2000i - Generator AL-KO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 2000i AL-KO in PDF-formaat.
| Producttype | Generator |
| Merk | AL-KO |
| Model | 2000i |
| AC uitgangsspanning | 230 V |
| DC uitgangsspanning | 12 V |
| Frequentie | 50 Hz |
| Nominaal vermogen | 2000 W |
| Brandstoftype | Loodvrije benzine |
| Brandstoftankcapaciteit | 4 L |
| Aanbevolen motorolie | SAE 10W-30 |
| Motoroliecapaciteit | 0,35 L |
| Technologie | Inverter (omvormer) |
| Startsysteem | Startkabel |
| ESC-functie (Engine Smart Control) | Ja |
| Waarschuwingslampjes | Oliewaarschuwing (rood), overbelasting (rood), AC (groen) |
| Laag oliepeil beveiliging | Automatische motorstopp |
| DC-stroomonderbreker | Ja, resetbaar |
| Aantal AC-stopcontacten | 1 |
| Aantal DC-stopcontacten | 1 |
| Periodiek onderhoud | Olie verversen elke 20 uur, luchtfilter elke 100 uur, bougie elke 300 uur |
| Gebruik | Huishoudelijk, buitenshuis |
Veelgestelde vragen - 2000i AL-KO
Gebruikersvragen over 2000i AL-KO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Generator in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 2000i - AL-KO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 2000i van het merk AL-KO.
GEBRUIKSAANWIJZING 2000i AL-KO
1 Over deze gebruiksaanwijzing...... 28
1.1 Symbolen op de titelpagina...... 28
1.2 Verklaring van pictogrammen en sig-
naalwoorden.... 29
2 Productomschrijving 29
2.1 Beoogd gebruik 29
2.2 Mogelijk afzienbaar foutief gebruik..... 29
2.3 Overige risico's.... 29
2.4 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen 29
2.5 Symbolen op het apparaat 29
2.6 Productoverzicht (01) 30
3 Veiligheidsinstructies .... 30
4 Ingebruikname 31
4.1 Potentiaalvereffening maken (02) ..... 31
4.2 Bedrijfsmiddelen bijvullen.... 32
4.2.1 Veiligheid bij het bijvullen van benzine en olie 32
4.2.2 Bedrijfsmiddelen 32
4.2.3 Benzine bijvullen (03) 32
4.2.4 Motorolie bijvullen (04- 07) ...... 32
5 Bediening.... 33
5.1 Motor starten (08 - 12) 33
5.2 Waarschuwings- en controlelampjes (13).... 33
5.2.1 Waarschuwingslampje olie - rood (13/1) 33
5.2.2 Controlelampje overbelasting - rood (13/2) 33
5.2.3 Wisselstroom (AC) controlelamp-
je - groen (13/3) 34
5.3 Gelijkstroom (DC) beveiligingsschakelaar (14) 34
5.4 Apparaat aansluiten 34
5.5 Apparaat loskoppelen 34
5.6 Auto-accu 12 V aansluiten om op te laden .... 34
5.7 Motor uitschakelen (15 - 17) ...... 34
6 Onderhoud en verzorging.... 35
6.1 Onderhoudsintervallen 35
6.2 Olie verversen 35
6.3 Zeef brandstoftank reinigen (18) ...... 36
6.4 Bougie vervangen (19, 20) ...... 36
7 Hulp bij storingen.... 36
8 Transport.... 37
9 Opslag.... 37
10 Verwijderen 37
11 Klantenservice/service centre 37
12 Garantie.... 37
1 OVER DEZE GEBRUIKSAANWIJZING
De Duitse versie is de originele gebruiksaanwijzing. Alle andere taalversies zijn vertalingen van de originele gebruiksaanwijzing.
Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodat u erin het antwoord op uw vragen kunt terugvinden wanneer u informatie over de machine nodig heeft.
Draag de machine alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere personen over.
■ Lees en neem de veiligheids- en waarschu-wingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.
1.1 Symbolen op de titelpagina
Symbool Betekenis

Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.

Gebruiksaanwijzing

Gebruik het benzineapparaat niet in de buurt van open vlammen of hittebronnen.
1.2 Verklaring van pictogrammen en signaalwoorden
⚠ GEVAAR! Wijst op een direct gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt.
⚠ WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet verme- den wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden.
⚠️ VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan leiden.
LET OP! Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële schade kan leiden.
i OPMERKING Speciale aanwijzingen voor meer duidelijkheid en een beter gebruik.
Dit apparaat is bedoeld voor de aansluiting van afzonderlijke elektrische apparaten voor particulier gebruikt. De lengte van de aansluitleidingen moet zo kort mogelijk worden gehouden. Bij het starten van de generator mogen er geen apparaten aangesloten zijn.
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Ieder ander gebruik alsmede niet-toege- stane verbouwingen of uitbreidingen worden voor misbruik aangezien en hebben de uitsluiting van de garantie en het verlies van de conformiteit en de weigering van iedere verantwoordelijkheid voor schade van de gebruiker of van derden van de fabrikant tot gevolg.
Voor de geplande aansluiting op installaties als verwarming, campers of caravans moet er beslist een elektrotechnisch deskundige geraadpleegd worden.
De generator wordt met loodvrije benzine aangedreven.
2.2 Mogelijk afzienbaar foutief gebruik
Het apparaat is reglementair niet bedoeld voor commerciële, ambachtelijke of industriele toepassingen. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid als het apparaat in commerciële, ambachterlijke en industriele bedrijven of op bouwplaatsen en in soortgelijke omgevingen wordt gebruikt.
De generator is niet geschikt voor de stroomvoorziening van gebouwen.
Ook bij doelmatig gebruik van het gereedschap blijft sprake van een zeker restrisico dat niet kan worden uitgesloten. Uit de aard en de bouwwijze van het apparaat kunnen, afhankelijk van het gebruik, de volgende potentiële gevaren worden afgeleid:
■ Gevaar voor een elektrische schok bij:
■ niet correct uitgevoerde beschermingspotentiaalvereffening
■ niet aangesloten externe aardlekschakelaars (FI resp. RCD)
isolatiefouten in aangesloten elektrische apparaten
■ overschrijding van de maximum kabel-
lengte
Bepaalde onderdelen van de generator worden tijdens het bedrijf erg heet en blijven ook na het uitschakelen van de generator heet.
■ Uit de uitlaatgasdemper stromen hete uitlaatgassen.
2.4 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen
⚠ WAARSCHUWING! Gevaar voor letsel.
Defecte en buiten werking gestelde veiligheids- en beschermingsapparatuur kunnen ernstig letsel veroorzaken.
Laat defecte veiligheids- en beschermingsapparatuur repareren.
■ De veiligheids- en beschermingsuitrusting nooit buiten werking stellen.
2.5 Symbolen op het apparaat
Symbool Betekenis

Wees bijzonder voorzichtig bij de hantering!

Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing!

Risico op vergiftiging door uitlaatgassen!
Symbool Betekenis

Gebruik het apparaat niet in gesloten of slecht geventileerde ruimten (bijv. garages).

Er is gevaar voor elektrocutie en kortsluiting.

Brandgevaar! Ga bij het hanteren met benzine en olie bijzonder voorzichtig te werk!

Laat het apparaat afkoelen voordat u het met brandstof of olie vult!

Draag gehoorbescherming!

De generator mag niet op het huis- houdelijke elektriciteitsnet worden aangesloten!

Neem bij werkzaamheden aan de generator alle apparaten los.

Aansluiting voor potentiaalverfeffening
2.6 Productoverzicht (01)
Apparaat
Nr. Onderdeel
1 Draaghandgreep
2 Ontluchtingsventiel tankdop
3 Tankdop
4 Bedieningspaneel
5 Starter met trekkoord
6 Motorafdekking
7 Ventilatierooster
Nr. Onderdeel
8 Uitlaatgasdemper
9 Onderhoudsklep bougies
Bedieningspaneel
Nr. Onderdeel
10 Olie-waarschuwingslampje
11 Controlelampje overbelasting
12 Controlelampje wisselstroom (AC)
13 ESC (Engine Smart Control)
14 Draaischakelaar STOP/START/CHOKE
15 AC-uitgang 230 V
16 Aansluiting voor potentiaalvereffening
17 DC-uitgang 12 V
18 Gelijkstroom (DC) beveiligingsschakelaar
3 VEILIGHEIDSINSTRUCTIES
■ Gevaar voor elektrische schok! Gebruik het apparaat niet bij regen, natheid of een hoge luchtvochtigheid.
- Gebruik het apparaat uitsluitend in onberispelijke hoedanigheid! Controleer voor iedere inbedrijfstelling of het apparaat onbeschadigd is en er geen elektrische kabels open liggen.
■ Bewaar de machine met benzine in de tank nooit in een ruimte waarin benzinedampen met open vuur, een hete bron of vonken in aanraking kunnen komen.
■ Houd vuil, benzine en olie uit de buurt van motor, uitlaat, accubak en brandstoftank.
Plaats geen brandbare of licht ontvlambare voorwerpen of materialen in de buurt van de uitlaatlevel.
- Gebruik het apparaat niet in gesloten of slecht geventileerde ruimten (bijv. garages). Gebruik het apparaat niet in onderaardse ruimten. De uitlaatgassen bevatten giftig koolmonoxide en andere schadelijke stoffen.
■ De generator mag niet op het huishoudelijke elektriciteitsnet worden aangesloten!
■ De generator moet veilig geaard zijn.
■ Derden uit de gevarenzone houden!
■ De gebruiker is verantwoordelijk voor ongevallen met andere personen en hun eigendom.
■ Kinderen of andere personen die de gebruikershandleiding niet kennen, mogen de machine niet gebruiken.
Zorg er tijdens de werking voor dat er geen kinderen in de buurt van het apparaat komen of zijn en dat ze niet met het apparaat spe- len.
■ Neem de plaatselijke voorschriften in acht in-zake de minimumleeftijd van de bediener.
Bedien het apparaat niet als u onder invloed staat van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
■ Draag doelmatige werkkleding:
lange broek
■ stevige schoenen met antislipzool
■ gehoorbescherming
Let altijd op standveiligheid, vooral op hellingen oneffen ondergrond.
■ Werk alleen bij daglicht of bij een goede kunstmatige verlichting.
■ Neem de nationale voorschriften voor de gebruiksduur in acht.
■ Laat het bedrijfsgerede apparaat niet zonder toezicht achter.
- Gebruik het apparaat en de aan te sluiten apparaten nooit als de veiligheidsvoorzieningen beschadigd zijn. Controleer het apparaat voor ieder gebruik op beschadigingen en laat beschadigde onderdelen vervangen.
■ Controleer het apparaat op beschadigingen en laat beschadigde delen repareren, voordat u het opnieuw inschakelt.
Zet in de volgende gevallen de motor af, wacht totdat het apparaat stilstaat en trek de bougiestekker uit:
■ na het verlaten van het apparaat
na het optreden van storingen
bij storingen en abnormale trillingen aan het apparaat
voor transport
■ Sluit de bougiestekker aan en start de motor:
na het verhelpen van storingen (zie storingstabel) en de controle van het apparaat
■ na het reinigen van het apparaat
■ U mag tijdens het bijvullen van benzine of motorolie niet eten of drinken.
■ Adem de benzinedampen niet in.
- Til de machine nooit op met een draaiende motor.
■ Controleer alle bedieningselementen, veiligheidsvoorzieningen, moeren, schroeven en bouten van het apparaat op volledigheid, stevige montage en onberispelijke hoedanigheid.
- Gebruik geen blanke draad voor de aansluiting van elektrische apparaten - gebruik hiervoor altijd een passende kabel en stekker.
Houd bij gebruik van verlengkabels of een mobiele verdeelkast de maximaal toelaatbare kabellengte aan:
bij ∅ 1,5 mm²: max. 60 m
bij ∅ 2,5 mm²: max. 100 m
4 INGEBRUIKNAME
4.1 Potentiaalvereffening maken (02)
Bij het aansluiten van een enkel elektrisch apparaat wordt de veilige werking door opbouw en functie van de generator gegarandeerd. Hij kan door een elektrotechnische leek in bedrijf worden gesteld omdat er geen potentiaalvereffening gemaakt hoeft te worden en er voor de inbedrijfstelling geen controle noodzakelijk is.
Bij het aansluiten van meerdere elektrische apparaten moet de generator met een veiligheidspotentiaalvereffening op een potentiaalvereffeningsrail worden aangesloten. De potentiaalvereffeningskabel moet een geïsoleerde koperen draad zijn die ten minste 2,5 mm ^2 ∅ bij een mechanisch beschermde of ten minste 4 mm ^2 ∅ bij een onbeschermde ligging heeft. Deze werkzaamheid moet door een elektrotechnisch deskundige worden uitgevoerd.
De generator heeft geen interne aardlekschakelaar (FI resp. RCD).
Bij slechts één aangesloten apparaat is er geen aardlekschakelaar of scheidingstransoformator noodzakelijk.
■ Ieder verder aangesloten apparaat heeft een eigen externe aardlekschakelaar nodig (30 mA).
■ Ieder verder aangesloten apparaat met een groter elektrisch risico moet i.p.v. met een aardlekschakelaar (30 mA) via een scheidingstransformator aangesloten worden.
Alle via een meervoudig stopcontact aangesloten apparaten moeten een eigen aardlekschakelaar (30 mA) hebben.
- Moer (02/1) rechtsom losdraaien.
- Het gestripte uiteinde van de kabel onder de moer drukken.
- Moer aandraaien om het kabeluiteinde in te klemmen.
- Het andere uiteinde van de kabel met de potentiaalvereffeningsrail verbinden.
4.2 Bedrijfsmiddelen bijvullen
4.2.1 Veiligheid bij het bijvullen van benzine en olie

GEVAAR! Levensgevaar door vergifti-
ging. De uitlaatgassen van de motor bevatten koolmonoxide, dat voor een mens binnen enkele minuten dodelijk kan zijn.
■ Laat de motor nooit draaien in gesloten ruimten, maar altijd uitsluitend in de buitenlucht.
■ Adem geen uitlaatdampen in.
■ Schakel de motor uit wanneer u tijdens het gebruik misselijk, duizelig of onwel wordt. Raadpleeg onmiddellijk een arts.
■ Bewaar benzine en motorolie uitsluitend hiervoor bedoelde tanks en blikken.
■ Vul en leeg benzine en motorolie alleen bij een koude motor en buiten.
■ Vul benzine en motorolie niet bij een draaiende motor.
■ Doe de tank niet te vol omdat benzine uit kan gaan zetten.
■ Niet roken tijdens het tanken.
■ De tankdop niet openen wanneer de motor draait of nog heet is.
■ De tank of tankdop bij beschadiging vervangen.
■ Tankdop altijd stevig sluiten.
■ Wanneer er benzine is gemorst:
De motor niet starten.
■ Startpogingen voorkomen.
■ Apparaat grondig reinigen.
Laat de motor voor een nieuwe vulling met benzine afkoelen en voorkom morsen.
Gemorste brandstof kan op kunststof onderdelen beschadigingen veroorzaken. Veeg de brandstof meteen af. De garantie dekt geen schade, die is veroorzaakt door op de kunststofonderdelen gemors- te brandstof.
■ Wanneer er motorolie is gemorst:
■ De motor niet starten.
Uitgelopen olie met oliebindmiddel of een doek opzuigen en volgens de richtlijnen verwijderen.
■ Apparaat grondig reinigen.
OPMERKING Doe afgewerkte motorolie milieuvriendelijk weg! Wij adviseren om afgewerkte olie in een gesloten reservoir bij een recycling-centrum of een klantenservice af te geven. Afgewerkte olie niet:
■ via het huisvuil verwijderen
■ in het riool of in een afvoer gieten
■ op de grond gooien
4.2.2 Bedrijfsmiddelen
Voor de inbedrijfstelling moet u het apparaat bijtanken.
| Benzine Motorolie | ||
| Soort Normale | ben-zine / loodvrij | SAE 10W-30 |
| Vulhoeveelheid | 4 | 0,35 l | |
4.2.3 Benzine bijvullen (03)
⚠ GEVAAR! Explosie- en brandgevaar. Bij het ontsnappen van een benzine-luchtmengsel ontstaat potentieel explosieve atmosfeer. Door een ondeskundige omgang met brandstoffen kunnen deze ontsteken, exploderen en ontbranden, wat tot zwaar letsel en zelfs sterfgevallen kan leiden.
■ Rook nooit, terwijl u met benzine werkt.
■ Werk uitsluitend in de buitenlucht met benzine en nooit in afgesloten ruimten.
- Draai de tankdop los en leg hem op een schone plek neer.
- Vul benzine met een trechter bij:
■ alleen tot aan de rode lijn bijvullen (03/1)
■ max. vulpeil (03/2)
- Sluit de tankvulopening stevig af en reinig hem.
4.2.4 Motorolie bijvullen (04- 07)
- Plaats het apparaat op een vlakke ondergrond.
- Draai de schroeven los (04/1).
- Verwijder de motorafdekking (04/2).
-
Draai de olievuldop los en leg hem op een schone plek neer (05/1).
-
Vul de olie met een trechter bij (06).
Opmerking: Ga het maximum vulpeil niet te boven (07). - Sluit de olievulopening stevig af en reinig hem.
- Plaats de motorafdekking weer terug en schroef hem vast.
5 BEDIENING
5.1 Motor starten (08 - 12)
GEVAAR! Levensgevaar door vergifti- ging. De uitlaatgassen van de motor bevatten koolmonoxide, dat voor een mens binnen enkele minuten dodelijk kan zijn.
■ Start en gebruik de motor alleen buiten.
- Gebruik de motor nooit in gesloten ruimten, ook niet bij geopende ramen en deuren.
■ Adem geen uitlaatdampen in.
Schakel de motor uit wanneer u tijdens het gebruik misselijk, duizelig of onwel wordt. Raadpleeg onmiddellijk een arts.
⚠️ VOORZICHTIG! Risico op letsel! Terugslagrisico: Het trekkoord kan sneller naar de motor terugspringen dan dat het startkoord kan worden losgelaten.
■ Houd rekening met een plotselinge ruk als u aan het startkoord heeft getrokken.
De tijd tussen de verschillende startpogingen dient 10 seconden te zijn om te voorkomen dat de startaccu te snel ontlaadt.
- Choke bedienen (08):
Bij een koude start de draaiknop naar CHOKE draaien.
Bij een bedrirjfswarm apparaat de draai-knop naar ON draaien.
Opmerking: Als het apparaat bij de tweede startpoging nog steeds niet start, de draaiknop op CHOKE-stand zetten.
- Zet de ESC-schakelaar op OFF (09).
- Zet de ontluchtingsklep van de tankdop op ON (10).
- Starter met trekkoord bedienen (11):
■ Trek het trekkoord langzaam uit het apparaat totdat het gespannen is.
■ Het trekkoord vlot uittrekken en vervolgens weer rustig laten terugrollen.
Opmerking: Als het apparaat bij de tweede startpoging nog steeds niet start, volgt u de instructies voor de choke.
- Zet ongeveer na 30 seconden na de start van de motor de draaiknop op ON (12).
ESC-functie (Engine Smart Control) (09)
Bij het starten van de motor met ESC-schakelaar op ON en geen aangesloten verbruikers aan de generator:
Bij een omgevingstemperatuur van beneden de 0 °C draait de motor om warm te draaien met nominaal toerental (5000 min ^-1 ) gedurende 5 minuten.
Bij een omgevingstemperatuur van beneden de 5 °C draait de motor om warm te draaien met nominaal toerental (5000 min ^-1 ) gedurende 3 minuten.
Na deze periode regelt de ESC-functie het motortoerental afhankelijk van de aangesloten apparaten en de hiermee gepaard gaande belasting, tot een dienovereenkomstig noodzakelijk bedrijfstoerental.
Als de ESC-schakelaar op OFF wordt gezet, draait de motor met nominaal toerental (5000 min ^-1 ), onverschillig of er elektrische apparaten zijn aangesloten.
De ESC-schakelaar moet op OFF staan als elektrische apparaten zijn aangesloten die een sterke opstartstroom nodig hebben (bijv. compressor of dompelpomp).
5.2 Waarschuwings- en controlelampjes (13)
5.2.1 Waarschuwingslampje olie - rood (13/1)
Als het oliepeil onder het minimum daalt gaat het waarschuwingslampje branden en de motor stopt automatisch. Om de motor weer te kunnen starten moet er olie bijgevuld worden.
5.2.2 Controlelampje overbelasting - rood (13/2)
Het controlelampje overbelasting gaat branden als een overbelasting door een aangesloten elektrisch apparaat wordt gedetecteerd, als de inverter-besturingseenheid oververhit raakt of als de wisselstroom uitgangsspanning stijgt. De stroom-opwekking wordt gestopt om de generator en alle aangesloten elektrische apparaten te beschermen. Het groene wisselstroom (AC) controle-lampje (13/3) brandt niet meer. De motor draait verder.
- Schakel alle aangesloten elektrische apparaten uit.
-
Zet de motor uit
-
Reduceer de totale belasting van de aangsloten apparaten tot onder het maximale nominale uitgangsvermogen van de generator (d.w.z. apparaten loskoppelen).
- Controleer het ventilatierooster en het bedieningspaneel op vuil en reinig het indien nodig.
- Start de motor na de controle opnieuw.
i OPMERKING Bij gebruik van elektrische apparaten die een sterke opstartstroom nodig hebben (bijv. compressor of dompelpomp), kan het controlelampje voor overbelasting een paar seconden gaan branden. Dat is geen verkeerde functie.
5.2.3 Wisselstroom (AC) controlelampje - groen (13/3)
Het wisselstroom (AC) controlelampje brandt als de motor draait en er stroom wordt opgewekt.
5.3 Gelijkstroom (DC) beveiligingsschakelaar (14)
De gelijkstroom (DC) beveiligingsschakelaar schakelt automatisch om naar OFF als het elektrische vermogen van de aangesloten apparaten boven de bedrijfsstroom ligt. Om de generator weer te kunnen gebruiken, de gelijkstroom (DC) beveiligingsschakelaar indrukken om hem op ON te zetten.
Als de gelijkstroom (DC) beveiligingsschakelaar omschakelt naar OFF reduceert u het totale vermogen van de aangesloten apparaten tot onder het maximale nominale vermogen van de generator (d.w.z apparaten loskoppelen).
Als de gelijkstroom (DC) beveiligingsschakelaar op OFF blijft staan, dient u contact op te nemen met servicepunt van de fabrikant.
5.4 Apparaat aansluiten
Het totale vermogen van alle aangesloten elektrische apparaten mag het maximale nominale vermogen van de generator niet overschrijden.
- Controleer of het wisselstroom (AC) controle-lampje brandt.
- Apparaat op de contactdoos van de generator aansluiten.
Bij het aansluiten van meerdere apparaten eerst één apparaat aansluiten en dan pas het volgende apparaat aansluiten en inschakelen.
5.5 Apparaat loskoppelen
- Apparaat van de contactdoos van de generator loskoppelen.
5.6 Auto-accu 12 V aansluiten om op te laden
⚠ WAARSCHUWING! Brand- en explosiegevaar bij het opladen. Een verkeerd aangesloten auto-accu kan ontploffen en ernstig letsel veroorzaken.
■ Verwissel de laadkabels niet bij het aansluiten op de auto-accu.
■ Neem de vermeldingen van de fabrikant voor het laden van de auto-accu in acht.
- Motor starten.
- Acculaadkabel op de DC-uitgang 12 V aan-sluiten.
- Verbind de rode laadkabel met de pluspool (+) van de accu.
- Verbind de zwarte laadkabel met de minpool (-) van de accu.
- Zet de ESC-schakelaar op OFF om het laadproces te starten.
5.7 Motor uitschakelen (15 - 17)
Schakel de motor pas uit, nadat de generator 30 seconden zonder belasting (d.w.z. zonder aangesloten apparaten) heeft gedraaid.
- Zet de ESC-schakelaar op OFF (15).
- Apparaat van de contactdoos van de generator loskoppelen.
- Draaiknop op OFF zetten (16).
- Zet de ontluchtingsklep van de tankdop op OFF (17).
⚠️ VOORZICHTIG! Gevaar voor verbranding. Bepaalde onderdelen van de generator worden tijdens het bedrijf erg heet en blijven ook na het uitschakelen van de generator heet.
■ Laat het apparaat voor het transport of een nieuwe inbedrijfstelling afkoelen.
6 ONDERHOUD EN VERZORGING
⚠️ VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. Een draaiende motor kan letsel en elektrische schokken veroorzaken.
■ Schakel voor alle onderhouds- en verzorgingswerkzaamheden de motor uit en neem de bougiestekker los.
■ De motor kan nadraaien. Schakel de motor uit en ga na of de motor stilstaat!
■ Apparaat reinigen na elk gebruik.
Spuit het apparaat niet schoon met water. Binnendringend water kan tot storingen leiden (ontsteking, carburateur, elektrische onderdelen).
■ Defecte geluidsdempers altijd vervangen.
6.1 Onderhoudsintervallen
Vooraf aan elk gebruik
■ Motoroliepeil controleren
Luchtfilter controleren
■ Visuele inspectie op beschadigingen
Na de eerste 20 bedrijfsuren of 1 maand na de inbedrijfstelling
Olie verversen
Om de 100 bedrijfsuren of om de 6 maanden
Luchtfilter reinigen 2)
Olie verversen
■ Bougie reinigen
Om de 300 bedrijfsuren of eenmaal per jaar
■ Bougie vervangen
■ Klepspeiling afstellen 1)
Extra om de 300 bedrijfsuren
Cilinderkop reinigen ^1)
Brandstoftank en brandstofffilter schoonspoelen ^1)
■ Benzineslang vervangen 1)
1) Deze onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door servicecentra en geautoriseerde gespecialiseerde bedrijven.
2) Bij gebruik van de generator in een natte of zeer vuile omgeving, moet de onderhoudswerkzaamheid eerder of vaker worden uitgevoerd.
1) Deze onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door servicecentra en geautoriseerde gespecialiseerde bedrijven. 2) Bij gebruik van de generator in een natte of zeer vuile omgeving, moet de onderhoudswerkzaamheid eerder of vaker worden uitgevoerd.
6.2 Olie verversen
⚠️ VOORZICHTIG! Gevaar voor verbranding. Bepaalde onderdelen van de generator worden tijdens het bedrijf erg heet en blijven ook na het uitschakelen van de generator heet.
■ Laat het apparaat voor het transport of een nieuwe inbedrijfstelling afkoelen.
- Plaats het apparaat op een vlakke ondergrond.
- Start de motor en laat hem ongeveer 5 minu- ten draaien.
- Draaiknop op OFF zetten (16).
- Zet de ontluchtingsklep van de tankdop op OFF (17).
- Draai de schroeven los (04/1).
- Verwijder de motorafdekking (04/2).
- Draai de olievuldop los en leg hem op een schone plek neer (05/1).
- Plaats een opvangbak voor de olie onder het apparaat.
- Kantel het apparaat om de olie volledig weg te laten lopen.
- Plaats het apparaat terug op een vlakke ondergrond.
- Verse motorolie tot aan het maximum vulpeil bijvullen (06, 07).
Let op: Neem vulhoeveelheid en oliesoort in acht (zie Hoofdstuk 4.2.2 "Bedrijfsmiddelen", pagina 32).
Let op: Gevaar voor beschadiging van de motor: Kantel het apparaat bij het vullen niet en vul het niet tot boven het maximum vulpeil. - Sluit de olievulopening met de tankdop stevig af en reinig deze.
- Plaats de motorafdekking weer terug en schroef hem vast.
■ De motor niet starten.
■ Uitgelopen olie met oliebindmiddel of een doek opzuigen en volgens de richtlijnen verwijderen.
■ Apparaat grondig reinigen.
Wanneer er motorolie is gemorst:
i OPMERKING Doe afgewerkte motorolie milieuvriendelijk weg! Wij adviseren om afgewerkte olie in een gesloten reservoir bij een recycling-centrum of een klantenservice af te geven. Afgewerkte olie niet:
■ via het huisvuil verwijderen
■ in het riool of in een afvoer gieten
■ op de grond gooien
6.3 Zeef brandstoftank reinigen (18)
⚠ WAARSCHUWING! Brand- en explosiegevaar. Wanneer brandstof ontsnapt ontstaat een explosief benzine-luchtmengsel. Door een ondeskundige omgang met brandstoffen kunnen deze ontsteken, exploderen en ontbranden, wat tot zwaar letsel en zelfs sterfgevallen kan leiden.
-
Vul de brandstoftank alleen buiten en niet als de motor draait of nog heet is.
■ Rook niet tijdens de hantering met brandstof. -
Draai de tankdop los en leg hem op een schone plek neer.
- Verwijder de zeef van de brandstoftank.
- Reinig de zeef met benzine.
- Wrijf de zeef droog.
- Plaats de zeef terug.
- Sluit de tankopening met de tankdop stevig af en reinig deze.
Wanneer er benzine is gemorst:
■ De motor niet starten.
■ Startpogingen voorkomen.
■ Apparaat grondig reinigen.
■ Laat de motor voor een nieuwe vulling met benzine afkoelen en voorkom morsen.
Gemorste brandstof kan op kunststof onderdelen beschadigingen veroorzaken. Veeg de brandstof meteen af. De garantie dekt geen schade, die is veroorzaakt door op de kunststofonderdelen gemorste brandstof.
6.4 Bougie vervangen (19, 20)
- Verwijder de afdekking op de behuizing (19/1).
- Trek de bougiedop (19/2) los.
- Steek de bougiesleutel (20/1) door de opening op de bougie.
- Draaide oude bougie los.
- Draai de bougie met hand weer in en trek hem daarna vast met een bougiesleutel (aan-haalmoment 20 Nm).
Opmerking: Gebruik het in de technische gegevens vermelde bougietype.
- Monteer de afdekking weer.
7 HULP BIJ STORINGEN
⚠️ VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen!
OPMERKING Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
| Storing Maatregel | |
| Motor slaat niet aan. | Vullen met benzine. |
| Bij een koude start de draaiknop naar CHOKE draaien. | |
| Zet de ontluchtingsklep van de tankdop op ON. | |
| Het olie-waarschuwings-lampje brandt: Vul olie bij. | |
| Bougies controleren, even-tueel vervangen. | |
| Luchtfilter reinigen. | |
| Apparaten loskoppelen. | |
| Motorvermogen wordt minder. | Luchtfilter reinigen. |
| Sommige apparaten los-koppelen.omdat het maxi-mum nominaal vermogen van de generator is over-schreden. | |
| Er wordt geen stroom opge-wekt. | Wisselstroom (AC) contro-lelampje brandt niet: De motor opnieuw starten. |
| Gelijkstroom (DC) beveili-gingsschakelaar staat op OFF: Beveiligingsscshake-laar op ON zetten. |
8 TRANSPORT
⚠ WAARSCHUWING! Brand- en explosiegevaar. Brand en explosie door vrijkomende brandstof en olie en door benzinedampen kunnen ernstig letsel veroorzaken.
- Transporteer de generator altijd veilig en rechtop in de normale bedrijfspositie en zo mogelijk met een lege tank.
-
Til de generator aan de draaggreep op draag hem ook aan de draaggreep.
-
De generator voor het transport met riemen of kabels zo beveiligen dat hij niet kan gaan glijden.
9 OPSLAG
WAARSCHUWING! Brand- en explosiegevaar. Benzine en olie zijn zeer gemakkelijk ontvlambaar. Een brand kan dodelijk letsel tot gevolg hebben.
■ Bewaar het apparaat niet in de buurt van open vuur of warmtebronnen.
■ Bewaar het apparaat niet in een ruimte waar-in met elektrisch gereedschap wordt gewerkt.
■ Laat de motor afkoelen.
Bewaar het apparaat droog en op een plek die ontoegankelijk is voor kinderen en onbevoegde personen.
■ Bewaar het apparaat vorstvrij.
■ Ledig de benzinetank.
■ Bougiestekker uittrekken.
Volgetankte apparaten kunnen tijdens de opslag benzinedampen afgeven. Door de verdamping kunnen benzinerestanten in de carburateur tot het vastplakken van onderdelen leiden en daardoor storingen veroorzaken.
- Pomp de benzine in een geschikte brandstof-tank af.
Generator afdekken
- Plaats de generator op een schone, droge plaats die is beschermd tegen natheid en vocht.
- Dek de generator met geschikte middelen af, zodat er geen vuil of stof in het apparaat terecht kan komen.
10 VERWIJDEREN

Benzine en motorolie horen niet bij het gewone huisvuil of in de riolering, maar moeten afzonderlijk worden weggedaan!
■ Voordat de machine wordt afgedankt moeten de brandstof- en de motorolietank worden geleegd!
■ Verpakking, apparaat en toebehoren zijn vervaardigd van materialen die voor hergebruik geschikt zijn. Verwijder deze daarom dienovereenkomstig.
11 KLANTENSERVICE/SERVICE CENTRE
Voor vragen over garantie, reparatie of reserve-onderdelen kunt u contact opnemen met het dichtstbijzijnde AL-KO service centre. Deze vindt u op internet op het volgende adres: www.al-ko.com/service-contacts
12 GARANTIE
Eventueel binnen de wettelijke garantieperiode optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een vervangend apparaat. De geldende garantieperiode hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft.
Onze garantie geldt alleen bij:
■ naleving van deze gebruiksaanwijzing
■ deskundig gebruik
■ gebruik van originele reserveonderdelen
De garantie vervalt bij:
■ eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
■ eigenhandig aangebrachte technische wijzigingen
- gebruik voor andere doeleinden dan het gebruiksdoel
Van de garantie zijn uitgesloten:
Lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
■ slijtageonderdelen die op de reserveonderde- lenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aan- geduid
De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de datum op de kassabon. Ga met deze garantie-verklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.