EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Grasmaaier

FREELEXO CAM PLUS - Grasmaaier EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis FREELEXO CAM PLUS EINHELL in PDF-formaat.

📄 622 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag
Notice EINHELL FREELEXO CAM PLUS - page 240
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.

Gebruikersvragen over FREELEXO CAM PLUS EINHELL

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FREELEXO CAM PLUS - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FREELEXO CAM PLUS van het merk EINHELL.

GEBRUIKSAANWIJZING FREELEXO CAM PLUS EINHELL

  1. Veiligheidsinstructies
  2. Beschrijving van het apparatus en omvang van de levering
  3. Doelmatig gebruik
  4. Technische gegevens
  5. Inbedrijfstelling
  6. Bediening
  7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
    8.Opslag
  8. Transport
  9. Verwerking en recycling
  10. Indicatie van het laadstation en verhelen van fouten
  11. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
  12. Privacyverklaring FREELEXO CAM PLUS
  13. Indicatie lader

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - 1

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.

Dit apparaat mag Niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door Personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geinstruerd werden en begrijpen welke bevaren van het apparaat hunnen uitgaan. Kinderenogen Niet met het apparaat spelen.

Reiniging en onderhoud door de gebruiker mogen Niet door kinderen worden uitgevoerd.

NL

Gevaar!

Bij de inzet van apparaten moeten enkele voorzorgsmaatregelen worden getroff en om verwondenen en schade te verhinderen. Lees deze handleiding/veiligheidsinstrumenties waarom aanachtig door. Bewaar deze goed, zodat u de informatie op elk moment kut terugvinden. Mocht u dit apparaat aan andere personen doorgenveen, gelieve dan deze handleiding/veiligheidsinstrumenties mee te overhandigen. Wij zijn Niet aansprakelijk voor ongevallen of schade als govolg van Niet-inachtneming van deze handleiding en de veiligheidsinstrumenties.

1. Veiligheidsinstructies

De veiligheidsinstructies vindt u in het bijgevoegde boekje!

Waarschuwing!

Lees alle veiligheidsinstrumenties, aanwijzin-gen,plaatjes en technische gegevens, waarvan dit elektrisch gereedschap is voorzien.

Nalatigheden bij de naleving van de volgende instructies hunnen een elektrische schok,brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken.

Bewaar alle veiligheidsinstrumentes en aanwij-zingen voor de toekomst.

Verklaring van de gebruikte symbolen (zie afbeeling 13)

A. WAARSCHUWING - Vór inzet van de machine de handleiding doorlezen!
B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewaren!
C. WAARSCHUWING - Vóor de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tilen de blokkeerinrichting activeren! OPGELET - Roterende messen Niet aanraken!
D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen nicht aanraken!
E. Beschermklasse II (dubbele isolatie)
F. Opslag van de accu's alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10^ tot +40^ . De accu's alleen in geladen toestand opbergen (min. 40% geladen).
G. Beschermklasse III
H. Trage zekering 2 A
1. Alleen voor gebruik in droge ruimtes.
J. WAARSCHUWING: Om de accu te laden alleen de afneembare voedingseenheid

NT24/1 / PS24/1 gebruiken die met dit apparaat werd meegeleverd.

Opgelet!

Trekijdens een onweer de netstekkeruit de contactdoos en isoleer de leikabel van het laadstation.

2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering

2.1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)

  1. Maairobot
  2. Bedieningsveld
  3. STOP-toets / Ontgrendelingstoets van de afdekking van het bedieningsveld
  4. Maaihoogteverstelling
  5. Regensensor
  6. Draaggreep
  7. Hoofdschakelaar
  8. Achterwiel
  9. Deksel accuvak
  10. Klingen
  11. Messenschijf
  12. Voorwiel
  13. Afdekking van het bedieningsveld
  14. USB-aansluiting
  15. Camera-eenheid
  16. Afstandssensoren
  17. Laadstation
    19a. Laadstation LED-indicatie
    19b. Laadstation laadpen
  18. Voedingseenheid(-kabel)
  19. Bevestigingsschoef
  20. Zeskantsleutel
  21. Bevestigingshaak
  22. Lejkabel
  23. Kabelverbinder
  24. Reserve klingen
  25. Magnetband
  26. Liniaal (om eruit te trekken)
  27. Magnetsensor

2.2 Omvang van de levering en uitpakken
Controleer de volledigheid van het artikel aan hand van de beschreven omvang van de leve Indien er onderden ontbreken, gelieve u da binnen 5 werkdaten na aankoop van het artiek te wenden tot ons servicecenter of tot het ver oppunt waar u het apparaat heeft aangekoch leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelie hiervoor de garantietabel in de service-inform

NL

aan het einde van de handleiding in acht te nemen.

  • Open de verpakking en neem het apparaat voorzichtig waaruit.
    Verwijder het verpakkingsmaterial en verpakkings-/transportbeveiligingen (indien aanwezig).
  • Controller of de levering volledig is.
  • Controller het apparaat en het toebehoren op transportschade.
  • Bewaar de verpakking indien möglichk tot aan het einde van de garantieperiode.

Gevaar!

Het apparaat en het verpakkingsmaterial een geen spellegood voor kinderen! Kinderenlogen Niet met plastic zakken, folies enkleine stukken spelien! Er bestaat inslik-en verzstikkingsgevaar!

Omvang van de levering, montagematerialia en toebehoren (deels Niet meegeleverd)

Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.

Maairobot
Voedingsenheid(-kabel)
- Laadstation
Bevestigingsschoeven (4 stuks)
Reserveklingen
Bevestigingshaak
Leikabel
Kabelverbinder
Magnetetband
Zeskantsleutel
Accu
Linaial (om eruit te trekken)
Originelehandleiding
Veiligheidsinstructies

Benodigde hulpmiddelen (niet meegeverd)

Hamer
Tang
Isolatietang
Waterpas(optioneel)

3.Doelmatig gebruik

De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maaien van gazons.

De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk waarboven uitgaand gebruik is Nietdoelmatig. Voor waaruit voortvloeije schade of verwondingen van welke aard dan ook is de

gebruiker/bediener aansprakelijk, en Niet de fabrikant.

Wij wijzen erop dat once apparaten overeenkomstig hun doelmatig gebruik nicht zich ontworpen voor commerciele, ambachtelijkke of industrielseinzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid, indien het apparaat in ambachtelijkke of industrielsebedrijven voor waar daaraan gewiek te stellen activiteiten worden ingezet.

Frequenieband: 0-148,5 KHz

Maximaal zendvermogen: ..67,05 dBuA/m

WIFI:

Frequenieband: 2400-2483,5 MHz
Maximaal zendvermogen: 20dBm

Bluetooth:

Frequenieband: 2400-2483,5 MHz

Maximaal zendvermogen: 10dBm

GNSS:

Frequenieband: 1559-1610 MHz

Voedingseenheid

Ingangsspanning: 100-240 V ~ 50/60 Hz
Uitgangsspanning: 24 V DC
Uitgangsstroom: 1,5 A
Beschemklasse:

NL

De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094: 1991.

Waarschuwing!

Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijkke verwondingen te verminderen raden wij Personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het medische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat worden bediend.

5. Inbedrijfstelling

Lees de hele handleiding, voordat u begin met de installment van de maairobot. De kwaliteit van de installment isrechtstreeks van invloed op het resulterende maaibeeld.

5.1 Werkingsprincipe

Volg zorgvuldig de bedieningshandleiding om een correcte en veilige inzet van de maairobot te garanderen.

De maiarobot kiest zich richting bij toeval. De tuin worden waarbij volledig gemaad, waar dat de maiarobot alle zones bereikt die Niet door afgrenzingen en hindernissen zijn uitgesloten. Wanneer de maiarobot vaststelt dat hij aanbelandt bij een grens van het gazon of een hindernis herkent, dan verandert hij van richting en maait hij in een willekeurige andere richting verdier. Via de sensoriek herkent de maiarobot hindernissen en het vlak van het gazon, zodat hij zich vrij in het werkbereik kan bewegen.

De maairobot beschikt over een camera-eenheid, die beelden genereert van de voor hem ligende zone en deze verwerkt. Daar bij wordt het voor hem ligende terrein onderzoucht, en gecontroleerd of het hierbijk een maaivlak of grens van het gazon resp. een hindernis betreft. Zolang het voor hem ligende terrein als maaivlak worden beschouwd, beweegt de maairobot zich met ingeschakeld maaiwerkrechtdoor. Als de zone als grens van een gazon resp. hindernis worden aanzieen, dan stopt de maairobot, controelt hij opnieuw het maaivlak en begint hij in een willekeurige richting weer te maaien. Het maaiterrein moet zorgvuldig gecontroleerd en aangepast worden, opdat de maairobot voldoende ruimte hebft om te

herkennen waar de zone eindigt. De grenzen van het gazon要去en duidelijk zijn vastgelegd, opdat de maairobot deze binnen zijn reactietijd duidelijk kan herkennen.

De gelegde leikabel (24) dient voor het nauwkeurige aandokken in het laadstation (19) en vormtijdens het maaien geen grens. De maairobot要去 zich waarom op een grayscale met duidelijke optische of fysielse grenzen bevinden. Opdat de maairobot de leikabel (24) en daarna het laadstation (19) vindt,要去 deze zich bij de eerste activering van het maaiproces in het laadstation (19) bevinden. Via een globale satellietnavigatie (GNSS) bepaalt hij de positie van het laadstation (19). Als de positie van het laadstation (19) worden veranderd, dan要去 maairobot dwingend opnieuw voor de kalibratie in het laadstation (19) worden geplaatst. Zorg ervoor dat geen afterschering of overdeking de bepaling van de positie verhinder. Plaats het laadstation (19) Niet naast hoge gebouwen. In sommige gezallen is hier een kalibratie omwille van een slecht signalniet möglichk.

Bij lage laadtoestand van de accu keert de maairobot terug maar het laadstation (19). Met behulp van de GNSS-module bepaalt de maairobot zich afstand tot het laadstation (19) en zoekt dit op. Als de maairobot op weg maar de Zoeklus stuijt op een grens van de tuin of op hinderissen, dan slaat de maairobot zich positie op en wordt het maiterrein in kaart gebracht. Zo vindt de maairobot bij verdier gebruik sneller de weg terug maar het laadstation (19). Aangekomen aan de leikabel (24) rijdt de maairobot aan de hand vanzigensensoren om dra-den te herkennen tot aan het laadstation (19). Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin kan dit proces enkele minuten duren.

Via de globale satellietnavigatie (GNSS) worden eveneens de voor de locatie specifi eke informatie over zonsopgang/-ondergang opgevraagd. Voldoende daglicht is absolut vreeist voor het storingsvrijde functioneren van de maairobot. Controller de lens van de camera-eenheid (15) regelmatig op verontreinigingen.

5.2 Sensoren

De maiarobot is uitgerust met meerere veiligheidssensoren. Via de sensoren kan de maiarobot zich bewegen over zijn maiagebied.

Hefsensor:

Indien de maiarobot vanchtermeer dan 30^ van de grond wordt opgetild of een voorwiel

NL

(12) het contact met de grond verliest, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.
- Hellingsensor:

Indien de maiarobot sterk in een richting helt, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.

Hindernissensor:

De maairobot herkent hindernissen op zich pad. Wanner de maairobot op een hindernis stuit, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt en rijdt hij terug weg van de hindernis.

Camera-eenheid:

De maairobot bezit een camera-eenheid (15), die het maaliterrein voor hem (circa 1m^2 ) analyseert. De camera iselijk gericht op de ondergrond, waarmee objcten in het bereik van het beeld met een maximale hoogte van 50 cm worden afgebeeld. Het te verwerken beeldmaterialiaal worden slechts lokaal en tijdelijk opgeslagen in de maairobot en voortdurenpoverschreiben. De maairobot kan hindernissen herkennen, en het werkterrein waar geen grasmeer groeiit. Wanner de maairobot op een hindernis stuit of geen gras更是 herkent, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verdier te maaien. Omwille van de camera-eenheid is het Niet möglich dat de maairobot in de schemering resp.'s nachts werkt. Het gekozen werkvenster要去 aanblij overdagligen wanneer er veel daglicht is, opdat de maairobot zich werk betrouwbaar kan verrachten. Daardoor worden ook tijdens de schemering actievekleine dieren, zoals bijv. egels, beschermd.

  • Afstandssensoren:

De maairobot isuitgerust met afstandssensoren (16),waarmee hij hindernissen op zichrajtekndetectoren.Als de maairobot opeenhindernisstuit,danstopt hij enbegint hijin een willekeurige richtingverder te maaien.

Magneetstripsensor

De robotmaiaer is uiterust met een magnetoelstripsensor (29) en herkent een magnetoel strip (27) die op de grond ligt. Als de robotmaiaer een magnetoel strip谈起komt, stopt hij en begint hij opnieuw te maaien in een willekeurige richting. De magnetoel strip dient als virtuele grens, zodat u tuingebieden kunt instellen waarin de robotmaiaer Niet mag maaien.

Regensensor

De robotmaiaer isuitgerust met een regensensor (5) om te voorkomen dat de robot

maiaer in de regen werkt. De robotmaiaer keert'erug maar het laadstation (19) wonneer regen worden gedetecteerd en worden waar volledig opgeladen. Nadat de regensensor (5) waar droog is, blijft de robotmaiaer in het laadstation (19) gedurende de vooraf ingestelde vertragsstijd. Pas daarna worden het werk hervat, op voorwaarde dat het zich nog steeds in een actief tijdventer bevindt. Als de regensensor (5) geactiveerd is (aanbevolen om het gazon te beschermen), is op het display (50) eenlichtgeleurd wolkje te zien. Als de sensor worden geactiveerd, verschijnt er een donker wolkje met regendruppels. Sluit de twee metalen sensoren nicht kort met metaal of een ander geleidend materiaal. Dit belemmert de correcte werkung van de robotmaiaer.

GNSS-module

De robotmaiaer befaaln zich positie en de positie van het laadstation (19) via een globalsatellietnavigatiesystem (GNSS).Dit helpt de robotmaiaer om zich weg terug te vindennaar het laadstation (19).
Met de GNSS-module kan de robotmaiaer de lokale tijden voor zonsopgang en zonsondergang bepalen, waardoor de robotmaiaer Niet kan maaien in de schemering of,s nachts. Hierdoor kan de robotmaiaer betrouwbaar met zich camera-eenheid (15) werken. Dankzij de GNSS-module kan de robotmaiaer altijd zich afstand tot het laadstation (19) bepalen.De robotmaiaer mag Niet meer dan 1000 meter verwijderd zich van het laadstation (19), anders verschijnt er een foulmeling op het display en kan de robotmaiaer Niet in de modus hoofdmaaigebieden worden gebruikt. De afstand tot het laadstation (19) is Niet relevant tijdens gebruik in de modus aangrenzende maaigebieden.

Wi-Fi

De robotmaier heeft een Bluetooth Wi-Fi module. De status of signalsterkte van de Wi-Fi worden op het display weergegeven.

5.3 Voorbereiding

Als het gras hoger is dan 60~mm dan要去 het worden gekort om de maairobot Niet overmatig te belasten en de effi ciente Niet te verlagen. Gebruik waaroor een conventionele grasmaier of een trimmer. Verwijder alle losse voorwerpen die door de maairobot kannen worden beschadigd of die robot hunnen beschaden, van het gras. Controller het maaiterrein en de grenzen van het gazon, en zones die Niet gemaaid hoeven te

NL

worden. In de volgende hoofdstukken van deze gebruiksaanwijzing vindt u informatatie hoe u eenduidig grenzen van het gazon kurz vastleggen en bepaalde bereiken kurz beschermen. Sommige hindernissen können door de maairobot vroegtijdig worden herkend en hoeven Niet met veel moeite te worden afgezet.

Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).

5.3.1 Berekening van de helling van het gazon

De maairobot kan hellingen tot maximaal 25% aan. Vermijd waarom steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 3a).

Voorbeeld: a/b = 25 cm/100 cm = 25 %

Voor de inzet van de maairobot is een accu (A) van de Power-X-Change serie nodig. Opgelet: de accu (A) kan al naargelang modelvariant Niet zich meegeleverd met uw maairobot. Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en schuif de accu (A) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accuvak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeeling 3b). Om de accu (A) te verwijderen opent u het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en trek deze eruit.

5.4 Laadstation

5.4.1 Locatie van het laadstation

Bepaal eerst de Beste locatie voor het laadstation (19). Er is een buitenstopcontact nodig voor een permanentente stroomvoorziening, zodat de robotmaaier altijd operationeel is. Het laadstation (19)要去 op een vlakke ondergrund op de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat deze locatie vlak en droog is. Plaats het laadstation (19) bij voorkeur aan de rand van het maaigebied. Zorg ervoor dat het netsnoer van het laadstation (19) Niet in het maaigebied worden gelegd of maybek moet worden ingegraven om schade door de robotmaaier te voorkomen.

Plaats het laadstation (19) met de geleidingsdraad (24) liefst zo toegankelijk möglichn vanuit alle maalgebieden en op een vrij locatie zonder obstakels. Plaats het laadstation (19) Niet in hoeken die moeilijk bereikbaar zijn of opplaatsen die beperkt zichdour nauwe doorgangen.Zorg ervoor dat de robotmaier in het laadstation een voldoende krachtige Wi-Fi-verbinding heeft.De maximale afstandussen het laadstation (19) en

een gazongrens mag Niet meer dan 1000 meter bedragen. Dit verhoegt de beviling gegen diefstal. Bij grotere afstanden verschijnt er een foulmelding op het display (50) en kan de robotmaier Niet worden bediend in de modus hoofdmaaigebieden. De afstand tot het laadstation (19) is Niet relevantijdens gebruik in de modus aangrenzende maiaigebieden.

Een maximale afstand van de grens van het gazon tot het laadstation (19) van niet meer dan 50m worden aanbevolen om een effi cients en automatisch maaiproces te garanderen. Naarmate de afstand tot het laadstation (19) groter worden, is het mogelijk dat de resterende acculading van de robotmaaier Niet langer voldoende is om het laadstation (19) te bereiken. Gebruik voor grotere maaigebieten een accu met een hogere accuapaciteit.

Kies een plek in de schaduw,want de accu worden het best opgeladen in een koele omgeving. Hoge gebouwen of bomen kunnen het GNSS-signaal verslechteren zodate robotmaaier Niet langer zichstandig de weg terug kan vinden hier het laadstation (19).Houdaarom voldoende afstand tot hoge gebouwen of bomen en zorg ervoor dat het laadstation (19) zich in de open lucht bevindt. Zorg er ook voor dat de geleidingsdraad (24) minstens 1 m voor het laadstation (19) en minstens 0,5m awhile het laadstation (19)recht worden doorgetrokken (afb.4a).Bochten direct voor het laadstation (19) kunnen leiden tot problemen bij het docken om op te laden.

5.4.2 Lokalisering van het laadstation

Wanneer de accu bijna leeg is, dan keert de maairobot terug hier het laadstation (19) door opzoek te gaan hier de leikabel (24). De maairobot vergelijk aan de hand van GNSS in regelmatige intervallen zijn werkelijkke positie met de gekalibreerde positie van het laadstation. De maairobot rijdt in de richting van het laadstation (19) en zoekt in meerdere stappen de leikabel (24). Daarbij stopt de maairobot steeds wee, en rijdt eventuele in een andere richting verder om bij de leikabel (24) te komen. Als de maairobot in de buurt van de leikabel (24) komt, dan begint hij door draaibewegingen en met behulp van de signalsterkte van de leikabel (24) de positie waarvan te detec-teren.

Als de maairobotijdens het maaien op een hindernis of een grens van het gazon stuit, dan worden deze positie opgeslagen. Daar bij wordt het terrein in kaart gebracht, hetgeen de maairobot helpt om het laadstation (19) sneller te vinden.

Wanner de maairobot de leukabel (24) heeft

NL

bereikt, dan volgt hij deze gegen de klok in tot aan het laadstation (19). Let er waarom op dat het laadstation (19) correct uitergericht worden geplaatst (afbeelding 4a).

5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan de voedingseenheid

  1. Voordat u het laadstation (19) verbindt met de stroomtoevoer要去 u controlen of de net-spanning 100-240 V bij 50 / 60Hz bedraagt.
  2. Verbind de voedingseenheid (20) reckstreeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.
  3. Gebruik geen beschadigde voedingsenheid (20). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingsenheid (20) voorervangige me-teen tot een erkende vakman.
  4. Laad de maairobot Niet op in een vochtige omgeving. Laad de maairobot Niet op bij temperaturen hoger dan 40^ of lager dan 5^ .
  5. Houd de maairobot en de voedingseenheid (20)uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicalien. Houd de kabel van de voedingseenheid (20) om schade te vermijden weg van scherpe randen.
  6. Verbind de voedingseenheid (20) met het laadstation (19) (afbeelding 4b).
  7. Zet de maiarobot met ingeschakelde hoofdschakelaar (7) en accu in het laadstation (19) en laad hem voor het eerste bedrijf volledig op.

5.4.4 Informatie over het laadproces

De robotmaier keert terug hier het laadstation (19) in een van de volgende situatuies:

U stuart de robotmaaier handmatig terug.
- Het laadniveau van de accu daalt tot onder 30% .
De dagelijkse werkelijk is voorbij.
- De regensensor wird geactiveerd. - De robotmaaier is oververhit geraakt.
- Het begint donker te worden, wat betekent dat de camera-eenheid Niet meer goed kan werkken.

De robotmaier zoekt de geleidingsdraad (24) en rijdt dan automatisch gegen de wijzers van de klok in langs de geleidingsdraad (24) maar het laadstation (19).

Terwij de accu worden opgeladen, brandt de LED-indicator (19a) op het laadstation rood. Als de accu volledig is opgeladen, brandt de LED-indicator (19a) op het laadstation (19) groen. Een batterijsymboltoont ook het acculaadniveau op het display. Als de accu worden opgeladen, verschijnt

er een bliksemschicht in het batterijsymbool. Als er zich een obstakel bevindt op de geleidingsdraad (24) tijdens het terugrijden maar het laadstation (19), zal de robotmaaier na enkele pogingen stoppen voor het obstakel en Niet kuren terugkeren maar het laadstation (19). Verwijder alle obstakels op de geleidingsdraad (24). Als de temperatuur van de accu hoger worden dan 45^ wordt het laadproces geannuleerd om schade aan de accu te voorkomen. Zodra de temperatuur werk is gedaald, gaat het oplaadproces automatisch verder.

Als de temperatuur van de besturingseenheid van de robotmaaier hoger is dan 65^ keert de robotmaaier terug maar het laadstation (19).Zodra de temperatuur weer is gedaald, wordt het werk hervat volgens de instellenen. Als de accu leeg is voordat de robotmaaier terugkeert maar het laadstation (19),kan de robotmaaier Niet meer worden gestart.Zet de robotmaaier kan terug in het laadstation (19) en laat de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld.De robotmaaier wordt dan automatisch opgeladen.

5.5 Lejkabel

OPGELET! Een doorgesneden leukabel en gevolgschade vallen nicht onder de garantie!

5.5.1 Leggen van de leikabel

De leikabel (24) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond konnen de bevestigshaken (23) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras voor het aanbrengen van de leikabel (24) als de grond erg droog is.

  • Installatie op de grond Leg de leikabel (24) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde bevestigshaken (23). De positie van de leikabel (24) kut in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aanpassen. Na enige tijd zar het gras echter over de leikabel (24) zich gegroeid en deutsche Nieteer te zien,zijn. Installer de leikabel (24) met een maximale afstand van 1 m zusammen de bevestigshaken (23).Vermijd situaties waar bij de leikabel (24) Niet op de grond rust.Zorg ervoor dat de leikabel (24) Niet door de maairobot kan worden doorgesneden.De maairobot zar tijdens het maaien met ingeschakeld maaiwerk over de leikabel heen rijden.

Installatie in de grond

Graaf de leikabel (24) tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de leikabel (24) bijvoorbeeld bij het verticuteren of ver

NL

luchtenverhinderd.

Opgelet!

Aangezien de leikabel (24) nicht aktijd aan de grens van het gazon worden gelegd, is het belangrijk om de positie waarvan te noteren, om deze bij latere werkzaamheden in de tuin Niet te beschadigen. Maak eventeel een schets of documenteer het traject met Foto's. Indien de leikabel (24) Niet werde ingegravven in de grond, dan mag u om een beschadiging te vermijden in de buurt van de leikabel (24) Niet verticuteren en verluchten.

5.5.2 Installatie van de Zoeklus

  • De leukabel (24) vormt een zoeklus, waarmee de maairobot wee der weg terugvindt maar het laadstation (19).
    Leg de leikabel (24) min. 1 m voor het laadstation (19) en min. 0,5 m waarchterrecht (afbeelding 4a).Bochten vlaak voor het laadstation (19) hunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.
  • Het minimum vlak dat de leikabel (24) insluit moet minstens 5m^2 bedragen (afbeelding 4a). Het worden aanbevolen om de hele lenghte van de leikabel (24) te benutten en deze indien möglich in een vierkant vlak te leggen. De zoeklus要去zo worden uitgericht,dat de maairobot vanuit elk deel van de tuin goed bij het laadstation (19) kan raken.
  • De afstand:tussen twee leikabels (24) moet min. 0,8 m bedragen (afbeelding 4a).
    Deleikabel (24) mag zich nicht kruisen.
    Let erop dat er zich geen hindernissen bevinden op de leikabel (24).
  • Let erop dat er zich links en rechts naast de leiikabel (24) ca. 30 cm geen hinderissen bevinden (afbeelding 4c). Houd afstand tot de grens van de tuin en tot hoge straatstenen. Als de weg op hetzelfde niveau verloopt als het gazonvlak, dan kunt u de leiikabel (24) zonder afstand daartoe leggen.

5.6 Verbinden van het laadstation

Sluit het leggen van de volledige geleidingsdraad (24) af, voordat u het vrije uiteinde aansluit op het laadstation (19).

Trek de stekker uit het stopcontact voordat u de geleidingsdraad (24) aansluit op het laadstation (19). De geleidingsdraad is al gedeeltelijk voorgemonteerd op het laadstation. De geleidingsdraad is al onder het laadstation gelegd en aangesloten op de linker Zwarte aansluiting. Controller deze verbinding op een correcte bevestiging.

Voer na het leggen van de geleidingsdraad (24) het vrije uiteinde door het gat en sluit het aan op de rode aansluiting aan de rechterkant (afb. 4d).

Let op! De geleidingsdraad (24) mag nicht gekruist worden gelegd!

Maak verwolgens de verbinding met de stroomvoorzieening. De LED-indicator (19a) op het laadstation (19)要去 na correcte installmentie constant groen branden. Als de LED Niet gaat branden, controller dan eerst de aansluitingen.

Als de LED oplicht maar nicht constant groen is, lees dan de tabel „Display laadstation en oplossen van problemen“ aan het einde van.Deze gebruiksaanwijzing.

5.7 Maagebied - Hindernissen en grenzen van het maiterrein

5.7.1 Grens van het gazon

Het maaigebied moet een eenduidige en volledig omlopende grens van het gazon bezitten. Maak u vertrouwd met de in dit hoofdstuk beschreven mogelijkheden om een grens van het gazon vast te leggen. Begin ten slotte op een willekeurig punt van de grens van het gazon met de controle waar van en volg deze in een cirkel, totdat u wee bij het startpunt aankomt.

Bereiken binnen het werkvlak die moeten wordenuitgesloten, moeten eveneens met een eenduidige grens zijn omsloten. Ga waaroor te werk zoals bij de buitenste grenzen van het maaigebied.

Nauwe punten

Indien het gazonvlak een nauwe doorgang bezit, dan kan uw maairobot daarin werkken zolang de corridor een bredte van minstens 1,2m en een lengte van maximaal 8 m heeft (afbeelding 5a). Bij lange en smalle nauwe punten kan het gebeuren dat de maairobot de weg maar het laadstation (19) Niet meer terugvindt.

- Afstand aan de grens van het gazon

Wanneer de maairobot de grens van het gazon nadert, dan worden dit herkend door de camera-eenheid (15) vooraan in de maairobot. De afstand waarbinnen geen grasmeer staat moet minstens 30~cm bedragen (afbeelding 5b). Zorg ervoor dat er geen hoogteverschil bestaat aan de grens van het gazon, opdat de maairobot eerst over de exacte grens heb kan rijden, voordat hij stopt en in een neue richting verder gaat. Dieper gelegen bloembedden of verhoogde steenranden konnen tot beschadigingen aan de maairobot leiden.

NL

Controleer regelmatig of de grenzen van het gazon Niet zichdichtgegroeid, aangezien de maairobot het maaigebied anders kan verlaten. De grens van het gazon kan eveneens worden omrand met straatstenen, waardoor een duidelijke afgrenzing tot de maaizone ontstaat.

  • Afstand aan de grens van het gazon met water

In prince herkent de maairobot de grens van het gazon zoals hierboven beschren het betrouwbaar. Het kan echter gebeuren dat de maairobot de grens van het gazon verder overschrijdt, en om die reden bevelen wij een afstand van de grens tot water (vijver, pool enz.) van zo'n 50 cm aan (afbeelding 5c). Om de maairobot betrouwbaar te beschemen valt het alternatif aan te bevelen om het gebied met water te voorzien van een verhoogde omranding.

Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 25 cm

Via de afstandssensoren (16) herkent de maairobot hindernissen met een minimum hoogte van 25 cm (afbeelding 5d). Daardoor kurz u ook de grens van uw gazon vastleggen met behulp van verhoogde hindernissen. De maairobot stopt op een afstand van circa 20 cm voor de hindernis en draait om het maaiproces in een andere richting voort te zetten. Opgelet! - Daardoor maait de robot Niet tot aan de grens van het gazon en blijft er een nicht gemaaide strook van ca. 20 cm over.

Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 10 cm

Via de collisiesensoren kan de maairobot ook botsen op hindernissen lager dan 25~cm Daarmee kan eveneens een grens van het gazon worden vastgelegd. Houd er rekening mee dat het hierbij een stabiele omranding met een hoogte van minstens 10~cm betreft (afbeeding 5e).

5.7.2 Hindernissen

Hindernissen zijn objecten binnen het bereik van de maaizone. Via de sensoren kan de maiarobot tal vanhindernissen herkennen.Zachte,instabiele en waardevolle voorwerpen要去en eventueel worden beschermd.Vergelijk waarvoorde hierboven beschrenve mogelijkheden om de grens van het gazon af te bakenen.

  • Hindernissen met een hoogte van meer dan 25~cm (afbeelding 5f)

Vaste hindernissen hoger dan 25 cm en met een minimum bredte van 3 cm, bijv. bomen,

muren, hekken, tuinmeubels enz., worden herkend door de afstandssensoren (16). Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij en zet hij় maiaproces voort in een andererichting. Daarbij worden ca. 20cm tot een hindernis Niet gemaaid.

  • Hindernissen met een hoogte lager dan 25cm (afbeelding 5g) Als een hindernis Niet door de afstandssensoren (16) worden herkend, dan botst de maairobot op de hindernis en reageren de colliesensoren. De maairobot stopt en zet zijn maaiproces voort in een andere richting De hoogte van de hindernissen moet minstens 10cm bedragen. Bescherm gevoelige instabiele objcten met een omranding.
    Stenen hindernissenlager dan 10 cm Stenen, rotsen en hindernissenlager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden beschermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maairobot beschadigd raken en blokkeren (zie hoofdstuk 'Grens van het gazon'). Bomen worden door de maairobot beschouwd als hindernissen. Als er darüberBoomwortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan moet deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot.

5.7.3 Magnetetband (afbeelding 5h-l)

Hindernissen die het door de maairobot uit gezonden afstandssignaal slecht hunnen refl ecteren (bijv. afrastering, hekwerk), worden geedeeltelijk nicht of pas erg LAST herkend. Hindernissen met zwak optisch contrast tot maaivlakken kunnen eveneens moeilijk worden herkend. Voor een contactloze en veilige verandering van richting van de maairobot kan deze zone of het object met de magneatband (27) worden beschermd. De magneatband (27) dient als mobiele en tijdelijke grens in uw maaigebied. De in de maairobot ingebouwde magneetsensoren herkennen de magneatband (27) en draaien aan de grens waarvan weg. Daardoor hunnen delen van de tuin worden afgebakend waar Niet naartoe要去 worden gereden, zoals bijv.:

Kortstandige afgrenzing van een deel in de tuin voor een tuinfeest, waarijdelijk Niet naartoe要去en gereden.
Opstellen van een trampoline of zwembad tijdens de zomermaanden in het maaigebied.
- Een pas geplanteBoomis nogzeer gevoelig en moet de eerste tijd gegen botsingen met de maairobot worden beschermd.

NL

  • Afhankelijk van het seizoen moet in de tuin een bloembed ontstaan dat insecten aantrecht. In dit deel moet de maairobot Niet rijden, en dit moet reeds bij het eerste ontluiken worden beschermd.
    In een deel werk zichewegra gezaaid en dit moet aanvankelijk nog worden beschermd. De ondergrond is nog Niet stevig genoeg en er moet zich eerst een sterke grasnerf vormen.

Leg de magneto band (27) op een afstand van eenaar centimeter rond de betreff Ende zone resp. het object. Kort de magneto band (27) indien nodig in (minimale lengte 50~cm ). Opdat een samenhangende grens van meertere magneto-bandelementen zeker worden herkend, mag de maximale afstand tussen de betreff Ende uiteinden van 8 cm Niet worden overschreden (afbeelding 5k). Zorg ervoor dat de buitengrens van het maaibereik door een optische response. fysieke aft Scheiding is vastgelegd. Fixeer de magneto band (27) met bevestigingshaken (23) in de grond op een maxi-male afstand van 1 m.

Houd een afstand van minstens 80 cm tot de leikabel (24) aan en ookussen twee onaflankelijkke begrenzingsgebieden, opdat de maairobot probleemloos daardoorheen kan rijden (afbeelding 51). Vermijd het leggen van de magneteband (27) op hellingen, aangezien de maairobot hier over het begrenzingsbereik heb den kan glijden en zo de grens Niet worden herkend.

De magneetband (27) kan net zoals de leikabel (24) zowel op de grond als ca. 5 cm diep in de grond worden geinstalleerd. Let erop dat de magneetband (27) Niet te diep in de grond worden gelegd, aangezien anders een betrouwbare herkenning door de maairobot nicht meer kan worden gegarandeerd.

5.7.4 Hoofd-en aangrenzende maaigebieden (afb. 5m)

Een aangrenzend maaigebied (B) is een oppervlak dat Niet direct verbonden is met het hoofdmaagebed (A), bijvoorbeeld een nauwe passage. De robotmaaier kan Niet direct en zichstandig een aangrenzend maaigebied bereiken.

Om het aangrenzende maiagebied (B) te maaien, moet u de robotmaaier handmatig maar dit gedeelte (B) dragen. De robotmaaier moet met de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld zijn. Start waar het gewenste maiaprogramma en selecteer "Aangrenzend maiagebied" in het menu (zie "Instelleningen robotmaaier"). De robotmaaier zal in het aangrenzende maiagebied (B) Niet proberen

terug te keren maar het laadstation (19) als het laadniveau van de accu laag is. De robotmaier maait tot de accu leeg is. De accu moet dan worden opgeladen of de robotmaier要去 worden teruggebracht maar het laadstation (19).

Let op!

De robotmaaier mag zich aan 1000 meter verwijderd着眼 van het laadstation (19), anders verschijt er een foulmelding op het display (50) en kan de robotmaaier Niet in de modus hoof-dmaiegebieden worden gebruikt. De afstand tot het laadstation (19) is nicht relevant tijdens gebruik in de modus aangrenzende maiaegebieden.

Houd een afstand tot vremeinde maavlakken (bijv. van buren), waar met een begrenzingsdraad wordt gewerkt. Het door de begrenzingsdraad gegenererde signaal kan een probleem vormen als de maiarobot zich weg maar het laadstation (19) terug probeert te vinden.

5.8 GNSS-module

5.8.1 Positie van het laadstation kalibreren

Om de robotmaier de weg terug te lately vinden\ naar de zoeklus en het laadstation (19), moet de\ robotmaier de positie van het laadstation (19)\ kaliberen met behulp van een global navigatie-satellietsystem (GNSS).

Plaats hiervoor de gebruisklare robotmaier in het laadstation (19) met de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. Tijdens het kalibratieproces vervaagt het GNSS-symbool op het display (50). Zodra dit proces met succes is voltooid,licht het GNSS-symbool continu op of knippert het als het signaal zwak is. Dit proces kan enkele minuten duren.

Zorg ervoor dat er geen afscherming of overkapp- ping is die de positiebepaling hindert. Plaats het laadstation (19) Niet naast hoge gebouwen. Houd voldoende afstand tot hoge gebouwen en bomen. Kalibratie is hier soms Niet möglichk vanwege slechte signaaldekking.

5.8.2 In kaart brengen

Als de maairobot要去 terugkeren hier het laadstation (19), dan bepaalt hij met behulp van de GNSS-module zich afstand tot het laadstation (19). Als de maairobot op weg aan hier het laadstation (19) stuit op een grens van de tuin of op hinderissen, dan slaat de maairobot zich positie op en wordt het maaiiterrein in kaart gebracht. Zo

NL

vindt de maairobot bij verder gebruik sneller de weg terug maar het laadstation (19).

5.8.3 Kaart wissen

Om alle GNSS-informatie op uw robotmaaier te wissen, dient u in het instellingenmenu het item „Maaierprotocol" te selecteren. Kies daarna het item „Kaart wissen" en bevestig dit. De robotmaaier moet nu teruggebracht worden maar het laadstation (19) om de positie van het laadstation (19) opnieuw te kalibreren. Als u in de tuin große aanpassingen in het maiagebied maakt, is het aan te raden om de kaart van de robotmaaier te wissen. Bovendien kan de kaart van de robotmaaier worden beinvloed door gelevlekken in het gazon in de zomermaanden en door vallende bladeren in de herfst. Wis ook in deze bevallen de kaart zoals hierboven beschren. In dergelijke bevallen raden we aan om de automatische werkking tijdelijk uit te schakelen en het apparaat in de modus aangrenzende maiagebieden te gebruiken op geschikte plekken in de tuin.

5.9 Tuingrenzen en hun kwaliteit

Om de veilige werkung van uw robotmaier zicher begrenzingsdraad te garanderen, controleert de robotmaier de grenzen van het maigebed met de camera-eenheid (15). De camera-eenheid (15) analyseert het maigebed ervoor (ongeveer 1m^2 - Als de robotmaier een grens van het maigebed tegenkomt, kan de robotmaier een grenskwaliteitswaarde bepalen op basis van parameters.

5.9.1 Initialisatie-rit -ingebruikname Zorg ervoor dat de accu van de robotmaaier aan het begin van de initialisatie-rit volledig is opgeladen.

Hierdoor kan de robotmaaier de bepaling van een referentiewaarde in eenkeer voltooien. Als een acculading Niet voldoende is voor de initiaisisit, keert de robotmaaier automatisch terug hier het laadstation (19) en gaat hij automatisch verderr met de volgende keer dat hij worden gestart. Om de betrouwbaarheid van de maaigebiedgrenzen te bepalen, moet voor de werking van de robotmaaier voor elk maaigebied een individuele referentiewaarde worden vastgesteld. Om de referentiewaarde te bepalen, beweegt de robotmaaier zoals gewoonlijk willekeurig in eenrichting in het maaigebied. Als de robotmaaier een grens of obstakel谈起komt, stopt hij en evaluert hij het maaigebied die voor hem ligt. De robotmaaier verplaatst zichervolgens in een willekeurige andererichting.

Om veiligheidsredenen wordt de initiaisatie-rit uitgevoerd verwijl de maai-eenheid is uitgeschakeld.

Als de maaier een grens van het maiagebied bereikt, worden dit gevalueerd en op het display weergegeven. Een continu brandend gazonsymbol op het display duidt op een duidelijkke grens, terwijl een continu knipperend symbool duidt op een onduidelijke grens. Voor een betrouwbare beping van de referentiewaarde zijn ten minste 200 contacten met een grens van het maiagebied nodig. De betrouwbaarheid van de grenskwaliteitswaarde worden gecontroleerd na meer dan 200 contacten. Als de robotmaaier besluit dat de waarde nog Niet voldoende betrouwbaar is, zet de robotmaaier� initialisatie-rit voort voor nogiens 200 contacten.

Als de initiaisatie-rit succesvol was en er een betrouwbare grenskwaliteitswaarde kon worden aangemaaakt, begint de robotmaaier het maiaigebied te maaien volgens de maaitijdinstelling.

Als het Niet mogelijk was om een betrouwbare referentiewaarde te creeren, stopt de robotmaaier en verschijnt er een foulmeling op het display (50). Controleer de grenzen van het maiagebied en corrigeer grenzen die Niet duidelijk te anderschieren zijn van het maiagebied. Zorg ervoor dat het maiagebied duidelijk worden anderschieren van de omringende gedeeltes. Verwijder erst de bestande referentiewaarde (zie 5.9.4) en herhaal verwolgens de initiaisisie.

5.9.2 De grenskwaliteitijdens bedrijf contro-leren

Tijdens de automatische werkung van de maaier controeert de robotmaaier regelmatig of de huidige grenskwaliteit swaarde van het maaigebied is veranderen ten opzichte van de referentiewaarde dieijdens de initiaisatie-rit is bepaald. Als de grenskwaliteit van het gazon aanzienlijk is verslechterd, stopt de robotmaaier in het laadstation en geegt dit aan in een overeenkomstige foulmeling op het display.

Geleidingsdraadsymbol brandt continu

De robotmaier befindt zich in of nabij de Zoeklus. Of de maier staat in het laadstation (19) maar worden nicht opgeladen.

Geleidingsdraadsymbool knippert

De robotmaier is ver verwijderd van de zoeklus of de stroomvoorziening maar het laadstation (19) is onderbroken. De geleidingsdraad (24) is verkeerd aangesloten of beschadig geraakt. De maier staat in het laadstation (19) en worden

NL

opgeladen.

5.9.3 Bedrijf van de maairobot in nevenvlakken

De maairobot kan een individuele waarde voor het hoofdvlac en het nevenvlak aanmaken. Daarom is het nodig om op elk/Newuw nevenvlak een initia-liseringsrit uit te voeren. Het is alleen toegestaan om de maairobot in te zetten op eén nevenvlak. Indien u met de maairobot wilt maaien op een ander nevenvlac, dan is het dwingendoodzakelijk om de kwaliteitswaarde van de grens voor het nevenvlak te verwijderen en een initia-liseringsrit uit te voeren.

5.9.4 Wissen van de waarden

Na een langere maiapuze können de grenskwaliteitswaarden verandererd zijn, wat kan leiden tot fouten in het komende seizoen. Daarom worden aanbevolen om de grenskwaliteitswaarde elk maar aan het beginn van het seizoen te wissen en een neue referentiewaarde vast te stellen. Dit zorgt voor eeneilige en betrouwbare werkig van de robotmaier.

Om de referentiewaarden op uw robotmaier te wissen, dient u in het instellingenmenu het item "Maaierprotocol" te selecteren. Kies daarna het item „Grenswaarden wissen" en bevestig dit.

5.10 Inschakelen en controleren van de installmentie

5.10.1 Controle van de installment van geleidingsdraad en laadstation (afb. 6a)

Zodra de LED-indicator (19a) op het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied koar om door de robotmaaier gemaaid te worden. Ga eerst na of de bevestigingshaken (23) op de geleidingsdraad (24) volledig ingestoken+zijn.

Plaats de robotmaaier een Klein stukje anschter het laadstation (19) in de geleidingslus om indien mogelijk de volledige afstand van de geleidingsdraad (24) te controleren. De robotmaaier mag nog Niet op de geleidingsdraad (24) staan en moet maar de geleidingsdraad (24) gericht zijn. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afb. 8).

Druk op de STOP-toets (3) en open het bedielenspaneeldeksel (13). Ontgrendel de robotmaier met behulp van de PIN (zie hoofdstuk "Vergrendeling / PIN"). Druk op de MODE-toets (52). Selecteer verrolgens met de navigatietoeten (55) het item „naar laadstation" en bevestig met de „OK“toets (56). Druk op de START-toets (53) en sluit verrolgens het displaydeksel. De robotmaierzoekt nuaar de geleidingsdraad (24) om zich weg te vinden hier het laadstation (19).

Het beweegt eerst vooruit totdat de robotmaier de geleidingsdraad (24) heeft bereikt. Indien nodig kan de robotmaier vooraf kort stoppen om zich te heroriënteren. De robotmaier volgt dan de geleidingsdraad (24) gegen de wijzers van de klok in. Zorgervoor dat er zich geen voorwerpen op de geleidingsdraad (24) bevinden.

De accu van de robotmaaier worden nu volledig opgeladen. Als er problemen zijn met het docken, kan het zich dat u het laadstation (19)要去 verplaatsen totdat het docken zonder problemen werkct. U kunt de robotmaaier op elk moment stoppen met de rode STOP-toets (3). Na het indrukken van de STOP-toets (3) stopt de robotmaaier en wacht hij op verdere instructies. Controleer ook gebieden die ver verwijderd zich van de Zoeklus of gebieden die verbonden bijn door nauwe passages. Herhaal de procedure Zoals hierboven beschreiben en stubr de robotmaaiertering aan het laadstation (19).

5.10.2 Controle van het maaigebied (afb. 6b)

Om de grenzen van het maaigebied te contro- leren, loopt u langs de grens van het gazon en controleert u of het maaigebied volledig omgeven is door afbakeningen of obstakels. Herhaal dit met alle gebieden die moeten worden uitgesloten, bijv. bloembedden, zwembad, vijver, en controllerer of deze op alle punten duidelijk zijn afgebakend. Bij kritieke punten waarvan u Niet zeker weet of de robotmaaier ze kan herkennen, is het raadzaam om deze punten te controlen. Plaats hiervoor de robotmaaier op 1 meter afstand van het te controlen punt. De robotmaaier要去aar het te controlen punt gericht zichn. Controller ook gebieden die worden beschermd door een magneatstrip (27). Start verwolgens de maaiier zoals beschreven in hoofdstuk 6.5.3. De robotmaaier beweegt eerst vooruit en要去e en gevegen moment de grens of het obtastel van het gazon herkennen. U kunt het proces op elk moment annuleren door op de STOP-toets (3) te drukken. Herhaal dit proces voor gebieden waar u Niet zeker over bent.

5.10.3 Controle van de positie van het laadstation (afb. 6c)

Controleer de positie van het laadstation (19) door de robotmaaier op verschillende plaatsen op het gazon teplaatsen nadat de kalibratie is voltooid en LAST hemervoigens zoekenaar het laadstation (19).Stuur de robotmaaier daarna terug aan het laadstation zoals beschreven in hoofdstuk

6.5.4. U kunt het proces op elk moment annuleren door op de STOP-toets (3) te drukken. Pas indien nodig het gebied, het doortrekken van de gelei

NL

dingsdraad (24) en de positie van het laadstation (19) aan.

5.11 Bevestiging van het laadstation

Nadat de werkung Zoals voorgeschreven van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) verw gevonden, moet het station (19) met de bevestigingschroeven (21) worden gefi xeer. Draai de bevestigingsschroeven (21) met de zeskantsleutel (22) hebmaal in de grond (afbeelding 7).

5.12 Accu-capaciteitsindicatie

Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsindicatie. De accu-capaciteitsindicatie signaleert u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeeling 12b).

De accu is volledig opgeladen.

2 of 1 LED(s) branden:

De accu beschikt over voldoende restlading.

1 LED knippert:

De accu is leeg, laad de accu op.

Alle LEDs knipperen:

De temperatuur van de accu is te laag. Verwijder de accu van het apparaat en laat de accu een dag liggen bij ruimtetelemperatuur. Als de tout opnieuw optreedt, dan werd hij diep ontladen en is hij defect. Neem de accu van het apparaat. Een defecte accu mag Niet更是 gebruikt resp. geladen worden.

Opgelet!

Wanner u een multi-Ah pack (bjv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan alsijd in op de hogere capacititeit. Dankzij de Spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het Nietoodzakelijk om de lagere capacititeit te gebruiken om de levensduur te verlogen.

5.13 Laden van de accu met de lader

Tijdens het normale bedrijf worden de accu (A) van de maairobot geladen via het laadstation (19). Voor de onafhankelijk jeinzet van de accu (A) van de Power-X-Change serie kan deze ook in de externe lader Power-X-Charger worden geladen. Opgelet! - De lader (B) kan al naargelang van de variant van het model eventuele损坏en meegeleverd.

  1. Vergelijk of de op het typeplaatje vermelde netspanning overeenstemt met de beschikba

re netspanning. Steek de netstekker van de lader (B) in de contactdoos. De groene LED begint te knipperen.

  1. Steek de accu (A) op de lader (B) (afbeelding 12a).
  2. Onder het punt 'Indicatie lader' vindt u een tel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader.

Tijdens het laden kan de accu iets warm worden.
Dit is darüber normal.

Mocht het laden van de.Accupack nicht möglich.
zijn,controler dan

of aan het stopcontact de netspanning aanwezig is.
- of een foulloos contact aan de laadcontacten voorhanden is.

Indien het laden van de accapack nog algtd nicht möglich is, dan verzoeken wij u

delader
en de accupack op te sturen aan once klantendienst.

Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met once klantendienst of het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht.

Zorg er bij de verzending of verwerking van accu's resp. het accu apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden!

In het belang van een lange levensduur van de accapack要去 u ervoor zorgen, dat deze opijd opnieuw wordt opgeladen. Dit is in elk geval moodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt. Ontlaad de accapack nooit helemaal. Dit leidt tot een defect van de accapack!

6. Bediening

6.1 Hoofdschakelaar

De maairobot is uitgerust met een hoofschakelaar (7). Schakel de maairobot met de hoofschakelaar (7) in (ON) en uit (OFF) (afbeiding 8). Na het inschakenen van de maairobot worden deze met de PIN vergrendeld.

NL

6.2 Bedieningspaneel

De robotmaaier is af fabriek al geprogrammeerd met standaardinstellungen. Deze können desgewenst darüber worden gewijzigd. Zelfs als de fabrieksinstellungen geschickt voor de meeste tuinen,要去 u toch vertrouwd raken met de beschikkbare opties.

Uitleg van het bedieningspaneel met LCDdisplay (afb.9)

  1. LCD-display
  2. SET-toets -installingentoets
  3. MODE-toets -maajprogrammatoets
  4. START-toets - starttoets
  5. BACK-toets - terugtoets
  6. Navigatietoetsen
  7. OK-toets - bevestigingstoets

6.3 Maahoogteverstelling

Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk waaroor op de STOP'-toets (3). De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogte tussen 20 en 60~mm maybe, die op de schaal kan worden afgelezen.

Als het gras hoger is dan 60~mm dan moet het tot minstens 60~mm worden gekort om de maiarobot Niet overmatig te belasten en de effi cientie nicht te verlagen. Gebruik waaroor een conventionele grasmaier of een trimmer.

Na aflsuting van de installment kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin algtd met een hogere maaihoogte en verlaag deze inkleine stappen tot aan de gewenste hoogte.

6.4 Vergrendeling / PIN

De vergrendeling voorkomt ongeoorloofd gebruik van de robotmaier zonder geldige code. Hiervoor要去 een persoonlijke viercijferige beveiligingscode invoeren.

Ontgrendeling

Voordat u de robotmaaier opstart, moet u de juiste PIN-code invoeren (standaard-PIN-code: "0-0-0" Voor de PIN-code in met de navigatietoetsen (55).

Standaard-PIN: Nieuwe PIN

0000

PIN wijzigen

Ga als volgt te werk om de PIN-code te wijzigen:

  1. Ontgrendel het bedieningspaneel.
  2. Druk erst op de SET-toets om de instelleningen

uit te voeren.

  1. Gebruik in het menu van het LCD-display (50) de navigatietoetsen (55) om maar het item „Algemeen" enervoigensaar ,PIN-code" te gaan
  2. Voer eerst de huidige PIN in (standaard-PIN 0-0-0-0) met de navigatietoetsen (55).
  3. VoerervolgensuwpersoonlijkePIN-code in met de navigatietaetsen (55).
  4. Bevestig de gemaakte instelleningen.
  5. Herhaal de stappen 5 en 6 om de nouvelle PIN te bevestigen.
  6. Let op! Noteer de neue PIN-code!

PIN aanvragen bij verlies

Houd de bon en het serialummer van de robotmaaier bij de hand. Deze hebt u nodig om uw PINcode te krijgen!

Variant A:

  1. Druk in de vergrendelde status 6 seconden op de SET-toets (51).
  2. Vervolgens verschijnt de PUK-code in het display (50).
  3. Neem contact op met de klantenservice om uw PIN-code te verkrijgen.

Variant B:

  1. Sluit zoals aufgebeeld een lege USB-stick (afb. 11) aan op de USB-poort (14).
  2. De robotmaier slaat de PUK-code automatisch op uw USB-stick op en beeindigt het proces met een pieptoon.
  3. Trek de USB-stick uit het apparaat. Bekijk de gegevens op de USB-stick op een computer. De robotmaier heeft een tekstbestand (.txt) gemaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Neem contact op met de klantenservice om uw PIN-code te verkrijgen.

6.5 Installingen van de robotmaier

Het hoofdmenu van het LCD-display (50) toont de huidige datum- enijdinstellingen van de robotmaier en het huidige accu-laadniveau. De status van de regensensor, het draadsignaal, de geselecteerde modus, de GNSS en Wi-Fi worden ook in de symboolbalk weergegeven. Via het bedieningspaneel kun t de robotmaier met de SET-toets (51) instellen en de robotmaier met de MODE-toets (52) starten met verschillende maajprogramma's. Gebruik de navigatietoetsen (55) om maar de gewenste instellening te gaan en deze desgewenst te wijzigen. Druk op de BACKtoets (54) om het betreff Ende menu te verlaten.

NL

6.5.1 Maaiprogramma's - MODE-toets (52) In het MODE-menu sunt u met de navigatietoetsen (55) kiezen:tussen de twee bedrijfsmodi Handmatig en Tijdscheme en de maier terugsturen hier het laadstation.

Handmatig

Hier kunt u buiten het ingestelde tijdschemaseleteren of u wilt dat de robotmaaier normalmaait of dat er spotmowing moet worden uitgevoerd. U kunt kiezenussen een hoofdmaigebed en een aangrenzend maigebed. Meer gedetailleerde informatatie over de twee oppervlakken vindt u in het hoofdstuk,Ingebruikname" onder het punt ,Hoofd- en aangrenzende maigebedien

Spotmowing

Het is möglichk dat uw robotmaaier sommige delen nicht grondig genoeg maait. Plaat s de robotmaaier op de gewenste plek en start de robotmaaier. De robotmaaier begint dan het gazon spiraalvormig te maaien totdat hij een obstakel谈起komt of de camera geen te maaien gazon herkent. De maaier blijft nu werken tot de accu bijna leeg is en keert dan terug hier het laadstation.

Terug maar het laadstation

Stuur uw robotmaier terug maar het laadstation (19) zoals beschreiben in hoofdstuk 6.5.4.

Tijdschema

De werktijd van de maaier worden beperkt door zonsopgang en zonsondergang. De huidige waarden worden weergegeven op het display onder het menu, Tijdschema.

Als de ingestelde starttijd voor de getoonde zonsopgangsstid is (linksboven op het display), za de robotmaier Niet beginnen met maaien tot de zonsopgangsstid.

Als de ingesteldeijd voor het einde van het maaien na de getoonde zonsondergang is (rechtsboven op het display), za de robotmaaier aan het laadstation terugkeren op de weergegevenijd en Niet op de ingesteldeijd.

Belangrijk!

De tijden van zonsopgang en zonsondergang die door de robotmaaier worden berekend, worden weergegeven met een veiligheidsmarge van 30 minutes om een fouloze werking te garanderen.

In deze modus kurz u de maaitijden per dag instellen met de navigatietoetsen (55). U kurz tweet tijschema's voor maaien per dag instellen. U kurz

de gedefi nicerde tjidschema's voor maaien overnemen op andere dagen of elke dag afzonderlijk plannen.

Als u twee tijschema's voor maaien op een dag instelt, mogen de tijschema's elkaar Niet overlappen en moeten de tijschema's binnen een dag worden gegenereerd. Maaitijden mogen Niet doorlopen tot de volgende dag.

Als u een ingesteld tijschema voor maaien wilt verwijden, moet u het tijschemainstellen op 00:00-00:00.

Voor het instellen van het tijsd schemaaarmaen wordt grofweg een richtwaarde van 8 uur per dag voor 500m^2 aanbevolen. Afhankelijk van de grotte en complexeit van de tuin moet de geseelecteerde werkelijk worden aangepast.

6.5.2 Installingen - SET-toets

U kunt de SET-toets (51) gebruiken om de basisinstellingen van uw robotmaaier in te stellen. Gebruik de navigatietoetsen (55) om maar het gewennen item te gaan en bevestig of verwijder de gemaakte instelleningen met de OK-toets (56) of de BACK-toets (54).

Terugweg

De terugweg die de robotmaier vanuit het laadstation (19) aflegt, kan worden ingesteld. De robotmaier legt de ingestelde afstand eerst achteruit af, voordat hij hier het maiaegbied draait. Zorg ervoor dat de robotmaier door de ingestdeler terugweg Niet het maiaegbied verlaat.

Regensensor

De regensensor (5) kan via deze instelling worden geprogrammeerd. De standaardinstelling voor de sensor is „Aan". U kunst de regensensor (5) activeren de deactivated en de vertragingstijd instellen. De vertragingstijd bepaalt deijd dat de robotmaier in het laadstation (19) blijft nadat de regensensor (5) is opgedroogd.

Maaierprotocol

In dit subitem(Int)kunt u het foutgeheugen bekijken en de kaart wissen, de grenswaarden wissen of de beelden wissen.

Algemeen

  • PIN-code: U kunt de PIN-code van de robotmaaier wijzigen en uw persoonlijke PIN-code gebruiken. Ga hiervoor te werk zoals beschreiben in het hoofdstuk „Vergrendeling / PIN". Let op! Notoeer de nieuwe PIN-code.
  • Datum &ijd: Gebruik de navigatietoetsen (55) om maar het relevante item te gaan en de gewens

NL

te instellingen uit te voeren.

  • Taal: Gebruik de navigatietaetsen (55) om over te schakelen maar de gewenste taal.
  • Softwareversie: Hier wordt de huidige softwareversie van de robotmaaier vermeld.

In dit subitem=kunt u de Wi-Fi-verbinding van de robotmaier instellen met uw smartphone. Boven-dien kunt u de Wi-Fi-verbinding resetten en informatie over de Wi-Fi-verbinding opvragen.

Resetten

De robotmaaier kan hier worden geseset maar de fabrieksinstellungen, waardoor alle instelleningen worden gewist en ook de Wi-Fi-verbinding worden geannuleerd.

6.5.3 Startprocess

  1. Druk op de STOP-toets (3) en open het displaydeksel (23) volledig.
  2. Ontrendel het bedieningspaneel (2).
  3. Gebruik de MODE-toets (52) om het gewens-te maaiprogramma en het betreff Ende werkgebied te selecteren.
  4. Druk op de START-toets (53).
  5. Sluit het displaydeksel (23).

De robotmaier werknt nu volgens de ingestelde bedrijfsmodus. Tijdens werktijd worden het laadniveau van de accu weergegeven op het LCDdisplay (50). Zodra het laadniveau van de accu daalt tot 30% keert de robotmaier automatisch terug maar het laadstation (19).

Opmerking: Voor de werkung van de robotmaier is een referentiewaarde voor de kwaliteitswaarde nodig. Deze worden ingesteld zoals beschreiben in het hoofdstuk "Tui tungrenzen - grenskwaliteitswaarde" en daemon start de robotmaier in eerste instantie met uitgeschakelde maai-eenheid. Zodra de waarde is ingesteld, begint de robotmaier met maaien volgens de ingestelde maaitijd.

6.5.4 Annuleren van het maaiproces

  1. Druk op de STOP-toets (3) om de robotmaai- er onmiddelijk stil te zetten.
  2. Open het displaydeksel (23) volledig.
  3. Ontgrendel het bedieningspaneel (2).
  4. Druk op de MODE-toets (52) en selecteer "Naar laadstation" om de robotmaaier terug te sturen maar het laadstation (19).
    5.Druk op de START-toets (53).
  5. Sluit het displaydeksel (23).

6.5.5. STOP-status

Door op de STOP-toets (3) te drukken, worden de robotmaier in de STOP-status gezet, die worden weergegeven op het LCD-display (50). De robotmaier pauzeert het maien totdat deze status worden opgeheven.

Na het ontgrendelen van het bedieningsspaneel (2) verschijnt er een venster dat voorstelt om de STOP-status op te heff en. Door bevestiging worden deze status opgeheven. Anders blijft de robotmaier stilstaan. Als de robotmaier worden gestart of teruggestuurd waar het laadstation (19), worden de STOP-status ook opgeheven. Sluit het displaydeksel (23).

6.6 Besturingseenheid van de robotmaaier met de Einhell Connect app

Met behulp van de Einhell Connect app kunt u de robotmaier overal vandaan bedieren. Download de app via de volgende links of QR-codes:

iOS: http://qr.einhell.com/12e103ce

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Besturingseenheid van de robotmaaier met de Einhell Connect app - 1

Android: http://qr.einhell.com/176c0443

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Besturingseenheid van de robotmaaier met de Einhell Connect app - 2

Sluit de robotmaiaier aan op uw smartphone en volg de getoonde stappen.

Aanwijzingen voor de verbinding:

Druk op de SET-toets (51) op het bedieningspaneel om het apparaat te registeren. Gebruik de navigatietoetsen (55) om maar beneden te gaan en selecteer hetsubmenu „APP-link".
- Om in de Einhell Connect app apparaten te künnen registeren is een gebruikersaccount nodig.
- De locatie van het apparaat moet ingeschak-keld zichon om de Bluetooth-verbinding te kunnen gebruiken.
- Om de robotmaiaer te registeren, dient u de koppelmodus via het display van de maaier te starten. U worden in de app in detail door het

NL

registrarproces geleid.

Koppel de robotmaier alleen binnen de Ein-hell Connect app.
- Het bereik van een Bluetooth-verbinding is beperkt. Blijf waarom in de buurt van de maaierijdens de eerste ingebruikname.

7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen

Gevaar!

Vór alle reinigings- en onderhoudswerkzaam-heden要去 het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekker uit de contactdoos要去 trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uitschakelt (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu (A) uit de maairobot (afbeelding 3b).

Voorzichtig! Werkhandsschoenen dragen!

7.1 Reiniging

Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventilatiespleten en het motorhuis zo Veel möglichk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparatusaat met een schone doeok af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon.
- De maairobot mag nicht met stromend water, vooral nicht onder hoge druk, worden gerei-nigd.
Reinig het apparaat regelmatig met een vochtige doek en wat groene zeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zonden knen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat verecht kan komen.
Maak de maairobot indien möglichk schoon met een borstel of doeck.
- Controller de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11).
- Gebruik voor de reiniging van de laadcontacten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metalaal of zeer fijn schuurpapier. Maak deze schoon om een efficient laadproces te garanderen.

7.2 Onderhoud

  • Controller regelmatig de lens van de cameraeenheid (15) op verwuilingen en reingin alles. De lens kan met name door regenval worden verwulld. Gebruik waaroor geen agressieve reinigings-of oplosmiddelen.
    Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingschroeven要去en altijd per set

wordenvervangen.
Vervang versleten of beschadigde delen.
Voor een lange levensduur要去en alle schroefdelen en de wielen en assen schoongemakt enervoigens met olie gesmeerd worden.
- De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert Niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bijDat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig worden gemaad.
- De het sterkst aan slijtage onderhevige componenten zijn de klingen (10). Controleer regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging waarvan. Als er overmatige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd zich resp. door stoten werden verrormd. Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan要去en deze meteen worden verrangen.
- Controller regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen Niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlaklicht uitdrogen en verdort het.Vervang daarom de klingen regelmatig, opdat u een zuiver enrecht maaire-sultaaat verwrijgt.
- Controller de onderkant van de maairobot regelmatig op verruilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigungen onmiddelijk.
In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als waaroor met een conventionele grasmaier wird gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controlleraarom de onderkont van uw maairobot gedurende dezeperiode vaker.
Verkort het gras om een sterke verontreiniging te vermijden slechts inkleine stappen.
- Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhonden onderdelen.

7.2.1 Vervangen van de klingen

Verwijder de accu alvorens het mes te vervangen.

Gebruik alleen originele klingen, aangezien anders functie en veiligheid nicht zich garardeerd. De maairobot isuitgerust met drie aan een messenschijf (11) gemonteerde klingen (10).Deze klingen (10) hebben een levensduur van maximaal 3 maanden (wanner er geen hinderissen worden getroff en).Vervang alle drie klingen (10) gliktijdig om uit te sluiten dat de effi ciente en balans van uw apparaat negatif worden beinvloed.

NL

Om de klingen (10) te verrangenogaat u als volgt te werk (afbeelding 10)-Opgelet! - Handschoenen dragen:

  1. Blokker met een schroevendraier de rotatie van de messenschijf (11). Steek hiervoor de schroevendraier door de voorziene gaten in de schijf (11) en de beschemkam.
  2. Draai de bevestigingschroeven los.
  3. Neem de klingen (10) eraf en verrang deze door neue. Vervang alle drie klingen (10).altijd per set.
  4. Daarna draait u de bevestigingsschoven weer vast. Let erop dat de neue klingen (10) vrij hunnen worden gedraaid.

Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verzamel alle opgezamelde resten. Vór elk begin van een seizedoen de toestand de klingen (10) absolutut controleren. Wend u bij reparations tot once klantendienst. Gebruik alleen originele onderden.

7.2.2 Software-update

Als u de software wilt updater, kopieer dan de neue softwareaar een lege USB-stick (formatteer indien nodig vooraf de USB-stick).Zorg ervoor dat de accu volledig is opgeladen,voordat u de volgende stappenuitvoert.

  1. Plaats de robotmaier in het maaigebied. De robotmaier mag Niet in het laadstation staantijdens het updater van de software.
  2. Sluit zoals afgebeeld een lege USB-stick (afb. 11) aan op de USB-poort.
  3. De robotmaier start nu de software-update en geeft de huidige status weeer.
  4. Trek de USB-stick uit het apparaat zodra het updateproces is voltooid en start de robotmaier opnieuw op met de hoofdschakelaar (7).

Als alternatif kan de software-update ook worden uitgevoerd via de Einhell Connect app. Selecteer "Instelingen" in de app en verzolgens, Firmware update" en volg de verdere instructies in de app.

7.2.3 Reparatie van de leikabel

Isoleer erst het laadstation (19) van de stroomtoevoer. Als de leikabel (24) op een bepaald punct worden doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinders (25). Daaroor steekt u beiden uiteinden van de doergesneden leikabel (24) in de kabelverinder (25) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controleer verzolgens aan de hand van de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) de werking.

7.3 Bestelling van onderdelen:

Gelieve bij de bestelling van onderdelen de vol-gende gegevens te vermelden:

Type van het apparatus
Artikelnummer van het apparaat
- Ident.-nummer van het apparatus

  • Onderdeelnummer van het benodigde onder-deel

Actuele prijzen en info vindt u op www.EinhellService.com

Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20

8. Opslag

Laad de accu (A) vór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7)uit (OFF).Neem de accu (A)uit het apparaat. Isoeler de voedingseenheid (20) van de stroomtoevoer en het laadstation (19).

De leikabel (24) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er darüber wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd gegen corrosie. Isoeleer daartoe de aansluitingen van de leikabel (24) van het laadstation (19).

Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrijne en voor kinderen ontoegankelijkpe plaats. De optimale opslagtemperatuur ligt tussen 5^ en 30^. Bewaar het apparaat in de originele verpakking.

9. Transport

Schakel het apparaat UIT via de hoofdschakelaar (7) (OFF) (afbeelding 8).
- Breng, indien voorhanden, transportbeveiligingen aan.
- Bescherm het apparaat gegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen.
- Beveilig het apparaat gegen weglijk den en kantelen.
Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.

NL

10. Verwerking en recycling

Het apparaat zit in een verpakking om transportschade te voorkomen. Deze verpakking is een grondstof en bijgevolg herbruikbaar of kan in de grondstofkringloop worden teruggebracht. Het apparaat en het toebehoren bestaanuit verschil-lende materialen, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen Niet thuis bij het housvuil. Voor de deskundige verwerking moet het apparaat worden ingeleverd bij een erkend inzamelpunt. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren.

Afvalverwijdering

EINHELL FREELEXO CAM PLUS - Afvalverwijdering - 1

Elektrische gereedschappen, accu's, accessoires en bijbehorende verpakkingen要去 op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled.

Gooi elektrische gereedschappen, accu's en batterijen nicht bij het huisvuil, maar breng ze waar een inzamelpunt.

Alleen voor landen binnen de EU: Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EU inzake afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, en de implementatie hiervan in国家标准recht, moeten nicht bruikbare elektrische gereedschappen op een voor het milieu verantwoorde wijze worden ingezameld en gerecycled. Volgens de Europese richtlijn 2006/66/EG要去en defecte of verbuikte accu's/batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled. Bij een verkeerde afvoer{kunnen afgedankte elektrische en elektronische apparaten vanwege de mogelijk aanwezigheid van gevaarlijke stoffen schadelijkeuitwerkingen op het milieu en de gezondheid van mensen hebben.

Nadruk of andere reproductie van documentationie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltek, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van Einhell Germany AG.

Technische wijzigingen voorbehonden.

NL

11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten

LED-indicatie (19a)Beschrijving Oplossing
Uit - Geen stroomtoevoer. - Controller de stroomtoevoer.
Brandt groen - Geredom te maaien.- Accu volledig geladen.- Leikabel (24) aangesloten.
Knippert groen - Leikabel (24) doorgesneden. - Onderzoek de leikabel (24) op een breuk.
Brandt rood - Accu wortd geladen. - Wacht tot de accu volledig is geladen.
Knippert rood - Storing aan het station - Controller het netsnoer van het laadstation

12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten

Foutmelding van de robotmaaier op het LCD-display (50)

Fout Mogelijk teoorzaak Verhelpen
Geen signala- Geleidingsdraad (24) ver-keerd aangesloten- Geen stroomvoorziening- Geleidingsdraad (24) door-gesnedenController of de LED-indicator (21) op het laadstation (19) groen brandt.- Zorg ervoor dat de geleidingsdraad (24) correct en gecentreerd onder het laadsta-tion (19) is gelegd.- Controller de positie van het laadstati-on(19).
Maaier buiten maai-gebied- De robotmaier herkent geen gazon of gazongrens en be-vindt zich.daarom buiten het maaigebiedDruk op de STOP-toets om het displaydek-sel (13) te openen. Start het maaiprocess opnieuw via het bedieningspaneel.- Zorg ervoor dat de robotmaier in het maaigebied staat, controller de huidige positie waar de robotmaier tot stilstand is gekomen.
Accufout- Bij de robotmaier is een accufout opgetreden- De accu kan nicht worden ge-laden- De accu het einde van zijn levensduur bereikt- Zorg ervoor dat de accu correct is gein-stalleer. - Controller of de hoofdschakelaar (7) is ingeschakend (ON) toenwijl de robotmaier in het laadstation (19) staat.- Controller de positie van het laadstati-on(19). Vervang indien nodig de accu.

NL

Fout Mogelijk teoorzaak Verhelpen
Accu-temperatuur-foutAccutemperatuur te hoog / te laag of besturingseenheid oververhit - Als de accutemperatuur 65 °C overschrijdt, keert de robotmaiaier terug maar het laadstation (19). - Als de batterijtemperatuur hoger is dan 45 °C of lager dan 0 °C, worden het laadproces gestopt en wacht de robotmaiaier op het laadstation (19).- Stel in de zomer de werkelijk uit tot de vroege ochtenduren en vermijd het gebruk van de robotmaiaier tijdens de warme uren van de dag. - Zodra de accu of de besturingseenheid is afgekoeld totuiten het toegestane temperatuurbereik, keert de robotmaiaier automatisch terug� degeprogrammeerde werking.
Maai-eenheid om-hoog- Hefsensor gedurende 10 se-conden continu geactiveerdDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (23) te openen. Start het maiaiprocess opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Als.Deze fouv vaak optreedt, controlleren dan het maiaigebied op obstakels die hoger zijn dan 10 cm en verwijder ze of scheid de obstakels met behulp van de magnete strip (27) van het maiaigbed.
Maai-eenheid geblokkeerd- Obstakelsensor binnen een minuut meerere keren ge-activeerd - Obstakelsensor gedurende 10 secondencontinu geactiveerd - Obstakelsensor drie keer ge-activeerdijdens de rit terug� het laadstation (19)Druk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (23) te openen. Start het maiaiprocess opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Controller of de robotmaiaier geblokkeerd is door een obstakel of klem zich:tussen bo-men, struiken, enz. Verwijder het obstakel of vermijd dit gebied. - Als deze fouv vaak optreedt, controlleren dan de aanleg van de geleidingsdraad (24). Let vooral op smalle hoeken, gan-gen, hekken, rotsen enz. en pas indien nodig de lay-out van de geleidingsdraad (24) aan. - Controller of het gras te hoog is en de robotmaiaier blokkeert. Maai het gras in dit geval tot onder de 60 mm.

NL

Fout Mogelijk oorzaak Verhelpen
Te zich bij station - De robotmaier werk te zich bij het laadstation (19) terug-gestuurd.Druk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (13) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - De robotmaier moet worden teruggestu-urd maar het laadstation (19) op een mini-male afstand van 2 meter.
Omgevalten - De robotmaier werk gedu-rende 10 seconden aan een stuk gekanteld - De robotmaier staat gedu-rende langere tijd schuinDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (13) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Verplaats de robotmaier� aan een vlakke ondergrond en start hem opnieuw. - Als de robotmaier gekanteld is vanwege een steile helling in het maaigebied, dient dit gebied dienovereenkomstig beveiligde te worden met de meegeleverde mag-neetstrip (27) om steile hellingen te om-zeilen.
Wielfout - Achterwieten (8) kwamen door een obstakel van de grond - Achterwieten (8) konnen op oneff en gazon vrij draaienDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (23) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Verplaats de robotmaier� aan een vlakke ondergrond en start hem opnieuw.
STOP-toets-fout Het displaydeksel (13) is geo-pend, maar de STOP-toets (3) werk net geactiveerdDruk op de STOP-toets (3) om het display-deksel (13) te openen. Start het maaiproces opnieuw via het bedieningspaneel (2): - Controller of het displaydeksel (13) problemoos met de STOP-toets (3) geopend en gesloten kan worden. - Controller de werkung van de STOP-toets (3).

NL

Fout Mogelijk ooorzaak Verhelpen
PCB overtempe-ratuurAccutemperatuur te hoog / te laag of besturingseenheid oververhit - Als de accutemperatuur 65 °C overschrijdt, keert de robotmaaier terug maar het laadstation (19). - Als de batterijtemperatuur hoger is dan 45 °C of lager dan 0 °C, worden het laadpro-ces gestopt en wacht de robotmaaier op het laadstation (19).- Stel in de zomer de werkelijk den uit tot de vroege ochtenduren en vermijd het gebru-ik van de robotmaaier tijdens de warme uren van de dag. - Zodra de accu of de besturingseenheid is afgekoeld tot binnen het toegestane temperatuurbereik, keert de robotmaaier automatisch terug maar de geprogram-meerde werking.
Regen - De regensensor (5) werk geactiveerd.- Wacht tot de robotmaaier droog is. - Een gedetailleerde beschrijving van de sensor is te vinden in hoofdstuk 5.2.
Sensorfout (ge- leidingsdraad-, afstands-, magneet-sensor)- De robotmaaier is gestopt vanwege een sensorfoutZet de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en wee aan (ON) om de robotmaaier opnieuw te starten.
Motorfout/ overstroom motor- De robotmaaier is gestopt door een overstroom in de motor of een motorstoringZet de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en wee aan (ON) om de robotmaaier opnieuw te starten. - Controller de hoogte van het gras in het maaigebied en maai het gras indien nodig tot onder 60 mm met een conventionele grasmaaier. - Verhoog de maaihoogte. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze inkleine stapjes tot u de gewenste hoogte heb bereikt. - Controller de messchijven (11) en wielen op verontreinigungen en reinig deze onder-delen grondig. - Controller de weiterwienen en de mes-schijf (11) op blokkades. Als deze blokkades Niet verholpen worden, neem dan contact op met de verantwoordelijke klantenservice.
Bedrijfsfout - De robotmaaier is gestopt vanwege een werkingsfoutZet de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en wee aan (ON) om de robotmaaier opnieuw te starten.
Onduidelijk grens De robotmaaier bevindt zich in het laadstation of in de zoeklus en de afwijking van de referen-tiekwaliteitswaarde is aanzienli-jk verslechterd.Controller de grenzen van het maaigebied. Verwijder verrolgens de referentiewaarde en voor een neue initialisatie van de gren-skwaliteit uit.

NL

Fout Mogelijk oorzaak Verhopen
Geen camerasi-gnaalDe robotmaier ontvangt geen signaal van de camera-eenheidZet de hoofdschakelaaruit(OFF)enweer aan(ON)omde robotmaier opnieuw te starten.
Te verweg De robotmaier is te ver van het laadstation (19) verwijderdVerplaats de robotmaieraar het maage-bieddat zich dicht bij het laadstation bevindt.Zet de hoofdschakelaaruit(OFF)enweer aan(ON)omde robotmaier opnieuw te starten.
Te zichbij de mag-neetstripDe maaier herkent een mag-neetripsignaal in de directe nabijheidOm te kuren starten, moet de robotmaier minstens 1 meter van de magneetstrip verwijderd zijn.

Wi-Fi-symbool:

Fout Mogelijk oorzaak Verhelfpen
Wi-Fi-symbool doorgestreeptDe robotmaier ontvangt geen Wi-Fi-signaal- Start de robotmaier opnieuw op - Controller de Wi-Fi-verbinding - Stel indien nodig de Wi-Fi-verbinding opnieuw in.
Wi-Fi-signaal zwak De robotmaier reageert met een aanzijlijke vertraging of reageert helemaal Niet.Controller de Wi-Fi-dekking in uw tuin.

GNSS-symbool:

Fout Mogelijk teoorzaak Verhelppen
Wi-Fi-symbool doorgestreep Geen GPS-geve-vensDe robotmaier ontvangt geen GNSS-signaalZorg ervoor dat de robotmaier buiten staat en dat het GNSS-signaal nicht worden afge-schermd
GNSS-symbool knippertGNSS-signaal onnauwkeurig Alshet GNSS-signaal continu knippert, is het ontvangen signaal erg zwak (afge-schermd door gebouw/boom) en要去 de positie van het laadstation worden aange-past.
GNSS-symbool knippert snelDe robotmaier zoekt maar een GNSS-verbinding en kalibreert de positie van het laadstation.Wacht tot de kalibratie is afgesloten.

NL

Foutopsporing

Fout Mogelijkkeoorzaak Verhelpen
De maairobot staat in het maaigebied. De maairobot kan Niet worden ingeschakeld.- Accuspanning te laag. - Fout aan de stroomkring of de elektronica.
De maairobot kan Niet in het laadstati-on rijden.- Laadstation (19) Niet correct geinstalleerd.
De maairobot maaktelijk veel lawaai.- Klingen (10) beschadigd. - Aan de klingen (10) hechtenVELVREEMDE materialen. - Maairobot te zich bij hinder-nissen gestart. - Mesaandrijving of aandrij-fmotor beschadigd. - Andere delen van de maairobot beschadigd.
De maairobot blijft in het laadstation. De maairobot keert steeds waar terug maar het laadstation.- Verkeerde instelleningen van de werktijd. - De laadtoestand van de accu is laag of daalt onder 30%. - De regensensor heeft gerea-geerd. - De maairobot is oververhit. - Het begint te schemeren, waardoor de camera-eenheid Niet meer juist kan functioneren.
De maairobot kan het laadstation (19) Niet vinden.- Het laadstation (19) bevindt zich op een plaat waarঠ een zwak GNSS-signaal worden ontvangen. - Hindernissen in de onmid-dellijke nabijheid van de lus van de leikabel verhinderen het rijden daarnaartoe.

OPGELET! Een doorgesneden leikabel en gevolgschade vallen nicht onder de garantie!

NL

Foutopsporing magnetoBand (27)

Fout Mogelijkkeoorzaak Verhelpen
Maairobot herkent de magneeband (27) Niet en rijdt er- overheen.- De magneeband (27) is te diep in de grond gelegd. - De magneeband (27) func- tioneert Niet goed, odomat de buitentemperatuur te hoog is.- Leg de magneeband (27) op de grond of ca. 5 cm in de grond. - Wacht tot de temperatuur is gedaald. Ver- mijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag.
De maairobot stopt resp. rijdt ongecon- troleerd in de buurt van begrenzings- bereik.- De magneeband (27) is te zich bij de leikabel (24) ge- legd. De afstandussen twee onafhankelijk begrenzings- bereiken met magneeband (27) is te gering. - In de maaizone ontstaan er op grond van elektrische ka- bels storingen.- Houd een afstand van minstens 80 cm+tussen de leikabel (24) en de magnee-band (27) of+tussen twee begrenzingsbe- reiken aan. - Vermijd elektrische kabels die in het maai- gebied lopen. Positioneer het laadstation (19) aan de rand van de maaizone. Houd een afstand tot vreme de maaivlakken (bijv. van buren), waar met een begren- zingsdraad worden gewerkt.
De maairobot dringt binnen in het be- grenzingsbereik.- De maairobot glijdt over de magneeband (27).- Leg de magneeband (27) Niet op hellin-gen. - Neem de vermelde installmentevoorwaarden in acht.

NL

13. Privacyverklaring FREELEXO CAM PLUS

Einhell Germany AG verheugt zich over uw inzet van de FREELEXO CAM PLUS maarbot. De bescherming van uw persoonlijke gegevens gaat ons nauw aan het hart. In wat volgt beschrijven wij welke gegevens in het algemeen worden verwerkt bij de inzet van het apparatusaat.

Locatie van het laadstation

De maairobot slaat lokaal aan het apparaat de via GNSS-positiebepaling vastgestelde standplaats van het laadstation op. Deze is nodig om het apparaat na aflsuiting van de maaiwerkzaamheden terug te navigeren aan het laadstation resp. de leikabel. In het geval van service kan.Deze informatie via het logfi le fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

Tijdstep zonsopgang/zonsondergang

De maairobot slaat lokaal aan het apparaat het via GNSS-positiebepaling vastgestelde tijdstep van de zonsopgang resp. zonsondergang op. Dit is nodig, opdat het apparaat alleen kan worden gestart binnen een tijsdinterval, waarin de camera-eenheid beelden kan genereren met voldoende helderheid. In het geval van service kan deze informatie via het logfile fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

Beelden van de camera-eenheid

De robotmaier slaat de door de camera-eenheid gegenererde beelden lokaal op het apparaat op. Dit is nodig voor het system om het algoirme van de robotmaier voortdurend te verbeteren. Er zijn afbeeldingen op de maier die zich gemaaktijdens de laatste 15 minuten maien. Deze gevevensrecord wordt voortdurend overschreven. Als die maier in het laadstation staat, worden er geen beelden gemaakt. Als er onderhoud nodig is, kan den deze beelden lokaal worden uitgelezen om eventuele storingen op te sporen. Deze beelden worden verrolgens gewist.

U kurz zowel de locatiespecifieke informatie als de gegenereerde beelden zich van het apparaat verwijderen. Druk op de SET-toets en selecteer het submenu „Maaierprotocol". U kurz verrolgens „Kaart wissen" gebruiken om de locatie-informatie op het apparaat te wissen of „Beelden wissen" om de beelden te wissen die op de camera zich opgeslagen.

Een uitvoerige documentatie over onsze richtlijnen inzake gegevensbescherming vindt u op onsze homepage onder Gegevensbescherming.

NL

14. Indicatie lader

IndicatiestatusBetekenis en maatregel
Rode LEDGroene LED
Uit KnippertOperationaliteitDe lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit nicht in de lader.
Aan Uit LadenDe lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader.Aanwijzing! Al naargelang de acculading kan de laadduur ie's afwijken van de vermeldeijdden.
Uit Aan De accu is opgeladen en operationeel. (READY TO GO)
Daarna worden tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla-ding.Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten.Maatregel:Neem de accu uit de lader. Isoeleer de lader van het net.
Knippert UitAanpassingsladingDe lader bevindt zich in de modus behoedzame lading.Hierbij worden de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeenmeerijd vergrt. Dit kan de volgende orzaken hebben:- De accu werk zeer langeijd Nieteer geladen.- De acutemperatuur ligt Niet in het ideale bereik.Maatregel:Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verderronnen geladen.
Knippert Knippert FoutLaadproces is Niet meer mogelijk. De accu is defect.Maatregel:Een defecte accu mag Nieteer worden opgeladen.Neem de accu uit de lader.
Aan Aan Temperaturstoring
De accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C).Maatregel:Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemporatuur(ca. 20 °C).

NL

Service-informatie

Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zich genoemd, samen met competente servicepartners, wier contactgegevens u kunt afleiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle Diensten zoals reparatie, het verschaffen van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialien te uwer beschikking.

U moet er reckening mee houden dat bij dit product de volgende delen onderhevig+zijn aan een slijtage door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig+zijn als verbruiksmaterialien.

Categorie Voorbeeld
Slijtstukken* Accu
Verbruiksmaterialial/verbruiksstukken* Klingen
Ontbrekende onderdelen
  • nicht verpflicht bij de leveringsomvang begrepen!

Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelingte te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de bout en waar bij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:

  • Heeft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect?
    Is u iets opgevalen voordat het defect zich Voordeed (symptom voor het defect)?
  • Welke fouliewe werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)?

Beschrijf deze foutieve werkwijze.

E

Índice de Contents

Clasà de protectie: II/回

Valorile de zgomot au fost determinate in conformitate cu standarde EN ISO 3744:1995 s i ISO 11094:1991.

RO

Avertisment!

Atentie! Purtati manusi de protectie!

7.1 Curatarea

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : EINHELL

Model : FREELEXO CAM PLUS

Categorie : Grasmaaier