Robolinho 4100 - Robotmaaier AL-KO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Robolinho 4100 AL-KO in PDF-formaat.
| Producttype | Robotmaaier |
| Merk | AL-KO |
| Model | Robolinho 4100 |
| Maximaal maaioppervlak | 2000 m² |
| Maximale helling (stijgen/dalen) | 40 % (22°) |
| Maaihoogte | 3 tot 6 cm (instelbaar in stappen van 1 mm) |
| Accu | Geïntegreerde lithium-ion, niet door gebruiker vervangbaar |
| Voeding | Nettransformator (230 V) met laagspanningskabel, vertraagde zekering 2,5 A |
| Maaitijd | Variabel afhankelijk van maaihoogte en gazonconditie |
| Programmering | Wekelijks programma, startpunten (tot 9), randmaaien en secundaire oppervlakken |
| Veiligheidssensoren | Hefsensor, hellingssensor, botsingssensoren, regensensor, noodstop (STOP-toets) |
| Vergrendeling | PIN-code en PUK (antidiefstalvergrendeling) |
| Connectiviteit | Compatibel met innogy SmartHome via Lemonbeat, AL-KO inTOUCH-app |
| Werkingsmodus | Automatisch: wisselt maaien en laden af zonder handmatige ingreep |
| Geluidsniveau | Verminderd in Eco-modus |
| Onderhoud | Wekelijkse reiniging, vervanging van maaimesjes, controle van wielen en contacten |
| Slijtageonderdelen | Maaimesjes, mesplateau, transformatorzekering, omtrekkabel |
| Bedrijfstemperatuur (maaien) | 0 tot 55 °C |
| Oplaadtemperatuur | 0 tot 45 °C |
| Garantie | Wettelijk, afhankelijk van aankoopland |
Veelgestelde vragen - Robolinho 4100 AL-KO
Gebruikersvragen over Robolinho 4100 AL-KO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Robolinho 4100 - AL-KO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Robolinho 4100 van het merk AL-KO.
GEBRUIKSAANWIJZING Robolinho 4100 AL-KO
1 Over deze gebruikershandleiding 77
1.1 Verklaring van pictogrammen en signaalwoorden 77
2 Productomschrijving 78
2.1 Inhoud van de levering 78
2.2 Robot-grasmaaier....78
2.3 Symbolen op het apparaat 79
2.4 Bedieningsoppervlak 79
2.5 Display.... 80
2.6 Menustructuur 81
2.7 Basisstation 82
2.8 Geïntegreerde accu.... 82
2.9 Beschrijving van de werking 83
2.10 Integratie in innogy SmartHome 83
2.10.1 AL-KO inTOUCH app 83
2.10.2 innogy SmartHome app.... 83
3 Veiligheid 84
3.1 Beoogd gebruik 84
3.2 Mogelijk foutief gebruik.... 84
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen.... 84
3.3.1 PIN- en PUK-invoer 84
3.3.2 Sensoren 85
3.4 Veiligheidsinstructies.... 86
3.4.1 Gebruiker.... 86
3.4.2 Veiligheid van personen en dieren 86
3.4.3 Veiligheid van het apparaat 86
3.4.4 Elektrische veiligheid 87
4 Montage 87
4.1 Apparaat uitpakken 87
4.2 Maaivlakken plannen (01) 87
4.3 Maaigedeeltes voorbereiden 88
4.4 Basisstation opbouwen (03/a) 88
4.5 Begrenzingskabel installeren 88
4.5.1 Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (04) 88
4.5.2 Begrenzingskabel leggen (01).... 88
4.5.3 Obstakels afzetten 89
4.5.4 Doorgangen afzetten (01/i).... 90
4.5.5 Hellingen afzetten....90
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (08) 90
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02).... 90
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (05).... 90
4.7 Verbindingen aan het basisstation controleren (05).... 91
5 Ingebruikname 91
5.1 Accu laden (09) 91
5.2 Basisinstellingen uitvoeren.... 91
5.3 Maaihoogte instellen 92
5.4 Automatische kalibratierun uitvoeren 92
6 Bediening....92
6.1 Apparaat met de hand starten.... 92
6.2 Maaiwerking staken.... 92
6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF) 93
7 Instellingen.... 93
7.1 Instelling oproepen - Algemeen.... 93
7.2 Maaihoogte instellen 93
7.3 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren 93
7.4 Regensensor instellen 93
7.5 Eco-mode activeren/deactiveren 94
7.6 Maaiprogramma instellen 94
7.6.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen.... 94
7.6.2 Startpunten instellen.... 94
7.6.3 Maaitijden instellen.... 94
7.7 Randen maaien bij handmatige start.... 95
7.8 inTOUCH 95
7.9 Maaien van nevenoppervlakken instellen 95
7.10 Displaycontrast instellen.... 95
7.11 Instellingsbescherming....96
7.12 Opnieuw kalibreren 96
7.13 Terugzetten op fabrieksinstellingen.... 96
8 Informatie weergeven 96
9 Onderhoud en verzorging 96
9.1 Reiniging 97
9.2 Regelmatige controle 97
9.3 Messen vervangen 98
9.4 Zekering aan de transformator vervangen (11).... 98
10 Transport 98
11 Opslag 99
11.1 Robot-grasmaaier opbergen 99
11.2 Basisstation opbergen 99
11.3 Begrenzingskabel overwinteren 99
12 Verwijderen.... 99
13 Klantenservice/service centre.... 101
14 Hulp bij storingen.... 101
14.1 Apparaat- en hanteringsfouten verhelpen 101
14.2 Foutcodes en -oplossing 103
15 Garantie 106
16 EG-verklaring van overeenstemming 106
1 OVER DEZE GEBRUIKERSHANDLEIDING
De Duitse versie is de originele gebruiksaanwijzing. Alle andere taalversies zijn vertalingen van de originele gebruiksaanwijzing.
■ Lees voor de ingebruikname deze gebruikershandleiding absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.
Bewaar deze gebruikershandleiding goed zo- dat u erin het antwoord op uw vragen kunt te- rugvinden wanneer u informatie over het ap- paraat nodig hebt.
Draag het apparaat alleen samen met deze gebruikershandleiding aan andere personen over.
■ Lees en neem de veiligheids- en waarschuwingsinstructies in deze gebruikershandleiding in acht.
1.1 Verklaring van pictogrammen en signaalwoorden

GEVAAR!
Wijst op een direct gevaar- lijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ern- stig letsel leidt.

WAARSCHUWING!
Wijst op een potentieel ge- vaarlijke situatie, die, wan- neer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan lei- den.

VOORZICHTIG!
Wijst op een potentieel ge- vaarlijke situatie, die, wan- neer ze niet vermeden wordt, tot een licht of mid- delzwaar letsel kan leiden.
LET OP!
Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële schade kan leiden.

OPMERKING
Speciale aanwijzingen voor meer duidelijkheid en een beter gebruik.
Deze documentatie beschrijft een volautomatische, met een accu gevoede robot-grasmaaier die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoogte kan versteld worden.
2.1 Inhoud van de levering
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controleer of alle posities aanwezig zijn:

| 1 Robot-grasmaaier |
| 2 Beknopte handleiding |
| 3 Gebruiksaanwijzing |
| 4 Uitbreidingsplaat |
| 5 Basisstation |
| 6 Transformator |
2.2 Robot-grasmaaier

| 1 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2 s) |
| 2 Bedieningsoppervlak met display (onder afdekklep) |
| 3 Raakvlakken |
| 4 Handgrepen aan de zijkant |
| 5 Bumper |
| 6 Voorste wielen (stuurbaar) |
| 7 Aandrijfwielen |
| 8 Maaidek |
| 9 Messenschijf |
| 10 Draagbeugel |
| 11 Bevestigingsbout |
| 12 Wegruimmes |
| 13 Snijblad |
2.3 Symbolen op het apparaat
Symbool Betekenis

Houd anderen uit de buurt van de gevarenzone!

Vereist extra voorzichtigheid tijdens gebruik!

Blijf met uw handen en voeten bij de maaier vandaan!

Houd voldoende afstand!

Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing!

Voer voor het starten van het apparaat het PIN in!

Rijd niet op het apparaat mee!
2.4 Bedieningsoppervlak

Nr. Component
| 1 | HOME: Maaiwerking staken, het apparaat rijdt terug naar het basisstation. Het start de volgende dag weer automatisch op de ingestelde maaitijd. |
| 2 | MENU: Hoofdmenu oproepen. |
| 3 | Het display toont de actuele bedrijfshoe-danigheid van het apparaat, de naam van het geselecteerde menu, de menupunten en de functies die geselecteerd kunnen worden. |
| 4 | ▲▼: Selecteer de menupunten, verhoog en verlaag de getalwaarden en kies tussen de instellingen. |
| 5 | START PAUSE: Maaiwerking met de hand starten en onderbreken of maaiwerking na het indrukken van de Home-toets (HOME) een hervatten. |
| 6 | —: Functietoetsen. De functie oproepen die zojuist boven de toets op het display wordt weergegeven. |
| 7 | ON/OFF: Apparaat in- en uitschakelen. |
2.5 Display

Nr. Indicatie
1 Naam van het geselecteerde menu (hier: "Hoofdmenu")
2 Menupunten in het menu. Er worden telkens slechts twee menupunten weergegeven (hier: "Instellingen" en "Informatie"). Met de pijltoetsen (▲▼) kunnen er verdere menupunten worden weergegeven.
3 Functies voor het geselecteerde menupunt (hier: "Instellingen"), op te roepen met de functietoetsen ( ) on-deraan het menu.
■ : Functietoets links indrukken.
■ : Functietoets rechts indrukken.
4 Sterretje voor de marking van het ge- selecteerde menupunt (hier: "Instel- lingen")
2.6 Menustructuur
| Hoofdmenu | Programma | Weekprogramma zie Hoofdstuk 7.6 "Maaiprogramma instellen", pagina 94 |
| Startpunten zie Hoofdstuk 7.6.2 "Startpunten instellen", pagina 94 | ||
| Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 96 | ||
| Instel-lingen | Tijdstip zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 91 | |
| Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 91 | ||
| Taal zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 91 | ||
| Maaihoogte zie Hoofdstuk 7.2 "Maaihoogte instellen", pagina 93 | ||
| PIN code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 91 | ||
| Geluidssignaal knopbediening zie Hoofdstuk 7.3 "Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren", pagina 93 | ||
| inTOUCH zie Hoofdstuk 7.8 "inTOUCH", pagina 95 | ||
| Regensensor zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 93 | ||
| Regensensor vertrag. zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 93 | ||
| EcoMode zie Hoofdstuk 7.5 "Eco-mode activeren/deactiveren", pagina 94 | ||
| Randen maaien zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 95 | ||
| Nevenoppervlak actief/inactief zie Hoofdstuk 7.9 "Maaien van nevenoppervlakken instellen", pagina 95 | ||
| Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.10 "Displaycontrast instellen", pagina 95 | ||
| Instellingsbescherming zie Hoofdstuk 7.11 "Instellingsbescherming", pagina 96 | ||
| Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.12 "Opnieuw kalibreren", pagina 96 | ||
| Fabrieksinstellingen zie Hoofdstuk 7.13 "Terugzetten op fabrieksinstellingen", pagina 96 | ||
| Informa-tie | Messenservice zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 96 | |
| Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 96 | ||
| Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 96 | ||
| Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 96 | ||
| Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 96 |
2.7 Basisstation

| 1 HOME-toets |
| 2 Aansluitcontacten voor opladen |
| 3 Basisplaat |
| 4 Uitbreidingsplaat |
| 5 Veerklemmen voor begrenzingskabel |
| 6 Laagspanningskabel |
| 7 Deksel |
| 8 LEDs voor statusweergave |
2.8 Geïntegreerde accu
De accu is vast in het apparaat gemonteerd en mag niet door de gebruiker worden vervangen.

OPMERKING
De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken.
De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu regelmatig opgeladen. Het apparaat rijdt hiervoor terug naar het basisstation.
De geïntegreerde bewakingselectronica beeindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100 % is bereikt.
- Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontanten van het basisstation met de contactoppervlakken van het apparaat.
Bij een temperatuur hoger dan 45 °C blokkeert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze wordt een accustoring voorkomen.
Als de bedrijfsduur van de accu ondanks een volledige oplading duidelijk korter is geworden, moet hij bij een AL-KO dealer, technicus of AL-KO servicepartner door een originele accu worden vervangen.
Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaarde, kan hij niet meer worden opgeladen. Laat de accu en de controle-elektronica controle-ren door uw AL-KO dealer, technicus of servicepartner.
De laadconditie van de accu wordt getoond op het display. De accustatus na ca. 3 maanden opslag controleren. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30 % of minder is geladen moet het apparaat in het basisstation geplaatst en ingeschakeld worden zodat de accu wordt opgeladen. Als de laadzuil voor het opbergen van het basisstation werd verwijderd (zie Hoofdstuk 11.2 "Basisstation opbergen", pagina 99), moet die eerst weer in omgekeerde volgorde gemonteerd en het basisstation weer op het stroomnet aangesloten worden.
Als er elektrolyt uit het huis is vrijgekomen: Apparaat door een AL-KO servicepunt laten repareren! - Indien de accu uit het apparaat werd verwijderd: Als er ogen of handen met het vrijgekomen elektrolyt in aanraking zijn gekomen moeten die onmiddellijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddellijk een arts raadplegen!
2.9 Beschrijving van de werking
Bewegen op het gazon
De robot-grasmaaier beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet oppervlak. De oriëntatie van het apparaat gebeurt met sensoren die het magneetveld van de begrenzingskabel herkennen.
Als het apparaat tegen een obstakel stoot blijft het staan en beweegt verder in een andere richting. Als het apparaat vocht herkent, gaat het automatisch terug naar het basisstation. Als het apparaat in een situatie komt waarin er geen werking mogelijk is, wordt dit met en melding op het display aangegeven.
Maaiwerking en laadwerking
De maafasen worden afgewisseld door laadfasen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0 %) is gedaald, gaat het apparaat langs de begrenzingskabel terug naar het basisstation.
Voor de maaiwerking zijn er vooraf ingestelde maaiprogramma's aanwezig waarin ook oppervlak- en randmaaifuncties zijn opgenomen. Deze maaiprogramma's kunnen door de gebruiker worden gewijzigd.
2.10 Integratie in innogy SmartHome
De robot-grasmaaier kan in een innogy SmartHome-omgeving geïntegreerd en met andere apparaten in een netwerk verbonden worden. Dat maakt een comfortabele besturing, instelling en bewaking van de robot-grasmaaier via app vanaf een mobiel apparaat mogelijk.
Hiervoor moet de robot-grasmaaier via Lemonbeat met een innogy SmartHome-gateway verbonden en de AL-KO inTOUCH app of de innogy SmartHome app op een mobiel apparaat geïnstalleerd worden.

OPMERKING
Het gebruikte mobiele apparaat heeft een radiografische verbinding nodig voor het gebruik van innogy SmartHome. Bij een onderbreking van de radiografische verbinding van het mobiele apparaat kunnen er geen signalen aan de robot-grasmaaier worden verzonden.
2.10.1 AL-KO inTOUCH app
De AL-KO inTOUCH app is voor Android- en iOS-gebaseerde apparaten verkrijgbaar:

Na de installatie van de app dient men zich eerst aan te melden.

OPMERKING
Een registratie is niet dwingend noodzakelijk, biedt echter een aantal extra functies.
Bij het eerste starten van de app wordt de beknopte installatiehandleiding automatisch opgeroepen. Vervolgens kan men in het menu "Appareten" de robot-grasmaaier in de innogy SmartHome-omgeving opnemen.

OPMERKING
Voor de opname is een innogy-account noodzakelijk.

OPMERKING
De robot-grasmaaier moet bereik hebben om opgenomen te kunnen worden (zie Hoofdstuk 7.8 "inTOUCH", pagina 95).
Afgezien van de toegang op afstand toot opgenomen robot-grasmaaiers of tot andere in het netwerk opgenomen apparaten biedt de AL-KO in-TOUCH app verdere features als bijv. productregistratie, tips voor het tuinieren, advies voor planten of push-berichten in geval van een fout.
2.10.2 innogy SmartHome app
De innogy SmartHome app is voor Android- en iOS-gbaseerde apparaten en als browsergebaseerde webtoepassing verkrijgbaar.
Kijk voor verdere informatie over de innogy SmartHome app op https://home.innogy-smarthome.de of in de documentatie van de app.
3 VEILIGHEID
3.1 Beoogd gebruik
Dit apparaat is uitsluitend be-doeld voor particulier gebruik. El-ke andere toepassing, alsook een verboden om- of aanbouw, worden beschouwd als niet be-oogd gebruik en leiden tot uit-sluiting van de garantie, het ver-lies van de conformiteit (CE-markering) en de afwijzing van elke verantwoordelijkheid vanwege de fabrikant wat betreft schade aan de gebruiker of derden.
De toepassingsgrenzen van het apparaat zijn:
■ max. oppervlak: 2000 m²
■ max. helling/daling: 40 % (22°)
■ max. zijwaartse helling: 40 % (22°)
■ Temperatuur:
■ Opladen: 0 – 45 °C
■ Maaien: 0 – 55 °C
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is niet geschikt voor gebruik in een openbare omgeving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen

Defecte en buiten werking gestelde veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen kunnen tot ernstig letsel leiden.
■ Laat defecte veiligheids- en beveiligingsvoorzie- ningen repareren.
■ De beschermings- en beveiligingsvoorzieningen nooit buiten werking stellen.
3.3.1 PIN- en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door invoeren van een PIN (personal Identification Number) worden gestart. Daardoor wordt het in-schakelen door onbevoegde per-sonen voorkomen. DE PIN-code kan gewijzigd worden.
Als de Pin-code 3 keer verkeerd wordt ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unblocking Key) noodzakelijk. Als die ook verkeerd wordt ingevoerd moet er 24 uur voor de volgende invoer worden gewacht.
De PIN- en PUK-code dient ook als diefstalbeveiliging:
■ Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbevoegde personen.
3.3.2 Sensoren
Het apparaat heeft meerdere veiligheidssensoren. Hij schakelt na het uitschakelen door een veiligheidssensor niet automatisch weer in. De foutmelding wordt op het display weergegeven en moet bevestigd worden. De reden voor de activering van de sensor moet worden verholpen.
Hefsensor
Als het apparaat tijdens de werking aan het huis wordt opgetild, wordt de rijaandrijving uitgeschakeld en de snijmessen worden gestopt.
Stootsensoren voor obstakelherkenning
Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting wordt aangepast. Wanneer het apparaat tegen een obstakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizing iets en de stootsensor wordt geactiveerd.
Hellingsensor in rijrichting/zijkant
Als er in rijrichting een helling of een daling of een schuine zijwaartse stand van 22° (40 %) wordt bereikt, keert het apparaat om of verandert van rijrichting.
Regensensor
Het apparaat is uitgevoerd met een regensensor die in geactiveerde hoedanigheid bij regen de maaibeurt onderbreekt en ervoor zorgt dat het apparaat te-rugrijdt naar het basisstation.

OPMERKING
Het apparaat kan betrouw- baar in de buurt van ande- re robot-grasmaaiers wor- den gebruikt.
Het in de begrenzingska- bel gebruikte signaal vol- doet aan de door EGMF (European Garden Machi- nery Federation) vastge- legde standaards wat be- treft de elektromagneti- sche emissies.

3.4 Veiligheidsinstructies
3.4.1 Gebruiker
■ Personen van jonger dan 16 jaar en personen die de gebruikershandleiding niet hebben gelezen, mogen het apparaat niet gebruiken. Neem eventueel van toepassing zijn-de nationale veiligheidsvoorschriften omtrent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht.
■ Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Veiligheid van personen en dieren
■ Op openbaar toegankelijke terreinen moeten rondom het maaigebied waarschuwingsborden met het volgende op-schrift aangebracht worden:

LET OP!
Automatische grasmaai- er!
Kom niet in de buurt van het apparaat!
Houd kinderen onder toe- zicht!
■ Zorg er tijdens de werking voor dat er geen kinderen in de buurt van het apparaat komen of zijn en dat ze niet met het apparaat spelen.
■ Het is verboden om op het apparaat te gaan zitten of om in de snijmessen te grijpen!
■ Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaiwerk.
3.4.3 Veiligheid van het apparaat
■ Zorg er voor het begin van de werkzaamheden voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwerpen, kledingstukken, stenen, tuinmeubelen, tuingerei of speelgoed) in het werkgedeelte van het apparaat liggen. Die kunnen de snijmessen van het apparaat beschadigen of door het apparaat beschadigd worden.
- Gebruik het apparaat alleen onder de volgende voorwaarden:
- Het apparaat is niet ver-vuild.
■ Het apparaat vertoont geen beschadigingen of slijtage.
■ Alle bedieningselementen werken. - Basisstation en transforma- tor en de elektrische voe- dingskabels zijn niet be- schadigd en werken.
■ Vervang defecte onderdelen altijd door originele reserve-onderdelen van de fabrikant.
■ Laat het apparaat repareren wanneer het beschadigd raakte.
■ De gebruiker van het apparaat is verantwoordelijk voor letsel bij derden of voor materiële schade.
3.4.4 Elektrische veiligheid
- Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkertijd een tuinsproeier op het maaioppervlak in bedrijf is.
■ Spuit het apparaat niet met water af.
■ Open het apparaat niet.
4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
- Open de verpakking voorzichtig.
- Haal alle componenten voorzichtig uit de verpakking en controleer ze op transportschade. Opmerking: Neem bij transportschade overeenkomstig de garantiebepalingen direct contact op met uw dealer, technicus of servicepartner van AL-KO.
- Controleer de leveringsomvang, zie Hoofdstuk 2.1 "Inhoud van de levering", pagina 78.
Indien het apparaat wordt doorverzonden moeten de originele verpakking en de meegeleverde documenten worden bewaard. Die zijn tevens bij retournering vereist.
4.2 Maaivlakken plannen (01)
Locatie van het basisstation (01/1)
Kortste mogelijke afstand naar het grootste maaioppervlak
■ Vlakke ondergrond
■ Tegen direct zonlicht en sterke weersinvloeden beschermd
■ aansluitmogelijkheid voor voeding
■ Het aanhouden van de afstanden moet mogelijk zijn:
vrij toegankelijk voor de robot-grasmaaier
- links en rechts van het basisstation min.
1 m vrij
Afstand naar achteren min. 35 cm vanaf de begrenzingskabel t.o.v. de muur
Leggen van de begrenzingskabel (01)
De begrenzingskabel moet in een doorlopende lus rechtsom worden gelegd.
Doorgangen tussen de maaigedeeltes (01/i)
Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaioppervlakken te verbinden.
Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (01)
■ Hoofdoppervlak (01/HF): Is het gazon waarop zich het basisstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele oppervlak automatisch gemaaid kan worden.
■ Nevenoppervlak (01/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanaf het hoofdoppervlak niet kan worden bereikt; apparaat indien nodig met de hand naar het nevenoppervlak dragen. Nevenoppervlakken kunnen met handmatige werking worden bewerkt.
Hoofd- en nevenoppervlak zijn echter alleen door dezelfde, ononderbroken begrenzingkabel omheind.
Positie van de startpunten (01/X0 - 01/X3)
Het apparaat beweegt op de vastgelegde maai- tijd langs de begrenzingskabel tot aan het vast- gelegde startpunt en begint daar met maaien.
Met de startpunten kan er vastgelegd worden welke gedeeltes van het maaioppervlak er meer worden gemaaid.
4.3 Maaigedeeltes voorbereiden
- Controleer of het gazon groter is dan de oppervlaktecapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaaid gazon. Verklein het te maaien oppervlak indien nodig.
- Voor de montage van basisstation en begrenzingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: Het gazon met een grasmaaier op een kleine snijhoogte maaien.
- Obstakels op het gazon verwijderen of met de begrenzingskabel afzetten (zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 89):
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen kunnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazon naar terras of pa- den, Tegels, randstenen enz.)
■ Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, dennenappels, gevallen fruit enz.)
■ Steile hellingen van meer dan 40 % (22°)
Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het gazon
■ Struiken en heggen die breder kunnen worden

OPMERKING
Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van de robotgrasmaaier niet kunnen worden herkend. Vermijd te veel of onnodige afzettingen.
4.4 Basisstation opbouwen (03/a)
- Basisplaat (03/1) aan het basisstation (03/2) bevestigen.
- Uitbreidingsplaat (03/3) op de basisplaat (03/1) aanbrengen.
- Basisstation (01/1) haaks t.o.v. de positie van de begrenzingskabel plaatsen en vlak op de grond uitlijnen. Met een waterpas de uitlijning van het basisstation controleren en indien nodig de positie van het basisstation aanpassen.
- Basisplaat (03/1) en uitbreidingsplaat (03/3) met gazonpennen (03/4) bevestigen.
4.5.1 Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (04)
- Het uiteinde van de begrenzingskabel (04/1) uit de verpakking trekken.
- De isolatie van het kabeluiteinde ca. 10 mm strippen.
- Het geïsoleerde kabeluiteinde (04/3) in de veerklem (04/4) op de aansluiting (04/6) van het basisstation (04/2) steken.
- Veerklem (04/4) met het kabeluiteinde in de basisplaat van het basisstation drukken.
- Afdekkap (04/5) op de veerklem (04/6) steken.
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10 cm onder het gazonoppervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitgevoerd worden.
Beide varianten kunnen met elkaar gecombineerd worden.
LET OP!
Gevaar voor beschadiging van de begrenzingskabel
Als de begrenzingskabel beschadigd of doorgesne- den wordt is de overdracht van de besturingssignalen naar het apparaat niet meer mogelijk. In dat geval moet de begrenzingskabel gerepareerd of vervangen worden. Begrenzingska- bels zijn verkrijgbaar bij AL-KO.
■ Leg de begrenzingskabel altijd direct op de grond. Bevestig hem indien nodig met een extra gazonpen.
■ Bescherm de begrenzingskabel bij het leggen en tijdens de werking tegen beschadigingen.
■ Graaf en verticuteer niet in de buurt van de begrenzingskabel.
- Leid de begrenzingskabel ten minste 1 m recht weg van het basisstation (01/a).
- Bevestig de begrenzingskabel met regelmatige afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
-
Begrenzingskabel om obstakels heen leggen: zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 89.
-
Doorgangen tussen de afzonderlijke maaioppervlakken aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (01/i)", pagina 90.
- Te grote stijgingen of dalingen afzetten: zie Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten", pagina 90.
- Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.6 "Kabelreserves aanleggen (08)", pagina 90.
- Leid de begrenzingskabel vanaf een afstand van ten minste 1 m recht naar het basisstation (01/k).
- Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan op de aansluiting (04/7) van het basisstation: zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (04)", pagina 88.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkgedeelte moet de begrenzingskabel met verschillende afstanden t.o.v. de obstakels worden gelegd. Gebruik voor de bepaling van de juiste afstand de liniaal die van de verpakking afgehaald kan worden.

OPMERKING
Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van de robotgrasmaaier niet kunnen worden herkend. Vermijd te veel of onnodige afzettingen.
Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min. 15 cm (01)
Het apparaat beweegt met een afstand naar buiten van 15 cm langs de begrenzingskabel. Leg daarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 15 cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden.
Afstand t.o.v. terrasranden en getegelde paden (06)
Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 15 cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon liegt kan de kabel precies op de rand worden gelegd.
Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel (01)
Als de begrenzingskabels van het obstakel weg of naar het obstakel toe precies zijn samengelegd, d.w.z. met een afstand van 0 cm, beweegt het apparaat over de begrenzingskabels heen. De begrenzingskabels mogen niet gekruist worden (01/g).
Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (07)
Bij naar binnen verlopende hoeken (07/a): Begrenzingskabel diagonaal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vast komt te zitten.
Bij naar buiten verlopende hoeken met obstakels (07/b): Begrenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat tegen de hoek aan botst.
Bij naar buiten verlopende hoeken zonder obstakels: Begrenzingskabel met een hoek van 90° leggen.
4.5.4 Doorgangen afzetten (01/i)
De volgende afstanden moeten in de doorgang aangehouden worden:
■ Totale breedte: min. 60 cm
■ Afstand van de begrenzingskabel t.o.v. de rand: 15 cm
■ Afstand tussen de begrenzingskabels: min. 30 cm
4.5.5 Hellingen afzetten
Hellingen van meer dan 40 % moeten met de begrenzingskabel afgezet worden (40 % = 40 cm helling per 1 m horizontaal).
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (08)
Om na de inrichting van het maaibereik het basisstation nog te kunnen verplaatsen of het maaibereik te vergroten, moet er op regelmatige afstanden een reservelengte in de begrenzingskabel worden ingebouwd.
Kies het aantal kabelreservelengtes naar eigen goeddunken.

OPMERKING
Vorm bij reservelengtes geen open lussen.
- Leg de begrenzingskabel rond de actuele gazonpen (08/1) en weer terug naar de vorige gazonpen (08/3).
- Leid de begrenzingskabel dan weer terug naar de actuele gazonpen (08/1). Er ontstaat een lus. De kabels moeten bij elkaar liggen.
- Indien nodig de lus in het midden met een extra gazonpen (08/2) aan de grond bevestigen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02)
De begrenzingskabel wordt niet ten minste 1 m recht weg van het basisstation (02/a) geleid.
■ De kabelreserves van de begrenzingskabel worden niet in een gelijkmatige langwerpige lus gelegd (02/b).
■ De begrenzingskabel wordt niet deskundig rond de hoeken gelegd (02/c).
■ De begrenzingskabel wordt gekruist of niet rechtsom gelegd (02/d).
De begrenzingskabel wordt te onnauwkeurig gelegd, zodat randgedeeltes van het gazon niet gemaaid kunnen worden (02/e).
■ De startpunten worden te ver weg van het basisstation vastgelegd (02/f).
De begrenzingskabel wordt bij het heen- en terugleiden van de rand naar een obstakel binnen het gazon niet direct naast elkaar liggend gelegd (02/g).
■ De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heen gelegd (02/h).
Bij het leggen van de begrenzingskabel wordt de minimum afstand voor doorgangen van 30 cm onderschreden (02/i).
De begrenzingskabel wordt te dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 15 cm t.o.v. onpasseerbare obstakels gelegd (02/j).
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (05)
- Transformator (05/1) op een droge, tegen re-gen en spatwater beschermde plek plaatsen.
-
Laagspanningskabel (05/3) van het basisstation (05/4) afrollen en beschermd tegen beschadigingen tot aan de plek van de transformator leggen.
-
Laagspanningskabel op de transformator aansluiten:
Boutjes van de kroonsteen (05/2) zo ver losdraaien dat er in iedere opening een draad van de laagspanningskabel gestoken kan worden.
■ Draden insteken.
Opmerking: Er hoeft niet op de polariteit te worden gelet.
Boutjes in de kroonsteen draaien tot de draden veilig vastzitten.
- Voedingskabel (05/5) van de transformator in het stopcontact steken.

OPMERKING
Wij adviseren om de transformator op het spanningsnet via een FI-aardlek-schakelaar met een nominale lekstroom van < 30 mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het basisstation controleren (05)
- Controleer of beide LEDs (05/8, 05/9) branden. Indien niet:
■ Trek de voedingskabel los.
■ Controleer alle stekkerverbindingen van de voeding en van de begrenzingskabel op juiste montage en beschadigingen.
- Indien nodig boutjes (05/7) aan het deksel (05/6) van het basisstation losdraaien en deksel verwijderen.
Toestandsweergaven van de LEDs
LEDs Bedrijfstoestanden
| Groen (05/9) | ■ Bandt als de begrenzingskabel correct is gelegd en de lus in or-de is. ■ Knippert als de lus van de be-grenzingskabel niet in orde is. |
| Geel (05/8) | ■ Brandt als de voeding in orde is. ■ Knippert als het apparaat in het basisstation staat en wordt op-geladen. |
5 INGEBRUIKNAME
Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instellingen die nodig zijn om de robot-grasmaaier voor de eerste keer in bedrijf te stellen. Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 93.
5.1 Accu laden (09)
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu van het apparaat regelmatig opgeladen.

OPMERKING
De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken.
De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
- Apparaat (09/1) zodanig in het basisstation (09/3) plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het basisstation raken.
- Apparaat inschakelen.
- Het display op het apparaat toont: "Accu wordt geladen". Indien niet: zie Hoofdstuk 14 "Hulp bij storingen", pagina 101.
5.2 Basisinstellingen uitvoeren
- Afdekklep van het bedieningspaneel omhoogklappen.
- Apwaat inschakelen. Firmware, co-denummer en type worden weergegeven.
- In het menu de taalkeuze selecteren:
▲▼ "Nederlands".
-
In het menu "Aanmelding" > "PIN invoeren" het vooraf ingestelde PIN 0000 invoeren. Hiervoor met ▲ nev cijfer selecteren en telkens met □ bevestigen. Na de invoer van het PIN wordt de toegang vrijgeschakeld.
-
In het menu "PIN wijzigen":
Bij "Nieuwe PIN invoeren" een zelf gekozen nieuwe PIN van vier plaatsen invoeren. Hiervoor na elkaar met ▲▼ een cijfer selecteren en telkens met □— bevestigen.
Bij "Nieuwe PIN herh." het nieuwe PIN opnieuw invoeren. Als beide invoeren identiek zijn, wordt het volgende weergegeven: "PIN met succes gewijzigd".
6. In het menu "Datum invoeren" de actuele datum instellen (formaat: DD.MM.20JJ). Hier- voor na elkaar met bijcijfer selecte- ren en telkens met bevestigen.
7. In het menu "Tijdstip invoeren" > "24h-formaat" de actuele tijd instellen (for-maat: HH:MM). Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
De basisinstelling is voltooid. De status "Onge-kalibreerd starttoets indrukken" wordt weergegeven.
5.3 Maaihoogte instellen
De maaihoogte van het apparaat wordt via het instellingsmenu ingesteld: zie Hoofdstuk 7.2 "Maaihoogte instellen", pagina 93.
5.4 Automatische kalibratierun uitvoeren
Zet het apparaat op de beginstand (10)
- Zet het apparaat binnen het maaioppervlak op de beginstand:
■ min. 1 m links en 1 m voor het basisstation
■ met de voorkant op de begrenzingskabel uitgelijnd
Kalibratierun starten
-
Controleer dat er binnen het te voorspellen bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat moet met beide voorwielen over de begrenzingskabel heen kunnen rijden. Verwijder obstakels indien nodig.
-
Apparaustarten. Op het display wordt weergegeven:
■ "! Waarschuwing! Aandrijving start"
■ "Kalibreren", "Fase [1]"
Tijdens de kalibratierun
Het apparaat rijdt voor de bepaling van de signaalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee keer over de begrenzingskabel heen en vervolgens naar het basisstation en blijft daar stilstaan.
■ Op het display wordt de melding "Kalibra-tie voltooid" gegeven.
■ De accu wordt opgeladen.

OPMERKING
Het apparaat moet bij het binnenrijden in het basisstation blijven staan. Als het apparaat bij het binnenrijden in het basisstation de contacten niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat niet door het basisstation rijdt is de kalibratieprocedure mislukt. In dat geval moet het basisstation beter uitgelijnd en de kalibatieprocedure herhaald worden.
Na de kalibratie
De vooraf ingestelde actuele maaitijd wordt aangegeven.
Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 93.
6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
- Appedeat inschakelen.
Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 95.
- A PART PAUSE et de hand starten.
6.2 Maaiwerking staken
HOME toets op het basisstation (08/4) of op het apparaat indrukken.
Het apparaat rijdt automatisch naar het basisstation. Het wist het maaiprogramma van de actuele dag en start de volgende dag weer op het ingestelde tijdstip.
■ START PAUSE toets op het apparaat indrukken. De maaiwerking wordt gedurende een half uur onderbroken.
■ ON/OFF toets op het apparaat indrukken. Het apparaat wordt uitgeschakeld.

OPMERKING
In gevaarlijke situaties kan het apparaat met de STOP-toets (09/2) worden gestopt.
6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF)
-
Apparaat optillen en met de hand op het nevenoppervlak plaatsen.
-
Apparaat inschakelen.
-
H#M#d#henu oproepen.
-
* "rstellingen"

-
Maaitijd met seleueren.
-
Apparause et de hand starten.
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd en schakelt vervolgens uit of maait verder tot de accu leeg is.
Na het maaien van het nevenoppervlak het apparaat weer met de hand in het basisstation plaatsen.
7 INSTELLINGEN
7.1 Instelling oproepen - Algemeen
-
HMEHenu oproepen. Opmerking: Het sterretje * voor het menu- punt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
-
* "stellingen"

- Gewerst menupunt selecteren.

-
Instellingen uitvoeren. Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
-
TENGaan naar het hoofdmenu.

OPMERKING
Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 91.
7.2 Maaihoogte instellen
De maaihoogte kan met stappen van 1 mm tussen de 3 en 6 cm worden versteld.
- *"Maaihoogte"

*Maaihoogte XXmm": Gewenste maaihoogte selecteren.
■ "Bevestigen" indrukken.
De messenschijf stelt zich eerst op de geselecteerde maaihoogte in en de messen beginnen pas te draaien als het apparaat begint te maaien.
7.3 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren
-
* "###uidssignaal knopbedie- ning"
-
Geluidssignaal knopbediening activeren/de-activeren:
■ "Activeren": — Geluidssignaal knopbediening activeren.
■ "gedeact." : — Geluidssignaal knopbediening deactive- ren.
7.4 Regensensor instellen

OPMERKING
Maaien van een droog gazon reduceert vervuilingen.
Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragingstijd kan er worden voorkomen dat het apparaat bij een nat gazon maait.
Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is gedroogd. Vervolgens wacht het nog de tijd af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien.
- * "regensensor"

- Regensensor activeren/deactiveren:
■ "Activeren": — Regensensor activeren.
■ "gedeact." : — Regensensor deactiveren.
- Vertraging van de regensensor instellen:
■ ▲▼ *"Regensensor vertrag."
"xx uur xx minuten" Gewenste waarde voor uur/minuten na elkaar met ▲ecteren en telkens met bevestigen.
In de Eco-mode schakelt het apparaat om naar de energie besparende modus. Daardoor wordt het energieverbruik en de geluidsemissie gereduceerd.

OPMERKING
Bij een hoog en dicht gazon en bij dicht rolgazon niet aan te bevelen resp. evt. niet mogelijk.
- * "LcoMode"

- Eco-mode activeren/deactiveren:
■ "Activeren": Eco-mode activeren.
■ "gedeact." : — Eco-mode deactiveren.
7.6 Maaiprogramma instellen
7.6.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
-
Hmefomenu oproepen.
-
* "Programma"

- Merupunt selecteren.

- Instellingen uitvoeren.
Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
7.6.2 Startpunten instellen
Startpunten teaches
-
Apparaat in het basisstation plaatsen.
-
Apparaat inschakelen.
-
HMEIdenu oproepen.
-
* "Programma"

- *"Startpunten"

- *"startpunten teachen"

- *Start teachrun voor start-punten".
■ "Start" . Het apparaat beweegt langs de begrenzingskabel.
■ "Hier", als het apparaat het ge-wenste startpunt heeft bereikt. Het start-punt wordt opgeslagen.
- "Stel startpunt 1 in", als bij de teachrun geen startpunt is vastgelegd. Als er hier geen startpunt wordt vastgelegd, worden de startpunten automatisch vastgelegd.
- "Startpunt x: XXm", als het laatste startpunt is bereikt.
Startpunten met de hand vastleggen (01)
Het eerste startpunt (01/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1 m rechts naast het basisstation. Achter dit punt kunnen er maximaal 9 verdere startpunten (X1 t/m X9) worden geprogrammeerd. Houd bij het vastleggen van de startpunten rekening met het volgende:
Stel de startpunten niet te ver verwijderd van het basisstation en niet te dicht bij elkaar in (02/f).
- Gebruik slechts zoveel startpunten als nodig.
- *"startpunten"

- * " built X1 bij [020m]"

Met ▲evcijfer selecteren en telkens met bevestigen.
- * "Bint X2 bij [075m]"

Met ▲cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
- Verdere startpunten vastleggen indien nodig.
- T MENGaan naar het hoofdmenu.
7.6.3 Maaitijden instellen

OPMERKING
Tussen de programmering van de maai- tijden en het starten van het maaien moeten 30 minuten liggen. Indien niet start het apparaat pas op het volgende geprogrammeerde maaitijdstip.
In het menupunt "Weekprogramma" worden de dagen van de week en de tijdstippen ingesteld waarop het apparaat moet maaien. Pas deze instellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog ongemaaide gedeeltes te zien zijn moeten de maai- tijden verlengd worden.
- * "Weekprogramma"

*Elke dag [X]": Het apparaat maait iedere dag op de ingestelde tijdstippen. Als "Elke dag [ ]" wordt aangegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde weekdagen.
*Maandag [X] "...*Zondag [X]": Het apparaat maait op de ingestelde weekdag op de ingestelde tijdstippen. Als bijv. "Maandag [ ]" wordt weergegeven, maait het apparaat op de betreffende dag niet.
■ "Wijzigen": De betreffende dag activeren [X] of deactiveren [ ], tijden, manier van maaien en startpunten instellen.
- Instellingen voor alle dagen of de betreffende dag uitvoeren:
bijv. *" [M] 07:00-10:00 [?]": Normaal maaien [M] van 07:00 - 10:00 uur met automatisch wisselend startpunt 0 - 9 [?].
bijv. *" [R] 16:00-18:00 [1]": Het apparaat start om 16:00 uur met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daarna begint het maaien van het oppervlak op startpunt 1 [1]. Om 18:00 uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation.
■ "Wijzigen": Geselecteerde instelling wijzigen.
■ "Verder": Gewijzigde instelling bevestigen en verder naar de volgende instelling.
- "Opslaan": Alle gewijzigde instellingen van het menupunt opslaan.
7.7 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld worden dat het apparaat met het maaien van de randen begint.
Randen op de geprogrammeerde maaitijdstippen maaien: zie Hoofdstuk 7.6.3 "Maaitijden instellen", pagina 94.
- * "▲" den maaien"

Een bestaande verbinding met een gateway kan verbroken worden. Daardoor staat het apparaat gedurende 30 minuten open voor een nieuwe verbindingsopbouw.

OPMERKING
Om later een verbinding op te bouwen moet de verbinding eerst opnieuw worden verbroken, ook als het apparaat vooraf niet met een gateway was verbonden.
- * "▲" TOUCH"

- "Verbinding verbreken" (apparaat meldt: "Voltooid".

- Met bevestigen en teruggaan naar het menu.
7.9 Maaien van nevenoppervlakken instellen
- Maaitijden instellen:
■ "inactief": Het maaien van nevenoppervlakken is uitgeschakeld.
■ ▲▼ "actief": Het apparaat maait tot de accu leeg is.
▲▼ "Maaitijd in min": Hot apparaat maait gedurende de ingestelde tijd het nevenoppervlak. De volgende maaitijden kunnen ingesteld worden: 30/60/90/120/tot accu leeg.
7.10 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. vanwege zoninstraling slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het displaycontrast verbeterd worden.
- * "playcontrast"

- Display contrast verhogen/verlagen.

7.11 Instellingsbescherming
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veiligheid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
- *Instellingsbescherming"

- Instellingsbescherming activeren/deactive-ren:
■ "Activeren": — Instellingsbescherming activeren.
■ "gedeact." : — Instellingsbescherming deactiveren.
7.12 Opnieuw kalibreren
Als de positie of de lengte van de begrenzingskabel werd gewijzigd of het apparaat de begrenzingskabel niet meer kan vinden, moet er opnieuw gekalibreerd worden.
- "Openleuw kalibreren"

- "Kalibratie terugzetten?"

- Kalibratierum uitvoeren: zie Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierun uitvoeren", pagina 92.
7.13 Terugzetten op fabrieksinstellingen
De fabrieksinstelling van het apparaat kunnen bijv. voor een doorverkoop teruggezet worden.
- *"abrieksinstellingen"

Melding: "Instellingen met succes hersteld"
Het menu "Informatie" dient voor de weergave van de apparaatgegevens. In dit menu kunnen verder geen instellingen worden gedaan.
-
H#F#nenu oproepen.
-
* "Informatie"

- Menupunt selecteren.

Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
- T MENGaan naar het hoofdmenu.
"Messenservice"
Geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een messenservice noodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice van een AL-KO dealer, technicus of een servicepartner uit laten voeren.
Teller voor de messenservice terugzetten:
- "Bavestigen"

"Hardware"
Geeft informatie weer over het apparaat, als bijv. type, fabricagejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laadcycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel.
"Software"
Geeft de firmware-versie aan.
"Programma-info"
Toont actuele instellingen als bijv. de totale wekelijkse maaiduur.
"Storingen"
Geeft de als laatste opgetreden storingsmeldingen met datum, tijd en foutcode weer.
9 ONDERHOUD EN VERZORGING

VOORZICHTIG! Risico op letsel
Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaam- heden altijd bescher- mende handschoenen!
9.1 Reiniging
LET OP!
Gevaar door water
Water in de robot-grasmaaier en in het basisstation leidt tot schade aan elektrische componenten.
■ Spuit de robot-grasmaaier en het basisstation niet met water af.
Robot-grasmaaier reinigen

VOORZICHTIG!
Kans op letsel door snij-messen
De snijmassen zijn erg scherp en kunnen snijwon- den veroorzaken.
■ Draag veiligheidshandschoenen!
- Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmes-sen terechtkomen.
Een keer per week uitvoeren:
- Apparaat uitschakelen.
- Oppervlak van het huis met een stoffer, een borstel, een vochtige doek of een fijne spons afvegen.
- Onderbodem, maaidek en snijmessen met een borstel afborstelen.
- Snijmessen op beschadigingen controleren. Indien nodig vervangen: zie Hoofdstuk 9.3 "Messen vervangen", pagina 98.
Basisstation reinigen
- Grasrestanten en loof of andere voorwerpen regelmatig uit het basisstation verwijderen.
- Oppervlak van het basisstation met een vochtige doek of een fijne spons afvegen.
9.2 Regelmatige controle
Algemene controle
- Controleer één keer per week de gehele installatie op beschadigingen:
Apparaat
Basisstation
Begrenzingskabel
Laagspanningskabel
■ Transformator met voedingskabel
- Vervang defect onderdelen door originele onderdelen van AL-KO of door een servicepunt van AL-KO.
Wielen controleren op vrije beweging
Een keer per week uitvoeren:
- De omgeving van de rollen grondig van gras- restanten en vervuilingen ontdoen. Gebruik hiervoor een stoffer en een doek.
- Controleer of de rollen soepel draaien en of ze gestuurd kunnen worden.
Opmerking: Als de rollen stroef draaien of niet gestuurd kunnen worden moeten ze door een servicepunt van AL-KO worden vervangen.
Contactoppervlakken aan de robot-grasmaaier controleren
- Vervuilingen met een doek verwijderen en dan iets met contactvet insmeren.
- Brandsporen op de contactoppervlakken met fijn schuurpapier blank schuren en met iets met contactvet insmeren.
Laadcontacten van het basisstation controleren
- Trek de voedingskabel los.
- De laadcontacten richting basisstation drukken en loslaten. De laadcontacten moeten weer terugveren in de uitgangspositie.
Opmerking: Als de laadcontacten niet terugveren moeten ze door een servicepunt van AL-KO worden vervangen.
9.3 Messen vervangen

VOORZICHTIG! Kans op letsel door snij- messen
De snijmassen zijn erg scherp en kunnen snijwon- den veroorzaken.
■ Draag veiligheidshandschoenen!
- Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmes-sen terechtkomen.
LET OP!
Beschadiging van het apparaat door ondeskundige reparatie
Door het rechtbuigen van verbogen gemonteerde snijmessen kan de messenschijf beschadigd raken.
■ Buig verbogen snijmes- sen niet recht.
■ Vervang verbogen snij-messen door originele reserveonderdelen van AL-KO.
Versleten snijmessen of verbogen snijmessen moeten worden vervangen.
- Apparaat uitschakelen.
- Apparaat omkeren met de messen naar boven toe.
- Bevestigingsbouten losdraaien.
- De snijmessen uit de meszitting halen.
- De meszitting reinigen met een zacht borstel- tje.

OPMERKING
De snijmessen zijn over de gehele lengte geslepen en kunnen daarom 180° gedraaid gemonteerd worden, waardoor de draaitijd verdubbeld wordt.
-
Nieuwe snijmessen met de geslepen kant naar het apparaat toe wijzend inschuiven.
Opmerking: Er mogen uitsluitend originele reserveonderdelen van AL-KO worden gebruikt. -
Bevestigingsbouten weer plaatsen en aan-draaien.
De wegruimmessen hoeven normaal gesproken niet te worden vervangen.
Als ernstige vervuiling niet met een borstel kan worden verwijderd, moet de messenschijf worden vervangen, omdat er anders onbalans kan zorgen voor meer geluid, meer slijtage en functiestoringen.
9.4 Zekering aan de transformator vervangen (11)
Indien de transformator bij een intacte voeding geen spanning meer levert:
- Transformator (11/2) van het spanningsnet scheiden.
- Zekeringsafdekking (11/1) met zekering aan de transformator (11/2) losdraaien.
- Zekering controleren. Indien defect, een nieuwe zekering van dezelfde sterkte (2,5 A, traag) plaatsen.
- Nieuwe zekering in de zekeringsafdekking plaatsen.
- Zekeringsafdekking met de zekering in de transformator draaien.
10 TRANSPORT
Ga bij het transport van het apparaat, bijv. van het hoofd- naar het nevenoppervlak, als volgt te werk:
- Apparat stoppen.
- Apparaat uitschakelen.
- Apparaat aan de draagbeugel optillen:
■ De snijmessen mogen niet aangeraakt worden.
■ De snijmessen moeten altijd van het li-chaam weg wijzen.
11 OPSLAG
11.1 Robot-grasmaaier opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt.
-
Accu geheel opladen (zie Hoofdstuk 5.1 "Accu laden (09)", pagina 91).
-
Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1 "Reiniging", pagina 97).
-
Apparaat bewaren:
■ staand op alle wielen
■ op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
■ buiten het bereik van kinderen
11.2 Basisstation opbergen
Het basisstation kan, moet echter niet opgeborgen worden. Door het op te bergen wordt er echter een te vroege veroudering als bijv. het uitbleken van de kleur, roest van de laadcontacten en van de veerklemmen voorkomen.
Als het basisstation buiten blijft staan:
- Laagspanningskabel van de transformator losnemen en oprollen.
- Transformator opbergen.
- Laadcontacten met contactvet insmeren.
Als het basisstation wordt opgeborgen:
- Eerst alle hierboven vermelde werkzaamheden uitvoeren.
- Basisstation van de begrenzingskabel scheiden.
- Basisstation demonteren en vervuilingen met een stoffer en een iets vochtige doek verwijderen.
- Basisstation bewaren:
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
■ buiten het bereik van kinderen
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zitten en hoeft niet verwijderd te worden.
- Als het basisstation is opgeborgen: De met isolatie gestripte kabeluiteinden met vet in-smeren en met plakband omwikkelen. Daar-door worden de kabeluiteinden beschermd tegen corrosie.
12 VERWIJDEREN
Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten (ElektroG)

Oude elektrische en elektronische apparaten horen niet thuis bij het huis-houdelijke afval, maar moeten gescheiden worden aangeboden of verwijderd!
- Gebruikte batterijen of accu's, die niet vast in het apparaat ingebouwd zijn, moeten voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recycling ervan wordt door de batterijwetgeving beheerst.
Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht.
De eindgebruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen gebruikte apparaat!
Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elektronische gebruikte apparaten niet via het gewoon afval mogen worden verwijderd.
Elektrische en elektronische apparaten kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeven:
■ Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
■ Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot terugname verplicht zijn of deze vrijwillig aanbieden.
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geïnstalleerd en verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwijkende voorschriften gelden voor het verwijderen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten.
Over de batterijwetgeving (in Duitsland: BattG)

- Gebruikte batterijen en accu's horen niet bij het gewone afval, maar moeten afzonderlijk worden weggedaan!
Zie de gebruikershandleiding om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu's uit het elektrische apparaat over te kunnen gaan en voor informatie over het type of het chemisch systeem.
Bezitters of gebruikers van batterijen en accu's zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is beperkt tot de normale huishoudelijke hoeveelheden.
Gebruikte batterijen kunnen schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de gezondheid schade kunnen toebrengen. Het hergebruiken van gebruikte batterijen en het opnieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen.
Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruikte batterijen en accu's niet via het gewoon afval mogen worden verwijderd.
Wanneer ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
■ Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005 % kwik
Cd: de batterij bevat meer dan 0,002 % cadmium
- Pb: de batterij bevat meer dan 0,004 % lood Accu's en batterijen kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeven:
■ Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
■ Verkooppunten van batterijen en accu's
■ Een verzamelpunt van het gemeenschappelijke recycling systeem voor gebruikte apparaten en batterijen
■ Een verzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijke recycling systeem)
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op accu's en batterijen die in landen van de Europese Unie verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwijkende bepalingen voor de recycling van accu's en batterijen gelden.
13 KLANTENSERVICE/SERVICE CENTRE
Voor vragen over garantie, reparatie of reserveonderdelen kunt u contact opnemen met het dichtstbij-zijnde AL-KO service centre.
Deze vindt u op internet op het volgende adres:
Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen!
| Storing Oorzaak Oplossing | ||
| Apparaat start niet. Accu is leeg. Apparaat in het basisstation opladen. | ||
| Apparaat komt klem te zitten en graaft zich vast. De wielen draaien verder. | Stootsensoren worden niet geactiveerd. | Bezoek een AL-KO service centre. |
| Gras is te hoog. | ■ De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de ge-wenste hoogte.■ Gras met een grasmaaier kortmaai-en. | |
| Apparaat blijft op een onef-fenheid van het gazon han-gen. | Oneffenheid verwijderen. | |
| Apparaat maait op verkeer-de tijdstippen. | Apparaat heeft de verkeerde tijd. | Tijd instellen. |
| Maaiduur is verkeerd inge-steld. | Maaitijden instellen. | |
| Apparaat verliest de tijdin-stellingen. | Accu is defect. Bezoek een AL-KO ser-vice centre. | |
| Motor blokkeert tijdens het maaien. | Motor is overbelast. Apparaat uitschakelen, op effen onder-grond of laag gras plaatsen en opnieuw starten. | |
| Accu is leeg. Accu laden. | ||
| Snijmessen zijn stomp. Snijmessen vervangen. | ||
| Storing Oorzaak Oplossing | ||
| Maairesultaat is ongelijk-matig. | Maaitijd is te kort. Langere maaitijden programmeren. | |
| Maaibereik is te groot. Maaibereik verkleinen. | ||
| De maaihoogte is te laag ingesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. | |
| Snijmessen zijn stomp. | ■ Snijmessen omkeren of vervangen. ■ Snijmessen met nieuwe bouten be- vestigen. | |
| Het vermogen van de accu neemt duidelijk af. | De maaihoogte is te laag in-gesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. |
| Gras te hoog of te nat. | ■ Gazon laten drogen. ■ Maaihoogte hoger instellen. | |
| Apparaat trilt of het ge-luidsvolume is te hoog. | Onbalans in het snijmes of in de aandrijving van het snij-mes | ■ Maaidek reinigen. ■ Bezoek een AL-KO service centre. |
| Accu kan niet opgeladen worden resp. te lage ac-cuspanning | ■ Laadcontacten van het basisstation zijn vervuild. ■ Contactoppervlakken aan het apparaat zijn vervuild. | ■ Laadcontacten en contactoppervlak- ken reinigen. |
| ■ Basisstation heeft geen stroom. | ■ Basisstation op voeding aansluiten. | |
| ■ Apparaat raakt de laad- contacten niet. ■ Contactoppervlakken aan het apparaat zijn af- gebrand. | ■ Apparaat in het basisstation plaat- sen en controleren of de laadcon- tacten contact maken. ■ Bezoek een AL-KO service centre. | |
| ■ Zekering aan de transfor- mator is defect. | ■ Zekering vervangen (zie Hoofdstuk 9.4 "Zekering aan de transformator vervangen (11)", pagina 98). | |
| Levensduur van de accu is afgelopen. | ■ Bezoek een AL-KO service centre. | |
| Oplaadelektronica is defect. | ■ Bezoek een AL-KO service centre. | |

OPMERKING
Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
14.2 Foutcodes en -oplossing
| Foutcode Oorzaak Oplossing | ||
| CN001: Tilt sensor | Hellingssensor is geactiveerd:Max. hellingshoek overschredenApparaat werd gedragenHelling te steil | Apparaat op een horizontale ondergrond plaatsen en de fout bevestigen. |
| CN002: Lift sensor | De hefsensor is geactiveerd:De apparaatkap werd door optillen of door een obstakel naar boven toe weggedrukt. | Obstakel verwijderen. |
| CN005: Bumper deflected | Apparaat is tegen een obstakel gereden en kan zich niet losmaken (bijv. botsing in de buurt van het basisstation). | Apparaat op een vrij, omheind ga-zon plaatsen.Positie van de begrenzingskabel corrigeren. |
| CN007: No loop signal | Geen circuitsignaalBegrenzingskabel is defect.Circuitsignaal is te zwak. | LEDs aan het basisstation controle-ren.Voeding van het basisstation con-troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.Begrenzingskabel op beschadigin-gen controlleren. Defecte kabel re-pareren. |
| CN008: Loop signal weak | Circuitsignaal te zwakBegrenzingskabel te diep ingegraven | LEDs aan het basisstation controle-ren.Voeding van het basisstation con-troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.Begrenzingskabel tot de voorge-schreven hoogte verhogen, evt. di-rect op het gazon bevestigen. |
| CN010: Bad position | Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonoppervlak.Begrenzingssskabel werd gekruist. | Apparaat op een vrij, omheind ga-zon plaatsen.Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren.Kruising van de kabel opheffen. |
| CN011: Escaped robot | Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonoppervlak. | Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. |
| CN012: Cal: no loopCN015: Cal: outside | Storing tijdens de kalibratie:■ Apparaat kan de begrenzingskabel niet vinden. | ■ LEDs aan het basisstation controleren.■ Voeding van het basisstation controleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.■ Apparaat op de voorgeschreven kalibratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. Apparaat moet over de begrenzingskabel heen kunnen rijden. |
| CN017: Cal: signal weak | Storing tijdens de kalibratie:■ Circuitsignaal te zwak■ Geen circuitsignaal■ Begrenzingskabel is defect. | ■ Apparaat op de voorgeschreven kalibratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen.■ Voeding van het basisstation controleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.■ Begrenzingskabel op beschadigingen controleren. |
| CN018: Cal: Collisi-on | Storing tijdens de kalibratie:■ Apparaat is tegen een obstakel aan gereden. | Obstakel verwijderen. |
| CN038: Battery Accu is leeg: | ||
| ■ Circuit van de begrenzingskabel is te lang, te veel eilanden. | ||
| ■ Bij het opladen geen contact met de laadcontacten | ||
| ■ Obstakels in de buurt van het laadstation | ||
| ■ Apparaat heeft zich vast-gereden. | ||
| ■ Apparaat vindt het basis-station niet. | ||
| ■ Accu is opgebruikt. Accu door een servicepunt van de fabrikant laten vervangen. | ||
| ■ Oplaadelektronica is defect. | ||
| CN099: Recov escape Automatisch verhelpen van storing niet mogelijk | ■ Storingsmelding met de hand be-vestigen.■ Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la-ten controleren. | |
| CN104: Battery over heating | ■ Accu is oververhit (meer dan 60 °C). Er is geen ontlading mogelijk.■ Noodstop door controle-elektronica | ■ Apparaat uitschakelen en accu laten afkoelen.■ Apparaat niet in het basisstation plaatsen. |
| CN110: Blade motor over heating | Maaimotor is oververhit (meer dan 80 °C). | ■ Apparaat uitschakelen en laten af-koelen.■ Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la-ten controleren. |
| CN119: R-Bumper de-flectedCN120: L-Bumper de-flected | Apparaat is tegen een obsta-kel gereden en kan zich niet losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| CN128: Recov Impos-sible | Apparaat is tegen een obsta-kel gereden en kan zich niet losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper-vlak. | ■ Apparaat op een vrij, omheind ga-zon plaatsen.■ Positie van de begrenzingskabel corrigeren. | |
| CN129: Blocked WL Motor van linkerwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. | |
| CN130: Blocked WR Motor van rechterwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. | |

OPMERKING
Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
15 GARANTIE
Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft.
Onze garantie geldt alleen bij:
■ naleving van deze gebruikershandleiding
■ Deskundig gebruik
■ Gebruik van originele reserveonderdelen
De garantie vervalt bij:
■ Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
■ Eigenhandig aangebrachte technische wijzigingen
■ Gebruik voor andere doeleinden dan het gebruiksdoel
Van de garantie zijn uitgesloten:
■ lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aangeduid De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de datum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.
16 EG-VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING
Wij verklaren hiermee dat dit product in de vorm die op de markt verkocht wordt, voldoet aan de eisen van de geharmoniseerde EU-richtlijnen en van de EU-veiligheidsnormen en aan de productspecifieke normen.
Product
Robot-grasmaaier
Serienummer
G1050021
Type
Robolinho 4100
Fabrikant
AL-KO Gardentech Austria GmbH
Hauptstraße 51
A-8742 Obdach
EU-richtlijnen
2006/42/EC
2014/30/EU
2011/65/EU
Gemachtigde
Andreas Hedrich
Ichenhauser Str. 14
89359 Kötz (D)
Geharmoniseerde normen
EN 55014-1:2006+A1:2009+A2:2011
EN 55014-2:2015
EN 61000-6-1:2007
EN 61000-3-2:2014
EN 61000-3-3:2013
EN 60335-1:2012
EN 50636-2-107:2015
EN 60335-1:2012
Obdach, 01.11.2017

Wolfgang Hergeth
Managing Director