CM 51 - Multimeter BENNING - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis CM 51 BENNING in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over CM 51 BENNING
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding CM 51 - BENNING en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. CM 51 van het merk BENNING.
GEBRUIKSAANWIJZING CM 51 BENNING
Digitale stroomtang-multimeter met AUTOTEST-functie voor het meten van: - Gelijkspanning - Wisselspanning - Gelijkstroom - Wisselstroom - Weerstand - Doorgangscontrole - Diodencontrole Inhoud:
1. Opmerkingen voor de gebruiker
2. Veiligheidsvoorschriften
4. Beschrijving van het apparaat
5. Algemene kenmerken
6. Gebruiksomstandigheden
7. Elektrische gegevens
8. Meten met de BENNING CM 5-1
1. Opmerkingen voor de gebruiker
Deze gebruiksaanwijzing is bedoeld voor - elektriciens en - elektrotechnici. De BENNING CM 5-1 is bedoeld voor metingen in droge ruimtes en mag niet worden gebruikt in elektrische circuits met een nominale spanning hoger dan 1000 V DC en 750 V AC (zie ook pt. 6: ‘Gebruiksomstandigheden’). In de gebruiksaanwijzing en op de BENNING CM 5-1 worden de volgende symbolen gebruikt: Aanleggen om GEVAARLIJKE ACTIEVE geleider of demonteren van deze is toegestaan.
Waarschuwing voor gevaarlijke spanning. Verwijst naar voor- schriften die in acht genomen moeten worden om gevaar voor de omgeving te vermijden.
Let op de gebruiksaanwijzing. Dit symbool geeft aan dat de aan- wijzingen in de handleiding in acht genomen moeten worden om gevaar te voorkomen.
Dit symbool geeft aan dat de BENNING CM 5 dubbel geïsoleerd is (beschermingsklasse II). Dit symbool op de BENNING CM 5-1 betekent dat de BENNING CM 5-1 in overeenstemming met de EU-richtlijnen is. Dit symbool verschijnt in het scherm bij een te lage batterijspan- ning. Dit symbool geeft de instelling ‘doorgangstest’ aan. De zoemer geeft bij doorgang een akoestisch signaal. DC: gelijkspanning/-stroom
Aarding (spanning t.o.v. aarde) Let op: Na het verwijderen van de sticker „Warnung....“ (op de batterijdeksel) verschijnt de Engelse tekst!BENNING CM 5-1 05/ 2019
2. Veiligheidsvoorschriften
Dit apparaat is gebouwd en getest volgens de voorschriften: DIN VDE 0411 deel 1/EN 61010-1 DIN VDE 0411 deel 2-032/EN 61010-2-032 DIN VDE 0411 deel 2-033/EN 61010-2-033 DIN VDE 0411 deel 031/EN 61010-031 en heeft, vanuit een veiligheidstechnisch oogpunt, de fabriek verlaten in een perfecte staat. Om deze staat te handhaven en om zeker te zijn van gebruik zonder gevaar, dient de gebruiker goed te letten op de aanwijzingen en waar- schuwingen zoals aangegeven in deze gebruiksaanwijzing. Een verkeerd gebruik en niet-naleving van de waarschuwingen kan ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben.
Wees extreem voorzichtig tijdens het werken met blanke draden of hoofdleidingen. Contact met spanningsvoerende leidingen kan elektrocutie veroorzaken.
De BENNING CM 5-1 mag alleen worden gebruikt in elektrische circuits van overspanningscategorie III met max. 1000 V of overspanningscategorie IV met max. 600 V ten opzichte van aarde. Gebruik alleen passende meetsnoeren voor deze. Bij metingen binnen de meetcategorie III of de meetcategorie IV mag het uitstekende geleidende gedeelte van een contactpunt op de veiligheidsmeetleidingen niet langer zijn dan 4 mm. Voor metingen binnen de meetcategorie III en de meetcategorie IV moeten de bij de set gevoegde, met CAT III en CAT IV aange- duide opsteekdoppen op de contactpunten worden gestoken. Deze maatregel dient ter bescherming van de gebruiker. Bedenk dat werken aan installaties of onderdelen die onder spanning staan, in principe altijd gevaar kan opleveren. Zelfs spanningen vanaf 30 V AC en 60 V DC kunnen voor mensen al levensgevaarlijk zijn.
Elke keer, voordat het apparaat in gebruik wordt genomen, moet het worden gecontroleerd op beschadigingen. Ook de veiligheidsmeetsnoeren dienen nagezien te worden. Bij vermoeden dat het apparaat niet meer geheel zonder gevaar kan worden gebruikt, mag het dan ook niet meer worden ingezet, maar zodanig worden opgeborgen dat het, ook niet bij toeval, niet kan worden gebruikt. Ga ervan uit dat gebruik van het apparaat zonder gevaar niet meer mogelijk is: - bij zichtbare schade aan de behuizing en/ of meetsnoeren van het appa- raat, - als het apparaat niet meer (goed) werkt, - na langdurige opslag onder ongunstige omstandigheden, - na zware belasting of mogelijke schade ten gevolge van transport of onoor- deelkundig gebruik, - het apparaat of de meetleidingen vochtig zijn, - wanneer de zelftest mislukt en op de display “FAIL” verschijnt.
Om gevaar te vermijden - mogen de blanke meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren niet worden aangeraakt - moeten de meetsnoeren op de juiste contactbussen van de multimeter worden aangesloten.
Onderhoud: Het apparaat niet openen, zij bevat geen onderdelen die door de gebruiker te repareren zijn. Reparatie en service alleen door gekwalificeerd personeel.
Reiniging: Reinig de buitenkant regelmatig met een doek en reinigingsmid- del en wrijf deze aansluitend goed droog. Gebruik geen schuur- of oplosmiddelen.BENNING CM 5-1 05/ 2019
Bij de levering van de BENNING CM 5-1 behoren:
3.5 Eén batterij van 9 V (ingebouwd).
3.6 Eén gebruiksaanwijzing
Opmerking t.a.v. aan slijtage onderhevige onderdelen:
De BENNING CM 5-1 wordt gevoed door eén batterij van 9 V (IEC 6 L R61). - De bovengenoemde veiligheidsmeetsnoeren (gekeurd toebehoren, 044145) voldoen aan CAT III 1000 V/ CAT IV 600 V en zijn toegestaan voor een stroom van 10 A.
4. Beschrijving van het apparaat
Zie fig. 1: voorzijde van het apparaat. Hieronder volgt een beschrijving van de in fig. 1 aangegeven informatie- en bedieningselementen. 1 Polariteitsmarkering, voor het vaststellen van de DC-stroomrichting met behulp van polariteitweergave, 2 Kraag om aanraken van aders te voorkomen, 3 Openingshendel om de stroomtang te opene, 4 AutoSense, symbool van de AUTOTEST-functie 5 Zero, weergave nulmeting bij DC-stroommetingen, 6 APO, verschijnt bij Auto Power Off geactiveerd (apparaat schakelt na 20 min. uit), 7 , verschijnt bij gevaarlijke spanning > 30 V, 8 Polariteitsweergave, één polarisatie van de polariteitmarkeringen wordt met “-“ gemarkeerd, 9 Symbool voor lege batterijen, J Toets (grijs), met de volgende functies: - POWER, voor het aan- en uitschakelen van de BENNING CM 5-1, - (AUTO) POWER OFF, activeren/ deactiveren van de automatische uitschakeling, - ZERO-meting, nulmeting bij DC-stroommetingen, - (AUTO) HOLD, automatische opslag van de meetwaarde, - HOLD, opslag van de meetwaarde, K COM-contactbus, gezamenlijke contactbus voor spannings-, weerstands- metingen en doorgangstest, L Contactbus (positief
) voor V, Ω en , M Bereikweergave, N LoZi, staat voor de lage ingangsweerstand bij spanningsmetingen (4 kΩ ... 375 kΩ), O Auto, HOLD en AutoHOLD, worden weergegeven wanneer de betreffende meetwaardenopslag actief is, Digitale weergave, voor de meetwaarde en de weergave van overschrij- ding van het bereik, AUTO BACKLIT, sensor van de automatische achtergrondverlichting, Meettang om rondom éénaderige stroomvoerende leiding te plaatsen,
Betreft automatische polariteitsaanduiding voor gelijkspanning
5. Algemene kenmerken
5.1 Algemene gegevens van de stroomtang/ multimeter
5.1.1 De numerieke waarden zijn op een display (LCD) af te lezen met 4
cijfers van 14 mm hoog, met een komma voor de decimalen. De grootst mogelijk af te lezen waarde is 9999.
De polariteitsaanduiding 8 werkt automatisch. Er wordt slechts één pool t.o.v. de contactbussen/ polariteitsmarkering 1 aangeduid met „-“.
5.1.3 De BENNING CM 5-1 wordt met de toets (grijs) J aan- en uitgescha-
keld. Om het uit te schakelen de toets ongeveer 3 seconde ingedrukt houden.
5.1.4 Metingen buiten het bereik van de meter worden aangeduid met „OL“
of „-OL“, alsmede gedeeltelijk met een akoestisch signaal. NB: Geen aanduiding of waarschuwing bij overbelasting.
5.1.5 Nulmeting (ZERO)
Het ongeveer 1 seconde indrukken van toets (grijs) J zorgt voor een nulmeting bij gelijkstroommetingen. Dit wordt weergegeven door het knipperen van “ZERO” 5 op de digitale display.
5.1.6 Meetwaardenopslag “HOLD”: Door de toets (grijs) J in te drukken
wordt het meetresultaat opgeslagen. Op de display gaat het symbool “HOLD” O branden. Door de toets J opnieuw in te drukken schakeltBENNING CM 5-1 05/ 2019
het apparaat terug naar de meetmodus. Bij geactiveerde meetwaardenopslag “HOLD” herkent de multimeter een van de display afwijkend meetsignaal, wanneer het meetsignaal met een gelijke eenheid 50 eenheden hoger wordt of wanneer een meetsignaal van een andere meetfunctie wordt gemeten. De veran- dering van het meetsignaal wordt weergegeven door een knipperend display en door een ononderbroken alarmsignaal.
5.1.7 Automatische meetwaardenopslag “AutoHOLD” (alleen voor AC/
DC-stroommetingen vanaf 3 A): Als bij ingeschakeld apparaat de toets (grijs) J meer dan 5 seconde wordt ingedrukt, dan gaat op de display “AutoHOLD” O knipperen en is de “AutoHOLD”-functie geacti- veerd. Wanneer de multimeter een constante meetwaarde meet, dan klinkt het zoemersignaal drie maal en wordt de meetwaarde met het “AutoHOLD“-symbool 5 seconde op de display weergegeven. Door de toets (grijs) J in te drukken wordt de meetwaarde opgeslagen. Bij geactiveerde “AutoHOLD”-functie is de APO-functie gedeactiveerd.
5.1.8 De meetfrequentie van de BENNING CM 5-1 bij cijferweergave
bedraagt gemiddeld 5 metingen per seconde.
5.1.9 De BENNING CM 5-1 beschikt over een zelftestfunctie. Wanneer op
de display “FAIL” verschijnt, mag de BENNING CM 5-1 niet worden gebruikt. Schakel het apparaat in het geval van een foutmelding uit en weer aan. Wanneer de foutmelding blijft, stuur de BENNING CM 5-1 dan naar onze servicedienst (zie ook pt. 9.4 “IJking”).
5.1.10 De BENNING CM 5-1 wordt na ca. 20 seconde automatisch uitge-
schakeld (APO, Auto-Power-Off). Het wordt weer ingeschakeld wan- neer de toets (grijs) J wordt ingedrukt. Met een zoemersignaal wordt aangegeven dat het apparaat zichzelf uitschakelt. De automatische uitschakeling kan worden gedeactiveerd door tijdens het inschakelen de toets J ca. 3 seconde ingedrukt te houden. Dit wordt weergegeven door het knipperen van “APO” 6 op de digitale display. Bij het opnieuw inschakelen de toets J kort indrukken om de automatische uitschake- ling weer te activeren.
5.1.11 De temperatuurcoëfficiënt van de gemeten waarde: 0,2 x (aangegeven
nauwkeurigheid van de gemeten waarde)/ °C < 18 °C of > 28 °C, t.o.v. de waarde bij een referentietemperatuur van 23 °C.
5.1.12 De BENNING CM 5-1 wordt gevoed door een blokbatterij van 9 V (IEC
5.1.13 Indien de batterijen onder de minimaal benodigde spanning dalen,
verschijnt het batterijsymbool 9 in het scherm.
5.1.14 De levensduur van een batterij (alkaline) bedraagt ongeveer 125 uur.
5.1.15 Afmetingen van het apparaat:
L x B x H = 215 x 85 x 51 mm Gewicht = 360 gram
5.1.16 De meegeleverde meetsnoeren zijn zonder meer geschikt voor de voor
de BENNING CM 5-1 genoemde nominale spanning en stroom.
6. Gebruiksomstandigheden
- De BENNING CM 5-1 is bedoeld om gebruikt te worden voor metingen in droge ruimtes. - Barometrische hoogte bij metingen: 2000 m. maximaal - Categorie van overbelasting/installatie: IEC 60664-1/ IEC 61010-1 → 600 V categorie IV, 1000 V categorie III - Beschermingsgraad: IP 30 (DIN VDE 0470-1 IEC/ EN 60529) Betekenis IP 30: Het eerste cijfer (3); Bescherming tegen binnendringen van stof en vuil > 2,5 mm in doorsnede, (eerste cijfer is bescherming tegen stof/ vuil). Het tweede cijfer (0); Niet beschermd tegen water, (tweede cijfer is waterdichtheid). - Beschermingsgraad stofindringing: 2 - Werktemperatuur en relatieve vochtigheid: Bij een werktemperatuur van 0 °C tot 30 °C: relatieve vochtigheid van de lucht < 80 %. Bij een werktemperatuur van 31 °C tot 40 °C: relatieve vochtigheid van de lucht < 75%. Bij een werktemperatuur van 41 °C tot 50 °C: relatieve vochtigheid van de lucht < 45%. - Opslagtemperatuur: de BENNING CM 5-1 kan worden opgeslagen bij temperaturen van - 20 °C tot + 60 °C met een relatieve vochtigheid van de lucht < 80 %. Daarbij dienen wel de batterijen te worden verwijderd.BENNING CM 5-1 05/ 2019
Opmerking: de nauwkeurigheid van de meting wordt aangegeven als som van: - een relatief deel van de meetwaarde - een aantal digits. Deze nauwkeurigheid geldt bij temperaturen van 18 °C tot 28 °C bij een rela- tieve vochtigheid van de lucht < 80 %.
7.1 Prioriteit van de AUTOTEST-functie
De AUTOTEST-functie schakelt zelf in de juiste meetfunctie en kiest zelfstandig het ideale meetbereik. De BENNING CM 5-1 werkt daarbij in de volgende volgorde: Aan de volgende criteria moet zijn voldaan:
met het grootste aandeel Spanningsmeting actief, wanneer: 1,3 V
Weerstand/ doorgang Weerstandsmeting actief, wanneer: 0 Ω ... ∞ Ω 0,0 V
Diode Diodecontrole actief, wanneer: 0,4 V
met het grootste aandeel Stroommeting actief, wanneer: 0,9 A
7.2 Meetbereik voor gelijkspanning
De ingangsweerstand bedraagt voor spanningen tot 30 V minimaal 4 kΩ. De ingangsweerstand stijgt bij stijgende ingangsspanning naar 375 kΩ bij 750 V. Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid v/d meting Beveiliging tegen overbelasting
Maximale meettijd = 30 seconde voor spanningen groter dan 30 V
7.3 Meetbereik voor wisselspanning
De ingangsweerstand bedraagt voor spanningen tot 30 V minimaal 4 kΩ. De ingangsweerstand stijgt bij stijgende ingangsspanning naar 375 kΩ bij 750 V. Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid v/d meting
bij 50 Hz - 60 Hz Beveiliging tegen overbelasting
Maximale meettijd = 30 seconde voor spanningen groter dan 30 V
De meetwaarde wordt als echte effectieve meetwaarde (True RMS, AC-koppeling) gemeten en aangeduid. De meetnauwkeurigheid is gespecifi- ceerd voor een sinusvorm in relatie tot de maximale meetwaarde evenals voor een niet sinusvormige curvevorm tot 50 % van de maximale meetwaarde. Bij niet sinusvormige curvevormen wordt de aanduidingswaarde minder nauw- keurig. Zo bestaat voor de volgende Crest-factoren een extra foutmarge: Crest-factor van 1,4 tot 2,0 extra foutmarge + 1 % Crest-factor van 2,0 tot 2,5 extra foutmarge + 2,5 % Crest-factor van 2,5 tot 3,0 extra foutmarge + 4 %
7.4 Meetbereik voor gelijkstroom
Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid v/d meting Beveiliging tegen overbelasting 0,9 A …600,0 A 0,1 A ± (2,0 % van de meetwaarde + 5 digit) 600 A eff De aangegeven nauwkeurigheid is gespecificeerd voor kabels die in het mid- den van de kop van meettang worden gemeten (zie afbeelding 3: meten van gelijkstroom/ wisselstroom). Voor kabels die niet in het midden van de kop van de meettang worden gemeten, moet rekening gehouden worden met een extra foutmarge van 1 % van de aanduidingswaarde.BENNING CM 5-1 05/ 2019
Maximale remanentiefout: 1 % (bij herhalende meting)
7.5 Meetbereik voor wisselstroom
bij 50 Hz - 60 Hz Beveiliging tegen overbelasting 0,9 A …600,0 A 0,1 A ± (2,0 % van de meetwaarde + 5 digit) 600 A eff bij 61 Hz - 400 Hz 0,9 A ... 600,0 A 0,1 A ± (2,5 % van de meetwaarde + 5 digit) 600 A eff
De meetwaarde wordt als echte effectieve meetwaarde (True RMS, AC-koppeling) gemeten en aangeduid. De meetnauwkeurigheid is gespeci- ficeerd voor een sinusvorm in relatie tot de maximale meetwaarde evenals voor een niet sinusvormige curvevorm tot 50 % van de maximale meet- waarde. Bij niet sinusvormige curvevormen wordt de aanduidingswaarde minder nauwkeurig. Zo bestaat voor de volgende Crest-factoren een extra fout- marge: Crest-factor van 1,4 tot 2,0 extra foutmarge + 1 % Crest-factor van 2,0 tot 2,5 extra foutmarge + 2,5 % Crest-factor van 2,5 tot 3,0 extra foutmarge + 4 % De aangegeven nauwkeurigheid is gespecificeerd voor stroomleidingen die precies in het midden van de stroomtang omvat worden (zie fig. 3: meten van gelijkstroom/ wisselstroom). Voor leidingen die niet precies in het midden omvat kunnen worden, moet rekening worden gehouden met een extra fout van 1 % van de aangegeven waarde.
7.6 Meetbereik voor weerstand en akoestische doorgangscontrole
Overbelastingsbeveiliging: AC 750 V eff / DC 1000 V Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid v/d meting Maximale nullastspanning 0 Ω ...9999 Ω 1 Ω ± (0,9 % van de meetwaarde + 2 digit) 1,8 V De ingebouwde zoemer geeft een akoestisch signaal bij een weerstand R < 25 Ω tot 400 Ω. Het alarmsignaal gaat uit bij een weerstand R > 400 Ω (gespe- cificeerd voor temperaturen van 0 °C tot 40 °C).
8. Meten met de BENNING CM 5-1
8.1 Voorbereiden van de metingen
Gebruik en bewaar de BENNING CM 5-1 uitsluitend bij de aangegeven werk- en opslagtemperaturen. Niet blootstellen aan direct zonlicht. - Controleer de gegevens op de veiligheidsmeetsnoeren ten aanzien van nominale spanning en stroom. Origineel met de BENNING CM 5-1 meege- leverde snoersets voldoen aan de te stellen eisen. - Controleer de isolatie van de veiligheidsmeetsnoeren. Beschadigde meets- noeren direct verwijderen. - Veiligheidsmeetsnoeren testen op correcte doorgang. Indien de ader in het snoer onderbroken is, het meetsnoer direct verwijderen. - Storingsbronnen in de omgeving van de BENNING CM 5-1 kunnen leiden tot instabiele aanduiding en/ of meetfouten. - Metingen zijn alleen mogelijk, wanneer aan de voorwaarden van de AUTOTEST-functie is voldaan (zie zie ook pt. 7.1 “Prioriteit van de AUTOTEST-functie”). Aanwijzing: Geklokte signalen, bijvoorbeeld door laadapparaten opgewekte stroom, kunnen zorgen voor een foutieve AC/ DC-weergave.
Let op de maximale spanning t.o.v. aarde. Gevaarlijke spanning! De hoogste spanning die aan de contactbussen - COM-bus KBENNING CM 5-1 05/ 2019
- Bus voor V, Ω en L van de BENNING CM 5-1 ligt t.o.v. aarde, mag maximaal 600 V CAT IV/ 1000 V CAT III bedragen. - Met de toets (grijs) J de BENNING CM 5-1 inschakelen. - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus K van de BENNING CM 5-1. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω en L van de BENNING CM 5-1. - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit. - De AUTOTEST-functie wordt op de digitale display weergegeven met “AutoSense” 4. Deze bepaalt zelfstandig de noodzakelijke meetfunctie (spanning) en het optimale meetbereik. - Lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING CM 5-1.
Houdt u rekening met de beperkingen in het onderste meet- bereik! Gelijkspanningsmetingen zijn binnen het bereik - 0,7 V
niet mogelijk. Wisselspanningsmetingen zijn pas mogelijk bij spanningen > 1,3 V
Zie fig. 2: meten van gelijk-/ wisselspanning met de AUTOTEST-functie
Geen spanning zetten op de contactbussen van de BENNING CM 5-1. Neem eventueel de veiligheidsmeetsnoeren van het apparaat. - Met de toets (grijs) J de BENNING CM 5-1 inschakelen. - Druk op de openingshendel 3 en omvat de éénaderige, stroomvoerende leiding, zoveel mogelijk in het midden van de tang. - De AUTOTEST-functie wordt op de digitale display weergegeven met “AutoSense” 4. Deze bepaalt zelfstandig de noodzakelijke meetfunctie (stroom) en het optimale meetbereik. - Lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING CM 5-1. Zie fig. 3: meten van gelijk-/ wisselstroom met de AUTOTEST-functie
8.4 Weerstandsmeting en doorgangscontrole met akoestisch signaal
- Met de toets (grijs) J de BENNING CM 5-1 inschakelen. - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus K van de BENNING CM 5-1. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω en L van de BENNING CM 5-1. - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit. - De AUTOTEST-functie wordt op de digitale display weergegeven met “AutoSense” 4. Deze bepaalt zelfstandig de noodzakelijke meetfunctie (weerstand/ doorgang) en het optimale meetbereik. - Lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING CM 5-1. - Indien de gemeten weerstand in het circuit tussen de twee contactbussen K kleiner is dan V, Ω en L 25 Ω tot 400 Ω, wordt een akoestisch signaal afgegeven. Zie fig. 4: weerstandsmeting Zie fig. 5: doorgangscontrole met akoestisch signaal
- Met de toets (grijs) J de BENNING CM 5-1 inschakelen. - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus K van de BENNING CM 5-1. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω en L van de BENNING CM 5-1. - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit. - De AUTOTEST-functie wordt op de digitale display weergegeven met “AutoSense” 4. Deze bepaalt zelfstandig de noodzakelijke meetfunctie (diode) en het optimale meetbereik. - Lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING CM 5-1. - Voor een normale in de stroomrichting geplaatste Si-diode wordt een doorlaatspanning tussen 0,4 V en 0,8 V weergegeven. Wanneer geen door- laatspanning wordt weergegeven moet u eerste de polariteit van de diode controleren. Wanneer nog steeds geen doorlaatspanning wordt weergege-BENNING CM 5-1 05/ 2019
ven, dan valt de doorlaatspanning van de diode buiten de meetgrenzen. Zie fig. 6: diodencontrole
De BENNING CM 5-1 mag nooit onder spanning staan als het apparaat geopend wordt. Gevaarlijke spanning! Werken aan een onder spanning staande BENNING CM 5-1 mag uitsluitend gebeuren door elektrotechnische specialisten, die daarbij de nodige voor- zorgsmaatregelen dienen te treffen om ongevallen te voorkomen. Maak de BENNING CM 5-1 dan ook spanningsvrij alvorens het apparaat te openen. - Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van het te meten object. - Neem de veiligheidsmeetsnoeren af van de BENNING CM 5-1. - Schakel de BENNING CM 5-1 uit. Om het apparaat uit te schakelen de toets J ongeveer 3 seconde ingedrukt houden.
9.1 Veiligheidsborging van het apparaat
Onder bepaalde omstandigheden kan de veiligheid tijdens het werken met de BENNING CM 5-1 niet meer worden gegarandeerd, bijvoorbeeld in geval van: - Zichtbare schade aan de behuizing, - Meetfouten, - Waarneembare gevolgen van langdurige opslag onder verkeerde omstan- digheden, - Transportschade en - De zelftest mislukt en op de display verschijnt “FAIL”. In dergelijke gevallen dient de BENNING CM 5-1 direct te worden uitgeschakeld en niet opnieuw elders worden gebruikt.
Reinig de behuizing aan de buitenzijde met een schone, droge doek (speciale reinigingsdoeken uitgezonderd). Gebruik geen oplos- en/ of schuurmiddelen om de BENNING CM 5-1 schoon te maken. Let er in het bijzonder op dat het bat- terijvak en de batterijcontacten niet vervuilen door uitlopende batterijen. Indien toch verontreiniging ontstaat door elektrolyt of zich zout afzet bij de batterijen en/of in het huis, dit eveneens verwijderen met een droge, schone doek.
9.3 Het wisselen van de batterijen
Vóór het openen van de BENNING CM 5-1 moet het apparaat spanningsvrij zijn. Gevaarlijke spanning! De BENNING CM 5-1 wordt gevoed door eén batterij van 9 V (IEC 6 LR 61). Als het batterijsymbool 9 op het display verschijnt, moeten de batterijen worden vervangen (zie fig. 7). De batterij word als volgt verwisseld: - Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van het te meten circuit. - Neem de veiligheidsmeetsnoeren af van de BENNING CM 5-1. - Schakel de BENNING CM 5-1 uit. - Leg het apparaat op de voorzijde en draai de schroef, uit het deksel van het batterijvak. - Neem het deksel van het batterijvak uit de achterwand. - Neem de lege batterij uit het batterijvak en demonteer de aansluitdraden van de batterij. - Monteer de aansluitdraden op de juiste manier aan de nieuwe batterij en leg de bedrading zo terug dat het niet beklemd raakt in de behuizing. Leg dan de batterij op de daarvoor bedoelde plaats in het batterijvak. - Klik het deksel weer op de achterwand en draai de schroef er weer in. Zie fig. 7: vervanging van de batterij.
Gooi batterijen niet weg met het gewone huisvuil, maar lever ze in op de bekende inzamelpunten. Zo levert u opnieuw een bijdrage aan een schoner milieu.
BENNING waarborgt de naleving van de in de gebruiksaanwijzing vermelde technische gegevens en nauwkeurigheidsinformatie gedurende het 1ste jaar na de leveringsdatum. Op de nauwkeurigheid van de metingen te waarborgen, is het aan te bevelen het apparaat jaarlijks door onze servicedienst te laten kalibreren:BENNING CM 5-1 05/ 2019
) en meetcategorie: met opsteekdop: 1000 V CAT III, 600 V CAT IV, zonder opsteekdop: 1000 V CAT II, - Meetbereik max.: 10 A - Beschermingsklasse II (), doorgaans dubbel geïsoleerd of versterkte isolatie - Vervuilingsgraad: 2 - Lengte: 1,4 m, AWG 18, - Omgevingsvoorwaarden: metingen mogelijk tot H = 2000 m, temperatuur: 0 °C tot + 50 °C, vochtigheidsgraad 50 % tot 80 %, - Gebruik de veiligheidsmeetkabelset alleen indien ze in een goede staat is en volgens deze handleiding, anders kan de bescherming verminderd zijn. - Gebruik de veiligheidsmeetkabelset niet als de isolatie is beschadigd of als er een beschadiging/ onderbreking in de kabel of stekker is. - Raak tijdens de meting de blanke contactpennen niet aan. Alleen aan de handvaten vastpakken! - Steek de haakse aansluitingen in het te gebruiken BENNING meetappa- raat.
Wij raden u aan het apparaat aan het einde van zijn nuttige levens- duur, niet bij het gewone huisafval te deponeren, maar op de daar- voor bestemde adressen.BENNING CM 5-1 05/ 2019
SimpelGids