Robolinho 4100 - Robotmaaier AL-KO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Robolinho 4100 AL-KO in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Robolinho 4100 - AL-KO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Robolinho 4100 van het merk AL-KO.
GEBRUIKSAANWIJZING Robolinho 4100 AL-KO
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02).................................................... 90
De Duitse versie is de originele gebruiksaan- wijzing. Alle andere taalversies zijn vertalin- gen van de originele gebruiksaanwijzing.
Lees voor de ingebruikname deze gebrui- kershandleiding absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.
Bewaar deze gebruikershandleiding goed zo- dat u erin het antwoord op uw vragen kunt te- rugvinden wanneer u informatie over het ap- paraat nodig hebt.
Draag het apparaat alleen samen met deze gebruikershandleiding aan andere personen over.
Lees en neem de veiligheids- en waarschu- wingsinstructies in deze gebruikershandlei- ding in acht.
1.1 Verklaring van pictogrammen en
signaalwoorden GEVAAR! Wijst op een direct gevaar- lijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ern- stig letsel leidt. WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel ge- vaarlijke situatie, die, wan- neer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan lei- den. VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel ge- vaarlijke situatie, die, wan- neer ze niet vermeden wordt, tot een licht of mid- delzwaar letsel kan leiden. LET OP! Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële schade kan leiden. OPMERKING Speciale aanwijzingen voor meer duide- lijkheid en een beter gebruik.NL 78 Robolinho 4100 Productomschrijving 2 PRODUCTOMSCHRIJVING Deze documentatie beschrijft een volautomati- sche, met een accu gevoede robot-grasmaaier die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoog- te kan versteld worden.
2.1 Inhoud van de levering
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controleer of alle posities aanwezig zijn:
Nr. Component 1 Robot-grasmaaier 2 Beknopte handleiding 3 Gebruiksaanwijzing 4 Uitbreidingsplaat 5 Basisstation 6 Transformator
Nr. Component 1 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2s) 2 Bedieningsoppervlak met display (onder afdekklep) 3 Raakvlakken 4 Handgrepen aan de zijkant 5 Bumper 6 Voorste wielen (stuurbaar) 7 Aandrijfwielen 8 Maaidek 9 Messenschijf 10 Draagbeugel 11 Bevestigingsbout 12 Wegruimmes 13 Snijblad457296_b 79 Productomschrijving
2.3 Symbolen op het apparaat
Symbool Betekenis Houd anderen uit de buurt van de gevarenzone! Vereist extra voorzichtigheid tijdens gebruik! Blijf met uw handen en voeten bij de maaier vandaan! Houd voldoende afstand! Lees vóór ingebruikname de ge- bruiksaanwijzing! Voer voor het starten van het appa- raat het PIN in! Rijd niet op het apparaat mee!
: Maaiwerking staken, het appa- raat rijdt terug naar het basisstation. Het start de volgende dag weer automatisch op de ingestelde maaitijd.
: Hoofdmenu oproepen. 3 Het display toont de actuele bedrijfshoe- danigheid van het apparaat, de naam van het geselecteerde menu, de menu- punten en de functies die geselecteerd kunnen worden.
: Selecteer de menupunten, ver- hoog en verlaag de getalwaarden en kies tussen de instellingen.
: Maaiwerking met de hand starten en onderbreken of maaiwerking na het indrukken van de Home-toets ( ) meteen hervatten.
: Functietoetsen. De functie op- roepen die zojuist boven de toets op het display wordt weergegeven.
: Apparaat in- en uitschakelen.NL 80 Robolinho 4100 Productomschrijving
Hoofdmenu Instellingen Informatie Terug Bevestigen Nr. Indicatie 1 Naam van het geselecteerde menu (hier: "Hoofdmenu") 2 Menupunten in het menu. Er worden tel- kens slechts twee menupunten weerge- geven (hier: "Instellingen" en "In- formatie"). Met de pijltoetsen ( ) kunnen er verdere menupunten worden weergegeven. 3 Functies voor het geselecteerde menu- punt (hier: "Instellingen"), op te roe- pen met de functietoetsen ( ) on- deraan het menu.
: Functietoets links indrukken.
: Functietoets rechts indruk- ken. 4 Sterretje voor de markering van het ge- selecteerde menupunt (hier: "Instel- lingen")457296_b 81 Productomschrijving
Hoofdmenu Programma Weekprogramma zie Hoofdstuk 7.6 "Maaiprogramma instellen", pagi- na94 Startpunten zie Hoofdstuk 7.6.2 "Startpunten instellen", pagina94 Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na96 Instel- lingen Tijdstip zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina91 Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina91 Taal zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina91 Maaihoogte zie Hoofdstuk 7.2 "Maaihoogte instellen", pagina93 PIN code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina91 Geluidssignaal knopbediening zie Hoofdstuk 7.3 "Geluidssig- naal knopbediening activeren/deactiveren", pagina93 inTOUCH zie Hoofdstuk 7.8 "inTOUCH", pagina95 Regensensor zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina93 Regensensor vertrag. zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina93 EcoMode zie Hoofdstuk 7.5 "Eco-mode activeren/deactiveren", pagi- na94 Randen maaien zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina95 Nevenoppervlak actief/inactief zie Hoofdstuk 7.9 "Maaien van nevenoppervlakken instellen", pagina95 Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.10 "Displaycontrast instellen", pa- gina95 Instellingsbescherming zie Hoofdstuk 7.11 "Instellingsbescher- ming", pagina96 Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.12 "Opnieuw kalibreren", pa- gina96 Fabrieksinstellingen zie Hoofdstuk 7.13 "Terugzetten op fa- brieksinstellingen", pagina96 Informa- tie Messenservice zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina96 Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina96 Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina96 Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na96 Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina96NL 82 Robolinho 4100 Productomschrijving
Nr. Component 1 HOME-toets 2 Aansluitcontacten voor opladen 3 Basisplaat 4 Uitbreidingsplaat 5 Veerklemmen voor begrenzingskabel 6 Laagspanningskabel 7 Deksel 8 LEDs voor statusweergave
2.8 Geïntegreerde accu
De accu is vast in het apparaat gemonteerd en mag niet door de gebruiker worden vervangen. OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt on- derbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeel- telijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu regelmatig opgeladen. Het apparaat rijdt hiervoor terug naar het basisstation.
De geïntegreerde bewakingselectronica be- eindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100% is bereikt.
Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontanten van het basis- station met de contactoppervlakken van het apparaat.
Bij een temperatuur hoger dan 45°C blok- keert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze wordt een ac- custoring voorkomen.
Als de bedrijfsduur van de accu ondanks een volledige oplading duidelijk korter is gewor- den, moet hij bij een AL-KO dealer, technicus of AL-KO servicepartner door een originele accu worden vervangen.
Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaar- de, kan hij niet meer worden opgeladen. Laat de accu en de controle-elektronica controle- ren door uw AL-KO dealer, technicus of ser- vicepartner.
De laadconditie van de accu wordt getoond op het display. De accustatus na ca. 3 maan- den opslag controleren. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30% of min- der is geladen moet het apparaat in het ba- sisstation geplaatst en ingeschakeld worden zodat de accu wordt opgeladen. Als de laad- zuil voor het opbergen van het basisstation werd verwijderd (zie Hoofdstuk 11.2 "Basis- station opbergen", pagina99), moet die eerst weer in omgekeerde volgorde gemon- teerd en het basisstation weer op het stroom- net aangesloten worden.
Als er elektrolyt uit het huis is vrijgekomen: Apparaat door een AL-KO servicepunt laten repareren!
Indien de accu uit het apparaat werd verwij- derd: Als er ogen of handen met het vrijgeko- men elektrolyt in aanraking zijn gekomen moeten die onmiddellijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddellijk een arts raad- plegen!457296_b 83 Productomschrijving
2.9 Beschrijving van de werking
Bewegen op het gazon De robot-grasmaaier beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet oppervlak. De oriëntatie van het apparaat gebeurt met sen- soren die het magneetveld van de begrenzings- kabel herkennen. Als het apparaat tegen een obstakel stoot blijft het staan en beweegt verder in een andere rich- ting. Als het apparaat vocht herkent, gaat het au- tomatisch terug naar het basisstation. Als het ap- paraat in een situatie komt waarin er geen wer- king mogelijk is, wordt dit met en melding op het display aangegeven. Maaiwerking en laadwerking De maaifasen worden afgewisseld door laadfa- sen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0%) is ge- daald, gaat het apparaat langs de begrenzings- kabel terug naar het basisstation. Voor de maaiwerking zijn er vooraf ingestelde maaiprogramma's aanwezig waarin ook opper- vlak- en randmaaifuncties zijn opgenomen. Deze maaiprogramma's kunnen door de gebruiker wor- den gewijzigd.
2.10 Integratie in innogySmartHome
De robot-grasmaaier kan in een innogy Smar- tHome-omgeving geïntegreerd en met andere apparaten in een netwerk verbonden worden. Dat maakt een comfortabele besturing, instelling en bewaking van de robot-grasmaaier via app vanaf een mobiel apparaat mogelijk. Hiervoor moet de robot-grasmaaier via Lemon- beat met een innogySmartHome-gateway ver- bonden en de AL-KO inTOUCH app of de in- nogySmartHome app op een mobiel apparaat geïnstalleerd worden. OPMERKING Het gebruikte mobiele apparaat heeft een radiografische verbinding nodig voor het gebruik van innogy SmartHome. Bij een onderbreking van de radiografi- sche verbinding van het mobiele appa- raat kunnen er geen signalen aan de ro- bot-grasmaaier worden verzonden.
2.10.1 AL-KO inTOUCH app
De AL-KO inTOUCH app is voor Android- en iOS-gebaseerde apparaten verkrijgbaar: Na de installatie van de app dient men zich eerst aan te melden. OPMERKING Een registratie is niet dwingend noodza- kelijk, biedt echter een aantal extra func- ties. Bij het eerste starten van de app wordt de be- knopte installatiehandleiding automatisch opge- roepen. Vervolgens kan men in het menu "Appa- reten" de robot-grasmaaier in de innogy Smar- tHome-omgeving opnemen. OPMERKING Voor de opname is een innogy-account noodzakelijk. OPMERKING De robot-grasmaaier moet bereik heb- ben om opgenomen te kunnen worden (zie Hoofdstuk 7.8 "inTOUCH", pagi- na95). Afgezien van de toegang op afstand toot opgeno- men robot-grasmaaiers of tot andere in het net- werk opgenomen apparaten biedt de AL-KO in- TOUCH app verdere features als bijv. productre- gistratie, tips voor het tuinieren, advies voor plan- ten of push-berichten in geval van een fout.
2.10.2 innogy SmartHome app
De innogy SmartHome app is voor Android- en iOS-gbaseerde apparaten en als browsergeba- seerde webtoepassing verkrijgbaar. Kijk voor verdere informatie over de innogy SmartHome app op https://home.innogy-smar- thome.de of in de documentatie van de app.NL 84 Robolinho 4100 Veiligheid 3 VEILIGHEID
Dit apparaat is uitsluitend be- doeld voor particulier gebruik. El- ke andere toepassing, alsook een verboden om- of aanbouw, worden beschouwd als niet be- oogd gebruik en leiden tot uit- sluiting van de garantie, het ver- lies van de conformiteit (CE-mar- kering) en de afwijzing van elke verantwoordelijkheid vanwege de fabrikant wat betreft schade aan de gebruiker of derden. De toepassingsgrenzen van het apparaat zijn:
max. oppervlak: 2000m
max. zijwaartse helling: 40% (22°)
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is niet geschikt voor gebruik in een openbare omge- ving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen WAARSCHUWING! Risico op letsel Defecte en buiten werking gestelde veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen kunnen tot ernstig letsel leiden.
Laat defecte veiligheids- en beveiligingsvoorzie- ningen repareren.
De beschermings- en beveiligingsvoorzienin- gen nooit buiten werking stellen.
3.3.1 PIN- en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door in- voeren van een PIN (personal Identification Number) worden gestart. Daardoor wordt het in- schakelen door onbevoegde per- sonen voorkomen. DE PIN-code kan gewijzigd worden. Als de Pin-code 3 keer verkeerd wordt ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unbloc- king Key) noodzakelijk. Als die ook verkeerd wordt ingevoerd moet er 24 uur voor de volgende invoer worden gewacht.457296_b 85 Veiligheid De PIN- en PUK-code dient ook als diefstalbeveiliging:
Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbe- voegde personen.
Het apparaat heeft meerdere veiligheidssensoren. Hij schakelt na het uitschakelen door een veiligheidssensor niet automa- tisch weer in. De foutmelding wordt op het display weergege- ven en moet bevestigd worden. De reden voor de activering van de sensor moet worden verhol- pen. Hefsensor Als het apparaat tijdens de wer- king aan het huis wordt opgetild, wordt de rijaandrijving uitgescha- keld en de snijmessen worden gestopt. Stootsensoren voor obstakelherkenning Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting wordt aangepast. Wan- neer het apparaat tegen een ob- stakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizing iets en de stootsensor wordt geacti- veerd. Hellingsensor in rijrichting/ zijkant Als er in rijrichting een helling of een daling of een schuine zij- waartse stand van 22° (40%) wordt bereikt, keert het apparaat om of verandert van rijrichting. Regensensor Het apparaat is uitgevoerd met een regensensor die in geacti- veerde hoedanigheid bij regen de maaibeurt onderbreekt en er- voor zorgt dat het apparaat te- rugrijdt naar het basisstation. OPMERKING Het apparaat kan betrouw- baar in de buurt van ande- re robot-grasmaaiers wor- den gebruikt. Het in de begrenzingska- bel gebruikte signaal vol- doet aan de door EGMF (European Garden Machi- nery Federation) vastge- legde standaards wat be- treft de elektromagneti- sche emissies.NL 86 Robolinho 4100 Veiligheid
3.4 Veiligheidsinstructies
Personen van jonger dan 16 jaar en personen die de ge- bruikershandleiding niet heb- ben gelezen, mogen het ap- paraat niet gebruiken. Neem eventueel van toepassing zijn- de nationale veiligheidsvoor- schriften omtrent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht.
Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alco- hol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Veiligheid van personen
Op openbaar toegankelijke terreinen moeten rondom het maaigebied waarschuwings- borden met het volgende op- schrift aangebracht worden: LET OP! Automatische grasmaai- er! Kom niet in de buurt van het apparaat! Houd kinderen onder toe- zicht!
Zorg er tijdens de werking voor dat er geen kinderen in de buurt van het apparaat ko- men of zijn en dat ze niet met het apparaat spelen.
Het is verboden om op het ap- paraat te gaan zitten of om in de snijmessen te grijpen!
Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaiwerk.
3.4.3 Veiligheid van het
Zorg er voor het begin van de werkzaamheden voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwer- pen, kledingstukken, stenen, tuinmeubelen, tuingerei of speelgoed) in het werkgedeel- te van het apparaat liggen. Die kunnen de snijmessen van het apparaat beschadigen of door het apparaat bescha- digd worden.
Gebruik het apparaat alleen onder de volgende voorwaar- den:
Het apparaat is niet ver- vuild.
Het apparaat vertoont geen beschadigingen of slijtage.
Basisstation en transforma- tor en de elektrische voe- dingskabels zijn niet be- schadigd en werken.
Vervang defecte onderdelen altijd door originele reserve- onderdelen van de fabrikant.457296_b 87 Montage
Laat het apparaat repareren wanneer het beschadigd raak- te.
De gebruiker van het appa- raat is verantwoordelijk voor letsel bij derden of voor mate- riële schade.
Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkertijd een tuinsproei- er op het maaioppervlak in bedrijf is.
Spuit het apparaat niet met water af.
Open het apparaat niet. 4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
1. Open de verpakking voorzichtig.
2. Haal alle componenten voorzichtig uit de ver-
pakking en controleer ze op transportschade. Opmerking:Neem bij transportschade over- eenkomstig de garantiebepalingen direct contact op met uw dealer, technicus of servi- cepartner van AL-KO.
3. Controleer de leveringsomvang, zie Hoofd-
stuk 2.1 "Inhoud van de levering", pagina78. Indien het apparaat wordt doorverzonden moeten de originele verpakking en de meegeleverde do- cumenten worden bewaard. Die zijn tevens bij re- tournering vereist.
4.2 Maaivlakken plannen (01)
Locatie van het basisstation (01/1)
Kortste mogelijke afstand naar het grootste maaioppervlak
aansluitmogelijkheid voor voeding
Het aanhouden van de afstanden moet mo- gelijk zijn:
vrij toegankelijk voor de robot-grasmaaier
links en rechts van het basisstation min. 1 m vrij
Afstand naar achteren min. 35 cm vanaf de begrenzingskabel t.o.v. de muur Leggen van de begrenzingskabel (01) De begrenzingskabel moet in een doorlopende lus rechtsom worden gelegd. Doorgangen tussen de maaigedeeltes (01/i) Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaioppervlakken te verbinden. Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (01)
Hoofdoppervlak (01/HF): Is het gazon waar- op zich het basisstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele oppervlak auto- matisch gemaaid kan worden.
Nevenoppervlak (01/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanaf het hoofdoppervlak niet kan worden bereikt; apparaat indien no- dig met de hand naar het nevenoppervlak dragen. Nevenoppervlakken kunnen met handmatige werking worden bewerkt. Hoofd- en nevenoppervlak zijn echter alleen door dezelfde, ononderbroken begrenzingkabel om- heind. Positie van de startpunten (01/X0–01/X3) Het apparaat beweegt op de vastgelegde maai- tijd langs de begrenzingskabel tot aan het vast- gelegde startpunt en begint daar met maaien. Met de startpunten kan er vastgelegd worden welke gedeeltes van het maaioppervlak er meer worden gemaaid.NL 88 Robolinho 4100 Montage
4.3 Maaigedeeltes voorbereiden
1. Controleer of het gazon groter is dan de op-
pervlaktecapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaaid gazon. Verklein het te maaien op- pervlak indien nodig.
2. Voor de montage van basisstation en be-
grenzingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: Het gazon met een gras- maaier op een kleine snijhoogte maaien.
3. Obstakels op het gazon verwijderen of met
de begrenzingskabel afzetten (zie Hoofdstuk
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen kunnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazon naar terras of pa- den, Tegels, randstenen enz.)
Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, dennenap- pels, gevallen fruit enz.)
Steile hellingen van meer dan 40% (22°)
Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het ga- zon
Struiken en heggen die breder kunnen worden OPMERKING Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van de robot- grasmaaier niet kunnen worden her- kend. Vermijd te veel of onnodige afzet- tingen.
4.4 Basisstation opbouwen(03/a)
1. Basisplaat (03/1) aan het basisstation (03/2)
2. Uitbreidingsplaat (03/3) op de basisplaat
3. Basisstation (01/1) haaks t.o.v. de positie van
de begrenzingskabel plaatsen en vlak op de grond uitlijnen. Met een waterpas de uitlijning van het basisstation controleren en indien no- dig de positie van het basisstation aanpas- sen.
4. Basisplaat (03/1) en uitbreidingsplaat (03/3)
met gazonpennen (03/4) bevestigen.
1. Het uiteinde van de begrenzingskabel (04/1)
uit de verpakking trekken.
2. De isolatie van het kabeluiteinde ca. 10mm
3. Het geïsoleerde kabeluiteinde (04/3) in de
veerklem (04/4) op de aansluiting (04/6) van het basisstation (04/2) steken.
4. Veerklem (04/4) met het kabeluiteinde in de
basisplaat van het basisstation drukken.
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10 cm onder het gazonop- pervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitge- voerd worden. Beide varianten kunnen met elkaar gecombi- neerd worden.457296_b 89 Montage LET OP! Gevaar voor beschadi- ging van de begren- zingskabel Als de begrenzingskabel beschadigd of doorgesne- den wordt is de overdracht van de besturingssignalen naar het apparaat niet meer mogelijk. In dat geval moet de begrenzingskabel gerepareerd of vervangen worden. Begrenzingska- bels zijn verkrijgbaar bij AL-KO.
Leg de begrenzingska- bel altijd direct op de grond. Bevestig hem in- dien nodig met een ex- tra gazonpen.
Bescherm de begren- zingskabel bij het leg- gen en tijdens de wer- king tegen beschadigin- gen.
Graaf en verticuteer niet in de buurt van de be- grenzingskabel.
1. Leid de begrenzingskabel ten minste 1 m
recht weg van het basisstation (01/a).
2. Bevestig de begrenzingskabel met regelmati-
ge afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
4. Doorgangen tussen de afzonderlijke maaiop-
pervlakken aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (01/i)", pagina90.
5. Te grote stijgingen of dalingen afzetten: zie
Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten", pagi- na90.
6. Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk
7. Leid de begrenzingskabel vanaf een afstand
van ten minste 1 m recht naar het basisstati- on (01/k).
8. Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan
op de aansluiting (04/7) van het basisstation: zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (04)", pagina88.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkge- deelte moet de begrenzingskabel met verschil- lende afstanden t.o.v. de obstakels worden ge- legd. Gebruik voor de bepaling van de juiste af- stand de liniaal die van de verpakking afgehaald kan worden. OPMERKING Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van de robot- grasmaaier niet kunnen worden her- kend. Vermijd te veel of onnodige afzet- tingen. Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min.15cm(01) Het apparaat beweegt met een afstand naar bui- ten van 15cm langs de begrenzingskabel. Leg daarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 15 cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden. Afstand t.o.v. terrasranden en getegelde paden(06) Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 15 cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon ligt kan de kabel precies op de rand worden ge- legd.NL 90 Robolinho 4100 Montage Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel(01) Als de begrenzingskabels van het obstakel weg of naar het obstakel toe precies zijn samenge- legd, d.w.z. met een afstand van 0 cm, beweegt het apparaat over de begrenzingskabels heen. De begrenzingskabels mogen niet gekruist wor- den (01/g). Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (07)
Bij naar binnen verlopende hoeken (07/a): Begrenzingskabel diagonaal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vast komt te zitten.
Bij naar buiten verlopende hoeken met obsta- kels (07/b): Begrenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat te- gen de hoek aan botst.
Bij naar buiten verlopende hoeken zonder obstakels: Begrenzingskabel met een hoek van 90° leggen.
4.5.4 Doorgangen afzetten (01/i)
De volgende afstanden moeten in de doorgang aangehouden worden:
Hellingen van meer dan 40% moeten met de be- grenzingskabel afgezet worden (40% = 40cm helling per 1m horizontaal).
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (08)
Om na de inrichting van het maaibereik het ba- sisstation nog te kunnen verplaatsen of het maai- bereik te vergroten, moet er op regelmatige af- standen een reservelengte in de begrenzingska- bel worden ingebouwd. Kies het aantal kabelreservelengtes naar eigen goeddunken. OPMERKING Vorm bij reservelengtes geen open lus- sen.
1. Leg de begrenzingskabel rond de actuele ga-
zonpen (08/1) en weer terug naar de vorige gazonpen (08/3).
2. Leid de begrenzingskabel dan weer terug
naar de actuele gazonpen (08/1). Er ontstaat een lus. De kabels moeten bij elkaar liggen.
3. Indien nodig de lus in het midden met een
extra gazonpen (08/2) aan de grond bevesti- gen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de
De begrenzingskabel wordt niet ten minste 1 m recht weg van het basisstation (02/a) ge- leid.
De kabelreserves van de begrenzingskabel worden niet in een gelijkmatige langwerpige lus gelegd (02/b).
De begrenzingskabel wordt niet deskundig rond de hoeken gelegd (02/c).
De begrenzingskabel wordt gekruist of niet rechtsom gelegd (02/d).
De begrenzingskabel wordt te onnauwkeurig gelegd, zodat randgedeeltes van het gazon niet gemaaid kunnen worden (02/e).
De startpunten worden te ver weg van het basisstation vastgelegd (02/f).
De begrenzingskabel wordt bij het heen- en terugleiden van de rand naar een obstakel binnen het gazon niet direct naast elkaar lig- gend gelegd (02/g).
De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heen gelegd (02/h).
Bij het leggen van de begrenzingskabel wordt de minimum afstand voor doorgangen van 30cm onderschreden (02/i).
De begrenzingskabel wordt te dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 15cm t.o.v. onpasseerbare obstakels gelegd (02/j).
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (05)
1. Transformator (05/1) op een droge, tegen re-
gen en spatwater beschermde plek plaatsen.
2. Laagspanningskabel (05/3) van het basissta-
tion (05/4) afrollen en beschermd tegen be- schadigingen tot aan de plek van de transfor- mator leggen.457296_b 91 Ingebruikname
Boutjes van de kroonsteen (05/2) zo ver losdraaien dat er in iedere opening een draad van de laagspanningskabel gesto- ken kan worden.
Draden insteken. Opmerking:Er hoeft niet op de polariteit te worden gelet.
Boutjes in de kroonsteen draaien tot de draden veilig vastzitten.
4. Voedingskabel (05/5) van de transformator in
het stopcontact steken. OPMERKING Wij adviseren om de transformator op het spanningsnet via een FI-aardlek- schakelaar met een nominale lekstroom van <30mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het basisstation
2. Indien nodig boutjes (05/7) aan het deksel
(05/6) van het basisstation losdraaien en deksel verwijderen. Toestandsweergaven van de LEDs LEDs Bedrijfstoestanden Groen (05/9)
Knippert als de lus van de be- grenzingskabel niet in orde is. Geel (05/8)
Brandt als de voeding in orde is.
Knippert als het apparaat in het basisstation staat en wordt op- geladen. 5 INGEBRUIKNAME Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instel- lingen die nodig zijn om de robot-grasmaaier voor de eerste keer in bedrijf te stellen. Voor alle an- dere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina93.
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu van het apparaat regelmatig opgeladen. OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt on- derbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
1. Apparaat (09/1) zodanig in het basisstation
(09/3) plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het basisstation raken.
2. Apparaat inschakelen.
3. Het display op het apparaat toont: "Accu
wordt geladen". Indien niet: zie Hoofdstuk 14 "Hulp bij storingen", pagina101.
5.2 Basisinstellingen uitvoeren
1. Afdekklep van het bedieningspaneel om-
denummer en type worden weergegeven.
3. In het menu de taalkeuze selecteren:
ren" het vooraf ingestelde PIN 0000 invoe- ren. Hiervoor met het cijfer selecteren en telkens met bevestigen. Na de in- voer van het PIN wordt de toegang vrijge- schakeld.NL 92 Robolinho 4100 Bediening
5. In het menu "PIN wijzigen":
Bij "Nieuwe PIN invoeren" een zelf gekozen nieuwe PIN van vier plaatsen in- voeren. Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
Bij "Nieuwe PIN herh." het nieuwe PIN opnieuw invoeren. Als beide invoe- ren identiek zijn, wordt het volgende weergegeven: "PIN met succes ge- wijzigd".
6. In het menu "Datum invoeren" de actuele
datum instellen (formaat:DD.MM.20JJ). Hier- voor na elkaar met een cijfer selecte- ren en telkens met bevestigen.
7. In het menu "Tijdstip invoeren" >
"24h-formaat" de actuele tijd instellen (for- maat:HH:MM). Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen. De basisinstelling is voltooid. De status "Onge- kalibreerd starttoets indrukken" wordt weergegeven.
5.3 Maaihoogte instellen
De maaihoogte van het apparaat wordt via het in- stellingsmenu ingesteld: zie Hoofdstuk 7.2 "Maai- hoogte instellen", pagina93.
5.4 Automatische kalibratierun uitvoeren
Zet het apparaat op de beginstand (10)
1. Zet het apparaat binnen het maaioppervlak
min. 1m links en 1m voor het basisstati-
met de voorkant op de begrenzingskabel uitgelijnd Kalibratierun starten
1. Controleer dat er binnen het te voorspellen
bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat moet met beide voorwielen over de begrenzingska- bel heen kunnen rijden. Verwijder obstakels indien nodig.
2. Apparaat starten. Op het display
"! Waarschuwing! Aandrijving start"
"Kalibreren", "Fase [1]" Tijdens de kalibratierun Het apparaat rijdt voor de bepaling van de sig- naalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee keer over de begrenzingskabel heen en ver- volgens naar het basisstation en blijft daar stil- staan.
Op het display wordt de melding "Kalibra- tie voltooid" gegeven.
De accu wordt opgeladen. OPMERKING Het apparaat moet bij het binnenrijden in het basisstation blijven staan. Als het apparaat bij het binnenrijden in het ba- sisstation de contacten niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat niet door het basisstati- on rijdt is de kalibratieprocedure mislukt. In dat geval moet het basisstation beter uitgelijnd en de kalibatieprocedure her- haald worden. Na de kalibratie De vooraf ingestelde actuele maaitijd wordt aan- gegeven. Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "In- stellingen", pagina93. 6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
1. Apparaat inschakelen.
Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmati- ge start", pagina95.
2. Apparaat met de hand starten.
toets op het basisstation (08/4) of op het apparaat indrukken. Het apparaat rijdt automatisch naar het ba- sisstation. Het wist het maaiprogramma van de actuele dag en start de volgende dag weer op het ingestelde tijdstip.
toets op het apparaat indrukken. De maaiwerking wordt gedurende een half uur onderbroken.
toets op het apparaat indrukken. Het apparaat wordt uitgeschakeld.457296_b 93 Instellingen OPMERKING In gevaarlijke situaties kan het apparaat met de STOP-toets(09/2) worden ge- stopt.
6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF)
1. Apparaat optillen en met de hand op het ne-
venoppervlak plaatsen.
2. Apparaat inschakelen.
3. Hoofdmenu oproepen.
6. Maaitijd met selecteren.
7. Apparaat met de hand starten.
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd en schakelt vervol- gens uit of maait verder tot de accu leeg is. Na het maaien van het nevenoppervlak het appa- raat weer met de hand in het basisstation plaat- sen. 7 INSTELLINGEN
7.1 Instelling oproepen - Algemeen
1. Hoofdmenu oproepen.
Opmerking:Het sterretje * voor het menu- punt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
4. Instellingen uitvoeren.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
5. Teruggaan naar het hoofdmenu.
OPMERKING Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina91.
7.2 Maaihoogte instellen
De maaihoogte kan met stappen van 1 mm tus- sen de 3 en 6 cm worden versteld.
"Bevestigen" indrukken. De messenschijf stelt zich eerst op de geselec- teerde maaihoogte in en de messen beginnen pas te draaien als het apparaat begint te maaien.
OPMERKING Maaien van een droog gazon reduceert vervuilingen. Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragingstijd kan er worden voorkomen dat het appa- raat bij een nat gazon maait. Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het appa- raat terug naar het basisstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is ge- droogd. Vervolgens wacht het nog de tijd af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien.
"xx uur xx minuten" Gewenste waarde voor uur/minuten na elkaar met selecteren en telkens met bevestigen.NL 94 Robolinho 4100 Instellingen
7.5 Eco-mode activeren/deactiveren
In de Eco-mode schakelt het apparaat om naar de energie besparende modus. Daardoor wordt het energieverbruik en de geluidsemissie geredu- ceerd. OPMERKING Bij een hoog en dicht gazon en bij dicht rolgazon niet aan te bevelen resp. evt. niet mogelijk.
7.6.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
1. Hoofdmenu oproepen.
4. Instellingen uitvoeren.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
1. Apparaat in het basisstation plaatsen.
2. Apparaat inschakelen.
3. Hoofdmenu oproepen.
7. *"Start teachrun voor start-
"Hier" , als het apparaat het ge- wenste startpunt heeft bereikt. Het start- punt wordt opgeslagen.
8. "Stel startpunt 1 in" , als bij de
teachrun geen startpunt is vastgelegd. Als er hier geen startpunt wordt vastgelegd, worden de startpunten automatisch vastgelegd.
9. "Startpunt x: XXm", als het laatste start-
punt is bereikt. Startpunten met de hand vastleggen (01) Het eerste startpunt (01/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1m rechts naast het basisstation. Achter dit punt kunnen er maximaal 9 verdere startpunten (X1 t/m X9) worden geprogram- meerd. Houd bij het vastleggen van de startpun- ten rekening met het volgende:
Stel de startpunten niet te ver verwijderd van het basisstation en niet te dicht bij elkaar in (02/f).
Gebruik slechts zoveel startpunten als nodig.
2. *"Punt X1 bij [020m]"
Met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
3. *"Punt X2 bij [075m]"
Met een cijfer selecteren en telkens met bevestigen.
4. Verdere startpunten vastleggen indien nodig.
5. Teruggaan naar het hoofdmenu.
7.6.3 Maaitijden instellen
OPMERKING Tussen de programmering van de maai- tijden en het starten van het maaien moeten 30 minuten liggen. Indien niet start het apparaat pas op het volgende geprogrammeerde maaitijdstip. In het menupunt "Weekprogramma" worden de dagen van de week en de tijdstippen ingesteld waarop het apparaat moet maaien. Pas deze in- stellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog on- gemaaide gedeeltes te zien zijn moeten de maai- tijden verlengd worden.457296_b 95 Instellingen
*"Elke dag [X]": Het apparaat maait iedere dag op de ingestelde tijd- stippen. Als "Elke dag []" wordt aan- gegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde weekdagen.
*"Maandag [X]"...*"Zondag [X]": Het apparaat maait op de ingestel- de weekdag op de ingestelde tijdstippen. Als bijv. "Maandag []" wordt weerge- geven, maait het apparaat op de betref- fende dag niet.
"Wijzigen" : De betreffende dag activeren [X] of deactiveren [], tijden, manier van maaien en startpunten instel- len.
2. Instellingen voor alle dagen of de betreffende
bijv. *"[M] 07:00-10:00 [?]": Nor- maal maaien [M] van 07:00 – 10:00uur met automatisch wisselend startpunt 0 – 9 [?].
bijv. *"[R] 16:00-18:00 [1]": Het apparaat start om 16:00uur met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daar- na begint het maaien van het oppervlak op startpunt 1 [1]. Om 18:00uur of zo- dra de accu leeg is, rijdt het apparaat te- rug naar het basisstation.
"Wijzigen" : Geselecteerde in- stelling wijzigen.
"Verder" : Gewijzigde instelling bevestigen en verder naar de volgende instelling.
3. "Opslaan" : Alle gewijzigde instellin-
gen van het menupunt opslaan.
7.7 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld wor- den dat het apparaat met het maaien van de ran- den begint. Randen op de geprogrammeerde maaitijdstippen maaien: zie Hoofdstuk 7.6.3 "Maaitijden instel- len", pagina94.
Een bestaande verbinding met een gateway kan verbroken worden. Daardoor staat het apparaat gedurende 30 minuten open voor een nieuwe verbindingsopbouw. OPMERKING Om later een verbinding op te bouwen moet de verbinding eerst opnieuw wor- den verbroken, ook als het apparaat vooraf niet met een gateway was ver- bonden.
apparaat meldt: "Voltooid".
3. Met bevestigen en teruggaan naar het
2. Maaitijden instellen:
"inactief" : Het maaien van nevenoppervlakken is uitgeschakeld.
"actief" : Het apparaat maait tot de accu leeg is.
"Maaitijd in min" : Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd het nevenoppervlak. De volgende maaitijden kunnen ingesteld worden: 30/60/90/120/tot accu leeg.
7.10 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. vanwege zoninstraling slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het displaycontrast verbeterd worden.
96 Robolinho 4100 Informatie weergeven
7.11 Instellingsbescherming
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veilig- heid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
7.12 Opnieuw kalibreren
Als de positie of de lengte van de begrenzingska- bel werd gewijzigd of het apparaat de begren- zingskabel niet meer kan vinden, moet er op- nieuw gekalibreerd worden.
1. "Opnieuw kalibreren"
2. "Kalibratie terugzetten?"
3. Kalibratierum uitvoeren: zie Hoofdstuk 5.4
"Automatische kalibratierun uitvoeren", pagi- na92.
7.13 Terugzetten op fabrieksinstellingen
De fabrieksinstelling van het apparaat kunnen bijv. voor een doorverkoop teruggezet worden.
1. *"Fabrieksinstellingen"
Melding: "Instellingen met succes hersteld" 8 INFORMATIE WEERGEVEN Het menu "Informatie" dient voor de weerga- ve van de apparaatgegevens. In dit menu kunnen verder geen instellingen worden gedaan.
1. Hoofdmenu oproepen.
Opmerking:De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
4. Teruggaan naar het hoofdmenu.
"Messenservice" Geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een mes- senservice noodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice van een AL-KO dealer, technicus of een servicepart- ner uit laten voeren. Teller voor de messenservice terugzetten:
"Hardware" Geeft informatie weer over het apparaat, als bijv. type, fabricagejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laad- cycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel. "Software" Geeft de firmware-versie aan. "Programma-info" Toont actuele instellingen als bijv. de totale we- kelijkse maaiduur. "Storingen" Geeft de als laatste opgetreden storingsmeldin- gen met datum, tijd en foutcode weer.
9 ONDERHOUD EN VERZORGING
VOORZICHTIG! Risico op letsel Onderdelen met scherpe randen en draaiende on- derdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaam- heden altijd bescher- mende handschoenen!457296_b 97 Onderhoud en verzorging
LET OP! Gevaar door water Water in de robot-gras- maaier en in het basisstati- on leidt tot schade aan elektrische componenten.
Spuit de robot-gras- maaier en het basissta- tion niet met water af. Robot-grasmaaier reinigen VOORZICHTIG! Kans op letsel door snij- messen De snijmassen zijn erg scherp en kunnen snijwon- den veroorzaken.
Draag veiligheidshand- schoenen!
Let erop dat lichaams- delen niet in de snijmes- sen terechtkomen. Een keer per week uitvoeren:
1. Apparaat uitschakelen.
2. Oppervlak van het huis met een stoffer, een
borstel, een vochtige doek of een fijne spons afvegen.
3. Onderbodem, maaidek en snijmessen met
een borstel afborstelen.
4. Snijmessen op beschadigingen controleren.
Indien nodig vervangen: zie Hoofdstuk 9.3 "Messen vervangen", pagina98. Basisstation reinigen
1. Grasrestanten en loof of andere voorwerpen
regelmatig uit het basisstation verwijderen.
2. Oppervlak van het basisstation met een
vochtige doek of een fijne spons afvegen.
1. Controleer één keer per week de gehele in-
stallatie op beschadigingen:
Transformator met voedingskabel
2. Vervang defect onderdelen door originele on-
derdelen van AL-KO of door een servicepunt van AL-KO. Wielen controleren op vrije beweging Een keer per week uitvoeren:
1. De omgeving van de rollen grondig van gras-
restanten en vervuilingen ontdoen. Gebruik hiervoor een stoffer en een doek.
2. Controleer of de rollen soepel draaien en of
ze gestuurd kunnen worden. Opmerking:Als de rollen stroef draaien of niet gestuurd kunnen worden moeten ze door een servicepunt van AL-KO worden vervan- gen. Contactoppervlakken aan de robot- grasmaaier controleren
1. Vervuilingen met een doek verwijderen en
dan iets met contactvet insmeren.
2. Brandsporen op de contactoppervlakken met
fijn schuurpapier blank schuren en met iets met contactvet insmeren. Laadcontacten van het basisstation controleren
ken en loslaten. De laadcontacten moeten weer terugveren in de uitgangspositie. Opmerking:Als de laadcontacten niet terug- veren moeten ze door een servicepunt van AL-KO worden vervangen.NL 98 Robolinho 4100 Transport
9.3 Messen vervangen
VOORZICHTIG! Kans op letsel door snij- messen De snijmassen zijn erg scherp en kunnen snijwon- den veroorzaken.
Draag veiligheidshand- schoenen!
Let erop dat lichaams- delen niet in de snijmes- sen terechtkomen. LET OP! Beschadiging van het apparaat door ondeskun- dige reparatie Door het rechtbuigen van verbogen gemonteerde snijmessen kan de mes- senschijf beschadigd ra- ken.
Buig verbogen snijmes- sen niet recht.
Vervang verbogen snij- messen door originele reserveonderdelen van AL-KO. Versleten snijmessen of verbogen snijmessen moeten worden vervangen.
1. Apparaat uitschakelen.
2. Apparaat omkeren met de messen naar bo-
3. Bevestigingsbouten losdraaien.
4. De snijmessen uit de meszitting halen.
5. De meszitting reinigen met een zacht borstel-
tje. OPMERKING De snijmessen zijn over de gehele leng- te geslepen en kunnen daarom 180° ge- draaid gemonteerd worden, waardoor de draaitijd verdubbeld wordt.
6. Nieuwe snijmessen met de geslepen kant
naar het apparaat toe wijzend inschuiven. Opmerking:Er mogen uitsluitend originele reserveonderdelen van AL-KO worden ge- bruikt.
7. Bevestigingsbouten weer plaatsen en aan-
draaien. De wegruimmessen hoeven normaal gesproken niet te worden vervangen. Als ernstige vervuiling niet met een borstel kan worden verwijderd, moet de messenschijf worden vervangen, omdat er anders onbalans kan zor- gen voor meer geluid, meer slijtage en functiesto- ringen.
9.4 Zekering aan de transformator
vervangen(11) Indien de transformator bij een intacte voeding geen spanning meer levert:
1. Transformator (11/2) van het spanningsnet
2. Zekeringsafdekking (11/1) met zekering aan
de transformator (11/2) losdraaien.
3. Zekering controleren. Indien defect, een nieu-
we zekering van dezelfde sterkte (2,5A, traag) plaatsen.
4. Nieuwe zekering in de zekeringsafdekking
5. Zekeringsafdekking met de zekering in de
transformator draaien. 10 TRANSPORT Ga bij het transport van het apparaat, bijv. van het hoofd- naar het nevenoppervlak, als volgt te werk:
1. Apparaat stoppen.
2. Apparaat uitschakelen.
3. Apparaat aan de draagbeugel optillen:
De snijmessen mogen niet aangeraakt worden.
De snijmessen moeten altijd van het li- chaam weg wijzen.457296_b 99 Opslag 11 OPSLAG
11.1 Robot-grasmaaier opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de win- ter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt.
1. Accu geheel opladen (zie Hoofdstuk 5.1 "Ac-
cu laden (09)", pagina91).
2. Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
11.2 Basisstation opbergen
Het basisstation kan, moet echter niet opgebor- gen worden. Door het op te bergen wordt er ech- ter een te vroege veroudering als bijv. het uitble- ken van de kleur, roest van de laadcontacten en van de veerklemmen voorkomen. Als het basisstation buiten blijft staan:
3. Laadcontacten met contactvet insmeren.
Als het basisstation wordt opgeborgen:
1. Eerst alle hierboven vermelde werkzaamhe-
3. Basisstation demonteren en vervuilingen met
een stoffer en een iets vochtige doek verwij- deren.
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
11.3 Begrenzingskabel overwinteren
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zit- ten en hoeft niet verwijderd te worden.
1. Als het basisstation is opgeborgen: De met
isolatie gestripte kabeluiteinden met vet in- smeren en met plakband omwikkelen. Daar- door worden de kabeluiteinden beschermd tegen corrosie. 12 VERWIJDEREN Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten (ElektroG)
Oude elektrische en elektronische ap- paraten horen niet thuis bij het huis- houdelijke afval, maar moeten geschei- den worden aangeboden of verwijderd!
Gebruikte batterijen of accu’s, die niet vast in het apparaat ingebouwd zijn, moeten voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recycling ervan wordt door de batterijwetgeving be- heerst.
Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wette- lijk tot teruggave na gebruik verplicht.
De eindgebruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen ge- bruikte apparaat! Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elek- tronische gebruikte apparaten niet via het ge- woon afval mogen worden verwijderd. Elektrische en elektronische apparaten kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden af- gegeven:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot te- rugname verplicht zijn of deze vrijwillig aan- bieden. Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geïnstalleerd en verkocht werden en die beant- woorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwij- kende voorschriften gelden voor het verwijderen van afgedankte elektrische en elektronische ap- paraten.NL 100 Robolinho 4100 Verwijderen Over de batterijwetgeving (in Duitsland: BattG)
Gebruikte batterijen en accu’s horen niet bij het gewone afval, maar moeten afzonderlijk worden weggedaan!
Zie de gebruikershandleiding om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu’s uit het elektrische apparaat over te kunnen gaan en voor informatie over het type of het chemisch systeem.
Bezitters of gebruikers van batterijen en accu’s zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is be- perkt tot de normale huishoudelijke hoeveelheden. Gebruikte batterijen kunnen schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de ge- zondheid schade kunnen toebrengen. Het herge- bruiken van gebruikte batterijen en het opnieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen. Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruikte batterijen en accu’s niet via het gewoon afval mogen wor- den verwijderd. Wanneer ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005% kwik
Pb: de batterij bevat meer dan 0,004% lood Accu’s en batterijen kunnen op de volgende ver- zamelpunten gratis worden afgegeven:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van batterijen en accu’s
Een verzamelpunt van het gemeenschappe- lijke recycling systeem voor gebruikte appa- raten en batterijen
Een verzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijke recy- cling systeem) Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op accu’s en batterijen die in landen van de Europe- se Unie verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwijkende be- palingen voor de recycling van accu’s en batterij- en gelden.457296_b 101 Klantenservice/service centre
13 KLANTENSERVICE/SERVICE CENTRE
Voor vragen over garantie, reparatie of reserveonderdelen kunt u contact opnemen met het dichtstbij- zijnde AL-KOservice centre. Deze vindt u op internet op het volgende adres: www.al-ko.com/service-contacts
VOORZICHTIG! Risico op letsel Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen! Storing Oorzaak Oplossing Apparaat start niet. Accu is leeg. Apparaat in het basisstation opladen. Apparaat komt klem te zit- ten en graaft zich vast. De wielen draaien verder. Stootsensoren worden niet geactiveerd. Bezoek een AL-KO service centre. Gras is te hoog.
De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de ge- wenste hoogte.
Gras met een grasmaaier kortmaai- en. Apparaat blijft op een onef- fenheid van het gazon han- gen. Oneffenheid verwijderen. Apparaat maait op verkeer- de tijdstippen. Apparaat heeft de verkeerde tijd. Tijd instellen. Maaiduur is verkeerd inge- steld. Maaitijden instellen. Apparaat verliest de tijdin- stellingen. Accu is defect. Bezoek een AL-KO ser- vice centre. Motor blokkeert tijdens het maaien. Motor is overbelast. Apparaat uitschakelen, op effen onder- grond of laag gras plaatsen en opnieuw starten. Accu is leeg. Accu laden. Snijmessen zijn stomp. Snijmessen vervangen.NL 102 Robolinho 4100 Hulp bij storingen Storing Oorzaak Oplossing Maairesultaat is ongelijk- matig. Maaitijd is te kort. Langere maaitijden programmeren. Maaibereik is te groot. Maaibereik verkleinen. De maaihoogte is te laag in- gesteld. De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. Snijmessen zijn stomp.
Snijmessen met nieuwe bouten be- vestigen. Het vermogen van de accu neemt duidelijk af. De maaihoogte is te laag in- gesteld. De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. Gras te hoog of te nat.
Maaihoogte hoger instellen. Apparaat trilt of het ge- luidsvolume is te hoog. Onbalans in het snijmes of in de aandrijving van het snij- mes
Bezoek een AL-KO service centre. Accu kan niet opgeladen worden resp. te lage ac- cuspanning
Laadcontacten van het basisstation zijn vervuild.
Contactoppervlakken aan het apparaat zijn vervuild.
Basisstation heeft geen stroom.
Basisstation op voeding aansluiten.
Apparaat raakt de laad- contacten niet.
Contactoppervlakken aan het apparaat zijn af- gebrand.
Apparaat in het basisstation plaat- sen en controleren of de laadcon- tacten contact maken.
Bezoek een AL-KO service centre.
Zekering vervangen (zie Hoofdstuk
9.4 "Zekering aan de transformator
vervangen(11)", pagina98). Levensduur van de accu is afgelopen.
Bezoek een AL-KO service centre. Oplaadelektronica is defect.
Bezoek een AL-KO service centre. OPMERKING Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.457296_b 103 Hulp bij storingen
14.2 Foutcodes en -oplossing
Foutcode Oorzaak Oplossing CN001: Tilt sensor Hellingssensor is geacti- veerd:
Apparaat werd gedragen
Helling te steil Apparaat op een horizontale onder- grond plaatsen en de fout bevestigen. CN002: Lift sensor De hefsensor is geactiveerd:
De apparaatkap werd door optillen of door een obstakel naar boven toe weggedrukt. Obstakel verwijderen. CN005: Bumper de- flected Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken (bijv. botsing in de buurt van het basisstation).
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Circuitsignaal is te zwak.
LEDs aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Circuitsignaal te zwak
LEDs aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Begrenzingskabel tot de voorge- schreven hoogte verhogen, evt. di- rect op het gazon bevestigen. CN010: Bad position
Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga- zonoppervlak.
Begrenzingssskabel werd gekruist.
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. Kruising van de kabel opheffen. CN011: Escaped robot Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper- vlak. Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren.NL 104 Robolinho 4100 Hulp bij storingen Foutcode Oorzaak Oplossing CN012: Cal: no loop CN015: Cal: outside Storing tijdens de kalibratie:
Apparaat kan de begren- zingskabel niet vinden.
LEDs aan het basisstation controle- ren.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Apparaat op de voorgeschreven ka- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. Apparaat moet over de be- grenzingskabel heen kunnen rijden. CN017: Cal: signal weak Storing tijdens de kalibratie:
Circuitsignaal te zwak
Apparaat op de voorgeschreven ka- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen.
Voeding van het basisstation con- troleren. Transformator losmaken en weer aansluiten.
Storing tijdens de kalibratie:
Apparaat is tegen een obstakel aan gereden. Obstakel verwijderen. CN038: Battery Accu is leeg:
Bij het opladen geen contact met de laadcon- tacten
Apparaat in het basisstation plaat- sen en controleren of de laadcon- tacten contact maken.
Laadcontacten laten controleren door een servicepunt van de fabri- kant en laten vernieuwen.
Obstakels in de buurt van het laadstation Obstakels verwijderen.
Apparaat heeft zich vast- gereden. Apparaat op een vrij, omheind gazon plaatsen.
Apparaat vindt het basis- station niet.
Begrenzingskabel door een service- punt van de fabrikant laten doorme- ten.
Accu is opgebruikt. Accu door een servicepunt van de fabri- kant laten vervangen.
Oplaadelektronica is de- fect. Laadelektronica door een servicepunt van de fabrikant laten vervangen.457296_b 105 Hulp bij storingen Foutcode Oorzaak Oplossing CN099: Recov escape Automatisch verhelpen van storing niet mogelijk
Storingsmelding met de hand be- vestigen.
Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la- ten controleren. CN104: Battery over heating
Accu is oververhit (meer dan 60°C). Er is geen ontlading mogelijk.
Apparaat uitschakelen en accu laten afkoelen.
Apparaat niet in het basisstation plaatsen. CN110: Blade motor over heating Maaimotor is oververhit (meer dan 80°C).
Apparaat uitschakelen en laten af- koelen.
Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la- ten controleren. CN119: R-Bumper de- flected CN120: L-Bumper de- flected Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken. Obstakel verwijderen. CN128: Recov Impos- sible Apparaat is tegen een obsta- kel gereden en kan zich niet losmaken. Obstakel verwijderen. Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper- vlak.
Apparaat op een vrij, omheind ga- zon plaatsen.
Positie van de begrenzingskabel corrigeren. CN129: Blocked WL Motor van linkerwiel is ge- blokkeerd. Blokkering verwijderen. CN130: Blocked WR Motor van rechterwiel is ge- blokkeerd. Blokkering verwijderen. OPMERKING Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.NL 106 Robolinho 4100 Garantie 15 GARANTIE Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft. Onze garantie geldt alleen bij:
naleving van deze gebruikershandleiding
Gebruik van originele reserveonderdelen De garantie vervalt bij:
Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
Eigenhandig aangebrachte technische wijzi- gingen
Gebruik voor andere doeleinden dan het ge- bruiksdoel Van de garantie zijn uitgesloten:
lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aangeduid De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de da- tum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de ver- koper wegens defecten aan het apparaat onverlet.
SimpelGids