Ecodan PUZ-SWM100VAA - Airconditioner MITSUBISHI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Ecodan PUZ-SWM100VAA MITSUBISHI in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Ecodan PUZ-SWM100VAA MITSUBISHI
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Ecodan PUZ-SWM100VAA - MITSUBISHI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Ecodan PUZ-SWM100VAA van het merk MITSUBISHI.
GEBRUIKSAANWIJZING Ecodan PUZ-SWM100VAA MITSUBISHI
Lees voor een veilig en juist gebruik deze handleiding en de installatiehandleiding van het binnenapparaat zorgvuldig door voordat u met het installeren van het buitenapparaat begint. Het Engels is het origineel. De andere taalversies zijn vertalingen van het origineel.
nl Ga naar de bovenstaande website om handleidingen te downloaden, de modelnaam te selecteren en vervolgens de taal te kiezen.
- Veiligheidsvoorschriften....1
- Plaats....9
- Het buitenapparaat installeren....12
- Installeren van de koelstofleidingen 13
- Installatie van Draineerbuizen 18
-
Waterleidingwerk 18
-
Elektrische aansluitingen 22
-
Proefdraaien 24
-
Speciale functies 24
-
Het systeem controleren....25
-
Specificatie 26

Opmerking: Dit symbool is alleen van toepassing voor EU-landen.
Dit symbool wordt gebruikt overeenkomstig richtlijn 2012/19/EU, artikel 14 "Informatie voor de gebruikers" en Bijlage IX.
Mitsubishi Electric producten zijn ontwikkeld en gefabriceerd uit eerste kwaliteit materialen. De onderdelen kunnen worden gerecycled en worden hergebruikt. Het symbool betekent dat de elektrische en elektronische onderdelen op het einde van de gebruiksduur gescheiden van het huishoudelijk afval moeten worden ingezameld.
Breng deze apparatuur dan naar het gemeentelijke afvalinzamelingspunt.
In de Europese Unie worden elektrische en elektronische producten afzonderlijk ingezameld.
Help ons mee het milieu te beschermen!

VOORZICHTIG:
- Zorg ervoor dat geen R32 in de atmosfeer terechtkomt:
1. Veiligheidsvoorschriften
▶Lees alle "Veiligheidsvoorschriften" voordat u het apparaat installeert.
▶ Stel de aanleverende instantie op de hoogte of vraag om toestemming voordat u het systeem aansluit op het net.
▶ Dit apparaat voldoet aan IEC/EN 61000-3-12 (PUZ-SWM·VAA/PUZ-SHWM·VAA)

WAARSCHUWING:
Beschrijft maatregelen die genomen moeten worden om het risico van verwonding of dood van de gebruiker te voorkomen.

VOORZICHTIG:
Beschrijft maatregelen die genomen moeten worden om schade aan het apparaat te voorkomen.
Informeer de klant na voltooiing van de installatie over de "Veiligheidsvoorschriften", het gebruik en het onderhoud van het apparaat en laat het apparaat proefdraaien om de werking ervan te controleren. Zowel de installatie- als de gebruikershandleiding dienen ter bewaring aan de gebruiker te worden gegeven. Deze handleidingen dienen te worden doorgegeven aan latere gebruikers.

: Geeft een onderdeel aan dat geaard moet worden.

WAARSCHUWING:
Lees de stickers die op het apparaat zitten zorgvuldig.
© : geeft waarschuwingen en aanwijzingen aan voor het gebruik van R32-koelmiddel.
BETEKENIS VAN SYMBOLEN OP HET APPARAAT
| WAARSCHUWING(Brandgevaar) | Dit symbool geldt alleen voor het koelmiddel R32. Het type koelmiddel is te vinden op het typeplaatje van de buitenunit.Als het type koelmiddel R32 is, gebruikt dit apparaat een ontvlambaar koelmiddel. Als er koelmiddel lekt en dit in contact komt met vuur of een warmtebron, ontstaat er een schadelijk gas en bestaat er brandgevaar. | |
| Lees de BEDIENINGSHANDLEIDING zorgvuldig vóór ingebruikname. | ||
| Onderhoudsmonteurs zijn verplicht om de BEDIENINGSHANDLEIDING en de INSTALLATIEHANDLEIDING zorgvuldig te lezen vóór ingebruikname. | ||
| Raadpleeg voor meer informatie de BEDIENINGSHANDLEIDING, de INSTALLATIEHANDLEIDING en dergelijke. | ||

WAARSCHUWING:
- Het apparaat mag niet door de gebruiker zelf worden geïnstalleerd. Vraag de dealer of een erkende installateur om het apparaat te installeren. Onjuiste installatie van het apparaat kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand.
- Volg voor de installatie de instructies in de installatiehandleiding en gebruik gereedschap en pijp-materiaal dat speciaal is gemaakt voor gebruik met R32-koelstof. De R32-koelstof in het HFC-systeem wordt gebruikt onder een 1,6 maal grotere druk als
normale koelstoffen. Wanneer niet voor R32-koelstof ontworpen pijpdelen worden gebruikt en het apparaat onjuist wordt geïnstalleerd, kunnen de pijpen knappen waardoor schade of letsel kan ontstaan. Daarnaast kunnen waterlekkage, elektrische schokken of brand optreden.
- Als u de unit installeert, gebruik dan voor de veiligheid het juiste beschermingsmateriaal en gereedschap. Als u dat niet doet, kan dit letsel veroorzaken.
- Het apparaat dient volgens de instructies te worden geinstalleerd om het risico op beschadiging bij een aardbeving of storm te beperken. Een onjuist geïnstalleerd apparaat kan vallen en schade of letsel veroorzaken.
- Het apparaat moet worden geïnstalleerd op een constructie die het gewicht ervan kan dragen. Als het apparaat wordt geïnstalleerd op een instabiele constructie, kan het vallen en schade of letsel veroorzaken.
- Als het apparaat in een kleine ruimte wordt geïnstalleerd, moeten maatregelen worden genomen tegen het weglekken van koelstof. De concentratie weggelekt koelstof in de lucht mag de grenswaarden niet overschrijden. Vraag de dealer wat u tegen het overmatig weglekken van koelstof kunt doen. Als de concentratie koelstof in de lucht te hoog wordt, kan zuurstofgebrek in de ruimte optreden.
- Ventileer de ruimte als er koelstof weglekt wanneer het apparaat in werking is. Als de koelstof in contact komt met vuur, komen giftige gassen vrij.
- De installatie van de elektrische onderdelen moet worden uitgevoerd door een gediplomeerde elektriciën in overeenstemming met de lokale regelgeving en de instructies in deze handleiding. Installeer stroomonderbrekers en zorg voor een juiste voedingsspanning. Sluit geen andere apparatuur aan op de voedingsleidingen van de apparaten. Onjuist geïnstalleerde of ongeschikte voedingsleidingen kunnen elektrische schokken of brand veroorzaken.
- Dit toestel is bedoeld voor gebruik door deskundige of getrainde gebruikers in winkels, in de lichte industrie en op boerderijen, of voor commercieel gebruik door leken.
- Gebruik fosforhoudende, zuurstofarme, naadloze C1220-pijpen van koper of koperlegeringen als koelstofpijpen. Als de pijpen onjuist worden aangesloten, is het apparaat niet goed geaard en kunnen elektrische schokken optreden.
- Gebruik uitsluitend de gespecificeerde kabels voor het verbinden. De aansluitingen moeten stevig vastzitten zonder druk op de aansluitpunten. Splijt de kabels nooit voor het bedraden (tenzij in deze handleiding anders wordt aangegeven). Het niet opvolgen van deze aanwijzingen kan leiden tot oververhitting of brand.
- Als de voedingskabel beschadigd is, moet die worden vervangen door de fabrikant, diens serviceverlener of een vergelijkbaar gekwalificeerde persoon, om gevaren te vermijden.
- Installeer het apparaat conform de nationaal geldende regels.
- Het deksel van het aansluitblok van het buitenapparaat moet stevig worden vastgemaakt. Bij onjuiste montage van het deksel kunnen stof en vocht in het apparaat komen, wat een elektrische schok of brand kan veroorzaken.
- Gebruik bij het installeren of verplaatsen van het apparaat uitsluitend de voorgeschreven koelstof (R32) voor het vullen van de koelstofpijpen. Meng de koelstof niet met andere koelstoffen en let erop dat er geen lucht in de pijpen achterblijft.
Als de koelstof wordt gemengd met lucht, kan dit een uitzonderlijk hoge druk in de koelstofpijp tot gevolg hebben. Dit kan resulteren in explosiegevaar en andere gevaren.
Als er een andere koelstof wordt gebruikt dan de voorgeschreven koelstof, heeft dit mechanische storingen, storingen van het systeem of uitvallen van het apparaat tot gevolg. In het ergste geval kan de veiligheid van het product ernstig in gevaar komen.
- Gebruik uitsluitend door Mitsubishi Electric goedgekeurde accessoires en vraag de dealer of een erkende installateur deze te installeren. Onjuiste installatie van accessoires kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand.
- Breng geen wijzigingen aan aan het apparaat. Neem voor reparatie contact op met de dealer. Onjuist uitgevoerde reparaties of wijzigingen kunnen leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand.
- De gebruiker mag nooit proberen het apparaat zelf te repareren of te verplaatsen. Onjuiste installatie van het apparaat kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand. Als het apparaat moet worden gerepareerd of verplaatst, neem dan contact op met de dealer of een erkende installateur.
- Controleer na voltooiing van de installatie op koelstoflekkage. Als koelstof naar de ruimte lekt en in contact komt met de vlam van een verwarmings- of kookapparaat, komen giftige gassen vrij.
- Wanneer u het ventiel opent of sluit bij een temperatuur onder nul, kan er koelmiddel uit de ruimte tussen het ventiel en het ventielhuis spuiten en dit kan letsel veroorzaken.
- Gebruik geen middelen om het ontdooiingsproces te versnellen of om te reinigen die niet zijn aanbevolen door de fabrikant.
- Het apparaat moet zich in een kamer bevinden zonder continu functionerende ontstekingsbronnen (zoals open vuur, een functionerend gastoestel of een functionerende elektrische kachel).
- Niet doorboren of verbranden.
- Houd er rekening mee dat koelmiddelen geurloos kunnen zijn.
De leidingen moeten beschermd zijn tegen fysieke schade.
- De aanleg van leidingen moet tot een minimum worden beperkt.
- Er moet worden voldaan aan de nationale gasverordeningen.
- Blokkeer geen van de vereiste ventilatie-openingen.
- Gebruik geen lage-temperatuurlegering bij het sol- deren van de koelleidingen.
Zorg bij het uitvoeren van soldeerwerkzaamheden dat de ruimte goed geventileerd is.
Houd gevaarlijke en ontvlambare materialen uit de buurt. Wanneer u werkzaamheden in een kleine of afgesloten ruimte of een vergelijkbare plaats verricht, dient u vooraf te controleren of er geen koelmiddel is gelekt.
Als koelmiddel lekt en zich verzamelt, kan het ontvlammen of kunnen er giftige gassen ontsnappen.
Bewaar het apparaat in een goed geventileerde ruimte waarvan de afmetingen overeenkomen met het oppervlak dat voor gebruik is voorgeschreven.
Houd gastoestellen, elektrische kachels en andere brandhaarden (ontstekingsbronnen) uit de buurt van de plaats waar installatie-, reparatie- en andere werkzaamheden aan de buitenunit zullen worden verricht.
Als koelmiddel met vuur in contact komt, komen er giftige gassen vrij.
© Rook niet bij werkzaamheden en vervoer.
1.1. Voor de installatie

VOORZICHTIG:
- Gebruik het apparaat niet in bijzondere omgevingen. Installeer het buitenapparaat niet in ruimtes waarin deze wordt blootgesteld aan stoom, vluchtige olie (inclusief machine-olie) of zwavelgas, gebieden met een zout klimaat zoals de kust of gebieden waar het apparaat kan worden bedekt door sneeuw, omdat hierdoor de prestaties aanzienlijk kunnen verminderen en schade kan ontstaan aan de interne onderdelen.
- Installeer het apparaat niet in ruimtes waar brandbare gassen worden geproduceerd of kunnen lekken, stromen of samenstromen. Ophoping van brandbare gassen rond het apparaat kan leiden tot brand of een explosie.
- Het buitenapparaat produceert condens tijdens de verwarmingsfase. Zorg voor afvoer rond het buitenapparaat als dergelijk condensvocht schade kan veroorzaken.
-
Verwijder het bevestigingscomponent van de compressor volgens de aanwijzingen (NOTICE) die aan het apparaat zijn bevestigd. Het functioneren van het apparaat met het bevestigingscomponent nog geplaatst, zal meer lawaai veroorzaken.
-
Houd rekening met geluid en elektrische stroringen bij installatie van het apparaat in een ziekenhuis of communicatieruimte. Stroomomzetters, huishoudelijke apparaten, hoogfrequente medische apparatuur en radiocommunicatieapparatuur kunnen storingen in het buitenapparaat veroorzaken. Omgekeerd kan het buitenapparaat storingen veroorzaken in medische apparatuur, communicatieapparatuur en de weergave van beeldschermen.
- Tijdens de werking van het apparaat zijn er mogelijk trillingen of geluid van stromend koelstof bij de verlengpijp. Vermijd het installeren van de leidingen in een dunne muur, etc. en isoleer goed met isolatie-materiaal of leidingafdekkingen.
1.2. Voor de installatie (verplaatsing)

VOORZICHTIG:
- Wees uitermate voorzichtig bij het vervoeren of installeren van de behuizingen. Het apparaat dient door twee of meer personen te worden getild, aangezien het 20 kg of meer weegt. Til het apparaat niet op aan de verpakkingsbanden. Draag beschermende handschoenen als u de behuizing uit de verpakking haalt en bij het vervoeren ervan, omdat u uw handen kunt bezeren aan de ventilatoren, de randen of andere delen.
-
Zorg dat het verpakkingsmateriaal op een veilige manier wordt weggeworpen. Verpakkingsmaterialen zoals klemmen en andere metalen of houten onderdelen kunnen snijwonden of ander letsel veroorzaken.
-
Controleer de dragende constructie en bevestiging van het buitenapparaat regelmatig op loszitten, scheuren of andere beschadigingen. Als dergelijke problemen niet worden verholpen, kan het apparaat vallen en schade of letsel veroorzaken.
- Gebruik geen water om het buitenapparaat te reinigen. Hierdoor kunnen elektrische schokken optreden.
- Trek alle flensmoeren aan tot het opgegeven aanhaalmoment met een momentsleutel. Bij overmatig aantrekken kan de flensmoer na enige tijd breken waardoor koelstof kan weglekken.
1.3. Voor de installatie van de elektrische bedrading

VOORZICHTIG:
- Installeer stroomonderbrekers. Als er geen stroomonderbrekers worden geïnstalleerd, kunnen elektrische schokken optreden.
- Gebruik voor de voedingsleidingen standaardkabels met voldoende capaciteit. Te lichte kabels kunnen kortsluiting, oververhitting of brand veroorzaken.
- Oefen bij de installatie van de voedingsleidingen geen trekkracht uit op de kabels. Als de aansluitingen loszitten, kunnen de kabels loskomen of breken en oververhitting of brand veroorzaken.
- Zorg ervoor dat het apparaat goed is geaard. Sluit de aardleiding niet aan op een gas- of waterleiding, bliksemafleider of aardleiding voor de telefoon. Onjuiste aarding van het apparaat kan elektrische schokken veroorzaken.
- Gebruik stroomonderbrekers (aardlekschakelaar, isolatieschakelaar (+B-zekering) en onderbreker met gegoten behuizing) met de opgegeven capaciteit. Het gebruik van stroomonderbrekers met een te hoge capaciteit kan storingen of brand veroorzaken.
1.4. Voor het proefdraaien

VOORZICHTIG:
- Zet de netspanningsschakelaar ten minste 12 uur voordat u het apparaat gaat gebruiken aan. Als u het apparaat direct na het aanzetten van de netspanningsschakelaar inschakelt, kunnen de interne onderdelen ernstig beschadigd raken. Laat de netspanningsschakelaar altijd aanstaan gedurende het seizoen waarin u het apparaat gebruikt.
- Controleer voordat u begint met proefdraaien of alle panelen, beveiligingen en andere beschermende onderdelen goed zijn geïnstalleerd. Draaiende of warme onderdelen of onderdelen onder hoge spanning kunnen letsel veroorzaken.
-
Raak de schakelaars nooit met natte vingers aan. Hierdoor kan een elektrische schok optreden.
-
Raak de koelstofpijpen niet met blote handen aan als het apparaat in werking is. De koelstofpijpen zijn heet of koud afhankelijk van de toestand van de koelstof. Bij het aanraken van de pijpen kunt u brandwonden of bevriezingen oplopen.
- Wacht nadat het apparaat is uitgeschakeld ten minste vijf minuten voordat u de netspanningsschakelaar uitzet. Eerder uitzetten kan waterlekkage of storingen veroorzaken.
1.5. Gebruik van buitenapparaten met R32-koelstof

VOORZICHTIG:
- Gebruik fosforhoudende, zuurstofarme, naadloze C1220-pijpen van koper of koperlegeringen als koelstofpijpen. Controleer of de binnenkant van de pijpen schoon is en vrij van schadelijke stoffen zoals zwavelverbindingen, oxidanten, vuil of stof. Gebruik pijpen van de opgegeven dikte. (Zie 4.1.) Let bij hergebruik van pijpen waarin R22-koelstof heeft gezeten op het volgende.
- Vervang de bestaande flensmoeren en tromp de aansluitingsoppervlakken opnieuw op.
- Gebruik geen dunne pijpen. (Zie 4.1.)
- Bewaar de pijpen die voor de installatie zullen worden gebruikt binnenshuis en laat de verzegeling aan beide uiteinden intact tot vlak voor het solderen. (Laat kniestukken, etc. in hun verpakking.) Het binnendringen van stof, vuil of vocht in de koelstof-pijpen kan leiden tot achteruitgang van de olie of compressorstoringen.
- Gebruik esterolie, etherolie of alkylbenzeen (in kleine hoeveelheden) als koelolie om de aansluitingsoppervlakken af te dichten. Vermenging van de koelolie met mineraalolie kan leiden tot achteruitgang van de koelolie.
- Het onderhoud moet uitsluitend worden uitgevoerd conform de aanbevelingen van de fabrikant.
- Gebruik uitsluitend R32-koelstof. Bij gebruik van andere koelstoffen veroorzaakt de chloor achteruitgang van de koelolie.
- Gebruik gereedschap dat speciaal is ontworpen voor gebruik met R32-koelstof. Het volgende gereedschap is vereist. Neem voor vragen contact op met de dichtstbijzijnde dealer.
| Gereedschap (voor R32) | |
| Verdeelventiel Optrompgereedschap | |
| Vulslang Maatafstemmingsmeter | |
| Gaslekdetector Vacuümpompadapter | |
| Momentsleutel Elektronische koelstofdrukmeter |
- Gebruik uitsluitend de juiste gereedschappen. Het binnendringen van stof, vuil of vocht in de koelstof-pijpen kan leiden tot achteruitgang van de koelolie.
- Het werk moet worden uitgevoerd volgens een gecontroleerde procedure om het risico van de aanwezigheid van een ontvlambaar gas of ontvlambare damp tijdens het uitvoeren van het werk tot een minimum te beperken.
Vervolg op volgende pagina.
- Voordat u begint te werken aan systemen die ontvlambare koelmiddelen bevatten, moet u enkele veiligheidscontroles uitvoeren om ervoor te zorgen dat het risico van ontbranden zo klein mogelijk is.
Voordat u een reparatie uitvoert op koelsystemen, moet u ① t/m ⑤ uitvoeren.
① Al het onderhoudspersoneel en anderen die in de lokale omgeving aan het werk zijn, moeten instructies krijgen over de aard van het werk dat wordt uitgevoerd.
Werken in besloten ruimtes moet worden vermeden.
Het werkgebied moet worden afgezet. Zorg ervoor dat de omstandigheden binnen het gebied veilig zijn door te controleren op ontvlambaar materiaal.
② Het gebied moet voor en tijdens de werkzaamheden met een daartoe geschikte koelmiddelendetector worden gecontroleerd, zodat de monteur op de hoogte is van mogelijk ontvlambare atmosferen. Controleer of de apparatuur voor gaslekdetectie geschikt is voor gebruik met alle ontvlambare koelmiddelen, d.w.z. geen vonken, voldoende afgesloten of intrinsiek veilig.
③ Als er warmwerk moet worden uitgevoerd op de koelinstallatie of verwante onderdelen, dan moet er geschikte brandblusapparatuur binnen handbereik aanwezig zijn.
Zorg voor droogpoeder of een CO2-brandblusser naast de vulruimte.
④ Tijdens werkzaamheden aan een koelsysteem waarbij leidingen worden blootgelegd, mogen geen ontstekingsbronnen worden gebruikt op een manier die kan leiden tot een risico op brand of een explosie. Alle mogelijke ontstekingsbronnen, zoals het roken van sigaretten, moeten op voldoende afstand worden gehouden van de plek van installatie, reparatie, verwijdering of afvoer, aangezien er tijdens deze werkzaamheden ontvlambaar koelmiddel kan vrijkomen in de omgevingsruimte. Voordat het werk begint, moet het gebied rond de installatie worden gecontroleerd op ontvlambaar materiaal en ontstekingsgevaar. Plaats borden met 'Verboden te roken'.
⑤ Ga na of het gebied buiten is of voldoende geventileerd wordt voordat u het systeem opent of begint met warmwerk. Er moet continue ventilatie aanwezig zolang de werkzaamheden duren. Deze ventilatie moet eventueel koelmiddel veilig verspreiden en bij voorkeur extern de atmosfeer in verdrijven.
- Elektrische onderdelen die worden vervangen, moeten worden vervangen door geschikte onderdelen met de juiste specificaties. De onderhouds- en servicerichtlijnen van de producent moeten te alle tijde worden nageleefd. Neem bij twijfel contact op met de technische afdeling van de producent.
Voer de volgende controles uit op installaties met ontvlambare koelmiddelen:
- De vulomvang is in overeenstemming met de afmeting van de ruimte waarin het koelsysteem met de onderdelen wordt geïnstalleerd.
- De apparatuur en uitlaat voor ventilatie werken correct en zijn vrij van obstakels.
- Aanduidingen op de apparatuur moeten leesbaar zichtbaar blijven. Markeringen en tekens die onleesbaar zijn, moeten worden bijgewerkt.
- De koelleiding of koelonderdelen moeten zijn geïnstalleerd in een positie met kleine kans op blootstelling aan een substantie die de koelmiddelhoudende onderdelen kan corroderen, tenzij de onderdelen zijn gemaakt van materialen die inherent bestand zijn tegen corrosie of voldoende bescherming hebben gekregen tegen corrosie.
- Reparatie en onderhoud aan elektrische onderdelen vindt plaats na initiele veiligheidscontroles en inspectie van onderdelen. Bij een defect dat de veiligheid in gevaar brengt, mag het circuit niet worden verbonden met een stroombron totdat dit defect deugdelijk is verholpen. Als het defect niet onmiddellijk kan worden verholpen en de continue werking van de installatie noodzakelijk is, dan moet er een tijdelijke oplossing worden toegepast. Dit moet worden meegedeeld aan de eigenaar van de installatie, zodat alle partijen op de hoogte zijn.
Initiële veiligheidscontroles moeten het volgende omvatten:
- condensatoren moeten op een veilige manier ontladen zijn om het risico op vonken te voorkomen;
- er mogen geen onder spanning staande elektrische onderdelen en draden worden blootgelegd tijdens het vullen, herstellen of spoelen van het systeem;
- de installatie moet continu met de aarde verbonden blijven.
- Tijdens de reparatie van afgedichte onderdelen moet de volledige stroomtoevoer worden losgekoppeld van het apparaat waaraan wordt gewerkt, voordat afdichtingen mogen worden verwijderd. Als het absoluut noodzakelijk is dat er tijdens onderhoudswerkzaamheden stroomtoevoer naar het apparaat is, moet er een permanent werkende lekdetector worden geplaatst op het meest kritieke punt, zodat deze kan waarschuwen als er een gevaarlijke situatie optreedt.
Vervolg op volgende pagina.
- Op de volgende punten moet bijzonder goed worden gelet om te voorkomen dat de behuizing van elektrische onderdelen tijdens werkzaamheden haar beschermende functie verliest. Hieronder vallen beschadiging van kabels, te veel aansluitingen, terminals die niet voldoen aan de oorspronkelijke specificaties, beschadiging van afdichtingen, niet goed passende wartels, enz.
Zorg ervoor dat het apparaat veilig is bevestigd.
Zorg ervoor dat afdichtingen of afdichtingsmateriaal niet in zodanig slechte staat verkeren dat ze het indringen van ontvlambare dampen of gassen niet meer verhinderen.
Vervangende onderdelen moeten voldoen aan de specificaties van de fabrikant.
- Stel het circuit niet bloot aan permanente inductie- of condensatorbelasting zonder van tevoren te controlleren of deze belasting de toegestane stroomsterkte en het voltage van het apparaat niet overschrijdt.
Intrinsiek veilige componenten zijn de enige onderdelen waaraan mag worden gewerkt als er stroom op staat en er ontvlambare gassen of dampen aanwezig zijn. Het testapparaat moet de juiste capaciteit hebben.
Vervang componenten uitsluitend door onderdelen die door de fabrikant zijn gespecificeerd. Andere onderdelen kunnen ontsteking van gelekt koelmiddel tot gevolg hebben.
- Controleer of de bekabeling niet wordt blootgesteld aan slijtage, corrosie, overmatige druk, trilling, scherpe randen of andere nadelige omgevingsfactoren. De controle moet ook rekening houden met het effect van veroudering of continue trillingen afkomstig van bronnen zoals compressoren of pompen.
- Onder geen enkele omstandigheid mogen er mogelijke ontstekingsbronnen worden gebruikt voor het zoeken naar of detecteren van lekkend koelmiddel.
Er mogen geen lekzoeklampen of andere detectoren met open vlam worden gebruikt.
- Er kunnen elektronische lekdetectors worden gebruikt om lekkage van koelmiddel te detecteren, maar in het geval van ontvlambare koelmiddelen is de gevoeligheid mogelijk niet toereikend of kan herkalibratie vereist zijn. (Detectieapparatuur moet worden gekalibreerd in een ruimte die geen koelmiddel bevat.)
Zorg ervoor dat de detector geen ontstekingsbron kan zijn en geschikt is voor het type koelmiddel. Lekdetectieapparatuur moet worden afgesteld op een percentage van de LFL van het koelmiddel en moet worden gekalibreerd voor het gebruikte koelmiddel en het bijbehorende gaspercentage (maximaal 25%).
Lekdetectievloeistoffen zijn geschikt voor de meeste typen koelmiddel. Het gebruik van reinigingsmiddel met chloor moet worden vermeden, aangezien chloor kan reageren met het koelmiddel en de koperen leidingen kan corroderen.
Bestaat het vermoeden dat er een lek is, dan moeten alle open vlammen worden verwijderd of gedoofd.
Als een koelmiddellek wordt gevonden en solderen nodig is, moet al het koelmiddel uit het systeem worden verwijderd of met behulp van ventielen worden geïsoleerd in een deel van het systeem dat zich op afstand bevindt van het lek. Zowel vóór als tijdens het solderen moet het systeem dat ontvlambaar koelmiddel bevat, worden gespoeld met zuurstofvrije stikstof (OFN).
Vervolg op volgende pagina.
- Er worden algemene procedures gehanteerd voor reparatie- of andere werkzaamheden aan het koelmiddelcircuit. Houd met het oog op de ontvlambaarheid van koelmiddelen de volgende maatregelen in acht. De volgende procedure moet worden gevolgd:
- verwijder het koelmiddel;
- spoel het circuit met inert gas;
- zuig het systeem vacuum;
- spoel opnieuw met inert gas;
- open het circuit met snij-, knip- of soldeergereedschap.
Het verwijderde koelmiddel moet worden opgevangen in de juiste verzamelcilinders. Het systeem moet worden doorgespoeld met zuurstofvrije stikstof om het systeem veilig te maken. Mogelijk moet dit proces enkele malen worden herhaald.
Hiervoor mag geen gebruik worden gemaakt van perslucht of zuurstof.
Het doorspoelen gebeurt door het vacuum in het systeem op te heffen met zuurstofvrije stikstof tot de bedrijfsdruk is bereikt, de stikstof te laten ontsnappen in de omgevingslucht en het systeem vervolgens opnieuw vacuum te zuigen. Dit proces moet worden herhaald tot er geen koelmiddel meer in het systeem aanwezig is. Wanneer er voor het laatst zuurstofvrije stikstof is toegepast, moet dit worden vrijgegeven aan de omgevingslucht tot de omgevingsdruk is bereikt en vervolgens kan er met de werkzaamheden worden begonnen. Deze handelingen zijn absoluut noodzakelijk wanneer er soldeerwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd aan de leidingen.
Zorg ervoor dat de afvoer van de vacuümpomp zich niet in de buurt van ontstekingsbronnen bevindt en er voldoende ventilatie aanwezig is.
- Naast de algemene vulprocedures moeten de volgende stappen worden gevolgd:
- Zorg ervoor dat er bij het gebruik van de vulapparatuur geen vermenging van verschillende koelmiddelen optreedt. Slangen en leidingen moeten zo kort mogelijk worden gehouden om de hoeveelheid koelmiddel tot een minimum te beperken.
- Cilinders moeten rechtop staan.
- Zorg ervoor dat het koelmiddelsysteem geaard is, voordat het systeem wordt gevuld met koelmiddel.
- Label het systeem wanneer het is gevuld (als dit nog niet is gedaan).
- Het is uiterst belangrijk dat het systeem niet overmatig wordt gevuld.
De druk van het systeem moet eerst worden getest met het juiste spoelgas voordat het wordt gevuld. Het systeem moet na het vullen (zeker vóór de ingebruikname) worden gecontroleerd op lekkage. Bij het verlaten van de locatie moet nogmaals een lektest worden uitgevoerd.
- Voordat deze procedure wordt uitgevoerd, moet de monteur volledig bekend zijn met het apparaat. Het wordt aanbevolen dat alle koelmiddelen veilig worden opgevangen. Vóór het uitvoeren van de taak moet er een olie- en koelmiddelmonster worden genomen voor het geval het opgevangen koelmiddel vóór hergebruik moet worden geanalyseerd. Het is essentieel dat er stroomtoevoer is vóór de werkzaamheden beginnen.
a) Raak vertrouwd met het apparaat en de werking ervan.
b) Zorg voor elektrische isolatie van het systeem.
c) Zorg er vóór begin van de procedure voor dat:
- er mechanische apparatuur aanwezig is voor de koel-middelcilinders;
-
alle persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig zijn en juist worden gebruikt;
-
er te allen tijde toezicht is op het opvangproces door een competente persoon;
- opvangapparatuur en -cilinders voldoen aan de juiste normen.
d) Als gebruik van een vacuümpomp niet mogelijk is, moet een verdeelstuk worden gebruikt zodat het koelmiddel van verschillende onderdelen van het systeem kan worden verwijderd.
e) Zorg ervoor dat de cilinder op de weegschaal staat voordat het koelmiddel wordt opgevangen.
f) Start de opvangmachine en bedien deze volgens de instructies van de fabrikant.
g) Doe de cilinder niet te vol. (Niet meer dan 80% van het vloeistofvolume.)
h) Overschrijd de maximale werkdruk van de cilinder niet, ook niet tijdelijk.
i) Als de cilinders correct zijn gevuld en het proces is voltooid, moeten de cilinders en het apparaat snel van de locatie worden verwijderd en moeten alle isolatieventielen op het apparaat worden afgesloten.
j) Verzameld koelmiddel mag pas voor een ander koel-middelsysteem worden gebruikt nadat het is schoongemaakt en gecontroleerd.
Vervolg op volgende pagina.
- Het apparaat moet worden voorzien van een label waarop staat dat het apparaat is ontmanteld en dat het koelmiddel is verwijderd. Het label moet worden gedateerd en ondertekend. Zorg ervoor dat er labels op de cilinders aanwezig zijn met de vermelding dat de cilinders ontvlambaar koelmiddel bevatten.
- Bij het opvangen van koelmiddel van een systeem voor onderhoud of ontmanteling moeten alle koelmiddelen op een veilige manier worden verwijderd. Wanneer koelmiddel wordt opgevangen in cilinders, mogen uitsluitend geschikte cilinders voor koelmiddel worden gebruikt. Zorg ervoor dat er voldoende cilinders aanwezig zijn om al het koelmiddel in het systeem op te vangen. Alle cilinders die worden gebruikt, zijn bestemd voor het opvangen van koelmiddel en moeten als zodanig worden gelabeld (d.w.z. speciale cilinders voor het opvangen van koelmiddel). De cilinders moeten compleet zijn, met een overdrukventiel en afsluitventielen, en alle onderdelen moeten in goede staat verkeren. Lege opvangcilinders moeten met een vacuümpomp worden geleegd en, indien mogelijk, gekoeld vóór het opvangen van het koelmiddel.
De opvangapparatuur moet in goede conditie zijn, voorzien van instructies en geschikt voor het opvangen van alle desbetreffende koelmiddelen, waaronder (indien van toepassing) ontvlambare koelmiddelen. Daarnaast moet er een gekalibreerde weegschaal aanwezig zijn die in goede staat verkeert. Slangen moeten intact zijn, compleet met lekvrije koppelstukken. Controleer vóór gebruik of de opvangmachine in goede staat verkeert, goed is onderhouden en dat alle elektrische componenten zijn afgedicht om ontsteking te voorkomen in het geval koelmiddel vrijkomt. Neem in geval van twijfel contact op met de fabrikant.
Het opgevangen koelmiddel moet in de correcte opvangcilinders worden geretourneerd aan de leverancier van het koelmiddel en het relevante document voor afvalverwerking moet worden ingevuld. Meng geen koelmiddelen in opvangunits en in het bijzonder niet in cilinders. Als er compressoren of compressorolie moet(en) worden verwijderd, moet de olie tot een acceptabel niveau worden afgezogen met een vacuümpomp, zodat er geen ontvlambaar koelmiddel in de olie achterblijft. Het vacuümproces moet vóór retournering van de compressor aan de leverancier worden uitgevoerd. Om het proces te versnellen, mag de compressorbehuizing uitsluitend elektrisch worden verwarmd. Olie moet altijd voorzichtig uit een systeem worden verwijderd.

flowchart
graph TD
A["①"] --> B["②"]
B --> C["③"]
C --> D["④"]
D --> E["⑤"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
Fig. 2-1

text_image
Juist Juist Juist OnjuistFig. 2-2
2.1. Koelpijpen (Fig. 2-1)
▶ Controleer dat het verschil in hoogte tussen het binnen- en het buitenapparaat, de lengte van de koelpijpen en het aantal bochten in de leidingen binnen de limieten zoals in onderstaande tabel aangegeven vallen.
| Model | A Pijplengte(1 richting) | B Hoogteverschil | C Aantal bochten(1 richting) |
| S(H)WM60/80/100 | 2 m - 50 m Max. 30 | m Max. 10 | |
| S(H)WM120/140 2 | m - 30 m *1 Max. 30 | m Max. 10 |
*1 Alleen wanneer het apparaat voor verwarming wordt gebruikt, is de beschikbare leidinglengte om te gebruiken 2 m - 50 m. Zie sectie 4.
- De begrenzingen voor het hoogteverschil zijn voor alle opstellingen van binnen- en buitenunits bindend, onafhankelijk van het feit welk apparaat hoger opgesteld wordt.
© Binnenapparaat
© Buitenapparaat
Het isolatiemateriaal moet voldoen aan de volgende SPECIFICATIES.
• Warmteoverdrachtssnelheid: 0,040 W/mK of minder
• Dikte van isolatie: 9 mm of meer
• Hittebestendigheid: 110 °C of meer
Als de leidinglengte in de buitenunit meer dan 15 m bedraagt, moet de dikte van de isolatie 18 mm of meer zijn.
2.2. De installatieplaats voor het buitenapparaat kiezen
R32 is zwaarder dan lucht—en andere koelmiddelen—dus zal het zich ophopen aan de onderkant (vlak bij de vloer). Als R32 zich ophoopt rond de onderkant, kan de concentratie ervan in een kleine ruimte oplopen tot een brandbaar niveau. Ter voorkoming van ontsteking moet een adequate ventilatie zorgen voor een veilige gebruiksomgeving. Als er koelmiddel lekt in een onvoldoende geventileerde ruimte, mag er geen open vuur worden gebruikt totdat adequate ventilatie de gebruiksomgeving heeft verbeterd.
- Vermijd plaatsen die worden blootgesteld aan direct zonlicht of andere warmtebronnen.
- Kies een plaats waar niemand last heeft van het geluid van het apparaat.
- Kies een plaats die eenvoudige aansluiting van de elektrische bedrading en pijpen naar het binnenapparaat mogelijk maakt.
- Vermijd plaatsen waar brandbare gassen worden geproduceerd of kunnen lekken, stromen of samenstromen.
- Houd er rekening mee dat er tijdens de werking water uit het apparaat kan druppelen.
- Kies een vlakke constructie die bestand is tegen het gewicht en de trillingen van het apparaat.
- Vermijd plaatsen waar het apparaat door sneeuw kan worden bedekt. In sneeuwrijke gebieden moeten speciale maatregelen worden getroffen zoals het verhogen van de installatieplaats of het plaatsen van een afdak om te voorkomen dat de sneeuw in of tegen de luchtinlaat terechtkomt. De sneeuw kan de normale luchtstroom bemoeilijken en storingen veroorzaken.
- Vermijd plaatsen die worden blootgesteld aan olie, stoom of zwavelgas.
- Gebruik de tilhandgrepen van het buitenapparaat om het apparaat te verplaatsen. Als het apparaat van onderen wordt beetgepakt, kunnen verwondingen ontstaan aan de handen of vingers.
- De aansluitingen van koelleidingen moeten toegankelijk zijn voor onderhoudswerkzaamheden.
○ Installeer buitenapparaten op een plaats met minimaal een van de vier zijden open en in een ruimte zonder verlagingen die voldoende groot is. (Fig. 2-2)

VOORZICHTIG:
- Aard de unit.
Verbind de aarddraad niet met een gasleiding, waterleidingafsluiter of een aarddraad voor een telefoonaansluiting. Ondeugdelijke aarding kan leiden tot een elektrische schok.
• Installeer de unit niet in een ruimte waar een brandbaar gas lekt.
Als er gas lekt en dit zich in de ruimte rond de unit ophoopt, kan dit tot een explosie leiden. - Installeer een aardlekschakelaar als de unit wordt geïnstalleerd in een vochtige ruimte.
Als er geen aardlekschakelaar is geïnstalleerd, kan dit leiden tot een elektrische schok. - Voer het drainage-/leidingwerk veilig uit volgens de installatiehandleiding.
Als er een defect optreedt in het afvoer- en leidingstelsel, kan dit leiden tot waterlekkage uit de unit en waterschade aan meubilair en dergelijke. - Draai een optrompmoer aan met een momentsleutel zoals aangegeven in deze handleiding.
Wanneer u een optrompmoer te stevig aandraait, kan deze na verloop van tijd breken en koelstoflekkage veroorzaken.
(mm)
2.3. Buitenafmetingen (Buitenapparaat) (Fig. 2-3)

text_image
480 1050 1040 225 600 520Fig. 2-3

2.4. Ventilatie en bereikbaarheid
2.4.1. Installatie op winderige plaatsen
Als het buitenapparaat wordt geïnstalleerd op een dak of een andere plaats waar de wind vrij spel heeft, moet de luchtuitlaat van het apparaat zo worden gericht dat deze niet rechtstreeks bloolstaat aan krachtige windstolen. Krachtige windstolen die de luchtuitlaat binnendringen kunnen de normale luchtstroom bemoeilijken en storingen veroorzaken.
Hieronder volgen drie manieren om het apparaat tegen krachtige windstoten te beschermen.
① Richt de luchtuitlaat naar de dichtstbijzijnde muur, op ongeveer 35 cm van de muur. (Fig. 2-4)
② Installeer een optionele luchtgeleider als het apparaat wordt geïnstalleerd op een plaats waar krachtige windstoten bij storm etc. rechtstreeks de luchtuitlaat kunnen binnendringen. (Fig. 2-5)
Ⓐ Luchtgeleider
③ Plaats het apparaat indien mogelijk zo dat de luchtuitlaat in dezelfde richting blaast als de seizoenswinden. (Fig. 2-6)
Windrichting
2.4.2. Bij installatie van één buitenapparaat (Raadpleeg de laatste pagina)
De minimale afmetingen zijn als volgt aangegeven, behalve voor Max., hetgeen betekent de Maximale afmetingen.
Raadpleeg voor alle gevallen de getallen.
① Alleen obstakels aan de achterzijde (Fig. 2-7)
② Alleen obstakels aan de achter- en bovenzijde (Fig. 2-8)
- Maak geen gebruik van de optionele luchtgeleiders voor een opwaartse luchtstroom.
③ Alleen obstakels aan de achterzijde en de zijkanten (Fig. 2-9)
④ Alleen obstakels aan de voorzijde (Fig. 2-10)
⑤ Alleen obstakels aan de voor- en achterzijde (Fig. 2-11)
⑥ Alleen obstakels aan de achter- en bovenzijde en de zijkanten (Fig. 2-12)
Maak geen gebruik van de optionele luchtgeleiders voor een opwaartse luchtstroom.
2.4.3. Bij installatie van meerdere buitenapparaten (Raad pleeg de laatste pagina)
Laat een ruimte van minimaal 50 mm tussen de units.
Raadpleeg voor alle gevallen de getallen.
① Alleen obstakels aan de achterzijde (Fig. 2-13)
② Alleen obstakels aan de achter- en bovenzijde (Fig. 2-14)
- Installeer niet meer dan drie apparaten naast elkaar. Laat bovendien ruimte vrij zoals afgebeeld.
- Maak geen gebruik van de optionele luchtgeleiders voor een opwaartse luchtstroom.
③ Alleen obstakels aan de voorzijde (Fig. 2-15)
④ Alleen obstakels aan de voor- en achterzijde (Fig. 2-16)
⑥ Opstelling met één parallel apparaat (Fig. 2-17)
Bij gebruik van een optionele uitlaatluchtgeleider voor een opwaartse luchtstroom moet de vrije ruimte ten minste 500 mm bedragen.
⑥ Opstelling met meerdere parallelle apparaten (Fig. 2-18)
Bij gebruik van een optionele uillaatluchtgeleider voor een opwaartse luchtstroom moet de vrije ruimte ten minste 1000 mm bedragen.
⑦ Opstelling met boven elkaar geplaatste apparaten (Fig. 2-19)
• Er kunnen twee apparaten boven elkaar worden geplaatst.
- Installeer niet meer dan twee boven elkaar geplaatste apparaten naast elkaar. Laat bovendien ruimte vrij zoals afgebeeld.
2. Plaats
©2.5. Minimaal installatie-oppervlak
Als de installatie van een apparaat in een ruimte met vier gesloten zijden of met verlagingen onontkoombaar is, zorg er dan voor dat er wordt voldaan aan een van de omstandigheden (A, B of C).
Opmerking: Deze tegenmaatregelen zijn slechts ten behoeve van de veiligheid, maar ze garanderen geen optimale prestaties.
A) Zorg voor voldoende installatieruimte (minimaal installatie-oppervlak Amin).
Installeer in een ruimte met een installatie-oppervlak van minimaal Amin, overeenkomend met koelmiddelhoeveelheid M (koelmiddel af fabriek + op locatie toegevoegd koelmiddel).
| M [kg] Amin m^2 | |
| 1,0 12 | |
| 1,5 17 | |
| 2,0 23 | |
| 2,5 28 | |
| 3,0 34 | |
| 3,5 39 | |
| 4,0 45 | |
| 4,5 50 | |
| 5,0 56 | |
| 5,5 62 | |
| 6,0 67 | |
| 6,5 73 | |
| 7,0 78 | |
| 7,5 84 |

text_image
Amin
B) Installeer in een ruimte met een verlagingshoogte van ≤ 0,125 [m]

text_image
Hoogte vanaf de onderkant maximaal 0,125 [m] Hoogte vanaf de onderkant maximaal 0,125 [m]C) Zorg voor een adequate ventilatie-opening.
Zorg ervoor dat de breedte van de ventilatie-opening minimaal 0,9 [m] en de hoogte van de ventilatie-opening minimaal 0,15 [m] is. De hoogte vanaf de onderkant van de installatieruimte tot de onderrand van de ventilatie-opening mag echter maximaal 0,125 [m] zijn. De ventilatie-opening moet minimaal 75% opening bieden.

text_image
Minimaal 75% opening Breedte minimaal 0,9 [m] Hoogte vanaf de onderkant maximaal 0,125 [m] Hoogte minimaal 0,15 [m]3. Het buitenapparaat installeren

④ M10 (3/8") bout
⑤ Basis
© Zo lang mogelijk.
© Uitstroomopening
⑤ Zet diep in de grond
Fig. 3-1
(mm)
- Zorg ervoor dat de eenheid op een stevig, waterpas oppervlak wordt geïnstalleerd om geratel tijdens het gebruik te voorkomen. (Fig. 3-1)
| Funderingsbout M10 (3/8") | |
| Dikte van het beton 120 mm | |
| Lengte van de bout 70 mm | |
| Draagkracht 320 kg |
- Zorg dat de lengte van de funderingsbout op een afstand van minder dan 30 mm van de onderkant van de basis komt.
- Zet de basis van de eenheid stevig vast met vier M10-funderingsbouten op een stevige ondergrond.
Installatie van het buitenapparaat
- Laat de uitstroomopening vrij. Als de uitstroomopening wordt geblokkeerd wordt de werking van het apparaat bemoeilijkt, waardoor storingen kunnen ontstaan.
- Gebruik naast de basis van het apparaat de installatieopeningen aan de achterzijde om waar nodig bedrading etc. te bevestigen. Gebruik zelftappende schroeven ( 5 × 15 mm of minder).

WAARSCHUWING:
- Het apparaat moet worden geïnstalleerd op een constructie die het gewicht ervan kan dragen. Als het apparaat wordt geïnstalleerd op een instabiele constructie, kan het vallen en schade of letsel veroorzaken.
- Het apparaat dient volgens de instructies te worden geïnstalleerd om het risico op beschadiging bij een aardbeving of storm te beperken. Een onjuist geinstalleerd apparaat kan vallen en schade of letsel veroorzaken.

VOORZICHTIG:
- Installeer het apparaat op een stevig oppervlak om overmatig bedrijfslawaai en trillingen te voorkomen.
4.1. Voorzorgsmaatregelen voor apparaten die gebruikmaken van R32-koelstof
- Zie 1.5. voor niet hieronder vermelde voorzorgsmaatregelen voor de buitenunit die gebruikmaakt van R32-koelmiddel.
- Gebruik esterolie, etherolie of alkylbenzeen (in kleine hoeveelheden) als koelolie om de aansluitingsoppervlakken af te dichten.
- Gebruik fosforhoudende, zuurstofarme, naadloze C1220-pijpen van koper of koperlegeringen als koelstofpijpen. Gebruik koelstofpijpen van de in de onderstaande tabel aangegeven dikte. Controleer of de binnenkant van de pijpen schoon is en vrij van schadelijke stoffen zoals zwavelverbindingen, oxidanten, vuil of stof.
Gebruik altijd niet-oxiderend soldeer wanneer u de pijpen soldeert, anders raakt de compressor beschadigd.
| Afmeting pijp (mm) | ∅6,35 ∅ | 9,52 ∅12 | 7 ∅15,88 | |
| Dikte (mm) | 0,8 0,3 | 0,8 1,0 |
Gebruik bij het installeren, onderhouden of verplaatsen van de buitenunit uitsluitend het voorgeschreven koelmiddel (R32) voor het vullen van de koelstofpijpen. Meng de koelstof niet met andere koelstoffen en let erop dat er geen lucht in de pijpen achterblijft. Als de koelstof wordt gemengd met lucht, kan dit een uitzonderlijk hoge druk in de koelstofpijp tot gevolg hebben. Dit kan resulteren in explosiegevaar en andere gevaren.
Als er een andere koelstof wordt gebruikt dan de voorgeschreven koelstof, heeft dit mechanische storingen, storingen van het systeem of uitvallen van het apparaat tot gevolg. In het ergste geval kan de veiligheid van het product ernstig in gevaar komen.
- Gebruik geen dunnere pijpen dan hierboven aangegeven.
- Gebruik een pijp die geschikt is voor de maximaal toegestane druk voor de buitenunit.
Voor pijpen met een grotere diameter is een wand-dikte vereist die ligt boven de waarden die in de tabel zijn aangegeven.
De maximaal toegestane druk wordt aangegeven op het naamplaatje.
- Gebruik 1/2 H- of H-leidingen als de diameter 19,05 mm of groter is.
Zorg voor adequate ventilatie ter voorkoming van ontsteking. Voer ook brandpreventiemaatregelen uit zodat er zich geen gevaarlijke of brandbare objecten in de omgeving bevinden.
4. Installeren van de koelstofleidingen

text_image
45° ± 2° 90° ± 0.5° R0.4 - R0.8 (mm) Verloopstuk Flensmoer Mannelijke zijde Vrouwelijke zijde Zet het verloopstuk vast met een sleutel. Draai de flensmoer vast met een momentsleutel.Fig. 4-1
Ⓐ Afsnijmaten tromp
① Aanhaalmoment flensmoer
Ⓐ (Fig. 4-1)
| Buitendiameter koperen pijp (mm) | Afmetingen tromp øA (mm) |
| ø6,35 8,7 - 9,1 | |
| ø9,52 12,8 - 13,2 | |
| ø12,7 16,2 - 16,6 | |
| ø15,88 19,3 - 19,7 | |
| ø19,05 23,6 - 24,0 |
© (Fig. 4-1)
| Buitendiameter koperen pijp (mm) | Buitendiameter flensmoer (mm) | Aanhaalmoment (N·m) |
| ø6,35 17 14 - 18 | ||
| ø6,35 22 34 - 42 | ||
| ø9,52 22 34 - 42 | ||
| ø12,7 26 49 - 61 | ||
| ø12,7 29 68 - 82 | ||
| ø15,88 29 68 - 82 | ||
| ø15,88 36 100 - 120 | ||
| ø19,05 36 100 - 120 |

text_image
A A B④ Optrompgereedschap
© Koperen pijp
Fig. 4-2
4.2. Aansluiten van de pijpen (Fig. 4-1)
- Als u koperen pijpen gebruikt, moet u de vloeistof- en gaspijpen met isolatiemateriaal bekleden (hittebestendig tot 110°C, dikte van 12 mm of meer). Direct contact met de onbedekte leidingen kan leiden tot brandwonden of bevriezing.
- Doe een dun laagje koelmachineolie op de leiding en het aansluitingsoppervlak voordat u de "flare"-moer vastdraait. Ⓐ
- Breng koelolie aan op de aansluitingsoppervlakken. ⑪
- Gebruik de flensmoeren voor de volgende pijpafmetingen. ©
- Voor de aansluiting moet u eerst het midden uitlijnen en vervolgens draait u de optrompmoer met de hand 3 tot 4 slagen vast.
- Draai met gebruik van 2 pijptangen de aansluitende leidingen vast.
- Gebruik, nadat alle aansluitingen gemaakt zijn, een lekkagedetector of zeepsop om te controleren of er gaslekken zijn.
| SWM60 - 140, SHWM60 - 140 | ||
| Gaszijde Afmeting leiding (mm) ø12,7 of ø15,88 | ||
| Vloeistofzijde | Afmeting leiding (mm) ø6,35 | |
- Let er bij het buigen van de pijpen op dat u deze niet breekt. Een buigstraal van 100 mm tot 150 mm is voldoende.
- Zorg ervoor dat de pijpen niet in contact komen met de compressor en basisplaat van de compressor. Hierdoor kunnen ongewone geluiden of trillingen ontstaan.
① Begin met het aansluiten van de pijpen bij het binnenapparaat.
Trek de flensmoeren aan met een momentsleutel.
② Tromp de vloeistof- en gaspijpen op en breng een dun laagje koelolie aan op de aansluitingsoppervlakken. - Als een gewoon pijpafdichtmiddel wordt gebruikt, zie dan Tabel 1 voor het op- trompen van R32-koelstofpijpen. Gebruik de maatafstemmingsmeter om de afmetingen A te controleren.
Tabel 1 (Fig. 4-2)
| Buitendiameter koperen pijp (mm) | A (mm) |
| Optrompgereedschap voor R32 | |
| Type koppeling | |
| ø6,35 (1/4") 0 - 0,5 | |
| ø9,52 (3/8") 0 - 0,5 | |
| ø12,7 (1/2") 0 - 0,5 | |
| ø15,88 (5/8") | 0 - 0,5 |
| ø19,05 (3/4") | 0 - 0,5 |

WAARSCHUWING:
Als u het apparaat installeert, zet de koelmiddelleidingen dan stevig vast voordat u de compressor start.
4. Installeren van de koelstofleidingen

④ Pijpbedekking voor
⑤ Pijpbedekking achter
© Afsluitkraan
⑭ Onderhoudspaneel
⑤ Bulgstraal : 100 mm - 150 mm
4.3. Koelleidingen (Fig. 4-3)
Verwijder het onderhoudspaneel (4 schroeven), de pijpbedekking voor (2 schroeven) en de pijpbedekking achter (4 schroeven).
- Sommige rubberen bevestigingen kunnen poeder afgeven, maar dit vormt geen enkel probleem voor het gebruik van de buitenunit.
- Laat geen enkele koelmiddelleiding in contact komen met de basisplaat. Het doorgeven van trillingen van de buitenunit naar de binnenunit kan geluiden veroorzaken.
① Maak de verbindingen van de koelstofleidingen voor het binnen-/buitenapparaat als het afsluitkraan van het buitenapparaat geheel gesloten is.
② Ontlucht de binnenunit en de verbindingsleidingen.
③ Controleer na het aansluiten van de koelstofpijpen de pijpen en het binnenapparaat op gaslekkage. (Zie 4.4. 'Luchtdichtheid van de koelstofpijpen testen'.)
④ Zet een sterke vacuümpomp op de onderhoudsopening van de afsluilkraan en handhaaf nadat u -101 kPa (5 Torr) bereikt het vacuüm voldoende lang (minstens een uur) om de binnenzijde van de pijpen te vacuümdrogen. Controleer de mate van vacuüm allijd op het verdeelventiel. Als er nog vocht in de pijp zit, wordt de mate van vacuüm soms niet bereikt in een korte tijd van vacuüm toepassen.
Zet na het vacuümdrogen de afsluitkranen (van zowel vloeistof als gás) voor het buitenapparaat geheel open. Hierdoor worden de koelstofpijpen van binnen- en buitenapparaat volledig met elkaar verbonden.
- Indien u onvoldoende vacuümdroogt, blijven lucht en waterdamp achter in de koelstofpijpen wat kan leiden tot abnormale stijging van hoge druk, abnormale daling van lage druk, achteruitgang van de koelmachineolie door vocht, etc.
- Als het apparaat wordt ingeschakeld terwijl de afsluitkranen nog gesloten zijn, zullen de compressor en de regelkraan beschadigd raken.
- Gebruik een lekdetector of zeepsop om de pijpverbindingen van het buitenapparaat te controleren.
- Gebruik niet de koelstof uit het apparaat voor het verwijderen van lucht uit de koelstofleidingen.
- Trek na voltooiing van de procedure de kraandoppen aan tot het juiste aan-haalmoment: 20 tot 25 N·m (200 tot 250 kgf·cm).
Als de doppen niet worden teruggeplaatst en aangetrokken, kan koelstoflekkage optreden. Let erop dat de binnenzijde van de kraandoppen niet wordt beschadigd, aangezien deze werken als een afdichting die koelstoflekkage voorkomt.
⑤ Dicht de uiteinden van het isolatiemateriaal bij de pijpverbindingen af met afdicht-middel om te voorkomen dat er water onder het isolatiemateriaal doordringt.
4. Installeren van de koelstofleidingen

Afsluitkraan
© Afsluitkraan
© Serviceansluiting
© Serviceanslutting
① Open-/sluitgedeelte

© Plaatselijke leiding
© Afgesloten, idem voor gaszijde
⑬ Pijpafdekking
Fig. 4-4
(1)

④ Ventielhuis
® Zijde van het apparaat
© Handgreep
© Kap
© Zijde van de plaatselijke leiding
© Pijpbedekking
© Serviceaansluiting
Ventiel
① Voor twee sleutels
(Gebruik alleen hier een sleutel. Op andere plaatsen veroorzaakt u daarmee koelstoflekkages.)
Af te dichten
(Dicht het einde van het isolatiemateriaal bij de pijpverbinding af met een afdichtmiddel dat u voorhanden heeft zodat geen water het isolatiemateriaal binnendringt.)

* De figuur links is slechts een voorbeeld. De vorm van de afsluitkraan, de plaats van de onderhoudsopening, enzovoort, kunnen per model verschillen.
* Draai alleen gedeelte ③.
(Trek gedeelten Ⓐ en Ⓞ niet verder aan.)
© Vulslang
© Onderhoudsopening
Fig. 4-7
4.4. Luchtdichtheid van de koelstofpijpen testen (Fig. 4-4)
(1) Sluit het testgereedschap aan.
- Controleer of de afsluitkranen Ⓐ en Ⓑ zijn gesloten en open deze niet.
- Zet druk op de koelstofpijpen via de onderhoudsopening ① van de gasafsluitkraan ⑧.
(2)Voor de druk niet meteen op tot de opgegeven waarde, maar verhoog deze betie bij beetie.
① Voer de druk op tot 0,5 MPa (5 kgf/cm²G), wacht vijf minuten en controleer vervolgens of de druk niet terugloopt.
© Voer de druk op tot 1,5 MPa (15 kgf/cm²G), wacht vijf minuten en controleer vervolgens of de druk niet terugloopt.
③ Voer de druk op tot 4,15 MPa (41,5 kgf/cm²G) en meet de omgevingstemperatuur en koelstofdruk.
(3)Als de gespecificeerde druk ongeveer een dag lang aanwezig blijft en niet terugloopt, zijn de pijpen in orde en zijn er geen lekkages.
- Als de omgevingstemperatuur verandert met 1°C zal de druk veranderen met ongeveer 0,01 MPa (0,1 kgf/cm²G). Voer de nodige aanpassingen uit.
(4) Als de druk in stap (2) of (3) terugloopt, is er een gaslek. Zoek het lek.
4.5. Wijze van openen van de afsluitkraan
De wijze van openen van de afsluitkraan varieert met het model buitenapparaat. Open de afsluitkranen op de wijze die in uw situatie van toepassing is.
(1) Vloeistofzijde (Fig. 4-5)
① Verwijder de kap en draai de kraanstang zo ver mogelijk tegen de klok in met behulp van een 4mm-inbussleutel. Stop met draaien wanneer de nok wordt bereikt. (Circa 4 giri)
② Let erop dat de afsluitkraan geheel open is, druk de hendel in en draai de kap terug naar de oorspronkelijke stand.
(2) Gaszijde (Fig. 4-6)
① Verwijder de kap en draai de kraanslang zo ver mogelijk tegen de klok in met behulp van een 4mm-inbussleutel. Stop met draaien wanneer de nok wordt bereikt. (Circa 9 giri)
② Let erop dat de afsluitkraan geheel open is, druk de hendel in en draai de kap terug naar de oorspronkelijke stand.
Koelvloeistofpijpen hebben isolerende bekleding
- De pijpen kunnen zowel voor als na het aansluiten worden bekleed met isolatiemateriaal met een dikte van maximaal ø90. Snij het isolatiemateriaal langs de groef open en breng het op de pijpen aan.
Inlaatopening voor de pijpen - Dicht de inlaatopeningen rond de pijpen grondig af met afdichtmiddel of kit. (Als de openingen niet worden gedicht, kan er geluid door hoorbaar zijn of kunnen water en stof het apparaat binnendringen en storingen veroorzaken.)

VOORZICHTIG:
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van de vulkraan (Fig. 4-7)
Trek de onderhoudsopening niet overmatig aan tijdens het installeren. Hierdoor kan de binnenkant van de kraan vervormen en los gaan zitten, wat kan leiden tot een gaslek.
Draai nadat u gedeelte Ⓑ in de gewenste richting hebt geplaatst alleen gedeelte Ⓐ en trek dit gedeelte aan.
Trek gedeelten Ⓐ en Ⓑ niet verder aan, nadat u gedeelte Ⓐ hebt vastgedraaid.
4.6. Bijvullen van koelmiddel

WAARSCHUWING:
- Wanneer het systeem wordt gevuld met in totaal meer dan 1,84 kg koelmiddel, gelden er minimum-eisen voor het vloeroppervlak voor de binnenunit waaraan u moet voldoen. Raadpleeg de installatie-handleiding van de binnenunit voor meer informatie.
- De ongevulde leidinglengte hangt af van het gebruik, dus controleer de onderstaande tabel.
- Als de leidinglengte meer bedraagt dan de ongevulde leidinglengte, vul dan bij met R32-koelmiddel aan de hand van de volgende procedure.
* Wanneer de unit is gestopt, moet u de unit bijvullen met koelmiddel via de gasafsluitkraan na de verlengpijpen en de binnenunit vacuum te hebben getrokken.
Voeg als het apparaat in werking is koelstof toe via de gaskeerklep met behulp van een veiligheidsvulapparaat. Vul niet rechtstreeks vloeibare koelstof bij via de keerklep.
* Noteer na het bijvullen van het apparaat de hoeveelheid bijgevulde koelstof op het aan het apparaat bevestigde onderhoudslabel.
Zie de paragraaf "1.5. Gebruik van buitenapparaten met R32-koelstof" voor meer informatie.
* Bereken de hoeveelheid bij te vullen koelstof op basis van de formule in de onderstaande tabel. Wanneer de berekende totale hoeveelheid koelstof (oorspronkelijke hoeveelheid + bij te vullen hoeveelheid) groter is dan de hieronder aangegeven maximale hoeveelheid, vermindert u de bij te vullen hoeveelheid totdat de totale hoeveelheid overeenkomt met de aangegeven maximale hoeveelheid.
R32 bijvullen bij onderhoud: Zorg ervoor dat elektrische vonken geen explosiegevaar kunnen vormen, voordat de apparatuur bij onderhoud wordt bijgevuld met R32. De apparatuur moet voordien volledig worden losgekoppeld van de stroomtoevoer.
| Alleen verwarming | Begin-hoe-veel-heid | Voorgevul-de lei-dinglengte | Toege-stane lei-dingleng-te | Toege-staan vertical verschil | Lei-dinglengte | 2 tot 3 m | -5 m | -10 m | -15 m | -20 m | -25 m | -30 m | -35 m | -40 m | -45 m | -50 m | Max.hoeveel-heid | ||
| PUZ-S(H)WM60/80/100AA | 1,80 kg | 35 | m -50 m | -30 m | Totale hoeveel-heid, kg | 1,30 *2 | 1,40 *2 | 1,50 *2 | 1,60 *2 | 1,70 *2 | 1,80 | 2,00 | 2,10 | 2,20 | 2,20 kg | ||||
| Bij te vullen hoeveel-heid, kg | - | - | - | - | - | - | - | - | +0,20 | +0,30 | +0,40 | ||||||||
| S(H)WM120/140AA | 1,80 kg | 30 m -50 m | -30 m | Totale hoeveel-heid, kg | 1,50 *2 | 1,60 *2 | 1,70 *2 | 1,80 | 1,80 | 2,00 | 2,20 | 2,30 | 2,40 | 2,40 kg | |||||
| Bij te vullen hoeveel-heid, kg | - | - | - | - | - | - | - | +0,20 | +0,40 | +0,50 | +0,60 | ||||||||
| Omkeerbaar(koeling en verwarming) | Begin-hoe-veel-heid | Voorgevul-de lei-dinglengte | Toege-stane lei-dingleng-te | Toege-staan verticalaalsverschil | Lei-dinglengte | 2 tot3 m | -5 m | -10 m | -15 m | -20 m | -25 m | -30 m | -35 m | -40 m | -45 m | -50 m | Max.hoeveel-heid | ||
| PUZ- | S(H)WM60/80/100AA 1,80 kg 15 | m -50 m | -30 m | Totalehoeveel-heid, kg | 1,70 *2 | 1,80 | 1,80 | 1,90 | 2,00 | 2,10 | 2,20 | 2,30 | 2,40 | 2,40 kg | |||||
| Bij te vullenhoeveel-heid, kg | - | - | - | - | +0,10 | +0,20 | +0,30 | +0,40 | +0,50 | +0,60 | |||||||||
| S(H)WM120/140AA | 1,80 kg | Geen. *1 | -30 m | -30 m | Totalehoeveel-heid, kg | 2,20 | 2,30 | 2,40 | 2,40 kg | ||||||||||
| Bij te vullenhoeveel-heid, kg | +0,40 | +0,50 | +0,60 | ||||||||||||||||
*1 De leidinglengte van 5 m is bruikbaar als de onderstaande situaties toegestaan zijn.
- De maximale koelcapaciteit kan met meer dan 20 procent afnemen. In dit geval komt de koelefficiëntie lager te liggen en gaat de input bovendien omhoog.
- De langere leidingen of de binnenunit kunnen het geluid van stromend water veroorzaken.
*2 Deze waarden zijn alleen aanbevolen bij het opnieuw vullen van het systeem. Bij de eerste installatie is aanpassing voor de hoeveelheden koelmiddel niet nodig.
*3 Wanneer de watertemperatuur wordt ingesteld op 60 °C of hoger, moet u de hoeveelheid koelmiddel voor "omkeerbaar" toevoegen, ook bij gebruik in de stand "alleen verwarmen".
Anders werkt het systeem mogelijk niet door een tekort aan koelmiddel.
5. Installatie van Draineerbuizen
Aansluiting van de draineerleidingen van het buitenapparaat (PUZ-SWM)
Wanneer een afvoerleiding benodigd is, moet u een aftapbus of een afvoervat (optioneel) gebruiken.
Opmerking:
Gebruik de afvoerbus en het afvoervat niet in koude gebieden.
De afvoer kan dan bevriezen waardoor de ventilator stopt.
| Aftapbus PAC-SG61DS-E |
| Afvoervat PAC-SJ83DP-E |
6. Waterleidingwerk
6.1. Minimumhoeveelheid water
Raadpleeg de installatiehandleiding van de binnenunit.
6.2. Mogelijk bereik (waterdebiet, retourwatertemp.)
Zorg binnen het watercircuit voor de waterstroomsnelheid en het retourtemperatuurbereik zoals hieronder aangegeven.
Deze curves zijn gerelateerd aan de hoeveelheid water.
nl
■ Verwarmen
PUZ-SWM60, 80, 100
PUZ-SHWM60, 80, 100

PUZ-SWM120, 140
PUZ-SHWM120, 140

line
| Waterdebiet [L/min.] | Onbeschikbaar bereik | (Meer dan 60L) | (40L~60L) | (25L~40L) | Mogelijk bereik (15L~25L) | | --------------------- | --------------------- | -------------- | --------- | --------- | -------------------------- | | 12,016,020 | 20.0 | 19.5 | 19.0 | 20.5 | 26.0 | | 024,028 | 18.5 | 18.0 | 17.5 | 20.0 | 25.5 | | 032,036 | 17.0 | 16.5 | 16.0 | 19.5 | 25.0 | | 040,040 | 16.0 | 15.5 | 15.0 | 19.0 | 24.5 | | 12,016 | 14.5 | 14.0 | 13.5 | 18.5 | 24.0 | | 020,024 | 13.5 | 13.0 | 12.5 | 18.0 | 23.5 | | 024,028 | 13.0 | 12.5 | 12.0 | 17.5 | 23.0 | | 032,036 | 12.5 | 12.0 | 11.5 | 17.0 | 22.5 | | 040,040 | 12.0 | 11.5 | 11.0 | 16.5 | 22.0 |Opmerking:
Blijf buiten het onbeschikbare bereik tijdens het ontdooien.
Anders wordt de buitenunit onvoldoende ontdooid en/of kan de warmtewisselaar van de binnenunit bevriezen.
■ Koelen
PUZ-SWM60, 80, 100
PUZ-SHWM60, 80, 100

line
| Waterdebiet [L/min.] | Retourwatertemp. [°C] | | ------------------- | --------------------- | | 10 | 13.5 | | 12 | 12.0 | | 14 | 10.5 | | 16 | 9.0 | | 18 | 8.0 | | 20 | 7.5 | | 22 | 7.0 |nl
PUZ-SWM120, 140
PUZ-SHWM120, 140

line
| Waterdebiet [L/min.] | Retourwatertemperatuur [°C] | | ------------------- | -------------------------- | | 14 | 16.5 | | 19 | 13.0 | | 24 | 11.0 | | 29 | 9.0 | | 34 | 8.0 | | 39 | 7.5 |Opmerking:
Blijf buiten het onbeschikbare bereik tijdens het ontdooien.
Anders wordt de buitenunit onvoldoende ontdooid en/of kan de warmtewisselaar van de binnenunit bevriezen.
6.3 Capaciteit corrigeren voor wijzigingen in de lengte en diameter van de koelmiddelleiding
De capaciteit hangt af van de lengte en de diameter van de koelmiddelleiding.
Controleer de lengte en de diameter om de airconditioner te gebruiken met voldoende capaciteit.
■ Verwarmen
PUZ-SWM60, 80, 100
PUZ-SHWM60, 80, 100

line
| Equivalent leidinglengte [m] | Capaciteits ratio | | ---------------------------- | ----------------- | | 01020304050 | 1.0 | | | 0.95 | | | 0.9 | | | 0.85 | | | 0.8 | | | 0.75 | | | 0.7 | | | 0.65 | | | 0.6 | | | 0.55 | | | 0.5 | | | 0.45 | | | 0.4 | | | 0.35 | | | 0.3 | | | 0.25 | | | 0.2 | | | 0.15 | | | 0.1 | | | 0.05 | | | 0.0 | | | -0.05 | | | -0.1 | | | -0.15 | | | -0.2 | | | -0.25 | | | -0.3 | | | -0.35 | | | -0.4 | | | -0.45 | | | -0.5 | | | -0.55 | | | -0.6 | | | -0.65 | | | -0.7 | | | -0.75 | | | -0.8 | | | -0.85 | | | -0.9 | | | -0.95 | | | -1.0 |nl
PUZ-SWM120
PUZ-SHWM120

line
| Equivalent leidinglengte [m] | Capaciteits ratio | | ---------------------------- | ------------------ | | 01020304050 | 1.0 | | 0.95 | 0.95 | | 0.9 | 0.9 |PUZ-SWM140
PUZ-SHWM140

line
| Equivalent leidinglengte [m] | Capacitels ratio | | ---------------------------- | ----------------- | | 01020304050 | 1.0 | | 01020304050 | 0.95 | | 01020304050 | 0.9 | | 01020304050 | 0.85 | | 01020304050 | 0.8 | | 01020304050 | 0.75 | | 01020304050 | 0.7 |6. Waterleidingwerk
■ Koelen
PUZ-SWM60, 80, 100
PUZ-SHWM60, 80, 100

line
| Equivalent leidinglengte [m] | Capacitels ratio (Diameter gasleiding: Ø15,88) | Capacitels ratio (Diameter gasleiding: Ø12,7) | | ---------------------------- | --------------------------------------------- | -------------------------------------------- | | 01020304050 | 1.0 | 1.0 | | 0.9 | ~0.95 | ~0.9 | | 0.8 | ~0.9 | ~0.8 | | 0.7 | ~0.85 | ~0.7 | | 0.6 | ~0.8 | ~0.6 | | 0.5 | ~0.75 | ~0.5 |
PUZ-SWM120
PUZ-SHWM120

line
| Equivalent leidingle | Capacitels ratio (ø15,88) | Capacitels ratio (ø12,7) | | :--- | :--- | :--- | | 01020304050 | 1.0 | 0.92 | | 01020304050 | 0.98 | 0.86 | | 01020304050 | 0.96 | 0.80 | | 01020304050 | 0.94 | 0.74 | | 01020304050 | 0.92 | 0.68 | | 01020304050 | 0.90 | 0.62 | | 01020304050 | 0.88 | 0.56 | | 01020304050 | 0.86 | 0.50 | The chart displays a single line representing the capacitance ratio as a function of leidingle length in meters. The dashed lines represent the diameter values for each gasleiding dimension. The x-axis is labeled 'Equivalente leidinglengte [m]', and the y-axis is labeled 'Capaciteits ratio'.PUZ-SWM140
PUZ-SHWM140

line
| Equivalent leidinglengte [m] | Capacitels ratio (Diameter gasleiding: Ø15.88) | Capacitels ratio (Diameter gasleiding: Ø12.7) | | ---------------------------- | --------------------------------------------- | --------------------------------------------- | | 01020304050 | 1.0 | 0.9 | | 000000 | 0.9 | 0.8 | | 000000 | 0.8 | 0.7 | | 000000 | 0.7 | 0.6 | | 000000 | 0.6 | 0.5 | | 000000 | 0.5 | 0.5 |7. Elektrische aansluitingen
7.1. Buitenapparaat (Fig. 7-1, Fig. 7-2)
① Verwijder het onderhoudspaneel.
② Sluit de kabels aan aan de hand van Fig. 7-1 en Fig. 7-2.

text_image
Voor voeding A Binnenapparaat (Interface unit/ Stroming temp. besturing) Buitenapparaat Afstandsbediening Hoofdschakelaar (Aardlekschakelaar) AardingFig. 7-1

text_image
■ Enkele fase ■ Drle fases Fig. 7-2Aansluitblok
© Aansluitblok binnen-buitenverbinding (S1, S2, S3)
④ Onderhoudspaneel
① Aarde-aansluiting
K Leid de kabels zodanig dat ze geen contact maken met het midden van het onderhoudspaneel.
Opmerking:
Als tijdens onderhoud de beschermende laag voor de elektrische kast is verwijderd, dient u deze weer aan te brengen.

VOORZICHTIG:
Zorg dat u de N-Line installeert. Zonder N-Line, kan het toestel beschadigd raken.
7.2. Elektrische bedrading op de plaats van installatie
| Model buitenunit | SWM60VSHWM60V | SWM80V | SHWM80VSWM100V | SHWM100V | SWM120/140VSHWM120V | |
| Buitenapparaat voeding | ~/N (Eenfase),50 Hz, 230 V | ~/N (Eenfase),50 Hz, 230 V | ~/N (Eenfase),50 Hz, 230 V | ~/N (Eenfase),50 Hz, 230 V | ~/N (Eenfase),50 Hz, 230 V | |
| Ingangsvermogen buitenunit Hoofdschakelaar (stroomverbreker) *1 16 | A 20 A 25 A 30 A 32 A | |||||
| BedradingAantal draden ×dikte in (mm2) | Buitenapparaat voeding 3 × Min. 2,5 3 × Min. 2,5 3 × Min. 2,5 3 × Min. 4 3 × Min. 4 | |||||
| Binnenapparaat-Buitenapparaat *2 3 × 1,5 (Polar) 3 × 1,5 (Polar) 3 × 1,5 (Polar) 3 × 1,5 (Polar) | ||||||
| Aarde voor verbindingskabel tussenbinnenunit/buitenunit *2 | 1 × Min. 1,5 1 × Min. 1,5 1 | × Min. 1,5 1 × Min. 1,5 1 | × Min. 1,5 | |||
| Aansluitkabel tussen afstandsbediening enbinnenapparaat *3 | 2 × 0,3 (Geen polariteit) | 2 × 0,3 (Geen polariteit) | 2 × 0,3 (Geen polariteit) | 2 × 0,3 (Geen polariteit) | 2 × 0,3 (Geen polariteit) | |
| Nominaalvermogensstroomkring | Buitenapparaat L-N (Eenfase)Buitenapparaat L1-N, L2-N, L3-N (3 fasen) *4 | 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 230 V AC 2 | 28 V DC | 28 V DC | 28 V DC | 28 V DC |
| Aansluitkabel tussen afstandsbediening enbinnenapparaat *4 | 12 V DC | 12 V DC | 12 V DC | 12 V DC | 12 V DC | |
| Model buitenunit | SHWM140V | SWM80 - 140YSHWM80 - 140Y | |
| Buitenapparaat voeding | -/N (Eenfase),50 Hz, 230 V | 3N- (3 fasen, 4 draden),50 Hz, 400 V | |
| Ingangsvermogen buitenunit Hoofdschakelaar (stroomverbreker) *1 40 | A 16 A | ||
| BedradingAantal draden × dikte in (mm2) | Buitenapparaat voeding | 3 × Min. 6 5 × Min. | 1,5 |
| Binnenapparaat-Buitenapparaat *2 3 × 1,5 (Polar) 3 × 1,5 (Polar) | |||
| Aarde voor verbindingskabel tussen binnenunit/buitenunit *2 | 1 × Min. 1,5 1 × Min. 1,5 | ||
| Aansluitkabel tussen afstandsbediening en binnenapparaat *3 | 2 × 0,3 (Geen polariteit) 2 | × 0,3 (Geen polariteit) | |
| Nominaal vermogen stroomkring | Buitenapparaat L-N (Eenfase)Buitenapparaat L1-N, L2-N, L3-N (3 fasen) *4 | 230 V AC 230 V AC | |
| Binnenapparaat-Buitenapparaat S1-S2 *4 230 V AC 230 V AC | |||
| Binnenapparaat-Buitenapparaat S2-S3 *4 28 V DC | 28 V DC | ||
| Aansluitkabel tussen afstandsbediening en binnenapparaat *4 | 12 V DC | 12 V DC | |
*1. Gebruik een aardlekschakelaar (NV) met een contactopening van minimaal 3,0 mm per pool.
Let erop dat de stroomonderbreker geschikt is voor de aanwezigheid van hogere harmonischen.
Gebruik altijd een stroomonderbreker die geschikt is voor de aanwezigheid van hogere harmonischen, aangezien dit apparaat is uitgerust met een omvormer.
Een onjuiste stroomonderbreker kan leiden tot verkeerde werking van de omvormer.
*2. Max. 45 m
Bij toepassing van 2,5 mm², max. 50 m
Bij toepassing van 2,5 mm² en gescheiden S3, max. 80 m
*3. De afstandsbediening is voorzien van een kabel van 10 m.
*4. De cijfers zijn NIET altijd van toepassing bij aarding.
S3-terminal heeft 28 V DC in tegenstelling tot S2-terminal. Tussen S3 en S1 zijn deze terminals niet elektrisch geïsoleerd door de transformator of een ander apparaat.
Opmerkingen: 1. De afmeting van de bedrading moet voldoen aan de van toepassing zijnde locale en nationale norm.
2. De voedingskabels en de verbindingskabels van de binnen- en buitenapparaten mogen niet lichter zijn dan met polychloropreen bekleede flexikabels. (Ontwerp 60245 IEC 57)
3. Zorg dat u de kabels tussen het interface-apparaat /stroming temp. besturing en het buitenapparaat direct verbindt met de apparaten (geen tussenverbindingen toegestaan).
Tussenverbindingen kunnen resulteren in communicatiefouten. Als water binnendringt bij het tussenverbindingpunt, kan dit leiden tot onvoldoende isolatie voor aarding of een slecht elektronisch contact.
(Als een tussenverbinding nodig is, zorg dan dat u maatregelen neemt om de voorkomen dat water de kabels binnendringt.)
4. Breng een aarding aan die langer is dan de andere kabels.
5. Construeer geen systeem waarvan de stroomtoevoer regelmatig AAN en UIT wordt gezet.
6. Gebruik zelf-dovende distributiekabels voor de bedrading van de stroomtoevoer.
7. Leid de bedrading zodanig dat er geen contact wordt gemaakt met de metalen rand of punten van schroeven.

flowchart
graph LR
A["Voedingsspanning enkelfasig"] --> B["Isolator"]
B --> C["3-polige isolator"]
C --> D["Binnenunit (Interface unit/ Stroming temp. besturing)"]
E["Buitenapparaat S1"] --> C
F["Buitenapparaat S2"] --> C
G["Buitenapparaat S3"] --> C

WAARSCHUWING:
- Bij het aansluiten van A-control dient u er rekening mee te houden dat er een hoge spanning op aansluiting S3 staat. Dit komt door het ontwerp van het elektrische circuit, dat geen elektrische scheiding kent tussen de leiding van de krachtstroom en de leiding van het communicatiesignaal. Zet daarom de hoofdschakelaar uit als u onderhoud wilt uitvoeren. En raak de aansluitingen S1, S2 en S3 niet aan bij ingeschakelde spanning. Als u tussen de binnen- en buitenunit een isolator wilt toepassen, gebruik dan een isolator van het 3-polige type.
Voorkom rookvorming, brand en communicatiestoringen en splijt derhalve de voedingskabel en de kabel tussen het binnen- en buitenapparaat niet.
8.1. Voordat u gaat proefdraaien
▶ Controleer nadat u de binnen-en buitenapparaten, inclusief pijpen en bedrading, volledig heeft geïnstalleerd het geheel op lekken van koelstof, losse elektrische contacten in voeding of besturingsbedrading en polariteit en controleer of er geen verbrekling van een fase in de voeding is.
▶ Controleer met behulp van een megohmmeter van 500 volt of de weerstand tussen de netspanningsaansluitpunten en de aarde minimaal 1 MΩ bedraagt.
▶ Voer deze test niet uit op de aansluitpunten van de besturingsbedrading (laagspanningscircuit).

WAARSCHUWING:
U mag de buitenunit niet gebruiken als de isolatie- weerstand minder dan 1 MΩ bedraagt.
Isolatieweerstand
Na de installatie of nadat de voeding van het apparaat langere tijd is uitgeschakeld, daalt de isolatieweerstand tot onder 1 MΩ door de ophoping van koelstof in de compressor. Dit is geen storing. Volg de onderstaande procedures.
- Haal de bedrading van de compressor los en meet vervolgens de isolatieweerstand van de compressor.
- Als de isolatieweerstand lager is dan 1 MΩ, is de compressor defect of is de weerstand gedaald door de ophoping van koelstof in de compressor.
- Sluit de bedrading van de compressor weer aan en schakel de voeding in. De compressor zal nu beginnen met warmdraaien. Meet de isolatieweerstand opnieuw nadat de voeding gedurende de hieronder aangegeven periode is ingeschakeld.
- De isolatieweerstand daalt door de ophoping van koelstof in de compressor. De weerstand stijgt tot boven 1 MΩ nadat de compressor 4 uur heeft warmgedraaid.
(De tijd die de compressor nodig heeft om warm te draaien varieert afhankelijk van de atmosferische omstandigheden en de ophoping van koelstof.)
- Bij ophoping van koelstof in de compressor moet deze voor gebruik ten minste 12 uur warmdraaien om storingen te voorkomen.
- Als de isolatieweerstand stijgt tot boven 1 MΩ, is de compressor niet defect.

VOORZICHTIG:
- De compressor werkt uitsluitend als de fase-aansluiting van de netspanning correct is.
- Zet de netspanningschakelaar ruim 12 uur voordat u de airconditioner gaat gebruiken aan.
- Als u het apparaat meteen nadat u de netschakelaar heeft omgedraaid aanzet, kunnen de interne onderdelen ernstig beschadigd worden. Gedurende het seizoen waarin u het apparaat gebruikt, moet u de netschakelaar altijd aan laten staan.
-
Om de compressor te beschermen draait de buitenunit mogelijk NIET wanneer de volgende twee situaties van toepassing zijn.
-
De buitenunit heeft enige tijd geen stroom gekregen.
- Het vriest.
Het kan tot 12 uur duren voordat de unit weer draait.
▶ Controleer ook het volgende.
- Het buitenapparaat is niet defect. LED1 en LED2 op het bedieningspaneel van het buitenapparaat knipperen als het apparaat defect is.
- Zowel de gas- als vloeistofafsluitkraan staan volledig open.
- Het DIP-schakelaarpaneel op het bedieningspaneel van het buitenapparaat is voorzien van een beschermplaatje. Verwijder het beschermplaatje om de DIP-schakelaars eenvoudig te kunnen bedienen.
8.2. Proefdraaien
8.2.1. Afstandsbediening gebruiken
Zie installatiehandleiding binnenapparaat.
Opmerking :
Af en toe kan damp, veroorzaakt door de ontdooiende werking erop lijken alsof er rook uit de buitenste behuizing komt.
9. Speciale functies
A

flowchart
graph LR
A["SW1"] --> B["X"]
B --> C["Output CNDM"]
D["Input X"] --> E["Output CNDM"]
F["Rood"] --> G["Output CNDM"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#fcc,stroke:#333
⑥ Voorbeeld van elektrisch schema
(stille werking)
© Indeling ter plaatse
© Externe invoeradapter
(PAC-SC36NA-E)
X: Relais
© Bedieningspaneel buitenapparaat
© Max. 10 m
© Stroomvoorziening voor relais
A

flowchart
graph LR
A["SW2"] --> B["X"]
C["SW3"] --> D["Y"]
B --> E["Crabige"]
D --> E
E --> F["CNDM"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#f9f,stroke:#333
style F fill:#ccf,stroke:#333
② Voorbeeld van elektrisch schema (Vraagfunctie)
⑧ Indeling ter plaatse
X, Y: Relais
© Externe invoeradapter (PAC-SC36NA-E)
⑬ Bedieningspaneel buitenapparaat
© Max. 10 m
⑤ Stroomvoorziening voor relais
9.1. Stille werking (wijziging ter plaatse) (Fig. 9-1)
9.1.1. De CNDM-connector gebruiken (optie)
Als u de onderstaande wijziging uitvoert, kunt u het bedrijfsgeluid van de buitenunit verminderen.
De stille werking kan worden geactiveerd door installatie van een in de handel verkrijgbare timer of het omzetten van een ON/OFF-schakelaar op de CNDM-stekker (afzonderlijk verkrijgbaar) op het bedieningspaneel van het buitenapparaat.
- Het resultaat varieert afhankelijk van de buitentemperatuur, weersomstandigheden etc.
① Breidt het circuit uit zoals afgebeeld bij gebruik van de externe invoeradapter (PAC-SC36NA-E). (Afzonderlijk verkrijgbaar)
② SW7-1 (Bedieningspaneel buitenapparaat): OFF
③ SW1 op ON: Stille werking
SW1 op OFF: Normale werking
9.1.2. Afstandsbediening gebruiken
Zie installatiehandleiding binnenapparaat.
9.2. Vraagfunctie (wijziging ter plaatse) (Fig. 9-2)
Door de volgende wijziging uit te voeren, kan het energieverbruik worden teruggedrongen met 0-100% van het normale verbruik.
De vraag-functie kan worden geactiveerd door installatie van een in de handel verkrijgbare timer of het omzetten van een ON/OFF-schakelaar op de CNDM-stekker (afzonderlijk verkrijgbaar) op het bedieningspaneel van het buitenapparaat.
① Breidt het circuit uit zoals afgebeeld bij gebruik van de externe invoeradapter (PAC-SC36NA-E). (Afzonderlijk verkrijgbaar)
② Door het omzetten van de schakelaars SW7-1 op het bedieningspaneel van het buitenapparaat, kan het energieverbruik met de volgende percentages worden beperkt (in vergelijking met het normale verbruik):
| SW7-1 SW2 SW3 | Energieverbruik | |||
| Vraag-functie | ON | OFF | OFF | 100% |
| ON | OFF | 75% | ||
| ON | ON | 50% | ||
| OFF | ON | 0% (Stop) | ||
9.3. Terugwinnen van de koelstof (leegpompen)
Volg de onderstaande procedures voor het terugwinnen van de koelstof bij verplaatsing van het binnen- of buitenapparaat.
① Elektrische voeding (stroomonderbreker).
* Controleer als de voeding is ingeschakeld of "CENTRALLY CONTROLLED" wordt weergegeven op de afstandsbediening. Als "CENTRALLY CONTROLLED" wordt weergegeven, kan de koelstof niet op normale wijze worden teruggewonnen.
* Ongeveer 3 minuten na het inschakelen van de voeding (netschakelaar) wordt de communicatie tussen de binnen- en buitenapparaat gestart. Start het leegpompen 3 tot 4 minuten na het inschakelen van de voeding (netschakelaar).
* Ingeval u meerdere units bedient, koppelt u, voordat u inschakelt, eerst de bedrading tussen de hoofdbinnenunit en de hulpbinnenunit los. Raadpleeg de installatiehandleiding van de binnenunit voor meer informatie.
② Zet na het sluiten van de vloeistofafsluitkraan de SWP-schakelaar op het bedieningspaneel van het buitenapparaat op ON. De compressor (buitenapparaat) en ventilators (binnen- en buitenapparaat) slaat aan en het terugwinnen van de koelstof begint. LED1 en LED2 op het bedieningspaneel van het buitenapparaat branden.
* Zet de SWP-schakelaar (drukknop) alleen op ON als het apparaat stopt. Zelfs als het apparaat stopt en de SWP-schakelaar op ON wordt gezet binnen 3 minuten nadat de compressor is gestopt, kan het terugwinnen van de koelstof niet worden uitgevoerd. Wacht tot de compressor 3 minuten is gestopt en zet vervolgens de SWP-schakelaar weer op ON.
③ Sluit de gasafsluitkraan omdat het apparaat, nadat het opvangen van koelmiddel is voltooid (LED1 uit, LED2 brandt), binnen ongeveer 2 tot 3 minuten automatisch stopt. Als LED1 brandt en LED2 uit is en de buitenapparaat gestopt is, wordt het koelmiddel niet goed opgevangen. Open de vloeistofafsluitkraan volledig en herhaal stap ② na 3 minuten.
* Als het opvangen van het koelmiddel normaal voltooid is (LED1 uit, LED2 brandt), blijft het apparaat gestopt tot de voeding is uitgeschakeld.
④ Schakel de elektrische voeding uit (stroomonderbreker).
* Houd er rekening mee dat leegpompen misschien niet kan als de verlengstuk -ken erg lang zijn en er grote hoeveelheden koelmiddel in de verlengstukken zit. Bij het uitvoeren van de pompafschakelprocedure dient u erop te letten dat de lage druk verlaagd wordt naar bijna 0 MPa (meterstand).
WAARSCHUWING:
- Als u het koelmiddel uit het apparaat pompt, zet de compressor dan uit voordat u de koelmiddelleidingen losmaakt. De compressor kan barsten als er lucht etc. in komt.
- Voer geen leegpompwerkzaamheden uit als er een gaslek is. De aanzuiging van lucht of andere gassen veroorzaakt abnormaal hoge druk in de koelcyclus, wat tot ontploffing of letsel kan leiden.
10. Het systeem controleren
Stel het koeleradres in met de minischakelaar van het buitenapparaat.
SW1 functie-instelling
| SW1 instelling | Koelsto-fadres |
| ONOFF3 4 5 6 7 | 00 |
| ONOFF3 4 5 6 7 | 01 |
| ONOFF3 4 5 6 7 | 02 |
| SW1 instelling | Koelsto-fadres |
| 03 | |
| 04 | |
| 05 |
Opmerking:
a) Er kunnen maximaal 6 units worden verbonden.
b) Kies één model voor alle units.
c) Zie de installatiehandleiding van de binnenunit voor de instelling van de dip-schakelaar voor de binnenunit.
11. Specificatie
| Buitenunit | PUZ-SWM60VAA | PUZ-SWM80VAA PUZ | SWM100VAA PUZ | SWM120VAA PUZ-SW | WM140VAA | |
| Voedingsspanning V / Fase / Hz 230 / Eenfase / 50 | ||||||
| Afmetingen (B × H × D) m | m 1050 × 1040 × 480 | |||||
| Geluidsvermogenniveau *1 (Verwarming) | dB (A) | 54 58 | ||||
| Buitenunit | PUZ-SHWM60VAA | PUZ-SHWM80VAA P | UZ-SHWM100VAA P | UZ-SHWM120VAA P | UZ-SHWM140VAA | |
| Voedingsspanning V / Fase / Hz 230 / Eerfase / 50 | ||||||
| Afmetingen (B × H × D) m | m 1050 × 1040 × 480 | |||||
| Geluidsvermogenniveau *1 (Verwarming) | dB (A) | 54 58 | ||||
nl
| Buitenunit | PUZ-SWM80YAA | PUZ-SWM100YAA | PUZ-SWM120YAA | PUZ-SWM140YAA | |
| Voedingsspanning V / Fase / Hz | 400 / Drie / 50 | ||||
| Afmetingen (B × H × D) m | m 1050 × 1040 × 480 | ||||
| Geluidsvermogenniveau *1 (Verwarming) | dB (A) | 54 58 | |||
| Buitenunit | PUZ-SHWM80YAA | PUZ-SHWM100YAA | PUZ-SHWM120YAA | PUZ-SHWM140YAA | |
| Voedingsspanning V / Fase / Hz | 400 / Drie / 50 | ||||
| Afmetingen (B × H × D) m | m 1050 × 1040 × 480 | ||||
| Geluidsvermogenniveau *1(Verwarming) | dB (A) | 54 58 | |||
*1 Gemeten bij nominale werkingsfrequentie.
SW1 Setarea functiei
- Necaurduriet un nededziniet.
verklaart hierbij onder eigen verantwoordelijkheid dat de voor huishoudelijke, handels- en lichtindustriële omgevingen bestemde airconditioner(s) en warmtepomp(en) zoals onderstaand beschreven:
Het Engels is het origineel. De andere taalversies zijn vertalingen van het origineel.

VOORZICHTIG
- Het lekken van koelvloeistof kan verstikking veroorzaken. Zorg voor ventilatie in overeenstemming met EN378-1.
- Isoleer de leidingen met isolatiemateriaal. Direct contact met de onbedekte leidingen kan leiden tot brandwonden of bevriezing.
- Stop nooit batterijen in uw mond om inslikking te voorkomen.
- Het inslikken van batterijen kan verstikking of vergiftiging veroorzaken.
- Installeer het apparaat op een stabiele structuur om overmatig lawaai of trillingen te voorkomen.
- Het niveau van de geluidsdruk liegt onder 70 dB.
- Dit apparaat is bedoeld voor gebruik door ervaren of opgeleide gebruikers in werkplaatsen, in de lichte industrie en op boerde- rijen, of voor commercieel gebruik door leken.