Robolinho 550 W - Robotmaaier AL-KO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Robolinho 550 W AL-KO in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Robolinho 550 W - AL-KO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Robolinho 550 W van het merk AL-KO.
GEBRUIKSAANWIJZING Robolinho 550 W AL-KO
Inhoudsopgave 1 Over deze gebruiksaanwijzing ................. 59
2.3 Symbolen op het apparaat................. 60
2.9 Beschrijving van de werking .............. 63
3.2 Mogelijk foutief gebruik...................... 64
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzie-
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmid-
delen............................................ 65
3.4.3 Veiligheid van personen en die-
ren ............................................... 65
3.4.4 Veiligheid van het apparaat......... 65
4.3 Maaigebieden voorbereiden .............. 66
station aansluiten (07/b)............... 67
4.5.7 Typische fouten bij het leggen
van de kabel (06) ......................... 68
4.6 Basisstation op voeding aansluiten
(08)..................................................... 68
4.7 Verbindingen aan het basisstation
5.2 Basisinstellingen uitvoeren................. 69
5.3 Maaihoogte instellen (14)................... 69
5.4 Automatische kalibratierit uitvoeren ... 70
6 Bediening.................................................. 70
6.1 Apparaat met de hand starten............ 70
7.1 Instelling oproepen - Algemeen ......... 71
7.5.3 Maaitijden instellen ...................... 72
7.7 Randen maaien bij handmatige start . 73495761_a 59
Over deze gebruiksaanwijzing
1 OVER DEZE GEBRUIKSAANWIJZING
De Duitse versie is de originele gebruiksaan- wijzing. Alle andere taalversies zijn vertalin- gen van de originele gebruiksaanwijzing.
Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodat u erin het antwoord op uw vragen kunt terug- vinden wanneer u informatie over de machi- ne nodig heeft.
Draag de machine alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere personen over.
Lees en neem de veiligheids- en waarschu- wingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.
1.1 Symbolen op de titelpagina
Symbool Betekenis Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorg- vuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storings- vrij gebruik. Gebruiksaanwijzing
Ga voorzichtig met Li-Ion accu´s om! Neem met name de aanwijzin- gen voor transport, opslag en afval- verwijdering in acht!
1.2 Verklaring van pictogrammen en
signaalwoorden GEVAAR! Wijst op een direct gevaarlijke si- tuatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt. WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet verme- den wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden. VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel ge- vaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan lei- den. LET OP! Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële schade kan leiden. OPMERKING Speciale aanwijzingen voor meer duidelijkheid en een beter gebruik. 2 PRODUCTOMSCHRIJVING Deze documentatie beschrijft een volautomati- sche, met een accu gevoede robot-grasmaaier die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoog- te kan versteld worden.
2.1 Leveringsomvang (01)
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controleer of alle posities aanwezig zijn: Nr. Onderdeel 1 Robot-grasmaaierNL 60 Robolinho Productomschrijving Nr. Onderdeel 2 Beknopte handleiding 3 Gebruiksaanwijzing 4 Gazonpennen * 5 Voeding 6 Basisstation incl. aardschroeven (5stuks) 7 Begrenzingskabel * 8 Winterafdekking *
- afhankelijk van het model (zie technische gege- vens).
2.2 Robot-grasmaaier (02)
Nr. Component 1 Bedieningsveld met display (inwendig) 2 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2s) 3 Aansluitcontacten voor opladen 4 Hoogteverstelknop (verzonken) 5 Voorste wielen (stuurbaar) 6 Maaidek 7 Aandrijfwiel 8 Messenschijf 9 Bevestigingsbout 10 Wegruimmes 11 Snijblad 12 Accuschacht
2.3 Symbolen op het apparaat
Symbool Betekenis Gevaar voor letsel en materiële schade door uitgeslingerde voor- werpen! Wees bijzonder voorzichtig bij de hantering! Blijf met uw handen en voeten bij het maaiwerk vandaan! Symbool Betekenis Houd voldoende veiligheidsafstand! Lees vóór ingebruikname de ge- bruiksaanwijzing! Voer voor het starten van het appa- raat het PIN in! Rijd niet op het apparaat mee!
(Home-toets): Maaiwerking staken, het apparaat rijdt terug naar het basis- station. Het start de volgende dag weer automatisch op de ingestelde maaitijd. 2 Regensensor: Stelt vast of het regent (zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instel- len", pagina71). 3 Display: Toont de huidige bedrijfsstatus van het apparaat, de naam van het ge- selecteerde menu, de menupunten en de functies die geselecteerd kunnen worden (zie Hoofdstuk 2.5 "Display", pa- gina61).
(pijltjestoetsen): Selecteer de menupunten, verhoog en verlaag de ge- talwaarden en kies tussen de instellin- gen.
1 keer indrukken: Maaiwerking met de hand starten en onderbreken.
2 keer indrukken: Maaiwerking na bediening van de home-toets me- teen weer hervatten.
(functietoetsen): De functie oproepen die zojuist boven de toets op het display wordt weergegeven.495761_a 61 Productomschrijving Nr. Component
(On/Off-toets): Apparaat in- en uit- schakelen.
(Menutoets): Hoofdmenu oproepen.
Hoofdmenu Instellingen Informatie Terug Bevestigen
Nr. Indicatie 1 Naam van het geselecteerde menu (hier: Hoofdmenu) 2 Menupunten in het menu: Er worden tel- kens slechts twee menupunten weerge- geven (hier: Instellingen en In- formatie). Met en kunnen er verdere menupunten worden weergege- ven. 3 Functies voor het geselecteerde menu- punt (hier: Instellingen). Met en kunnen de functies worden op- geroepen. 4 Sterretje voor de markering van het ge- selecteerde menupunt (hier: Instel- lingen)
Hoofdmenu Programma Weekprogramma zie Hoofdstuk 7.5 "Maaiprogramma instellen", pagi- na72 Startpunten zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunten instellen", pagina72 Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina74 Instellingen Tijdstip zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina69 Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina69 Taal zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina69 PIN code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina69 Geluidssignaal knopbediening zie Hoofdstuk 7.2 "Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren", pagina71 EcoMode zie Hoofdstuk 7.3 "Eco-modus activeren/deactiveren", pagi- na71 Quick Homing Kit zie Hoofdstuk 4.8 "Quick Homing Kit installeren", pagina69 Regensensor zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina71 Regensensor vertrag. zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pa- gina71 Regengevoelig zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina71 inTOUCH zie Hoofdstuk 7.6 "inTOUCH", pagina73NL 62 Robolinho Productomschrijving Randen maaien zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina73 Nevenoppervlak actief/inactief zie Hoofdstuk 7.8 "Maaien van nevenoppervlakken instellen", pagina73 Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.9 "Displaycontrast instellen", pagi- na73 Instellingsbescherming zie Hoofdstuk 7.10 "Instellingsbescher- ming", pagina73 Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.11 "Opnieuw kalibreren", pagi- na74 Fabrieksinstellingen zie Hoofdstuk 7.12 "Terugzetten op fabrieksin- stellingen", pagina74 Informatie Messenservice zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina74 Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina74 Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina74 Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina74 Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina74
2.7 Basisstation (04)
Nr. Onderdeel 1 Bodemplaat 2 Led voor statusweergave 3 Laadcontact
Home-toets( ) * 5 Laadpaal 6 Kabelschacht 7 Wielkuip 8 Boring voor aardschroeven(9) 9 Aardschroeven
- afhankelijk van het model (zie technische gege- vens).
De accu kan door de gebruiker worden vervan- gen. OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden op- geladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingescha- keld.
De accu is bij oplevering gedeeltelijk opgela- den. Bij normaal gebruik wordt de accu regel- matig opgeladen. Het apparaat rijdt hiervoor terug naar het basisstation.
De geïntegreerde bewakingselectronica be- eindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100% is bereikt.
Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontanten van het basis- station met de contactoppervlakken van het apparaat.
Bij een temperatuur hoger dan 45°C blok- keert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze wordt een ac- custoring voorkomen.
Als de bedrijfsduur ondanks volledige opla- ding aanzienlijk korter wordt, moet de accu zelf worden vervangen.
Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaar- de, kan hij niet meer worden opgeladen. Laat495761_a 63 Productomschrijving de accu en de controle-elektronica controle- ren door uw AL-KO dealer, technicus of ser- vicepartner.
De laadconditie van de accu wordt getoond op het display. De accustatus na ca. 3 maan- den opslag controleren. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30% of min- der is geladen moet het apparaat in het ba- sisstation geplaatst en ingeschakeld worden zodat de accu wordt opgeladen. Als de laad- zuil voor het opbergen van het basisstation werd verwijderd (zie Hoofdstuk 12.2 "Laad- paal demonteren en opbergen (18, 19)", pa- gina80), moet die eerst weer in omgekeer- de volgorde gemonteerd en het basisstation weer op het stroomnet aangesloten worden.
Als er elektrolyt uit het accuvak is vrijgeko- men: Apparaat door een AL-KO servicepunt laten repareren!
Indien de accu uit het apparaat werd verwij- derd: Als er ogen of handen met het vrijgeko- men elektrolyt in aanraking zijn gekomen moeten die onmiddellijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddellijk een arts raad- plegen!
2.9 Beschrijving van de werking
Bewegen op het gazon Het apparaat beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet gebied. De oriëntatie van het apparaat gebeurt via sensoren die het elektromagnetische veld van de begrenzingska- bel herkennen. Als het apparaat tegen een obstakel stoot blijft het staan en beweegt verder in een andere rich- ting. Als het apparaat in een situatie komt waarin er geen werking mogelijk is, wordt dit met en mel- ding op het display aangegeven. Als het apparaat bij een ingeschakelde regensen- sor vocht herkent, gaat het automatisch terug naar het basisstation. Maaiwerking en laadwerking De maaifasen worden afgewisseld door laadfa- sen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0%) is ge- daald, gaat het apparaat langs de begrenzings- kabel terug naar het basisstation. Maaiprogramma´s zijn vooraf ingesteld en kun- nen op het apparaat of in de app aangepast wor- den. Bij elke start van de maaimotor wordt zijn draai- richting omgekeerd, waardoor de levensduur van de maaimessen wordt verdubbeld.
2.10 Wifimodule en AL-KO inTOUCH Smart
Garden app De robot-grasmaaier is uitgevoerd met een wifi- module. Dit maakt een comfortabele bediening, instelling en bewaking via een app vanaf een mo- biel apparaat (smartphone, tablet) mogelijk. OPMERKING Het gebruikte mobiele appa- raat heeft een internetverbinding nodig voor ge- bruik van de AL-KO inTOUCH Smart Garden app. OPMERKING Om de robot-grasmaaier up- to-date te houden, moet hij via een wifi-netwerk met het internet verbonden zijn. De AL-KO in- TOUCH Smart Garden app geeft informatie als er nieuwe software updates voor de robot-gras- maaier zijn. Die worden automatisch gedown- load. AL-KO inTOUCH Smart Garden app De AL-KO inTOUCH Smart Garden app is voor Android-gebaseerde apparaten verkrijgbaar in de Google Play Store en voor iOS-gebaseerde ap- paraten in de Apple App Store: Scan deze QR-code om te weten te komen hoe u de AL-KO inTOUCH Smart Garden app op uw smartphone installeert en om verdere informatie over uw apparaat te verkrijgen. U kunt daarmee uw smart-connected apparaat ook met internet verbinden. OPMERKING De robot-grasmaaier maakt uitsluitend verbinding met een 2,4GHz wifi. 5GHz wifi-netwerken worden niet ondersteund. Om een verbinding van uw wifi-vaardige robot- grasmaaier met de AL-KO inTOUCH Smart Gar- den app te maken moeten de robot-grasmaaier en de smartphone zich binnen het bereik van een router met voldoende signaalsterkte (aanbeve- ling: min.50%) bevinden.
2. Eén keer een gebruikersaccount aanmaken:
E-mail adres en wachtwoord invoeren.
Het vakje "Gelezen en mee eens..." aan- vinken.
Op de knop "Registreren" drukken.
3. Aanmelden met het tevoren aangemaakte
4. Verbindingsassistent starten door op "Nieuw
apparaat toevoegen" te drukken.
5. Volg de verdere instructies.
OPMERKING Als de robot-grasmaaier zich in een gedeelte van de tuin met een slecht of zonder wifi-ontvangst bevindt, worden de instel- lingen van de AL-KO inTOUCH Smart Garden app pas uitgevoerd als de robot-grasmaaier bin- nen een gedeelte met een goed signaal terug- komt. Als het wifisignaal van de router in de hele tuin niet sterk genoeg is, kan het bereik met een gebruikelijke repeater worden uitgebreid. Bij functiestoringen kan een dealer u met de ge- installeerde AL-KO inTOUCH Smart Garden app behulpzaam zijn. De robot-grasmaaier moet via de AL-KO inTOUCH Smart Garden app voor de dealer vrijgegeven worden. Naast de toegang op afstand tot geïntegreerde robot-grasmaaiers biedt de AL-KO inTOUCH Smart Garden app nog andere functies zoals het koppelen met andere AL-KO-apparaten, push- berichten in geval van een storing. 3 VEILIGHEID
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Ieder ander gebruik alsmede niet-toege- stane verbouwingen of uitbreidingen worden voor misbruik aangezien en hebben de uitsluiting van de garantie en het verlies van de conformiteit en de weigering van iedere verantwoordelijkheid voor schade van de gebruiker of van derden van de fabrikant tot gevolg. De toepassingsgrenzen van het apparaat zijn: zie technische gegevens.
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is niet geschikt voor gebruik in een openbare omgeving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
beveiligingsvoorzieningen WAARSCHUWING! Gevaar voor letsel. Defecte en buiten werking gestelde veiligheids- en beschermingsapparatuur kunnen ernstig letsel veroorzaken.
Laat defecte veiligheids- en beschermingsap- paratuur repareren.
De veiligheids- en beschermingsuitrusting nooit buiten werking stellen.
3.3.1 PIN- en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door invoeren van een PIN (personal Identification Number) worden ge- start. Daardoor wordt het inschakelen door onbe- voegde personen voorkomen. De PIN-code is in de fabriek ingesteld op 0000. De PIN-code kan worden gewijzigd, zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstel- lingen uitvoeren", pagina69. Als de pincode 3 keer verkeerd wordt ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unlocking Key) noodzakelijk. Als die ook verkeerd wordt in- gevoerd moet er 24 uur voor de volgende invoer worden gewacht.
Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbevoegde personen.
Het apparaat heeft meerdere veiligheidssenso- ren. Hij schakelt na het uitschakelen door een veiligheidssensor niet automatisch weer in. De foutmelding wordt op het display weergegeven en moet bevestigd worden. De reden voor de ac- tivering van de sensor moet worden verholpen. Hefsensor Als het apparaat tijdens de werking aan het huis wordt opgetild, wordt de rijaandrijving uitgescha- keld en de snijmessen worden gestopt. Stootsensoren voor obstakelherkenning Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting wordt aangepast. Wanneer het appa- raat tegen een obstakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizing iets en de stootsen- sor wordt geactiveerd. Hellingsensor in rijrichting/zijkant Als er in rijrichting een stijging of daling of een zij- waartse helling wordt bereikt die groter is dan in- gesteld voor het model, keert het apparaat om of verandert van rijrichting.495761_a 65 Veiligheid Regensensor Het apparaat is afhankelijk van het model uitge- voerd met een regensensor die in geactiveerde hoedanigheid bij regen de maaibeurt onderbreekt en ervoor zorgt dat het apparaat terugrijdt naar het basisstation (zie technische gegevens). Vorstsensor Het apparaat is met een vorstsensor uitgevoerd die bij lage temperaturen een melding naar het apparaat of een pushmelding naar de AL-KO in- TOUCH Smart Garden app stuurt (zie technische gegevens). De temperatuur voor de melding kan ingesteld worden. Elektromagnetische emissies Het apparaat kan betrouwbaar in de buurt van andere robot-grasmaaiers gebruikt worden (afstandsmaat 0,5m). Het in de begrenzingskabel gebruikte signaal voldoet aan de door EGMF (Eu- ropean Garden Machinery Federation) vastgelegde standaards wat betreft de elektromagnetische emissies.
3.4 Veiligheidsinstructies
Jongeren van jonger dan 16 jaar, personen met lichamelijke, sensorische of geestelijke beperkingen of met onvoldoende ervaring en kennis en personen die de gebruiksaanwij- zing niet kennen, mogen het apparaat niet gebruiken. Neem eventueel van toepassing zijnde nationale veiligheidsvoorschriften om- trent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht.
Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen
Om letsel te voorkomen moet er doelmatige kleding en moeten er persoonlijke bescher- mingsmiddelen worden gedragen.
De persoonlijke beschermingsmiddelen be- staan uit:
bij onderhoud en verzorging: Veiligheids- handschoenen.
3.4.3 Veiligheid van personen en dieren
Op openbaar toegankelijke terreinen moeten rondom het maaigebied waarschuwingsborden met het volgende opschrift aangebracht worden: LET OP! Automatische grasmaaier in werking! Kom niet in de buurt van het apparaat! Houd kinderen onder toezicht!
Zorg er tijdens de werking voor dat er geen personen en vooral geen kinderen of dieren in de buurt van het apparaat komen of zijn en dat ze niet met het apparaat spelen.
Het is verboden om op het apparaat te gaan zitten of om in de snijmessen te grijpen!
Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaimechanisme.
3.4.4 Veiligheid van het apparaat
Zorg er voor het begin van de werkzaamhe- den voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwerpen, kledingstuk- ken, stenen, tuinmeubelen, tuingerei of speelgoed) in het werkgedeelte van het ap- paraat liggen. Die kunnen de snijmessen van het apparaat beschadigen of door het appa- raat beschadigd worden.
Gebruik het apparaat alleen onder de volgen- de voorwaarden:
Het apparaat is niet vervuild.
Het apparaat vertoont geen beschadigin- gen of slijtage.
Basisstation en voeding en de elektrische voedingskabels zijn niet beschadigd en werken.
Vervang defecte onderdelen altijd door origi- nele reserve-onderdelen van de fabrikant.
Laat het apparaat repareren wanneer het be- schadigd raakte.
De gebruiker van het apparaat is verantwoor- delijk voor letsel bij derden of voor materiële schade.
Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkertijd een tuinsproeier in het maaigebied in bedrijf is.
Spuit het apparaat niet met water af.
Open het apparaat niet.NL 66 Robolinho Montage 4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
1. Open de verpakking voorzichtig.
2. Haal alle componenten voorzichtig uit de ver-
pakking en controleer ze op transportschade. Opmerking:Neem bij transportschade direct contact op met uw dealer of servicepartner van AL-KO.
3. Controleer de leveringsomvang, zie Hoofd-
stuk 2.1 "Leveringsomvang (01)", pagina59. Indien het apparaat wordt doorverzonden moeten de originele verpakking en de meegeleverde do- cumenten worden bewaard. Die zijn tevens bij re- tourzending vereist.
4.2 Maaigebieden plannen (05)
Locatie van het basisstation (05/1)
Kortste mogelijke afstand naar het grootste maaigebied
aansluitmogelijkheid voor voeding
Vrije toegankelijkheid voor de robot-gras- maaier Leggen van de begrenzingskabel (05) De begrenzingskabel moet in een doorlopende lus rechtsom worden gelegd. Doorgangen tussen de maaigebieden (05/h) Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaigebieden te verbinden. Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (05)
Hoofdoppervlak (05/HF): Is het gazon waar- op zich het basisstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele oppervlak auto- matisch gemaaid kan worden.
Nevenoppervlak (05/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanaf het hoofdoppervlak niet kan worden bereikt; apparaat indien no- dig met de hand naar het nevenoppervlak dragen. Nevenoppervlakken kunnen met handmatige werking worden bewerkt. Hoofd- en nevengebied zijn echter alleen door dezelfde, ononderbroken begrenzingskabel om- heind. Positie van de startpunten (05/X0–05/X3) Het apparaat beweegt op de vastgelegde maai- tijd langs de begrenzingskabel tot aan het vast- gelegde startpunt en begint daar met maaien. Met de startpunten kan er vastgelegd worden welke gedeeltes van het maaioppervlak er meer worden gemaaid.
4.3 Maaigebieden voorbereiden
1. Controleer of het gazon groter is dan de op-
pervlaktecapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaaid gazon. Verklein het te maaien ge- bied indien nodig.
2. Voor de montage van basisstation en be-
grenzingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: Het gazon met een gras- maaier op een kleine snijhoogte maaien.
3. Obstakels op het gazon verwijderen of met
de begrenzingskabel afzetten (zie Hoofdstuk
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen kunnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazon naar terras of pa- den, tegels, stoepranden enz.)
Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, dennenap- pels, gevallen fruit enz.)
Steile hellingen of dalingen van meer dan in de technische gegevens vermelde waarden
Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het ga- zon
Struiken en heggen die breder kunnen worden
4.4 Basisstation opbouwen(07/a, 17)
1. Basisstation (05/1) haaks t.o.v. de positie van
Vlak op de grond (met een waterpas con- troleren)
Rechte en vlakke in- en uitrit
Niet overhellend (bij het aansluiten en in- draaien van de aardschroeven mag de laadpaal niet gebogen raken of hellen)
2. Basisstation (07/2) met vier aardschroeven
(07/1) op de grond vastzetten. Het basisstation kan ook buiten het gazonopper- vlak worden geplaatst (17). Hierbij moet de be-495761_a 67 Montage grenzingskabel gelegt worden als op de afbeel- ding aangegeven.
4.5 Begrenzingskabel installeren
OPMERKING Als de afhankelijk van het mo- del meegeleverde begrenzingskabel te kort is, kan bij de AL-KO dealer of de servicepartner een verlengkabel verkregen worden.
2. Afdekking van de kalbelschacht(07/3) aan
de aansluiting(07/A) verwijderen.
3. Isolatie van het uiteinde van de begrenzings-
kabel(07/6) een stuk verwijderen en in de klem (07/7) steken.
(07/5) met kabelreserve uit de kabelschacht leiden. OPMERKING Met de kabelreserve kunnen ook op een later tijdstip nog kleine correcties aan de kabelgeleiding uitgevoerd worden.
6. Afdekking van de kabelschacht weer plaat-
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10 cm onder het gazonop- pervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitge- voerd worden. Beide varianten kunnen met elkaar gecombi- neerd worden. LET OP! Gevaar voor beschadiging van de begrenzingskabel. Als de begrenzingskabel be- schadigd of doorgesneden wordt is de overdracht van de besturingssignalen naar het apparaat niet meer mogelijk. In dat geval moet de begrenzings- kabel gerepareerd of vervangen worden. Begren- zingskabels zijn verkrijgbaar bij AL-KO.
Leg de begrenzingskabel altijd direct op de grond. Bevestig hem indien nodig met een extra gazonpen.
Bescherm de begrenzingskabel bij het leg- gen en tijdens de werking tegen beschadigin- gen.
Graaf en verticuteer niet in de buurt van de begrenzingskabel.
1. Bevestig de begrenzingskabel met regelmati-
ge afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
3. Doorgangen tussen de afzonderlijke maaige-
bieden aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (05/h)", pagina68.
4. Te grote stijgingen of dalingen afzetten: zie
Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten (15)", pa- gina68.
5. Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk
Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan op de aansluiting (07/B) van het basisstation: zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (07/b)", pagina67.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkge- deelte moet de begrenzingskabel met verschil- lende afstanden t.o.v. de obstakels worden ge- legd. Gebruik voor de bepaling van de juiste af- stand de liniaal die van de verpakking afgehaald kan worden. OPMERKING Afzettingen zijn alleen nood- zakelijk als ze door de stootsensoren van het ap- paraat niet kunnen worden herkend. Vermijd te veel of onnodige afzettingen. Niveauverschillen die kleiner zijn dan 6cm, moeten worden uitge- sloten, omdat het apparaat anders schade kan veroorzaken. Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min.20cm(05) Het apparaat beweegt met een afstand naar bui- ten van 20cm langs de begrenzingskabel. Leg daarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 20cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden. Afstand t.o.v. terrasranden en verharde paden(09) Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 20cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon ligt kan de kabel precies op de rand worden ge- legd.NL 68 Robolinho Montage Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel(05) Als de begrenzingskabels van het obstakel weg of naar het obstakel toe precies samenvallen, d.w.z. met een afstand van 0 cm, beweegt het apparaat over de begrenzingskabels heen. De begrenzingskabels hierbij niet over elkaar heen (06/c), maar evenwijdig leggen (05/e). Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (05, 10)
Bij naar binnen verlopende hoeken (10/a): Begrenzingskabel diagonaal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vast komt te zitten.
Bij buitenhoeken met obstakels (10/b): Be- grenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat tegen de hoek aan botst.
Bij buitenhoeken zonder obstakels (05/j): Be- grenzingskabel met een hoek van 90° leg- gen.
4.5.4 Doorgangen afzetten (05/h)
De volgende afstanden moeten in de doorgang aangehouden worden:
Dalingen die groter zijn dan vermeld in de techni- sche gegevens moeten met de begrenzingskabel worden afgezet (45% = 45cm daling per 1m ho- rizontaal) (zie technische gegevens). De begrenzingskabel mag niet over een helling van meer dan 20 % worden gelegd. Om proble- men bij het keren te vermijden moet er een af- stand van 50 cm tot 20 % helling worden nage- leefd. Als de helling aan de buitenrand van het werkgedeelte op een punt meer dan 20 % is, moet de begrenzingskabel met een afstand van 20 cm op het vlakke terrein voor het begin van de helling worden gelegd.
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (11)
Om na de inrichting van het maaibereik het ba- sisstation nog te kunnen verplaatsen of het maai- bereik te vergroten, moet er op regelmatige af- standen een reservelengte in de begrenzingska- bel worden ingebouwd. Kies het aantal kabelreservelengtes naar eigen goeddunken. OPMERKING Vorm bij reservelengtes geen open lussen.
1. Leg de begrenzingskabel rond de actuele ga-
zonpen (11/1) en weer terug naar de vorige gazonpen (11/3).
2. Leid de begrenzingskabel dan weer terug
naar de actuele gazonpen. Er ontstaat een lus. De kabels moeten bij elkaar liggen.
3. Indien nodig de lus in het midden met een
extra gazonpen (11/2) aan de grond bevesti- gen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de
De reserves van de begrenzingskabel wor- den niet in een gelijkmatige, langgerekte lus gelegd (06/a).
De begrenzingskabel wordt niet deskundig rond de hoeken gelegd (06/b).
De begrenzingskabel wordt gekruist of niet rechtsom gelegd (06/c).
De begrenzingskabel wordt te onnauwkeurig gelegd, zodat randgedeeltes van het gazon niet gemaaid kunnen worden (06/d).
De begrenzingskabel wordt bij het heen- en terugleiden van de rand naar een obstakel binnen het gazon niet direct naast elkaar lig- gend gelegd (06/e).
De startpunten worden te ver weg van het basisstation vastgelegd (06/f).
De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heen gelegd (06/g).
Bij het leggen van de begrenzingskabel wordt de minimum afstand voor doorgangen van 20cm onderschreden (06/h).
De begrenzingskabel wordt te dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 20cm t.o.v. niet te passeren obstakels gelegd (06/i).
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (08)
1. Voeding (08/1) op een droge en tegen zon-
licht beschermde plek voldoende in de buurt van het basisstation (08/2) plaatsen.
2. Kabel (08/3) stevig aan de voeding vastdraai-
Stekker (08/4) van de voeding in een tegen regen beschermde contactdoos (08/5) steken.495761_a 69 Inbedrijfstelling OPMERKING Wij adviseren om de voeding op het spanningsnet via een aardlekschakelaar met een nominale lekstroom van <30mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het basisstation
1. Controleer of de led aan de voorkant van de
Controleer alle stekkerverbindingen van de voeding en van de begrenzingskabel op juiste montage en beschadigingen. Toestandsweergave van de led Led Bedrijfstoestanden geel
Brandt als de voeding in orde is.
4.8 Quick Homing Kit installeren
Scan deze QR-code om informatie te verkrijgen hoe de Quick Homing Kit wordt geïnstalleerd. Zie ook de montagehandleiding 443565 "Quick Homing Kit – Installatie". 5 INBEDRIJFSTELLING Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instel- lingen die nodig zijn om het apparaat voor de eerste keer in bedrijf te stellen. Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagi- na71.
5.1 Accu opladen (12)
Bij normaal gebruik wordt de accu van het appa- raat regelmatig opgeladen. OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden op- geladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingescha- keld.
1. Apparaat (12/1) zodanig in het basisstation
(12/3) plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het basisstation raken.
2. Met apparaat inschakelen.
3. Het display op het apparaat toont Accu
wordt geladen. Indien niet: zie Hoofdstuk 10 "Hulp bij storingen", pagina76.
5.2 Basisinstellingen uitvoeren
de en type worden weergegeven.
3. In het menu taalkeuze met of taal se-
lecteren en met overnemen.
4. In het menu Aanmelding > PIN invoe-
ren het vooraf ingestelde PIN 0000 invoe- ren. Hiervoor na elkaar met of het cij- fer 0 selecteren en telkens met overne- men. Na de invoer van het PIN wordt de toe- gang vrijgeschakeld.
5. In het menu PIN wijzigen:
Bij Nieuwe PIN invoeren een zelf gekozen nieuw PIN van vier plaatsen in- voeren. Hiervoor na elkaar met of een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
Bij Nieuwe PIN herh. het nieuwe PIN opnieuw invoeren. Als beide invoeren identiek zijn, wordt PIN met succes gewijzigd weergegeven.
6. In het menu Datum invoeren de actuele
datum instellen (formaat:DD-MM-20JJ). Hiervoor na elkaar met of een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
7. In het menu Tijdstip invoeren > 24h-
formaat de actuele tijd instellen (for- maat:HH:MM). Hiervoor na elkaar met of een cijfer selecteren en telkens met overnemen. De basisinstellingen zijn voltooid. De status On- gekalibreerd starttoets indrukken wordt weergegeven.
5.3 Maaihoogte instellen (14)
De maaihoogte kan traploos tussen de 25 - 55mm met de hand worden versteld. OPMERKING Voor de kalibratierit (zie Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierit uitvoe- ren", pagina70) en voor het leren van de start- punten (zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunten instel- len", pagina72) wordt een maaihoogte van 55mm aanbevolen.
hoogte wordt op het scherm (14/3) in millime- ter aangegeven):
3. Afdekking sluiten.
5.4 Automatische kalibratierit uitvoeren
OPMERKING Voer voor de inbedrijfstelling een kalibratie uit (zie Hoofdstuk 5.4 "Automati- sche kalibratierit uitvoeren", pagina70) of voer het teachen van de stanrtpunten uit (zie Hoofd- stuk 7.5.2 "Startpunten instellen", pagina72). Zet het apparaat op de beginstand (13)
1. Zet het apparaat binnen het maaigebied op
min. 1m links en 1m voor het basisstati-
met de voorkant op de begrenzingskabel uitgelijnd Kalibratierit starten
1. Controleer dat er binnen het te voorspellen
bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat moet met beide voorwielen tegelijk over de begren- zingskabel heen kunnen rijden. Indien nodig obstakels verwijderen of kabel tijdelijk naar binnen leggen (min35cm noodzakelijk).
2. Met apparaat starten. Op het display
! Waarschuwing! Aandrijving start
Kalibreren , Fase [1] Tijdens de kalibratierit Het apparaat rijdt voor de bepaling van de sig- naalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee keer over de begrenzingskabel heen en ver- volgens naar het basisstation en blijft daar stil- staan.
Op het display wordt de melding Kalibra- tie voltooid gegeven.
De accu wordt opgeladen. OPMERKING Het apparaat moet bij het bin- nenrijden in het basisstation blijven staan. Als het apparaat bij het binnenrijden in het basisstation de contacten niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat niet door het basisstation rijdt is de kalibratieprocedure mis- lukt. In dat geval moet het basisstation beter uit- gelijnd en de kalibatieprocedure herhaald wor- den. Na de kalibratie De vooraf ingestelde actuele maaitijd wordt aan- gegeven. Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "In- stellingen", pagina71. Robolinho OPMERKING Om voor een correcte werking te zorgen en foutmeldingen te reduceren moet de luslengte met de functie "Instappunten teachen" worden gemeten. 6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
1. Met apparaat inschakelen.
Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmati- ge start", pagina73.
2. Met apparaat met de hand starten.
op het basisstation (12/4) of op het appa- raat indrukken. Het apparaat rijdt automatisch naar het basissta- tion. Het wist het maaischema van de actuele dag en start de volgende dag weer op het inge- stelde tijdstip.
op het apparaat indrukken. De maaiwerking wordt gedurende een half uur onderbroken.
op het apparaat indrukken. Het apparaat wordt uitgeschakeld. OPMERKING In gevaarlijke situaties kan het apparaat met de STOP-toets(12/2) worden ge- stopt.
6.3 Nevenoppervlak maaien (05/NF)
1. Apparaat optillen en met de hand op het ne-
venoppervlak plaatsen.495761_a 71 Instellingen
2. Met apparaat inschakelen.
3. Met hoofdmenu oproepen.
6. Met of maaitijd selecteren.
7. Met apparaat met de hand starten.
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd en schakelt vervol- gens uit of maait verder tot de accu leeg is. Na het maaien van het nevenoppervlak het appa- raat weer met de hand in het basisstation plaat- sen. 7 INSTELLINGEN
7.1 Instelling oproepen - Algemeen
1. Met hoofdmenu oproepen.
Opmerking:Het sterretje * voor het menu- punt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
2. of * Instellingen
3. Met of het gewenste menupunt selec-
teren en met overnemen.
4. Instellingen uitvoeren.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
5. Met teruggaan naar het hoofdmenu.
OPMERKING Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagi- na69.
In de Eco-modus schakelt het apparaat om naar de energie besparende modus. Daardoor wordt het energieverbruik en de geluidsemissie geredu- ceerd. OPMERKING In hoog en dicht gras evenals dichte grasmat niet aanbevolen of eventueel niet mogelijk.
OPMERKING Maaien van een droog gazon vermindert vervuiling. Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragings- tijd kan er worden voorkomen dat het apparaat bij een nat gazon maait. Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het appa- raat terug naar het basisstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is ge- droogd. Vervolgens wacht het nog de tijd af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien. De gevoeligheid van de regensen- sor is instelbaar.
xx uur xx minuten Met of de gewenste waarde voor de vertraging selecteren en met be- vestigen.
4. Gevoeligheid van de regensensor instellen:
Met of de gewenste waarde voor de gevoeligheid instellen en met be- vestigen.
7.5 Maaiprogramma instellen
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
1. Met hoofdmenu oproepen.
3. Met of menupunt selecteren en met
4. Instellingen uitvoeren.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
1. Apparaat in het basisstation plaatsen.
2. Met apparaat inschakelen.
3. Met hoofdmenu oproepen.
7. of * Start teachrun voor
of Hier , als het apparaat het gewenste startpunt heeft bereikt. Het startpunt wordt opgeslagen.
8. of Stel startpunt 1 in ,
als bij de teachrun geen startpunt is vastge- legd. Als er hier geen startpunt wordt vastge- legd, worden de startpunten automatisch vastgelegd.
9. of Startpunt x: XXm , als
het laatste startpunt is bereikt. Startpunten met de hand vastleggen (05) Het eerste startpunt (05/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1m rechts naast het basisstation. Achter dit punt kunnen verdere startpunten wor- den gedefinieerd (zie technische gegevens). Houd bij het vastleggen van de startpunten reke- ning met het volgende:
Stel de startpunten niet te ver verwijderd van het basisstation en niet te dicht bij elkaar in (06/f).
Gebruik slechts zoveel startpunten als nodig.
2. of * Punt X1 bij [020m]
Met of na elkaar een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
3. of * Punt X2 bij [075m]
Met of na elkaar een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
4. Verdere startpunten vastleggen indien nodig.
5. Met teruggaan naar het hoofdmenu.
7.5.3 Maaitijden instellen
OPMERKING Tussen de programmering van de maaitijden en het starten van het maaien moeten 30 minuten liggen. Indien niet start het apparaat op zijn vroegst 30min na de laatste toetsbediening. In het menupunt Weekprogramma worden de dagen van de week en de tijdstippen ingesteld waarop het apparaat moet maaien. Pas deze in- stellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog on- gemaaide gebieden te zien zijn moeten de maai- tijden verlengd worden.
of * Elke dag [X]: Het appa- raat maait iedere dag op de ingestelde tijdstippen. Als Elke dag [] wordt aangegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde weekdagen.
of * Maandag [X]...* Zondag [X]: Het apparaat maait op de ingestel- de weekdag op de ingestelde tijdstippen. Als bijv. Maandag [] wordt weerge- geven, maait het apparaat op de betref- fende dag niet.
of Wijzigen : De betreffen- de dag activeren [X] of deactiveren [], tijden, manier van maaien en start- punten instellen.495761_a 73 Instellingen
2. Instellingen voor alle dagen of de betreffende
bijv. *[M] 07:00-10:00 [?]: Nor- maal maaien [M] van 07:00 – 10:00uur met automatisch wisselend startpunt 0 – 9 [?].
bijv. *[R] 16:00-18:00 [1]: Het ap- paraat start om 16:00uur met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daarna begint het maaien van het oppervlak op start- punt 1 [1]. Om 18:00uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation.
of Wijzigen : Geselecteer- de instelling wijzigen.
of Verder : Gewijzigde in- stelling bevestigen en verder naar de vol- gende instelling.
3. of Opslaan : Alle gewijzigde in-
stellingen van het menupunt opslaan.
De passagemodus zorgt bij nauwe passages voor een beter maairesultaat.
1. Startpunt in de nauwe passage zetten (zie
paragraaf „Startpunten instellen“).
2. Vanaf het ingestelde startpunt in de passage-
bijv. *[P] 16:00-18:00 [3]: Het ap- paraat start om 16:00 uur met de pas- sagemodus [P] en begint op startpunt 3 [3] te maaien. Om 18:00uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation.
Een bestaande verbinding met een gateway kan verbroken worden. Daardoor staat het apparaat gedurende 30 minuten open voor een nieuwe verbindingsopbouw. OPMERKING Om later een verbinding op te bouwen moet de verbinding eerst opnieuw wor- den verbroken, ook als het apparaat vooraf niet met een gateway was verbonden.
apparaat meldt: Voltooid.
3. Met bevestigen en teruggaan naar het
7.7 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld wor- den dat het apparaat met het maaien van de ran- den begint. Randen op de geprogrammeerde maaitijden maaien: zie Hoofdstuk 7.5.3 "Maaitijden instel- len", pagina72.
1. of * Randen maaien
2. of * bij handmatige start
2. Maaitijden instellen:
of inactief : Maaien van nevenoppervlakken is uitge- schakeld.
of actief : Het apparaat maait tot de accu leeg is.
of Mähzeit in min : Het apparaat maait gedurende de inge- stelde tijd het nevenoppervlak. De vol- gende maaitijden kunnen ingesteld wor- den: 30/60/90/120/tot accu leeg.
7.9 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. in zonlicht slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het dis- playcontrast verbeterd worden.
1. of * Displaycontrast
2. Met of het displaycontrast verhogen/
verlagen en met overnemen.
7.10 Instellingsbescherming
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veilig- heid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
1. of * InstellingsbeschermingNL
74 Robolinho Informatie weergeven
7.11 Opnieuw kalibreren
Als de positie of de lengte van de begrenzingska- bel werd gewijzigd of het apparaat de begren- zingskabel niet meer kan vinden, moet er op- nieuw gekalibreerd worden.
1. of Opnieuw kalibreren
2. Kalibratie terugzetten?
3. Kalibratierum uitvoeren: zie Hoofdstuk 5.4
"Automatische kalibratierit uitvoeren", pagi- na70.
7.12 Terugzetten op fabrieksinstellingen
De fabrieksinstelling van het apparaat kunnen bijv. voor een doorverkoop teruggezet worden.
1. of * Fabrieksinstellingen
apparaat meldt: Instellingen met suc- ces hersteld 8 INFORMATIE WEERGEVEN Het menu Informatie dient voor de weergave van de apparaatgegevens. In dit menu kunnen verder geen instellingen worden gedaan.
1. Met hoofdmenu oproepen.
3. Met of menupunt selecteren en met
overnemen. Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
4. Met teruggaan naar het hoofdmenu.
Messenservice Geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een mes- senservice noodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice van een AL-KO dealer, technicus of een servicepart- ner uit laten voeren. Teller voor de messenservice terugzetten:
Hardware Geeft informatie weer over het apparaat, als bijv. type, fabricagejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laad- cycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel. Software Geeft de software-versie aan. OPMERKING Houd de software van de Ro- bolinho maairobot altijd actueel. Controleer regel- matig de firmwareversie en actualiseer die indien nodig. De Robolinho Updater Software vindt u op internet op: www.al-ko.com/shop/de/robolinho-autoupdater Programma-info Toont actuele instellingen als bijv. de totale we- kelijkse maaitijd. Storingen Geeft de als laatste opgetreden storingsmeldin- gen met datum, tijd en foutcode weer.
9 ONDERHOUD EN VERZORGING
VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. On- derdelen met scherpe randen en draaiende on- derdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerk- zaamheden altijd beschermende handschoe- nen!
LET OP! Gevaar door water. Water in de ro- bot-grasmaaier en in het basisstation leidt tot schade aan elektrische componenten.
Spuit de robot-grasmaaier en het basisstation niet met water af. Robot-grasmaaier reinigen VOORZICHTIG! Kans op letsel door snij- messen. De snijmessen zijn erg scherp en kun- nen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaamsdelen niet in de snij- messen terechtkomen. Een keer per week uitvoeren:
1. Met apparaat uitschakelen.
2. Oppervlak van het huis met een stoffer, een
borstel, een vochtige doek of een fijne spons afvegen.495761_a 75 Onderhoud en verzorging
3. Onderkant, maaidek en snijmessen met een
borstel afborstelen.
4. Snijmessen op beschadigingen controleren.
Indien nodig vervangen: zie Hoofdstuk 9.3 "Messen vervangen", pagina75. Basisstation reinigen
1. Grasrestanten en loof of andere voorwerpen
regelmatig uit het basisstation verwijderen.
2. Oppervlak van het basisstation met een
vochtige doek of een fijne spons afvegen.
1. Controleer één keer per week de gehele in-
stallatie op beschadigingen:
2. Laat defecte onderdelen door originele on-
derdelen van de fabrikant of door een servi- cepunt van de fabrikant vervangen. Wielen controleren op vrije beweging Een keer per week uitvoeren:
1. De omgeving van de rollen grondig van gras-
restanten en vervuiling ontdoen. Gebruik hiervoor een stoffer en een doek.
2. Controleer of de rollen soepel draaien en of
ze gestuurd kunnen worden. Opmerking:Als de rollen stroef draaien of niet gestuurd kunnen worden moeten ze door een servicepunt van de fabrikant worden ver- vangen. Contactoppervlakken aan de robot- grasmaaier controleren
1. Vervuiling met een doek verwijderen en dan
iets met contactvet insmeren. Laadcontacten van het basisstation controleren
1. De netstekker van het apparaat uit het stop-
ken en loslaten. De laadcontacten moeten weer terugveren in de uitgangspositie. Opmerking:Als de laadcontacten niet terug- veren moeten ze door een servicepunt van de fabrikant worden vervangen.
9.3 Messen vervangen
VOORZICHTIG! Kans op letsel door snij- messen. De snijmessen zijn erg scherp en kun- nen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaamsdelen niet in de snij- messen terechtkomen. LET OP! Beschadiging van het apparaat door ondeskundige reparatie. Door het recht- buigen van verbogen gemonteerde snijmessen kan de messenschijf beschadigd raken.
Buig verbogen snijmessen niet recht.
Vervang verbogen snijmessen door originele reserveonderdelen van de fabrikant. Versleten snijmessen of verbogen snijmessen moeten worden vervangen.
1. Met apparaat uitschakelen.
2. Apparaat omkeren met de messen naar bo-
3. Bevestigingsbouten losdraaien.
4. De snijmessen uit de meszitting halen.
De meszitting reinigen met een zacht borsteltje. Opmerking:De snijmessen zijn over de gehele lengte geslepen en kunnen daarom 180° ge- draaid gemonteerd worden, waardoor de draai- tijd verdubbeld wordt.
Als de snijmessen sinds de eerste mon- tage nog niet zijn gedraaid: Snijmessen 180° draaien en met de geslepen kant naar het apparaat toe wijzend weer in de meszitting plaatsen en de bevestigings- bouten weer handvast aandraaien.
Als de snijmessen sinds de eerste mon- tage al eens zijn gedraaid: Nieuwe snij- messen met de geslepen kant naar het apparaat toe wijzend in de meszitting plaatsen en nieuwe bevestigingsbouten handvast aandraaien. Opmerking:Er mogen uitsluitend origi- nele reserveonderdelen van de fabrikant worden gebruikt. Als ernstige vervuiling niet met een borstel kan worden verwijderd, moet de messenschijf worden vervangen, omdat er anders onbalans kan zor- gen voor meer geluid, meer slijtage en functiesto- ringen. De wegruimmessen hoeven normaal gesproken niet te worden vervangen.NL 76 Robolinho Hulp bij storingen
Apparaat- en bedieningsfouten verhelpen VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. On- derdelen met scherpe randen en draaiende on- derdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerk- zaamheden altijd beschermende handschoe- nen! OPMERKING Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen. Storing Oorzaak Maatregel Apparaat start niet. Accu is leeg. Apparaat in het basisstation opladen. Apparaat komt klem te zitten en graaft zich vast. De wielen draaien verder.
Stootsensoren worden niet geacti- veerd. Ga naar een servicepunt van de fabrikant.
De maaihoogte hoger instellen, daarna la- ger instellen tot de gewenste hoogte.
Gras met een grasmaaier maaien.
Apparaat blijft op een oneffenheid van het gazon hangen. Oneffenheid verwijderen. Apparaat maait op verkeerde tijdstippen.
Apparaat heeft de verkeerde tijd. Tijd instellen.
Maaiduur is verkeerd ingesteld. Maaitijden instellen.
Apparaat verliest de tijdinstellin- gen. Accu is defect. Ga naar een servicepunt van de fabrikant. Motor stopt tijdens het maaien.
Motor is overbelast. Apparaat uitschakelen, op een vlakke onder- grond of laag gras plaatsen en opnieuw starten.
Snijmessen zijn stomp. Snijmessen omkeren of indien nodig vervangen. Maairesultaat is ongelijkmatig.
Maaitijd is te kort. Langere maaitijden programmeren.
De maaihoogte is te laag inge- steld. De maaihoogte hoger instellen, daarna lager in- stellen tot de gewenste hoogte.
Snijmessen zijn stomp. Snijmessen omkeren of indien nodig vervangen. Het vermogen van de accu neemt duidelijk af.495761_a 77 Hulp bij storingen Storing Oorzaak Maatregel
De maaihoogte is te laag inge- steld. De maaihoogte hoger instellen, daarna lager in- stellen tot de gewenste hoogte.
Gras te hoog of te nat.
Maaihoogte hoger instellen. Apparaat trilt of het geluidsvolume is te hoog. Onbalans in het snijmes of in de aan- drijving van het snijmes
Ga naar een servicepunt van de fabrikant. Accu kan niet opgeladen worden resp. te lage accuspanning
Laadcontacten van het basisstati- on zijn vervuild.
Contactoppervlakken aan het ap- paraat zijn vervuild. Laadcontacten en contactoppervlakken reini- gen.
Basisstation heeft geen stroom. Basisstation op voeding aansluiten.
Apparaat raakt de laadcontacten niet.
Apparaat in het basisstation plaatsen en con- troleren of de laadcontacten contact maken.
Ga naar een servicepunt van de fabrikant.
Levensduur van de accu is afgelo- pen. Ga naar een servicepunt van de fabrikant.
Oplaadelektronica is defect. Ga naar een servicepunt van de fabrikant.
10.2 Foutcodes en -oplossing
OPMERKING Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen. Foutcode Oorzaak Maatregel CN001: Tilt sensor Kantelsensor is geactiveerd:
Apparaat werd gedragen
Helling te steil Apparaat op een horizontale onder- grond plaatsen en de fout bevestigen. CN002: Lift sensor De hefsensor is geactiveerd:
De afdekking van het ap- paraat werd door optillen of door een obstakel naar boven toe wegge- drukt. Obstakel verwijderen. CN005: Bumper de- flected Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken (bijv. botsing in de buurt van het basisstation).
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel corrigeren.NL 78 Robolinho Hulp bij storingen Foutcode Oorzaak Maatregel CN007: No loop sig- nal
Circuitsignaal is te zwak.
Led aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.
Circuitsignaal te zwak
Led aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.
Begrenzingskabel tot de voorge- schreven hoogte verhogen, evt. di- rect op het gazon bevestigen. CN010: Bad position
Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga- zonoppervlak.
Begrenzingskabel werd gekruist.
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. Kruising van de kabel opheffen. CN011: Escaped ro- bot Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper- vlak. Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. CN012: Cal: no loop CN015: Cal: outside Storing tijdens de kalibratie:
Apparaat kan de begren- zingskabel niet vinden.
Voeding van het basisstation con- troleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.
Apparaat op de voorgeschreven ka- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. Apparaat moet over de be- grenzingskabel heen kunnen rijden. CN017: Cal: signal weak Storing tijdens de kalibratie:
Circuitsignaal te zwak
Apparaat op de voorgeschreven ka- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen.
Voeding van het basisstation con- troleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.
Storing tijdens de kalibratie:
Apparaat is tegen een obstakel aan gereden. Obstakel verwijderen. CN038: Battery Accu is leeg:
Circuit van de begren- zingskabel is te lang, te veel eilanden. Positie van de begrenzingskabel corri- geren.495761_a 79 Hulp bij storingen Foutcode Oorzaak Maatregel
Bij het opladen geen contact met de laadcon- tacten
Apparaat in het basisstation plaat- sen en controleren of de laadcon- tacten contact maken.
Laadcontacten laten controleren door een servicepunt van de fabri- kant en laten vernieuwen.
Obstakels in de buurt van het laadstation Obstakels verwijderen.
Apparaat heeft zich vast- gereden. Apparaat op een vrij, omheind gazon plaatsen.
Apparaat vindt het basis- station niet.
Begrenzingskabel door een service- punt van de fabrikant laten doorme- ten.
Accu is opgebruikt. Accu door een servicepunt van de fabri- kant laten vervangen.
Oplaadelektronica is de- fect. Laadelektronica door een servicepunt van de fabrikant laten vervangen. CN099: Recov escape Automatisch verhelpen van storing niet mogelijk
Storingsmelding met de hand be- vestigen.
Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la- ten controleren. CN104: Battery over heating
Accu is oververhit (meer dan 60°C). Er is geen ontlading mogelijk.
Apparaat uitschakelen en accu laten afkoelen.
Apparaat niet in het basisstation plaatsen. CN110: Blade motor over heating Maaimotor is oververhit (meer dan 80°C).
Apparaat uitschakelen en laten af- koelen.
Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la- ten controleren. CN119: R-Bumper de- flected CN120: L-Bumper de- flected Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken. Obstakel verwijderen.NL 80 Robolinho Transport Foutcode Oorzaak Maatregel CN128: Recov Impos- sible
Apparaat is tegen een obstakel gereden en kan zich niet losmaken. Obstakel verwijderen.
Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga- zonoppervlak.
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel corrigeren. CN129: Blocked WL Motor van linkerwiel is ge- blokkeerd. Blokkering verwijderen. CN130: Blocked WR Motor van rechterwiel is ge- blokkeerd. Blokkering verwijderen. De beschrijving van verdere foutcodes staat op de AL-KOhomepage. 11 TRANSPORT Ga voor het transport van het apparaat als volgt te werk:
1. Met of met de stoptoets het apparaat
2. Met apparaat uitschakelen.
3. Til het apparaat met beide handen aan het
De snijmessen mogen niet aangeraakt worden.
De snijmessen moeten altijd van het li- chaam weg wijzen. 12 OPSLAG
12.1 Robot-grasmaaier opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de win- ter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt.
1. Accu geheel opladen (Accu opladen (08))
2. Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
12.2 Laadpaal demonteren en opbergen (18,
19) Demonteer de laadpaal op als hij gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt en berg hem op.
1. Voeding van het net scheiden en van het ba-
sisstation losnemen.
2. Laadpaal verwijderen:
Beide toetsen (18/4, 19/1) tegelijk indruk- ken om de laadpaal te ontgrendelen.
Opening van de basis(19/4) afsluiten met de bijgevoegde winterafdek- king(19/5), (19/b) zie technische gege- vens.
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
12.3 Begrenzingskabel overwinteren
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zit- ten en hoeft niet verwijderd te worden. 13 VERWIJDEREN Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten
Oude elektrische en elektronische ap- paraten horen niet thuis bij het huis- houdelijke afval, maar moeten geschei- den worden aangeboden of verwijderd!
Gebruikte batterijen of accu’s, die niet vast in het apparaat ingebouwd zijn, moeten voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recy- cling ervan wordt door de batterijwetgeving beheerst.495761_a 81 Klantenservice/service centre
Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk tot te- ruggave na gebruik verplicht.
De eindgebruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen gebruikte apparaat! Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elek- tronische gebruikte apparaten niet via het huisvuil mogen worden verwijderd. Elektrische en elektronische apparaten kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden af- gegeven:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot te- rugname verplicht zijn of deze vrijwillig aan- bieden. Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geïnstalleerd en verkocht werden en die beant- woorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwij- kende voorschriften gelden voor het verwijderen van afgedankte elektrische en elektronische ap- paraten. Over de batterijwetgeving (in Duitsland: BattG)
Gebruikte batterijen en accu’s horen niet bij het gewone afval, maar moeten afzonderlijk worden weggedaan!
Zie de gebruiksaanwijzing om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu’s uit het elektrische apparaat over te kunnen gaan en voor informatie over het type of het chemisch systeem.
Eigenaars of gebruikers van batterijen en ac- cu’s zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is beperkt tot de nor- male huishoudelijke hoeveelheden. Gebruikte batterijen kunnen schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de ge- zondheid schade kunnen toebrengen. Het herge- bruiken van gebruikte batterijen en het opnieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen. Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruikte batterijen en accu’s niet via het huisvuil mogen worden ver- wijderd. Wanneer ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005% kwik
Pb: Batterij bevat meer dan 0,004% lood Accu’s en batterijen kunnen op de volgende inza- melpunten gratis worden afgegeven:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van batterijen en accu’s
Een inzamelpunt van het gemeenschappelij- ke recycling systeem voor gebruikte appara- ten en batterijen
Een inzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijke recy- cling systeem) Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op accu’s en batterijen die in landen van de Europe- se Unie verkocht werden en die voldoen aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen andere bepalingen voor de recycling van accu’s en batterijen gelden. Aanwijzingen voor de verpakking Het verpakkingsmateriaal is herbruikbaar. Doe de verpakking milieubewust weg. Accu demonteren voordat het apparaat wordt afgedankt (16) De geïntegreerde accu moet gedemonteerd en apart weggedaan worden voordat het apparaat wordt afgedankt.
1. Bouten (16/1) losdraaien.
2. Deksel van het accuvak (16/2) afnemen.
3. Accu (16/3) loskoppelen en uitnemen.
4. Deksel weer plaatsen en bouten weer aan-
draaien. 14 KLANTENSERVICE/SERVICE CENTRE Voor vragen over garantie, reparatie of reserve- onderdelen kunt u contact opnemen met het dichtstbijzijnde AL-KOservice centre. Deze vindt u op internet op het volgende adres: www.alko-garden.com/service-contacts Verdere informatie over reserveonderdelen vindt u op: www.alko-garden.com/sparepartsNL 82 Robolinho Informatie bij de conformiteitsverklaring
15 INFORMATIE BIJ DE
CONFORMITEITSVERKLARING We verklaren hierbij onder onze eigen verant- woordelijkheid dat dit product, zoals het op de markt wordt gebracht, voldoet aan de eisen van de geharmoniseerde EU-richtlijnen, de EU-veilig- heidsnormen en de productspecifieke normen. De conformiteitsverklaring is deel van de ge- bruikshandleiding en wordt met de machine mee- geleverd. 16 GARANTIE Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefou- ten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door le- vering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft. Onze garantie geldt alleen bij:
naleving van deze gebruikershandleiding
Gebruik van originele reserveonderdelen De garantie vervalt bij:
Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
Eigenhandig aangebrachte technische wijzi- gingen
Gebruik voor andere doeleinden dan het ge- bruiksdoel Van de garantie zijn uitgesloten:
lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aangeduid De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de da- tum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.495761_a 83 Traduction de la notice d’utilisation originale TRADUCTION DE LA NOTICE D’UTILISATION ORIGINALE Table des matières 1 À propos de cette notice .......................... 84
SimpelGids