Robolinho 3100 - Robotmaaier AL-KO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Robolinho 3100 AL-KO in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Robolinho 3100 - AL-KO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Robolinho 3100 van het merk AL-KO.
GEBRUIKSAANWIJZING Robolinho 3100 AL-KO
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02).................................................... 71
De Duitse versie is de originele gebruiksaan- wijzing. Alle andere taalversies zijn vertalin- gen van de originele gebruiksaanwijzing.
Lees voor de ingebruikname deze gebrui- kershandleiding absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.
Bewaar deze gebruikershandleiding goed zo- dat u erin het antwoord op uw vragen kunt te- rugvinden wanneer u informatie over het ap- paraat nodig hebt.
Draag het apparaat alleen samen met deze gebruikershandleiding aan andere personen over.
Lees en neem de veiligheids- en waarschu- wingsinstructies in deze gebruikershandlei- ding in acht.
1.1 Verklaring van pictogrammen en
signaalwoorden GEVAAR! Wijst op een direct gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt. WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden. VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan lei- den. LET OP! Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële scha- de kan leiden. OPMERKING Speciale aanwijzingen voor meer duide- lijkheid en een beter gebruik. 2 PRODUCTOMSCHRIJVING Deze documentatie beschrijft een volautomati- sche, met een accu gevoede robot-grasmaaier die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoog- te kan versteld worden.
2.1 Inhoud van de levering
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controleer of alle posities zijn inbegre- pen:
- niet bij de levering inbegrepen457293_a 63 Productomschrijving
Nr. Component 1 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2s) 2 Bedieningsveld met display 3 Hoogteverstelknop (verzonken) 4 Raakvlakken 5 Bumper 6 Voorste wielen (stuurbaar) 7 Aandrijfwielen 8 Maaidek 9 Messenschijf 10 Bevestigingsbout 11 Wegruimmes 12 Snijmes
2.3 Symbolen op het apparaat
Symbool Betekenis Houd anderen uit de buurt van de gevarenzone! Vereist extra voorzichtigheid tijdens gebruik! Blijf met uw handen en voeten bij het snijmechanisme vandaan! Houd voldoende afstand! Lees vóór ingebruikname de gebrui- kershandleiding! Voer voor het starten van het appa- raat het PIN in! Rijd niet op het apparaat mee!NL 64 Robolinho 3100 Productomschrijving
2.4 Bedieningsoppervlak
: Maaiwerking staken, het appa- raat rijdt terug naar het basisstation. Het start de volgende dag weer automatisch op de ingestelde maaitijd.
: Hoofdmenu oproepen. 3 Het display toont de actuele bedrijfshoe- danigheid van het apparaat, de naam van het geselecteerde menu, de menu- punten en de functies die geselecteerd kunnen worden.
: Selecteer de menupunten, ver- hoog en verlaag de getalwaarden en kies tussen de instellingen.
: Maaiwerking met de hand starten en onderbreken of maaiwerking na het indrukken van de Home-toets ( ) meteen hervatten.
: Functietoetsen. De functie op- roepen die zojuist boven de toets op het display wordt weergegeven.
: Apparaat in- en uitschakelen.
Hoofdmenu Instellingen Informatie Terug Bevestigen Nr. Indicatie 1 Naam van het geselecteerde menu (hier: "Hoofdmenu") 2 Menupunten in het menu. Er worden tel- kens slechts twee menupunten weerge- geven (hier: "Instellingen" en "In- formatie"). Met de pijltoetsen ( ) kunnen er verdere menupunten worden weergegeven. 3 Functies voor het geselecteerde menu- punt (hier: "Instellingen"), op te roe- pen met de functietoetsen ( ) on- deraan het menu.
: Functietoets links indrukken.
: Functietoets rechts indruk- ken. 4 Sterretje voor de markering van het ge- selecteerde menupunt (hier: "Instel- lingen")457293_a 65 Productomschrijving
Hoofdmenu Programma Weekprogramma zie Hoofdstuk 7.4 "Maaiprogramma instellen", pagi- na74 Startpunten zie Hoofdstuk 7.4.2 "Startpunten instellen", pagina74 Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na76 Instel- lingen Tijdstip zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina72 Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina72 Taal zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina72 PIN-code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina72 Geluid knopgebruik zie Hoofdstuk 7.2 "Geluidssignaal knopbedie- ning activeren/deactiveren", pagina74 Regensensor zie Hoofdstuk 7.3 "Regensensor instellen", pagina74 Regensensoruitstel zie Hoofdstuk 7.3 "Regensensor instellen", pagina74 Randmaaien zie Hoofdstuk 7.5 "Randen maaien bij handmatige start", pagina75 Sub zone actief/inactiefzie Hoofdstuk 7.6 "Maaien van neven- oppervlakken instellen", pagina76 Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.7 "Displaycontrast instellen", pa- gina76 Beveiliginginstell zie Hoofdstuk 7.8 "Instellingsbescherming", pagina76 Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.9 "Opnieuw kalibreren", pagi- na76 Fabrieksinstellingen zie Hoofdstuk 7.10 "Terugzetten op fa- brieksinstellingen", pagina76 Informa- tie Mesonderhoud zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina76 Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina76 Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina76 Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na76 Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina76NL 66 Robolinho 3100 Productomschrijving
Nr. Component 1 HOME-toets 2 Aansluitcontacten voor opladen 3 Basisplaat 4 Uitbreidingsplaat 5 Veerklemmen voor begrenzingskabel 6 Laagspanningskabel 7 Deksel 8 LEDs voor statusweergave
2.8 Geïntegreerde accu
De accu is vast in het apparaat gemonteerd en mag niet door de gebruiker worden vervangen. OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige acculaadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbro- ken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeel- telijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu regelmatig opgeladen. Het apparaat rijdt hiervoor terug naar het basisstation.
De geïntegreerde bewakingselectronica be- ëindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100% is bereikt.
Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontanten van het basis- station met de contactoppervlakken van het apparaat.
Bij een temperatuur hoger dan 45°C blok- keert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze wordt een ac- custoring voorkomen.
Als de bedrijfsduur van de accu ondanks een volledige oplading duidelijk korter is gewor- den, moet hij bij een AL-KO dealer, technicus of AL-KO servicepartner door een originele accu worden vervangen.
Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaar- de, kan hij niet meer worden opgeladen. Laat de accu en de controle-elektronica controle- ren door uw AL-KO dealer, technicus of serv- icepartner.
De laadconditie van de accu wordt getoond op het display. De accustatus na ca. 3 maan- den opslag controleren. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30% is gela- den moet het apparaat in het basisstation ge- plaatst en ingeschakeld worden zodat de ac- cu wordt opgeladen.
Als er elektrolyt uit het huis is vrijgekomen: Apparaat door een AL-KO servicepunt laten repareren!
Indien de accu uit het apparaat werd verwij- derd: Als er ogen of handen met het vrijgeko- men elektrolyt in aanraking zijn gekomen moeten die onmiddellijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddellijk een arts raad- plegen!
2.9 Beschrijving van de werking
Bewegen op het gazon De robot-grasmaaier beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet oppervlak. De oriëntatie van het apparaat gebeurt met sen- soren die het magneetveld van de begrenzings- kabel herkennen. Als het apparaat tegen een obstakel stoot blijft het staan en beweegt verder in een andere rich- ting. Als het apparaat vocht herkent, gaat het au- tomatisch terug naar het basisstation. Als het ap- paraat in een situatie komt waarin er geen wer- king mogelijk is, schakelt het uit.457293_a 67 Veiligheid Maaiwerking en laadwerking De maaifasen worden afgewisseld door laadfa- sen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0%) is ge- daald, gaat het apparaat langs de begrenzings- kabel terug naar het basisstation. Voor de maaiwerking zijn er vooraf ingestelde maaiprogramma's aanwezig waarin ook opper- vlak- en randmaaifuncties zijn opgenomen. Deze maaiprogramma's kunnen door de gebruiker wor- den gewijzigd. 3 VEILIGHEID
3.1 Reglementair gebruik
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Elke andere toepassing, alsook een ver- boden om- of aanbouw, worden beschouwd als niet beoogd gebruik en leiden tot uitsluiting van de garantie, het verlies van de conformiteit (CE- markering) en de afwijzing van elke verantwoor- delijkheid vanwege de fabrikant wat betreft scha- de aan de gebruiker of derden. De toepassingsgrenzen van het apparaat zijn:
max. oppervlak: 1200m
max. zijwaartse helling: 40% (22°)
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is niet geschikt voor gebruik in een openbare omgeving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
beveiligingsvoorzieningen WAARSCHUWING! Risico op letsel Defecte en buiten werking gestelde vei- ligheids- en beveiligingsvoorzieningen kunnen tot ernstig letsel leiden.
Laat defecte veiligheids- en beveili- gingsvoorzieningen repareren.
De beschermings- en beveiligings- voorzieningen nooit buiten werking stellen.
3.3.1 PIN- en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door invoeren van een PIN (personal Identification Number) worden ge- start. Daardoor wordt het inschakelen door onbe- voegde personen voorkomen. DE PIN-code kan gewijzigd worden. Als de Pin-code 3 keer verkeerd wordt ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unblocking Key) noodzakelijk. Als die ook verkeerd wordt in- gevoerd moet er 24 uur voor de volgende invoer worden gewacht. De PIN- en PUK-code dient ook als diefstalbevei- liging:
Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbevoegde personen.
Het apparaat heeft meerdere veiligheidssenso- ren. Hij schakelt na het uitschakelen door een veiligheidssensor niet automatisch weer in. De foutmelding wordt op het display weergegeven en moet bevestigd worden. De reden voor de ac- tivering van de sensor moet worden verholpen. Hefsensor Als het apparaat tijdens de werking aan het huis wordt opgetild, wordt de rijaandrijving uitgescha- keld en de snijmessen worden gestopt. Stootsensoren voor obstakelherkenning Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting wordt aangepast. Wanneer het appa- raat tegen een obstakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizing iets en de stootsen- sor wordt geactiveerd. Hellingsensor in rijrichting/zijkant Als er in rijrichting een helling of een daling of een schuine zijwaartse stand van 22° (40%) wordt bereikt, keert het apparaat om of verandert van rijrichting. Regensensor Het apparaat is uitgevoerd met een regensensor die in geactiveerde hoedanigheid bij regen de maaibeurt onderbreekt en ervoor zorgt dat het apparaat terugrijdt naar het basisstation.NL 68 Robolinho 3100 Montage OPMERKING Het apparaat kan betrouwbaar in de buurt van andere robot-grasmaaiers wor- den gebruikt. Het in de begrenzingskabel gebruikte sig- naal voldoet aan de door EGMF (Euro- pean Garden Machinery Federation) vastgelegde standaards wat betreft de elektromagnetische emissies.
3.4 Veiligheidsinstructies
Personen van jonger dan 16 jaar en perso- nen die de gebruikershandleiding niet heb- ben gelezen, mogen het apparaat niet ge- bruiken. Neem eventueel van toepassing zijnde nationale veiligheidsvoorschriften om- trent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht.
Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Veiligheid van personen en dieren
Op openbaar toegankelijke terreinen moeten rondom het maaigebied waarschuwingsbor- den met het volgende opschrift aangebracht worden: LET OP! Automatische grasmaaier! Kom niet in de buurt van het apparaat! Houd kinderen onder toezicht!
Zorg er tijdens de werking voor dat er geen kinderen in de buurt van het apparaat komen of zijn en dat ze niet met het apparaat spe- len.
Het is verboden om op het apparaat te gaan zitten of om in de snijmessen te grijpen!
Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaiwerk.
3.4.3 Veiligheid van het apparaat
Zorg er voor het begin van de werkzaamhe- den voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwerpen, kledingstuk- ken, stenen, tuingerei of speelgoed) in het werkgedeelte van het apparaat liggen. Die kunnen de snijmessen van het apparaat be- schadigen of door het apparaat beschadigd worden.
Gebruik het apparaat alleen onder de volgen- de voorwaarden:
Het apparaat is niet vervuild.
Het apparaat vertoont geen beschadigin- gen of slijtage.
Basisstation en transformator en de elek- trische voedingskabels zijn niet bescha- digd en werken.
Vervang defecte onderdelen altijd door origi- nele reserve-onderdelen van de fabrikant.
Laat het apparaat repareren wanneer het be- schadigd raakte.
De gebruiker van het apparaat is verantwoor- delijk voor letsel bij derden of voor materiële schade.
Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkertijd een tuinsproeier op het maaioppervlak in be- drijf is.
Spuit het apparaat niet met water af.
Open het apparaat niet. 4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
1. Open de verpakking voorzichtig.
2. Haal alle componenten voorzichtig uit de ver-
pakking en controleer ze op transportschade. Opmerking:Neem bij transportschade over- eenkomstig de garantiebepalingen direct contact op met uw dealer, technicus of serv- icepartner van AL-KO.
3. Controleer de leveringsomvang, zie Hoofd-
stuk 2.1 "Inhoud van de levering", pagina62. Indien het apparaat wordt doorverzonden moeten de originele verpakking en de meegeleverde do- cumenten worden bewaard. Die zijn tevens bij re- tournering vereist.457293_a 69 Montage
4.2 Maaivlakken plannen (01)
Locatie van het basisstation (01/1)
kortste mogelijke afstand naar het grootste maaioppervlak
in de schaduw, vlak en beschermd tegen sterke weersinvloeden
aansluitmogelijkheid voor voeding
Het aanhouden van de afstanden moet mo- gelijk zijn:
vrij toegankelijk voor de robot-grasmaaier
links en rechts van het basisstation min. 1 m vrij
Afstand naar achteren min. 35 cm vanaf de begrenzingskabel t.o.v. de muur Leggen van de begrenzingskabel (01) De begrenzingskabel moet in een doorlopende lus rechtsom worden gelegd. Doorgangen tussen de maaigedeeltes (01/i) Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaioppervlakken te verbinden. Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (01)
Hoofdoppervlak (01/HF): Is het gazon waar- op zich het basisstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele oppervlak auto- matisch gemaaid kan worden.
Nevenoppervlak (01/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanuit het hoofdoppervlak niet kan worden bereikt. Nevenoppervlakken kunnen met handmatige werking worden be- werkt. Hoofd- en nevenoppervlak zijn echter alleen door dezelfde, ononderbroken begrenzingkabel om- heind. Positie van de startpunten (01/X0–01/X3) Het apparaat beweegt op de vastgelegde maai- tijd langs de begrenzingskabel tot aan het vast- gelegde startpunt en begint daar met maaien. Met de startpunten kan er vastgelegd worden welke gedeeltes van het maaioppervlak er meer worden gemaaid.
4.3 Maaigedeeltes voorbereiden
1. Controleer of het gazon groter is dan de op-
pervlaktecapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaaid gazon. Verklein het te maaien op- pervlak indien nodig.
2. Voor de montage van basisstation en be-
grenzingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: Het gazon met een gras- maaier op een kleine snijhoogte maaien.
3. Obstakels op het gazon verwijderen of met
de begrenzingskabel afzetten (zie Hoofdstuk
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen kunnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazon naar terras of pa- den, Tegels, randstenen enz.)
Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, dennenap- pels, gevallen fruit enz.)
Steile hellingen van meer dan 40% (22°)
Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het ga- zon
Struiken en heggen die breder kunnen worden OPMERKING Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van de robot-gras- maaier niet kunnen worden herkend. Ver- mijd te veel of onnodige afzettingen.
4.4 Basisstation opbouwen(03)
1. Basisplaat (03/1) aan het basisstation (03/2)
2. Uitbreidingsplaat (03/3) op de basisplaat
3. Basisstation (01/1) haaks t.o.v. de positie van
de begrenzingskabel plaatsen en vlak op de grond uitlijnen. Met een waterpas de uitlijning van het basisstation controleren en indien no- dig de positie van het basisstation aanpas- sen.
4. Basisplaat (03/1) en uitbreidingsplaat (03/3)
met gazonpennen (03/4) bevestigen.
4.5 Begrenzingskabel installeren
OPMERKING Als de meegeleverde begrenzingskabel te kort is, kan bij de AL-KO dealer, de technicus of de servicepartner een ver- lengkabel verkregen worden.NL 70 Robolinho 3100 Montage
1. Het uiteinde van de begrenzingskabel (04/1)
uit de verpakking trekken.
2. De isolatie van het kabeluiteinde ca. 10mm
3. Het geïsoleerde kabeluiteinde (04/3) in de
veerklem (04/4) op de aansluiting (04/6) van het basisstation (04/2) steken.
4. Veerklem (04/4) met het kabeluiteinde in de
basisplaat van het basisstation drukken.
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10 cm onder het gazonop- pervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitge- voerd worden. Beide varianten kunnen met elkaar gecombi- neerd worden. LET OP! Gevaar voor beschadiging van de be- grenzingskabel Als de begrenzingskabel beschadigd of doorgesneden wordt is de overdracht van de besturingssignalen naar het apparaat niet meer mogelijk. In dat geval moet de begrenzingskabel gerepareerd of vervan- gen worden. Begrenzingskabels zijn ver- krijgbaar bij AL-KO.
Leg de begrenzingskabel altijd direct op de grond. Bevestig hem indien no- dig met een extra gazonpen.
Bescherm de begrenzingskabel bij het leggen en tijdens de werking te- gen beschadigingen.
Graaf en verticuteer niet in de buurt van de begrenzingskabel.
1. Leid de begrenzingskabel ten minste 1 m
recht weg van het basisstation (01/a).
2. Bevestig de begrenzingskabel met regelmati-
ge afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
4. Doorgangen tussen de afzonderlijke maaiop-
pervlakken aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (01/i)", pagina71.
5. Te grote stijgingen of dalingen afzetten: zie
Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten", pagi- na71.
6. Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk
7. Leid de begrenzingskabel vanaf een afstand
van ten minste 1 m recht naar het basisstati- on (01/k).
8. Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan
op de aansluiting (04/7) van het basisstation: zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (04)", pagina70.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkge- deelte moet de begrenzingskabel met verschil- lende afstanden t.o.v. de obstakels worden ge- legd. Gebruik voor de bepaling van de juiste af- stand de liniaal die van de verpakking afgehaald kan worden. OPMERKING Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van de robot-gras- maaier niet kunnen worden herkend. Ver- mijd te veel of onnodige afzettingen. Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min.15cm(01) Het apparaat beweegt met een afstand naar bui- ten van 15cm langs de begrenzingskabel. Leg daarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 15 cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden. Afstand t.o.v. terrasranden en getegelde paden(06) Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 15 cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon ligt kan de kabel precies op de rand worden ge- legd. Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel(01) Als de begrenzingskabels van het obstakel weg of naar het obstakel toe precies zijn samenge- legd, d.w.z. met een afstand van 0 cm, beweegt het apparaat over de begrenzingskabels heen. De begrenzingskabels mogen niet gekruist wor- den (01/g).457293_a 71 Montage Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (07)
Bij naar binnen verlopende hoeken (07/a): Begrenzingskabel diagonaal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vast komt te zitten.
Bij naar buiten verlopende hoeken met obsta- kels (07/b): Begrenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat te- gen de hoek aan botst.
Bij naar buiten verlopende hoeken zonder obstakels: Begrenzingskabel met een hoek van 90° leggen.
4.5.4 Doorgangen afzetten (01/i)
De volgende afstanden moeten in de doorgang aangehouden worden:
Hellingen van meer dan 40% moeten met de be- grenzingskabel afgezet worden (40% = 40cm helling per 1m horizontaal).
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (08)
Om na de inrichting van het maaibereik het ba- sisstation nog te kunnen verplaatsen of het maai- bereik te vergroten, moet er op regelmatige af- standen een reservelengte in de begrenzingska- bel worden ingebouwd. Kies het aantal kabelreservelengtes naar eigen goeddunken. OPMERKING Vorm bij reservelengtes geen open lus- sen.
1. Leg de begrenzingskabel rond de actuele ga-
zonpen (08/1) en weer terug naar de vorige gazonpen (08/3).
2. Leid de begrenzingskabel dan weer terug
naar de actuele gazonpen (08/1). Er ontstaat een lus. De kabels moeten bij elkaar liggen.
3. Indien nodig de lus in het midden met een
extra gazonpen (08/2) aan de grond bevesti- gen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de
De begrenzingskabel wordt niet ten minste 1 m recht weg van het basisstation (02/a) ge- leid.
De kabelreserves van de begrenzingskabel worden niet in een gelijkmatige langwerpige lus gelegd (02/b).
De begrenzingskabel wordt niet deskundig rond de hoeken gelegd (02/c).
De begrenzingskabel wordt gekruist of niet rechtsom gelegd (02/d).
De begrenzingskabel wordt te onnauwkeurig gelegd, zodat randgedeeltes van het gazon niet gemaaid kunnen worden (02/e).
De startpunten worden te ver weg van het basisstation vastgelegd (02/f).
De begrenzingskabel wordt bij het heen- en terugleiden van de rand naar een obstakel binnen het gazon niet direct naast elkaar lig- gend gelegd (02/g).
De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heen gelegd (02/h).
Bij het leggen van de begrenzingskabel wordt de minimum afstand voor doorgangen van 30cm onderschreden (02/i).
De begrenzingskabel wordt te dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 15cm t.o.v. onpasseerbare obstakels gelegd (02/j).
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (05)
1. Transformator (05/1) op een droge, tegen re-
gen en spatwater beschermde plek plaatsen.
2. Laagspanningskabel (05/3) van het basissta-
tion (05/4) afrollen en beschermd tegen be- schadigingen tot aan de plek van de transfor- mator leggen.
Boutjes van de kroonsteen (05/2) zo ver losdraaien dat er in iedere opening een draad van de laagspanningskabel gesto- ken kan worden.
Draden insteken. Opmerking:Er hoeft niet op de polariteit te worden gelet.
Boutjes in de kroonsteen draaien tot de draden veilig vastzitten.
4. Voedingskabel (05/5) van de transformator in
het stopcontact steken.NL 72 Robolinho 3100 Ingebruikname OPMERKING Wij adviseren om de transformator op het spanningsnet via een FI-aardlekschake- laar met een nominale lekstroom van < 30mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het basisstation
2. Indien nodig boutjes (05/7) aan het deksel
(05/6) van het basisstation losdraaien en deksel verwijderen. Toestandsweergaven van de LEDs Led’s Bedrijfstoestanden Geel (05/8)
Brandt als de voeding in orde is.
Knippert als het apparaat in het basisstation staat en wordt op- geladen. Groen (05/9)
Knippert als de lus van de be- grenzingskabel niet in orde is. 5 INGEBRUIKNAME Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instel- lingen die nodig zijn om de robot-grasmaaier na de montage voor de eerste keer in bedrijf te stel- len. Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina74.
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu van het apparaat regelmatig opgeladen. OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige acculaadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbro- ken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
1. Apparaat (09/1) zodanig in het basisstation
(09/3) plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het basisstation raken.
2. Apparaat inschakelen.
3. Het display op het apparaat toont: "Accu
wordt opgeladen". Indien niet: zie Hoofd- stuk 13 "Hulp bij storingen", pagina81.
5.2 Basisinstellingen uitvoeren
1. Afdekklep van het bedieningspaneel om-
denummer en type worden weergegeven.
3. In het menu de taalkeuze selecteren:
ren" het vooraf ingestelde PIN 0000 invoe- ren. Hiervoor met het cijfer selecteren en telkens met bevestigen. Na de in- voer van het PIN wordt de toegang vrijge- schakeld.
5. In het menu "PIN wijzigen":
Bij "Nieuwe PIN invoeren" een zelf gekozen nieuwe PIN van vier plaatsen in- voeren. Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
Bij "Nieuwe PIN herhalen" het nieu- we PIN opnieuw invoeren. Als beide in- voeren identiek zijn, wordt het volgende weergegeven: "Wijziging PIN suc- cesvol".
6. In het menu "Datum invoeren" de actuele
datum instellen (formaat:DD.MM.20JJ). Hier- voor na elkaar met een cijfer selecte- ren en telkens met bevestigen.457293_a 73 Bediening
7. In het menu "Tijdstip invoeren" > "24-
uur indeling" de actuele tijd instellen (for- maat:HH:MM). Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen. De basisinstelling is voltooid. De status "Niet gekalibreerd Startknop indrukken" wordt weergegeven.
5.3 Maaihoogte instellen
De maaihoogte kan met stappen van 5mm tus- sen de 30 en 60mm met de hand worden ver- steld.
draaien tot hij met de brede kant naar het open slot (12/4) wijst.
Hendel stapsgewijs omhoogtrekken. De snijhoogte (d.w.z. de gazonhoogte) wordt groter.
Hendel stapsgewijs omlaagdrukken. De snijhoogte (d.w.z. de gazonhoogte) wordt kleiner.
4. Hendel linksom draaien tot hij met de brede
kant naar het gesloten slot (12/3) wijst.
5.4 Automatische kalibratierun uitvoeren
Zet het apparaat op de beginstand (10)
1. Zet het apparaat binnen het maaioppervlak
min. 1m links en 1m voor het basisstati-
met de voorkant op de begrenzingskabel uitgelijnd Kalibratierun starten
1. Controleer dat er binnen het te voorspellen
bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat moet met beide voorwielen over de begrenzingska- bel heen kunnen rijden. Verwijder obstakels indien nodig.
2. Apparaat starten. Op het display
"! Waarschuwing! Aandrijving start"
"Kalibratie", "Fase [1]" Tijdens de kalibratierun Het apparaat rijdt voor de bepaling van de sig- naalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee keer over de begrenzingskabel heen en ver- volgens naar het basisstation en blijft daar stil- staan. De accu wordt opgeladen. OPMERKING Het apparaat moet bij het binnenrijden in het basisstation blijven staan. Als het ap- paraat bij het binnenrijden in het basis- station de contacten niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat niet door het basisstation rijdt is de kalibratieprocedure mislukt. In dat geval moet het basisstation beter uit- gelijnd en de kalibatieprocedure herhaald worden. Na de kalibratie De vooraf ingestelde actuele maaitijd wordt aan- gegeven. Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "In- stellingen", pagina74. 6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
1. Apparaat inschakelen.
Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.5 "Randen maaien bij handmati- ge start", pagina75.
2. Apparaat met de hand starten.
Toets op het basisstation (09/4) of op het apparaat indrukken. Het apparaat rijdt automatisch naar het ba- sisstation. Het wist het maaiprogramma van de actuele dag en start de volgende dag weer op het ingestelde tijdstip.
Toets op het apparaat indrukken. De maaiwerking wordt gedurende een half uur onderbroken.
Toets op het apparaat indrukken. Het apparaat wordt uitgeschakeld. OPMERKING In gevaarlijke situaties kan het apparraat met de STOP-toets(09/2) worden ge- stopt.NL 74 Robolinho 3100 Instellingen
6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF)
1. Apparaat optillen en met de hand op het ne-
venoppervlak plaatsen.
2. Apparaat inschakelen.
3. Hoofdmenu oproepen.
6. Maaitijd met selecteren.
7. Apparaat met de hand starten.
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd en schakelt vervol- gens uit of maait verder tot de accu leeg is. Na het maaien van het nevenoppervlak het appa- raat weer met de hand in het basisstation plaat- sen. 7 INSTELLINGEN
7.1 Instelling oproepen - Algemeen
1. Hoofdmenu oproepen.
Opmerking:Het sterretje * voor het menu- punt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
4. Instellingen uitvoeren.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
5. Teruggaan naar het hoofdmenu.
OPMERKING Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina72.
1. *"Geluid knopgebruik"
OPMERKING Maaien van een droog gazon reduceert vervuilingen. Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragingstijd kan er worden voorkomen dat het appa- raat bij een nat gazon maait. Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het appa- raat terug naar het basisstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is ge- droogd. Vervolgens wacht het nog de tijd af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien.
"xx uren xx minuten" Gewenste waarde voor uur/minuten na elkaar met selecteren en telkens met bevestigen.
7.4 Maaiprogramma instellen
7.4.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
1. Hoofdmenu oproepen.
4. Instellingen uitvoeren.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
1. Apparaat in het basisstation plaatsen.
2. Apparaat inschakelen.
3. Hoofdmenu oproepen.
7. *" Start inleerrit voor
" Hier " , als het apparaat het ge- wenste startpunt heeft bereikt. Het start- punt wordt opgeslagen.
8. " Stel startpunt 1 in " , als bij
de teachrun geen startpunt is vastgelegd. Als er hier geen startpunt wordt vastgelegd, wor- den de startpunten automatisch vastgelegd.
9. " Startpunt x: XXm ", als het laatste
startpunt is bereikt. Startpunten met de hand vastleggen (01) Het eerste startpunt (01/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1m rechts naast het basisstation. Achter dit punt kunnen er maximaal 9 verdere startpunten (X1 t/m X9) worden geprogram- meerd. Houd bij het vastleggen van de startpun- ten rekening met het volgende:
Stel de startpunten niet te ver verwijderd van het basisstation en niet te dicht bij elkaar in (02/f).
Gebruik slechts zoveel startpunten als nodig.
2. *"Punt X1 bij [020m]""
Met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
3. *"Punt X2 bij [075m]""
Met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
4. Verdere startpunten vastleggen indien nodig.
5. Teruggaan naar het hoofdmenu.
7.4.3 Maaitijden instellen
OPMERKING Tussen de programmering van de maai- tijden en het starten van het maaien moeten 30 minuten liggen. Indien niet start het apparaat pas op het volgende geprogrammeerde maaitijdstip. In het menupunt "Weekprogramma" worden de dagen van de week en de tijdstippen ingesteld waarop het apparaat moet maaien. Pas deze in- stellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog on- gemaaide gedeeltes te zien zijn moeten de maai- tijden verlengd worden.
*"Elke dag [X]": Het apparaat maait iedere dag op de ingestelde tijd- stippen. Als "Elke dag []" wordt aan- gegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde weekdagen.
*"Maandag [X]"...*"Zondag [X]": Het apparaat maait op de ingestel- de weekdag op de ingestelde tijdstippen. Als bijv. "Maandag []" wordt weerge- geven, maait het apparaat op de betref- fende dag niet.
"Wijzigen" : De betreffende dag activeren [X] of deactiveren [], tijden, manier van maaien en startpunten instel- len.
2. Instellingen voor alle dagen of de betreffende
bijv. "*[M] 07:00-10:00 [?]": Nor- maal maaien [M] van 07:00 – 10:00uur met automatisch wisselend startpunt 0 – 9 [?].
bijv. "*[R] 16:00-18:00 [1]": Het apparaat start om 16:00uur met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daar- na begint het maaien van het oppervlak op startpunt 1 [1]. Om 18:00uur of zo- dra de accu leeg is, rijdt het apparaat te- rug naar het basisstation.
"Wijzigen" : Geselecteerde in- stelling wijzigen.
"Verder" : Gewijzigde instelling bevestigen en verder naar de volgende instelling.
3. "Opslaan" : Alle gewijzigde instellin-
gen van het menupunt opslaan.
7.5 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld wor- den dat het apparaat met het maaien van de ran- den begint.NL 76 Robolinho 3100 Informatie weergeven Randen op de geprogrammeerde maaitijdstippen maaien: zie Hoofdstuk 7.4.3 "Maaitijden instel- len", pagina75.
7.6 Maaien van nevenoppervlakken
2. Maaitijden instellen:
"inactief" : Het maaien van nevenoppervlakken is uitgeschakeld.
"actief" : Het apparaat maait tot de accu leeg is.
"Maaitijd in min" : Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd het nevenoppervlak. De volgende maaitijden kunnen ingesteld worden: 30/60/90/120/tot accu leeg.
7.7 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. vanwege zoninstraling slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het displaycontrast verbeterd worden.
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veilig- heid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
7.9 Opnieuw kalibreren
Als de positie of de lengte van de begrenzingska- bel werd gewijzigd of het apparaat de begren- zingskabel niet meer kan vinden, moet er op- nieuw gekalibreerd worden.
3. Kalibratierum uitvoeren: zie Hoofdstuk 5.4
"Automatische kalibratierun uitvoeren", pagi- na73.
7.10 Terugzetten op fabrieksinstellingen
De fabrieksinstelling van het apparaat kunnen bijv. voor een doorverkoop teruggezet worden.
1. *"Fabrieksinstellingen"
Melding: "Reset van instellingen succesvol" 8 INFORMATIE WEERGEVEN Het menu "Informatie" dient voor de weerga- ve van de apparaatgegevens. In dit menu kunnen verder geen instellingen worden gedaan.
1. Hoofdmenu oproepen.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
4. Teruggaan naar het hoofdmenu.
"Mesonderhoud" Geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een mes- senservice noodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice van een AL-KO dealer, technicus of een servicepart- ner uit laten voeren. Teller voor de messenservice terugzetten:
"Hardware" Geeft informatie weer over het apparaat, als bijv. type, fabricagejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laad- cycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel. "Software" Geeft de firmware-versie aan. "Programma-info" Toont actuele instellingen als bijv. de totale we- kelijkse maaiduur. "Storingen" Geeft de als laatste opgetreden storingsmeldin- gen met datum, tijd en foutcode weer.457293_a 77 Onderhoud en verzorging
9 ONDERHOUD EN VERZORGING
VOORZICHTIG! Risico op letsel Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel ver- oorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigings- werkzaamheden altijd beschermende handschoenen!
LET OP! Gevaar door water Water in de robot-grasmaaier en in het basisstation leidt tot schade aan elektri- sche componenten.
Spuit de robot-grasmaaier en het ba- sisstation niet met water af. Robot-grasmaaier reinigen VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen De snijmassen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmessen terechtkomen. Een keer per week uitvoeren:
1. Apparaat uitschakelen.
2. Oppervlak van het huis met een stoffer, een
borstel, een vochtige doek of een fijne spons afvegen.
3. Onderbodem, maaidek en snijmessen met
een borstel afborstelen.
4. Snijmessen op beschadigingen controleren.
Indien nodig vervangen: zie Hoofdstuk 9.3 "Messen vervangen", pagina77. Basisstation reinigen
1. Grasrestanten en loof of andere voorwerpen
regelmatig uit het basisstation verwijderen.
2. Oppervlak van het basisstation met een
vochtige doek of een fijne spons afvegen.
1. Controleer één keer per week de gehele in-
stallatie op beschadigingen:
Transformator met voedingskabel
2. Vervang defect onderdelen door originele on-
derdelen van AL-KO of door een servicepunt van AL-KO. Wielen controleren op vrije beweging Een keer per week uitvoeren:
1. De omgeving van de rollen grondig van gras-
restanten en vervuilingen ontdoen. Gebruik hiervoor een stoffer en een doek.
2. Controleer of de rollen soepel draaien en of
ze gestuurd kunnen worden. Opmerking:Als de rollen stroef draaien of niet gestuurd kunnen worden moeten ze door een servicepunt van AL-KO worden vervan- gen. Contactoppervlakken aan de robot- grasmaaier controleren
1. Vervuilingen met een doek verwijderen en
dan iets met contactvet insmeren.
2. Brandsporen op de contactoppervlakken met
fijn schuurpapier blank schuren en met iets met contactvet insmeren. Laadcontacten van het basisstation controleren
ken en loslaten. De laadcontacten moeten weer terugveren in de uitgangspositie. Opmerking:Als de laadcontacten niet terug- veren moeten ze door een servicepunt van AL-KO worden vervangen.
9.3 Messen vervangen
Versleten snijmessen of verbogen snijmessen moeten worden vervangen.NL 78 Robolinho 3100 Transport LET OP! Beschadiging van het apparaat door ondeskundige reparatie Door het rechtbuigen van verbogen ge- monteerde snijmessen kan de messen- schijf beschadigd raken.
Buig verbogen snijmessen niet recht.
Vervang verbogen snijmessen door originele reserveonderdelen van AL- KO. VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen De snijmassen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmessen terechtkomen.
1. Apparaat uitschakelen.
2. Apparaat omkeren met de messen naar bo-
3. Bevestigingsbouten met een schroevendraai-
4. De snijmessen uit de meszitting trekken.
5. De meszitting reinigen met een zacht borstel-
Opmerking:Er mogen uitsluitend originele reserveonderdelen van AL-KO worden ge- bruikt.
7. Bevestigingsbouten weer plaatsen en aan-
draaien. De wegruimmessen hoeven normaal gesproken niet te worden vervangen. Als ernstige vervuiling niet met een borstel kan worden verwijderd, moet de messenschijf worden vervangen, omdat er anders onbalans kan zor- gen voor meer geluid, meer slijtage en functiesto- ringen.
9.4 Zekering aan de transformator
vervangen(11) Indien de transformator bij een intacte voeding geen spanning meer levert:
1. Transformator (11/2) van het spanningsnet
2. Zekeringsafdekking (11/1) met zekering aan
de transformator (11/2) losdraaien.
3. Zekering controleren. Indien defect, een nieu-
we zekering van dezelfde sterkte (2,5A, traag) plaatsen.
4. Nieuwe zekering in de zekeringsafdekking
5. Zekeringsafdekking met de zekering in de
transformator draaien. 10 TRANSPORT Ga bij het transport van het apparaat, bijv. van het hoofd- naar het nevenoppervlak, als volgt te werk:
1. Apparaat stoppen.
2. Apparaat uitschakelen.
3. Apparaat aan de draagbeugel optillen:
De snijmessen mogen niet aangeraakt worden.
De snijmessen moeten altijd van het li- chaam weg wijzen. 11 OPSLAG
11.1 Robot-grasmaaier opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de win- ter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt.
1. Accu geheel opladen (zie Hoofdstuk 5.1 "Ac-
cu laden (09)", pagina72).
2. Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
11.2 Basisstation opbergen
Het basisstation kan, moet echter niet opgebor- gen worden. Door het op te bergen wordt er ech- ter een te vroege veroudering als bijv. het uitble- ken van de kleur, roest van de laadcontacten en van de veerklemmen voorkomen. Als het basisstation buiten blijft staan:
3. Laadcontacten met contactvet insmeren.457293_a 79
Verwijderen Als het basisstation wordt opgeborgen:
1. Eerst alle hierboven vermelde werkzaamhe-
3. Basisstation demonteren en vervuilingen met
een stoffer en een iets vochtige doek verwij- deren.
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
11.3 Begrenzingskabel overwinteren
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zit- ten en hoeft niet verwijderd te worden.
1. Als het basisstation is opgeborgen: De met
isolatie gestripte kabeluiteinden met vet in- smeren en met plakband omwikkelen. Daar- door worden de kabeluiteinden beschermd tegen corrosie. 12 VERWIJDEREN Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten (ElektroG)
Elektrische en elektronische apparaten horen niet bij het gewone afval, maar moeten afzonderlijk worden gerecy- cled!
Gebruikte batterijen of accu’s, die niet vast in het apparaat ingebouwd zijn, moeten voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recycling ervan wordt door de batterijwetgeving be- heerst.
Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wette- lijk tot teruggave na gebruik verplicht.
De eindgebruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen ge- bruikte apparaat! Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elek- tronische gebruikte apparaten niet via het ge- woon afval mogen worden verwijderd. Elektrische en elektronische apparaten kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden af- gegeven:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot te- rugname verplicht zijn of deze vrijwillig aan- bieden. Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geïnstalleerd en verkocht werden en die beant- woorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwij- kende bepalingen voor de recycling van elektri- sche en elektronische apparaten gelden. Over de batterijwetgeving (BattG)
Gebruikte batterijen en accu’s horen niet bij het gewone afval, maar moeten afzonderlijk worden gerecycled!
Zie de gebruikershandleiding om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu’s uit het elektrische apparaat over te kunnen gaan en voor informatie over het type of het chemisch systeem.
Bezitters of gebruikers van batterijen en accu’s zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is be- perkt tot de normale huishoudelijke hoeveelheden. Gebruikte batterijen kunnen schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de ge- zondheid schade kunnen toebrengen. Het her- verwerken van gebruikte batterijen en het op- nieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen. Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruikte batterijen en accu’s niet via het gewoon afval mogen wor- den verwijderd. Wanneer ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005% kwik
Pb: de batterij bevat meer dan 0,004% lood Accu’s en batterijen kunnen op de volgende ver- zamelpunten gratis worden afgegeven:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van batterijen en accu’s
Een verzamelpunt van het gemeenschappe- lijke recycling systeem voor gebruikte appa- raten en batterijenNL 80 Robolinho 3100 Verwijderen
Een verzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijke recy- cling systeem) Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op accu’s en batterijen die in landen van de Europe- se Unie verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwijkende be- palingen voor de recycling van accu’s en batterij- en gelden.457293_a 81 Hulp bij storingen
VOORZICHTIG! Risico op letsel Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen! Storing Oorzaak Oplossing Apparaat start niet. Accu is leeg. Apparaat in het basisstation opladen. Apparaat komt klem te zit- ten en graaft zich vast. De wielen draaien verder. Stootsensoren worden niet geactiveerd. Bezoek een AL-KO servicepunt. Gras is te hoog.
De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de ge- wenste hoogte.
Gras met een grasmaaier kortmaai- en. Apparaat blijft op een onef- fenheid van het gazon han- gen. Oneffenheid verwijderen. Apparaat maait op verkeer- de tijdstippen. Apparaat heeft de verkeerde tijd. Tijd instellen. Maaiduur is verkeerd inge- steld. Maaitijden instellen. Apparaat verliest de tijdin- stellingen. Accu is defect. Bezoek een AL-KO ser- vicepunt. Motor blokkeert tijdens het maaien. Motor is overbelast. Apparaat uitschakelen, op effen onder- grond of laag gras plaatsen en opnieuw starten. Accu is leeg. Accu opladen. Snijmessen zijn stomp. Snijmessen vervangen. Maairesultaat is ongelijk- matig. Maaitijd is te kort. Langere maaitijden programmeren. Maaibereik is te groot. Maaibereik verkleinen. De maaihoogte is te laag in- gesteld. De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. Snijmessen zijn stomp.
Snijmessen vervangen.
Snijmessen met nieuwe bouten be- vestigen. Het vermogen van de accu neemt duidelijk af. De maaihoogte is te laag in- gesteld. De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. Gras te hoog of te nat.
Maaihoogte hoger instellen.NL 82 Robolinho 3100 Hulp bij storingen Storing Oorzaak Oplossing Apparaat trilt of het ge- luidsvolume is te hoog. Onbalans in het snijmes of in de aandrijving van het snij- mes
Bezoek een AL-KO servicepunt. Accu kan niet opgeladen worden resp. te lage accu- spanning
Laadcontacten van het basisstation zijn vervuild.
Contactoppervlakken aan het apparaat zijn vervuild.
Basisstation heeft geen stroom.
Basisstation op voeding aansluiten.
Apparaat raakt de laad- contacten niet.
Contactoppervlakken aan het apparaat zijn af- gebrand.
Apparaat in het basisstation plaat- sen en controleren of de laadcon- tacten contact maken.
Bezoek een AL-KO servicepunt.
Zekering vervangen (zie Hoofdstuk
9.4 "Zekering aan de transformator
vervangen(11)", pagina78). Levensduur van de accu is afgelopen.
Bezoek een AL-KO servicepunt. Oplaadelektronica is defect.
Bezoek een AL-KO servicepunt. OPMERKING Bij storingen die niet in deze tabel worden vermeld of in geval van storingen die u niet zelf kunt oplossen, wendt u zich tot onze klantenservice a.u.b.
13.2 Foutcodes en oplossing
Foutcode Oorzaak Oplossing CN001: Tilt sensor Hellingssensor is geacti- veerd:
Apparaat werd gedragen
Helling te steil Apparaat op een horizontale onder- grond plaatsen en de fout bevestigen. CN002: Lift sensor De hefsensor is geactiveerd:
De apparaatkap werd door optillen of door een obstakel naar boven toe weggedrukt. Obstakel verwijderen. CN005: Bumper de- flected Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken (bijv. botsing in de buurt van het basisstation).
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel corrigeren.457293_a 83 Hulp bij storingen Foutcode Oorzaak Oplossing CN007: No loop sig- nal
Circuitsignaal is te zwak.
LEDs aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Circuitsignaal te zwak
LEDs aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Begrenzingskabel tot de voorge- schreven hoogte verhogen, evt. di- rect op het gazon bevestigen. CN010: Slechte posi- tie
Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga- zonoppervlak.
Begrenzingssskabel werd gekruist.
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. Kruising van de kabel opheffen. CN011: Escaped robot Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper- vlak. Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. CN012: Cal: no loop CN015: Cal: outside Storing tijdens de kalibratie:
Apparaat kan de begren- zingskabel niet vinden.
LEDs aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Apparaat op de voorgeschreven ka- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. Apparaat moet over de be- grenzingskabel heen kunnen rijden. CN017: Cal: signal weak Storing tijdens de kalibratie:
Circuitsignaal te zwak
Apparaat op de voorgeschreven ka- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Storing tijdens de kalibratie:
Apparaat is tegen een obstakel aan gereden. Obstakel verwijderen.NL 84 Robolinho 3100 Hulp bij storingen Foutcode Oorzaak Oplossing CN038: Battery Accu is leeg:
Bij het opladen geen contact met de laadcon- tacten
Apparaat in het basisstation plaat- sen en controleren of de laadcon- tacten contact maken.
Laadcontacten laten controleren door een servicepunt van de fabri- kant en laten vernieuwen.
Obstakels in de buurt van het laadstation Obstakels verwijderen.
Apparaat heeft zich vast- gereden. Apparaat op een vrij, omheind gazon plaatsen.
Apparaat vindt het basis- station niet.
Begrenzingskabel door een service- punt van de fabrikant laten doorme- ten.
Accu is opgebruikt. Accu door een servicepunt van de fabri- kant laten vervangen.
Oplaadelektronica is de- fect. Laadelektronica door een servicepunt van de fabrikant laten vervangen. CN099: Recov escape Automatisch verhelpen van storing niet mogelijk
Storingsmelding met de hand be- vestigen.
Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la- ten controleren. CN104: Battery over heating
Accu is oververhit (meer dan 60°C). Er is geen ontlading mogelijk.
Apparaat uitschakelen en accu laten afkoelen.
Apparaat niet in het basisstation plaatsen. CN110: Blade motor over heating Maaimotor is oververhit (meer dan 80°C).
Apparaat uitschakelen en laten af- koelen.
Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la- ten controleren. CN119: R-Bumper de- flected CN120: L-Bumper de- flected Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken. Obstakel verwijderen.457293_a 85 Hulp bij storingen Foutcode Oorzaak Oplossing CN128: Recov Impos- sible Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken. Obstakel verwijderen. Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper- vlak.
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel corrigeren. CN129: Blocked WL Motor van linkerwiel is ge- blokkeerd. Blokkering verwijderen. CN130: Blocked WR Motor van rechterwiel is ge- blokkeerd. Blokkering verwijderen. OPMERKING Bij storingen die niet in deze tabel worden vermeld of in geval van storingen die u niet zelf kunt oplossen, wendt u zich tot onze klantenservice a.u.b.NL 86 Robolinho 3100 Garantie 14 GARANTIE Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft. Onze garantie geldt alleen bij:
Inachtneming van deze gebruikershandleiding
Gebruik van originele reserveonderdelen De garantie vervalt bij:
Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
Eigenhandig aangebrachte technische wijzi- gingen
Gebruik voor andere doeleinden dan het ge- bruiksdoel Van de garantie zijn uitgesloten:
lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
SimpelGids