B)(C) | |
| – Laserlijnen ±0,3 mm/m | |
| – Laserpunten ±0,7 mm/m | |
| Zelfnivelleerbereik typisch ±4° | |
| Nivelleertijd typisch < 4 s | |
| Gebruikstemperatuur -10 °C ... +50 °C | |
| Opslagtemperatuur -20 °C ... +70 °C | |
| Max. gebruikshoogte bovenreferentiehoogte | 2000 m |
| Relatieve luchtvochtigheidmax. | 90 % |
| Vervuilingsgraad volgensIEC 61010-1 | 2 ^(i) |
| Laserklasse 2 | |
| Lasertype 630-650 nm, < 1 mW | |
| C_6 | 1 |
| Divergentie | |
| – Laserlijnen 0,5 mrad (volledige hoek) | |
| – Laserpunten 0,8 mrad (volledige hoek) | |
| Pulsfrequentie | |
| – werking zonder ontvan-germodus | 6 kHz |
| – werking in ontvangermo-dus | 10 kHz |
| Statiefopname 1/4"; 5/8" | |
| Batterijen | 3 × 1,5 V LR6 (AA) |
| Gebruiksduur bij moduS^E) | |
| – Kruislijn- en puntmodus 6 h | |
| – Kruislijnmodus | 8 h |
| – Lijnmodus | 16 h |
| – Puntmodus | 22 h |
58 | Nederlands
Punt- en lijnlaser GCL 2-50
| Gewicht volgens | 0,49 kg |
| EPTA-Procedure 01:2014 | |
| Afmetingen (lengte × breedte × hoogte) | |
| - zonder draaihouder 112 × 55 × 106 mm | |
| - met draaihouder 132 × 81 × 163 mm | |
| Beschermklasse IP 54 (stof- en spatwaterbe-scherming) | |
A) Het werkbereik kan door ongunstige omgevingsomstandigheden (bijv. direct zonlicht) verminderd worden.
B) bij 20-25°C
C) De opgegeven waarden gelden bij normale tot gunstige omgevingsomstandigheden (bijv. geen trillingen, geen mist, geen rook, geen direct zonlicht). Na sterke temperatuurschommelingen kan de nauwkeurigheid afwijken.
D) Er ontstaat slechts een niet geleidende vervuiling, waarbij echter soms een tijdelijke geleidbaarheid wort verwacht door bedauwing.
Het productnummer (13) op het typeplaatje dient voor een ondubbel-zinnige identificatie van uw meetgereedschap.
Montage
Batterijen plaatsen/verwisselen
Voor het gebruik van het meetgereedschap wordt het gebruik van alkali-mangaanbatterijen aanbevolen.
Voor het openen van het batterijvakdeksel (7) drukt u op de vergrendeling (8) en klapt u het batterijvakdeksel open. Plaats de batterijen.
Let er hierbij op dat de polen juist worden geplaatst volgens de afbeelding op de binnenkant van het batterijvak. Als de batterijen zwak worden, dan knippert de batterijwaarschuwing (2) groen. Bovendien knipperen de la serlijnen om de 10 minuten gedurende ca. 5 seconden. Het meetgereedschap kan na de eerste keer knipperen nog ca. 1 uur lang worden gebruikt. Als de batterijen leeg raken, dan knipperen de laserlijnen nog één keer direct vóór het automatisch uitschakelen.
Vervang altijd alle batterijen tegelijk. Gebruik alleen batterijen van één fabrikant en met dezelfde capaciteit.
Haal de batterijen uit het meetgereedschap, wanneer u dit langere tijd niet gebruikt. De batterijen kunnen bij een langere periode van opslag in het meetgereedschap corroderen en zichzelf ontladen.
Werken met de draaihouder RM 1 (zie afbeeldingen A1-A3)
Met behulp van de draaihouder (15) kunt u het meetgereedschap 360° rond een centraal, altijd zichtbaar loodpunt draaien. Daardoor kunnen de laserlijnen worden ingesteld zonder de positie van het meetgereedschap te veranderen.
Plaats het meetgereedschap met de geleidingsgroef (9) te- gen de geleidingsrail (16) van de draaihouder (15) en schuif het meetgereedschap tot aan de aanslag op het platform. Om los te maken, trekt u het meetgereedschap in omgekeer- de richting van de draaihouder.
Plaatsingsmogelijkheden van de draaihouder:
- staand op een vlakke ondergrond
- tegen een verticaal vlak geschroefd
- in combinatie met de plafondklem (19) aan metalen plafondlijsten
- met behulp van de magneten (18) op metalen oppervlakken
Gebruik
Ingebruikname
▶ Bescherm het meetgereedschap tegen vocht en fel zonlicht.
Stel het meetgereedschap niet bloot aan extreme temperaturen of temperatuurschommelingen. Laat het bijv. niet gedurende langere tijd in de auto liggen. Laat het meetgereedschap bij grotere temperatuurschommelingen eerst op temperatuur komen en voer vóór het verder werken altijd een nauwkeurigheidscontrole uit (zie „Mauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap“, Pagina 60).
Bij extreme temperaturen of temperatuurschommelingen kan de nauwkeurigheid van het meetgereedschap nadelig beïnvloed worden.
Vermijd krachtige stoten of vallen van het meetgereedschap. Na sterke invloeden van buitenaf op het meetgereedschap, moet u altijd vóór het opnieuw gebruiken hiervan een nauwkeurigheidscontrole uitvoeren (zie „Mauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap“, Pagina 60).
▶ Het meetgereedschap tijdens transport uitschakelen. Bij het uitschakelen wordt de pendeleenheid vergrendeld. Anders kan deze bij heftige bewegingen beschadigd raken.
In-/uitschakelen
Voor het inschakelen van het meetgereedschap schuift u de aan/uit-schakelaar (10) in de stand on (voor werken met pendelvergrendeling) of in de stand on (voor werken met automatische nivellering). Het meetgereedschap zendt direct na het inschakelen laserstralen uit de openingen (1).
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
Voor het uitschakelen van het meetgereedschap schuift u de aan-/uit-schakelaar (10) in stand Off. Bij het uitschakelen wordt de pendeleenheid vergrendeld.
Laat het ingeschakelde meetgereedschap niet onbeheerd achter en schakel het meetgereedschap na gebruik uit. Andere personen kunnen door de laserstraal verblind worden.
Bij het overschrijden van de maximaal toegestane gebruikstemperatuur van 50 °C volgt een uitschakeling ter bescherming van de laserdiode. Na het afkoelen is het meetgereedschap weer gereed voor gebruik en kan het opnieuw worden ingeschakeld.
Automatische uitschakeling
Als ca. 120 minuten lang geen toets op het meetgereedschap wordt ingedrukt, schakelt het meetgereedschap automatisch uit om de batterijen te sparen.
Om het meetgereedschap na de automatische uitschakeling weer in te schakelen, kunt u de aan/uit-schakelaar (10) eerst naar stand "Off" schuiven en het meetgereedschap daarna weer inschakelen of kunt u één keer op de toets laser-gebruiksmodus (6) of op de toets ontvangermodus (5) drukken.
Automatische uitschakeling tijdelijk deactiveren
Om de automatische uitschakeling te deactiveren (bij ingeschakeld meetgereedschap), de toets laser-gebruiksmodus (6) minimaal 3 sec. ingedrukt houden. Als de automatische uitschakeling is gedeactiveerd, knipperen de laserstralen even ter bevestiging.
Aanwijzing: Als de gebruikstemperatuur boven 45 °C komt, kan de automatische uitschakeling niet meer worden gedeactiveerd.
Als u de automatische uitschakeling wilt activeren, schakelt u het meetgereedschap uit en weer in.
Modus instellen
Het meetgereedschap beschikt over meerdere modi. U kunt op elk gewenst moment tussen de modi wisselen:
- Kruislijn- en puntmodus: het meetgereedschap produceert een horizontale en verticale laserlijn naar voren evenals telkens een laserpunt verticaal naar boven en naar beneden. De laserlijnen kruisen elkaar in een hoek van 90°.
- Lijnmodus horizontaal: het meetgereedschap produceert een horizontale laserlijn naar voren.
- Lijnmodus verticaal: het meetgereedschap produceert een verticale laserlijn naar voren.
Bij een plaatsing van het meetgereedschap in de ruimte verschijnt de verticale laserlijn op het plafond boven het bovenste laserpunt uit.
Bij een plaatsing van het meetgereedschap direct tegen een muur produceert de verticale laserlijn een nagenoeg helemaal rondom lopende laserlijn (360°-lijn). - Puntmodus: het meetgereedschap produceert telkens een laserpunt verticaal naar boven en naar beneden.
Alle gebruiksmodi, behalve de puntmodus, kunnen zowel met automatische nivellering als met pendelvergrendeling worden geselecteerd.
Voor het omschakelen van de gebruiksmodus, drukt u op de toets lasermodus (6).
Werken met automatische nivellering
| Volgorde van de handelingen Lijnmodus | horizontaal | Lijnmodus verticalaal | Puntmodus Aanduiding pendelvergren- deling (4) | Afbeel- ding | |
| Aan/uit-schakelaar (10) in stand „n“ | ●●● | B | |||
| Kruislijnmodus | |||||
![]() | 1× drukken op toets voor lasermodus (6) | ●-- | C | ||
![]() | 2× drukken op toets voor lasermodus (6) | -●- | D | ||
![]() | 3× drukken op toets voor lasermodus (6) | --● | E | ||
![]() | 4× drukken op toets voor lasermodus (6) | ●●● | B | ||
| kruislijnmodus | |||||
Als u tijdens het werken met automatische nivellering naar de modus „Werken met pendelvergrendeling“ (aan/uit-schakelaar (10) in stand on) wisselt, dan wordt altijd de
eerste combinatiemogelijkheid van de aanduidingen van deze modus geactiveerd.
Werken met pendelvergrendeling
| Volgorde van de handelingen Lijnmodus horizontaal | Lijnmodus verticaal | Puntmodus Aanduiding pendelvergren-deling (4) | Afbeeld-ing | |
| Aan/uit-schakelaar (10) in stand „on“ | ●●-kruislijnmodus | Rood | F | |
60 | Nederlands
| Volgorde van de handelingen Lijnmodus ho- | Lijnmodus verticaal | Puntmodus Aanduiding pendelvergren- deling (4) | Afbeel- ding | ||
| rizontaal | |||||
| 1× drukken op toets voor lasermodus (6) | ●-- | [ZW40]Rood | |||
| 2× drukken op toets voor lasermodus (6) | -●- | Rood | |||
| 3× drukken op toets voor lasermodus (6) | ●●- | [602X]Rood | F | ||
Als u tijdens het werken met pendelvergrendeling naar de modus „Werken met automatische nivellering“ (aan/uitschakelaar (10) in stand 2m) wisselt, dan wordt altijd de eerste combinatiemogelijkheid van de aanduidingen van deze modus geactiveerd.
Ontvangermodus
Voor het werken met de laserontvanger (23) moet - onafhankelijk van de gekozen gebruiksmodus - de ontvangermodus worden geactiveerd.
In de ontvangermodus knipperen de laserlijnen met een zeer hoge frequentie en kunnen hierdoor door de laserontvanger (23) worden gevonden.
Voor het inschakelen van de ontvangermodus drukken op de toets ontvangermodus (5). De indicatie ontvangermodus (3) brandt groen.
Voor het menselijk oog zijn de laserlijnen bij ingeschakelde ontvangermodus verminderd zichtbaar. Voor werken zonder laserontvanger, daarom de ontvangermodus uitschakelen door opnieuw op de ontvangermodus (5) te drukken. De indicatie ontvangermodus (3) gaat uit.
Werken met automatische nivellering (zie afbeeldingen B–E)
Zet het meetgereedschap op een horizontale, stevige ondergrond of bevestig het op de draaihouder (15).
Voor het werken met automatisch waterpassen de aan/uit-schakelaar (10) naar de stand "2n" schuiven.
Na het inschakelen compenseert de automatische nivellering automatisch oneffenheden binnen het zelfnivelleerbereik van ±4°. Zodra de laserstralen niet meer knipperen, is het meetgereedschap klaar met nivelleren.
Is de automatische nivellering niet mogelijk, bijv. omdat het standvlak van het meetgereedschap meer dan 4° van de horizontale lijn afwijkt, dan knipperen de laserstralen in een snel ritme.
Plaats in dit geval het meetgereedschap horizontaal en wacht de zelfnivellering af. Zodra het meetgereedschap zich binnen het zelfnivelleerbereik van ±4° bevindt, branden de laserstralen continu.
Bij schokken of veranderingen van positie tijdens het gebruik wordt het meetgereedschap automatisch opnieuw genivelleerd. Controleer na het nivelleren de positie van de laser-
stralen met betrekking tot referentiepunten om fouten door een verschuiving van het meetgereedschap te voorkomen.
Werken met pendelvergrendeling (zie afbeelding F)
Voor het werken met pendelvergrendeling schuift u de aan/uit-schakelaar (10) in de stand „en“. De indicatie pendelvergrendeling (4) brandt rood en de laserlijnen knipperen continu in een langzaam ritme.
Bij het werken met pendelvergrendeling is de automatische nivellering uitgeschakeld. U kunt het meetgereedschap vrij in de hand houden of op een hellende ondergrond zetten. De laserstralen worden niet meer genivelleerd en lopen niet meer noodzakelijk loodrecht t.o.v. elkaar.
Mauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap
Nauwkeurigheidsinvloeden
De grootste invloed oefent de omgevingstemperatuur uit. Vooral vanaf de grond naar boven toe verlopende temperatuurverschillen kunnen de laserstraal afbuigen.
Omdat de temperatuurgelaagdheid in de buurt van de grond of vloer het grootst is, dient u het meetgereedschap indien mogelijk op een statief te monteren en het in het midden van het werkoppervlak op te stellen.
Naast externe invloeden kunnen ook toestelspecifieke invloeden (zoals val of sterke stoten) leiden tot afwijkingen. Controleer daarom de nivelleernauwkeurigheid, telkens voordat u begint te werken.
Controleer altijd eerst de hoogte- en nivelleernauwkeurigheid van de horizontale laserlijn, daarna de nivelleernauwkeurigheid van de verticale laserlijn en de loodnauwkeurigheid.
Als het meetgereedschap bij een van de controles de maximale afwijking overschrijdt, dient u het door een Bosch-klantenservice te laten repareren.
Hoogtenauwkeurigheid van de horizontale lijn controleren
Voor de controle heeft u een vrij meettraject van 5 m op een vaste ondergrond tussen twee muren A en B nodig.
- Monteer het meetgereedschap dicht bij muur A op een statief of plaats het op een stevige, vlakke ondergrond. Schakel het meetgereedschap in. Kies kruislijnmodus met automatische nivellering.

- Richt de laser op de nabijgelegen muur A en laat het meetgereedschap waterpassen. Markeer het midden van het punt waar de laserlijnen zich op de wand kruisen (punt I).

text_image
A 180° I B II- Draai het meetgereedschap 180°, laat het zich nivelleren en markeer het kruispunt van de laserlijnen op de tegenoverliggende wand B (punt II).
- Plaats het meetgereedschap- zonder het te draaien - dicht bij wand B, inschakelen en laat het zich nivelleren.

text_image
A I B II- Het meetgereedschap zodanig in de hoogte uitlijnen (met het statief of eventueel door onderlegmateriaal), dat het kruispunt van de laserlijnen exact het eerder gemarkeerde punt II op wand B raakt.

- Draai het meetgereedschap 180°, zonder de hoogte te wijzigen. Het zodanig op de wand A richten, dat de verticale laserlijn door het eerder gemarkeerde punt I loopt. Laat het meetapparaat zich nivelleren en markeer het kruispunt van de laserlijnen op de wand A (punt III).
- Het verschil d van de beide gemarkeerde punten I en III op de wand A geeft de werkelijke hoogteafwijking van het meetgereedschap.
Op het meettraject van 2 × 5 m = 10 m bedraagt de maximaal toegestane afwijking:
10 m × ±0,3 mm/m = ±3 mm. Het verschil d tussen de punten I en III mag dus maximaal 3 mm bedragen.
Nivelleernauwkeurigheid van de horizontale lijn controleren
Voor de controle heeft u een vrij vlak van ca. 5 × 5 m nodig.
- Monteer het meetgereedschap in het midden tussen de muren A en B op een statief of plaats het op een stevige, vlakke ondergrond. Kies horizontale lijnmodus met automatische nivellering en laat het meetgereedschap nivelleren.

- Markeer op een afstand van 2,5 m van het meetgereedschap op beide muren het midden van de laserlijn (punt I op muur A en punt II op muur B).

- Plaats het meetgereedschap 180° gedraaid op een afstand van 5 m en laat het nivelleren.
62 | Nederlands
- Lijn het meetgereedschap in hoogte zodanig uit (met behulp van het statief of eventueel door onderlegmateriaal) dat het midden van de laserlijn precies het tevoren gemarkeerde punt II op muur B raakt.
- Markeer op muur A het midden van de laserlijn als punt III (verticaal boven of onder punt I).
- Het verschil d van de beide gemarkeerde punten I en III op de muur A levert de daadwerkelijke afwijking van het meetgereedschap van de horizontale lijn op.
Op het meettraject van 2 × 5 m = 10 m bedraagt de maximaal toegestane afwijking:
10 m × ±0,3 mm/m = ±3 mm. Het verschil d tussen de punten I en III mag dus maximaal 3 mm bedragen.
Nivelleernauwkeurigheid van de verticale lijn controleren
Voor de controle heeft u een deuropening nodig met (op een stabiele ondergrond) aan beide zijden van de deur minstens 2,5 meter ruimte.
- Zet het meetgereedschap op 2,5 meter afstand van de deuropening op een vlakke en stabiele ondergrond (niet op een statief). Kies verticale lijnmodus met automatische nivellering. Richt de laserlijn op de deuropening en laat het meetgereedschap nivelleren.

- Markeer het midden van de verticale laserlijn op de vloer van de deuropening (punt I), op een afstand van 5 m aan de andere zijde van de deuropening (punt II), evenals bij de bovenrand van de deuropening (punt III).

- Draai het meetgereedschap 180° en plaats het aan de andere zijde van de deuropening, direct achter punt II. Laat het meetgereedschap zich nivelleren en de verticale laserlijn zodanig uitlijnen, dat het midden hiervan door de punten I en II loopt.
- Markeer het midden van de laserlijn op de bovenrand van de deuropening als punt IV.
- Het verschil d van de beide gemarkeerde punten III en IV geeft de werkelijke verticale afwijking van het meetgereedschap.
- Meet de hoogte van de deuropening.
- Draai het meetgereedschap 180° en plaats het aan de andere zijde van de deuropening, direct achter punt II. Laat het meetgereedschap zich nivelleren en de verticale laserlijn zodanig uitlijnen, dat het midden hiervan door de punten I en II loopt. - Markeer het midden van de laserlijn op de bovenrand van de deuropening als punt IV. - Het verschil d van de beide gemarkeerde punten III en IV geeft de werkelijke verticale afwijking van het meetgereedschap. - Meet de hoogte van de deuropening.
De maximale toegestane afwijking berekent u als volgt: dubbele hoogte van de deuropening × 0,3 mm/m Voorbeeld: bij een hoogte van de deuropening van 2 m mag de maximale afwijking
2 × 2 m × ± 0,3 mm/m = ± 1,2 mm bedragen. De punten III en IV mogen dus maximaal 1,2 mm uit elkaar liggen.
Loodnauwkeurigheid controleren
Voor de controle heeft u een vrij meettraject op een vaste ondergrond met een afstand van ca. 5 m tussen vloer en plafond nodig.
- Monteer het meetgereedschap op de draaihouder (15) en zet het op de grond. Kies puntmodus en laat het meetgereedschap nivelleren.

text_image
I 5 m II- Markeer het midden van het bovenste laserpunt op het plafond (punt I). Markeer bovendien het midden van het onderste laserpunt op de grond (punt II).

- Draai het meetgereedschap 180°. Plaats het zodanig dat het midden van het onderste laserpunt op het reeds gemarkeerde punt II ligt. Laat het meetgereedschap nivelleren. Markeer het midden van het bovenste laserpunt (punt III).
- Het verschil d van de beide gemarkeerde punten I en III op het plafond levert de daadwerkelijke afwijking van het meetgereedschap van de verticale lijn op.
De maximale toegestane afwijking berekent u als volgt: dubbele afstand tussen vloer en plafond × 0,7 mm/m. Voorbeeld: bij een afstand tussen vloer en plafond van 5 m mag de maximale afwijking
2 × 5 m × ± 0,7 mm/m = ± 7 mm bedragen. De punten I en III mogen dus maximaal 7 mm uit elkaar liggen.
Aanwijzingen voor werkzaamheden
- Gebruik voor het markeren altijd alleen het midden van het laserpunt of de laserlijn. De grootte van het laserpunt of de breedte van de laserlijn veranderen met de afstand.
Werken met het laserrichtbord (zie afbeelding L)
Het laserrichtbord (21) verbetert de zichtbaarheid van de laserstraal onder ongunstige omstandigheden en over grotere afstanden.
Het reflecterende vlak van het laserrichtbord (21) verbetert de zichtbaarheid van de laserlijn, door het transparante vlak is de laserlijn ook aan de achterzijde van het laserrichtbord te zien.
Werken met het statief (accessoire)
Een statief biedt een stabiele, in hoogte instelbare meetondergrond. Plaats het meetgereedschap met de 1/4"-statiefopname (11) op de schroefdraad van het statief (24) of van een gangbaar fotostatief. Voor de bevestiging op een gangbaar bouwstatief de 5/8"-statiefopname (12) gebruiken.
Schroef het meetgereedschap met de vastzetschroef van het statief vast.
Stel het statief grof af voordat u het meetgereedschap in- schakelt.
Bevestigen met de universele houder (accessoire) (zie afbeelding L)
Met de universele houder (20) kan het meetgereedschap bijv. aan verticale vlaken, buizen of magnetische materialen worden bevestigd. De universele houder is eveneens ge-
schikt als vloerstatief en vergemakkelijkt de hoogteafstelling van het meetgereedschap.
De universele houder (20) grof richten, vóór het inschakelen van het meetgereedschap.
Werken met laserontvanger (accessoire)
Bij ongunstige lichtomstandigheden (lichte omgeving, directe zoninstraling) en op grotere afstanden kunt u de laserontvanger (23) gebruiken om de laserlijnen beter te kunnen vinden. Bij het werken met de laserontvanger de ontvangermodus inschakelen (zie „Ontvangermodus“, Pagina 60).
Laserbril (accessoire)
De laserbril filtert het omgevingslicht uit. Daardoor lijkt het licht van de laser voor het oog helderder.
- Gebruik de laserbril (accessoire) niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal; deze beschermt echter niet tegen de laserstraling.
- Gebruik de laserbril (accessoire) niet als zonnebril of in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige UV-bescherming en vermindert het waarnemen van kleuren.
Gebruiksvoorbeelden (zie afbeeldingen G-M)
Voorbeelden van toepassingsmogelijkheden van het meetgereedschap vindt u op de pagina's met afbeeldingen.
Plaats het meetgereedschap altijd zo dicht mogelijk bij het vlak of langs de rand die moet worden gecontroleerd en laat het zich voor elke meting nivelleren.
Meet de afstanden tussen de laserstraal en een oppervlak of rand altijd aan twee zo ver mogelijk uit elkaar liggende punten.
Onderhoud en service
Onderhoud en reiniging
Houd het meetgereedschap altijd schoon.
Dompel het meetgereedschap niet in water of andere vloeistoffen.
Verwijder vuil met een vochtige, zachte doek. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen.
Reinig in het bijzonder de opening van de laser regelmatig en let daarbij op pluizen.
Bewaar en vervoer het meetgereedschap uitsluitend in de opbergtas (28) of in de koffer (26).
Stuur het meetgereedschap in geval van reparatie altijd in de opbergtas (28) of in de koffer (26) retour.
Klantenservice en gebruiksadvies
Onze klantenservice beantwoordt uw vragen over reparatie en onderhoud van uw product en over vervangingsonderdelen. Explosietekeningen en informatie over vervangingsonderdelen vindt u ook op: www.bosch-pt.com
Het Bosch-gebruiksadviesteam helpt u graag bij vragen over onze producten en accessoires.
64 | Dansk
Vermeld bij vragen en bestellingen van vervangingsonderde- len altijd het uit tien cijfers bestaande productnummer vol- gens het typeplaatje van het product.
Nederland
Tel.: (076) 579 54 54
Fax: (076) 579 54 94
E-mail: gereedschappen@nl.bosch.com
Meer serviceadressen vindt u onder:
Meetgereedschappen, accessoires en verpakkingen dienen op een voor het milieu verantwoorde manier te worden gere- cycled.

Gooi meetgereedschappen en batterijen niet bij het huisvuil!
Alleen voor landen van de EU:
Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EU inzake afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en de implementatie in nationaal recht moeten niet meer bruikbare meetgereedschappen en volgens de Europese richtlijn 2006/66/EG moeten defecte of verbruikte accu's/batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled.
Bij een verkeerde afvoer kunnen afgedankte elektrische en elektronische apparaten vanwege de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen schadelijke uitwerkingen op het milieu en de gezondheid van mensen hebben.
Dansk
Tip de protectie IP 54 (protectie impotriva




Rood