FREELEXO CAM PLUS - Grasmaaier EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis FREELEXO CAM PLUS EINHELL in PDF-formaat.

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Grasmaaier
📄 622 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 11 vragen ⚙️ Specs
Notice EINHELL FREELEXO CAM PLUS - page 240
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Producttype Robotmaaier
Merk Einhell
Model FREELEXO CAM PLUS
Gewicht 8,75 kg
Maai breedte 18 cm
Maaihoogte 20 tot 60 mm, continu verstelbaar
Maximale helling 25 %
Batterijspanning 18 V (Power-X-Change)
Beschermingsgraad IPX4
Geluidsdrukniveau 46 dB(A)
Geluidsvermogensniveau 57 dB(A)
Aantal messen 3
Voeding laadstation 100-240 V ~ 50/60 Hz, uitgang 24 V / 1,5 A
Connectiviteit Wi-Fi, Bluetooth, GNSS
Sensoren Camera, regen, afstand, magnetisch, til, kanteling
Zoneafbakening Visueel/optisch (zonder randdraad), magnetische band optioneel
Indicatieve oppervlakte Ongeveer 500 m² (8 uur maaien per dag)
Leveringsinhoud Maaier, laadstation, voedingsadapter, geleidingskabel, vervangende messen, magnetische band, bevestigingsaccessoires, documentatie
Onderhoud Reinigen met vochtige doek; messen vervangen ongeveer om de 3 maanden
Veiligheid Hoofdschakelaar, PIN-code, automatische stop bij tillen of obstakel

Veelgestelde vragen - FREELEXO CAM PLUS EINHELL

Hoe stel ik de maaier voor de eerste keer in?
Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond aan de rand van het maaigebied, sluit de voeding aan en rol de geleidingskabel uit. Plaats de accu, zet de hoofdschakelaar aan en plaats de maaier in het station voor GNSS-kalibratie. Volg de instructies op het scherm en in de Einhell Connect-app.
Hoe stel ik de maaihoogte in?
Zorg dat de maaier is gestopt (STOP-knop). Gebruik het instelwiel (4) om de maaihoogte continu aan te passen van 20 tot 60 mm. Begin met een hoge hoogte en verlaag deze geleidelijk.
Wat moet ik doen als de maaier het laadstation niet vindt?
Controleer of het station van stroom is voorzien (vaste groene LED) en of de geleidingskabel correct is aangesloten. Zorg ervoor dat de maaier zich in het maaigebied bevindt en het GNSS-signaal niet geblokkeerd is. U kunt handmatig terugkeren via het menu 'Laadstation'.
Hoe reinig ik de maaier?
Schakel de maaier uit en verwijder de accu. Reinig de behuizing met een vochtige doek en zwarte zeep. Gebruik nooit een hogedrukreiniger. Maak regelmatig de cameralens en de laadcontacten schoon met een metaalproduct.
Wanneer en hoe vervang ik de messen?
Vervang alle drie de messen tegelijk zodra ze bot of beschadigd zijn (ongeveer elke 3 maanden). Schakel de stroom uit, blokkeer de mesdrager met een schroevendraaier, draai de schroeven los, installeer de nieuwe messen en draai ze stevig vast.
Hoe gebruik ik de magnetische band om een zone uit te sluiten?
Leg de magnetische band (min. 50 cm lang) op de grond of begraven op 5 cm rondom de te beschermen zone (zwembad, jonge boom, enz.). Bevestig deze met haken. De maaier detecteert de band en verandert van richting. Houd een afstand van 80 cm tot de geleidingskabel aan.
Wat betekent een knipperende rode LED op het laadstation?
Een knipperende rode LED duidt op een storing van het station. Controleer de voedingskabel en de aansluitingen van de geleidingskabel. Als het probleem aanhoudt, raadpleeg dan de foutentabel in de handleiding.
Hoe werk ik de software van de maaier bij?
Download de nieuwste firmware op een USB-stick (geformatteerd). Plaats de maaier in het maaigebied (buiten het station), steek de USB-stick in de USB-poort. De update start automatisch. U kunt ook de Einhell Connect-app gebruiken.
Wat moet ik doen als de maaier stopt met de melding 'Buiten de rand'?
Deze melding verschijnt als de maaier geen gras of zonegrens meer detecteert. Druk op STOP, plaats de maaier terug in het maaigebied en start opnieuw. Controleer of de grasgrenzen goed zichtbaar zijn (graslengte, randen).
Hoe bewaar ik de maaier in de winter?
Laad de accu volledig op en verwijder deze vervolgens uit de maaier. Zet de hoofdschakelaar uit en trek de voedingsadapter los. Reinig de maaier en berg deze op in een droge, vorstvrij plaats (5-30°C). De geleidingskabel kan buiten blijven, maar bescherm de aansluitingen.

Gebruikersvragen over FREELEXO CAM PLUS EINHELL

1 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

Uw e-mailadres blijft privé: het wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Moet de perimeterkabel verplicht worden geïnstalleerd op de FREELEXO CAM PLUS?
Veelgestelde Vragen - 18 d
Antwoord Notice-Facile

Nee, de perimeterkabel is niet verplicht. Volgens de handleiding van de FREELEXO CAM PLUS speelt de geleidingskabel (nr. 24) een rol van "nauwkeurige verankering in het oplaadstation", niet van absolute afbakening van het werkgebied.

Werking van de geleidingskabel:

  • Met kabel: De grasmaaier lokaliseert deze door magnetische detectie en volgt deze om automatisch naar zijn basis terug te keren. De kabel moet worden gelegd volgens de specificaties: tot 5 cm begraven, maximale afstand van 1 m tussen bevestigingshaken en een minimale afstand van 1 m voor en 0,5 m achter het station.
  • Zonder kabel: De robot werkt vrij en moet handmatig naar het station worden teruggebracht zodra de batterij leeg is.

Voor een optimale werking herinnert de handleiding eraan dat een "duidelijke en volledig perifere grasgrens" wordt aanbevolen, met obstakels die op het pad van de kabel moeten worden vermeden als u er een installeert.

Reageer (wees de eerste)

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FREELEXO CAM PLUS - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FREELEXO CAM PLUS van het merk EINHELL.

GEBRUIKSAANWIJZING FREELEXO CAM PLUS EINHELL

  1. Veiligheidsinstructies
  2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
  3. Doelmatig gebruik
  4. Technische gegevens
  5. Inbedrijfstelling
  6. Bediening
  7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen 8. Opslag
  8. Transport
  9. Verwerking en recycling
  10. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
  11. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
  12. Privacyverklaring FREELEXO CAM PLUS
  13. Indicatie lader

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - 1

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.

Dit apparaat mag niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geïnstrueerd werden en begrijpen welke gevaren van het apparaat uitgaan. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen.

Reiniging en onderhoud door de gebruiker mogen niet door kinderen worden uitgevoerd.

Gevaar!

Bij de inzet van apparaten moeten enkele voorzorgsmaatregelen worden getroffen om verwondingen en schade te verhinderen. Lees deze handleiding en veiligheidsinstructies aandachtig door. Bewaar deze goed, zodat u de informatie op elk moment kunt terugvinden. Mocht u dit apparaat aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding en veiligheidsinstructies mee te overhandigen. Wij zijn niet aansprakelijk voor ongevallen of schade als gevolg van niet-inachtneming van deze handleiding en de veiligheidsinstructies.

1. Veiligheidsinstructies

De veiligheidsinstructies vindt u in het bijgevoegde boekje!

Waarschuwing!

Lees alle veiligheidsinstructies, aanwijzingen, plaatjes en technische gegevens, waarvan dit elektrisch gereedschap is voorzien.

Nalatigheden bij de naleving van de volgende instructies kunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken.

Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwijzingen voor de toekomst.

Verklaring van de gebruikte symbolen (zie afbeelding 13)

A. WAARSCHUWING - Vóór inzet van de machine de handleiding doorlezen! B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewaren! C. WAARSCHUWING - Vóór de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tillen de blokkeerinrichting activeren! OPGELET - Roterende messen niet aanraken! D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen niet aanraken! E. Beschermklasse II (dubbele isolatie) F. Opslag van de accu's alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10°C tot +40°C. De accu's alleen in geladen toestand opbergen (min. 40% geladen). G. Beschermklasse III H. Trage zekering 2 A I. Alleen voor gebruik in droge ruimtes. J. WAARSCHUWING: Om de accu te laden alleen de afneembare voedingseenheid

NT24/1 / PS24/1 gebruiken die met dit apparaat werd meegeleverd.

Opgelet!

Trek tijdens een onweer de netstekker uit de contactdoos en isoleer de laadkabel van het laadstation.

2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering

2.1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)

  1. Maairobot
  2. Bedieningsveld
  3. STOP-toets / Ontgrendelingstoets van de afdekking van het bedieningsveld
  4. Maaihoogteverstelling
  5. Regensensor
  6. Draaggreep
  7. Hoofdschakelaar
  8. Achterwiel
  9. Deksel accuvak
  10. Klingen
  11. Messenschijf
  12. Voorwiel
  13. Afdekking van het bedieningsveld
  14. USB-aansluiting
  15. Camera-eenheid
  16. Afstandssensoren
  17. Laadstation 19a. Laadstation LED-indicatie 19b. Laadstation laadpen
  18. Voedingseenheid(-kabel)
  19. Bevestigingsschoef
  20. Zeskantsleutel
  21. Bevestigingshaak
  22. Lejkabel
  23. Kabelverbinder
  24. Reserve klingen
  25. Magnetband
  26. Liniaal (om eruit te trekken)
  27. Magnetsensor

2.2 Omvang van de levering en uitpakken Controleer de volledigheid van het artikel aan de hand van de beschreven omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u zich binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht. Leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve hiervoor de garantietabel in de service-informatie te raadplegen.

NL

aan het einde van de handleiding in acht te nemen.

  • Open de verpakking en neem het apparaat voorzichtig eruit. Verwijder het verpakkingsmateriaal en verpakkings-/transportbeveiligingen (indien aanwezig).
  • Controleer of de levering volledig is.
  • Controleer het apparaat en het toebehoren op transportschade.
  • Bewaar de verpakking indien mogelijk tot aan het einde van de garantieperiode.

Gevaar!

Het apparaat en het verpakkingsmateriaal zijn geen speelgoed voor kinderen! Kinderen mogen niet met plastic zakken, folies en kleine stukken spelen! Er bestaat inslik- en verstikkingsgevaar!

Omvang van de levering, montagematerialen en toebehoren (deels niet meegeleverd)

Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.

Maairobot, voedingsenheid(-kabel), laadstation, bevestigingsschroeven (4 stuks), reserveklingen, bevestigingshaak, leikabel, kabelverbinder, magneetband, zeskantsleutel, accu, linaal (om eruit te trekken), originele handleiding, veiligheidsinstructies

Benodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd)

Hamer, tang, isolatietang, waterpas (optioneel)

3. Doelmatig gebruik

De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maaien van gazons.

De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk gebruik dat verder gaat dan het beoogde doel is niet doelmatig. Voor schade of letsel van welke aard dan ook die daaruit voortvloeit, is de

gebruiker/bediener aansprakelijk, en niet de fabrikant.

Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun beoogde gebruik niet zijn ontworpen voor commerciële, ambachtelijke of industriële inzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid indien het apparaat in ambachtelijke of industriële bedrijven wordt ingezet voor activiteiten die daarop betrekking hebben.

Frequentieband: 0-148,5 kHz

Maximaal zendvermogen: 67,05 dBuA/m

WIFI:

Frequentieband: 2400-2483,5 MHz Maximaal zendvermogen: 20 dBm

Bluetooth:

Frequentieband: 2400-2483,5 MHz

Maximaal zendvermogen: 10 dBm

GNSS:

Frequentieband: 1559-1610 MHz

Voedingseenheid

Ingangsspanning: 100-240 V ~ 50/60 Hz Uitgangsspanning: 24 V DC Uitgangsstroom: 1,5 A Beschermklasse:

De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094:1991.

Waarschuwing!

Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijke verwondingen te verminderen, raden wij personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het medische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat wordt bediend.

5. Inbedrijfstelling

Lees de hele handleiding voordat u begint met de installatie van de maairobot. De kwaliteit van de installatie is rechtstreeks van invloed op het resulterende maaibeeld.

5.1 Werkingsprincipe

Volg zorgvuldig de bedieningshandleiding om een correcte en veilige inzet van de maairobot te garanderen.

De maairobot kiest zijn richting bij toeval. De tuin wordt volledig gemaaid, waarbij de maairobot alle zones bereikt die niet door afgrenzingen en hindernissen zijn uitgesloten. Wanneer de maairobot vaststelt dat hij aanbelandt bij een grens van het gazon of een hindernis herkent, dan verandert hij van richting en maait hij in een willekeurige andere richting verder. Via de sensoriek herkent de maairobot hindernissen en het vlak van het gazon, zodat hij zich vrij in het werkbereik kan bewegen.

De maairobot beschikt over een camera-eenheid, die beelden genereert van de voor hem liggende zone en deze verwerkt. Daarbij wordt het voor hem liggende terrein onderzocht, en gecontroleerd of het hierbij een maaivlak of grens van het gazon resp. een hindernis betreft. Zolang het voor hem liggende terrein als maaivlak wordt beschouwd, beweegt de maairobot zich met ingeschakeld maaiwerk rechtdoor. Als de zone als grens van een gazon resp. hindernis wordt aangezien, dan stopt de maairobot, controleert hij opnieuw het maaivlak en begint hij in een willekeurige richting weer te maaien. Het maaiterrein moet zorgvuldig gecontroleerd en aangepast worden, opdat de maairobot voldoende ruimte heeft om te

herkennen waar de zone eindigt. De grenzen van het gazon moeten duidelijk zijn vastgelegd, opdat de maairobot deze binnen zijn reactietijd duidelijk kan herkennen.

De gelegde leikabel (24) dient voor het nauwkeurige aandokken in het laadstation (19) en vormt tijdens het maaien geen grens. De maairobot moet zich daarom op een grayscale met duidelijke optische of fysieke grenzen bevinden. Opdat de maairobot de leikabel (24) en daarna het laadstation (19) vindt, moet deze zich bij de eerste activering van het maaiproces in het laadstation (19) bevinden. Via een globale satellietnavigatie (GNSS) bepaalt hij de positie van het laadstation (19). Als de positie van het laadstation (19) wordt veranderd, dan moet de maairobot dwingend opnieuw voor de kalibratie in het laadstation (19) worden geplaatst. Zorg ervoor dat geen afscherming of overdekking de bepaling van de positie verhindert. Plaats het laadstation (19) niet naast hoge gebouwen. In sommige gevallen is hier een kalibratie omwille van een slecht signaal niet mogelijk.

Bij lage laadtoestand van de accu keert de maairobot terug naar het laadstation (19). Met behulp van de GNSS-module bepaalt de maairobot zijn afstand tot het laadstation (19) en zoekt dit op. Als de maairobot op weg naar de Zoeklus stuit op een grens van de tuin of op hindernissen, dan slaat de maairobot zijn positie op en wordt het maaiterrein in kaart gebracht. Zo vindt de maairobot bij verder gebruik sneller de weg terug naar het laadstation (19). Aangekomen aan de leikabel (24) rijdt de maairobot aan de hand van zigsensoren om draden te herkennen tot aan het laadstation (19). Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin kan dit proces enkele minuten duren.

Via de globale satellietnavigatie (GNSS) worden eveneens de voor de locatie specifieke informatie over zonsopgang/-ondergang opgevraagd. Voldoende daglicht is absoluut vereist voor het storingsvrije functioneren van de maairobot. Controleer de lens van de camera-eenheid (15) regelmatig op verontreinigingen.

5.2 Sensoren

De maairobot is uitgerust met meerdere veiligheidssensoren. Via de sensoren kan de maairobot zich bewegen over zijn maaigebied.

Hefsensor:

Indien de maairobot van achteren meer dan 30° van de grond wordt opgetild of een voorwiel

NL

(12) het contact met de grond verliest, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt. - Hellingsensor:

Indien de maairobot sterk in een richting helt, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.

Hindernissensor:

De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt en rijdt hij terug weg van de hindernis.

Camera-eenheid:

De maairobot bezit een camera-eenheid (15), die het maai-terrein voor hem (circa 1 m²) analyseert. De camera is schuin gericht op de ondergrond, waarmee objecten in het bereik van het beeld met een maximale hoogte van 50 cm worden afgebeeld. Het te verwerken beeldmateriaal wordt slechts lokaal en tijdelijk opgeslagen in de maairobot en voortdurend overschreven. De maairobot kan hindernissen herkennen, en het werkterrein waar geen gras meer groeit. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit of geen gras meer herkent, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verder te maaien. Omwille van de camera-eenheid is het niet mogelijk dat de maairobot in de schemering resp. 's nachts werkt. Het gekozen werkvenster moet overdag liggen en wanneer er veel daglicht is, opdat de maairobot zich steeds betrouwbaar kan verplaatsen. Daardoor worden ook tijdens de schemering actieve kleine dieren, zoals bijv. egels, beschermd.

  • Afstandssensoren:

De maairobot is uitgerust met afstandssensoren (16), waarmee hij hindernissen op afstand detecteert. Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verder te maaien.

Magneetstripsensor

De robotmaaier is uitgerust met een magneetstripsensor (29) en herkent een magneetstrip (27) die op de grond ligt. Als de robotmaaier een magneetstrip tegenkomt, stopt hij en begint hij opnieuw te maaien in een willekeurige richting. De magneetstrip dient als virtuele grens, zodat u tuingebieden kunt instellen waarin de robotmaaier niet mag maaien.

Regensensor

De robotmaaier is uitgerust met een regensensor (5) om te voorkomen dat de robot

maaier in de regen werkt. De robotmaaier keert terug naar het laadstation (19) wanneer regen wordt gedetecteerd en wordt daar volledig opgeladen. Nadat de regensensor (5) weer droog is, blijft de robotmaaier in het laadstation (19) gedurende de vooraf ingestelde vertragingstijd. Pas daarna wordt het werk hervat, op voorwaarde dat het zich nog steeds in een actief tijdvenster bevindt. Als de regensensor (5) geactiveerd is (aanbevolen om het gazon te beschermen), is op het display (50) een lichtgeel wolkje te zien. Als de sensor wordt geactiveerd, verschijnt er een donker wolkje met regendruppels. Sluit de twee metalen sensoren niet kort met metaal of een ander geleidend materiaal. Dit belemmert de correcte werking van de robotmaaier.

GNSS-module

De robotmaaier bepaalt zijn positie en de positie van het laadstation (19) via een globaal satellietnavigatiesysteem (GNSS). Dit helpt de robotmaaier om de weg terug te vinden naar het laadstation (19). Met de GNSS-module kan de robotmaaier de lokale tijden voor zonsopgang en zonsondergang bepalen, waardoor de robotmaaier niet kan maaien in de schemering of 's nachts. Hierdoor kan de robotmaaier betrouwbaar met zijn camera-eenheid (15) werken. Dankzij de GNSS-module kan de robotmaaier altijd zijn afstand tot het laadstation (19) bepalen. De robotmaaier mag niet meer dan 1000 meter verwijderd zijn van het laadstation (19), anders verschijnt er een foutmelding op het display en kan de robotmaaier niet in de modus hoofdmaaigebieden worden gebruikt. De afstand tot het laadstation (19) is niet relevant tijdens gebruik in de modus aangrenzende maaigebieden.

Wi-Fi

De robotmaaier heeft een Bluetooth- en Wi-Fi-module. De status of signaalsterkte van de Wi-Fi worden op het display weergegeven.

5.3 Voorbereiding

Als het gras hoger is dan 60 mm, moet het worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de efficiëntie niet te verlagen. Gebruik hiervoor een conventionele grasmaaier of een trimmer. Verwijder alle losse voorwerpen die door de maairobot kunnen worden beschadigd of die de robot kunnen beschadigen, van het gras. Controleer het maaiterrein en de grenzen van het gazon, en zones die niet gemaaid hoeven te

NL

worden. In de volgende hoofdstukken van deze gebruiksaanwijzing vindt u informatie hoe u eenduidig grenzen van het gazon kunt vastleggen en bepaalde bereiken kunt beschermen. Sommige hindernissen kunnen door de maairobot vroegtijdig worden herkend en hoeven niet met veel moeite te worden afgezet.

Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).

5.3.1 Berekening van de helling van het gazon

De maairobot kan hellingen tot maximaal 25% aan. Vermijd steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 3a).

Voorbeeld: a/b = 25 cm/100 cm = 25 %

Voor de inzet van de maairobot is een accu (A) van de Power-X-Change serie nodig. Opgelet: de accu (A) kan al naargelang modelvariant niet meegeleverd zijn met uw maairobot. Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en schuif de accu (A) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accuvak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeelding 3b). Om de accu (A) te verwijderen opent u het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en trek deze eruit.

5.4 Laadstation

5.4.1 Locatie van het laadstation

Bepaal eerst de beste locatie voor het laadstation (19). Er is een buitenstopcontact nodig voor een permanente stroomvoorziening, zodat de robotmaaier altijd operationeel is. Het laadstation (19) moet op een vlakke ondergrond op het gazon worden geplaatst. Zorg ervoor dat deze locatie vlak en droog is. Plaats het laadstation (19) bij voorkeur aan de rand van het maaigebied. Zorg ervoor dat het netsnoer van het laadstation (19) niet in het maaigebied wordt gelegd of eventueel moet worden ingegraven om schade door de robotmaaier te voorkomen.

Plaats het laadstation (19) met de geleidingsdraad (24) liefst zo toegankelijk mogelijk vanuit alle maaigebieden en op een vrije locatie zonder obstakels. Plaats het laadstation (19) niet in hoeken die moeilijk bereikbaar zijn of op plaatsen die beperkt zijn door nauwe doorgangen. Zorg ervoor dat de robotmaaier in het laadstation een voldoende krachtige Wi-Fi-verbinding heeft. De maximale afstand tussen het laadstation (19) en

een gazongrens mag niet meer dan 1000 meter bedragen. Dit verhoogt de beveiliging tegen diefstal. Bij grotere afstanden verschijnt er een foutmelding op het display (50) en kan de robotmaaier niet worden bediend in de modus hoofdmaaigebieden. De afstand tot het laadstation (19) is niet relevant tijdens gebruik in de modus aangrenzende maaigebieden.

Een maximale afstand van de grens van het gazon tot het laadstation (19) van niet meer dan 50 m wordt aanbevolen om een efficiënt en automatisch maaiproces te garanderen. Naarmate de afstand tot het laadstation (19) groter wordt, is het mogelijk dat de resterende acculading van de robotmaaier niet langer voldoende is om het laadstation (19) te bereiken. Gebruik voor grotere maaigebieden een accu met een hogere accucapaciteit.

Kies een plek in de schaduw, want de accu wordt het best opgeladen in een koele omgeving. Hoge gebouwen of bomen kunnen het GNSS-signaal verslechteren zodat de robotmaaier niet langer zelfstandig de weg terug kan vinden naar het laadstation (19). Houd daarom voldoende afstand tot hoge gebouwen of bomen en zorg ervoor dat het laadstation (19) zich in de open lucht bevindt. Zorg er ook voor dat de geleidingsdraad (24) minstens 1 m voor het laadstation (19) en minstens 0,5 m achter het laadstation (19) recht wordt doorgetrokken (afb. 4a). Bochten direct voor het laadstation (19) kunnen leiden tot problemen bij het docken om op te laden.

5.4.2 Lokalisering van het laadstation

Wanneer de accu bijna leeg is, keert de maairobot terug naar het laadstation (19) door de leikabel (24) op te zoeken. De maairobot vergelijkt met behulp van GNSS op regelmatige intervallen zijn werkelijke positie met de gekalibreerde positie van het laadstation. De maairobot rijdt in de richting van het laadstation (19) en zoekt in meerdere stappen de leikabel (24). Daarbij stopt de maairobot steeds weer en rijdt eventueel in een andere richting verder om bij de leikabel (24) te komen. Als de maairobot in de buurt van de leikabel (24) komt, begint hij met draaibewegingen en met behulp van de signaalsterkte van de leikabel (24) de positie te detecteren.

Als de maairobot tijdens het maaien op een hindernis of een grens van het gazon stuit, wordt deze positie opgeslagen. Daarbij wordt het terrein in kaart gebracht, hetgeen de maairobot helpt om het laadstation (19) sneller te vinden.

Wanneer de maairobot de leikabel (24) heeft

bereikt, dan volgt hij deze tegen de klok in tot aan het laadstation (19). Let er daarom op dat het laadstation (19) correct uitgelijnd wordt geplaatst (afbeelding 4a).

5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan de voedingseenheid

  1. Voordat u het laadstation (19) verbindt met de stroomtoevoer, moet u controleren of de netspanning 100-240 V bij 50/60 Hz bedraagt.
  2. Verbind de voedingseenheid (20) rechtstreeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.
  3. Gebruik geen beschadigde voedingseenheid (20). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (20) voor vervanging meteen tot een erkende vakman.
  4. Laad de maairobot niet op in een vochtige omgeving. Laad de maairobot niet op bij temperaturen hoger dan 40°C of lager dan 5°C.
  5. Houd de maairobot en de voedingseenheid (20) uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliën. Houd de kabel van de voedingseenheid (20) om schade te vermijden weg van scherpe randen.
  6. Verbind de voedingseenheid (20) met het laadstation (19) (afbeelding 4b).
  7. Zet de maairobot met ingeschakelde hoofdschakelaar (7) en accu in het laadstation (19) en laad hem voor het eerste bedrijf volledig op.

5.4.4 Informatie over het laadproces

De robotmaaier keert terug naar het laadstation (19) in een van de volgende situaties:

U stuart de robotmaaier handmatig terug. - Het laadniveau van de accu daalt tot onder 30%. - De dagelijkse werkcyclus is voorbij. - De regensensor is geactiveerd. - De robotmaaier is oververhit geraakt. - Het begint donker te worden, wat betekent dat de camera-eenheid niet meer goed kan werken.

De robotmaaier zoekt de geleidingsdraad (24) en rijdt dan automatisch tegen de wijzers van de klok in langs de geleidingsdraad (24) naar het laadstation (19).

Terwijl de accu wordt opgeladen, brandt de LED-indicator (19a) op het laadstation rood. Als de accu volledig is opgeladen, brandt de LED-indicator (19a) op het laadstation (19) groen. Een batterijsymbool toont ook het acculaadniveau op het display. Als de accu wordt opgeladen, verschijnt

er een bliksemschicht in het batterijsymbool. Als er zich een obstakel bevindt op de geleidingsdraad (24) tijdens het terugrijden naar het laadstation (19), zal de robotmaaier na enkele pogingen stoppen voor het obstakel en niet kunnen terugkeren naar het laadstation (19). Verwijder alle obstakels op de geleidingsdraad (24). Als de temperatuur van de accu hoger wordt dan 45°C, wordt het laadproces geannuleerd om schade aan de accu te voorkomen. Zodra de temperatuur weer is gedaald, gaat het oplaadproces automatisch verder.

Als de temperatuur van de besturingseenheid van de robotmaaier hoger is dan 65°C, keert de robotmaaier terug naar het laadstation (19). Zodra de temperatuur weer is gedaald, wordt het werk hervat volgens de instellingen. Als de accu leeg is voordat de robotmaaier terugkeert naar het laadstation (19), kan de robotmaaier niet meer worden gestart. Zet de robotmaaier terug in het laadstation (19) en laat de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. De robotmaaier wordt dan automatisch opgeladen.

5.5 Leikabel

OPGELET! Een doorgesneden leikabel en gevolgschade vallen niet onder de garantie!

5.5.1 Leggen van de leikabel

De leikabel (24) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond kunnen de bevestigingshaken (23) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras voor het aanbrengen van de leikabel (24) als de grond erg droog is.

  • Installatie op de grond: Leg de leikabel (24) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde bevestigingshaken (23). De positie van de leikabel (24) kan in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog worden aangepast. Na enige tijd zal het gras echter over de leikabel (24) heen groeien en deze niet meer te zien zijn. Installeer de leikabel (24) met een maximale afstand van 1 m tussen de bevestigingshaken (23). Vermijd situaties waarbij de leikabel (24) niet op de grond rust. Zorg ervoor dat de leikabel (24) niet door de maairobot kan worden doorgesneden. De maairobot zal tijdens het maaien met ingeschakeld maaiwerk over de leikabel heen rijden.

Installatie in de grond

Graaf de leikabel (24) tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de leikabel (24) bijvoorbeeld bij het verticuteren of ver

luchten verhinderd.

Opgelet!

Aangezien de leikabel (24) niet altijd aan de grens van het gazon wordt gelegd, is het belangrijk om de positie ervan te noteren, om deze bij latere werkzaamheden in de tuin niet te beschadigen. Maak eventueel een schets of documenteer het traject met foto's. Indien de leikabel (24) niet werd ingegraven in de grond, dan mag u om een beschadiging te vermijden in de buurt van de leikabel (24) niet verticuteren en verluchten.

5.5.2 Installatie van de zoeklus

  • De leikabel (24) vormt een zoeklus, waarmee de maairobot de weg terugvindt naar het laadstation (19). Leg de leikabel (24) min. 1 m voor het laadstation (19) en min. 0,5 m erachter (afbeelding 4a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.
  • Het minimum vlak dat de leikabel (24) insluit moet minstens 5 m² bedragen (afbeelding 4a). Het wordt aanbevolen om de hele lengte van de leikabel (24) te benutten en deze indien mogelijk in een vierkant vlak te leggen. De zoeklus moet zo worden uitgericht, dat de maairobot vanuit elk deel van de tuin goed bij het laadstation (19) kan raken.
  • De afstand tussen twee leikabels (24) moet min. 0,8 m bedragen (afbeelding 4a). De leikabel (24) mag zich niet kruisen. Let erop dat er zich geen hindernissen bevinden op de leikabel (24).
  • Let erop dat er zich links en rechts naast de leikabel (24) ca. 30 cm geen hindernissen bevinden (afbeelding 4c). Houd afstand tot de grens van de tuin en tot hoge straatstenen. Als de weg op hetzelfde niveau verloopt als het gazonvlak, dan kunt u de leikabel (24) zonder afstand daartoe leggen.

5.6 Verbinden van het laadstation

Sluit het leggen van de volledige geleidingsdraad (24) af, voordat u het vrije uiteinde aansluit op het laadstation (19).

Trek de stekker uit het stopcontact voordat u de geleidingsdraad (24) aansluit op het laadstation (19). De geleidingsdraad is al gedeeltelijk voorgemonteerd op het laadstation. De geleidingsdraad is al onder het laadstation gelegd en aangesloten op de linker zwarte aansluiting. Controleer deze verbinding op een correcte bevestiging.

Voer na het leggen van de geleidingsdraad (24) het vrije uiteinde door het gat en sluit het aan op de rode aansluiting aan de rechterkant (afb. 4d).

Let op! De geleidingsdraad (24) mag niet gekruist worden gelegd!

Maak vervolgens de verbinding met de stroomvoorziening. De LED-indicator (19a) op het laadstation (19) moet na correcte installatie constant groen branden. Als de LED niet gaat branden, controleer dan eerst de aansluitingen.

Als de LED oplicht maar niet constant groen is, lees dan de tabel „Display laadstation en oplossen van problemen“ aan het einde van deze gebruiksaanwijzing.

5.7 Maagebied - Hindernissen en grenzen van het maiterrein

5.7.1 Grens van het gazon

Het maaigebied moet een eenduidige en volledig omlopende grens van het gazon bezitten. Maak u vertrouwd met de in dit hoofdstuk beschreven mogelijkheden om een grens van het gazon vast te leggen. Begin ten slotte op een willekeurig punt van de grens van het gazon met de controle waarvan en volg deze in een cirkel, totdat u weer bij het startpunt aankomt.

Bereiken binnen het werkvlak die moeten worden uitgesloten, moeten eveneens met een eenduidige grens zijn omsloten. Ga daarbij te werk zoals bij de buitenste grenzen van het maaigebied.

Nauwe punten

Indien het gazonvlak een nauwe doorgang bezit, dan kan uw maairobot daarin werken zolang de corridor een breedte van minstens 1,2 m en een lengte van maximaal 8 m heeft (afbeelding 5a). Bij lange en smalle nauwe punten kan het gebeuren dat de maairobot de weg naar het laadstation (19) niet meer terugvindt.

- Afstand aan de grens van het gazon

Wanneer de maairobot de grens van het gazon nadert, dan wordt dit herkend door de camera-eenheid (15) vooraan in de maairobot. De afstand waarbinnen geen gras meer staat moet minstens 30 cm bedragen (afbeelding 5b). Zorg ervoor dat er geen hoogteverschil bestaat aan de grens van het gazon, opdat de maairobot eerst over de exacte grens heen kan rijden, voordat hij stopt en in een nieuwe richting verder gaat. Dieper gelegen bloembedden of verhoogde steenranden kunnen tot beschadigingen aan de maairobot leiden.

Controleer regelmatig of de grenzen van het gazon niet dichtgegroeid zijn, aangezien de maairobot het maaigebied anders kan verlaten. De grens van het gazon kan eveneens worden omrand met straatstenen, waardoor een duidelijke afgrenzing tot de maaizone ontstaat.

  • Afstand aan de grens van het gazon met water

In principe herkent de maairobot de grens van het gazon zoals hierboven beschreven betrouwbaar. Het kan echter gebeuren dat de maairobot de grens van het gazon verder overschrijdt, en om die reden bevelen wij een afstand van de grens tot water (vijver, pool enz.) van zo'n 50 cm aan (afbeelding 5c). Om de maairobot betrouwbaar te beschermen valt het alternatief aan te bevelen om het gebied met water te voorzien van een verhoogde omranding.

Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 25 cm

Via de afstandssensoren (16) herkent de maairobot hindernissen met een minimum hoogte van 25 cm (afbeelding 5d). Daardoor kunt u ook de grens van uw gazon vastleggen met behulp van verhoogde hindernissen. De maairobot stopt op een afstand van circa 20 cm voor de hindernis en draait om het maaiproces in een andere richting voort te zetten. Opgelet! - Daardoor maait de robot niet tot aan de grens van het gazon en blijft er een niet gemaaide strook van ca. 20 cm over.

Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 10 cm

Via de collisiesensoren kan de maairobot ook botsen op hindernissen lager dan 25 cm. Daarmee kan eveneens een grens van het gazon worden vastgelegd. Houd er rekening mee dat het hierbij een stabiele omranding met een hoogte van minstens 10 cm betreft (afbeelding 5e).

5.7.2 Hindernissen

Hindernissen zijn objecten binnen het bereik van de maaizone. Via de sensoren kan de maairobot tal van hindernissen herkennen. Zachte, instabiele en waardevolle voorwerpen moeten eventueel worden beschermd. Vergelijk hiervoor de hierboven beschreven mogelijkheden om de grens van het gazon af te bakenen.

  • Hindernissen met een hoogte van meer dan 25 cm (afbeelding 5f)

Vaste hindernissen hoger dan 25 cm en met een minimum breedte van 3 cm, bijv. bomen,

muren, hekken, tuinmeubels enz., worden herkend door de afstandssensoren (16). Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij en zet hij het maaiproces voort in een andere richting. Daarbij wordt ca. 20 cm tot een hindernis niet gemaaid.

  • Hindernissen met een hoogte lager dan 25 cm (afbeelding 5g) Als een hindernis niet door de afstandssensoren (16) wordt herkend, dan botst de maairobot op de hindernis en reageren de collisiesensoren. De maairobot stopt en zet zijn maaiproces voort in een andere richting. De hoogte van de hindernissen moet minstens 10 cm bedragen. Bescherm gevoelige instabiele objecten met een omranding. Stenen hindernissen lager dan 10 cm: Stenen, rotsen en hindernissen lager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden beschermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maairobot beschadigd raken en blokkeren (zie hoofdstuk 'Grens van het gazon'). Bomen worden door de maairobot beschouwd als hindernissen. Als er boomwortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan moet deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot.

5.7.3 Magneetband (afbeelding 5h-l)

Hindernissen die het door de maairobot uitgezonden afstandssignaal slecht kunnen reflecteren (bijv. afrastering, hekwerk), worden gedeeltelijk niet of pas erg laat herkend. Hindernissen met zwak optisch contrast tot maaivlakken kunnen eveneens moeilijk worden herkend. Voor een contactloze en veilige verandering van richting van de maairobot kan deze zone of het object met de magneetband (27) worden beschermd. De magneetband (27) dient als mobiele en tijdelijke grens in uw maaigebied. De in de maairobot ingebouwde magneetsensoren herkennen de magneetband (27) en draaien aan de grens waarvan weg. Daardoor kunnen delen van de tuin worden afgebakend waar niet naartoe gereden moet worden, zoals bijv.:

Kortstondige afgrenzing van een deel in de tuin voor een tuinfeest, waarvoor tijdelijk niet naartoe gereden moet worden. Opstellen van een trampoline of zwembad tijdens de zomermaanden in het maaigebied. - Een pas geplante boom is nog zeer gevoelig en moet de eerste tijd tegen botsingen met de maairobot worden beschermd.

NL

  • Afhankelijk van het seizoen moet in de tuin een bloembed ontstaan dat insecten aantrekt. In dit deel moet de maairobot niet rijden, en dit moet reeds bij het eerste ontluiken worden beschermd. In een deel werk is er gezaaid en dit moet aanvankelijk nog worden beschermd. De ondergrond is nog niet stevig genoeg en er moet zich eerst een sterke grasnerf vormen.

Leg de magnetoband (27) op een afstand van ongeveer een centimeter rond de betreffende zone resp. het object. Kort de magnetoband (27) indien nodig in (minimale lengte 50 cm). Opdat een samenhangende grens van meerdere magnetobandelementen zeker worden herkend, mag de maximale afstand tussen de betreffende uiteinden van 8 cm niet worden overschreden (afbeelding 5k). Zorg ervoor dat de buitengrens van het maaibereik door een optische resp. fysieke afscheiding is vastgelegd. Fixeer de magnetoband (27) met bevestigingshaken (23) in de grond op een maximale afstand van 1 m.

Houd een afstand van minstens 80 cm tot de leikabel (24) aan en ook tussen twee onafhankelijke begrenzingsgebieden, opdat de maairobot probleemloos daardoorheen kan rijden (afbeelding 51). Vermijd het leggen van de magnetoband (27) op hellingen, aangezien de maairobot hier over het begrenzingsbereik heen kan glijden en zo de grens niet worden herkend.

De magnetoband (27) kan net zoals de leikabel (24) zowel op de grond als ca. 5 cm diep in de grond worden geïnstalleerd. Let erop dat de magnetoband (27) niet te diep in de grond wordt gelegd, aangezien anders een betrouwbare herkenning door de maairobot niet meer kan worden gegarandeerd.

5.7.4 Hoofd- en aangrenzende maaigebieden (afb. 5m)

Een aangrenzend maaigebied (B) is een oppervlak dat niet direct verbonden is met het hoofdmaaigebied (A), bijvoorbeeld een nauwe passage. De robotmaaier kan niet direct en zelfstandig een aangrenzend maaigebied bereiken.

Om het aangrenzende maaigebied (B) te maaien, moet u de robotmaaier handmatig naar dit gedeelte (B) dragen. De robotmaaier moet met de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld zijn. Start het gewenste maaiprogramma en selecteer "Aangrenzend maaigebied" in het menu (zie "Instellingen robotmaaier"). De robotmaaier zal in het aangrenzende maaigebied (B) niet proberen

terug te keren naar het laadstation (19) als het laadniveau van de accu laag is. De robotmaaier maait tot de accu leeg is. De accu moet dan worden opgeladen of de robotmaaier moet worden teruggebracht naar het laadstation (19).

Let op!

De robotmaaier mag zich op meer dan 1000 meter verwijderd bevinden van het laadstation (19), anders verschijnt er een foutmelding op het display (50) en kan de robotmaaier niet in de modus hoofdmaaigebieden worden gebruikt. De afstand tot het laadstation (19) is niet relevant tijdens gebruik in de modus aangrenzende maaigebieden.

Houd een afstand tot vreemde maaivlakken (bijv. van buren), waar met een begrenzingsdraad wordt gewerkt. Het door de begrenzingsdraad gegenereerde signaal kan een probleem vormen als de robotmaaier zich weg maar het laadstation (19) terug probeert te vinden.

5.8 GNSS-module

5.8.1 Positie van het laadstation kalibreren

Om de robotmaaier de weg terug te laten vinden naar de zoeklus en het laadstation (19), moet de robotmaaier de positie van het laadstation (19) kalibreren met behulp van een global navigatie-satellietsystem (GNSS).

Plaats hiervoor de gebruiksklare robotmaaier in het laadstation (19) met de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. Tijdens het kalibratieproces vervaagt het GNSS-symbool op het display (50). Zodra dit proces met succes is voltooid, licht het GNSS-symbool continu op of knippert het als het signaal zwak is. Dit proces kan enkele minuten duren.

Zorg ervoor dat er geen afscherming of overkapping is die de positiebepaling hindert. Plaats het laadstation (19) niet naast hoge gebouwen. Houd voldoende afstand tot hoge gebouwen en bomen. Kalibratie is hier soms niet mogelijk vanwege slechte signaaldekking.

5.8.2 In kaart brengen

Als de maairobot terugkeert naar het laadstation (19), dan bepaalt hij met behulp van de GNSS-module zijn afstand tot het laadstation (19). Als de maairobot op weg naar het laadstation (19) stuit op een grens van de tuin of op hindernissen, dan slaat de maairobot zijn positie op en wordt het maai-terrein in kaart gebracht. Zo

vindt de maairobot bij verder gebruik sneller de weg terug naar het laadstation (19).

5.8.3 Kaart wissen

Om alle GNSS-informatie op uw robotmaaier te wissen, dient u in het instellingenmenu het item „Maaierprotocol" te selecteren. Kies daarna het item „Kaart wissen" en bevestig dit. De robotmaaier moet nu teruggebracht worden naar het laadstation (19) om de positie van het laadstation (19) opnieuw te kalibreren. Als u in de tuin grote aanpassingen in het maaigebied maakt, is het aan te raden om de kaart van de robotmaaier te wissen. Bovendien kan de kaart van de robotmaaier worden beïnvloed door kale plekken in het gazon in de zomermaanden en door vallende bladeren in de herfst. Wis ook in deze gevallen de kaart zoals hierboven beschreven. In dergelijke gevallen raden we aan om de automatische werking tijdelijk uit te schakelen en het apparaat in de modus aangrenzende maaigebieden te gebruiken op geschikte plekken in de tuin.

5.9 Tuingrenzen en hun kwaliteit

Om de veilige werking van uw robotmaaier zonder begrenzingsdraad te garanderen, controleert de robotmaaier de grenzen van het maaigebied met de camera-eenheid (15). De camera-eenheid (15) analyseert het maaigebied ervoor (ongeveer 1m2). Als de robotmaaier een grens van het maaigebied tegenkomt, kan de robotmaaier een grenskwaliteitswaarde bepalen op basis van parameters.

5.9.1 Initialisatie-rit - ingebruikname Zorg ervoor dat de accu van de robotmaaier aan het begin van de initialisatie-rit volledig is opgeladen.

Hierdoor kan de robotmaaier de bepaling van een referentiewaarde in één keer voltooien. Als een acculading niet voldoende is voor de initialisatie, keert de robotmaaier automatisch terug naar het laadstation (19) en gaat hij automatisch verder met de volgende keer dat hij wordt gestart. Om de betrouwbaarheid van de maaigebiedgrenzen te bepalen, moet voor de werking van de robotmaaier voor elk maaigebied een individuele referentiewaarde worden vastgesteld. Om de referentiewaarde te bepalen, beweegt de robotmaaier zoals gewoonlijk willekeurig in één richting in het maaigebied. Als de robotmaaier een grens of obstakel tegenkomt, stopt hij en evalueert hij het maaigebied dat voor hem ligt. De robotmaaier verplaatst zich vervolgens in een willekeurige andere richting.

Om veiligheidsredenen wordt de initialisatierit uitgevoerd terwijl de maai-eenheid is uitgeschakeld.

Als de maaier een grens van het maaigebied bereikt, wordt dit geëvalueerd en op het display weergegeven. Een continu brandend gazonsymbool op het display duidt op een duidelijke grens, terwijl een continu knipperend symbool duidt op een onduidelijke grens. Voor een betrouwbare bepaling van de referentiewaarde zijn ten minste 200 contacten met een grens van het maaigebied nodig. De betrouwbaarheid van de grenskwaliteitswaarde wordt gecontroleerd na meer dan 200 contacten. Als de robotmaaier besluit dat de waarde nog niet voldoende betrouwbaar is, zet de robotmaaier de initialisatierit voort voor nog eens 200 contacten.

Als de initialisatierit succesvol was en er een betrouwbare grenskwaliteitswaarde kon worden aangemaakt, begint de robotmaaier het maaigebied te maaien volgens de maaitijdinstelling.

Als het niet mogelijk was om een betrouwbare referentiewaarde te creëren, stopt de robotmaaier en verschijnt er een foutmelding op het display (50). Controleer de grenzen van het maaigebied en corrigeer grenzen die niet duidelijk te onderscheiden zijn van het maaigebied. Zorg ervoor dat het maaigebied duidelijk wordt onderscheiden van de omringende gedeeltes. Verwijder eerst de bestaande referentiewaarde (zie 5.9.4) en herhaal vervolgens de initialisatie.

5.9.2 De grenskwaliteit tijdens bedrijf controleren

Tijdens de automatische werking van de maaier controleert de robotmaaier regelmatig of de huidige grenskwaliteitswaarde van het maaigebied is veranderd ten opzichte van de referentiewaarde die tijdens de initialisatierit is bepaald. Als de grenskwaliteit van het gazon aanzienlijk is verslechterd, stopt de robotmaaier in het laadstation en geeft dit aan in een overeenkomstige foutmelding op het display.

Geleidingsdraadsymbool brandt continu

De robotmaaier bevindt zich in of nabij de zoeklus. Of de maaier staat in het laadstation (19) maar wordt niet opgeladen.

Geleidingsdraadsymbool knippert

De robotmaaier is ver verwijderd van de zoeklus of de stroomvoorziening naar het laadstation (19) is onderbroken. De geleidingsdraad (24) is verkeerd aangesloten of beschadigd geraakt. De maaier staat in het laadstation (19) en wordt

opgeladen.

5.9.3 Bedrijf van de maairobot in nevenvlakken

De maairobot kan een individuele waarde voor het hoofdvlak en het nevenvlak aanmaken. Daarom is het nodig om op elk nieuw nevenvlak een initialiseringsrit uit te voeren. Het is alleen toegestaan om de maairobot in te zetten op één nevenvlak. Indien u met de maairobot wilt maaien op een ander nevenvlak, dan is het dwingend noodzakelijk om de kwaliteitswaarde van de grens voor het nevenvlak te verwijderen en een initialiseringsrit uit te voeren.

5.9.4 Wissen van de waarden

Na een langere maaipauze kunnen de grenskwaliteitswaarden veranderd zijn, wat kan leiden tot fouten in het komende seizoen. Daarom wordt aanbevolen om de grenskwaliteitswaarde elk jaar aan het begin van het seizoen te wissen en een nieuwe referentiewaarde vast te stellen. Dit zorgt voor een veilige en betrouwbare werking van de robotmaaier.

Om de referentiewaarden op uw robotmaaier te wissen, dient u in het instellingenmenu het item "Maaierprotocol" te selecteren. Kies daarna het item "Grenswaarden wissen" en bevestig dit.

5.10 Inschakelen en controleren van de installatie

5.10.1 Controle van de installatie van geleidingsdraad en laadstation (afb. 6a)

Zodra de LED-indicator (19a) op het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied klaar om door de robotmaaier gemaaid te worden. Ga eerst na of de bevestigingshaken (23) op de geleidingsdraad (24) volledig ingestoken zijn.

Plaats de robotmaaier een klein stukje achter het laadstation (19) in de geleidingslus om indien mogelijk de volledige afstand van de geleidingsdraad (24) te controleren. De robotmaaier mag nog niet op de geleidingsdraad (24) staan en moet naar de geleidingsdraad (24) gericht zijn. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afb. 8).

Druk op de STOP-toets (3) en open het bedieningspaneeldeksel (13). Ontgrendel de robotmaaier met behulp van de PIN (zie hoofdstuk "Vergrendeling / PIN"). Druk op de MODE-toets (52). Selecteer vervolgens met de navigatietoetsen (55) het item "naar laadstation" en bevestig met de "OK"-toets (56). Druk op de START-toets (53) en sluit vervolgens het displaydeksel. De robotmaaier zoekt naar de geleidingsdraad (24) om zich weg te vinden naar het laadstation (19).

Het beweegt eerst vooruit totdat de robotmaaier de geleidingsdraad (24) heeft bereikt. Indien nodig kan de robotmaaier vooraf kort stoppen om zich te heroriënteren. De robotmaaier volgt dan de geleidingsdraad (24) tegen de wijzers van de klok in. Zorg ervoor dat er zich geen voorwerpen op de geleidingsdraad (24) bevinden.

De accu van de robotmaaier wordt nu volledig opgeladen. Als er problemen zijn met het docken, kan het nodig zijn om het laadstation (19) te verplaatsen totdat het docken zonder problemen werkt. U kunt de robotmaaier op elk moment stoppen met de rode STOP-toets (3). Na het indrukken van de STOP-toets (3) stopt de robotmaaier en wacht hij op verdere instructies. Controleer ook gebieden die ver verwijderd zijn van de zoeklus of gebieden die verbonden zijn door nauwe passages. Herhaal de procedure zoals hierboven beschreven en stuur de robotmaaier terug naar het laadstation (19).

5.10.2 Controle van het maaigebied (afb. 6b)

Om de grenzen van het maaigebied te controleren, loopt u langs de grens van het gazon en controleert u of het maaigebied volledig omgeven is door afbakeningen of obstakels. Herhaal dit met alle gebieden die moeten worden uitgesloten, bijv. bloembedden, zwembad, vijver, en controleer of deze op alle punten duidelijk zijn afgebakend. Bij kritieke punten waarvan u niet zeker weet of de robotmaaier ze kan herkennen, is het raadzaam om deze punten te controleren. Plaats hiervoor de robotmaaier op 1 meter afstand van het te controleren punt. De robotmaaier moet naar het te controleren punt gericht zijn. Controleer ook gebieden die worden beschermd door een magneetstrip (27). Start vervolgens de maaier zoals beschreven in hoofdstuk 6.5.3. De robotmaaier beweegt eerst vooruit en moet op een gegeven moment de grens of het obstakel van het gazon herkennen. U kunt het proces op elk moment annuleren door op de STOP-toets (3) te drukken. Herhaal dit proces voor gebieden waar u niet zeker over bent.

5.10.3 Controle van de positie van het laadstation (afb. 6c)

Controleer de positie van het laadstation (19) door de robotmaaier op verschillende plaatsen op het gazon te plaatsen nadat de kalibratie is voltooid en laat hem vervolgens zoeken naar het laadstation (19). Stuur de robotmaaier daarna terug naar het laadstation zoals beschreven in hoofdstuk

6.5.4. U kunt het proces op elk moment annuleren door op de STOP-toets (3) te drukken. Pas indien nodig het gebied, het doortrekken van de geleidingsdraad (24) en de positie van het laadstation (19) aan.

dingsdraad (24) en de positie van het laadstation (19) aan.

5.11 Bevestiging van het laadstation

Nadat de werking zoals voorgeschreven van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) is gevonden, moet het station (19) met de bevestigingsschroeven (21) worden gefixeerd. Draai de bevestigingsschroeven (21) met de zeskantsleutel (22) helemaal in de grond (afbeelding 7).

5.12 Accu-capaciteitsindicatie

Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsindicatie. De accu-capaciteitsindicatie signaleert u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeelding 12b).

De accu is volledig opgeladen.

2 of 1 LED(s) branden:

De accu beschikt over voldoende restlading.

1 LED knippert:

De accu is leeg, laad de accu op.

Alle LEDs knipperen:

De temperatuur van de accu is te laag. Verwijder de accu van het apparaat en laat de accu een dag liggen bij kamertemperatuur. Als de fout opnieuw optreedt, dan werd hij diep ontladen en is hij defect. Neem de accu van het apparaat. Een defecte accu mag niet meer gebruikt of geladen worden.

Opgelet!

Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan altijd in op de hogere capaciteit. Dankzij de spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het niet noodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlengen.

5.13 Laden van de accu met de lader

Tijdens het normale bedrijf worden de accu (A) van de maairobot geladen via het laadstation (19). Voor de onafhankelijke inzet van de accu (A) van de Power-X-Change serie kan deze ook in de externe lader Power-X-Charger worden geladen. Opgelet! - De lader (B) kan al naargelang van de variant van het model eventueel meegeleverd worden.

  1. Vergelijk of de op het typeplaatje vermelde netspanning overeenstemt met de beschikba

re netspanning. Steek de netstekker van de lader (B) in de contactdoos. De groene LED begint te knipperen.

  1. Steek de accu (A) op de lader (B) (afbeelding 12a).
  2. Onder het punt 'Indicatie lader' vindt u een tabel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader.

Tijdens het laden kan de accu iets warm worden. Dit is normaal.

Mocht het laden van de accu niet mogelijk zijn, controleer dan

of aan het stopcontact de netspanning aanwezig is. - of een foutloos contact aan de laadcontacten voorhanden is.

Indien het laden van het accupack nog steeds niet mogelijk is, dan verzoeken wij u

de lader en het accupack op te sturen naar onze klantendienst.

Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met onze klantendienst of het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht.

Zorg er bij de verzending of verwerking van accu's resp. het accu-apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden!

In het belang van een lange levensduur van het accupack moet u ervoor zorgen, dat deze op tijd opnieuw wordt opgeladen. Dit is in elk geval noodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt. Ontlaad het accupack nooit helemaal. Dit leidt tot een defect van het accupack!

6. Bediening

6.1 Hoofdschakelaar

De maairobot is uitgerust met een hoofdschakelaar (7). Schakel de maairobot met de hoofdschakelaar (7) in (ON) en uit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschakelen van de maairobot wordt deze met de PIN vergrendeld.

6.2 Bedieningspaneel

De robotmaaier is af fabriek al geprogrammeerd met standaardinstellingen. Deze kunnen desgewenst worden gewijzigd. Zelfs als de fabrieksinstellingen geschikt zijn voor de meeste tuinen, moet u toch vertrouwd raken met de beschikbare opties.

Uitleg van het bedieningspaneel met LCD-display (afb.9)

  1. LCD-display
  2. SET-toets - instellingentoets
  3. MODE-toets - maaiprogrammatoets
  4. START-toets - starttoets
  5. BACK-toets - terugtoets
  6. Navigatietoetsen
  7. OK-toets - bevestigingstoets

6.3 Maahoogteverstelling

Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk daarom op de STOP-toets (3). De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogte tussen 20 en 60 mm, die op de schaal kan worden afgelezen.

Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het tot minstens 60 mm worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de efficiëntie niet te verlagen. Gebruik daarom een conventionele grasmaaier of een trimmer.

Na aflsuiting van de installatie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte.

6.4 Vergrendeling / PIN

De vergrendeling voorkomt ongeoorloofd gebruik van de robotmaaier zonder geldige code. Hiervoor moet een persoonlijke viercijferige beveiligingscode worden ingevoerd.

Ontgrendeling

Voordat u de robotmaaier opstart, moet u de juiste PIN-code invoeren (standaard-PIN-code: "0-0-0"). Voer de PIN-code in met de navigatietoetsen (55).

Standaard-PIN: Nieuwe PIN

0000

PIN wijzigen

Ga als volgt te werk om de PIN-code te wijzigen:

  1. Ontgrendel het bedieningspaneel.
  2. Druk eerst op de SET-toets om de instellingen

uit te voeren.

  1. Gebruik in het menu van het LCD-display (50) de navigatietoetsen (55) om naar het item "Algemeen" en vervolgens naar "PIN-code" te gaan.
  2. Voer eerst de huidige PIN in (standaard-PIN 0-0-0-0) met de navigatietoetsen (55).
  3. Voer vervolgens uw persoonlijke PIN-code in met de navigatietoetsen (55).
  4. Bevestig de gemaakte instellingen.
  5. Herhaal de stappen 5 en 6 om de nieuwe PIN te bevestigen.
  6. Let op! Noteer de nieuwe PIN-code!

PIN aanvragen bij verlies

Houd de bon en het serienummer van de robotmaaier bij de hand. Deze hebt u nodig om uw PIN-code te krijgen!

Variant A:

  1. Druk in de vergrendelde status 6 seconden op de SET-toets (51).
  2. Vervolgens verschijnt de PUK-code in het display (50).
  3. Neem contact op met de klantenservice om uw PIN-code te verkrijgen.

Variant B:

  1. Sluit zoals afgebeeld een lege USB-stick (afb. 11) aan op de USB-poort (14).
  2. De robotmaaier slaat de PUK-code automatisch op uw USB-stick op en beëindigt het proces met een pieptoon.
  3. Trek de USB-stick uit het apparaat. Bekijk de gegevens op de USB-stick op een computer. De robotmaaier heeft een tekstbestand (.txt) gemaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Neem contact op met de klantenservice om uw PIN-code te verkrijgen.

6.5 Instellingen van de robotmaaier

Het hoofdmenu van het LCD-display (50) toont de huidige datum- en tijdinstellingen van de robotmaaier en het huidige accu-laadniveau. De status van de regensensor, het draadsignaal, de geselecteerde modus, de GNSS en Wi-Fi worden ook in de symboolbalk weergegeven. Via het bedieningspaneel kunt u de robotmaaier met de SET-toets (51) instellen en de robotmaaier met de MODE-toets (52) starten met verschillende maaiprogramma's. Gebruik de navigatietoetsen (55) om naar de gewenste instelling te gaan en deze desgewenst te wijzigen. Druk op de BACK-toets (54) om het betreffende menu te verlaten.

NL

6.5.1 Maaiprogramma's - MODE-toets (52) In het MODE-menu kunt u met de navigatietoetsen (55) kiezen tussen de twee bedrijfsmodi Handmatig en Tijdschema en de maaier terugsturen naar het laadstation.

Handmatig

Hier kunt u buiten het ingestelde tijdschema selecteren of u wilt dat de robotmaaier normaal maait of dat er spotmowing moet worden uitgevoerd. U kunt kiezen tussen een hoofdgrasbed en een aangrenzend grasbed. Meer gedetailleerde informatie over de twee oppervlakken vindt u in het hoofdstuk "Ingebruikname" onder het punt "Hoofd- en aangrenzende grasbedien".

Spotmowing

Het is mogelijk dat uw robotmaaier sommige delen niet grondig genoeg maait. Plaats de robotmaaier op de gewenste plek en start de robotmaaier. De robotmaaier begint dan het gazon spiraalvormig te maaien totdat hij een obstakel tegenkomt of de camera geen te maaien gazon herkent. De maaier blijft nu werken tot de accu bijna leeg is en keert dan terug naar het laadstation.

Terug naar het laadstation

Stuur uw robotmaaier terug naar het laadstation (19) zoals beschreven in hoofdstuk 6.5.4.

Tijdschema

De werktijd van de maaier wordt beperkt door zonsopgang en zonsondergang. De huidige waarden worden weergegeven op het display onder het menu Tijdschema.

Als de ingestelde starttijd voor de getoonde zonsopgangstijd is (linksboven op het display), zal de robotmaaier niet beginnen met maaien tot de zonsopgangstijd.

Als de ingestelde tijd voor het einde van het maaien na de getoonde zonsondergang is (rechtsboven op het display), zal de robotmaaier aan het laadstation terugkeren op de weergegeven tijd en niet op de ingestelde tijd.

Belangrijk!

De tijden van zonsopgang en zonsondergang die door de robotmaaier worden berekend, worden weergegeven met een veiligheidsmarge van 30 minuten om een foutloze werking te garanderen.

In deze modus kunt u de maaitijden per dag instellen met de navigatietoetsen (55). U kunt twee tijdschema's voor maaien per dag instellen. U kunt

de gedefinieerde tijdschema's voor maaien overnemen op andere dagen of elke dag afzonderlijk plannen.

Als u twee tijdschema's voor maaien op een dag instelt, mogen de tijdschema's elkaar niet overlappen en moeten de tijdschema's binnen een dag worden gegenereerd. Maaitijden mogen niet doorlopen tot de volgende dag.

Als u een ingesteld tijdschema voor maaien wilt verwijderen, moet u het tijdschema instellen op 00:00-00:00.

Voor het instellen van het tijdschema voor maaien wordt grofweg een richtwaarde van 8 uur per dag voor 500m2 aanbevolen. Afhankelijk van de grootte en complexiteit van de tuin moet de geselecteerde werkelijk worden aangepast.

6.5.2 Instellingen - SET-toets

U kunt de SET-toets (51) gebruiken om de basisinstellingen van uw robotmaaier in te stellen. Gebruik de navigatietoetsen (55) om naar het gewenste item te gaan en bevestig of verwijder de gemaakte instellingen met de OK-toets (56) of de BACK-toets (54).

Terugweg

De terugweg die de robotmaaier vanuit het laadstation (19) aflegt, kan worden ingesteld. De robotmaaier legt de ingestelde afstand eerst achteruit af, voordat hij hier het maaigebied draait. Zorg ervoor dat de robotmaaier door de ingestelde terugweg niet het maaigebied verlaat.

Regensensor

De regensensor (5) kan via deze instelling worden geprogrammeerd. De standaardinstelling voor de sensor is „Aan”. U kunt de regensensor (5) activeren of deactiveren en de vertragingstijd instellen. De vertragingstijd bepaalt de tijd dat de robotmaaier in het laadstation (19) blijft nadat de regensensor (5) is opgedroogd.

Maaierprotocol

In dit subitem kunt u het foutgeheugen bekijken en de kaart wissen, de grenswaarden wissen of de beelden wissen.

Algemeen

  • PIN-code: U kunt de PIN-code van de robotmaaier wijzigen en uw persoonlijke PIN-code gebruiken. Ga hiervoor te werk zoals beschreven in het hoofdstuk „Vergrendeling / PIN”. Let op! Noteer de nieuwe PIN-code.
  • Datum & tijd: Gebruik de navigatietoetsen (55) om naar het relevante item te gaan en de gewenste

instellingen uit te voeren.

  • Taal: Gebruik de navigatietoetsen (55) om over te schakelen naar de gewenste taal.
  • Softwareversie: Hier wordt de huidige softwareversie van de robotmaaier vermeld.

In dit subitem kunt u de Wi-Fi-verbinding van de robotmaaier instellen met uw smartphone. Bovendien kunt u de Wi-Fi-verbinding resetten en informatie over de Wi-Fi-verbinding opvragen.

Resetten

De robotmaaier kan hier worden gereset naar de fabrieksinstellingen, waardoor alle instellingen worden gewist en ook de Wi-Fi-verbinding wordt geannuleerd.

6.5.3 Startprocedure

  1. Druk op de STOP-toets (3) en open het displaydeksel (23) volledig.
  2. Ontgrendel het bedieningspaneel (2).
  3. Gebruik de MODE-toets (52) om het gewenste maaiprogramma en het betreffende werkgebied te selecteren.
  4. Druk op de START-toets (53).
  5. Sluit het displaydeksel (23).

De robotmaaier werkt nu volgens de ingestelde bedrijfsmodus. Tijdens werktijd wordt het laadniveau van de accu weergegeven op het LCD-display (50). Zodra het laadniveau van de accu daalt tot 30% keert de robotmaaier automatisch terug naar het laadstation (19).

Opmerking: Voor de werking van de robotmaaier is een referentiewaarde voor de kwaliteitswaarde nodig. Deze wordt ingesteld zoals beschreven in het hoofdstuk "Tuigrenzen - grenskwaliteitswaarde" en daarna start de robotmaaier in eerste instantie met uitgeschakelde maai-eenheid. Zodra de waarde is ingesteld, begint de robotmaaier met maaien volgens de ingestelde maaitijd.

6.5.4 Annuleren van het maaiproces

  1. Druk op de STOP-toets (3) om de robotmaaier onmiddellijk stil te zetten.
  2. Open het displaydeksel (23) volledig.
  3. Ontgrendel het bedieningspaneel (2).
  4. Druk op de MODE-toets (52) en selecteer "Naar laadstation" om de robotmaaier terug te sturen naar het laadstation (19). 5. Druk op de START-toets (53).
  5. Sluit het displaydeksel (23).

6.5.5. STOP-status

Door op de STOP-toets (3) te drukken, worden de robotmaaier in de STOP-status gezet, die wordt weergegeven op het LCD-display (50). De robotmaaier pauzeert het maaien totdat deze status wordt opgeheven.

Na het ontgrendelen van het bedieningspaneel (2) verschijnt er een venster dat voorstelt om de STOP-status op te heffen. Door bevestiging wordt deze status opgeheven. Anders blijft de robotmaaier stilstaan. Als de robotmaaier wordt gestart of teruggestuurd naar het laadstation (19), wordt de STOP-status ook opgeheven. Sluit het displaydeksel (23).

6.6 Besturingseenheid van de robotmaaier met de Einhell Connect app

Met behulp van de Einhell Connect app kunt u de robotmaaier overal vandaan bedienen. Download de app via de volgende links of QR-codes:

iOS: http://qr.einhell.com/12e103ce

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Besturingseenheid van de robotmaaier met de Einhell Connect app - 1

Android: http://qr.einhell.com/176c0443

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Besturingseenheid van de robotmaaier met de Einhell Connect app - 2

Sluit de robotmaaier aan op uw smartphone en volg de getoonde stappen.

Aanwijzingen voor de verbinding:

Druk op de SET-toets (51) op het bedieningspaneel om het apparaat te registreren. Gebruik de navigatietoetsen (55) om naar beneden te gaan en selecteer het submenu „APP-link". - Om in de Einhell Connect app apparaten te kunnen registreren is een gebruikersaccount nodig. - De locatie van het apparaat moet ingeschakeld zijn om de Bluetooth-verbinding te kunnen gebruiken. - Om de robotmaaier te registreren, dient u de koppelmodus via het display van de maaier te starten. U wordt in de app in detail door het

registratieproces geleid.

Koppel de robotmaaier alleen binnen de Einhell Connect app. - Het bereik van een Bluetooth-verbinding is beperkt. Blijf daarom in de buurt van de maaier tijdens de eerste ingebruikname.

7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen

Gevaar!

Vóór alle reinigings- en onderhoudswerkzaamheden moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekker uit de contactdoos moet trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uitschakelt (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu (A) uit de maairobot (afbeelding 3b).

Voorzichtig! Werkhandschoenen dragen!

7.1 Reiniging

Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventilatiespleten en het motorhuis zo veel mogelijk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doek af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon. De maairobot mag niet met stromend water, vooral niet onder hoge druk, worden gereinigd. Reinig het apparaat regelmatig met een vochtige doek en wat groene zeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zouden kunnen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat terecht kan komen. Maak de maairobot indien mogelijk schoon met een borstel of doek. Controleer de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11). Gebruik voor de reiniging van de laadcontacten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer fijn schuurpapier. Maak deze schoon om een efficiënt laadproces te garanderen.

7.2 Onderhoud

  • Controleer regelmatig de lens van de cameraeenheid (15) op vervuilingen en reinig alles. De lens kan met name door regenval worden vervuild. Gebruik hiervoor geen agressieve reinigings- of oplosmiddelen. Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingsschroeven moeten altijd per set worden vervangen.

Vervang versleten of beschadigde delen. Voor een lange levensduur moeten alle schroefdelen en de wielen en assen schoongemaakt en vervolgens met olie gesmeerd worden. De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig wordt gemaaid. De het sterkst aan slijtage onderhevige componenten zijn de klingen (10). Controleer regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging daarvan. Als er overmatige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd zijn resp. door stoten werden vervormd. Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan moeten deze meteen worden vervangen. Controleer regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlak licht uitdrogen en verdort het. Vervang daarom de klingen regelmatig, opdat u een zuiver en recht maairesultaat verkrijgt. Controleer de onderkant van de maairobot regelmatig op vervuilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigingen onmiddellijk. In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als hiervoor met een conventionele grasmaaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controleer daarom de onderkant van uw maairobot gedurende deze periode vaker. Verkort het gras om een sterke verontreiniging te vermijden slechts in kleine stappen. Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhouden onderdelen.

7.2.1 Vervangen van de klingen

Verwijder de accu alvorens het mes te vervangen.

Gebruik alleen originele klingen, aangezien anders functie en veiligheid niet zijn gegarandeerd. De maairobot is uitgerust met drie aan een messenschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maximaal 3 maanden (wanneer er geen hindernissen worden getroffen). Vervang alle drie klingen (10) gelijktijdig om uit te sluiten dat de efficiëntie en balans van uw apparaat negatief worden beïnvloed.

Om de klingen (10) te vervangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 10). Opgelet! Handschoenen dragen.

  1. Blokkeer met een schroevendraaier de rotatie van de messenschijf (11). Steek hiervoor de schroevendraaier door de voorziene gaten in de schijf (11) en de beschermkap.
  2. Draai de bevestigingsschroeven los.
  3. Neem de klingen (10) eraf en vervang deze door nieuwe. Vervang alle drie klingen (10) altijd per set.
  4. Daarna draait u de bevestigingsschroeven weer vast. Let erop dat de nieuwe klingen (10) vrij kunnen worden gedraaid.

Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verwijder alle opgezamelde resten. Vóór elk begin van een seizoen de toestand van de klingen (10) absoluut controleren. Wend u bij reparaties tot onze klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.

7.2.2 Software-update

Als u de software wilt updaten, kopieer dan de nieuwe software naar een lege USB-stick (formatteer indien nodig vooraf de USB-stick). Zorg ervoor dat de accu volledig is opgeladen, voordat u de volgende stappen uitvoert.

  1. Plaats de robotmaaier in het maaigebied. De robotmaaier mag niet in het laadstation staan tijdens het updaten van de software.
  2. Sluit zoals afgebeeld een lege USB-stick (afb. 11) aan op de USB-poort.
  3. De robotmaaier start nu de software-update en geeft de huidige status weer.
  4. Trek de USB-stick uit het apparaat zodra het updateproces is voltooid en start de robotmaaier opnieuw op met de hoofdschakelaar (7).

Als alternatief kan de software-update ook worden uitgevoerd via de Einhell Connect app. Selecteer "Instellingen" in de app en vervolgens "Firmware update" en volg de verdere instructies in de app.

7.2.3 Reparatie van de leikabel

Isoleer eerst het laadstation (19) van de stroomtoevoer. Als de leikabel (24) op een bepaald punt wordt doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinders (25). Steek beide uiteinden van de doorgesneden leikabel (24) in de kabelverbinder (25) en druk deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controleer vervolgens aan de hand van de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) de werking.

7.3 Bestelling van onderdelen:

Gelieve bij de bestelling van onderdelen de volgende gegevens te vermelden:

Type van het apparaat Artikelnummer van het apparaat - Ident.-nummer van het apparaat

  • Onderdeelnummer van het benodigde onderdeel

Actuele prijzen en info vindt u op www.EinhellService.com

Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20

8. Opslag

Laad de accu (A) vóór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF). Neem de accu (A) uit het apparaat. Isoleer de voedingseenheid (20) van de stroomtoevoer en het laadstation (19).

De leikabel (24) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er daarbij wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd tegen corrosie. Isoleer daartoe de aansluitingen van de leikabel (24) van het laadstation (19).

Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrije en voor kinderen ontoegankelijke plaats. De optimale opslagtemperatuur ligt tussen 5°C en 30°C. Bewaar het apparaat in de originele verpakking.

9. Transport

Schakel het apparaat UIT via de hoofdschakelaar (7) (OFF) (afbeelding 8). - Breng, indien voorhanden, transportbeveiligingen aan. - Bescherm het apparaat tegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen. - Beveilig het apparaat tegen wegglijden en kantelen. Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.

NL

10. Verwerking en recycling

Het apparaat zit in een verpakking om transportschade te voorkomen. Deze verpakking is een grondstof en bijgevolg herbruikbaar of kan in de grondstofkringloop worden teruggebracht. Het apparaat en het toebehoren bestaan uit verschillende materialen, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen niet thuis bij het huisvuil. Voor de deskundige verwerking moet het apparaat worden ingeleverd bij een erkend inzamelpunt. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren.

Afvalverwijdering

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Afvalverwijdering - 1

Elektrische gereedschappen, accu's, accessoires en bijbehorende verpakkingen moeten op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled.

Gooi elektrische gereedschappen, accu's en batterijen niet bij het huisvuil, maar breng ze naar een inzamelpunt.

Alleen voor landen binnen de EU: Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EU inzake afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, en de implementatie hiervan in nationaal recht, moeten niet bruikbare elektrische gereedschappen op een voor het milieu verantwoorde wijze worden ingezameld en gerecycled. Volgens de Europese richtlijn 2006/66/EG moeten defecte of verbruikte accu's/batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled. Bij een verkeerde afvoer kunnen afgedankte elektrische en elektronische apparaten vanwege de mogelijk aanwezigheid van gevaarlijke stoffen schadelijke uitwerkingen op het milieu en de gezondheid van mensen hebben.

Nadruk of andere reproductie van documentatie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltelijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van Einhell Germany AG.

Technische wijzigingen voorbehouden.

NL

11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten

LED-indicatie (19a)Beschrijving Oplossing
Uit - Geen stroomtoevoer. - Controller de stroomtoevoer.
Brandt groen - Geredom te maaien.- Accu volledig geladen.- Leikabel (24) aangesloten.
Knippert groen - Leikabel (24) doorgesneden. - Onderzoek de leikabel (24) op een breuk.
Brandt rood - Accu wortd geladen. - Wacht tot de accu volledig is geladen.
Knippert rood - Storing aan het station - Controller het netsnoer van het laadstation

12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten

Foutmelding van de robotmaaier op het LCD-display (50)

Fout Mogelijk teoorzaak Verhelpen
Geen signala- Geleidingsdraad (24) ver-keerd aangesloten- Geen stroomvoorziening- Geleidingsdraad (24) door-gesnedenController of de LED-indicator (21) op het laadstation (19) groen brandt.- Zorg ervoor dat de geleidingsdraad (24) correct en gecentreerd onder het laadsta-tion (19) is gelegd.- Controller de positie van het laadstati-on(19).
Maaier buiten maai-gebied- De robotmaier herkent geen gazon of gazongrens en be-vindt zich.daarom buiten het maaigebiedDruk op de STOP-toets om het displaydek-sel (13) te openen. Start het maaiprocess opnieuw via het bedieningspaneel.- Zorg ervoor dat de robotmaier in het maaigebied staat, controller de huidige positie waar de robotmaier tot stilstand is gekomen.
Accufout- Bij de robotmaier is een accufout opgetreden- De accu kan nicht worden ge-laden- De accu het einde van zijn levensduur bereikt- Zorg ervoor dat de accu correct is gein-stalleer. - Controller of de hoofdschakelaar (7) is ingeschakend (ON) toenwijl de robotmaier in het laadstation (19) staat.- Controller de positie van het laadstati-on(19). Vervang indien nodig de accu.

NL

Fout Mogelijk teoorzaak Verhelpen
Accu-temperatuur-foutAccutemperatuur te hoog / te laag of besturingseenheid oververhit - Als de accutemperatuur 65 °C overschrijdt, keert de robotmaiaier terug maar het laadstation (19). - Als de batterijtemperatuur hoger is dan 45 °C of lager dan 0 °C, worden het laadproces gestopt en wacht de robotmaiaier op het laadstation (19).- Stel in de zomer de werkelijk uit tot de vroege ochtenduren en vermijd het gebruk van de robotmaiaier tijdens de warme uren van de dag. - Zodra de accu of de besturingseenheid is afgekoeld totuiten het toegestane temperatuurbereik, keert de robotmaiaier automatisch terug� degeprogrammeerde werking.
Maai-eenheid om-hoog- Hefsensor gedurende 10 se-conden continu geactiveerdDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (23) te openen. Start het maiaiprocess opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Als.Deze fouv vaak optreedt, controlleren dan het maiaigebied op obstakels die hoger zijn dan 10 cm en verwijder ze of scheid de obstakels met behulp van de magnete strip (27) van het maiaigbed.
Maai-eenheid geblokkeerd- Obstakelsensor binnen een minuut meerere keren ge-activeerd - Obstakelsensor gedurende 10 secondencontinu geactiveerd - Obstakelsensor drie keer ge-activeerdijdens de rit terug� het laadstation (19)Druk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (23) te openen. Start het maiaiprocess opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Controller of de robotmaiaier geblokkeerd is door een obstakel of klem zich:tussen bo-men, struiken, enz. Verwijder het obstakel of vermijd dit gebied. - Als deze fouv vaak optreedt, controlleren dan de aanleg van de geleidingsdraad (24). Let vooral op smalle hoeken, gan-gen, hekken, rotsen enz. en pas indien nodig de lay-out van de geleidingsdraad (24) aan. - Controller of het gras te hoog is en de robotmaiaier blokkeert. Maai het gras in dit geval tot onder de 60 mm.

NL

Fout Mogelijk oorzaak Verhelpen
Te zich bij station - De robotmaier werk te zich bij het laadstation (19) terug-gestuurd.Druk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (13) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - De robotmaier moet worden teruggestu-urd maar het laadstation (19) op een mini-male afstand van 2 meter.
Omgevalten - De robotmaier werk gedu-rende 10 seconden aan een stuk gekanteld - De robotmaier staat gedu-rende langere tijd schuinDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (13) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Verplaats de robotmaier� aan een vlakke ondergrond en start hem opnieuw. - Als de robotmaier gekanteld is vanwege een steile helling in het maaigebied, dient dit gebied dienovereenkomstig beveiligde te worden met de meegeleverde mag-neetstrip (27) om steile hellingen te om-zeilen.
Wielfout - Achterwieten (8) kwamen door een obstakel van de grond - Achterwieten (8) konnen op oneff en gazon vrij draaienDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (23) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Verplaats de robotmaier� aan een vlakke ondergrond en start hem opnieuw.
STOP-toets-fout Het displaydeksel (13) is geo-pend, maar de STOP-toets (3) werk net geactiveerdDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (13) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Controller of het displaydeksel (13) problemoos met de STOP-toets (3) geopend en gesloten kan worden. - Controller de werkung van de STOP-toets (3).

NL

Fout Mogelijk ooorzaak Verhelpen
PCB overtempe-ratuurAccutemperatuur te hoog / te laag of besturingseenheid oververhit - Als de accutemperatuur 65 °C overschrijdt, keert de robotmaaier terug maar het laadstation (19). - Als de batterijtemperatuur hoger is dan 45 °C of lager dan 0 °C, worden het laadpro-ces gestopt en wacht de robotmaaier op het laadstation (19).- Stel in de zomer de werkelijk den uit tot de vroege ochtenduren en vermijd het gebru-ik van de robotmaaier tijdens de warme uren van de dag. - Zodra de accu of de besturingseenheid is afgekoeld tot binnen het toegestane temperatuurbereik, keert de robotmaaier automatisch terug maar de geprogram-meerde werking.
Regen - De regensensor (5) werk geactiveerd.- Wacht tot de robotmaaier droog is. - Een gedetailleerde beschrijving van de sensor is te vinden in hoofdstuk 5.2.
Sensorfout (ge- leidingsdraad-, afstands-, magneet-sensor)- De robotmaaier is gestopt vanwege een sensorfoutZet de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en wee aan (ON) om de robotmaaier opnieuw te starten.
Motorfout/ overstroom motor- De robotmaaier is gestopt door een overstroom in de motor of een motorstoringZet de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en wee aan (ON) om de robotmaaier opnieuw te starten. - Controller de hoogte van het gras in het maaigebied en maai het gras indien nodig tot onder 60 mm met een conventionele grasmaaier. - Verhoog de maaihoogte. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze inkleine stapjes tot u de gewenste hoogte heb bereikt. - Controller de messchijven (11) en wielen op verontreinigungen en reinig deze onder-delen grondig. - Controller de weiterwienen en de mes-schijf (11) op blokkades. Als deze blokkades Niet verholpen worden, neem dan contact op met de verantwoordelijke klantenservice.
Bedrijfsfout - De robotmaaier is gestopt vanwege een werkingsfoutZet de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en wee aan (ON) om de robotmaaier opnieuw te starten.
Onduidelijk grens De robotmaaier bevindt zich in het laadstation of in de zoeklus en de afwijking van de referen-tiekwaliteitswaarde is aanzienli-jk verslechterd.Controller de grenzen van het maaigebied. Verwijder verrolgens de referentiewaarde en voor een neue initialisatie van de gren-skwaliteit uit.
Fout Mogelijk oorzaak Verhopen
Geen camerasi-gnaalDe robotmaier ontvangt geen signaal van de camera-eenheidZet de hoofdschakelaaruit(OFF)enweer aan(ON)omde robotmaier opnieuw te starten.
Te verweg De robotmaier is te ver van het laadstation (19) verwijderdVerplaats de robotmaieraar het maage-bieddat zich dicht bij het laadstation bevindt.Zet de hoofdschakelaaruit(OFF)enweer aan(ON)omde robotmaier opnieuw te starten.
Te zichbij de mag-neetstripDe maaier herkent een mag-neetripsignaal in de directe nabijheidOm te kuren starten, moet de robotmaier minstens 1 meter van de magneetstrip verwijderd zijn.

Wi-Fi-symbool:

Fout Mogelijk oorzaak Verhelfpen
Wi-Fi-symbool doorgestreeptDe robotmaier ontvangt geen Wi-Fi-signaal- Start de robotmaier opnieuw op - Controller de Wi-Fi-verbinding - Stel indien nodig de Wi-Fi-verbinding opnieuw in.
Wi-Fi-signaal zwak De robotmaier reageert met een aanzijlijke vertraging of reageert helemaal Niet.Controller de Wi-Fi-dekking in uw tuin.

GNSS-symbool:

Fout Mogelijk teoorzaak Verhelppen
Wi-Fi-symbool doorgestreep Geen GPS-geve-vensDe robotmaier ontvangt geen GNSS-signaalZorg ervoor dat de robotmaier buiten staat en dat het GNSS-signaal nicht worden afge-schermd
GNSS-symbool knippertGNSS-signaal onnauwkeurig Alshet GNSS-signaal continu knippert, is het ontvangen signaal erg zwak (afge-schermd door gebouw/boom) en要去 de positie van het laadstation worden aange-past.
GNSS-symbool knippert snelDe robotmaier zoekt maar een GNSS-verbinding en kalibreert de positie van het laadstation.Wacht tot de kalibratie is afgesloten.

Foutopsporing

Fout Mogelijkkeoorzaak Verhelpen
De maairobot staat in het maaigebied. De maairobot kan Niet worden ingeschakeld.- Accuspanning te laag. - Fout aan de stroomkring of de elektronica.
De maairobot kan Niet in het laadstati-on rijden.- Laadstation (19) Niet correct geinstalleerd.
De maairobot maaktelijk veel lawaai.- Klingen (10) beschadigd. - Aan de klingen (10) hechtenVELVREEMDE materialen. - Maairobot te zich bij hinder-nissen gestart. - Mesaandrijving of aandrij-fmotor beschadigd. - Andere delen van de maairobot beschadigd.
De maairobot blijft in het laadstation. De maairobot keert steeds waar terug maar het laadstation.- Verkeerde instelleningen van de werktijd. - De laadtoestand van de accu is laag of daalt onder 30%. - De regensensor heeft gerea-geerd. - De maairobot is oververhit. - Het begint te schemeren, waardoor de camera-eenheid Niet meer juist kan functioneren.
De maairobot kan het laadstation (19) Niet vinden.- Het laadstation (19) bevindt zich op een plaat waarঠ een zwak GNSS-signaal worden ontvangen. - Hindernissen in de onmid-dellijke nabijheid van de lus van de leikabel verhinderen het rijden daarnaartoe.

OPGELET! Een doorgesneden leikabel en gevolgschade vallen niet onder de garantie!

Foutopsporing magnetoBand (27)

Fout Mogelijkkeoorzaak Verhelpen
Maairobot herkent de magneeband (27) Niet en rijdt er- overheen.- De magneeband (27) is te diep in de grond gelegd. - De magneeband (27) func- tioneert Niet goed, odomat de buitentemperatuur te hoog is.- Leg de magneeband (27) op de grond of ca. 5 cm in de grond. - Wacht tot de temperatuur is gedaald. Ver- mijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag.
De maairobot stopt resp. rijdt ongecon- troleerd in de buurt van begrenzings- bereik.- De magneeband (27) is te zich bij de leikabel (24) ge- legd. De afstandussen twee onafhankelijk begrenzings- bereiken met magneeband (27) is te gering. - In de maaizone ontstaan er op grond van elektrische ka- bels storingen.- Houd een afstand van minstens 80 cm+tussen de leikabel (24) en de magnee-band (27) of+tussen twee begrenzingsbe- reiken aan. - Vermijd elektrische kabels die in het maai- gebied lopen. Positioneer het laadstation (19) aan de rand van de maaizone. Houd een afstand tot vreme de maaivlakken (bijv. van buren), waar met een begren- zingsdraad worden gewerkt.
De maairobot dringt binnen in het be- grenzingsbereik.- De maairobot glijdt over de magneeband (27).- Leg de magneeband (27) Niet op hellin-gen. - Neem de vermelde installmentevoorwaarden in acht.

13. Privacyverklaring FREELEXO CAM PLUS

Einhell Germany AG verheugt zich over uw inzet van de FREELEXO CAM PLUS maairobot. De bescherming van uw persoonlijke gegevens gaat ons nauw aan het hart. In wat volgt beschrijven wij welke gegevens in het algemeen worden verwerkt bij de inzet van het apparaat.

Locatie van het laadstation

De maairobot slaat lokaal aan het apparaat de via GNSS-positiebepaling vastgestelde standplaats van het laadstation op. Deze is nodig om het apparaat na afsluiting van de maaiwerkzaamheden terug te navigeren naar het laadstation resp. de leikabel. In het geval van service kan deze informatie via het logbestand fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

Tijdstip zonsopgang/zonsondergang

De maairobot slaat lokaal aan het apparaat het via GNSS-positiebepaling vastgestelde tijdstip van de zonsopgang resp. zonsondergang op. Dit is nodig, opdat het apparaat alleen kan worden gestart binnen een tijdsinterval, waarin de camera-eenheid beelden kan genereren met voldoende helderheid. In het geval van service kan deze informatie via het logbestand fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

Beelden van de camera-eenheid

De robotmaaier slaat de door de camera-eenheid gegenereerde beelden lokaal op het apparaat op. Dit is nodig voor het systeem om het algoritme van de robotmaaier voortdurend te verbeteren. Er zijn afbeeldingen op de maaier die zijn gemaakt tijdens de laatste 15 minuten maaien. Deze gegevensrecord wordt voortdurend overschreven. Als de maaier in het laadstation staat, worden er geen beelden gemaakt. Als er onderhoud nodig is, kan men deze beelden lokaal uitlezen om eventuele storingen op te sporen. Deze beelden worden vervolgens gewist.

U kunt zowel de locatiespecifieke informatie als de gegenereerde beelden van het apparaat verwijderen. Druk op de SET-toets en selecteer het submenu 'Maaierprotocol'. U kunt vervolgens 'Kaart wissen' gebruiken om de locatie-informatie op het apparaat te wissen of 'Beelden wissen' om de beelden te wissen die op de camera zijn opgeslagen.

Een uitvoerige documentatie over onze richtlijnen inzake gegevensbescherming vindt u op onze homepage onder Gegevensbescherming.

14. Indicatie lader

IndicatiestatusBetekenis en maatregel
Rode LEDGroene LED
Uit KnippertOperationaliteitDe lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit nicht in de lader.
Aan Uit LadenDe lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader.Aanwijzing! Al naargelang de acculading kan de laadduur ie's afwijken van de vermeldeijdden.
Uit Aan De accu is opgeladen en operationeel. (READY TO GO)
Daarna worden tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla-ding.Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten.Maatregel:Neem de accu uit de lader. Isoeleer de lader van het net.
Knippert UitAanpassingsladingDe lader bevindt zich in de modus behoedzame lading.Hierbij worden de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeenmeerijd vergrt. Dit kan de volgende orzaken hebben:- De accu werk zeer langeijd Nieteer geladen.- De acutemperatuur ligt Niet in het ideale bereik.Maatregel:Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verderronnen geladen.
Knippert Knippert FoutLaadproces is Niet meer mogelijk. De accu is defect.Maatregel:Een defecte accu mag Nieteer worden opgeladen.Neem de accu uit de lader.
Aan Aan Temperaturstoring
De accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C).Maatregel:Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemporatuur(ca. 20 °C).

Service-informatie

Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs worden genoemd samen met competente servicepartners, wier contactgegevens u kunt afleiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaffen van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking.

U moet er rekening mee houden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtage door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig zijn als verbruiksmaterialen.

Categorie Voorbeeld
Slijtstukken* Accu
Verbruiksmaterialial/verbruiksstukken* Klingen
Ontbrekende onderdelen
  • niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen!

Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:

  • Heeft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect? Is u iets opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptoom voor het defect)?
  • Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)?

Beschrijf deze foutieve werkwijze.

Inhoudsopgave

Beschermingsklasse: II/回

De geluidswaarden zijn bepaald volgens de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094:1991.

RO

Waarschuwing!

Let op! Draag beschermende handschoenen!

7.1 Reiniging

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : EINHELL

Model : FREELEXO CAM PLUS

Categorie : Grasmaaier