Combi 748 SE - Grasmaaier STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Combi 748 SE STIGA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Combi 748 SE - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Combi 748 SE van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING Combi 748 SE STIGA
Motor - GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing .........................................
[8b] Deze meetresultaten voor CO₂ betreen metingen vol- gens een vaste testcyclus onder laboratoriumomstan- digheden, gedaan op een (basis)motor die represen- tatief is voor het betrokken motortype (de betrokken motorfamilie); zij impliceren of vormen geen enkele ga- rantie voor de prestaties van een bepaalde motor.
HANDLEIDING LEZEN In de tekst van de handleiding worden enkele hoofdstukken, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de motor beschadigd of dat er schade veroorzaakt wordt. Het symbool wijst op een gevaar. Het niet naleven van de waarschuwing leidt tot mogelijke letsels voor uzelf of derden en/of tot schade.
De afbeeldingen in deze gebruiksinstructies zijn genummerd: 1, 2, 3, enzovoort. De componenten aangegeven in de afbeeldingen zijn gemarkeerd met de letters A, B, C, enzovoort. Een referentie naar het component C in afbeelding 2 wordt aangegeven met het opschrift: “Zie afb. 2.C” of gewoon “(Afb. 2.C)”. De afbeeldingen zijn indicatief. De eectieve onderdelen kunnen afwijken ten opzichte van de afgebeelde onderdelen.
De handleiding is in hoofdstukken en paragrafen onderverdeeld. De titel van de paragraaf “2.1 Voorbereiding” is een subtitel van “2. Veiligheidsnormen”. De referenties naar titels of paragrafen zijn aangegeven met de afkorting hfdst. of par. en het betreende nummer. Voorbeeld: “hfdst. 2” of “par. 2.1”.
Lees deze instructies aandachtig vooraleer de machine te gebruiken. Zorg dat u vertrouwd bent met de commando's en met een geschikt gebruik van de machine.
AANDACHT!: LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG
VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN. Bewaar de handleiding om die later opnieuw te kunnen raadplegen.
3.1 Beschrijving van de machine en beoogd
4.3 De motor op het einde van de
werkzaamheden stoppen ...................... 6
5.2 Tabel met onderhoudswerkzaamheden 6
5.3 ACCU (indien voorzien)......................... 7
5.4 De olie verversen .................................. 8
5.5 Reiniging van de geluiddemper en van
de motor ................................................ 8
5.6 Onderhoud van de luchtlter ................. 8
5.7 Controle en onderhoud van de bougie .. 8
6. IDENTIFICATIE VAN PROBLEMEN .............. 92
Leer de motor snel af te zetten. Het niet naleven van de waarschuwingen en van de instructies kan brand veroorzaken en/of ernstige letsels. Bewaar alle waarschuwingen en de instructies om ze later te kunnen raadplegen.
- Laat de machine nooit gebruiken door kinderen of personen die niet de nodige vertrouwdheid met de instructies hebben. De plaatselijke wetten kunnen een minimale leeftijd voor de gebruiker bepalen.
- De machine nooit gebruiken indien de gebruiker moe is of zich onwel voelt, of als die medicijnen, verdovende middelen, alcohol of stoen heeft ingenomen die schadelijk zijn voor zijn reectievermogen en aandacht.
- Denk eraan dat de bediener of gebruiker verantwoordelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die anderen of hun eigendommen kunnen betreen.
2.2 HANDELINGEN VOORAF
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
- De machine niet gebruiken als u geen geschikte kledij draagt.
- Draag geen wijde of gescheurde kledij, sieraden of andere voorwerpen die kunnen blijven haperen; lang haar moet opgebonden worden. Blijf op een veilige afstand tijdens het opstarten.
- Draag gehoorbescherming tegen het lawaai. Werkzone / Machine
- Vooraleer de motor te starten, moet u controleren of alle commando's zijn uitgeschakeld die bewegende onderdelen van de machine aansturen. Explosiemotoren: brandstof
- Waarschuwing: de brandstof is licht ontvlambaar. Voorzichtig hanteren! – Bewaar de brandstof altijd in geschikte recipiënten. – Voer het tanken of bijvullen uit met behulp van een trechter; doe dit altijd in openlucht en rook niet tijdens het bijtanken. – Voer het bijvullen uit vooraleer de motor aan te zetten. De dop van de tank niet openen en niet bijvullen wanneer de motor aan staat of als die nog warm is. – Indien er brandstof overloopt, mag u de motor niet starten. Verwijder de machine uit de zone waar er brandstof is gemorst en neem alle sporen van gemorste brandstof op de machine of op de grond onmiddellijk weg – Schroef de dop van de tank van de recipiënten met brandstof goed aan. – Vermijd dat brandstof met kledij in contact komt. Als dit toch gebeurt, moet u eerst andere kledij aantrekken vooraleer de motor te starten.
- De machine niet gebruiken in omgevingen met ontplongsgevaar, waar ontvlambare vloeistoen, gassen of stof aanwezig is. Elektrische contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken doen ontstaan, die stof of dampen kunnen doen ontbranden.
- Start de motor niet in gesloten ruimten waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan concentreren. Het opstarten moet in openlucht of op een goed verluchte plaats plaatsvinden. Denk er altijd aan dat uitlaatgassen giftig zijn.
- Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. Kinderen moeten door een andere volwassene in het oog worden gehouden. Gedragsregels
- Vooraleer reparaties, reinigingen, inspecties en afstellingen uit te voeren, moet u de motor uitzetten en de kabel ban de bougie losmaken (tenzij in de instructies expliciet andere aanwijzingen worden gegeven).
- De delen van de motor niet aanraken, omdat die tijdens het gebruik erg heet worden. Gevaar voor brandwonden. Gebruiksbeperkingen
- De machine niet gebruiken als de beschermingen onvoldoende zijn of als de veiligheidsvoorzieningen niet correct geplaatst zijn.
- De aanwezige veiligheidssystemen niet uitschakelen of ermee knoeien.
- De afstellingen van de motor niet wijzigen, en de motor niet op een te hoog toerental brengen. Indien de motor op een te hoog toerental draait, neemt het risico voor lichamelijke letsels toe.
- Geen startvloeistoen of andere, analoge producten gebruiken.
- Laat de machine niet zijwaarts overhellen zodat er brandstof uit de dop van de tank van de motor loopt.
- Laat de motor niet zonder bougie draaien.
2.4 ONDERHOUD, OPSLAG
EN TRANSPORT Een goed onderhoud uitvoeren en de machine correct opslaan komt de veiligheid van de machine ten goede. Defecte of versleten onderdelen moeten worden vervangen en mogen nooit gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet-originele en/of niet correct gemonteerde reserveonderdelen brengt de veiligheid van de machine in gevaar. Dit kan ongevallen en lichamelijke letsels veroorzaken en ontheft de constructeur van elke verplichting of verantwoordelijkheid. Onderhoud
- Indien de tank moet worden leeggemaakt, moet u dit in openlucht doen wanneer de motor is afgekoeld.
- Om brandgevaar te beperken, moet u regelmatig controleren of er geen olie en/of brandstof lekt.3 Opslag
- Laat geen brandstof in de tank als de machine in een gebouw wordt opgeslagen waar de dampen van de brandstof met vrije vlammen, vonken of warmtebronnen in contact kunnen komen.
- Laat de machine eerst afkoelen vooraleer u die in een gesloten ruimte opbergt. Transport
- Vervoer de machine met lege tank.
2.5 ACCU / ACCULADER
(INDIEN VOORZIEN) BELANGRIJK De hierna volgende veiligheidsnormen vervolledigen de veiligheidsvoorschriften die aangegeven zijn in de specieke handleiding van de accu en van de acculader die samen met de machine afgeleverd worden.
- Gebruik voor het laden van de accu enkel de door de fabrikant geleverde acculaders. Een niet geschikte acculader kan leiden tot elektroshock, oververhitting of lekken van de corrosieve vloeistof van de accu.
- Gebruik enkel de specieke accu's die voor uw toestel voorzien zijn. Het gebruik van andere accu's kan leiden tot letsels en risico op brand.
- Houd de niet gebruikte accu ver van kantoorklemmetjes, muntstukken, sleutels, spijkers of andere kleine metalen voorwerpen die een kortsluiting van de contacten zouden kunnen veroorzaken. Een kortsluiting van de contacten van de accu kan tot brand leiden.
- Gebruik de acculader niet in een omgeving waar er stoom aanwezig is, met ontvlambare materialen of op gemakkelijk ontvlambare oppervlakten zoals papier, stof, enz. Tijdens het opladen, wordt de accu opgewarmd en zou brand kunnen veroorzaken.
- Tijdens het vervoer van de accu’s, moet men er op letten dat de contacten onderling niet in contact komen, en dat er geen metalen houders gebruikt worden voor het vervoer.
2.6 MILIEUBESCHERMING
De milieubescherming moet een belangrijk, prioritair aspect zijn tijdens het gebruik van de machine, ten voordele van de sociale samenleving en van het milieu waarin we leven. Vermijd om een storend element te zijn ten overstaan van de buren. Gebruik de machine enkel op redelijke uren (niet 's ochtends vroeg of 's avonds laat wanneer dit andere personen zou kunnen storen). Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op het milieu; Deze afvalstoen mogen niet zomaar worden weggegooid, maar moeten gescheiden worden en naar de voorziene inzamelcentra worden gebracht, die zullen instaan voor de recyclage van deze materialen. Volg nauwkeurig de lokale normen op voor de afdanking van het afval Wanneer de machine buiten dienst wordt gesteld, mag u die niet in het milieu achterlaten. Wendt u tot een inzamelcentra, volgens de geldende plaatselijke normen. Gooi elektrische apparatuur niet bij het gewoon huishoudelijk afval. Volgens de Europese Richtlijn 2012/19/UE inzake elektrisch en elektronisch afval en de toepassing ervan overeenkomstig de nationale wetgeving, moet de afgedankte elektrische apparatuur apart ingezameld worden voor recyclagedoeleinden. Indien de elektrische apparatuur afgedankt wordt op een afvalpark of in de ondergrond, kunnen de schadelijke stoen de waterlaag bereiken en in de voedingsketen terecht komen, met nadelige gevolgen voor uw gezondheid en welzijn. Voor meer informatie over de afdanking van dit product, contacteer de instantie die bevoegd is voor de verwerking van het huishoudelijk afval of raadpleeg uw Verkoper. Aan het einde van hun levensduur, moet men de accu's met de nodige zorg voor het milieu afdanken. De accu bevat materialen die gevaarlijk zijn voor U en voor de omgeving. Ze moet verwijderd worden en gescheiden ingezameld worden nabij een structuur die lithium-ion-accu's aanvaardt. De gescheiden inzameling van gebruikte producten en verpakkingen staat recycling en hergebruik van de materialen toe. Het hergebruik van gerecycled materiaal helpt de vervuiling van het milieu te voorkomen en vermindert de vraag naar grondstoen.
Het verbrandingsproces genereert giftige stoen zoals koolmonoxide, stikstofoxiden en koolwaterstoen. De controle over deze stoen is belangrijk omdat ze kunnen reageren op fotochemische smog en dus op de directe blootstelling aan het zonlicht. Koolmonoxide reageert niet op dezelfde wijze op blootstelling aan het zonlicht, maar moet desondanks als giftig worden beschouwd. Onze machines zijn uitgerust met emissiebeperkingssystemen voor bovengenoemde stoen.
Deze machine is een explosiemotor. De motor is een toestel waarvan de prestaties, normale werking en levensduur door vele factoren worden bepaald; sommige factoren zijn externe factoren, andere zijn strikt verbonden4 met de kwaliteit van de gebruikte producten en met de regelmaat van het onderhoud. Hierna wordt bijkomende informatie verstrekt, aan de hand waarvan een bewuster gebruik van uw machine kan worden gemaakt. Ieder ander gebruik dat afwijkt van bovenstaande toepassingen, kan gevaarlijk zijn en schade voor personen en/of voorwerpen veroorzaken. BELANGRIJK Wanneer de machine oneigenlijk wordt gebruikt, vervalt de garantie en wijst de constructeur alle verantwoordelijkheid af; alle onkosten voor eigen schade of letsels of aan derden worden bijgevolg op de gebruiker verhaald.
3.1.1 Type gebruiker
Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, dit betekent door niet-professionele bedieners. Het is bestemd voor “hobby-gebruik”.
3.2 VEILIGHEIDSSIGNALERINGEN
Op de machine staan verschillende symbolen. Deze dienen om de bediener te herinneren aan de gedragsregels die gevolgd moeten worden, om de machine met de nodige aandacht en voorzichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen: Let Op! - Benzine is brand- baar. Laat de motor minstens 2 minuten afkoelen voor bij te tanken. Let op! Lees de aanwijzingen door voordat de machine wordt gebruikt. Let Op! Bij de motoren komt koolmonoxide vrij. NIET starten in gesloten ruimtes. Gevaar! Houd voldoende afstand van de hete opper- vlakken.
3.3 IDENTIFICATIE-ETIKET
Schrijf het serienummer (S/n) van uw machine op in de voorziene ruimte van het etiket dat u op de achterkant van de omslag vindt.
3.4 ONDERDELEN VAN DE MOTOR
De machine bestaat uit de volgende belangrijkste onderdelen (afb. 1 ). A. Olievuldop met peilstok B. Carburator C. Afdekking van de luchtlter D. Bougiekapje E. Serienummer van de motor F. Knop van de startkabel (indien voorzien) G. Accu (indien voorzien)
3.5 OMGEVINGSCONDITIES
De werking van een viertakt verbrandingsmotor wordt beïnvloed door: a) Temperatuur: – Als bij lage temperatuur gewerkt wordt, kunnen er zich moeilijkheden bij een koude start voordoen. – Als bij erg hoge temperatuur gewerkt, wordt kunnen er zich moeilijkheden bij een warme start voordoen veroorzaakt door de verdamping van de brandstof in het bakje van de carburator of in de pomp. – In ieder geval moet het soort olie aangepast worden aan de gebruikstemperatuur. b) Hoogte: – Het maximale vermogen van een verbrandingsmotor neemt progressief af naarmate de hoogte boven de zeespiegel groter wordt. – Wanneer de hoogte aanzienlijk toeneemt, moet u daarom de belasting op de machine verminderen en bijzonder zware werkzaamheden vermijden.
De goede kwaliteit van de brandstof is onontbeerlijk voor de correcte werking van de motor. De brandstof moet aan de volgende vereisten voldoen: a) Gebruik reine, verse brandstof zonder lood, met minimum 90 octaan; b) Gebruik geen brandstof met een ethanolge- halte van meer dan 10%; c) Voeg geen olie bij; d) Gebruik een stabilisator om het carburatiesys- teem te beschermen tegen de vorming van harsafzettingen. Het gebruik van niet toegestane brandstof leidt tot beschadiging van de onderdelen van de motor en tot verval van de garantie. OPMERKING Gebruik uitsluitend de brandstof die in de tabel met technische gegevens is aangegeven. Gebruik geen andere soorten brandstof. U mag wel ecologische brandstoen gebruiken, zoals alkylaatbenzine. De samenstelling van deze benzine heeft minder invloed op mensen en het milieu. Er zijn geen negatieve eecten gesignaleerd die met het gebruik hiervan in verband kan worden gebracht. In de handel bestaan er echter soorten alkylaatbenzine, waardoor wij geen nauwkeurige aanwijzingen kunnen verstrekken wat betreft het gebruik ervan.5
Gebruik altijd olie van goede kwaliteit, en kies de gradatie in functies van de gebruikstemperatuur.
- Gebruik alleen detergentolie met een kwaliteit van minstens SF-SG.
- Kies de SAE-viscositeitsgraad op basis van de tabel met technische gegevens.
- Het gebruik van multigraad olie kan een groter verbruik in de warme periodes met zich meebrengen, het oliepeil moet dan vaker gecontroleerd worden.
- Meng geen oliesoorten van verschillende merken of met verschillende kenmerken.
- Het gebruik van SAE 30 olie bij temperaturen onder +5°C kan schade aan de motor aanrichten doordat de smering niet voldoende is.
De eciëntie van de luchtlter is bepalend om te vermijden dat er zich restjes en stofdeeltjes door de motor worden aangezogen, waardoor de prestaties en de levensduur afnemen.
- Zorg er voor dat het lterelement vrij van restjes blijft en altijd perfect eciënt is (par. 5.6).
- Indien nodig moet u het lterelement vervangen door een origineel reserveonderdeel Niet-compatibele lterelementen kunnen de eciëntie en de levensduur van de motor aantasten.
- Start de motor nooit wanneer het lterelement niet correct gemonteerd is.
De bougies voor verbrandingsmotoren zijn niet allemaal gelijk.
- Gebruik alleen bougies van het aangegeven type, voorzien van de juiste thermische gradatie.
- Let op de lengte van het draadje; een te lang draadje kan de motor onherstelbaar beschadigen.
- Controleer de reinheid en de correcte afstand tussen de elektroden (par. 5.7)
Het beste is om telkens een aantal controles te verrichten voordat de motor wordt gebruikt, om een goede werking te garanderen.
4.1.1 Controle van het oliepeil
3. Schroef de dop (afb. 2.A) los, reinig het
uiteinde van de peilstok (afb. 2.B) en steek die in de olie door de dop op de opening te laten rusten zonder aan te schroeven, zoals geïllustreerd in de afbeelding : – in geval van een korte peilstok moet de dop geplaatst worden zonder hem vast te draaien, – in geval van een lange peilstok moet één draai vastgedraaid worden en daarna opnieuw losgedraaid worden,
4. Neem de dop met de peilstok opnieuw
weg en controleer of het oliepeil tussen de twee streepjes «MIN» en «MAX» staat.
5. Indien nodig bijvullen met olie van dezelfde
soort tot aan het «MAX»-niveau, let erop dat u geen olie naast de vuldop morst
6. Schroef de dop (afb. 2.A) weer
volledig vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie. OPMERKING Vul geleidelijk bij door kleine hoeveelheden olie toe te voegen en controleer telkens het bereikte niveau. Niet bijvullen tot over het «MAX»-niveau Een te hoog peil kan volgende problemen veroorzaken:
- rook bij de uitlaat;
- verzuipen van de bougie of van de luchtlter, waardoor de motor moeilijk start. OPMERKING Houdt u aan de aanwijzingen in de tabel met technische gegevens voor de te gebruiken soort olie.
4.1.2 Controle van de luchtlter
De eciëntie van de luchtlter is een noodzakelijke conditie voor de correcte werking van de motor; start de motor niet indien het lterelement ontbreekt, stuk is of niet voldoende doordrongen is met olie.
2. Verwijder het deksel (afb. 4.A) door de lipjes
(afb. 4.B) los te haken;
3. Controleer de staat van het lterelement (afb.
4.C o 4.C.1), dat intact, rein en in perfect wer- kende staat moet zijn; verricht er anders onder- houd aan of vervang het (zie 5.6).
4. Monteer de afdekking (afb. 4.A) opnieuw.
4.1.3 Brandstof bijvullen
De handelingen om brandstof bij te vullen staan beschreven in de handleiding van de machine en worden hier enkel vermeld. Om brandstof bij te vullen:
1. Draai de brandstofdop (afb.3.A)
los, en verwijder hem.
2. Plaats de trechter in de opening. (afb.3.B)
3. Vul met brandstof en neem daarna
de trechter weg (afb.3.B)
4. Op het einde van het bijvullen moet
u de dop van de brandstof (afb.3.A) goed aanschroeven en eventuele gemorste vloeistof wegnemen. BELANGRIJK Vermijd om brandstof te gieten op de plastic onderdelen van de motor of van de machine om schade aan deze delen te vermijden; reinig onmiddellijk alle sporen van eventueel gemorste brandstof. De garantie dekt geen schade aan plastic onderdelen veroorzaakt door brandstof.6
Sluit het kapje (afb. 5.A) van de kabel stevig aan op de bougie (afb. 5.B), zorg er voor dat er vanbinnen in het kapje en op de aansluitklem van de bougie geen sporen van vuil zijn.
4.1.5 Controle van de staat van
de lading van de accu Zie paragraaf 5.3.2
4.2 START VAN DE MOTOR
Het opstarten van de motor moet plaatsvinden volgens de werkwijzen aangegeven in de handleiding van de machine; zorg er altijd voor om alle inrichtingen (indien voorzien) los te koppelen die de machine kunnen doen vooruitgaan of de motor kunnen doen stoppen. BELANGRIJK Niet werken op hellingen van meer dan 20°, om de correcte werking van de motor niet te beïnvloeden BELANGRIJK Voor de modellen met start via accu moet gecontroleerd worden dat de accu correct in de specieke zitting is geplaatst (par. 5.3.3)
1. Zet de motor af volgens de aanwijzingen
in de handleiding van de machine.
2. Wanneer de motor is afgekoeld, ontkoppelt u
het kapje (afb. 5.A) van de bougie en neemt u de contactsleutel (indien voorzien) weg.
3. Verwijder resten van de motor en in het
bijzonder van de zone van de uitlaatdemper, om brandgevaar te vermijden.
4.4 REINIGING EN OPSLAG
- Gebruik geen waterstralen of hogedrukreinigers om de buitenkant van de motor schoon te maken.
- Gebruik bij voorkeur een persluchtpistool (max. 6 bar) maar vermijd dat er resten en stof binnendringen.
- Stal de machine (met de motor) op een droge, voldoende geventileerde plaats beschermd tegen weersomstandigheden.
4.5 LANGDURIGE INACTIVITEIT
Indien u voorziet dat de motor langer dan 30 dagen niet gebruikt zal worden (bijvoorbeeld op het einde van het seizoen), moet u enkele voorzorgen nemen zodat de motor daarna zonder problemen opnieuw in dienst kan worden gesteld.
- Start de motor en houdt deze in gang totdat hij stilvalt, om alle brandstof die in de tank en in de carburator gebleven is te verbruiken, om te vermijden dat er zich binnenin bezinksel vormen.
- Verwijder de bougie en giet circa 3 cl zuivere motorolie in het gat van de bougie; terwijl u het gat met een vod dichthoudt, laat u de startmotor kort starten zodat de motor enkele toeren draait en de olie over het interne oppervlak van de cilinder wordt verdeeld. Monteer ten slotte de bougie opnieuw, zonder het kapje van de kabel te monteren.
Elke poging om aan het emissiebeperkingssysteem te knoeien kan het emissieniveau tot boven de wettelijke limiet verhogen. Hieronder wordt verstaan het verwijderen of wijzigen van onderdelen zoals het inlaatsysteem, het brandstofsysteem en het uitlaatsysteem.
De veiligheidsnormen die u tijdens de onderhoudswerkzaamheden moet volgen, staan beschreven in par. 2.4. Alle controles en onderhoudsinterventies moeten uitgevoerd worden terwijl de machine stilligt en de motor uit staat. Ontkoppel de bougie en lees de betreende instructies vooraleer een interventie voor reiniging of onderhoud aan te vatten. Trek geschikte kledij, handschoenen en een veiligheidsbril aan vooraleer onderhoudsinterventies uit te voeren.
- De frequenties en de aard van de interventies zijn samengevat in de “Tabel met onderhoudswerkzaamheden”.
- Het gebruik van niet-originele reserveonderdelen en accessoires kan negatieve gevolgen hebben voor de werking en de veiligheid van de machine. De constructeur wijst alle verantwoordelijkheid af in geval van schade of letsels veroorzaakt door deze producten.
- De oorspronkelijke reserveonderdelen worden geleverd door bevoegde assistentiecentra en door erkende verkopers. BELANGRIJK Alle handelingen voor onderhoud en afstelling die niet in deze handleiding staan beschreven, moeten door uw verkoper of door een gespecialiseerd centrum worden uitgevoerd.
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN BELANGRIJK Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de machine om de onderhoudswerkzaamheden uit te voeren die in de onderstaande tabel staan beschreven.7 BELANGRIJK Maak hem vaker schoon bij gebruik onder zware omstandigheden of wanneer de lucht sterk verontreinigd is. OPMERKING Bij gebruik van de machine op zeer stoge ondergronden moeten de lters vaker worden schoongemaakt / vervangen. Handeling Na de eerste 5 werkuren Iedere 5 werkuren of na ieder gebruik Iedere 50 werkuren of op het einde van het seizoen Iedere 100 werkuren Controle van het oliepeil (par. 4.1.1)
Verversing van de olie
Reiniging van de geluiddemper en van de motor (par. 5.5)
Controle en reiniging van de lucht
Vervanging van de luchtlter (par. 5.6)
Vervang de olie iedere 25 uur als de motor volledig belast of bij hoge temperaturen werkt.
Maak de luchtlter vaker schoon als de machine in stoge zones werkt.
Enkel voor het patroonlterelement.
5.3 ACCU (INDIEN VOORZIEN)
Het is fundamenteel om de accu zorgvuldig te onderhouden voor een duurzaam bestaan. De accu van uw machine dient steeds te worden opgeladen:
- bij het eerste gebruik na de aankoop van de machine;
- alvorens elke langdurige periode van inactiviteit (meer dan 30 dagen) (par. 4.5);
- vóór de machine na een lange periode van stilstand opnieuw in gebruik te nemen. BELANGRIJK In geval van langdurig niet- gebruik, moet men de accu om de twee maanden opladen, om de duur ervan te verlengen. Als deze procedures niet in acht worden genomen of als de accu niet wordt opgeladen, kan er zich onherstelbare schade voordoen aan de elementen van de accu. Een lege accu moet zo snel mogelijk opgeladen te worden. BELANGRIJK Het opladen mag enkel met de bijgeleverde acculader uitgevoerd worden (afb. 7.C). Andere oplaadsystemen kunnen de accu op een onherstelbare manier beschadigen.
5.3.1 Verwijdering en opladen van de accu
Om ze te verwijderen:
- Druk op de knop op de accu, en schuif ze naar boven (afb. 6.A). Om ze op te laden:
- Verwijder de rubberen dop onderaan de accu (afb. 7.B)
- verbind de acculader (afb. 7.C) aan een stopcontact, met een spanning die overeenstemt met wat aangegeven is op het plaatje van de acculader.
- Zodra de accu is aangesloten, zal de controlelamp oplicht die aanduid dat de accu wordt opgeladen (afb. 7.F): als het licht rood is wordt opgeladen, als het groen wordt is de accu helemaal opgeladen. OPMERKING De accu is voorzien van een bescherming die de herlading ervan verhindert indien de omgevingstemperatuur niet tussen 0 en +45°C is. OPMERKING De accu kan op eender welk moment, ook gedeeltelijk, opgeladen worden zonder risico op beschadiging.
5.3.2 Controle van de staat van
de lading van de accu De accu is voorzien van een systeem waarmee de staat van de accu kan gecontroleerd worden (afb. 7.D). Druk op de knop (afb. 7.E) zodat de lichten worden geactiveerd die de restlading van de accu aanduiden:
- drie groene lichten en een rood licht: 100% tot 78% lading
- twee groene lichten en een rood licht: 77% tot 55% lading
- een groen lichten en een rood licht: 54% tot 33% lading
- een rood licht: minder dan 32% restlading, laad zo snel mogelijk op.
van het elektrisch netwerk;
3. plaats de accu (afb. 1.G) in de zitting en duw
ze helemaal naar onder (afb. 6.B) tot een8 “klik” wordt gehoord die ze in positie blokkeert en het elektrische contact garandeert;
5.4 DE OLIE VERVERSEN
Houdt u aan de aanwijzingen in de tabel met techni- sche gegevens voor de te gebruiken soort olie. BELANGRIJK Laat de olie af terwijl de motor nog warm is, maar let erop de hete onderdelen van de motor of de afgelaten olie niet aan te raken. Wat het te gebruiken type olie gebruikt, gelieve de aanwijzingen in het relatief hoofdstuk te raadplegen. BELANGRIJK Laat de olie af terwijl de motor nog warm is, maar let erop de hete onderdelen van de motor of de afgelaten olie niet aan te raken. a) Zet de grasmaaier op een een ondergrond. b) Controleer of de brandstoftank niet vol is en of de dop goed dicht is. c) Reinig de zone rond de vuldop (afb. 2.A.). d) Schroef de dop los (afb. 2.A). e) Voorzie een gepast recipiënt (afb. 8.B) om de olie op te vangen. f) Leg de grasmaaier op de rechterzijde om de olie uit de vulopening (afb. 8) te laten lopen. g) Zet de machine weer overeind en vul nieuwe olie bij (zie par. 4.1.1). h) Controleer op de oliepeilstok (afb. 2.B) of het olie- peil tot aan «MAX» staat. j) Doe de dop weer dicht en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie.
De geluiddemper moet schoongemaakt worden ter- wijl de motor koud is. a) Verwijder van de geluiddemper (9) en van zijn bescherming (9) alle resten afvalmateriaal of vuil of wat dan ook brand kan veroorzaken. Doe dit bij voorkeur met een borstel of met perslucht. b) Reinig de lipjes van de cilinder en de kop (afb. 9 C) om de afkoeling te bevorderen en te voorko- men dat de motor oververhit. c) Ga met een spons (afb. 9.D) gedrenkt in water en reinigingsproduct over de onderdelen in plastic.
5.6 ONDERHOUD VAN DE LUCHTFILTER
Het lterelement moet altijd goed schoon gehouden worden en moet vervangen worden indien kapot of beschadigd. a) Reinig de zone rond de afdekking (afb. 4.A) van de lter. b) Verwijder het deksel (afb. 4.A) door de lipjes (afb. 4.B) los te haken. c) Verwijder het lterelement (afb. 4.C of 4.C.1). d) Sluit het aanzuigkanaal (afb. 4.E) met behulp van een vod om te voorkomen dat er vuil in raakt. e) Voer het onderhoud van het lterelement uit zo- als hieronder aangegeven voor de verschillende types. f) Maak de binnenkant van het ltervak (afb. 4.D) vrij van stof, afvalmateriaal en vuil en let erop dat die niet in het aanzuigkanaal (afb. 4.E) terechtkomen. g) Plaats het lterelement (afb. 4.C of 4.C.1) in de zitting en sluit het deksel (g. 4.B).
- Filterelement van badstof (afb. 4.C) Het lterelement moet altijd schoon en doordrongen zijn met olie; vervang het wanneer het stuk is, er scheuren in zitten of stukjes verbrokkeld zijn. BELANGRIJK Gebruik geen perslucht voor de reiniging van het lterelement. – Was het lterelement van badstof met water en een reinigingsproduct en droog af met een schone doek. – Doordrenk het lterelement met 2 eetlepels schone moorolie en knijp hem enkele keren uit om de olie gelijkmatig te verdelen. – Verwijder eventuele overtollige olie met een schone doek. Bij vervanging van het lterelement, moet de nieuwe lter geolied worden zoals hierboven beschreven.
- Patroonlterelement (afb. 4.C.1) – Blaas met perslucht vanaf de binnenkant om stof en afvalmateriaal te verwijderen.
met een stiftsleutel (afb. 10.B).
2. Reinig de elektroden (afb. 10.C) met
een metalen borstel om eventuele koolstofaanslag weg te nemen.
3. Controleer de correcte afstand
tussen de elektroden (0,6 - 0,8 mm) met een diktemeter (afb. 10.D).
4. Monteer de bougie (afb. 10.A) opnieuw en
zet stevig vast met een stiftsleutel (afb. 10.B). Vervang de bougie als de elektroden verbrand zijn of als de keramiek kapot of gebarsten is. Brandgevaar! De startinstallatie niet controleren als de bougie niet in zijn zitting aangeschroefd is. BELANGRIJK Gebruik uitsluitend bougies van het aangegeven type (zie Tabel met technische gegevens).9
1. Startmoeilijkheden
Geen brandstof Controleren en bijvullen (hfdst. 5.1.3) Oude brandstof en bezinksel in de tank Maak de tank leeg en giet verse brandstof erin Onjuiste startprocedure Voer het opstarten correct uit (par. 5.2 en par. 5.3) Bougie losgekoppeld Controleer of het kapje goed op de bougie is vastgezet (par. 5.1.4) Bougie nat of elektroden van de bougie vuil of op onjuiste afstand Controleren (par. 6.6) Verstopte luchtlter Controleren en reinigen (par. 6.5) Olie niet geschikt voor het seizoen Vervang door geschikte olie (par. 6.3) Verdamping van de brandstof in de carburator (vapor lock) wegens te hoge temperaturen Wacht enkele minuten en probeer daarna om opnieuw te starten (par. 5.3) Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum Accu leeg Laad de accu weer op (par. 5.3.1) Accu niet correct geplaatst Plaats de accu weer op (par. 5.3.3)
2. Onregelmatige werking.
Elektrodes van de bougie vuil of niet op de juiste afstand Controleren (par. 6.6) Kapje van de bougie niet goed aangebracht Controleer of het kapje stabiel is aangebracht (par. 5.1.4) Verstopte luchtlter Controleren en reinigen (par. 6.5) Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum
tijdens het werken Verstopte luchtlter Controleren en reinigen (par. 6.5) Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum Indien de problemen niet verdwijnen na het toepassen van de beschreven oplossingen, moet u met uw verkoper contact opnemen..1
Notice-Facile