Park 500 WX Special - Grasmaaier STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Park 500 WX Special STIGA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Park 500 WX Special - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Park 500 WX Special van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING Park 500 WX Special STIGA
LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing
ACCESSOIRES [56] ACCESSOIRES ACHTERZIJDE [57] ACCESSOIRES VOORZIJDE [58] Accessoire [59] (***) Voor de P 901 C W modellen is het, met gelijktijdig gebruik van de maaisysteemgroep “type 110C E QF” en de aanhanger, verplicht om tegen- gewichten om de achterwielen te installeren.
- Zie de spanning aangegeven op de banden
funkcija. Akumulators ir uzlādēts. Drošinātājs 5: bojāts. Nomainiet drošinātāju 5:A. PIEZĪME Ja traucējumi saglabājas arī pēc aprakstīto risināju- mu pielietošanas, sazinieties ar izplatītāju. PIEZĪME Ja rodas citi, tabulā neuzskaitīti defekti, nekavējoties sazinieties ar autorizēto servisa centru.NL - 1 Lees de volledige handleiding voordat u de machine gebruikt. De gebruikershandleidingen zijn beschikbaar: ▷ op de website stiga.com ▷ door de QR code te scannen Download full manual stiga.com NEDERLANDS - Vertaling van de Originele Instructies LET OP: VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN, DIENT MEN DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG TE LEZEN. Bewaren voor toekomstige behoeften. OPMERKING Dit document is bedoeld als een eenvoudige handleiding, op papier, voor het gebruik en het onderhoud van de machine in veilige omstandigheden. Download voor meer gedetailleerde informatie de volledige handleidingen in digitaal formaat.
1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
1.1. TRAINING Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/of ernstige letsels veroorzaken.
- Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt door kinderen of door personen die niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen. De minimale leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn.
- Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of andere stoen ingenomen heeft die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn reactievermogen en aandacht.
- Denk eraan dat de persoon die de machine bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico’s, die het terrein waarop hij moet werken met zich mee kan brengen, te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treen met het oog op zijn eigen veiligheid en die van anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen.
- Indien men de machine aan derden wil geven of lenen, moet men zich ervan verzekeren dat de gebruiker de gebruiksaanwijzingen in dit handboek doorneemt. 1.2. VOORAFGAANDE HANDELINGEN Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
- Draag geschikte kledij, stevige werkschoenen met antislipzolen en een lange broek. Schakel de machine niet wanneer u geen schoenen draagt of met open sandalen. Draag gehoorbeschermingen.
- Draag werkhandschoenen voor alle handelingen die gevaarlijk kunnen zijn voor de handen.
- Draag geen sjaal, hemd, halsketting, armbanden, kledij met losse delen, of met bandjes of dassen of andere hangende of wijde accessoires die vastgegrepen kunnen worden door de machine of voorwerpen en materiaal aanwezig op de werkplaats.
- Lang haar wordt zorgvuldig bijeengebonden. Werkzone / Machine
- Controleer grondig de hele werkzone en verwijder alles wat door de machine weg zou kunnen uitgestoten worden of de maai-inrichting/draaiende organen zou kunnen beschadigen (keien, takken, ijzerdraad, beenderen, enz.). Explosiemotoren: brandstof De brandstof is zeer ontvlambaar.
- Bewaar de brandstof in speciale houders die daarvoor gehomologeerd zijn, op een veilige plaats, uit de buurt van warmtebronnen of naakte vlammen.
- Rook niet tijdens het tanken of het bijvullen van brandstof of elke keer wanneer men met de brandstof werkt.
- Gebruik een trechter om brandstof bij te vullen, en doe dit enkel in de open lucht.
- Als de motor aanstaat of warm is mag u geen brandstof toevoegen of de dop van de benzinetank afdraaien.
- Breng geen vlammen nabij de opening van het reservoir om de inhoud ervan te controleren.
- Reinig onmiddellijk elk spoor van brandstof dat op de machine of op de grond gelekt is.
- Draai de dop altijd weer goed op het brandstofreservoir en op de houder van de brandstof.
1.3. TIJDENS HET GEBRUIK
- Start de motor niet in gesloten ruimten waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan concentreren. Het opstarten moet in openlucht of op een goed verluchte plaats plaatsvinden. Denk er altijd aan dat uitlaatgassen giftig zijn.
- Richt, tijdens het opstarten van de machine, de geluidsdemper en dus de uitlaatgassen nooit naar ontvlambare materialen.
- Gebruik de machine niet in omgevingen met gevaar op ontplong, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistoen, gas of stof. Elektrische contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken doen ontstaan, die stof of dampen kunnen doen ontbranden.
- Enkel bij daglicht of met goed kunstmatig licht en bij goede zichtbaarheid reinigen.
- Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. De kinderen moeten onder toezicht van een andere volwassene staan.
- Werk niet op nat gras, bij regen of bij risico op onweer, in het bijzonder wanneer er kans op bliksem bestaat.
- Let bijzonder goed op de onregelmatigheden van het terrein (drempels, geulen), op de hellingen, op verborgen gevaren en op de aanwezigheid van eventuele hindernissen die de zichtbaarheid zouden kunnen beperken.
- Werk in de dwarse richting van de helling en nooit in de richting van de stijging/daling, let goed op bij de veranderingen van richting, verzeker ervan een goed steunpunt te hebben, en let er goed op dat de wielen niet op hindernissen stoten (stenen, takken, wortels, enz.) die een zijdelingse verschuiving of verlies van controle over de machine zouden kunnen veroorzaken.
- De machine mag niet worden gebruikt op hellingen vanNL - 2 meer dan 10°, ongeacht de rijrichting.
- Stop de maai-inrichting bij het oversteken van niet- grasachtige oppervlakken.
- Houd altijd de handen en voeten ver van het maaimechanisme, zowel wanneer de motor gestart wordt als tijdens het gebruik van de machine.
- Blijf steeds op afstand van de aaatopening.
- Gebruik de machine nooit indien de beschermingen beschadigd zijn, ontbreken of niet correct geplaatst zijn (opvangzak, achterste aaatbeveiliging).
- De aanwezige veiligheidsinrichtingen/microschakelaars niet uitschakelen, afschakelen, verwijderen of schenden.
- Let op in geval van hellende terreinen, waar bijzondere aandacht vereist is om omkantelen of verlies van controle over de machine te vermijden. De voornaamste oorzaken waardoor de macht over het stuur kwijt geraakt kan worden zijn: - Onvoldoende grip van de wielen. - Overdreven snelheid. - Bruuske richtingsveranderingen. - Niet passende remming. - De machine is niet geschikt voor het doel waarvoor ze gebruikt wordt. - Gebrek aan kennis van de gevolgen te wijten aan de toestand van het terrein. - Gebruik van de machine als trekvoertuig.
- Let goed op het verkeer, wanneer de machine dicht bij de straat gebruikt wordt.
- Ontkoppel de maai-inrichting leg de motor stil en verwijder de contactsleutel (controleer dat alle bewegende delen volledig stilstaan): - Tijdens het transport van de machine; - Elke keer wanneer men de machine onbewaakt laat; - Alvorens de oorzaken van verstopping te verwijderen of het afvoerkanaal te ontstoppen; - Alvorens de machine te controleren, te reinigen of eraan te werken; - Na het raken van een vreemd voorwerp. Controleer de machine op eventuele schade, en voer de nodige herstellingen uit voordat u deze opnieuw gebruikt; - Als de machine abnormaal begint te trillen: controleer eventuele beschadigingen; controleer of delen losgekomen zijn en schroef ze weer vast; Voer de controles, vervangingen of herstellingen uit bij een Gespecialiseerd Centrum.
- Houd altijd de handen en voeten ver van het maaimechanisme, zowel wanneer de motor gestart wordt als tijdens het gebruik van de machine.
- Let op: het maai-element blijft gedurende enkele seconden na zijn afkoppeling of na uitschakeling van de motor draaien.
- Let goed op de snijgroep met meerdere maai-inrichtingen, aangezien een draaiende maai-inrichting ook de andere zou kunnen doen draaien.
- Blijf steeds op afstand van de aaatopening.
- De delen van de motor niet aanraken, omdat die tijdens het gebruik erg heet worden. Gevaar voor brandwonden.
- Laat de machine niet stilstaand in hoog gras met de motor draaiend, om risico op brand te vermijden.
- Houd handen en voeten uit de buurt van de stuurkoppeling en de stoelsteun. Hier bestaat risico voor letsels door verplettering. In geval van breuken of incidenten tijdens het werk, dient men de motor onmiddellijk stil te zetten en de machine te verwijderen om geen verdere schade te berokkenen; in geval van ongevallen met persoonlijke letsels of letsels aan derden, dient men onmiddellijk de meest geschikte eerste-hulp-procedures te volgen voor de situatie en zich tot een gezondheidsstructuur te richten voor de nodige zorgen. Verwijder zorgvuldig eventuele resten die schade of letsels aan personen of dieren kunnen veroorzaken indien ze onopgemerkt blijven.
1.4. ONDERHOUD, OPSLAG EN TRANSPORT
Regelmatig onderhoud en een correcte stalling garanderen de veiligheid van de machine en het niveau van de performance.
- Gebruik de machine nooit als er onderdelen versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten vervangen en niet gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen.
- Tijdens de afstellingen van de machine, moet men erop letten dat de vingers niet tussen de bewegende maai- inrichting en de vaste delen van de machine geklemd geraken.
- Om brandgevaar te beperken, moet u regelmatig controleren of er geen olie en/of brandstof lekt. Het niveau van geluid en trillingen als aangegeven in deze handleiding, zijn maximale waarden voor het gebruik van de machine. Het gebruik van een niet gebalanceerd maai- element, een overdreven snelheid van de beweging en gebrekkig onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijk preventieve maatregelen te treen om mogelijke schade ten gevolge van een hoog geluidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud van de machine, draag gehoorbescherming, maak pauzes tijdens het werk.
- Zet de machine niet met brandstof in de tank in een ruimte waar de brandstofdampen met vlammen, vonken of een warmtebron in aanraking zouden kunnen komen.
- Laat geen houders met restmateriaal in een gesloten ruimte, om het risico op brand te voorkomen.
1.5. BESCHERMING VAN DE OMGEVING
- Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, accu's, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op het milieu; dit afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
- Volg scrupuleus de lokale normen op voor de afdanking van het afval.
- Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een container park gebracht worden, volgens de geldende plaatselijke normen. De gescheiden inzameling van gebruikte producten en verpakkingen staat recycling en hergebruik van de materialen toe. Het hergebruik van gerecycleerd materiaal helpt de vervuiling van het milieu te voorkomen en vermindert de vraag naar grondstoen.NL - 3
2. BESCHRIJVING VAN HET PRODUCT
Deze machine is een tuingereedschap, meer bepaald een grasmaaier met een zittende bediener en frontale snij- inrichting. De machine is voorzien van een motor, die de snij-inrichting inschakelt, die wordt beschermd door een carter, en een aandrijfgroep die de beweging doorgeeft aan de machine. De machine heeft een knikbesturing. Dit betekent dat het chassis is verdeeld in een voorste gedeelte en een achterste gedeelte die ten opzichte van elkaar kunnen worden bestuurd. De knikbesturing betekent dat de machine met een extreem kleine draaicirkel rond bomen en andere obstakels kan rijden. De bediener kan de machine bedienen en de hoofdcommando’s inschakelen terwijl hij steeds op zijn plaats blijft zitten. De veiligheidsvoorzieningen op de machine zorgen voor de stillegging van de motor en van de snij-inrichting. Beoogd gebruik en oneigenlijk gebruik Deze machine is ontworpen en gebouwd voor het maaien van gras in tuinen en grasvelden. Het gebruik van bijzonder toebehoren, voorzien door de Fabrikant als oorspronkelijke uitrusting of afzonderlijk aan te kopen, staat toe dit werk uit te voeren volgens de verschillende werkwijzen die in deze handleiding of in de instructies die met het toebehoren geleverd worden, beschreven zijn. Elk ander gebruik kan gevaarlijk zijn en kan persoonlijke letsels en/of materiële schade veroorzaken. De volgende situaties behoren tot het onjuist gebruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend):
- op de machine andere personen, kinderen of dieren vervoeren;
- de machine gebruiken om ladingen trekken of duwen zonder het gebruik van het daarvoor bestemde accessoires voor het slepen;
- de maai-inrichting aanschakelen op zones zonder gras;
- de machine te gebruiken voor het verzamelen van bladeren of afval;
- de machine gebruiken voor verplaatsingen op onstabiele, gladde, ijzige, steenachtige of oneen grond, plassen of moerassen. BELANGRIJK Onjuist gebruik brengt verval van zowel de garantie als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waar- door de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen. BELANGRIJK De machine mag steeds slechts door een en- kele bediener gebruikt worden. BELANGRIJK De machine is niet goedgekeurd om op de openbare weg te rijden. Ze mag (volgens het Wegverkeersre- gelement) uitsluitend gebruikt worden op privé-terrein dat voor verkeer gesloten is. 2.1. MACHINECOMPONENTEN (AFB. 1) A. Chassis B. Wielen C. Stuur D. Stoel E. Console F. Pedaalbedieningen G. Motorkap H. Hendel stijging frontale accessoires
I. Zitting zekeringen
J. Accu K. Brandstoftank L. Reservoir overbrengingsolie M. Motor N. Houders met snelkoppeling voor accessoires 2.2. VEILIGHEIDSSIGNALERINGEN (AFB. 2) LET OP Duid gevaar aan. Is gewoonlijk gecombineerd met andere signaleringen die het gevaar aanduiden. LET OP Lees de handleiding zorgvuldig voordat u de machine gebruikt. LET OP Let op voor eventuele verspreide voorwerpen. Let op voor eventuele ter plaatse aanwezige personen. LET OP Draag altijd een gehoorbescherming. LET OP De machine is niet goedgekeurd om op de openbare weg te rijden. LET OP Deze machine, met origineel gemon- teerde accessoires, kan werken met een maximale helling van 10° onafhankelijk de rijrichting. Bandenspanning. Het etiket bevat de op- timale waarden van de bandenspanning - zie hfdst. “0 TABEL TECHNISCHE GE- GEVENS”. De correcte bandenspanning is van essentieel belang voor het behalen van goede resultaten bij het gebruik van de machine. BELANGRIJK Beschadigde of onleesbaar geworden labels moeten vervangen worden. Vraag nieuwe labels aan uw eigen geautoriseerd Dienstcentrum.
BELANGRIJK De machine moet op een vlakke en solide on- dergrond worden uitgepakt en gemonteerd, met voldoende be- wegingsruimte voor machine en verpakking, en met behulp van geschikte gereedschappen. 3.1. UITPAKKEN
1. Open de verpakking voorzichtig, let erop geen onderdelen
2. Raadpleeg de documentatie in de doos, inclusief deze
gebruiksaanwijzingen.
3. Haal alle onderdelen die niet gemonteerd zijn uit de doos.
4. Haal de machine uit de verpakking, met de volgende
voorzorgsmaatregelen: - breng de maaigroep tot de maximale hoogte (par. 4) om te vermijden dat hij wordt beschadigd wanneer de machine van de basispallet wordt gereden; - plaats de hendel voor de ontgrendeling van de achterste overbrenging in de ontgrendelde positie (par. 4) (voor modellen met hydrostatische overbrenging). - Haal de machine van het basispallet.NL - 4
3.2. MONTAGE VAN DE MOTORKAP
Om de brandstofkraan te bereiken, op de accu en op de motor, moet de motorkap geopend worden:
1. Til de blokkering van de stoel (3:A) op en verstel
Zie afbeelding 5. Sluit de accu aan op de elektrische installatie van de machine met behulp van de bouten en de moeren Sluit de rode kabel aan op de positieve klem (+) en de zwarte kabel op de negatieve klem van de accu (-). BELANGRIJK Sluit de kabels goed. Geloste kabels kunnen brand veroorzaken.
Stuur type “I”: Zie afbeelding 7-I. Stuur type “II”: Zie afbeelding 7-II.
SNELKOPPELING De snelkoppelingen en de relatieve instructies voor de installatie worden afzonderlijk in de verpakking van de machine geleverd. Installeer de houders met snelkoppeling op de voorste steekassen van de machine. OPMERKING In dit geval wordt de maai-inrichting be- schouwd als een accessoire.
- Bedrijfsrempedaal (9:b) Losgelaten: de tractie is ingeschakeld. de parkeerrem is niet ingeschakeld. Half ingedrukt: de aandrijving vooruit is uitgeschakeld. de parkeerrem is niet ingeschakeld. Helemaal ingedrukt: de tractie is uitgeschakeld. de parkeerrem is helemaal ingeschakeld maar niet geblokkeerd.
- Blokkeerhendel parkeerrem (9:C) Blokkeert het rempedaal in de helemaal ingedrukte stand.
- Tractiepedaal (9:D) Als het pedaal vooruit wordt ingedrukt, beweegt de machine vooruit. Als het pedaal niet wordt ingedrukt, staat de machine stil. Als het pedaal achteruit wordt ingedrukt, beweegt de machine achteruit. Als de druk op het pedaal vermindert, remt de machine.
- Gaspedaal (10.E) Vol gas. Minimum.
- Luchtbediening (10:G) Bediening helemaal uitgetrokken (10:G1): smoorklep gesloten. Voor de koude start van de motor. Bediening helemaal ingedrukt (10:G2): smoorklep geopend. Voor koude start en tijdens het rijden.
- Contactslot (10:F) Het contactslot wordt gebruikt om de motor te starten en stil te leggen. Stand Stop. Stand Draaien. Stand Start.
- Aftakas (10:A) Knop voor de inschakeling/uitschakeling van de aftakas.
- Bluetooth (indien voorzien) Sommige modellen zijn voorzien van de Bluetooth-functie die een directe draadloze verbinding mogelijk maakt tussen de machine en een apparaat over een korte afstand. De specieke App moet geïnstalleerd zijn op het apparaat. De bluetooth wordt geactiveerd bij de inschakeling van de machine en wordt gedeactiveerd wanneer de machine wordt uitgeschakeld.
- Hendel voor inschakeling/deblokkering van de overbrenging (11 en 12) Deze hendels staan de toe de machine handmatig (door te duwen of te slepen) te verplaatsen zonder ze in te schakelen. De 2WD is voorzien van een hendel aangesloten op de achteras (11:A). De 4WD is voorzien van twee hendels aangesloten op de achteras (12:A) en de vooras (12:B)NL - 5
- Houders met snelkoppeling (13:C) Deze houders staan toe om gemakkelijk en snel over te gaan van het ene naar het andere accessoire. De spanning van de riem lossen: zie afbeelding 13 en 15. Spanning van de riem: zie afbeelding 13 en 14.
- Olie en benzine bijvullen BELANGRIJK De machine wordt zonder motorolie en brand- stof geleverd. Vooraleer de machine te gebruiken, moet men de aanwezigheid van brandstof en het oliepeil controleren. Voor de modus en de voorzorgsmaatregelen betreende het tanken/bijvullen moeten de voorschriften gevolgd worden die zijn aangeduid in het boekje van de motor.
- Verstelling van de stoel Zie afbeelding 16. De stoel is verstelbaar, en kan naar voor en achter geregeld worden:
2. Verplaats de stoel in de gewenste positie.
3. Sluit de knoppen (16:A) handmatig.
OPMERKING De knoppen (16:A) en de stoel (16:B) worden beschadigd als gereedschappen worden gebruikt.
- Afstelling stuur (17:E) Stuur type “II”: Draai de stelknop (17:D) van het stuur los om het stuur zelf in de gewenste positie te plaatsen. Draai de knop opnieuw vast.
- Afstelling van de maaihoogte (10:B) De schakelaar staat de continue afstelling van de maaihoogte toe. De maaigroep wordt aangesloten op de aansluiting (17:C).
- Bandenspanning Voor de bandenspanning wordt verwezen naar “0 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS”.
- Voorbereiding van de machine voor het werk OPMERKING Met deze machine kan men het gras op ver- schillende wijzen maaien; vooraleer het werk aan te vangen, raadt men aan de machine af te stellen al naargelang de wijze waarop men het gras wil maaien. 5.2. VEILIGHEIDSCONTROLES
- Algemene veiligheidscontroles Object Resultaat Brandstofsysteem en verbindingen. Geen lekken. Elektrische kabels Isolatie volledig intact. Geen mechanische schade. Uitlaat. Geen lekken in de aan- sluitpunten. Alle schroeven vastgedraaid. Object Resultaat Oliecircuit Geen lekken. Geen schade. Activeer de machine in vooruit/achteruit, en laat het gaspedaal los. De machine zal stoppen. Rijtest Geen abnormale trillingen. Geen abnormaal geluid.
- Controles van de veiligheidsinrichtingen Status Actie Resultaat Het pedaal van de bedrijfsrem is niet ingetrapt. Probeer te starten. De motor wordt niet gestart. Motor ingeschakeld. De bediener staat op van de stoel. De motor valt stil.
5.3. GEBRUIK OP HELLEND TERREIN
BELANGRIJK De machine mag niet worden gebruikt op hel- lingen van meer dan 10°, ongeacht de rijrichting. BELANGRIJK Verlaag de snelheid op hellingen en in scher- pe bochten om het kantelen en controleverlies over het voer- tuig te vermijden.
tievelijke zittingen zijn geplaatst.
3. Schakel de aftakas uit (10:A).
4. Houd het rem-/tractiepedaal niet ingedrukt (9:D).
Bij koud opstarten: - Voor modellen 2WD
4. Sluit de lucht (indien voorzien) (10:G1).
5. Draai de contactsleutel, en schakel de machine in.
Bij warm opstarten: - Voor modellen 2WD
4. De luchtbediening moet ingedrukt zijn (10:G2) (indien
OPMERKING Als er moeilijkheden zijn bij het starten, blijf dan niet te lang aanhouden om de accu niet uit te putten en de motor niet te verzuipen. Draai de sleutel weer in de «stop» stand, wacht enkele seconden en probeer opnieuw te starten. Indien het probleem voortduurt, raadpleeg dan hoofdstuk «8» van deze handleiding en de handleiding van de motor.
1. Druk het pedaal helemaal in (9:B) en laat het los.
2. Activeer het pedaal (9:D) om de machine te bewegen.
3. Bereik de werkzone.NL - 6
4. Als frontale accessoires zijn gemonteerd, activeer de
aftakas deactiveren (10:A).
5. Begin de werkzaamheden.
5.5. STOPPEN Om de machine te stoppen:
1. Schakel de aftakas uit (10:A).
2. Schakel de parkeerrem in (9:B).
3. Leg de motor stil door de sleutel te draaien.
4. Sluit de benzinekraan. Deze aanduiding is zeer belangrijk
als de machine op een aanhanger of soortgelijk moet vervoerd worden. De motor kan onmiddellijk na het uitschakelen zeer warm zijn. Raak de knalpot of de delen ernaast niet aan. Gevaar op brandwonden.
- Laat de motor eerst afkoelen vóór de machine in elke willekeurige ruimte op te bergen.
- Voer de reiniging uit (par. 6.3). Elke keer wanneer men de machine onbewaakt laat, de bestuurdersplaats verlaat of de machine parkeert:
2. Plaats de maaigroep op de minimum hoogte.
3. Verzeker u ervan dat alle bewegende delen volledig
4. Verwijder de contactsleutel.
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 1. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Vooraleer eender welke controle, reiniging of ingreep voor onderhoud/afstelling op de machine uit te voeren:
- Zet de machine in de vrijstand.
- Vergewis u ervan dat elk bewegend onderdeel tot stilstand is gekomen.
- Verwijder de contactsleutel.
- Draag geschikte kledij, werkhandschoenen en een beschermende bril. BELANGRIJK Laat de sleutel nooit in het contact zitten of binnen het bereik van kinderen of onbevoegde personen. 6.1. BRANDSTOF BIJVULLEN Voor de hoeveelheid brandstof wordt verwezen naar “0 TA- BEL TECHNISCHE GEGEVENS”. Om te tanken:
1. Draai de brandstofdop (afb.20.A) los, en verwijder hem.
2. Vul brandstof bij zonder het reservoir volledig te vullen.
Laat wat ruimte vrij (tenminste overeenkomend met de ganse vulpijp + 1 - 2 cm aan de bovenkant van de tank) zodat de benzine bij het opwarmen kan uitzetten zonder over te lopen.
3. Schroef de dop van het brandstofreservoir na het bijvullen
goed dicht en reinig eventuele lekken. BELANGRIJK Gebruik alleen loodvrije benzine. Meng de ben- zine niet met olie. BELANGRIJK Vermijd benzine op de plastic delen te gieten zodanig dat ze niet beschadigd worden; bij toevallige lekken onmiddellijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen van de carrosserie of de motor, ver- oorzaakt door benzine.
6.2. CONTROLE EN BIJVULLEN MOTOROLIE
OPMERKING Voor het type van olie wordt verwezen naar de paragraaf “0 TABEL TECHNISCHE GEGEVENS”. BELANGRIJK Volg alle voorschriften aangeduid in de ge- bruikershandleiding van de motor. Controleer het oliepeil voor ieder gebruik.
1. Maak schoon rond de stok.
2. Draai de stok los en verwijder hem.
3. Maak de stok schoon:
4. Steek de stok helemaal in zonder hem vast te draaien.
5. Verwijder de stok opnieuw en controleer het oliepeil.
6. Vul bij als het peil lager is dan de bovenlimiet (18).
- Algemene aanwijzingen Reinig de machine na ieder gebruik volgens de volgende aanwijzingen:
- Gebruik geen waterstralen en vermijd de motor en de elektrische onderdelen nat te maken.
- Verwijder grasresten en opgezamelde aarde binnenin het chassis.
- Verzeker u er steeds van dat de luchtgaten vrij zijn van afval.
- Gebruik geen agressieve vloeistoen om het chassis te reinigen.
- Houd de motor vrij van gewasresten, bladeren of overtollig vet om brandrisico te vermijden.
1. Reinig de koelluchtinlaat van de motor (18:A).
2. Start, na het reinigen met water, de machine en de mon-
tage van het daarop geïnstalleerde maaimechanisme om het water te verwijderen dat anders de lagers zou kunnen binnendringen en schade zou kunnen veroorzaken. 6.4. ACCU Lees met aandacht de oplaadprocedures die in de handleiding van de accu staan en volg ze op. Als deze procedures niet in acht worden genomen of als de accu niet wordt opgeladen, kan er zich onherstelbare schade voordoen aan de elementen van de accu. Een lege accu moet zo snel mogelijk opgeladen te worden. Opladen via de motor:
1. In geval van een nieuwe accu moeten de accukabels
2. Parkeer de machine buiten.
3. Schakel de motor in volgens de instructies in deze
4. Laat de motor 45 ononderbroken draaien (de nodige
tijd om de accu helemaal op te laden).
5. Leg de motor stil.
Laad op via de acculader. BELANGRIJK Het opladen dient uitgevoerd te worden met gelijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen kunnen de accu op een onherstelbare manier beschadigen.NL - 7
6.5. ONDERHOUD VAN HET MAAIMECHANISME
Raak de maai-inrichting niet aan totdat de
in een Gespecialiseerd centrum.
gehandhaafd. Gebruik steeds originele inrichtingen, met de code aangegeven in de tabel 'Technische Gegevens'.
2. plaats de maaigroep op de maximale hoogte;
3. schakel de machine uit en haal de contactsleutel weg
4. schakel de transmissie uit (par. 4).
Wanneer men de machine met een wagen of aanhangwagen vervoert, moet men:
- opritten gebruiken met geschikte weerstand, breedte en lengte;
- de machine laden met de motor uitgeschakeld, met de contactsleutel uit het stopcontact van de machine, zonder bediener, duwend, en met een geschikt aantal personen;
- de brandstofkraan sluiten (indien voorzien);
- de snijgroep omlaag brengen;
- de machine zo plaatsen dat ze geen gevaar veroorzaakt;
- schakel de transmissie in (par. 4);
- haar stevig aan het vervoermiddel bevestigen met koorden of kettingen om te vermijden dat ze kantelt met mogelijke schade als gevolg. 7.2. STALLING Wanneer de machine gedurende meer dan 30 dagen opgeborgen moet worden:
- Laat de motor afkoelen
- Maak de kabels van de accu los en bewaar de accu op een frisse en droge plek.
- Ledig de brandstoftank en volg de instructies van de handleiding van de motor.
- Reinig de machine zorgvuldig.
- Controleer of de machine geen schade vertoont. Contacteer, indien nodig, het geautoriseerde dienstcentrum. Berg de machine op:
- met de maaigroep omlaag;
- in een droge omgeving;
- beschermd tegen slechte weersomstandigheden;
- indien mogelijk bedekt met een doek;
- buiten bereik van kinderen;
- na zich ervan verzekerd te hebben de sleutels of gereedschappen die voor het onderhoud gebruikt werden, verwijderd te hebben. Wanneer de machine weer in werking gezet wordt:
- controleer of er uit de slang, de benzinekraan en de carburateur geen benzine lekt:
- bereid de machine voor zoals aangegeven in hoofdstuk "5 Gebruik van de machine". OPMERKING De accu moet minstens één keer per maand volledig worden opgeladen, en altijd voordat de activiteit wordt hervat. OPMERKING Zorg ervoor dat de machine geen gevaar ople- vert bij mogelijk toevallig of onopzettelijk contact met personen, kinderen of dieren.NL - 8
1. De startmotor draait niet. De accu is onvoldoende opge-
laden. Laad de accu op. De accu is niet goed aangeslo- ten. Controleer de aansluitingen Zekering 5:A verbrand Vervang de zekering
2. De startmotor draait maar de
motor wordt niet gestart Met de contactsleutel in de start- positie draait de startmotor maar wordt de motor niet gestart. Brandstofkraan gesloten. Open de brandstofkraan. Geen benzinetoevoer. - Controleer het benzinepeil. - Controleer de brandstolter. Ontstekingsdefect. - Controleer de bevestiging van de bougiekap. - Controleer dat de elektroden niet vuil zijn en of hun onderlinge afstand juist is.
3. Een moeilijke start of een onre-
gelmatige werking van de motor. Problemen in de verbranding. Reinig of vervang de luchtlter.
4. Tijdens het maaien is er
krachtverlies van de motor. De rijsnelheid is te hoog ten opzichte van de maaihoogte. Verminder de voortbewegingssnel- heid en/of verhoog de maaihoogte.
5. De motor slaat af, zonder
aanwijsbare reden. - De brandstof is op. - Probeer de motor opnieuw te starten. Tank benzine. Als het probleem aanhoudt, moet een erkend assistentiecentrum gecontacteerd worden.
6. Onregelmatig maaiwerk. Controleer de bandenspanning.
De maai-inrichtingen zijn niet scherp genoeg. Contacteer een erkend servicecen- trum. Hoge voortbewegingssnelheid ten opzichte van de hoogte van het te maaien gras. Verminder de voortbewegingssnel- heid en/of verhoog de maaihoogte. De maaigroep is vol met ge- maaid gras. - Wacht tot het gras droog is. - Reinig de maaigroep.
7. Abnormale trillingen tijdens het
gebruik. - Onbalans van de maai-inrich- tingen. - Maai-inrichtingen gelost. - Geloste delen. - Eventuele schade. Contacteer een erkend assisten- tiecentrum om controles, vervan- gingen of herstellingen te laten uitvoeren.
8. Wanneer het aandrijfpedaal
wordt ingedrukt bij draaiende motor, beweegt de machine niet vooruit. Hendel «ontkoppeling overbren- ging» in ontkoppelingsstand. Schakel de overbrenging in. Als een van de onderstaande problemen optreedt, vervangt u de betreende zekering.
9. Geen elektrische functie actief.
I. Umiestnenie poistiek
EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A) 1. Het bedrijf 2. Verklaart onder zijn eigen verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) Motor: benzinemotor 3. Voldoet aan de specificaties van de richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type 4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen i) Snijbreedte n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum ES ( Traducción del Manual Original)
Notice-Facile