GEBRUIKSAANWIJZING Robolinho 350 W AL-KO
1 Over deze gebruiksaanwijzing 59
1.1 Symbolen op de titelpagina 59
1.2 Verklaring van pictogrammen en sig-
naalwoorden 59
2 Productomschrijving. 59
2.1 Leveringsomvang (01) 59
2.2 Robot-grasmaier (02) 60
2.3 Symbolen op het apparaat 60
2.4 Bedieningspaneel (03) 60
2.5 Display 61
2.6 Menustructeur 61
2.7 Basisstation (04) 62
2.8 Accu 62
2.9 Beschrijving van de werkking 63
2.10 Wifimodule en AL-KO inTOUCH Smart Garden app 63
3Veiligheid 64
3.1 Beoogd gebruik 64
3.2 Mogelijk foulief gebruik 64
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzie
ningen 64
3.3.1 PIN-en PUK-invoer.. 64
3.3.2 Sensoren 64
3.4 Veiligheidsinstructies 65
3.4.1 Gebruiker 65
3.4.2 Persoonlijke beschermingsminderen 65
3.4.3 Veiligung van personen en die- ren 65
3.4.4 Veiligheid van het apparaat.... 65
3.4.5 Elektrische verilgheit 65
4 Montage 66
4.1 Apparaat uitpakken 66
4.2 Maigebieden plannen (05) 66
4.3 Maigebieden voorbereiden 66
4.4 Basisstation opbouwen (07/a, 17) .... 66
4.5.1 Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (07/b). 67
4.5.2 Begrenzingskabel leggen (05) .... 67
4.5.3 Obstakels afzetten 67
4.5.4 Doorgangen afzetten (05/h). 68
4.5.5 Hellingen afzetten (15) 68
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (11). 68
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (06) 68
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (08) 68
4.7 Verbindingen aan het basisstation
controleren (08) 69
4.8 Quick Homing Kit installeren 69
5 Inbedrijfstelling 69
5.1 Accu opladen (12) 69
5.2 Basisinstallingenuitvoeren 69
5.3 Maaihoogte instellen (14) 69
5.4 Automatische kalibratierituitvoeren .. 70
6 Bediening. 70
6.1 Apparaat met de hand starten 70
6.2 Maaiwerking staken 70
6.3 Nevenoppervlak maaien (05/NF) 70
7 Installingen 71
7.1 Installing oproepen - Algemeen 71
7.2 Geluidssignaal knopbediening active- ren/deactiveren 71
7.3 Eco-modus activeren/deactiveren.... 71
7.4 Regensensor instellen 71
7.5 Maaiprogramma instellen 72
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen 72
7.5.2 Startpunter instellen 72
7.5.3 Maaitijden instellen 72
7.5.4 Passagemodus 73
7.6 inTOUCH 73
7.7 Randen maaien bij handmatige start . 73
7.8 Maaien van nevenoppervlakken instellen 73
7.9 Displaycontrast instellen 73
7.10 Instellingsbescherming 73
7.11 Opniew kalibreren 74
7.12 Terugzetten op fabrieksinstellenen... 74
8 Informatie weergeven 74
9 Onderhoud en verzorging 74
9.1 Reiniging 74
9.2 Regelmatige controle 75
9.3 Messen verrangen 75
10 Hulp bij storingen 76
10.1 Apparaat- en bedieningsfouten verhopen 76
10.2 Foutcodes en -oplossing 77
11 Transport 80
12 Opslag. 80
12.1 Robot-grasmaier opbergen 80
12.2 Laadpaal demonteren en opbergen (18, 19) 80
12.3 Begrenzingskabel overwinteren 80
13 Verwijdersen 80
14 Klantenservice/service centre 81
15 Informatie bij de conformiteitsverklaring... 82
16 Garantie 82
1 OVER DEZE GEBRUIKSAANWIJZING
De Duitse versie is de originele gebruiksaanwijzing. Alle andere taalversies zijn vertalin-gen van de originele gebruiksaanwijzing.
Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodate u erin het antwoord op uw vragen kuterugvinden wonneer u informatatie over de machinenodig heeft.
Draag de machine alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere Personen over.
Lees en neem de veiligheids- en waarschu-wingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.
1.1 Symbolen op de titelpagina
Symbool Betekenis

Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werkken en een storingsvrij gebruik.

Gebruiksaanwijzing

Ga voorzichtig met Li-Ion accu's om! Neem met name de aanwijzingen voor transport, opslag en afvalverwijdering in ache!
1.2 Verklaring van pictogrammen en signalaalwoorden
GEVAAR! Wijst op een direct gevaarlijke situation, die, wanner ze Niet vermeden worden, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt.
WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanner ze Niet vermeden worden, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden.
VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanner ze nicht vermeden worden, tot een Licht of middelzwaar letsel kan leiden.
LET OP! Wijst op een situation, die, wanner zeniet vermeden worden, tot materièle schade kanleiden.
OPMERKING Speciale aanwijzingen voormeerduidelijkheid en een beter gebruik.
Deze documentatie beschrijft een volautomatisch, met een accu gevoede robot-grasmaier die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoogte kan versteld worden.
2.1 Leveringsomvang (01)
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controller of alle posities aanwezig zijn:
Nr. Onderdeel
1 Robot-grasmaaier
Nr. Onderdeel
2 Beknopte handleiding
3 Gebruiksaanwijzing
4 Gazonpennen *
5 Voeding
6 Basisstation incl. aardschroeven (5 stuks)
7 Begrenzingskabel
8 Winterafdekking *
- afhankelijk van het model (zie technische gegevens).
1 Bedieningsveld met display (inwendig)
2 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2 s)
3 Aansluitcontacten voor opladen
4 Hoogteverstelknop (verzonken)
5 Voorste WIelen (stuurbaar)
6 Maaidek
7 Aandrijfwiel
8 Messenschijf
9 Bevestigingsbout
10 Wegruimmes
11 Snijblad
12 Accuschacht
2.3 Symbolen op het apparaat
Symbool Betekenis

Gevaar voor letsel en materiaiele schade door uitgeslingerde voorwerpen!

Wees bijzonder voorzichtig bij de hantering!

Blijf met uw handen en voeten bij het maaiwerk vandaan!
Symbool Betekenis

Houd voldoende veiligheidsafstand!

Lees vór ingebruikname de gebruiksaanwijzing!

Voer voor het starten van het apparaat het PIN in!

Rijd Niet op het apparaat mee!
2.4 Bedieningspaneel (03)
Nr. Component
1
(Home-toets): Maaiwerking staken, het apparaat rijdt terug maar het basisstation. Het start de volgende dag waar automatisch op de ingestelde maaitijd.
2 Regensensor: Stelt vast of het regent (zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 71).
3 Display: Toont de huidige bedrijfsstatus van het apparaat, de naam van het geselecteerde menu, de menupunten en de functies die gselecteerd+kennen worden (zie Hoofdstuk 2.5 "Display", pagina 61).
4
pijltjestoetsen): Selecteer demenuputen, verhoog en verlaag de getalwaarden en kies:tussen de instellen-gen.
5
(Start/pauze-toets):
1 keer indrukken: Maaiwerking met de hand starten en onderbreken.
2 keer indrukken: Maaiwering na bediening van de home-toets meteen weeher hervatten.
6
functiotoetsen): De functie oproepen die zojuist boven de toets op het display worden weergegeven.
Nr. Component
7
(On/Off-toets): Apparaat in- en uitschakelen.
8
(Manutoets): Hoofdmenu oproepen.
2.5 Display

Nr. Indicatie
1 Naam van het geselecteerde menu (hier: Hoofdmenu)
2 Menupunten in het menu: Er worden telkens slechts twee menupunten weergegeven (hier: Installingen en Informatie). Met kuren er verdere menupunten worden weergegeven.
3 Functies voor het geselecteerde menupunt (hier: Installingen). Met en kunn den functies worden opgeroepen.
4 Sterretje voor de marketing van het geselecteerde menupunt (hier: instel-1ingen)
Programma
Weekprogramma zie Hoofdstuk 7.5 "Maaiprogramma instellen", pagina 72
StartpunterzieHoofdstuk7.5.2"Startpunterinstellen",pagea72
Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 74
Instellingen
TijdstipzieHoofdstuk5.2"Basisinstellingenuitvoeren",pagea69
Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellungen uitvoeren", pagina 69
Taal zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 69
PIN code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstallingen uitvoeren", pagina 69
Geluidssignaal knopbediening zie Hoofdstuk 7.2 "Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren", pagina 71
EcoMode zie Hoofdstuk 7.3 "Eco-modus activeren/deactiveren", pagina 71
Quick Homing Kit zie Hoofdstuk 4.8 "Quick Homing Kit installeren", pagina 69
Regensorzie Hoofdstuk 7.4 Regensensor instellen",pageia 71
Regensensor vertrag. zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 71
Regengevoelig zie Hoofdstuk 7.4 "Regensor sensor instellen", pagina 71
inTOUCH zie Hoofdstuk 7.6 "iNTOUCH", pagina 73
Randen maaien zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 73
Nevenoppervlak actief/inactief zie Hoofdstuk 7.8 "Maaien van nevenoppervlakken instellen", pagina 73
Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.9 "Displaycontrast instellen", pagina 73
Instellingsbescherming zie Hoofdstuk 7.10 "Instellingsbescherming", pagina 73
Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.11 "Opnieuw kalibreren", pagina 74
Fabrieksinstellungen zie Hoofdstuk 7.12 "Terugzetten op fabrieksinstellungen", pagina 74
Messenservice zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 74
Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 74
Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 74
Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 74
Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 74
2.7 Basisstation (04)
Nr. Onderdeel
1 Bodemplaat
2 Led voor statusweergave
3 Laadcontact
4
Home-toets

5 Laadpaal
6 Kabelschrift
7 Wielkuip
8 Boring voor aardschroeven (9)
9 Aardschroeven
- afhankelijk van het model (zie technische gegevens).
2.8 Accu
De accu kan door de gebruiker worden verran-gen.
OPMERKING De accu要去 voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is Niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
De accu is bij oplevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normalaal gebruik worden de accu regelmatig opgeladen. Het apparaat rijdt hiervoor terug maar het basisstation.
De geintegreerde bewakingselectronica beeindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100% is bereikt.
Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontanten van het basisstation met de contactoppervlakken van het apparatus.
Bij een temperatuur hoger dan 45^ blokeert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze worden een accustoring voorkomen.
- Als de bedrijfsduur ondanks volledige opla-ding aanzienlijk korter worden, moet de accu-zelf worden verrangen.
- Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaarde, kan hij nicht meer worden opgeladen. Laat
de accu en de contrôle-elektronica controleren door uw AL-KO dealer, technicus of servicepartner.
De laadconditie van de accu worden getoond op het display. De accustatus na ca. 3 maanden opslag controeren. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30% of minder is geladen moet het apparaat in het basisstation geplaatst en ingeschakeld worden zodat de accu worden opgeladen. Als de laadzuil voor het opbergen van het basisstation verbijderd (zie Hoofdstuk 12.2 "Laadpaal demonteren en opbergen (18, 19), pagina 80),要去 die eerst weein omgekeerde volgorde gemonteerd en het basisstation weer op het stroomnet aangesloten worden.
Als er elektrolyt uit het accuvak is vrijgekomen: Apparaat door een AL-KO servicepuntlaten repareren!
- Indien de accu uit het apparaat werden verwijderd: Als er ogen of handen met het vrijgekomen elektrolyt in aanraking�n gekomen moeten die onmiddelijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddelijk een arts raadplegen!
2.9 Beschrijving van de werkking
Bewegen op het gazon
Het apparaat beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet gebied. De orientatie van het apparaat gebeurt via sensoren die het elektromagnetische veld van de begrenzingskabel herkennen.
Als het apparaat gegen een obstakel stoot blijf het staan en beweegt verder in een andere richting. Als het apparaat in een situatie komt waarin er geen werkung möglich is, worden dit met en melding op het display aangegeven.
Als het apparaat bij een ingeschakelde regensensor vocht herkent, gaat het automatisch terug maar het basisstation.
Maaiwerking en laadwerking
De maaifasen worden aufgewisseld door laadfasen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0% ) is gedaald, gaat het apparaat langs de begrenzings-kabel terug maar het basisstation.
Maaiprogramma's zich vooraf ingesteld en kuren op het apparaat of in de app aangepast worden.
Bij elke start van de maaimotor worden zichdraarichting omgekeerd, waardoor de levensduur van de maaimessen worden verdubbeld.
2.10 Wifimodule en AL-KO inTOUCH Smart Garden app
De robot-grasmaier is uitgevoerd met een wifi-module. Dit maakt een comfortabile bediening, instelling en bewaking via een app vanaf een mobiel apparaat (smartphone, tablet) möglichk.
OPMERKING Het gelebruekte mobiele apparaat heeft een internetverbinding nodig voor gebruik van de AL-KO inTOUCH Smart Garden app.
OPMERKING Om de robot-grasmaier upto-date te houden,要去hij via een wifi-network met het internet verbonden zijn.De AL-KO intOUCH Smart Garden app geeft informatie als er neue software updates voor de robot-grasmaier zijn.Die worden automatisch gedownload.
AL-KO inTOUCH Smart Garden app
De AL-KO inTOUCH Smart Garden app is voor Android-gebaseerde apparaten verkrijgbaar in de Google Play Store en voor iOS-gebaseerde apparaten in de Apple App Store:


Scan deutsche QR-code om te weten te komen hoe u de AL-KO inTOUCH Smart Garden app op uw smartphone installeert en om verdere informatie over uw apparaat te verkrijgen. U kurz daarmee uw smart-connected apparaat ook met internet verbinden.
OPMERKING De robot-grasmaier maaktuitsluitend verbinding met een 2,4 GHz wifi.5 GHz wifi-netwerken worden nicht ondersteund.
Om een verbinding van uw wifi-vaardige robot-grasmaier met de AL-KO inTOUCH Smart Garden app te makeen要去en de robot-grasmaier en de smartphone zich binnen het bereik van een router met voldoende signalsterkte (aanbeveling: min. 50% ) bevinden.
-
AL-KO inTOUCH Smart Garden app starten.
-
Eén keer een gebruikersaccount aanmake:
Op "Login / Registrarie" > "Registraren" drukken.
E-mail adres en wachtwoord invoeren.
Hetvakje"Gelezen enmee eens..."aanvinken.
Op de knop "Registraren" drukken.
- Aanmelden met het tevoren aangemaaakte gebruikersaccount.
- Verbindingsassistent starten door op "Nieuw apparatusaat toevoegen" te drukken.
- Volg de verdere instructies.
ROPMERKING Als de robot-grasmaier zich in een gedeelte van de tuin met een slecht of zonder wifi-ontvangst bevindt, worden de instellenen van de AL-KO inTOUCH Smart Garden app pas uitgevoerd als de robot-grasmaier binnen een gedeelte met een goed signaal terugkomt. Als het wifisignal van de router in de hele tuin Niet sterk genoeg is, kan het bereik met een gebruikelijke repeater worden uitgebrecht.
Bij functiestoringen kan een dealer u met de geinstalleerde AL-KO inTOUCH Smart Garden app behulpzaam zich. De robot-grasmaier要去 via de AL-KO inTOUCH Smart Garden app voor de dealer vrijgegeven worden.
Naast de toegang op afstand tot geintegreerde robot-grasmaaiers biedt de AL-KO inTOUCH Smart Garden app nog andere functies zoals het koppelen met andere AL-KO-apparaten, pushberichten in geval van een storing.
3 VEILIGHEID
3.1 Beoogd gebruik
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Ieder ander gebruik alsmede Niet-toegestane verbouwingen of uittbreidingen worden voor misbruik aangezien en hebben de uitsluiting van de garantie en het verlies van de conformiteit en de weigering van iedere verantwoordelijkheid voor schade van de gebruiker of van derden van de fabrikant tot gevolg.
De toepassingsgrenzen van het apparaat zijn: zie technische gegevens.
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is nicht geschikt voor gebruik in een openbare omgeving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen
WAARSCHUWING! Gevaar voor letsel.
Defecte en buiten werkung gestelde veiligheidsen beschemmingsapparatuur können ernstigLetselveroorzaken.
Laat defecte veiligheids- en beschemingsapparatuur repareren.
De veiligheids- en beschemingsuitrusting nooit buiten werkung stellen.
3.3.1 PIN-en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door invoeren van een PIN (personal Identification Number) worden gestart. Daardoor wordt het inschaken doer onbevoegde personen voorkomen. De PIN-code is in de fabriek ingesteld op 0000. De PIN-code kan worden gewijzigd,zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellenen uitvoeren", pagina 69.
Als de pincode 3 keer verkeerd worden ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unlocking Key)oodzakelijk. Als die ook verkeerd worden ingevoerd moet er 24 uur voor de volgende invoer worden gewacht.
Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbevoegde Personen.
3.3.2 Sensoren
Het apparaat heeft meerere veiligheidssensoren. Hij schakelt na het uitschakelen door eenveiligheidssensor Niet automatisch wee in. Defoutmeling wordt op het display weergegeven en moet bevestigd worden. De reden voor de activering van de sensor moet worden verholpen.
Hefsensor
Als het apparaatijdens de werkking aan het huis wordt opgetild, worden de rijaandrijving uitgeschakkeld en de snijmessen worden gestopt.
Stootsensoren voor obstakelherkenning
Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting worden aangepast. Wanner het apparaat gegen een obstakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizingiets en de stootsensor worden geactiveerd.
Hellingsensor in rijrichting/zijkant
Als er in rijrichting een stijging of daling of een zijwaartse helling worden bereikt die groter is dan ingesteld voor het model, keert het apparaat om of verandert van rijrichting.
Regensorson
Het apparatus is afhankelijk van het model uitgevoerd met een regensensor die in geactiveerde hoedanigheid bij regen de maaibeurt onderbreekt en ervoor zorgt dat het apparatus terugrijdt aan het basisstation (zie technische gegevens).
Vorstsensor
Het apparaat is met een vorstsensor uitgevoerd die bij lage temperatureen een meldingaar het apparaat of een pushmelingaar de AL-KO in-TOUCH Smart Garden app stuart (zie technische gegevens).De temperatuur voor de melding kan ingesteld worden.
Elektromagnetische emissies

Het apparatus kan betrouwbaar in de buurt van andere robot-grasmaiers gebruikt worden (afstandsmaat 0,5m - Het in de begrenzingskabel gebruikte signaal voldoet aan de door EGMF (European Garden Machinery Federation) vastgelegde standardaats wat betreft de elektromagnetische emissies.
3.4 Veiligheidsinstructies
3.4.1 Gebruiker
- Jongeren vanjonger dan 16aar, personen met lichamelijke, sensorische of geestelijk beperkingen of met onvoldoende ervaring en kennis en personen die de gebruiksaanwijzing Niet kennen, mogen het apparaat nicht gebruiken. Neem eventueel van toepassing zijnde nationale veiligheidsvoorschriften omtrent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht.
Bedien het apparaat Niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen
- Om letsel te voorkomen moet er doelmatige kleding en要去en er persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen.
De besoinlijke beschemingsmiddelen bestaanuit:
lange broek en stevige schoenen.
■ bij onderhoud en verzorging: Veiligheids-handschoenen.
3.4.3 Veiligung van personen en dieren
Op openbaar toegankelijkte terreinen moeten rondon het maaigebied waarschuwingsborden met het volgende opschrift aangebracht worden:
LET OPI! Automatische grasmaier in Werking! Kom nicht in de buurt van het apparaat! Houd kinderen onder toezicht!
Zorg erijdens de werkking voor dat er geen personen en vooral geen kinderen of dieren in de buurt van het apparaat komen of zich en dat ze Niet met het apparaat spelen.
Het is verboden om op het apparaat te gaan zitten of om in de snijmessen te grijpen!
Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaimechanisme.
3.4.4 Veiligung van het apparatus
Zorg er voor het begin van de werkzaamheden voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwerpen, kledingstukken, stenen, tuinmeubelen, tuingerei of spellegood) in het werkgedeelte van het apparaat liggen. Die kuren de snijmessen van het apparaat beschadigen of door het apparaat beschadigd worden.
Gebruik het apparatusaat alleen onder de volgen-de voorwaarden:
Het apparatus is nicht verruild.
Het apparatus vertoont geen beschadigingen of slijtage.
Alle bedieningselementen werken.
Basisstation en voeding en de elektrische voedingskabels zichn nicht beschadigd en werken.
Vervang defecte onderdelen alkijd door origi-nele reserve-onderdelen van de fabrikant.
Laat het apparaat repareren wonneer het beschadigd raakte.
De gebruiker van het apparaat is verantwoordelijk voor letsel bij derden of voor materiele schade.
- Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkkertijd een tuinsproeier in het maaigebied in bedrijf is.
Spuit het apparaat Niet met water af.
Open het apparatusat Niet.
4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
- Open de verpakking voorzichtig.
- Haal alle componenten voorzichtig uit de verpakking en controllere ze op transportschade. Opmerking: Neem bij transportschade direct contact op met uw dealer of servicepartner van AL-KO.
- Controller de leveringsomvang, zie Hoofdstuk 2.1 "Leveringsomvang (01)", pagina 59.
Indien het apparaat worden doorverzonden要去en de originele verpakking en de meegeleverde documenten worden bewaard. Die zich tevens bij退还 underlying vereist.
4.2 Maigebieden plannen (05)
Locatie van het basisstation (05/1)
Kortste möglichke afstand maar het grootste maaigebied
Vlakke ondergrond
Tegen direct zonlicht en sterke weersinvloeden beschermd
aansluitmogelijkheid voor voeding
Vrije toegankelijkheid voor de robot-grasmaaier
De begrenzingskabel moet in een doorlopende Ius rechtsom worden gelegd.
Doorgangen tussen de maiagebieden (05/h)
Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaigebieden te verbinden.
Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (05)
Hoofdoppervlak (05/HF): Is het gazon waarop zich het basisstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele oppervlak automatisch gemaad kan worden.
- Nevenoppervlak (05/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanaf het hoofdoppervlak Niet kan worden bereikt; apparaat indien nodig met de hand maar het nevenoppervlak dragen. Nevenoppervlakken konnen met handmatige werkung worden bewerkt.
Hoofd- en nevengebied zich enichter alleen door bezelfde, ononderbroken begrenzingskabel omheind.
Positie van de startpunten (05/X0 - 05/X3)
Het apparaat beweegt op de vastgelegde maai-tijd langs de begrenzingskabel tot aan het vastgelegde startpunt en begint waar met maaien.
Met de startpunten kan er vastgelegd worden welke gedeeltes van het maaioppervlak er meer worden gemaad.
4.3 Maiagebieden voorbereiden
- Controller of het gazon groter is dan de oppervlaktekapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaad gazon. Verklein het te maaien gebied indien nodig.
- Voor de montage van basisstation en begrenzingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: Het gazon met een grasmaier op eenkleine snijhoogte maaien.
- Obstakels op het gazon verwijderen of met de begrenzingskabel afzetten (zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 67):
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen konnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazonaar terras of pa den, tegels, stoepranden enz.)
Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, Dennenappels, geallen fruit enz.)
Steile hellingen of dalingen van meer dan in de technische gegevens vermelde waarden
Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het gazon
Struiken en heggen die breder können worden
4.4 Basisstation opbouwen (07/a, 17)
- Basisstation (05/1) haaks t.o.v. de positie van de begrenzingskabel als volgtplaatsen.
Vlak op de grond (met een waterpas controeren)
Rechte en vlakke in- en uitrit
Niet overhellend (bij het aansluiten en indraaien van de aardschroeven mag de laadpaal Niet gebogen raken of hellen)
- Basisstation (07/2) met vier aardschroeven (07/1) op de grond vastzetten.
Het basisstation kan ook buiten het gazonoppervlak worden geplaatst (17). Hierbij moet de be
grenzingskabel gelegt worden als op de afbeeling aangegeven.
OPMERKING Als de afhankelijk van het model meegeleverde begrenzingskabel te kort is, kan bij de AL-KO dealer of de servicepartner een verlangkabel verstegen worden.
4.5.1 Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (07/b)
- Begrenzingskabel (07/4) uit de verpakking trekken.
- Afdekking van de kalbelschacht (07/3) aan de aansluiting (07/A) verwijden.
- Isolatie van het uiteinde van de begrenzings-kabel (07/6) een stuk verwijderen en in de klem (07/7) steken.
- Klem sluiten.
- Begrenzingskabel door de trekontlasting (07/5) met kabelreserve uit de kabelschacht leiden.
OPMERKING Met de kabelreserveuren ook op een laterijdstip nogkleine correcties aan de kabelgeleiding uitgevoerd worden.
6. Afdekking van de kabelschrift weerplaatsen.
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10cm onder het gazonoppervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitgevoerd worden.
Beide varianten kuren met elkaar gecombineerd worden.
LET OP! Gevaar voor beschadiging van de begrenzingskabel. Als de begrenzingskabel beschadigd of doorgesneden worden is de overdracht van de besturingsssignalenaar het apparaat Nieteer moelijk. In dat geval moet de begrenzingskabel gerepareerd of verrangen worden. Begrenzingskabels zich verkrijgbaar bij AL-KO.
Leg de begrenzingskabel alsijd direct op de grond. Bevestig hem indien nodig met een extra gazonpen.
Beschem de begrenzingskabel bij het leggen enijdens de werkung gegen beschadigin-gen.
Graaf en verticuteer Niet in de buurt van de begrenzingskabel.
- Bevestig de begrenzingskabel met regelmati-ge afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
- Begrenzingskabel om obstakelsBeen leggen: zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 67.
- Doorgangen:tussen de afzonderlijke maaigebieden aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (05 / h) ", pagina 68.
- Te grete stijgingen of dalingen afzetten: zie Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten (15)", pagina 68.
- Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.6 "Kabelreserves aanleggen (11)", pagina 68.
- Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan op de aansluiting (07/B) van het basisstation:zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (07 / b) ", pagina 67.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkgeidelte要去 de begrenzingskabel met verschilende afstanden t.o.v. de obstakels worden gelegd. Gebruik voor de bepaling van de juiste afstand de linial die van de verpakking aufgehaald kan worden.
OPMERKING Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van het apparaat Niet;kennen worden herkend. Vermijd te veel of onnodige afzettingen. Niveauverschillendie kleiner zich dan 6 cm, moeten worden uitgesloten, omdat het apparaat anders schade kanveroorzaken.
Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min. 20 cm (05)
Het apparaat beweegt met een afstand maar bui- ten van 20 cm langs de begrenzingskabel. Leg waarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 20 cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden.
Afstand t.o.v. terrasranden en verharde paden (09)
Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 20~cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon ligt kan de kabel precies op de rand worden gelegd.
Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel (05)
Als de begrenzingskabels van het obstakel weg ofaar het obstakel toe precies samenvallen, d.w.z. met een afstand van 0cm ,beweegt het apparatusat over de begrenzingskabelsBeen. De begrenzingskabels hierbij Niet over elkaarBeen (06/c),maar evenwijdig leggen (05/e).
Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (05, 10)
Bij hier binnen verlopende hoeken (10/a): Begrenzingskabel diagonal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vastkomt te zitten.
Bij buihenhoeken met obstakels (10/b): Begrenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat gegen de hoek aan botst.
Bij buitenhoeken zonder obstakels (05 / j) : Begrenzingskabel met een hoek van 90^ leggen.
4.5.4 Doorgangen afzetten (05/h)
De volgende afstanden要去 in de doorgang aangehouden worden:
Totale breedte: min. 60 cm
Afstand van de begrenzingskabel t.o.v. derand: 20 cm
■ Afstand:tussen de begrenzingskabels:min. 20cm
4.5.5 Hellingen afzetten (15)
Dalingen die groter zich dan vermeld in de technische gegevens要去en met de begrenzingskabel worden afgezet (45% = 45 cm daling per 1 horizontaal) (zie technische gegevens).
De begrenzingskabel mag nicht over een helling vaneer dan 20% worden gelegd. Om problemen bij het keren te vermijden moet er een afstand van 50~cm tot 20% helling worden nageleefd. Als de helling aan de buitenrand van het werkgedeelte op een punt meer dan 20% is,要去 de begrenzingskabel met een afstand van 20~cm op het vlakke terrein voor het begin van de helling worden gelegd.
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (11)
Om na de inrichting van het maaibereik het basisstation nog te kuren verplaatsen of het maaibereik te vergroten, moet er op regelmatige afstanden een reservelenge in de begrenzingskabel worden ingebouwd.
Kies het aantal kabelreservelegtes maar eigengoeddanken.
OPMERKING Vorm bij reservelengtes geen open lussen.
- Leg de begrenzingskabel rond de actuèle gazonpen (11/1) en weeer terug maar de vorige gazonpen (11/3).
- Leid de begrenzingskabel dan waar terug maar de actuèle gazonpen. Er ontstaat een Ius. De kabels要去en bij elkaar liggen.
- Indien nodig de lus in het midden met een extra gazonpen (11/2) aan de grond bevestigen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (06)
De reserves van de begrenzingskabel worden Niet in een gelijkmatige, langgerekte lus gelegd (06/a).
De begrenzingskabel worden nicht deskundig rond de hoeken gelegd (06/b).
De begrenzingskabel worden gekruist of nicht rechtsom gelegd (06/c).
De begrenzingskabel worden te onnauwkeurig gelegd, zodate randedeeltes van het gazon nicht gemaaid+kennen worden (06/d).
De begrenzingskabel worden bij hetijken-enterugleiden van de rand waar een obstakelbinnen het gazon Niet direct naast elkaar liggend gelegd (06/e).
De startpunten worden te ver weg van het basisstation vastgelegd (06/f).
De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heb ven gelegd (06 / g)
Bij het leggen van de begrenzingskabel worden de minimum afstand voor doorgangen van 20 cm onderschreden (06/h).
De begrenzingskabel worden te:dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 20 cm t.o.v. Niet te passeren obstakels gelegd (06/i).
4.6 Basisstation op voeding aansluten (08)
- Voeding (08/1) op een droge en gegen zonlicht beschermde plek voldoende in de buurt van het basisstation (08/2)plaatsen.
- Kabel (08/3) stevig aan de voeding vastdraaien.
- Stekker (08/4) van de voeding in een gegen regen beschermde contactdoos (08/5) steken.
OPMERKING Wij adviseren om de voeding op het spanningsnet via een aardlekschakelaar met een nominale lekstroom van < 30mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het basisstation controleren (08)
- Controller of de led aan de Voorkant van de laadzuil (13/1) brandt. Indien Niet:
Trek de voedingskabel los.
- Controller alle stekkerverbindungen van de voeding en van de begrenzingskabel op juiste montage en beschadigingen.
Toestandsweergave van de led
Led Bedrijfstoestanden
geel
Brandt als de voeding in orde is.
4.8 Quick Homing Kit installeren

Scan deze QR-code om informatiete verkrijgen hoe de Quick Homing Kit worden geinstalleerd. Zie ook demontagehandleiding 443565 "Quick Homing Kit - Installatie".
5 INBEDRIJFSTELLING
Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instellen gen die nodig zich om het apparaat voor de eerste keer in bedrijf te stellen. Voor alle andere instellen gen die Hoofdstuk 7 "Instellengen", pagina 71.
5.1 Accu opladen (12)
Bij normalaal gebruik worden de accu van het apparaat regelmatig opgeladen.
OPMERKING De accu要去 voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is Niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
- Apparaat (12/1) zodenig in het basisstation (12/3)plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het basisstation raken.
- Met apparaat inschakelen.
- Het display op het apparaat toont Accu wordt geladen. Indien Niet: zie Hoofdstuk 10 "Hulp bij storingen", pagina 76.
5.2 Basisinstellungen uitvoeren
- Afdekkap openen.
- Met paraat inschakelen. Firmware, code en type worden weergegeven.
- In het menu taalkeuze met taalselecteren en met overnemen.
-
In het menu Aanmeling > PIN invoe- ren het vooraf ingestelde PIN 0000 invoe- ren. Hiervoor na elkaar met he cijfer 0 selecteren en telkens met overnen. Na de invoer van het PIN worden de toe- gang vrijgeschakeld.
-
In het menu PIN wijzigen:
Bij Nieuwe PIN invoeren een zelf gekozen zichew PIN van vierplaatsen invoeren. Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
Bij Nieuwe PIN herh. het neue PIN opnieuw invoeren. Als beiden invoeren identiek zich, worden PIN met succès gewijzigd weergegeven.
-
In het menu Datum invoeren de actuèle datum instellen (formaat: DD-MM-20JJ). Hiervoor na elkaar met f es cijfer selecteren en telkens met overnemen.
-
In het menu Tijdstip invoeren >24h- formaat de actuèleijd instellen (formaat: HH:MM). Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
De basisinstellungen zijn voltooid. De status Ongekalibreerd starttoets indrukken worden weergegeben.
5.3 Maaihoogte instellen (14)
De maaihoogte kan traploosussen de 25 - 55 mm met de hand worden versteld.
OPMERKING Voor de kalibratierit (zie Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierit uityoeren", pagina 70) en voor het leren van de startpunten (zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunter instellen", pagina 72) worden een maaihoogte van 55mm aanbevolen.
-
Afdekking (14/1) openen.
-
De maaihoogte instellen (de actuèle maaihoogte worden op het scherm (14/3) in millimeter aangegeven):
Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verhogen: Draaiknop (14/2) rechtsom (14 / + ) draaien.
Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verla-gen: Draaiknop (14/2) linksom (14/-) draaien.
- Afdekking sluiten.
5.4 Automatische kalibratierituitvoeren
ROPMERKING Voer voor de inbedrijfstelling een kalibratie uit (zie Hoofdstuk 5.4 "Automatisch kalibratierit uitvoeren", pagina 70) of voer het teeken van de stanrtpunten uit (zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunter instellen", pagina 72).
Zet het apparaat op de beginstand (13)
- Zet het apparaat binnen het maaigebied op de startpositie:
min. 1 m links en 1 m voor het basisstati-on
met de Voorkant op de begrenzingskabeluitgelijnd
Kalibratierit starten
-
Controller der binnen het te voorspellen bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat要去 met beiden voorwielens tegelijk over de begrenzingskabel heb een kuren rijden. Indien nodig obstakels verwijderen of kabel tijdelijk maar binnen leggen (min 35 cmoodzakelijk).
-
Met Apparaat starten. Op het display wordt weergegeven:
!waarschuwing!Aandrijving start
Kalibreren,Fase[1]
Tijdens de kalibratierit
Het apparaat rijdt voor de bepaling van de signaalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee koer over de begrenzingskabel toen en vertologens maar het basisstation en blijft waar stilstaan.
Op het display wordt de melding kalibratie voltooid gegeven.
De accu worden opgeladen.
OPMERKING Het apparaat moet bij het binnenrijden in het basisstation blijven staan. Als het apparaat bij het binnenrijden in het basisstation de contacten Niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat Niet door het basisstation rijdt is de kalibratieprocedure mislukt. In dat geval moet het basisstation better uitgelijnd en de kalibatieprocedure herhaald worden.
Na de kalibratie
De vooraf ingestelde actuèle maaitijd worden aangegeven.
Voor alle andere instellingen zich Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 71.
Robolinho
OPMERKING Om voor een correcte werkking te zorgen en foulmeldingen te reduceren moet de luslengte met de functie "Instappunten teachen" worden gemeten.
6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
- Met apparaat inschakelen.
Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 73.
- Met paraat met de hand starten.
6.2 Maaiwerking staken
op het basisstation (12/4) of op het apparaat indrukken.
Het apparaat rijdt automatisch maar het basisstation. Het wist het maaischema van de actuèle dag en start de volgende dag waar op het ingestelde tijdstip.
op het apparaat indrukken.
De maaiwerking worden gedurende een half.
aar onderbroken.
op het apparaat indrukken.
Het apparatus wordtuitgeschakeld.
OPMERKING In gevaarlijke situatuies kan het apparaat met de STOP-toets (12/2) worden gestopt.
-
Apparaat optillen en met de hand op het nevenoppervlak plaatsen.
-
Met apparaat inschakelen.
3.Met fdmenu opropen.
- of* stellingen
- enoppervlak maaien
6.Met maatijd selectoren.
- Met a paraat met de hand starten.
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingesteldeijd en schakelt verrolgensuit of maait verdter tot de accu leeg is.
Na het maaien van het nevenoppervlak het apparaat weeer met de hand in het basisstation plaatsen.
7 INSTELLINGEN
7.1 Installing oproepen - Algemeen
- Met fdmenu oproepen. Opmerking: Het sterretje * voor het menupunt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
- of * stellingen
- Met het gewenste menupunt selec- teren en met overnemen.
- Instellingen uitvoeren. Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
5.Met ggaan naar het hoofdmenu.
OPMERKING Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellungen uitvoeren", pagina 69.
7.2 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren
- of* Geluidssignaal knopbe-
diening
- Geluidssignaal knopbediening activeren/de-activeren:
of Activeren: toetstonen activeren.
ofgedeact.:toetstonen deactiveren.
7.3 Eco-modus activeren/deactiveren
In de Eco-modus schakelt het apparaat om maar de energie besparende modus. Daardoor wordt het energieverbruik en de geluidsemissie gereduceerd.
OPMERKING In hoog en dicht gras evenals dichte grasmat Niet aanbevolen of eventueel nicht möglichk.
-
oMode
-
Eco-Mode activeren/deactiveren:
Activeren Eco-Mode activeren.
gedeact. Eco-Mode deactiveren.
7.4 Regensor instellen
OPMERKING Maaien van een droog gazon vermindert verruiling. Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragings-tijd kan er worden voorkomen dat het apparaat bij een nat gazon maait.
Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het apparaat terug maar het basisstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is gedroogd. Vervolgens wacht het nog dearend af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien. De gevoeligheid van de regensensor is instelbaar.
- o: Rgensensor
- Regensensor activeren/deactiveren:
ofActiveren:Regensensor activeren.
ofgedeact. Regensensor deactiveren.
- Vertraging van de regensensor instellen:
of Regensensor vertrag.
xx uur xx minuten Met de gewenste waarde voor de vertraging selecteren en met bevestigen.
- Gevoeligkeit van de regensensor instellen:
of Regengevoelig
Met de gewenste waarde voor de gevoeligheid instellen en met bevestigen.
7.5 Maaiprogramma instellen
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
- Met offdmenu opropen.
- oPgramma
- Met me numpunt selecteren en met overnemen.
- Instellingen uitvoeren. Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreiben.
7.5.2 Startpunten instellen
Startpunter teachers
- Apparaat in het basisstation plaatsen.
2.Met apparaat inschakelen.
3.Met offdmenu oproepen.
- of * Pgramma
- startpunter
- o* startpuntertechen
- startteachrun voor startupnten
of start . Het apparaat beweegt langs de begrenzingskabel.
of Jier, als het apparaat het gewenste startpunt heeft bereikt. Het startpunt worden opgeslagen.
- ste startpunt 1 in, als bij de teachrun geen startpunt is vastgelegd. Als er hier geen startpunt worden vastgelegd, worden de startpunten automatisch vastgelegd.
- oStarpunt x: XXm,als het laatste startpunt is bereikt.
Startpunten met de hand vastleggen (05)
Het eerste startpunt (05/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1 m rechts naast het basisstation. Achter dit punt können verdere startpunten worden gedefinieel (zie technische gegevens).
Houd bij het vastleggen van de startpunten rekening met het volgende:
Stel de startpunten nicht te ver verwijderd van het basisstation en nicht te zich bij elkaar in (06/f).
Gebruik slechts zoveel startpunten als nodig.
- of* startpunten
- Pnt X1 bij [020m] Met navelkaar een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
-
0 x2 bij [075m] Met nelaar een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
-
Verdere startpunten vastleggen indien nodig.
- Met teuggaan aan het hoofdmenu.
7.5.3 Maaitijden instellen
OPMERKING Tussen de programmering van de maaitijden en het starten van het maaien要去en 30 minutes liggen. Indien Niet start het apparaat op+zijn vroegt 30 min na de LASTe toetsbediening.
In het menupunt Weekprogramma worden de dagen van de week en de tijdstippen ingesteld waarop het apparaat moet maaien. Pas deze instellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog ongemaaide gebieden te zien+zijn要去en de maaitijden verlangd worden.
- o* weekprogramma
of E1ke dag [X]: Het apparaat maait iedere dag op de ingestelde tijd stippen. Als E1ke dag [ ] wordt aangegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde Weekdagen.
of Maandag [X]...* Zondag [X]: Het apparaat maait op de ingesteldeweekdag op de ingestelde tijd stippen. Als bijv.Maandag [] wordt weergegeven,maait het apparaat op de betreffende dag Niet.
of wijzigen: De betreffende dag activeren [X] of deactiveren [, tijden, manier van maaien en startpunten instellen.
- Instellungen voor alle dagen of de betreffende dag uitvoeren:
bijv. [M] 07:00-10:00 [?:] Normaal maaien [M] van 07:00 - 10:00 uur met automatisch wisseleend startpunt 0 - 9 [?].
bijv. [R] 16:00-18:00 [1]: Het apparaat start om 16:00 uur met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daarna begint het maaien van het oppervlak op startpunt 1 [1]. Om 18:00 uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug maar het basisstation.
of wijzigen : Geselecteer deinstelling wijzigen.
of Verder: Gewijzigde instelling bevestigen en verder maar de volgende instelling.
- of Ops:Alle gewijzigde instellingen van het menupunt opslaan.
7.5.4 Passagemodus
De passagemodus zorgt bij nauwe passages voor een beter maairesultaat.
- Startpunt in de nauwe passage zetten (zie paragraaf „Startpunter instellen").
- Vanaf het ingestelde startpunt in de passagemodus starten (zie paragraaf „Maaiprogramma instellen").
biv. *P] 16:00-18:00 [3]: Het apparaat start om 16:00 uur met de passagemodus [P] en begint op startpunt 3 [3] te maaien. Om 18:00 uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug maar het basisstation.
7.6 inTOUCH
Een bestaande verbinding met een gateway kan verbroken worden. Daardoor staat het apparaat gedurende 30 minutes open voor een neue verbindingsopbouw.
OPMERKING Om later een verbinding op te bouwen要去 verbinding eerst opnieuw worden verb broken, ook als het apparaat vooraf Niet met een gateway was verbonden.
-
of *inouch
2.verbinding verbeken apparatusalmeldt:voltooid.
-
Met bevstigen en terugaan maar het menu.
7.7 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld worden dat het apparaat met het maaien van de randen begint.
Randen op de geprogrammeerde maaitijden maaien:zie Hoofdstuk 7.5.3 "Maaitijden instellen",pagea 72.
- of Randen maaien
- handmatige start
7.8 Maaien van nevenoppervlakken instellen
- o* Nvenoppervlak maaien
- Maaitijden instellen:
of nactief:
Maaien van nevenoppervlakken is uitgeschakeld.
ofactief:
Het apparaat maait tot de accu leeg is.
of Wahzeit in min:
Het apparaat maait gedurende de ingesteldeijd het nevenoppervlak. De volgende maaitijden können ingesteld worden: 30/60/90/120/tot accu leeg.
7.9 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. in zonlicht slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het displaycontrast verbeterd worden.
- playcontrast
- Met het vsplaycontrast verhogen/ verlagen en met overnemen.
7.10 Instellingsbescherming
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veiligheid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
-
of l tellingsbescherming
-
Instellingsbescherming activeren/deactiveren:
of activeren: Instellingsbescherming activeren.
of edact. : Instellingsbescherming deactiveren.
7.11 Opniewu kalibreren
Als de positie of de lenghte van de begrenzingskabel werd gewijzigd of het apparaat de begrenzingskabel Nieteer kan vinden, moet er op-nieuw gekalibreerdd worden.
- opnew kalibreren
- Kalibratie terugzetten?
- Kalibratierum uitvoeren: zie Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierit uitvoeren", pagina 70.
7.12 Terugzetten op fabrieksinstellungen
De fabrieksinstelling van het apparaat+kennen bijv.oor een doorverkoop teruggezet worden.
- of* Fabrieksinstallingen
apparaat meldt:Instellingen met succes hersteld
Het menu Informatie dient voor de weergave van de apparaatgegevens. In dit menu kan denverder geen instellingen worden gedaan.
- Met ofdmenu opropen.
- o* informatie
- Met menupunt selecteren en met overnemen.
Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreiben.
4. Met teruggaanaar het hoofdmenu.
Messenservice
Geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een messenservice moodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice van een AL-KO dealer, technicus of een servicepartner uit lately voeren.
Teller voor de messenservice terugzetten:
- oBevstigen
Hardware
Geeft informatatie weever het apparaat, als bijv. type, fabricejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laadcycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel.
Software
Geeft de software-versie aan.
OPMERKING Houd de software van de Robolinho maairobot aktijd actuel. Controller regelmatig de firmwareversie enactualiser die indien nodig. De Robolinho Updater Software vindt u op internet op:
www.al-ko.com/shop/de/robolinho-autoupdater
Programma-info
Toont actuèle instellingen als bijv. de totale wekelrijkse maaitijd.
Storingen
Geeft de als staat opgetreden storingsmeldingen met datum,ijd en foutcode wee.
9 ONDERHOUD EN VERZORGING
VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen konnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden alsijd beschermende handschoenen!
9.1 Reiniging
LET OPI! Gevaar door water. Water in de robot-grasmaier en in het basisstation leidt tot schade aan elektrische componenten.
Spuit de robot-grasmaier en het basisstation Niet met water af.
VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen. De snijmessen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaamsdelen nicht in de snij-messen verechtkomen.
Een keer per week uityoeren:
- Met apparaat uitschakelen.
-
Oppervlak van het lui met een stoffer, een borstel, een vochtige doek of een fijn spon afvegen.
-
Onderkant, maaidek en snijmessen met een borstel afborstelen.
- Snijmessen op beschadigingen controleren.
Indien nodig verrangen: wie Hoofdstuk 9.3 "Messen verrangen", pagina 75.
Basisstation reinigen
- Grasrestanten en loot of andere voorwerpen regelmatig uit het basisstation verwijderen.
- Oppervlak van het basisstation met een vouchtige doek of een fijn spons afvegen.
9.2 Regelmatige controle
Algemene controle
- Controller eén keer per week de gehele installatie op beschadigingen:
Apparaat
Basisstation
Begrenzingskabel
Voeding
- Laat defeche onderdelen door originele onderdelen van de fabrikant of door een servicepunt van de fabrikant verrangen.
Wielen controlleren op vrije beweging
Een keer per week uitvoeren:
- De omgeving van de rolden grondig van grasrestanten en verruiling ontdoen. Gebruik hiervoor een stoffer en een doeK.
- Controller of de rolten soepel draaien en of ze gestuurd können worden.
Opmerking: Als de rollen stroef draaien of Niet gestuurd konnen worden要去en ze door een servicepunt van de fabrikant worden verrangen.
- Vervoiling met een doek verwijderen en dan iets met contactvet insmeren.
- De netstekker van het apparaat uit het stopcontact halen.
- De laadcontacten richting basisstation drukken en loslaten. De laadcontacten要去eer terugveren in de uitgangspositie.
Opmerking: Als de laadcontacten Niet terugveren要去 en door een servicepunt van de fabrikant worden verrangen.
9.3 Messen verrangen
VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen. De snijmessen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaamsdelen nicht in de snijmessen terechtkomen.
LET OP! Beschadiging van het apparaat door ondeskundige reparatie. Door hetrechtbuigen van verbogen gemonteerde snijmessen kan de messenschijf beschadigd raken.
Buig verbogen snijmessen nichtrecht.
Vervang verbogen snijmessen door originele reserveonderdelen van de fabrikant.
Versleten snijmessen of verbogen snijmessen要去en worden verrangen.
- Met apoaraat uitschakelen.
- Apparaat omkeren met de messen maar boven toe.
- Bevestigingsbouten losdraaien.
- De snijmessen uit de meszitting halen.
-
De meszitting reinigen met een zacht borsteltje. Opmerking: De snijmensen zich over de gehele lengte geslepen en{kunnen daarom 180^ gedraaid gemonteerd worden,waardoor de draai-tijd verdubbeld worden.
-
Messen verrangen:
Als de snijmessen sinds de eerste montage nog Niet+zijn gedraaid: Snijmessen 180^ draaien en met de geslepen kant maar het apparaat toe wijzend weer in de meszitting plaatsen en de bevestigingsbouten wee handvast aandraaien.
Als de snijmessen sind de eerste montage alienszem gedraaid: Nieuwe snijmessen met de geslepen kant maar het apparaat toe wijzend in de meszittingplaatsen en neue bevestigingsboute handvast aandraaien.
Opmerking: Er月至suiitend origi-nele reserveonderdelen van de fabrikant worden gebruikt.
Als ernstige verruiling Niet met een borstel kan worden verwijderd,要去 de messenschijf worden verrangen, omdat er anders onbalans kan zorgen voor meer geluid,meer slijtage en functiesto-ringen.
VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen hunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden alsijd beschermende handschoenen!
OPMERKING Neem contact op met once klantenservice bij storingen die nicht in deze tabel staan vermeld of die u Niet zich kunt oplossen.
| Storing Oorzaak Maatregel | |
| Apparaat start nicht. |
| Accu is leeg. Apparaat in het basisstation opladen. |
| Apparaat komt klem te zitten en graaft zich vast. De wielen draaien verder. |
| Stootsensoren worden nicht geacti-veerd. | Gaaar een servicepunt van de fabrikant. |
| Gras is te hoog. | De maaihoogte hoger instellen, daarna la-ger instellen tot de gewenste hoogte.Gras met een grasmaaier maaien. |
| Apparaat blijf op een oneffenheid van het gazon hangen. | Oneffenheid verwijderen. |
| Apparaat maait op verkeerdeijdstippen. |
| Apparaat heeft de verkeerdeijd. Tijd instellen. |
| Maaiduur is verkeerd ingesteld. Maaitijden instellen. |
| Apparaat verliest deijdinstellin-gen. | Accu is defect. Gaaar een servicepunt van de fabrikant. |
| Motor stoptijdens het maaien. |
| Motor is overbelast. Apparaat uitschaken, op een vlakke onder-grond of laag grasplaatsen en opnieuw starten. |
| Accu is leeg. Accu opladen. |
| Snijmessen�stomp. Snijmessen | omkeren of indien nodig verwangen. |
| Maairesultaat is ongelijkmatig. |
| Maaitijd is te kort. Langere maaitijden programmeren. |
| Maiaigebied is te groot. Maaigebiedverkleinen. |
| De maaihoogte is te laag inge-steld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager in-stellen tot de gewenste hoogte. |
| Snijmessen�stomp. Snijmessen | omkeren of indien nodig verwangen. |
| Het vermogen van de accu neemt duidelijk af. |
| ■ De maaihoogte is te laag inge-steld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager in-stellen tot de gewenste hoogte. |
| ■ Gras te hoog of te nat. | ■ Gras laten drogen.
■ Maaihoogte hoger instellen. |
| Apparaat trilt of het geluidsvolume is te hoop. |
| Onbalans in het snijmes of in de aan-drijving van het snijmes | ■ Maaidek reinigen.
■ Ga maar een servicepunt van de fabrikant. |
| Accu kan Niet opgeladen worden resp. te lage accuspanning |
| ■ Laadcontacten van het basisstati-onঃn verruild.
■ Contactoppervlakken aan het ap-paraatঃn verruild. | Laadcontacten en contactoppervlakken reini-gen. |
| ■ Basisstation heeft geen stroom. Basisstation op voeding aansluten. |
| ■ Apparaat raakt de laadcontacten Niet. | ■ Apparaat in het basisstationplaatsen en con-troleren of de laadcontacten contact maken.
■ Ga maar een servicepunt van de fabrikant. |
| ■ Levensduur van de accu is afgelo- pen. | Ga maar een servicepunt van de fabrikant. |
| ■ Oplaadelektronica is defect. Ga maar een servicepunt van de fabrikant. |
10.2 Foutcodes en -oplossing
OPMERKING Neem contact op met once klantenservice bij storingen die nicht in denen tabel staan vermeld of die u zich selbst kunt oplossen.
| Foutcode Oorzaak Maatregel | |
| CN001: Tilt sensor | Kantelsensor is geactiveerd:
■ Max. hellingshoek over-schreden
■ Apparaat ward gedragen
■ Helling te steil | Apparaat op een horizontale onder-grondplaatsen en de fouit bevestigen. |
| CN002: Lift sensor | De hefsensor is geactiveerd:
■ De afdekking van het ap-paraat ward door optillen of door een obstakel maar boven toe wegde-drukt. | Obstakel verwijderen. |
| CN005: Bumper de-flected | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken (bijv. botsing in de buurt van het basisstation). | Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen.
■ Positie van de begrenzingskabel corrigeren. |
| CN007: No loop signal | ■ Geen circuitsignaal
■ Begrenzingskabel is defect.
■ Circuitsignaal is te zwak. | ■ Led aan het basisstation controle ren.
■ Voeding van het basisstation controlen. Voeding losnemen en weeeraansluiten.
■ Begrenzingskabel op beschadig-gen controleren. Defecte kabel repareren. |
| CN008: Loop signal weak | ■ Circuitsignaal te zwak
■ Begrenzingskabel te diep ingegraven | ■ Led aan het basisstation controle ren.
■ Voeding van het basisstation controlen. Voeding losnemen en weeeraansluiten.
■ Begrenzingskabel tot de voorgeschreven hoogte verhogen,evt.di-rect op het gazon bevestigen. |
| CN010: Bad position | ■ Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga-zonoppervlak.
■ Begrenzingskabel werk gekruist. | ■ Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen.
■ Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. Kruising van de kabel opheffen. |
| CN011: Escaped robot | Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper-vlak. | Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. |
| CN012: Cal: no loop | Storingijdens de kalibratie: | ■ Voeding van het basissstation controlen. Voeding losnemen en weeeraansluiten. |
| CN015: Cal: outside | Apparaat kan de begren-zingskabel Niet vinden. | ■ Apparaat op de voorgeschreven kal libratiepositie zetten, precies haaks uutilijnen. Apparaat要去 over de begrenzingskabel hebeken kunnen rijden. |
| CN017: Cal: signal weak | Storingijdens de kalibratie:
■ Circuitsignaal te zwak
■ Geen circuitsignaal
■ Begrenzingskabel is defect. | ■ Apparaat op de voorgeschreven kal libratiepositie zetten, precies haaks uutilijnen.
■ Voeding van het basissstation controlen. Voeding losnemen en weeeraansluiten.
■ Begrenzingskabel op beschadigin-gen controleren. |
| CN018: Cal: Collisi-on | Storingijdens de kalibratie:
■ Apparaat is tegen een obstakel aan gereden. | Obstakel verwijderen. |
| CN038: Battery Accu is | leeg: | |
| ■ Circuit van de begren-zingskabel is te lang, te veel eilanden. | Positie van de begrenzingskabel corri-geren. |
| ■ Bij het opladen geen contact met de laadcontacten | ■ Laadcontacten reinigen.
■ Apparaat in het basisstation plaat-sen en controlleren of de laadcontacten contact makes.
■ Laadcontacten latent controlleren door een servicepunt van de fabrikant en latent vermieuwen. |
| ■ Obstakels in de buurt van het laadstation | Obstakels verwijderen. |
| ■ Apparaat heeft zich vast-gereden. | Apparaat op een vrij, omheind gazonplaatsen. |
| ■ Apparaat vindt het basis-station Niet. | ■ Begrenzingskabel op beschadigin-gen controlleren.
■ Begrenzingskabel door een service-punt van de fabrikant latent doorme-ten. |
| ■ Accu is opgebruikt. Accu door een servicepunt van de fabrikant latent verrangen. |
| ■ Oplaadelektronica is defect. | Laadelektronica door een servicepunt van de fabrikant latent verrangen. |
| CN099: Recov escape | Automatisch verhelpen van storing Niet möglich | ■ Storingsmelding met de hand be-vestigen.
■ Als dit waar opttreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la-ten controlleren. |
| CN104: Battery over heating | ■ Accu is oververhit (meer dan 60 °C). Er is geen ontlading möglich.
■ Noodstop door controle- elektronica | ■ Apparaat uitschakelen en accu latent afkoelen.
■ Apparaat nicht in het basisstationplaatsen. |
| CN110: Blade motor over heating | Maaimotor is oververhit (meer dan 80 °C). | ■ Apparaat uitschakelen en latent af-koelen.
■ Als dit waar opttreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la-ten controlleren. |
| CN119: R-Bumper deflected | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| CN120: L-Bumper deflected |
| CN128: Recov Impos-sible | Apparaat is gegen een obstakte gereden en kan zich nicht losmaken. | Obstakte verwijderen. |
| Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga-zonoppervlak. | Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen.
Positie van de begrenzingskabel corrigeren. |
| CN129: Blocked WL | Motor van linkerwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. |
| CN130: Blocked WR | Motor van rechterwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. |
De beschrijving van verdere foutcodes staat op de AL-KO homepage.
11 TRANSPORT
Ga voor het transport van het apparaat als volgt te werk:
- Met met de stoptoets het apparaat stoppen.
- Met apparatus uitschakelen.
- Til het apparaat met beiden handen aan het huis op:
De snijmessen mogen nicht aangeraakt worden.
De snijmessen要去en alkijd van het lichaam weg wijzen.
12 OPSLAG
12.1 Robot-grasmaier opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen nicht worden gebruikt.
- Accu geheel opladen (Accu opladen (08))
-
Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1 "Reiniging", pagina 74).
-
Apparaat bewaren:
staand op alle wienen
op een droge, aflsuitbare en gegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
12.2 Laadpaal demonteren en opbergen (18, 19)
Demonteer de laadpaal op als hij gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen Niet worden gebruikt en berg hem op.
- Voeding van het net scheiden en van het basisstation losnemen.
- Laadpaal verwijdersen:
Beide bouten (18/1) en (18/2) van de laadpaal (18/3) losdraaien.
Beide toetsen (18/4, 19/1) tegelijk indrukken om de laadpaal te ontgrendelen.
Laadpaal kantelen (19/a).
Stekkerverbindingen (19/2) en (19/3) losmake.
Opening van de basis (19/4) aflsuiten met de bijgevoegde winterafdekking (19/5), (19/b) zie technische gevevens.
- Laadpaal opbergen:
op een droge, afsluitbare en gegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zitten en hoeft nicht verwijderd te worden.
13 VERWIJDEREN
Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten

Oude elektrische en elektronische apparaten horen nicht thuis bij het huishoudelijkke afval, maar要去en geschieren worden aangeboden of verwijderd!
-
Gebruike batterijen of accu's, die nicht vast in het apparaat ingebouwd zijn,要去en voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recyclung ervan worden door de batterijwetgeving beheerst.
-
Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht.
De eindgebungruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen gebruekte apparaat!
Het symbol van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elektronische gebruike apparaten Niet via het huisvuil moot worden verwijderd.
Elektrische en elektronische apparaten können op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeben:
- Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot terugname verplicht zich on deze vrijwillig aanbieten.
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geinstalleer den verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie konnen afwijkende voorschriften gelden voor het verwijdersen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten.
Over de batterijwetgeving (in Duitsland: BattG)

- Gebruike batterijen en accu's horen nicht bij het gewone afval, maar要去en afzonderlijk worden weggedaan!
Zie de gebruiksaanwijzing om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu'suit het elektrische apparatus over te kuren gaan en voor informatie over het type of het chemisch system.
Eigenaars of gebruikers van batterijen en accu's zich wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is beperkt tot de normale huishoudelijk hoeveelheden.
Gebruike batterijen können schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de gezondheid schade+kunnen toebrengen. Het hergebbruiken van gebruike batterijen en het opnieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen.
Het symbol van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruike batterijen en accu's Niet via het huisvuil moot worden verwijderd.
Wanner ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005% kwik
Cd: Batterij bevat meer dan 0,002% cadmium
Pb: Batterij bevat meer dan 0,004 % lood
Accu's en batterijen können op de volgende inzamelpunten gratis worden afgegeben:
- Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van batterijen en accu's
Een inzamelpunt van het gemeenschappelijkke recycling system voor gebruikte apparaten en batterijen
Een inzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijkke recyclung systeme)
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op accu's en batterijen die in landen van de Europese Unie verkocht werden en die voldoen aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten de Europese Unie kannen andere bepalingen voor de recycling van accu's en batterijen gelden.
Aanwijzingen voor de verpakking
Het verpakkingsmaterial is herbruikbaar. Doe de verpakking milieubewust weg.
Accu demonteren voordat het apparaat worden afgedankt (16)
De geintegreerde accu moet gedemonteerd en apart wegdedaan worden voordat het apparaat wordt afgedankt.
- Bouten (16/1) losdraaien.
- Deksel van het accuvak (16/2) afnemen.
- Accu (16/3) loskoppelen en uitmelen.
- Deksel weeer plaatsen en bouten weeer aan-draaien.
14 KLANTENSERVICE/SERVICE CENTRE
Voor vragen over garantie, reparatie of reserve-onderdelen kurz u contact opnemen met het dichtstbijzijnde AL-KO service centre. Deze vindt u op internet op het volgende adres: www.alko-garden.com/service-contacts
Verdere informatatie over reserveonderdelen vindt u op:
www.alko-garden.com/spareparts
We verklaren hierbij onder unsere eigen verantwoordelijkheid dat dit product, zoals het op demarkt worden gebracht, voldoet aan de eisen van
de geharmoniseerde EU-richtlijnen, de EU-veiligheidsnormen en de productspecifieke normen. De conformiteitsverklaring is deel van de gebruikshandleiding en worden met de machine meegeleverd.
16 GARANTIE
Eventueel bennen de wettelijkke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden maar eigien oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een verrangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werk aangeschaft.
Onze garantie geldt alleen bij:
naleving van deze gebruikershandleiding
- Deskundig gekruik
Gebruik van originele reserveonderdelen
De garantie vervalt bij:
Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
Eigenhandig aangebrachte technische wijzigingen
Gebruik voor andere doeleinden dan het gebruiksdoel
Van de garantie zijn uitgesloten:
lakschade opgetreden als gevolg van normala gebruik
Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kaderxxxxxxxx (x) zijn aangeduid
De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is waar bij de datum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon maar uw dealer of waar deuchtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring LAST het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.
TRADUCTION DE LA NOTICE D'UTILISATION ORIGINALE
Table des matieres
1 Omijkebrugsanvising 304
*in functie de model (vezi datele tehnice)
2.2 Maśina de tuns iarba robotizata (02)
Nr. Piesa
- in functie de model (vezi datele tehnice)
2.8 Accumulator