GEBRUIKSAANWIJZING AT3 98A ALPINA
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing ....NL
3.1 Beschrijving van de machine en beoogd gebruik.... 3
3.2 Veiligheidssignaleringen 4
3.3 Identificatie-etiket 4
3.4 Onderdelen van de motor 4
3.5 Omgevingscondities 4
3.6 Brandstof 4
3.7 Olie 4
3.8 Luchtfilter 4
3.9 Bougie....5
- COMMANDO'S 5
4.1 Versnellingscommando....5
- GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN .... 5
5.1 Vóór ieder gebruik.... 5
5.2 De motor (koud) opstarten 6
5.3 De motor (warm) starten 6
5.4 De motor tijdens het werken gebruiken . 6
5.5 De motor tijdens het werken stoppen .... 6
5.6 De motor op het einde van de werkzaamheden stoppen.... 6
5.7 Reiniging en opslag....6
5.8 Langdurige inactiviteit 6
- ONDERHOUD 7
6.1 Algemeen....7
6.2 Tabel met onderhoudswerkzaamheden 7
6.3 De olie verversen 7
6.4 Reiniging van de geluiddemper en van de motor....8
6.5 Onderhoud van de luchtfilter 8
6.6 Controle en onderhoud van de bougie .. 8
- IDENTIFICATIE VAN PROBLEMEN...... 9
1.1 HOE MOET U DE HANDLEIDING LEZEN
In de tekst van de handleiding worden enkele hoofdstukken, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben:
OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt
nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de motor beschadigd of dat er schade veroorzaakt wordt.
Het symbool ⚠️ wijst op een gevaar. Het niet naleven van de waarschuwing leidt tot mogelijke letsels voor uzelf of derden en/of tot schade.
1.2 REFERENTIES
1.2.1 Afbeeldingen
De afbeeldingen in deze gebruiksinstructies zijn genummerd: 1, 2, 3, enzovoort.
De componenten aangegeven in de afbeeldingen zijn gemarkeerd met de letters A, B, C, enzovoort.
Een referentie naar het component
C in afbeelding 2 wordt aangegeven met het opschrift: "Zie
afb. 2.C" of gewoon "(Afb. 2.C)".
De afbeeldingen zijn indicatief. De effectieve onderdelen kunnen afwijken ten opzichte van de afgebeelde onderdelen.
1.2.2 Titels
De handleiding is in hoofdstukken en paragrafen onderverdeeld. De
titel van de paragraaf "2.1 Voorbereiding" is een subtitel van "2. Veiligheidsnormen". De referenties naar titels of paragrafen zijn aangegeven
met de afkorting hfdst. of par. en het betreffende nummer. Voorbeeld:
"hfdst. 2" of "par. 2.1".
2. VEILIGHEIDSNORMEN
2.1 VOORBEREIDING

Lees deze instructies aandachtig
raleer de machine te gebruiken.

Zorg dat u vertrouwd bent met de commando's en
met een geschikt gebruik van de machine
Leer de motor snel af te zetten.
Het niet naleven van de
waarschuwingen en van de
instructies kan brand
veroorzaken en/of ernstige
letsels. Bewaar alle waarschuwingen en
de instructies om ze later te
kunnen raadplegen.
- Laat de machine nooit gebruiken door kinderen of personen die niet de nodige vertrouwdheid met de instructies hebben. De plaatselijke wetten kunnen een minimale leeftijd voor de gebruiker bepalen.
- De machine nooit gebruiken indien de gebruiker moe is of zich onwel voelt, of als die medicijnen, verdovende middelen, alcohol of stoffen heeft ingenomen die schadelijk zijn voor zijn reflectievermogen en aandacht.
- Denk eraan dat de bediener of gebruiker verantwoordelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die anderen of hun eigendommen kunnen betreffen.
2.2 HANDELINGEN VOORAF
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
- De machine niet gebruiken als u geen geschikte kledij draagt.
- Draag geen wijde of gescheurde kledij, sieraden of andere voorwerpen die kunnen blijven haperen; lang haar moet opgebonden worden. Blijf op een veilige afstand tijdens het opstarten.
- Draag gehoorbescherming tegen het lawaai.
Werkzone / Machine
- Vooraleer de motor te starten, moet u controleren of alle commando's zijn uitgeschakeld die bewegende onderdelen van de machine aansturen.
Explosiemotoren: brandstof
- Waarschuwing: de brandstof is licht ontvlambaar. Voorzichtig hanteren!
- Bewaar de brandstof altijd in geschikte recipienten.
- Voer het tanken of bijvullen uit met behulp van een trechter; doe dit altijd in openlucht en rook niet tijdens het bijtanken.
- Voer het bijvullen uit vooraleer de motor aan te zetten. De dop van de tank niet openen en niet bijvullen wanneer de motor aan staat of als die nog warm is.
- Indien er brandstof overloopt, mag u de motor niet starten. Verwijder de machine uit de zone waar er brandstof is gemorst en neem alle sporen van gemorste brandstof op de machine of op de grond onmiddellijk weg.
- Schroef de dop van de tank van de recipienten met brandstof goed aan.
- Vermijd dat brandstof met kledij in contact komt. Als dit toch gebeurt, moet u eerst andere kledij aantrekken vooraleer de motor te starten.
- De machine niet gebruiken in omgevingen met ontploffingsgevaar, waar ontvlambare vloeistoffen, gassen of stof aanwezig is. Elektrische contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken doen ontstaan, die stof of dampen kunnen doen ontbranden.
- Start de motor niet in gesloten ruimten waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan concentreren. Het opstarten moet in openlucht of op een goed verluchte plaats plaatsvinden. Denk er altijd aan dat uitlaatgassen giftig zijn.
- Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. Kinderen moeten door een andere volwassene in het oog worden gehouden.
Gedragsregels
- Vooraleer reparaties, reinigingen, inspecties en afstellingen uit te voeren, moet u de motor uitzetten en de kabel ban de bougie losmaken (tenzij in de instructies expliciet andere aanwijzingen worden gegeven).
- De delen van de motor niet aanraken, omdat die tijdens het gebruik erg heet worden. Gevaar voor brandwonden.
Gebruiksbeperkingen
- De machine niet gebruiken als de beschermingen onvoldoende zijn of als de veiligheidsvoorzieningen niet correct geplaatst zijn.
- De aanwezige veiligheidssystemen niet uitschakelen of ermee knoeien.
-
De afstellingen van de motor niet wijzigen, en de motor niet op een te hoog toerental brengen. Indien de motor op een te hoog toerental draait, neemt het risico voor lichamelijke letsels toe.
-
Geen startvloeistoffen of andere, analoge producten gebruiken.
- Laat de machine niet zijwaarts overhellen zodat er brandstof uit de dop van de tank van de motor loopt.
- Laat de motor niet zonder bougie draaien.
2.4 ONDERHOUD, OPSLAG EN TRANSPORT
Een goed onderhoud uitvoeren en de machine correct opslaan komt de veiligheid van de machine ten goede.
⚠ Defecte of versleten onderdelen moeten worden vervangen en mogen nooit gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet-originele en/of niet correct gemonteerde reserveonderdelen brengt de veiligheid van de machine in gevaar. Dit kan ongevallen en lichamelijke letsels veroorzaken en ontheft de constructeur van elke verplichting of verantwoordelijkheid.
Onderhoud
- Indien de tank moet worden leeggemaakt, moet u dit in openlucht doen wanneer de motor is afgekoeld.
- Om brandgevaar te beperken, moet u regelmatig controleren of er geen olie en/of brandstof lekt.
Opslag
- Laat geen brandstof in de tank als de machine in een gebouw wordt opgeslagen waar de dampen van de brandstof met vrije vlammen, vonken of warmtebronnen in contact kunnen komen.
- Laat de machine eerst afkoelen vooraleer u die in een gesloten ruimte opbergt.
Transport
• Vervoer de machine met lege tank.
2.5 MILIEUBESCHERMING
De milieubescherming moet een belangrijk, prioritair aspect zijn tijdens het gebruik van de machine, ten voordele van de sociale samenleving en van het milieu waarin we leven.
- Vermijd om een storend element te zijn ten overstaan van de buren.
- Volg strikt de plaatselijke voorschriften voor het verwijderen van verpakkingen, olie, brandstof, filters, versleten onderdelen of elementen die een sterke invloed op het milieu hebben. Deze afvalstoffen mogen niet zomaar worden weggegooid, maar moeten
gescheiden worden en naar de voorziene inzamelcentra worden gebracht, die zullen instaan voor de recyclage van deze materialen.
- Wanneer de machine buiten dienst wordt gesteld, mag u die niet in het milieu achterlaten. Wendt u tot een inzamelcentra, volgens de geldende plaatselijke normen.
2.6 EMISSIES
Het verbrandingsproces genereert giftige stoffen zoals koolmonoxide, stikstofoxiden en koolwaterstoffen. De controle over deze stoffen is belangrijk omdat ze kunnen reageren op fotochemische smog en dus op de directe blootstelling aan het zonlicht. Koolmonoxide reageert niet op dezelfde wijze op blootstelling aan het zonlicht, maar moet desondanks als giftig worden beschouwd.
Onze machines zijn uitgerust met emissiebeperkingssystemen voor bovengenoemde stoffen.
3. DE MACHINE KENNEN
3.1 BESCHRIJVING VAN DE MACHINE EN BEOOGD GEBRUIK
Deze machine is een explosiemotor.
De motor is een toestel waarvan de prestaties, normale werking en levensduur door vele factoren worden bepaald; sommige factoren zijn externe factoren, andere zijn strikt verbonden met de kwaliteit van de gebruikte producten en met de regelmaat van het onderhoud. Hierna wordt bijkomende informatie verstrekt, aan de hand waarvan een bewuster gebruik van uw machine kan worden gemaakt. Ieder ander gebruik dat afwijkt van bovenstaande toepassingen, kan gevaarlijk zijn en schade voor personen en/of voorwerpen veroorzaken.
BELANGRIJK Wanneer de machine oneigenlijk wordt gebruikt, vervalt de garantie en wijst de constructeur alle verantwoordelijkheid af; alle onkosten voor eigen schade of letsels of aan derden worden bijgevolg op de gebruiker verhaald.
3.1.1 Type gebruiker
Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, dit betekent door niet-professionele bedieners. Het is bestemd voor "hobby-gebruik".
3.2 VEILIGHEIDSSIGNALERINGEN
Op de machine staan verschillende symbolen. Deze dienen om de bediener te herinneren aan de gedragsregels die gevolgd moeten worden, om de machine met de nodige aandacht en voorzichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen:


AANDACHT! De uitlaatpot kan zeer heet zijn. Niet aanraken.
AANDACHT! Olie bijvullen tot aan het «MAX»-niveau. Niet meer dan het «MAX»-niveau bijvullen.
3.3 IDENTIFICATIE-ETIKET
Schrijf het serienummer (S/n) van uw machine op in de voorziene ruimte van het etiket dat u op de achterkant van de omslag vindt.
3.4 ONDERDELEN VAN DE MOTOR
De machine bestaat uit de volgende belangrijkste onderdelen (afb. 1).
A. Olievuldop met peilstok
B. Carburator
C. Afdekking van de luchtfilter
D. Bougiekapje
E. Serienummer van de motor
De werking van een viertakt
verbrandingsmotor wordt beïnvloed door:
a) Temperatuur:
- Als bij lage temperatuur gewerkt wordt, kunnen er zich moeilijkheden bij een koude start voordoen.
- Als bij erg hoge temperatuur gewerkt, wordt kunnen er zich moeilijkheden bij een warme start voordoen veroorzaakt door de verdamping van de brandstof in het bakje van de carburator of in de pomp.
- In ieder geval moet het soort olie aangepast worden aan de gebruikstemperatuur.
b) Hoogte:
- Het maximale vermogen van een verbrandingsmotor neemt progressief af naarmate de hoogte boven de zeespiegel groter wordt.
- Wanneer de hoogte aanzienlijk toeneemt, moet u daarom de belasting op de machine verminderen en bijzonder zware werkzaamheden vermijden.
3.6 BRANDSTOF
De goede kwaliteit van de brandstof is onontbeerlijk voor de correcte werking van de motor.
De brandstof moet aan de volgende vereisten voldoen:
a) Gebruik reine, verse brandstof zonder lood, met minimum 90 octaan;
b) Gebruik geen brandstof met een ethanolgehalte vameer dan 10%;
c) Voeg geen olie bij;
d) Gebruik een stabilisator om het carburatiesysteem te beschermen tegen de vorming van harsafzettingen.
Het gebruik van niet toegestane brandstof leidt tot beschadiging van de onderdelen van de motor en tot verval van de garantie.
OPMERKING
Gebruik uitsluitend de brandstof die in de tabel met technische gegevens is aangegeven. Gebruik geen andere soorten brandstof. U mag wel ecologische brandstoffen gebruiken, zoals alkylaatbenzine. De samenstelling van deze benzine heeft minder invloed op mensen en het milieu. Er zijn geen negatieve effecten gesignaleerd die met het gebruik hiervan in verband kan worden gebracht. In de handel bestaan er echter soorten alkylaatbenzine, waardoor wij geen nauwkeurige aanwijzingen kunnen verstrekken wat betreft het gebruik ervan.
3.7 OLIE
Gebruik altijd olie van goede kwaliteit, en kies de gradatie in functies van de gebruikstemperatuur.
- Gebruik alleen detergentolie met een kwaliteit van minstens SF-SG.
- Kies de SAE-viscositeitsgraad op basis van de tabel met technische gegevens.
- Het gebruik van multigraad olie kan een groter verbruik in de warme periodes met zich meebrengen, het oliepeil moet dan vaker gecontroleerd worden.
- Meng geen oliesoorten van verschillende merken of met verschillende kenmerken.
- Het gebruik van SAE 30 olie bij temperaturen onder +5°C kan schade aan de motor aanrichten doordat de smering niet voldoende is.
3.8 LUCHTFILTER
De efficiëntie van de luchtfilter is bepalend om te vermijden dat er zich restjes en stofdeeltjes
door de motor worden aangezogen, waardoor de prestaties en de levensduur afnemen.
- Zorg ervoor dat het filterelement vrij van restjes blijft en altijd perfect efficiënt is (par. 6.5).
- Indien nodig moet u het filterelement vervangen door een origineel reserveonderdeel. Niet-compatibele filterelementen kunnen de efficiëntie en de levensduur van de motor aantasten.
- Start de motor nooit wanneer het filterelement niet correct gemonteerd is.
3.9 BOUGIE
De bougies voor verbrandingsmotoren zijn niet allemaal gelijk.
- Gebruik alleen bougies van het aangegeven type, voorzien van de juiste thermische gradatie.
- Let op de lengte van het draadje; een te lang draadje kan de motor onherstelbaar beschadigen.
- Controleer de reinheid en de correcte afstand tussen de elektroden (par. 6.6).
4. COMMANDO'S
4.1 VERSNELLINGSCOMMANDO
Regelt het toerental van de motor.
Het commando van de versnelling (normaal met hendel), gemonteerd op de machine, is via een kabel met de motor verbonden.
Raadpleeg de handleiding van de machine om de hendel van de versnelling en de betreffende standen te identificeren, die gewoonlijk met symbolen zijn aangegeven. Deze komen overeen met:
- FAST= komt met het maximale toerental overeen; te gebruiken tijdens de werking.
- SLOW = komt met het minimale toerental overeen.
- CHOKE = te gebruiken om koud op te starten (waar voorzien).
Het beste is om telkens een aantal controles te verrichten voordat de motor wordt gebruikt, om een goede werking te garanderen.
5.1.1 Controle van het oliepeil
- Zet de machine horizontaal.
- Reinig de zone rond de vuldop.
- Schroef de dop (afb. 2.A) los, reinig het uiteinde van de peilstok (afb. 2.B) en steek die in de olie door de dop op de opening te laten rusten zonder aan te schroeven, zoals geïllustreerd in de afbeelding.
- Neem de dop met de peilstok opnieuw weg en controleer of het oliepeil tussen de twee streepjes «MIN» en «MAX» staat.
- Indien nodig bijvullen met olie van dezelfde soort tot aan het «MAX»-niveau, let erop dat u geen olie naast de vuldop morst.
- Schroef de dop (afb. 2.A) weer volledig vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie.
OPMERKING Vul geleidelijk bij door kleine
hoeveelheden olie toe te voegen en controleer telkens het bereikte niveau.
Niet bijvullen tot over het «MAX»-niveau. Een te hoog peil kan volgende problemen veroorzaken:
- rook bij de uitlaat;
- verzuipen van de bougie of van de luchtfilter, waardoor de motor moeilijk start.
OPMERKING Houdt u aan de
aanwijzingen in de tabel met technische gegevens voor de te gebruiken soort olie.
5.1.2 Controle van de luchtfilter
De efficiëntie van de luchtfilter is een noodzakelijke conditie voor de correcte werking van de motor; u mag de motor niet starten als het filterelement ontbreekt of stuk is.
- Reinig de zone rond de afdekking (afb. 3.A) van de filter.
- Verwijder de afdekking (afb. 3.A) de twee draaiknoppen los te draaien (afb. 3.B) I.
- Controleer de staat van het filterelement (afb. 3.C), dat intact, rein en in perfect werkende staat moet zijn. Als dit niet het geval is, moet u onderhoud of een vervanging uitvoeren (par. 6.5).
- Monteer de afdekking (afb. 3.A) opnieuw.
5.1.3 Brandstof bijvullen
De handelingen om brandstof bij te vullen staan beschreven in de handleiding van de machine en worden hier enkel vermeld.
Om brandstof bij te vullen:
- Schroef de sluitdop van de tank los en verwijder de dop.
- Plaats de trechter in de opening.
- Vul met brandstof en neem daarna de trechter weg.
- Op het einde van het bijvullen moet u de dop van de brandstof goed aanschroeven en eventuele gemorste vloeistof wegnemen.
BELANGRIJK Vermijd om brandstof te gieten op de plastic onderdelen van de motor of van de machine om schade aan deze delen te vermijden; reinig onmiddellijk alle sporen van eventueel gemorste brandstof. De garantie dekt geen schade aan plastic onderdelen veroorzaakt door brandstof.
5.1.4 Bougiekapje
Sluit het kapje (afb. 4.A) van de kabel stevig aan op de bougie (afb. 4.B), zorg ervoor dat er vanbinnen in het kapje en op de aansluitklem van de bougie geen sporen van vuil zijn.
5.2 DE MOTOR (KOUD) OPSTARTEN
Het opstarten van de motor moet plaatsvinden volgens de werkwijzen aangegeven in de handleiding van de machine; zorg er altijd voor om alle inrichtingen (indien voorzien) los te koppelen die de machine kunnen doen vooruitgaan of de motor kunnen doen stoppen.
- Zet de versnellingshendel in de stand «CHOKE» (indien aanwezig) of in de stand «FAST».
- Bedien de contactsleutel om te starten zoals aangegeven in de handleiding van de machine.
Na enkele seconden brengt u de hendel van de versnelling geleidelijk van de stand «CHOKE» (indien aanwezig) naar de stand «FAST» of «SLOW».
5.3 DE MOTOR (WARM) STARTEN
Volg de hele procedure aangegeven om koud te starten, met de versnelling in de stand «FAST».
5.4 DE MOTOR TIJDENS HET WERKEN GEBRUIKEN
Om het rendement en de prestaties van de motor te optimaliseren, is het noodzakelijk dat die op maximaal toerental wordt gebruikt; hiertoe stelt u de hendel van de versnelling in de stand «FAST».
BELANGRIJK Niet werken op hellingen van meer dan 20°, om de correcte werking van de motor niet te beïnvloeden.
5.5 DE MOTOR TIJDENS HET WERKEN STOPPEN
- Zet de versnelling in de stand «SLOW».
- Laat de motor gedurende minstens 15-20 seconden op minimum draaien.
- Zet de motor af volgens de aanwijzingen in de handleiding van de machine.
5.6 DE MOTOR OP HET EINDE VAN DE WERKZAAMHEDEN STOPPEN
- Zet de versnelling in de stand «SLOW».
- Laat de motor gedurende minstens 15-20 seconden op minimum draaien.
- Zet de motor af volgens de aanwijzingen in de handleiding van de machine.
- Wanneer de motor is afgekoeld, ontkoppelt u het kapje (afb. 4.A) van de bougie en neemt u de contactsleutel (indien voorzien) weg.
- Verwijder resten van de motor en in het bijzonder van de zone van de uitlaatdemper, om brandgevaar te vermijden.
5.7 REINIGING EN OPSLAG
- Gebruik geen waterstralen of hogedrukreinigers om de buitenkant van de motor schoon te maken.
- Gebruik bij voorkeur een persluchtpistool (max. 6 bar) maar vermijd dat er resten en stof binnendringen.
- Stal de machine (met de motor) op een droge, voldoende geventileerde plaats beschermd tegen weersomstandigheden.
5.8 LANGDURIGE INACTIVITEIT
Indien u voorziet dat de motor langer dan 30 dagen niet gebruikt zal worden (bijvoorbeeld op het einde van het seizoen), moet u enkele voorzorgen nemen zodat de motor daarna zonder problemen opnieuw in dienst kan worden gesteld.
- Maak de brandstoftank leeg om te vermijden dat er zich bezinksel vormt. Hiertoe schroeft u de dop (afb. 5.A) van de beker van de carburator los en vangt i alle brandstof in een geschikt recipiënt op. Daarna moet u eraan denken om de dop (afb. 5.A) opnieuw aan te schroeven en stevig vast te zetten.
- Verwijder de bougie en giet circa 3 cl zuivere motorolie in het gat van de bougie; terwijl u het gat met een vod dichthoudt, laat u de startmotor kort starten zodat de motor enkele toeren draait en de olie over het interne
oppervlak van de cilinder wordt verdeeld. Monteer ten slotte de bougie opnieuw, zonder het kapje van de kabel te monteren.
6. ONDERHOUD
Elke poging om aan het emissiebeperkingssysteem te knoeien kan het emissieniveau tot boven de wettelijke limiet verhogen. Hieronder wordt verstaan het verwijderen of wijzigen van onderdelen zoals het inlaatsysteem, het brandstofsysteem en het uitlaatsysteem.
6.1 ALGEMEEN
⚠ De veiligheidsnormen die u tijdens de onderhoudswerkzaamheden moet volgen, staan beschreven in par. 2.4.
Alle controles en onderhoudsinterventies moeten uitgevoerd worden terwijl de machine stilligt en de motor uit staat. Ontkoppel de bougie en lees de betreffende instructies vooraleer een interventie voor reiniging of onderhoud aan te vatten. Trek geschikte kledij, handschoenen en een veiligheidsbril aan vooraleer onderhoudsinterventies uit te voeren.
- De frequenties en de aard van de interventies zijn samengevat in de "Tabel met onderhoudswerkzaamheden".
- Het gebruik van niet-originele reserveonderdelen en accessoires kan negatieve gevolgen hebben voor de werking en de veiligheid van de machine. De constructeur wijst alle verantwoordelijkheid af in geval van schade of letsels veroorzaakt door deze producten.
- De oorspronkelijke reserveonderdelen worden geleverd door bevoegde assistentiecentra en door erkende verkopers.
BELANGRIJK Alle handelingen voor onderhoud en afstelling die niet in deze handleiding staan beschreven, moeten door uw verkoper of door een gespecialiseerd centrum worden uitgevoerd.
6.2 TABEL MET ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
BELANGRIJK Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de machine om de
onderhoudswerkzaamheden uit te voeren die in de onderstaande tabel staan beschreven.
BELANGRIJK Maak hem vaker schoon bij gebruik onder zware omstandigheden of wanneer de lucht sterk verontreinigd is.
OPMERKING Bij gebruik van de machine op zeer stoffige ondergronden moeten de filters vaker worden schoongemaakt / vervangen.
| Handeling | Na de eerste 5 werkuren | ledere 5 werkuren of na ieder gebruik | ledere 50 werkuren of op het einde van het seizoen | ledere 100 werkuren |
| Controle van het oliepeil (par. 5.1.1) | - | √ | - | - |
| Olie verversen ^1 (par. 6.3) | √ | - | √ | - |
| Reiniging van de geluiddemper en van de motor (par. 7) | - | √ | - | - |
| Controle en reiniging van de luchtfilter ^2 (par. 8) | - | √ | - | - |
| Vervanging van de luchtfilter (par. 8) | - | - | √ | - |
| Controle van de bougie (par. 9) | - | - | √ | - |
| Bougie vervangen (par. 9) | - | - | - | √ |
| Controle van de brandstofffilter ^3 | - | - | - | √ |
^1 Vervang de olie iedere 25 uur als de motor volledig belast of bij hoge temperaturen werkt.
^2 Maak de luchtfilter vaker schoon als de machine in stoffige zones werkt.
^3 Laten uitvoeren door een gespecialiseerd centrum.
6.3 DE OLIE VERVERSEN
Houdt u aan de aanwijzingen in de tabel met technische gegevens voor de te gebruiken soort olie.
⚠️ Laat de olie af terwijl de motor nog warm is, maar let erop de hete onderdelen van de motor of de afgelaten olie niet aan te raken.
Mits anders aangegeven in de handleiding van de machine, gaat u volgt te werk om de olie te verversen:
- Zet de machine horizontaal.
- Reinig de zone rond de vuldop en schroef de dop met de peilstik los (afb. 6.A).
- Plaats een geschikte bak om de olie op te vangen en draai de aftapdop (afb. 6.G) los.
- Monteer de aftapdop (afb. 6.G) weer en let er hierbij op of de afdichting goed geplaatst is en of hij stevig aangedraaid is.
- Vul met verse olie (par. 5.1.1).
- Controleer op de oliepeilstok (afb. 6.B) of het oliepeil tot aan «MAX» staat.
- Schroef de dop (afb. 6.A) weer vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie.
6.4 REINIGING VAN DE GELUIDDEMPER EN VAN DE MOTOR
De geluiddemper moet schoongemaakt worden terwijl de motor koud is.
- Verwijder alle resten en vuil waardoor brand kan ontstaan met een straal perslucht van de geluiddemper en van zijn beveiliging.
- Zorg ervoor dat de luchtinlaten voor de koeling niet verstopt zijn (afb. 7.A).
- Wrijf met een spons (afb. 7.B) gedrenkt in water en schoonmaakproduct over de plastic onderdelen.
6.5 ONDERHOUD VAN DE LUCHTFILTER
- Reinig de zone rond de afdekking (afb. 8.A) van de filter.
- Neem de afdekking weg (afb. 8.A) de twee draaiknoppen los te draaien.
- Verwijder het filterelement (afb. 8.B + 8.C).
- Verwijder de voorfilter (afb. 8.C) uit het patroon (afb. 8.B).
- Klop het patroon (afb. 8.B) tegen een hard oppervlak en blaas perslucht vanuit de binnenkant om stof en resten te verwijderen.
- Spoel de sponzen voorfilter (afb. 8.C) met water en schoonmaakproduct en laat in open lucht drogen.
BELANGRIJK Gebruik geen water, benzine, reinigingsproducten of andere producten om het patroon te reinigen.
BELANGRIJK De sponzen voorfilter (afb. 8.C) mag NIET geolied worden.
- Verwijder stof en resten aan de binnenkant van de zitting van de filter (afb. 8.D), zorg ervoor om de aanzuigleiding met een vod af te dichten (afb. 8.E) om te vermijden dat die in de motor binnendringen.
- Verwijder de vod (afb. 8.E), plaats het filterelement (afb. 8.C + 8.B) in zijn zitting en monteer de afdekking (afb. 8.A) opnieuw.
6.6 CONTROLE EN ONDERHOUD VAN DE BOUGIE
- Demonteer de bougie (afb. 9.A) met een stiftsleutel (afb. 9.B).
- Reinig de elektroden (afb. 9.C) met een metalen borstel om eventuele koolstofaanslag weg te nemen.
- Controleer de correcte afstand tussen de elektroden (0,6 - 0,8 mm) met een diktemeter (afb. 9.D).
- Monteer de bougie (afb. 9.A) opnieuw en zet stevig vast met een stiftsleutel (afb. 9.B).
Vervang de bougie als de elektroden verbrand zijn of als de keramiek kapot of gebarsten is.
⚠️ Brandgevaar! De startinstallatie niet controleren als de bougie niet in zijn zitting aangeschroefd is.
BELANGRIJK Gebruik uitsluitend bougies van het aangegeven type (zie Tabel met technische gegevens).
- IDENTIFICATIE VAN PROBLEMEN
| PROBLEEM | MOGELIJKE OORZAAK | OPLOSSING |
| 1. Startmoeilijkheden | Geen brandstof | Controleren en bijvullen (hfdst. 5.1.3) |
| Oude brandstof en bezinksel in de tank | Maak de tank leeg en giet verse brandstof erin |
| Onjuiste startprocedure | Voer het opstarten correct uit (par. 5.2 en par. 5.3) |
| Bougie losgekoppeld | Controleer of het kapje goed op de bougie is vastgezet (par. 5.1.4) |
| Bougie nat of elektroden van de bougie vuil of op onjuiste afstand | Controleren (par. 6.6) |
| Verstopte luchtfilter | Controleren en reinigen (par. 6.5) |
| Olie niet geschikt voor het seizoen | Vervang door geschikte olie (par. 6.3) |
| Verdamping van de brandstof in de carburator (vapor lock) wegens te hoge temperaturen | Wacht enkele minuten en probeer daarna om opnieuw te starten (par. 5.3) |
| Verbrandingsproblemen | Neem contact op met een erkend servicecentrum |
| Ontstekingsproblemen | Neem contact op met een erkend servicecentrum |
| 2. Onregelmatige werking | Elektrodes van de bougie vuil of niet op de juiste afstand | Controleren (par. 6.6) |
| Kapje van de bougie niet goed aangebracht | Controleer of het kapje stabiel is aangebracht (par. 5.1.4) |
| Verstopte luchtfilter | Controleren en reinigen (par. 6.5) |
| Commando van de versnelling in de stand «CHOKE» (indien aanwezig) | Zet het commando in de stand «FAST» |
| Verbrandingsproblemen | Neem contact op met een erkend servicecentrum |
| Ontstekingsproblemen | Neem contact op met een erkend servicecentrum |
| 3. Vermogenverlies tijdens het werken | Verstopte luchtfilter | Controleren en reinigen (par. 6.5) |
| Verbrandingsproblemen | Neem contact op met een erkend servicecentrum |
Indien de problemen niet verdwijnen na het toepassen van de beschreven oplossingen, moet u met uw verkoper contact opnemen..
INNHOLD
- GENERELL INFORMASJON ...... 1
- SIKKERHETSBESTEMMELSER...... 1
- BLI KJENT MED MASKINEN 3
3.1 Beskrivelse av maskinen og tiltenkt bruk 3
3.2 Sikkerhetsskilt.... 3
3.3 Merkeetikett 3
3.4 Motorkomponenter 3
3.5 Miljøbetingelser 3
3.6 Drivstoff 4
3.7 Olje 4
3.8 Luftfilter 4
3.9 Tennplugg 4
- KONTROLLER 4
4.1 Gasskontroll 4
- BRUKSREGLER....4
Echipamente individuale de protectie (EIP)
NL • De inhoud en de afbeeldingen van deze gebruikshandleiding werden gerealiseerd voor rekening van ST. S.p.A. en zijn beschermd door het auteursrecht – Elke niet-geautoriseerde reproductie of wijziging, ook gedeeltelijke, van het document is verboden.