ST 6272 P TRAC - Blazer STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis ST 6272 P TRAC STIGA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Blazer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding ST 6272 P TRAC - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. ST 6272 P TRAC van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING ST 6272 P TRAC STIGA
Lopend bediende sneeuwruimer - GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing .........................................
In de tekst van de handleiding worden enkele paragrafen, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de machine beschadigd wordt of dat er schade veroorzaakt wordt. Het symbool wijst op een gevaar. Veronachtzaming van de waarschuwing leidt tot mogelijke persoonlijke letsels of letsels aan anderen en/of schade. De paragrafen die aangegeven zijn met een grijze stippen-boord wijzen op optionele kenmerken die niet aanwezig zijn op alle modellen die in deze handleiding beschreven zijn. Controleer of het kenmerk aanwezig is op het model in kwestie. De aanwijzingen “voor”, “achter”, “rechts” en “links” hebben betrekking op de werkpositie van de bediener.
De afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzingen zijn genummerd 1, 2, 3 enz. De onderdelen die op de afbeeldingen zijn aangegeven, zijn gekentekend met de letters A, B, C enz. Een verwijzing naar het onderdeel C in afbeelding 2 wordt aangegeven met de tekst: “Zie afbeelding 2.C" of eenvoudigweg "(Afb. 2.C)”. LET OP!: VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN, DIENT MEN DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG TE LEZEN. Bewaren voor toekomstige behoeften.
2.4 Onderhoud, stalling en vervoer ............. 3
3. LEER DE MACHINE KENNEN ..................... 4
3.1 Beschrijving machine en beoogd gebruik
3.4 Belangrijkste onderdelen ...................... 5
4. MONTAGE .................................................... 5
4.1 Onderdelen voor de montage ............... 6
4.2 Montage commandokabels
voortbeweging en toevoerschroef ......... 6
4.6 Montage verlengstuk toevoerschroef (ST
5.6 Handvat voor handmatige start ............. 8
5.7 Commando voor elektrische start ......... 8
5.8 Commando voortbeweging ................... 8
5.9 Hendel van het stuur ............................. 8
5.12 Oriëntatie glijvlak en deector (versie
draaiknop) ............................................. 9
5.13 Elektrische oriëntatie glijvlak en deector
6.1 Voorafgaande werkzaamheden ............. 9
6.5 Suggesties voor het gebruik ................ 12
6.6 Na het gebruik ..................................... 12
7.7 Moeren en schroeven voor bevestiging 14
7.8 As van de toevoerschroef .................... 14
De afbeeldingen zijn indicatief. De eectieve delen kunnen wijzigen ten opzichte van wat aangegeven is.
De handleiding is onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. De titel van de paragraaf “2.1 Training” is een ondertitel van “2. Veiligheidsvoorschriften". De verwijzingen naar titels of paragrafen zijn aangegeven met de afkorting hfdst. of par. en het desbetreend nummer. Voorbeeld: “hfdst. 2” of “par. 2.1”.
Lees deze aanwijzingen aandachtig alvorens de machine te gebruiken. Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/of ernstige letsels veroorzaken. Bewaar alle waarschuwingen en instructies om ze in de toekomst te kunnen raadplegen.
- Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt door kinderen of door personen die niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen. De minimale leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn.
- Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of andere stoen ingenomen heeft die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn reactievermogen en aandacht.
- Denk eraan dat de persoon die de machine bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico’s, die het terrein waarop hij moet werken met zich mee kan brengen, te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treen met het oog op zijn eigen veiligheid en die van anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen.
2.2 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
- Gebruik de sneeuwruimer niet zonder geschikte kledij te dragen.
- Draag schoenen die een goede stabiliteit toestaan op gladde oppervlaktes.
- Draag steeds een bril of een vizier tijdens het gebruik, tijdens het onderhoud of tijdens de herstellingen. De werking van aangedreven machines kan vreemde voorwerpen in de ogen doen schieten.
- Gebruik geluiddempende gehoorbescherming. Werkzone / Machine
- Controleer de zone die gereinigd moet worden zorgvuldig en verwijder eventuele duidelijk zichtbare vreemde voorwerpen. Bijvoorbeeld deurmatten, sleeën, planken, draden, enz.
- Controleer of alle commando's die bewegende organen in werking zetten, uitgeschakeld zijn vooraleer de motor op te starten.
- Stel de hoogte van de beschermende carter van de toevoerschroef af om grind- of rotsachtige oppervlaktes te vegen.
- Vooraleer aan te vangen sneeuw te ruimen, moet men wachten tot de motor en de machine zich aan de externe temperatuur aangepast hebben. Benzinemotoren: brandstof
- Waarschuwing: de brandstof is zeer ontvlambaar. Voorzichtig hanteren!
- Bewaar de benzine steeds in geschikte houders.
- Vul enkel benzine bij met een vultrechter en in open lucht; rook niet tijdens deze handelingen.
- Vul de benzine bij vooraleer de motor aan te schakelen. Open de dop van het reservoir niet en vul geen benzine bij wanneer de motor aangeschakeld of nog warm is.
- Indien er brandstof lekt, mag men de motor niet opstarten, maar moet men de machine uit de zone halen waar de brandstof gelekt is en onmiddellijk alle sporen van brandstof van de machine of van het terrein reinigen.
- Draai de dop van het reservoir en van de houders van de brandstof goed dicht.
- Zorg ervoor dat de brandstof niet in aanraking komt met de kledij en trek in ieder geval steeds nieuwe kleren aan vooraleer de motor op te starten.
- Gebruik de machine niet in omgevingen met gevaar op ontplong, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistoen, gas of stof.NL - 3 Elektrische contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken veroorzaken die het stof of de dampen kunnen doen ontbranden.
- Schakel de motor niet aan in gesloten ruimtes, waar er zich gevaarlijke koolstofmonoxidedampen kunnen vormen. De machine dient altijd in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte gestart te worden! Denk er altijd aan dat de uitlaatgassen giftig zijn!
- Enkel bij daglicht of met goed kunstmatig licht en bij goede zichtbaarheid reinigen.
- Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. De kinderen moeten onder toezicht van een andere volwassene staan.
- Let bijzonder goed op wanneer de machine gebruikt wordt op grindwegen, voetpaden en straten of wanneer men deze oversteekt. Let op verborgen gevaren.
- Let goed op het verkeer, wanneer de machine dicht bij de straat gebruikt wordt. Gedrag
- Richt de opening van het uitlaatglijvlak niet tegen de wind in, of in de richting van personen, dieren, voertuigen, woningen of iets dergelijks dat schade kan ondergaan door de sneeuw of door de onder de sneeuw verborgen voorwerpen. Laat niemand voor de machine stilstaan.
- Gebruik de sneeuwruimer nooit nabij omheiningen, auto's, vensters, glazen hekken, enz. zonder de deector van het uitlaatglijvlak degelijk afgesteld te hebben.
- Houd handen en voeten op afstand van de roterende organen. Blijf steeds op afstand van de opening van het glijvlak van de sneeuw. Houd het glijvlak steeds schoon.
- Indien de sneeuwruimer tegen vreemde voorwerpen stoot of abnormale geluiden maakt, schakel dan de motor uit, verwijder de sleutel, wacht tot de bewegende delen stil staan en controleer aandachtig de machine om na te gaan of er geen schade is. Trillingen wijzen over het algemeen op een probleem. Herstel eventuele schade alvorens de machine opnieuw te gebruiken.
- Vooraleer van de machine weg te gaan, dient men alle commando's uit te schakelen en de contactsleutel uit zijn zitting op de machine te halen.
- Vooraleer herstellingen, reinigingen, inspecties, afstellingen uit te voeren, moet men de motor uitschakelen, de sleutel verwijderen en wachten tot de bewegende delen stil staan (tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven in de instructies). Ontkoppel de kabels van de elektrische motor. (Optie)
- Raak de delen van de motor die zich tijdens het gebruik opwarmen, nooit aan. Risico op brandwonden.
- Gebruik de machine niet op gladde oppervlakte aan hoge transportsnelheden. Let op wanneer u achteruit rijdt. Kijk achteruit voor en na het achteruit rijden om u ervan te verzekeren dat er geen hindernissen zijn.
- Schakel de toevoerschroef uit wanneer de machine vervoerd of niet gebruikt wordt.
- Verzeker u er steeds van dat u een goed evenwicht hebt en het handvat stevig vast hebt. Stap, loop nooit. Beperkingen voor het gebruik
- Gebruik de machine nooit dwars op een helling. Ga steeds van boven naar beneden, en vervolgens van beneden naar boven. Wees voorzichtig wanneer u van richting verandert op een helling. Vermijd steile hellingen.
- Gebruik de machine niet indien de beschermingen onvoldoende zijn of indien de veiligheidsinrichtingen niet correct geplaatst zijn.
- De veiligheidsinrichtingen niet uitschakelen of schenden.
- Wijzig de afstellingen van de motor niet, en overbelast hem niet. Indien de motor aan een te hoog toerental werkt, verhoogt het risico op persoonlijke letsels.
- Overbelast de machine niet door ze aan een tè hoge snelheid te laten werken.
- Steek de handen nooit in de aaat of in de toevoerschroef zonder eerst de motor uitgeschakeld te hebben en de sleutel verwijderd te hebben.
2.4 ONDERHOUD, STALLING EN VERVOER
Regelmatig onderhoud en een correcte stalling garanderen de veiligheid van de machine. De defecte of beschadigde onderdelen moeten vervangen en niet gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet originele en/of niet goed gemonteerde onderdelen beïnvloedt de veiligheid van de machine, kan ongelukken of persoonlijk letsel aanrichten en de fabrikant kan hiervoor niet aansprakelijk gesteld worden. Onderhoud
- Indien het reservoir geledigd moet worden, moet dit aan de open lucht en bij koude motor gebeuren.
- Om het risico op brand te verminderen, moet men regelmatig controleren of er geen lekken van olie en/of brandstof zijn.NL - 4 Stalling
- Laat geen brandstof in het reservoir wanneer de machine opgeborgen wordt in een gebouw waar de dampen van de brandstof in contact kunnen komen met vrije vlammen, vonken of hittebronnen.
- Laat de motor afkoelen alvorens de sneeuwruimer in een gesloten ruimte op te bergen.
- Lees steeds de gebruiksaanwijzingen voor belangrijke details indien de sneeuwruimer gedurende een lange periode bewaard moet worden. Vervoer
- Indien de machine op een vrachtwagen of een aanhangwagen vervoerd moet worden, dient men opritten met geschikte weerstand, breedte en lengte te gebruiken.
- Laad de machine met de motor uitgeschakeld, en duw ze op de oprit, met behulp van een geschikt aantal personen.
- Sluit de brandstofkraan (indien voorzien) tijdens het transport en verzeker de machine degelijk aan het transportmiddel met kabels of kettingen.
2.5 BESCHERMING VAN DE OMGEVING
De milieubescherming moet een belangrijk en prioritair aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gunste van de civiele samenleving en de omgeving waarin we leven.
- Wees geen storend element voor uw buren.
- Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, olie, brandstof, lters, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op de omgeving; dit afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
- Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een opvangcentrum gebracht worden, volgens de geldende plaatselijke normen.
Deze machine is een sneeuwruimer De machine is voorzien van een laadschroef, beschermd door een carter, die de sneeuw naar een glijvlak duwt. De toevoerschroef wordt aangedreven door de motor die ook de tractie aan de machine geeft. De machine wordt bediend aan de hand van de bedieningsknoppen op het instrumentenpaneel. De bediener kan de machine bedienen en de belangrijkste commando's inschakelen terwijl hij steeds rechtop blijft staan, op de bedieningsplaats, achter de machine.
3.1.1 Voorzien gebruik
Deze machine is ontworpen en gebouwd voor het ruimen, verwijderen en wegschieten van sneeuw van voetpaden, tuinen, opritten en andere oppervlaktes op het niveau van de grond. De sneeuwruimer mag enkel gebruikt worden om sneeuw te verwijderen.
3.1.2 Onjuist gebruik
Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en schade berokkenen aan personen en/of zaken. De volgende situaties behoren tot het onjuist gebruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend):
- De machine gebruiken op oppervlaktes boven het niveau van de grond, zoals daken van woningen, garages, veranda's of gebouwen.
- De toevoerschroef in werking zetten bij aanwezigheid van andere elementen dan sneeuw (bijvoorbeeld aarde, gras, stenen, enz.).
- Ladingen trekken of duwen;
- Kinderen of andere passagiers te vervoeren. BELANGRIJK Het onjuist gebruik brengt verval van zowel de garantie als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen.
3.1.3 Type gebruiker
Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, d.w.z. door niet professionele bedieners. Ze is bestemd voor een "amateuriëel gebruik". BELANGRIJK De machine mag steeds slechts door een enkele bediener gebruikt worden.
3.2 VEILIGHEIDSSIGNALEN
Er zijn verschillende symbolen op de machine aanwezig (afb. 4 ). Hun taak is de bediener te herinneren aan het gedrag dat hij moetNL - 5 aanhouden om de machine met de nodige aandacht en voorzichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen: LET OP! LET OP! Lees de aanwijzingen alvorens de machine te gebruiken. GEVAAR! Houd handen en voeten op afstand van de draaiende delen. GEVAAR! Wegschietende voorwerpen. De sneeuwuitlaat niet op omstanders of dieren richten. GEVAAR! Draaiende rotor. Blijf steeds op afstand van de uitlaatopening voor de sneeuw. GEVAAR! Het werkgebied vrij houden van personen, kinderen en dieren. LET OP! Verwijder de sleutel en lees de aanwijzingen vóór eender welke onderhoudswerkzaamheid of reparatie te verrichten. GEVAAR! Verboden handen in het uitlaatkanaal te steken wanneer de toevoerschroef in beweging is. Stop de motor alvorens het uitlaatglijvlak verstopt geraakt. GEVAAR! Houd u op afstand van de hete oppervlakken. GEVAAR! Bij de motoren komt koolmonoxide vrij. De machine NIET starten in gesloten ruimtes. GEVAAR! De brandstof is ontvlambaar en explosief. Verwijder de contactsleutel en laat de motor afkoelen alvorens brandstof bij te vullen. GEVAAR! Risico op brand of ontplong. Niet roken, geen vrije vlammen of ontstekingsbronnen gebruiken. GEVAAR! Draag gehoorbescherming. GEVAAR! Draag een veiligheidsbril. BELANGRIJK De beschadigde of onleesbaar geworden labels moeten vervangen worden. Vraag nieuwe labels aan uw eigen geautoriseerd Dienstcentrum.
3.3 IDENTIFICATIELABEL
Het identicatielabel geeft de volgende gegevens aan (afb. 1 ):
5. Toerental van de motor
Schrijf de identicatiegegevens van de machine in de vakjes op het label aan de achterkant van de omslag. BELANGRIJK Gebruik de identicatienamen die aangegeven zijn op het identicatielabel van het product. BELANGRIJK Gebruik de identicatienamen bij ieder contact met de geautoriseerde werkplaats.
3.4 BELANGRIJKSTE ONDERDELEN
De machine bestaat hoofdzakelijk uit de volgende hoofdonderdelen (afb. 1 ): A. Frame B. Instrumentenbord C. Motor D. Reservoir brandstof E. Stekker voor elektrische toevoer F. Handvat voor handmatige start G. Deector H. Uitlaatglijvlak
J. Beschermingscarter toevoerschroef K. Toevoerschroef L. Nivelleringssloen M. Koplampen (optie) N. Wielen/Riemen O. Verlengstuk toevoerschroef (Optie)
Om vervoers- en opslagredenen worden sommige onderdelen van machine niet direct in de fabriek gemonteerd. Zij dienen na het uitpakken gemonteerd te worden aan de hand van de volgende instructies.NL - 6 Het uitpakken en de vervollediging van de montage moeten uitgevoerd worden op een vlakke en stevige ondergrond, met voldoende ruimte voor de verplaatsing van de machine en de verpakkingen, en steeds met behulp van de geschikte instrumenten. Gebruik de machine niet vooraleer de aanwijzingen van de sectie "MONTAGE" teneinde gebracht te hebben. BELANGRIJK De machine wordt zonder motorolie en brandstof geleverd.
4.1 ONDERDELEN VOOR DE MONTAGE
De verpakking bevat de onderdelen voor de montage (afb. 3 ) die in de volgende tabel vermeld zijn: ST 526 S, ST 625, ST 665, ST 665 T, ST 726 T Pos. Beschrijving Hoev. A Versnellingsbak 1 B Bevestigingsschroeven versnellingsbak - C Afstandhouders met schroeven voor bevestiging steel
E Trechter 1 F Veiligheidssleuteltje 1 G Uitlaatglijvlak 1 H Schroeven en zelfblokkerende moeren 3 + 3 ST 767 H Pos. Beschrijving Hoev. A Versnellingsbak 1 B Bevestigingsschroeven versnellingsbak - C Afstandhouders met schroeven voor bevestiging steel
D Handgreep versnellingshendel 1 E Trechter 1 F Veiligheidssleuteltje 1 G Uitlaatglijvlak 1 H Schroeven en zelfblokkerende moeren 3 + 3 I Verlengstuk toevoerschroef 1 J Bevestigingsschroeven verlengstuk toevoerschroef
1. Open de verpakking voorzichtig, let
erop geen onderdelen te verliezen.
2. Raadpleeg de documentatie in de doos,
inclusief deze gebruiksaanwijzingen.
3. Haal alle onderdelen die niet
gemonteerd zijn uit de doos.
4. Haal de sneeuwruimer uit de doos.
5. Voer de doos en de verpakkingen af
volgens de plaatselijke normen.
4.2 MONTAGE COMMANDOKABELS
VOORTBEWEGING EN TOEVOERSCHROEF Haak het oog van de kabel vast (afb. 5.A, afb. 5.B). OPMERKING De kabels zijn reeds op het instrumentenbord gemonteerd.
4.3 MONTAGE VAN DE STEEL
Bij de levering, is het instrumentenbord reeds aan de steel gemonteerd. De schroeven voor de montage van de steel op de machine, de schroeven voor bevestiging van het commando van de versnellingsbak, de schroeven voor bevestiging van het glijvlak en de handvaten van de hendel van de versnelling en van de hendel van de deector worden in een aparte verpakking meegeleverd, in de verpakking van de machine. Ga als volgt te werk voor de montage:
1. Breng de twee uiteinden van de steel
nabij (afb. 6.A) de steun (afb. 6.B).
2. Plaats de afstandhouders (afb. 6 C) en lijn
ze uit ten opzichte van de gaten, rekening houdende met de correcte doorsnede (kleine gleuf naar buiten, grotere gleuf naar buiten).
3. Plaats de schroeven, de rondsels en de
van de hendels Draai elk handvat vast in de schroefstaven van de hendels (afb. 7). Sluit de bevestigingsbout af.
4.4 MONTAGE VERSNELLINGSBAK
1. Plaats het scharnier (afb. 8.A) van het
commando van de versnelling in de opening van de hendel (afb. 8.B) om deze aan de aandrijving te verbinden en te bevestigen met de bout (afb. 8.C).
2. Breng het bovenste deel (afb. 8.D) van het
commando van de versnelling nabij de opening van het onderste deel van de hendel van de versnelling en bevestig het met de pin (afb. 8.E) en de splitbout (vooraf gemonteerd op de hendel van de versnelling) (afb. 8.F).
4.5 MONTAGE GLIJVLAK
1. Plaats het glijvlak (afb. 9.A) op de
ensverbinding (afb. 9.B) zodatNL - 7 de openingen aan de basis van het glijvlak overeenstemmen.
2. Plaats de schroeven met de rondsels in
De oriëntatiekabel heeft als doel het uitlaatglijvlak aan het richthandwieltje op het instrumentenbord te verbinden, om zo het glijvlak in de gewenste richting te kunnen richten.
1. Plaats de kabel (afb. 9.D) en
bevestig de ringmoer op het rotatiesysteem van het glijvlak.
ST 665, ST 665 T, ST 726 T) De oriëntatiekabel van de deector heeft als doel de deector van het glijvlak aan het commando op het instrumentenbord te verbinden, om dit zo omhoog / omlaag te brengen om het in de gewenste richting te kunnen richten.
1. Steek het uiteinde van de richtdraad
blokkeer ze (afb. 10.D).
4. Leid de kabel door de kabelwartel van
de oliedop en zorg ervoor dat u niet in de buurt van de uitlaat komt.
Door de elektrische connectoren voor de oriëntatie van de deector en van het glijvlak te verbinden, geeft men energie aan het systeem, waardoor het glijvlak in de gewenste richting gedraaid kan worden. Bevestig de connectoren voor toevoer aan het instrumentenbord (afb. 11.A), van de oriëntatiekabel van de deector (afb.11.B) en van het glijvlak (afb. 11.C) aan hun koppelingen. Steek de kabel door de draadleider (afb. 11.D) achter de motor.
Het verlengstuk van de toevoerschroef staat toe een grotere hoeveelheid sneeuw in de toevoerschroef op te vangen, en zo het werk te optimaliseren en te versnellen.
1. Plaats het verlengstuk van de
toevoerschroef op het bovenste deel van de toevoerschroef, zoals aangegeven op de afbeelding (afb. 12.A).
2. Plaats de schroeven en de bouten in
De sloen dienen om de afstand van de toevoerschroef ten opzichte van het terrein te regelen, om de schroef niet te beschadigen. De machine wordt met 2 soorten sloen geleverd:
- in metaal: deze moeten gebruikt worden wanneer men op harde of onregelmatige terreinen werkt, die de sloen zouden kunnen beschadigen, zoals bijvoorbeeld asfalt of grindwegen (afb. 13.B).
- in kunststof: deze moeten gebruikt worden op zachtere terreinen, die de sloen niet beschadigen, zoals tuinen of weggetjes (afb.13.C). Voor montage:
Controleer of de sloen aan beide kanten op hetzelfde niveau afgesteld zijn.
Staat toe de motor te stoppen en te starten. De contactsleutel heeft twee standen (afb. 15.A):
1. Sleutel verwijderd - OFF - de motor
stopt en kan niet opgestart worden.
2. Sleutel in - ON - de motor kan opgestart
en in dienst gezet worden. De motor start niet indien de veiligheidssleutel niet volledig ingestoken is. Bij sommige modellen, moet de sleutel ook met de klok mee gedraaid worden om het opstarten mogelijk te maken.NL - 8
De opening van de brandstofkraan staat de verstrekking van de brandstof(afb. 15.B).
1. Tegen de wijzers van de klok in - open.
2. Met de wijzers mee - gesloten.
5.3 COMMANDO VERSNELLING
Stelt het aantal toeren van de motor af. De op het plaatje aangegeven posities stemmen overeen met (afb. 15.C):
1. Vol toerental. Steeds te
gebruiken bij het opstarten van de motor en tijdens de werking.
2. Minimum. Te gebruiken wanneer
de motor warm genoeg is tijdens de parkeerfasen.
3. Stopstand (indien aanwezig).
De machine stopt onmiddellijk.
4. Tussenstand (indien
aanwezig). Wanneer men de gashendel verplaatst naar haas / schildpad, kan men de snelheid verhogen / verlagen en de meest geschikte snelheid kiezen voor de werkbehoeften (hoge sneeuw, oneen terrein, enz.).
Dit wordt gebruikt om de motor koud op te starten. Het commando van de choke heeft twee standen (afb. 15.D): De choke is ingeschakeld (voor koud starten). De choke is uitgeschakeld (normale werking en warm starten).
Druk op het rubberen commando van de primer om brandstof in de zuigcollector van de carburator te spuiten, en zo het opstarten bij koude motor te vereenvoudigen (afb. 15.L).
ELEKTRISCHE START Dit staat de elektrische start van de motor toe (afb. 15.M) wanneer de machine verbonden is aan het elektrisch net met de stekker met drie polen, voorzien van aarding (afb. 15.G).
5.8 COMMANDO VOORTBEWEGING
Dit commando staat de voortbeweging van de machine toe.
1. Breng het commando omlaag
(afb. 14.D) tot dit tegen het handvat voor de voortbeweging komt.
2. Laat het commando los om de
voortbeweging van de machine te stoppen.
5.9 HENDEL VAN HET STUUR
De hendel van het stuur opent een dierentieel vergrendelsysteem voor een gemakkelijkere besturing van de machine. Om naar rechts te draaien, druk op de hendel (afb. 14.H) en richt de machine gelijktijdig naar rechts. Door op de machine te duwen, wordt het rechterwiel of de rechterriem geblokkeerd en kan men naar rechts draaien. Om naar links te draaien, druk op de hendel (afb. 14.I) en richt de machine gelijktijdig naar links. Door op de machine te duwen, wordt het linkerwiel of de linkerriem geblokkeerd en kan men naar links draaien. OPMERKING Afdraaien zonder de hendel te gebruiken is moeilijker. OPMERKING Afdraaien zonder de hendel te gebruiken, kan ervoor zorgen dat de rupsband wegslipt.
5.10 COMMANDO TOEVOERSCHROEF
Dit commando schakelt de rotatie van de toevoerschroef in.
- Om de rotatie van de toevoerschroef in te schakelen, brengt men het commando omlaag (afb. 14.C) tot tegen het handvat.
- Indien enkel het commando van de toevoerschroef ingeschakeld wordt, zal de rotatie van de toevoerschroef stoppen wanneer het commando losgelaten wordt,NL - 9 en zal het commando automatisch naar de oorspronkelijke stand terugkeren. Als het commando van de toevoerschroef samen met het commando voor voortbeweging ingeschakeld wordt, blijft deze ingeschakeld ook nadat hij losgelaten wordt. Hij wordt enkel uitgeschakeld wanneer het commando voor voortbeweging uitgeschakeld wordt (afb. 14.D).
5.11 VERSNELLINGSHENDEL
De machine is voorzien van een versnellingsbak die ingeschakeld kan worden met een hendel (afb. 14.A):
- 6 standen voor de regeling van de vooruitversnelling
- 2 standen voor de regeling van de achteruitversnelling
5.12 ORIËNTATIE GLIJVLAK EN
DEFLECTOR (VERSIE DRAAIKNOP) De rotatie van het uitlaatglijvlak wordt geregeld aan de hand van de knop die toestaat het uitlaatvlak van de sneeuw in de gewenste richting te oriënteren.
- Verdraai het knopje (afb. 14.E) met de klok mee / tegen de klok in om het glijvlak te draaien. De bovenkant en de onderkant van de deector worden bediend aan de hand van de hendel (afb. 14.B). Beweeg de hendel vooruit / achteruit om de deector omlaag / omhoog te brengen.
- Hendel helemaal vooruit = deector laag.
- Hendel helemaal achteruit = deector hoog.
(VERSIE DRUKKNOPPEN) Dit staat toe de uitlaat van de sneeuw in de gewenste richting te oriënteren.
- Druk de toets (afb. 14.L) vooruit en achteruit om de deector te oriënteren (afb. 1.G).
- Duw de toets (afb. 14.M) naar rechts / links om het glijvlak te oriënteren (afb. 1.H).
5.14 SCHAKELAARS KOPLAMPEN EN
VERWARMING HANDVAT (OPTIE) Om de koplampen aan te zetten, brengt men de schakelaar naar stand I (afb. 14.F).
- Koplampen aan = schakelaar op stand I. Om de verwarming van het handvat aan te schakelen, duwt men de schakelaar naar stand I (afb. 14.G).
- Verwarming aan = schakelaar op stand I.
Pedaal (afb. 16.A) voor de afstelling van de werkhoogte van de toevoerschroef.
- Pos. 1 - volledig opgetild. Dit wordt gebruikt voor de verplaatsing van de machine.
- Pos. 2 - werk. De toevoerschroef wordt wordt naar een tussenpositie verplaatst. Dit wordt bij normale werkomstandigheden gebruikt.
- Pos. 3 - nabij de grond. De toevoerschroef is volledig omlaag en dicht bij de grond. Het voorste deel van de riemen blijft opgetild ten opzichte van de grond. Dit wordt gebruikt onder bijzondere omstandigheden (bijv. bevroren sneeuw). Ga als volgt te werk om de hoogte van de toevoerschroef aan te passen:
- Houd met beide handen de geleideknoppen vast.
- Trap het pedaal in en hef / verlaag tegelijkertijd de machine in functie van de in te stellen positie.
- Laat het pedaal los: de machine wordt in de gekozen positie geblokkeerd.
6. GEBRUIK VAN DE MACHINE
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden tijdens het gebruik van de machine zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen.
6.1 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN
Vooraleer de machine te gebruiken, moet men de aanwezigheid van brandstof en het oliepeil controleren. Voor de werkwijzen en de voorzorgsmaatregelen voor het bijvullen van brandstof en olie (zie par. 7.2 en par. 7.3).NL - 10 Alvorens de machine te gebruiken, moet men de hoogte van de sloen afstellen om de machine aan te passen aan de condities van het terrein (zie par. 4.7).
6.2 VEILIGHEIDSCONTROLES
Verzeker u ervan de inhoud ervan begrepen te hebben alvorens verder te gaan. Voer bovendien de volgende veiligheidscontroles uit en controleer of de resultaten overeenstemmen met wat aangegeven is in de tabellen. Voer steeds de veiligheidscontroles uit vooraleer de machine te gebruiken.
6.2.1 Algemene controle
Object Resultaat Brandstofsysteem en verbindingen Geen lekken Elektrische kabels Isolatie volledig intact Geen mechanische schade. Oliecircuit Geen lekken Geen schade. Rijtest Geen abnormale trillingen. Geen abnormaal geluid.
6.2.2 Test werking tractie en
toevoerschroef Actie Resultaat De machine opstarten (par. 6.3) De wielen en de toevoerschroef moeten stil blijven. Test werking tractie Druk op het commando voor voortbeweging (afb. 14.D). De wielen doen de sneeuwruimer vooruit gaan. Laat het commando voor voortbeweging los (afb. 14.D). De wielen stoppen. Test werking toevoerschroef Druk op het commando van de toevoerschroef (afb. 14.C). De toevoerschroef begint te draaien. Laat het commando van de toevoerschroef los. De toevoerschroef stopt Test werking toevoerschroef en wielen Houd het commando voor voortbeweging ingedrukt (afb. 14.D), druk op het commando van de toevoerschroef (afb. 14.C). De wielen doen de sneeuwruimer vooruit gaan en de toevoerschroef draait. Actie Resultaat Laat het commando van de toevoerschroef los (afb. 14.C). De wielen draaien en de toevoerschroef blijft draaien. Laat het commando voor voortbeweging los (afb. 14.D). De wielen blokkeren en de toevoerschroef stopt. Indien eender welke van deze resultaten verschilt van wat aangegeven is in de volgende tabel, mag de machine niet gebruikt worden! Breng de machine naar een dienstcentrum voor de nodige controles en herstelling.
draai deze met de klok mee volgens de aanwijzingen (afb. 15.A).
1. Breng de versnellingshendel naar
het volle toerental (afb. 15.C).
2. Schakel de choke in (afb. 15.D).
3. Druk twee of drie maal op het commando
van de primer (afb. 15.L). Verzeker u ervan dat de opening bedekt is door de vinger wanneer u op het commando drukt.
4. Start met het elektrisch (par. 6.3.4) of
handmatig commando (par. 6.3.3).
5. Schakel de choke uit (afb. 15.D).
BELANGRIJK Alvorens de machine te gebruiken, moet men enkele minuten wachten tot de olie opgewarmd is.
1. Breng de versnellingshendel naar
het volle toerental (afb. 15.C).
2. Controleer of de choke
uitgeschakeld is (afb. 15.D).
3. Start met het elektrisch of handmatig
commando (zie hierna). BELANGRIJK Druk niet op de primer bij warm starten.
6.3.3 Handmatig starten
Om de motor handmatig te starten, trek het handvat langzaam (afb. 15.H) naar buiten tot u een zekere weerstand voelt. Trek dan hard en vergezel het handvat bij het loslaten.NL - 11 Herhaal dit tot de motor start. OPMERKING Doe niet meer dan 3/4 pogingen om te vermijden de motor te blokkeren. Controleer de mogelijke redenen voor het mislukken van het starten in de "Tabel identicatie problemen".
6.3.4 Elektrisch starten
Verzeker u ervan dat het toevoersysteem voorzien is van een aarding en een aardlekschakelaar.
1. Steek de stekker van de toevoerkabel
(afb. 15.G) in een contactdoos van 230V.
2. Druk op de startknop om de motor te starten.
3. Haal de stekker uit de contactdoos
eens de motor gestart is.
Doe als volgt om met de machine te werken:
- Richt het glijvlak en de deector met het daarvoor bestemde commando (afb. 1.G).
- Voor een langere sneeuwstraal, richt de deector naar boven.
- Voor een kortere sneeuwstraal, richt de deector naar beneden.
- Regel de werking in functie van de baan en van de hoeveelheid sneeuw.
- Druk op het commando van de toevoerschroef (afb. 14.C) om de rotatie van de toevoerschroef vooraan in te schakelen.
- Druk op het commando voor voortbeweging (afb. 14.D) om de aandrijving in te schakelen. OPMERKING Gebruik de motor steeds bij vol toerental tijdens het gebruik van de machine.
De sturing gebeurt in functie van het model van de sneeuwruimer. ST 526 S, ST 625, ST 665 Door de machine naar de gewenste richting te draaien. De modellen met “di-lock release” hebben een vereenvoudigd stuursysteem (zie tabel technische gegevens). ST 665 T, ST 726 T, ST 767 H Duw de hendels van het stuur naar rechts of naar links (afb. 14.H, afb. 14.I) om naar rechts of links te sturen.
De koppeling gebeurt in functie van het model van de sneeuwruimer. ST 526 S, ST 625, ST 665, ST 665 T, ST 726 T De machine moet stilstaan om te schakelen. Ga als volgt te werk om te schakelen:
- Stop de machine, laat het commando voor voortbeweging l (afb. 14.D) en het commando van de toevoerschroef (afb. 14.C) los.
- Verplaats de versnellingshendel (afb. 14.A) naar de gewenste stand.
- Herneem de normale werking. BELANGRIJK Schakelen bij bewegende machine veroorzaakt schade aan het transmissiesysteem. ST 767 H De koppeling moet bij bewegende machine uitgevoerd worden. Ga als volgt te werk om te schakelen:
- Verplaats de versnellingshendel tijdens de normale werking naar de gewenste stand (afb. 14.A). BELANGRIJK Koppelen bij stilstaande machine kan moeilijk zijn.
Om de machine te stoppen, laat men het commando van de toevoerschroef (afb. 14.C) en het commando voor voortbeweging (afb. 14.D) los. Volg een van de volgende werkwijzen om de machine te stoppen:
- Verwijder of verdraai de veiligheidssleutel (afb. 15.A).
- Breng de versnellingshendel (afb. 15.C) naar de stopstand. De brandstofkraan moet steeds gesloten zijn wanneer de machine niet in werking is. De motor kan onmiddellijk na het uitschakelen zeer warm zijn. Raak de knalpot of de delen ernaast niet aan. Gevaar op brandwonden. BELANGRIJK Indien men zich van de machine moet verwijderen, moet men steeds de veiligheidssleutel verwijderen (afb. 15.A).NL - 12
6.5 SUGGESTIES VOOR HET GEBRUIK
- De sneeuw wordt eciënter verwijdert wanneer deze nog vers is. Ga nogmaals over reeds gereinigde zones om de sneeuwresten te verwijderen.
- Spuit de sneeuw, indien mogelijk, in de richting van de wind. Controleer de afstand en de richting van de weggeschoten sneeuw.
- Bij sterke wind, moet men de deector omlaag brengen, om de geloste sneeuw naar het terrein te richten en zo de kans dat de wind de sneeuw naar niet geschikte zones brengt, te verminderen.
- Na het werk, het werktuig enkele minuten aan laten staan om ijsvorming in de sneeuwuitlaat te voorkomen.
- Houd steeds een gepaste snelheid in functie van de condities van de sneeuw, en regel de snelheid zo dat de sneeuw gelijkmatig weggeschoten wordt.
- Verminder het toerental van de motor alvorens deze te stoppen.
- Beweeg alle commando's meerdere malen voor- en achteruit.
- Controleer of de choke ingeschakeld is.
- Controleer of er geen onderdelen los of beschadigd zijn. Vervang, indien nodig, de beschadigde delen en draai losgekomen schroeven en bouten aan. Dek de machine niet af zolang de motor en de knalpot nog warm zijn.
BELANGRIJK De veiligheidsnormen die tijdens het onderhoud in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in par. 2.4. Alle controles en werkzaamheden voor onderhoud moeten uitgevoerd worden bij stilstaande machine, en met de motor uitgeschakeld. Verwijder de sleutel en lees de bijgeleverde instructies alvorens enige reinigings-, of onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Draag geschikte kledij, handschoenen en bril vooraleer onderhoud uit te voeren.
- De frequenties en de soorten ingrepen zijn samengevat in de "Tabel Onderhoud". Het doel van de tabel is om uw machine een optimale conditie te laten behouden. Hierin staan de voornaamste ingrepen en de tijden waarop ze uitgevoerd moeten worden. Voer de desbetreende handeling uit in functie van de eerstkomende vervaldatum.
- Het gebruik van niet originele wisselstukken en toebehoren kan negatieve gevolgen hebben op de werking en de veiligheid van de machine. De fabrikant wijst alle aansprakelijkheid af in geval van schade of letsels veroorzaakt door die producten.
- De originele wisselstukken worden geleverd door de geautoriseerde dienstcentra en wederverkopers. BELANGRIJK Alle werkzaamheden voor onderhoud en afstelling die niet in deze handleiding beschreven zijn, moeten uitgevoerd worden door uw Wederverkoper of door een gespecialiseerd Centrum.
7.2 BRANDSTOF BIJVULLEN
Om brandstof bij te vullen:
1. Draai de dop van het reservoir los
(afb. 15.E) en verwijder hem.
2. Plaats de trechter (afb. 15.I).
3. Vul brandstof bij en verwijder
de trechter (afb. 15.I).
4. Schroef de dop van het brandstofreservoir
na het bijvullen goed dicht (afb. 15.E) en reinig eventuele lekken. OPMERKING Vul het benzinereservoir niet tot aan de rand. OPMERKING Gebruik enkel de brandstof die aangegeven is in de tabel van de technische gegevens. Gebruik geen andere soorten brandstof. Het gebruik van ecologische brandstof, zoals alkylaatbenzine, is toegestaan. De samenstelling van deze benzine heeft een kleinere impact op de personen en op de omgeving. Er werden geen negatieve gevolgen gemeld voortkomend uit het gebruik ervan. Er zijn ook soorten alkylaatbenzine in de handel verkrijgbaar waarvoor men geen nauwkeurige gebruiksaanwijzingen kan geven. Voor meer informatie, raadt men aan de instructies en gegevens te raadplegen van de fabrikant van de alkylaatbenzine. OPMERKING Benzine is onderhevig aan bederf en mag niet langer dan 30 dagen in het reservoir blijven. Alvorens de machine gedurende een lange tijd op te bergen, dient men een voldoende hoeveelheid brandstof inNL - 13 het reservoir te laden om het laatste gebruik teneinde te kunnen brengen (hfdst. 8).
7.3 CONTROLE / BIJVULLEN MOTOROLIE
Controleer het oliepeil vòòr ieder gebruik. OPMERKING De machine wordt aan de gebruiker geleverd zonder motorolie.
7.3.1 Controle / bijvullen
- Zet de machine vlak voor de controle.
- Maak schoon rond de dop (afb. 15.F). Draai de staaf los en haal ze eruit. Reinig de staaf.
- Steek de staaf helemaal in het reservoir zonder ze vast te draaien.
- Haal de staaf er opnieuw uit. Controleer het oliepeil.
- Draai de vuldop van de olie los (afb. 15.K).
- Vul bij, indien het peil lager is dan het teken “L” (afb. 17)
- Voor de correcte vervangingsprocedure zie par. 7.3.2 Vul niet teveel olie bij, dit zou kunnen leiden tot oververhitting van de motor. Indien het peil over het niveau "H" komt, moet men tot aan het juiste peil draineren. OPMERKING Voor het soort te gebruiken olie, zie “Tabel technische gegevens”.
De motorolie kan zeer heet zijn indien ze onmiddellijk na het uitschakelen van de motor verwijderd wordt. Laat daarom de motor enkele minuten afkoelen alvorens de olie te verwijderen. Vervang de motorolie met de frequenties die aangegeven zijn in de "Tabel onderhoud". Vervang de olie vaker indien de motor in moeilijke omstandigheden moet werken. Ga als volgt te werk:
1. Plaats de machine op een
2. Plaats een opvanghouder onder de aaatpijp.
3. Verwijder de vuldop (afb. 15.K).
4. Verwijder de aaatdop (afb. 15.J).
5. Vang de olie op in de houder.
8. Vul met nieuwe olie. Voor de hoeveelheid
olie, zie “Tabel technische gegevens”.
9. Bij iedere bijvulling, start de motor en laat
deze gedurende minstens 30 seconden aan het minimumtoerental draaien.
10. Controleer of er geen olie lekt.
11. Schakel de motor uit. Wacht 30 seconden
en controleer opnieuw het oliepeil. Indien nodig, zie ook “controle/bijvullen” (par. 7.3.1). BELANGRIJK Dien de olie in voor verwerking volgens de plaatselijke normen.
Voer de reiniging uit bij stilstaande machine. Tracht de sneeuw niet van de aaat te verwijderen zonder eerst:
- het commando van de toevoerschroef losgelaten te hebben.
- de motor uitgeschakeld te hebben.
- de contactsleutel verwijderd te hebben Reinig de machine steeds na gebruik. Neem de volgende instructies in acht bij het reinigen:
- Gebruik de schoep (afb. 1.I) voor de reiniging van het uitlaatglijvlak en voor de reiniging van de machine van sneeuwresten.
- Reinig de motor met een borstel en/of perslucht.
- Spuit geen water direct op de motor.
- Na de reiniging met water, de machine en de toevoerschroef opstarten om het water te verwijderen dat anders in de lagers zou kunnen doordringen en daar schade zou kunnen veroorzaken. BELANGRIJK Gebruik nooit hogedrukwaterstralen. Die zouden de elektrische onderdelen beschadigen.
Voor werkzaamheden aan de bougie, moet men zich tot een Wederverkoper of een geautoriseerd Dienstcentrum richten. Raadpleeg de tabel onderhoud en de tabel identicatie problemen voor ingrepen aan de bougie.
De carburator is afgesteld door de fabrikant. Raadpleeg de tabel identicatie problemen om na te gaan wanneer men op de carburator moet ingrijpen (hfdst. 12).NL - 14
- Houd de schroeven en moeren goed vastgedraaid, om er zeker van te zijn dat de machine altijd veilig werkt
- Controleer regelmatig of de bevestigingsmoeren van het uitlaatglijvlak correct vastgeklemd zijn.
7.8 AS VAN DE TOEVOERSCHROEF
Om de rotatie van de toevoerschroef te vergemakkelijken, raadt men aan de openingen (afb. 18.A) op de as van de toevoerschroef regelmatig in te vetten met een vetspuit. Om in te vetten: – Verwijder de splitpennen en schroeven (afb. 18). – Vet de openingen in en verdraai de toevoerschroef op de as enkele keren zodat het vet binnenin de as kan lopen. – Herplaats de schroeven en de splitpennen (afb. 18).
Wanneer de machine gedurende meer dan 30 dagen opgeborgen moet worden:
1. Ledig het toevoercircuit van de brandstof:
– Sluit de brandstofkraan (afb. 15.B). – Start de motor van de machine en laat deze draaien tot hij stopt omdat de brandstof op is.
2. Ververs de motorolie indien dit niet reeds
in de laatste drie maanden gedaan werd.
3. Reinig de sneeuwruimer nauwkeurig.
4. Controleer of de sneeuwruimer geen
schade vertoont. Voer eventueel de nodige herstellingen uit.
5. Indien de verf beschadigd is, moet men
bijverven om roestvorming te voorkomen.
6. Bescherm de metalen oppervlaktes
die aan roest blootgesteld zijn.
7. Berg de sneeuwruimer op in een
gesloten ruimte, indien mogelijk.
9. ASSISTENTIE EN HERSTELLINGEN
Deze handleiding verstrekt alle gegevens die u nodig hebt om de machine te kunnen gebruiken en om er op de juiste manier eenvoudige onderhoudswerkzaamheden aan te kunnen verrichten, die de gebruiker zelf kan uitvoeren. Alle afstellingen en onderhoudshandelingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine. Handelingen die in niet geschikte structuren of door onbekwame personen uitgevoerd werden, doen elke vorm van garantie en alle verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fabrikant vervallen.
- Enkel de geautoriseerde dienstencentra mogen de herstellingen en onderhoudsingrepen in garantie uitvoeren.
- De geautoriseerde dienstencentra gebruiken enkel originele wisselstukken. De originele wisselstukken en toebehoren werden speciaal voor de machines ontwikkeld.
- Niet originele wisselstukken en toebehoren zijn niet goedgekeurd, het gebruik van niet originele wisselstukken en toebehoren leidt tot verval van de garantie.
- Men raadt aan de machine eens per jaar aan een geautoriseerd dienstcentrum toe te vertrouwen voor het onderhoud, assistentie en controle van de veiligheidsinrichtingen.
De garantie dekt alle defecten van het materiaal en van de fabricatie. De gebruiker moet aandachtig de aanwijzingen volgen die in de bijgevoegde documentatie verschaft is. De garantie geldt niet voor schade te wijten aan:
- Onvoldoende kennis van de vergezellende documentatie.
- Onjuist of niet toegestaan gebruik en montage
- Gebruik van niet originele wisselstukken.
- Gebruik van toebehoren dat niet door de fabrikant verschaft of goedgekeurd werd. Deze garantie geldt bovendien niet voor:
- De normale slijtage van verbruiksmateriaal zoals transmissieriemen, boren, koplampen, wielen, veiligheidsbouten en draden.
- Motoren. Deze zijn gedekt door de garantie van de fabrikant van de motor volgens de aangegeven termijnen en condities. De aankoper is beschermd door de nationale wetten van zijn eigen land. De rechten van de koper die voorzien zijn in de nationale wetten van zijn eigen land zijn op geen enkele wijze beperkt door deze garantie.NL - 15
Ingreep Frequentie Paragraaf Eerste keer Vervolgens om de MACHINE Controle van alle bevestigingen - Voor eender welk gebruik 7.7 Veiligheidscontroles / Controle van de commando's - Voor eender welk gebruik 6.2 Algemene reiniging en controle - Aan het einde van ieder gebruik
Reiniging van de aaatzone - 5 uren / na ieder gebruik 7.4 Smering aandrijvingsas - 25 uren / na ieder seizoen *** Smering as van de toevoerschroef - 10 uren / na ieder seizoen 7.8 MOTOR Reiniging van de bougie - 25 uren / na ieder seizoen *** Vervanging bougie - 100 uren / na ieder seizoen *** Controle/bijvullen peil motorolie - 5 uren / na ieder gebruik 7.3.1 Vervanging motorolie 5 uren 50 uren / na ieder seizoen 7.3.2 *** Ingrepen die uitgevoerd moeten worden door Uw Wederverkoper of door een geautoriseerd Dienstcentrum
1. De machine start niet
Contactsleutel niet geplaatst Steek de contactsleutel in Gebrek aan brandstof Vul het reservoir met schone en reine brandstof Choke uitgeschakeld Schakel de choke in. Primer niet ingedrukt Druk de primer in Motor verstopt Wacht enkele minuten alvorens op te starten Druk niet op de primer en schakel de choke uit Draad van de bougie losgekomen Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum. Bougie beschadigd Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum. Oude brandstof Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum. Water in de brandstof Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum.
2. Verlies aan vermogen
Wegschieten van teveel sneeuw Verminder de snelheid Dop reservoir brandstof bedekt met ijs of sneeuw. Verwijder het ijs of de sneeuw van op en rond de dop van het reservoir. Geluidsdemper vuil of verstopt Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum. Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NL - 16
PROBLEEM MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING
3. Motor draait aan het
minimum en werkt onregelmatig De choke is ingeschakeld Schakel de choke uit. Oude brandstof Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum. Water in de brandstof Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum. Carburator moet vervangen worden Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum.
4. Overdreven trillingen
Losse delen of toevoerschroef of rotor beschadigd. Klem alle bevestigingsinrichtingen vast. Vervang de beschadigde delen nabij een geautoriseerd Dienstcentrum. Niet correct geplaatste steel. Verzeker u ervan dat de steel op zijn plaats is.
5. Verlies of vertraging
bij wegschieten van de sneeuw. Uitlaatglijvlak verstopt. Reinig het uitlaatglijvlak Toevoerschroef geklemd. Verwijder eventuele afval of vreemde voorwerpen uit de toevoerschroef.
6. Tractie werkt niet
Commandokabel voor inschakeling tractie niet correct afgesteld. Contacteer het geautoriseerde dienstcentrum. Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NO - 1
n) Zur Verfassung der technischen Unterlagen befugte Person: o) Ort und Datum NL ( Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing) EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)
2. Verklaart onder zijn eigen
verantwoordelijkheid dat de machine: Lopend bediende sneeuwruimer (sneeuw schuiven-ruimen) a) Type / Basismodel c) Serienummer d) benzinemotor
3. Voldoet aan de specificaties van de
4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde
normen g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen
i) Netto geïnstalleerd vermogen
n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum ES ( Traducción del Manual Original) Declaración de Conformidad CE (Directiva Máquinas 2006/42/CE, Anexo II, parte A)
Notice-Facile