EINHELL GECH 3665 Li - Heggenschaar

GECH 3665 Li - Heggenschaar EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis GECH 3665 Li EINHELL in PDF-formaat.

📄 627 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice EINHELL GECH 3665 Li - page 243
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : EINHELL

Model : GECH 3665 Li

Categorie : Heggenschaar

Download de handleiding voor uw Heggenschaar in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GECH 3665 Li - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GECH 3665 Li van het merk EINHELL.

GEBRUIKSAANWIJZING GECH 3665 Li EINHELL

1. Veiligheidsinstructies

2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering

5. Inbedrijfstelling

7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen

11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten

12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen. Dit apparaat mag niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geïnstrueerd werden en begrijpen welke gevaren van het apparaat kunnen uitgaan. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen. Reiniging en onderhoud door de gebruiker mogen niet door kinderen worden uitgevoerd. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 243Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 243 01.12.2022 15:36:5301.12.2022 15:36:53NL

Gevaar! Bij de inzet van apparaten moeten enkele voor- zorgsmaatregelen worden getroff en om verwon- dingen en schade te verhinderen. Lees deze handleiding/veiligheidsinstructies daarom aan- dachtig door. Bewaar deze goed, zodat u de in- formatie op elk moment kunt terugvinden. Mocht u dit apparaat aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding/veiligheidsinstruc- ties mee te overhandigen. Wij zijn niet aanspra- kelijk voor ongevallen of schade als gevolg van niet-inachtneming van deze handleiding en de veiligheidsinstructies.

1. Veiligheidsinstructies

De veiligheidsinstructies vindt u in het bijgevoeg- de boekje! Waarschuwing! Lees alle veiligheidsinstructies, aanwijzin- gen, plaatjes en technische gegevens, waar- van dit elektrisch gereedschap is voorzien. Nalatigheden bij de naleving van de volgende instructies kunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken. Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwij- zingen voor de toekomst. Verklaring van de gebruikte symbolen (zie afbeelding 13) A. WAARSCHUWING - Vóór inzet van de ma- chine de handleiding doorlezen! B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewa- ren! C. WAARSCHUWING - Vóór de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tillen de blokkeerinrichting acti- veren! OPGELET - Roterende messen niet aanraken! D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen niet aanraken! E. Beschermklasse II (dubbele isolatie) F. Opslag van de accu’s alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10 °C tot +40 °C. De accu’s alleen in geladen toe- stand opbergen (min. 40% geladen). G. Beschermklasse III H. Trage zekering 2 A

I. Alleen voor gebruik in droge ruimtes.

J. WAARSCHUWING: Om de accu te laden alleen de afneembare voedingseenheid NT24/1 / PS24/1 gebruiken die met dit ap- paraat werd meegeleverd. Opgelet! Trek tijdens een onweer de netstekker uit de contactdoos en isoleer de leikabel van het laad- station.

2. Beschrijving van het apparaat en

omvang van de levering

2.1 Beschrijving van het apparaat

3. ‘STOP’-toets / Ontgrendelingstoets van de

afdekking van het bedieningsveld

13. Afdekking van het bedieningsveld

21. Bevestigingsschroef

28. Liniaal (om eruit te trekken)

2.2 Omvang van de levering en uitpakken

Controleer de volledigheid van het artikel aan de hand van de beschreven omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verko- oppunt waar u het apparaat heeft aangekocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve hiervoor de garantietabel in de service-informatie aan het einde van de handleiding in acht te ne- men. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 244Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 244 01.12.2022 15:36:5401.12.2022 15:36:54NL

Open de verpakking en neem het apparaat voorzichtig daaruit.

Verwijder het verpakkingsmateriaal en ver- pakkings-/transportbeveiligingen (indien aan- wezig).

Controleer het apparaat en het toebehoren op transportschade.

Bewaar de verpakking indien mogelijk tot aan het einde van de garantieperiode. Gevaar! Het apparaat en het verpakkingsmateriaal zijn geen speelgoed voor kinderen! Kinde- ren mogen niet met plastic zakken, folies en kleine stukken spelen! Er bestaat inslik- en verstikkingsgevaar! Omvang van de levering, montagemateriaal en toebehoren (deels niet meegeleverd) Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.

Bevestigingsschroeven (4 stuks)

Liniaal (om eruit te trekken)

Veiligheidsinstructies Benodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd)

De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maai- en van gazons. De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk daarboven uitgaand gebruik is niet- doelmatig. Voor daaruit voortvloeiende schade of verwondingen van welke aard dan ook is de gebruiker/bediener aansprakelijk, en niet de fab- rikant. Wij wijzen erop dat onze apparaten overeen- komstig hun doelmatig gebruik niet zijn ontwor- pen voor commerciële, ambachtelijke of industrië- le inzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid, indien het apparaat in ambachtelijke of industriële bedrijven of voor daaraan gelijk te stellen activitei- ten wordt ingezet.

Waarschuwing! Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige inv- loed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijke verwondingen te verminderen ra- den wij personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het me- dische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat wordt bediend. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 245Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 245 01.12.2022 15:36:5401.12.2022 15:36:54NL

5. Inbedrijfstelling

Lees de hele handleiding, voordat u begint met de installatie van de maairobot. De kwa- liteit van de installatie is rechtstreeks van invloed op het resulterende maaibeeld.

5.1 Werkingsprincipe

Volg zorgvuldig de bedieningshandleiding om een correcte en veilige inzet van de maairobot te garanderen. De maairobot kiest zijn richting bij toeval. De tuin wordt daarbij volledig gemaaid, omdat de maairobot alle zones bereikt die niet door afgren- zingen en hindernissen zijn uitgesloten. Wanneer de maairobot vaststelt dat hij aanbelandt bij een grens van het gazon of een hindernis herkent, dan verandert hij van richting en maait hij in een willekeurige andere richting verder. Via de sen- soriek herkent de maairobot hindernissen en het vlak van het gazon, zodat hij zich vrij in het werk- bereik kan bewegen. De maairobot beschikt over een camera-eenheid, die beelden genereert van de voor hem liggende zone en deze verwerkt. Daarbij wordt het voor hem liggende terrein onderzocht, en gecontro- leerd of het hierbij een maaivlak of grens van het gazon resp. een hindernis betreft. Zolang het voor hem liggende terrein als maaivlak wordt beschouwd, beweegt de maairobot zich met in- geschakeld maaiwerk rechtdoor. Als de zone als grens van een gazon resp. hindernis wordt aanzi- en, dan stopt de maairobot, controleert hij opni- euw het maaivlak en begint hij in een willekeurige richting weer te maaien. Het maaiterrein moet zorgvuldig gecontroleerd en aangepast worden, opdat de maairobot voldoende ruimte heeft om te herkennen waar de zone eindigt. De grenzen van het gazon moeten duidelijk zijn vastgelegd, opdat de maairobot deze binnen zijn reactietijd duidelijk kan herkennen. De gelegde leikabel (24) dient voor het nauwkeu- rige aandokken in het laadstation (19) en vormt tijdens het maaien geen grens. De maairobot moet zich daarom op een grasvlak met duidelijke optische of fysieke grenzen bevinden. Opdat de maairobot de leikabel (24) en daarna het laad- station (19) vindt, moet deze zich bij de eerste activering van het maaiproces in het laadstation (19) bevinden. Via een globale satellietnavigatie (GNSS) bepaalt hij de positie van het laadstation (19). Als de positie van het laadstation (19) wordt veranderd, dan moet de maairobot dwingend opnieuw voor de kalibratie in het laadstation (19) worden geplaatst. Zorg ervoor dat geen afscher- ming of overdekking de bepaling van de positie verhindert. Plaats het laadstation (19) niet naast hoge gebouwen. In sommige gevallen is hier een kalibratie omwille van een slecht signaal niet mogelijk. Bij lage laadtoestand van de accu keert de maai- robot terug naar het laadstation (19). Met behulp van de GNSS-module bepaalt de maairobot zijn afstand tot het laadstation (19) en zoekt dit op. Als de maairobot op weg naar de zoeklus stuit op een grens van de tuin of op hindernissen, dan slaat de maairobot zijn positie op en wordt het maaiterrein in kaart gebracht. Zo vindt de maairobot bij verder gebruik sneller de weg terug naar het laadstation (19). Aangekomen aan de leikabel (24) rijdt de maairobot aan de hand van zijn sensoren om dra- den te herkennen tot aan het laadstation (19). Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin kan dit proces enkele minuten duren. Via de globale satellietnavigatie (GNSS) wordt eveneens de voor de locatie specifi eke informa- tie over zonsopgang/-ondergang opgevraagd. Voldoende daglicht is absoluut vereist voor het storingsvrije functioneren van de maairobot. Controleer de lens van de camera-eenheid (15) regelmatig op verontreinigingen.

De maairobot is uitgerust met meerdere veilig- heidssensoren. Via de sensoren kan de maairo- bot zich bewegen over zijn maaigebied.

Hefsensor: Indien de maairobot van achter meer dan 30° van de grond wordt opgetild of een voorwiel (12) het contact met de grond verliest, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.

Hellingsensor: Indien de maairobot sterk in één richting helt, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.

Hindernissensor: De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt en rijdt hij terug weg van de hindernis.

Camera-eenheid: De maairobot bezit een camera-eenheid (15), die het maaiterrein voor hem (circa 1m²) ana- Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 246Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 246 01.12.2022 15:36:5501.12.2022 15:36:55NL

lyseert. De camera is daarbij gericht op de ondergrond, waarmee objecten in het bereik van het beeld met een maximale hoogte van 50 cm worden afgebeeld. Het te verwerken beeldmateriaal wordt slechts lokaal en tijdelijk opgeslagen in de maairobot en voortdurend overgeschreven. De maairobot kan hindernis- sen herkennen, en het werkterrein waar geen gras meer groeit. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit of geen gras meer her- kent, dan stopt hij en begint hij in een willek- eurige richting verder te maaien. Omwille van de camera-eenheid is het niet mogelijk dat de maairobot in de schemering resp. ’s nachts werkt. Het gekozen werkvenster moet daarbij overdag liggen wanneer er veel daglicht is, opdat de maairobot zijn werk betrouwbaar kan verrichten. Daardoor worden ook tijdens de schemering actieve kleine dieren, zoals bijv. egels, beschermd.

Afstandssensoren: De maairobot is uitgerust met afstandssen- soren (16), waarmee hij hindernissen op zijn traject kan detecteren. Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verder te maaien.

Magneetbandsensor De maairobot is uitgerust met een magneet- bandsensor en herkent een op de grond lig- gende magneetband (27). Als de maairobot op een magneetband stuit, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verder te maaien. De magneetband dient als virtuele grens, waardoor zones van de tuin kunnen worden ingericht, waar de maairobot niet mag maaien.

Regensensor: De maairobot is uitgerust met een regensen- sor (5) om te verhinderen dat de robot in de regen werkt. De maairobot keert terug naar het laadstation (19) wanneer er regen wordt herkend, en wordt daar compleet opgeladen. Nadat de regensensor (5) weer is gedroogd hervat hij het werk weer, mits hij zich nog in een actief tijdvenster bevindt. Als de re- gensensor (5) heeft gereageerd, dan brandt de regensensor-LED (53). Sluit de beide metaalsensoren niet kort met metaal of een ander geleidend materiaal. Hierdoor wordt de correcte werking van de maairobot negatief beïnvloed.

GNSS-module De maairobot bepaalt zijn positie en de po- sitie van het laadstation (19) via een globale satellietnavigatie (GNSS). Dit helpt de maai- robot om de weg terug naar het laadstation (19) te vinden. Via de GNSS-module kan de maairobot de lokale tijden voor zonsopgang en ondergang vaststellen, waardoor hij niet ti- jdens de schemering of ’s nachts kan maaien. Daardoor kan de maairobot met zijn camera- eenheid (15) betrouwbaar werken. Met de GNSS-module bepaalt de maairobot op elk moment zijn afstand tot het laadstation (19). De maairobot mag zich maximaal 1000 m van het laadstation (19) verwijderen, anders brandt de GNSS-LED (54) geel kan hij niet worden ingezet in de hoofdvlak-modus. Voor het bedrijf in de nevenvlak-modus is de af- stand tot het laadstation (19) niet relevant.

Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebru- ik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer. Verwijder alle losse voorwerpen die door de maairobot kunnen worden beschadigd of die de robot kunnen beschadigen, van het gras. Controleer het maaiterrein en de grenzen van het gazon, en zones die niet gemaaid hoeven te worden. In de volgende hoofdstukken van deze gebruiksaanwijzing vindt u informatie hoe u een- duidig grenzen van het gazon kunt vastleggen en bepaalde bereiken kunt beschermen. Sommige hindernissen kunnen door de maairobot vroeg- tijdig worden herkend en hoeven niet met veel moeite te worden afgezet. Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).

5.3.1 Berekening van de helling van het ga-

zon De maairobot kan hellingen tot maximaal 25% aan. Vermijd daarom steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 3a). Voorbeeld: a/b = 25 cm/100 cm = 25 %

5.3.2 Montage van de accu

Voor de inzet van de maairobot is een accu (A) van de Power-X-Change serie nodig. Opgelet: de accu (A) kan al naargelang modelvariant niet zijn meegeleverd met uw maairobot. Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en schuif de accu (A) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accu- vak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeel- ding 3b). Om de accu (A) te verwijderen opent u Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 247Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 247 01.12.2022 15:36:5501.12.2022 15:36:55NL

het deksel van het accuvak (9). Druk op de gren- delknop van de accu (A) en trek deze eruit.

5.4.1 Locatie van het laadstation

Zoek eerst de beste plaats voor het laadstation (19). Er is een contactdoos voor buiten nodig die permanent stroom levert, opdat de maairobot al- tijd functioneert. Het laadstation (19) moet op een vlakke ondergrond op de hoogte van de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat de omgeving vlak en droog is. Positioneer het laadstation (19) liefst aan de rand van de maaizone. Let erop dat de netkabel van het laadstation (19) niet op het maaiterrein wordt gelegd, of graaf deze eventueel in, opdat een beschadiging door de maairobot wordt vermeden. Positioneer het laadstation (19) met de leika- bel (24) zo goed mogelijk vanuit alle richtingen toegankelijk en op een vrij vlak zonder hinder- nissen. Plaats het laadstation (19) niet in moeilijk toegankelijke hoeken of door nauwe plekken afgegrensde zones. De maximale afstand van het laadstation (19) tot een grens van het gazon mag niet meer dan 1000 m bedragen. Dit dient ter verhoogde beveiliging tegen diefstal. Bij een grotere afstand brandt de GNSS-LED (54) geel en de maairobot kan niet worden ingezet in de hoofdvlak-modus. Voor het bedrijf in de nevenvlak-modus is de afstand tot het laadstation (19) niet relevant. Er wordt een maximale afstand van de grens van het gazon tot het laadstation (19) van niet meer dan 50 m aanbevolen, opdat een effi ciënt en automatisch maaiproces gegarandeerd is. Bij toenemende verwijdering van het laadstation (19) kan het voorkomen dat de resterende acculading van de maairobot niet meer volstaat om hem te kunnen laten terugkeren naar het laadstation (19). Ge- bruik bij grotere maaivlakken een accu met een hogere capaciteit. Kies een plaats in de schaduw, aangezien de accu het best wordt geladen in een koele om- geving. Hoge gebouwen of bomen kunnen het GNSS-signaal verzwakken, zodat de maairobot niet meer automatisch de weg terugvindt naar het laadstation (19). Houd daarom voldoende afstand tot hoge gebouwen of bomen, en zorg ervoor dat het laadstation (19) zich onder open hemel bevindt. Let er bovendien op dat de leikabel (24) min. 1 m vóór het laadstation (19) en min. 0,5 m daarachter recht wordt gelegd (afbeelding 4a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.

5.4.2 Lokalisering van het laadstation

Wanneer de accu bijna leeg is, dan keert de maairobot terug naar het laadstation (19) door op zoek te gaan naar de leikabel (24). De maairobot vergelijkt aan de hand van GNSS in regelmatige intervallen zijn werkelijke positie met de gekalib- reerde positie van het laadstation. De maairobot rijdt in de richting van het laadstation (19) en zo- ekt in meerdere stappen de leikabel (24). Daarbij stopt de maairobot steeds weer, en rijdt eventueel in een andere richting verder om bij de leikabel (24) te komen. Als de maairobot in de buurt van de leikabel (24) komt, dan begint hij door draai- bewegingen en met behulp van de signaalsterkte van de leikabel (24) de positie daarvan te detec- teren. Als de maairobot tijdens het maaien op een hin- dernis of een grens van het gazon stuit, dan wordt deze positie opgeslagen. Daarbij wordt het terrein in kaart gebracht, hetgeen de maairobot helpt om het laadstation (19) sneller te vinden. Wanneer de maairobot de leikabel (24) heeft bereikt, dan volgt hij deze tegen de klok in tot aan het laadstation (19). Let er daarom op dat het laadstation (19) correct uitgericht wordt geplaatst (afbeelding 4a).

5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan de

1. Voordat u het laadstation (19) verbindt met de

stroomtoevoer moet u controleren of de net- spanning 100-240 V bij 50/60 Hz bedraagt.

2. Verbind de voedingseenheid (20) recht-

streeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.

3. Gebruik geen beschadigde voedingseenheid

(20). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (20) voor vervanging me- teen tot een erkende vakman.

4. Laad de maairobot niet op in een vochtige

omgeving. Laad de maairobot niet op bij tem- peraturen hoger dan 40 °C of lager dan 5 °C.

5. Houd de maairobot en de voedingseenheid

(20) uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliën. Houd de kabel van de voe- dingseenheid (20) om schade te vermijden weg van scherpe randen.

6. Verbind de voedingseenheid (20) met het

laadstation (19) (afbeelding 4b).

7. Zet de maairobot met ingeschakelde hoof-

dschakelaar (7) en accu in het laadstation (19) en laad hem vóór het eerste bedrijf volle- dig op. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 248Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 248 01.12.2022 15:36:5601.12.2022 15:36:56NL

5.4.4 Informatie over het laadproces

De maairobot keert in een van de volgende situa- ties terug naar het laadstation (19):

De laadtoestand van de accu daalt onder 30%.

De dagelijkse werktijd is verstreken.

De regensensor heeft gereageerd.

Het begint te schemeren, waardoor de came- ra-eenheid niet meer juist kan functioneren. Dan gaat de maairobot op zoek naar de leikabel (24) en rijdt dan automatisch tegen de klok in aan de leikabel (24) tot aan het laadstation (19). Tijdens het laadproces van de accu knippert de accu-LED (55) van de maairobot groen. Als de accu volledig is geladen, dan branden de accu-LED (55) en de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen. Nadat de accu volledig is opgeladen hervat de maairobot het werk weer, of hij blijft tot aan het volgende werktijdvenster in het laadstation (19). Als er zich bij het terugrijden naar het laadstation (19) een hindernis bevindt op de leikabel (24), dan blijft de maairobot na meerdere pogingen voor de hindernis staan en kan deze niet terug- keren naar het laadstation (19). Verwijder alle hindernissen op de leikabel (24). Indien de temperatuur van de accu 45 °C over- schrijdt, dan wordt het laadproces afgebroken om schade aan de accu te vermijden. Nadat de tem- peratuur weer is gedaald, wordt het laadproces automatisch voortgezet. Indien de temperatuur van de besturing van de maairobot 65 °C overschrijdt, dan keert de maai- robot terug naar het laadstation (19). Nadat de temperatuur weer is gedaald, wordt het werk weer hervat overeenkomstig de instellingen. Indien de accu leeg raakt voordat de maairobot terugkeert naar het laadstation (19), dan kan de maairobot niet meer worden gestart. Breng de maairobot terug naar het laadstation (19) en laat de hoof- dschakelaar (7) ingeschakeld. De maairobot wordt automatisch opgeladen.

OPGELET! Een doorgesneden leikabel en ge- volgschade vallen niet onder de garantie!

5.5.1 Leggen van de leikabel

De leikabel (24) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond kunnen de bevestigingshaken (23) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras vóór het aanbrengen van de leikabel (24) als de grond erg droog is.

Installatie op de grond Leg de leikabel (24) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde beves- tigingshaken (23). De positie van de leikabel (24) kunt u in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aanpassen. Na enige tijd zal het gras echter over de leikabel (24) zijn gegroeid en deze niet meer te zien zijn. Installeer de leikabel (24) met een maximale afstand van 1 m tussen de bevestigingshaken (23). Vermijd situaties waarbij de leikabel (24) niet op de grond rust. Zorg ervoor dat de lei- kabel (24) niet door de maairobot kan worden doorgesneden. De maairobot zal tijdens het maaien met ingeschakeld maaiwerk over de leikabel heen rijden.

Installatie in de grond Graaf de leikabel (24) tot 5 cm diep in. Daar- door wordt het beschadigen van de leikabel (24) bijvoorbeeld bij het verticuteren of ver- luchten verhinderd. Opgelet! Aangezien de leikabel (24) niet altijd aan de grens van het gazon wordt gelegd, is het belangrijk om de positie daarvan te noteren, om deze bij latere werkzaamheden in de tuin niet te beschadigen. Maak eventueel een schets of documenteer het traject met foto’s. Indien de leikabel (24) niet werd ingegraven in de grond, dan mag u om een be- schadiging te vermijden in de buurt van de leika- bel (24) niet verticuteren en verluchten.

5.5.2 Installatie van de zoeklus

De leikabel (24) vormt een zoeklus, waarmee de maairobot weer de weg terugvindt naar het laadstation (19).

Leg de leikabel (24) min. 1 m vóór het laad- station (19) en min. 0,5 m daarachter recht (afbeelding 4a). Bochten vlak voor het laad- station (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.

Het minimum vlak dat de leikabel (24) insluit moet minstens 5 m² bedragen (afbeelding 4a). Het wordt aanbevolen om de hele lengte van de leikabel (24) te benutten en deze in- dien mogelijk in een vierkant vlak te leggen. De zoeklus moet zo worden uitgericht, dat de maairobot vanuit elk deel van de tuin goed bij het laadstation (19) kan raken.

De afstand tussen twee leikabels (24) moet min. 0,8 m bedragen (afbeelding 4a).

Let erop dat er zich geen hindernissen bevin- den op de leikabel (24).

Let erop dat er zich links en rechts naast de leikabel (24) ca. 30 cm geen hindernissen bevinden (afbeelding 4c). Houd afstand tot de grens van de tuin en tot hoge straatstenen. Als de weg op hetzelfde niveau verloopt als het gazonvlak, dan kunt u de leikabel (24) zonder afstand daartoe leggen.

5.6 Verbinden van het laadstation

Sluit het leggen van de complete leikabel (24) af, voordat u deze verbindt met het laadstation (19). Isoleer de leikabel (24) aan de uiteinden voor de aansluiting aan het laadstation (19) met een isola- tietang op een lengte van 10 tot 15 mm. Trek de netstekker uit, voordat u de leikabel (24) aansluit aan het laadstation (19). Het aan de voor- kant van het laadstation (19) gelegde uiteinde van de leikabel (24) moet via de kabelhouders aan de onderkant van het laadstation (19) naar achter worden gelegd. Controleer of dit uiteinde vast aan het laadstation (19) bevestigd en met de linker, zwarte aansluiting verbonden is. Leid na het leggen van de leikabel (24) het vrije uiteinde door het gat en verbind dit met de rech- ter, rode aansluiting (afbeelding 4d). Opgelet! De leikabel (24) mag zich niet kruisen! Maak vervolgens de verbinding met de stroom- toevoer. De LED-indicatie (19a) aan het laad- station (19) moet na correcte installatie constant groen branden. Wanneer de LED niet brandt, controleer dan eerst de aansluitingen. Indien de LED weliswaar brandt, maar niet cons- tant groen, lees dan de tabel ‘Indicatie laadstation en verhelpen van fouten’ aan het einde van deze handleiding.

5.7.1 Grens van het gazon

Het maaigebied moet een eenduidige en volledig omlopende grens van het gazon bezitten. Maak u vertrouwd met de in dit hoofdstuk beschreven mogelijkheden om een grens van het gazon vast te leggen. Begin ten slotte op een willekeurig punt van de grens van het gazon met de controle daar- van en volg deze in een cirkel, totdat u weer bij het startpunt aankomt. Bereiken binnen het werkvlak die moeten worden uitgesloten, moeten eveneens met een eenduidi- ge grens zijn omsloten. Ga daarvoor te werk zoals bij de buitenste grenzen van het maaigebied.

Nauwe punten Indien het gazonvlak een nauwe doorgang bezit, dan kan uw maairobot daarin werken zolang de corridor een breedte van minstens 1,2 m en een lengte van maximaal 8 m heeft (afbeelding 5a). Bij lange en smalle nauwe punten kan het gebeuren dat de maairobot de weg naar het laadstation (19) niet meer terugvindt.

Afstand aan de grens van het gazon Wanneer de maairobot de grens van het ga- zon nadert, dan wordt dit herkend door de ca- mera-eenheid (15) vooraan in de maairobot. De afstand waarbinnen geen gras meer staat moet minstens 30 cm bedragen (afbeelding 5b). Zorg ervoor dat er geen hoogteverschil bestaat aan de grens van het gazon, opdat de maairobot eerst over de exacte grens heen kan rijden, voordat hij stopt en in een nieuwe richting verder gaat. Dieper gelegen bloem- bedden of verhoogde steenranden kunnen tot beschadigingen aan de maairobot leiden. Controleer regelmatig of de grenzen van het gazon niet zijn dichtgegroeid, aangezien de maairobot het maaigebied anders kan verla- ten. De grens van het gazon kan eveneens worden omrand met straatstenen, waardoor een duidelijke afgrenzing tot de maaizone ontstaat.

Afstand aan de grens van het gazon met water In principe herkent de maairobot de grens van het gazon zoals hierboven beschreven betrouwbaar. Het kan echter gebeuren dat de maairobot de grens van het gazon verder overschrijdt, en om die reden bevelen wij een afstand van de grens tot water (vijver, pool enz.) van zo’n 50 cm aan (afbeelding 5c). Om de maairobot betrouwbaar te beschermen valt het alternatief aan te bevelen om het gebied met water te voorzien van een verhoogde omranding.

Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 25 cm Via de afstandssensoren (16) herkent de maairobot hindernissen met een minimum hoogte van 25 cm (afbeelding 5d). Daardoor kunt u ook de grens van uw gazon vastleggen met behulp van verhoogde hindernissen. De maairobot stopt op een afstand van circa 20 cm vóór de hindernis en draait om het maai- proces in een andere richting voort te zetten. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 250Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 250 01.12.2022 15:36:5601.12.2022 15:36:56NL

Opgelet! - Daardoor maait de robot niet tot aan de grens van het gazon en blijft er een niet gemaaide strook van ca. 20 cm over.

Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 10 cm Via de collisiesensoren kan de maairobot ook botsen op hindernissen lager dan 25 cm. Daarmee kan eveneens een grens van het gazon worden vastgelegd. Houd er rekening mee dat het hierbij een stabiele omranding met een hoogte van minstens 10 cm betreft (afbeelding 5e).

Hindernissen zijn objecten binnen het bereik van de maaizone. Via de sensoren kan de maairobot tal van hindernissen herkennen. Zachte, instabiele en waardevolle voorwerpen moeten eventueel worden beschermd. Vergelijk daarvoor de hierbo- ven beschreven mogelijkheden om de grens van het gazon af te bakenen.

Hindernissen met een hoogte van meer dan 25 cm (afbeelding 5f) Vaste hindernissen hoger dan 25 cm en met een minimum breedte van 3 cm, bijv. bomen, muren, hekken, tuinmeubels enz., worden herkend door de afstandssensoren (16). Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij en zet hij zijn maaiproces voort in een an- dere richting. Daarbij wordt ca. 20 cm tot een hindernis niet gemaaid.

Hindernissen met een hoogte lager dan 25 cm (afbeelding 5g) Als een hindernis niet door de afstands- sensoren (16) wordt herkend, dan botst de maairobot op de hindernis en reageren de collisiesensoren. De maairobot stopt en zet hij zijn maaiproces voort in een andere richting. De hoogte van de hindernissen moet mins- tens 10 cm bedragen. Bescherm gevoelige en instabiele objecten met een omranding.

Stenen en hindernissen lager dan 10 cm Stenen, rotsen en hindernissen lager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden be- schermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maai- robot beschadigd raken en blokkeren (zie hoofdstuk ‘Grens van het gazon’). Bomen worden door de maairobot bes- chouwd als hindernissen. Als er echter boom- wortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan moet deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot.

5.7.3 Magneetband (afbeelding 5h-j)

Hindernissen die het door de maairobot uitgezon- den afstandssignaal slecht kunnen refl ecteren (bijv. afrastering, hekwerk), worden gedeeltelijk niet of pas erg laat herkend. Hindernissen met zwak optisch contrast tot maaivlakken kunnen eveneens moeilijk worden herkend. Voor een con- tactloze en veilige verandering van richting van de maairobot kan deze zone of het object met de magneetband (27) worden beschermd. De magneetband (27) dient als mobiele en tijde- lijke grens in uw maaigebied. De in de maairobot ingebouwde magneetsensoren herkennen de ma- gneetband (27) en draaien aan de grens daarvan weg. Daardoor kunnen delen van de tuin worden afgebakend waar niet naartoe moet worden gere- den, zoals bijv.:

Kortstondige afgrenzing van een deel in de tuin voor een tuinfeest, waar tijdelijk niet naar- toe moet worden gereden.

Opstellen van een trampoline of zwembad tijdens de zomermaanden in het maaigebied.

Een pas geplante boom is nog zeer gevoelig en moet de eerste tijd tegen botsingen met de maairobot worden beschermd.

Afhankelijk van het seizoen moet in de tuin een bloembed ontstaan dat insecten aantrekt. In dit deel moet de maairobot niet rijden, en dit moet reeds bij het eerste ontluiken worden beschermd.

In een deel werd nieuw gras gezaaid en dit moet aanvankelijk nog worden beschermd. De ondergrond is nog niet stevig genoeg en er moet zich eerst een sterke grasnerf vor- men. Leg de magneetband (27) op een afstand van een paar centimeter rond de betreff ende zone resp. het object. Kort de magneetband (27) indi- en nodig in (minimale lengte 50 cm). Opdat een samenhangende grens van meerdere magneet- bandelementen zeker wordt herkend, mag de maximale afstand tussen de betreff ende uiteinden van 8 cm niet worden overschreden (afbeelding 5k). Zorg ervoor dat de buitengrens van het maai- bereik door een optische resp. fysieke afscheiding is vastgelegd. Fixeer de magneetband (27) met bevestigingshaken (23) in de grond op een maxi- male afstand van 1 m. Houd een afstand van minstens 80 cm tot de lei- kabel (24) aan en ook tussen twee onafhankelijke begrenzingsgebieden, opdat de maairobot prob- leemloos daardoorheen kan rijden (afbeelding 5l). Vermijd het leggen van de magneetband (27) op hellingen, aangezien de maairobot hier over Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 251Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 251 01.12.2022 15:36:5701.12.2022 15:36:57NL

het begrenzingsbereik heen kan glijden en zo de grens niet wordt herkend. De magneetband (27) kan net zoals de leikabel (24) zowel op de grond als ca. 5 cm diep in de grond worden geïnstalleerd. Let erop dat de magneetband (27) niet te diep in de grond wordt gelegd, aangezien anders een betrouwbare her- kenning door de maairobot niet meer kan worden gegarandeerd.

5.7.4 Hoofd- en nevenvlak (afbeelding 5m)

Met nevenvlak (B) wordt een werkterrein aange- duid, dat niet rechtstreeks met het hoofdvlak (A), bijv. door een nauw punt, is verbonden. De maai- robot kan een nevenvlak niet direct en zelfstandig bereiken. Om het nevenvlak (B) te kunnen maaien moet u de maairobot met de hand daarnaartoe (B) dragen. De maairobot moet via de hoofdscha- kelaar (7) zijn ingeschakeld. Start daar de maai- robot door de toets ‘START A/B’ (64) 5 sec. in te drukken. Sluit vervolgens de afdekking van het bedieningsveld (13). De nevenvlak-modus is ge- activeerd en de status-LED (52) knippert groen. De maairobot zal in het nevenvlak (B) niet probe- ren om naar het laadstation (19) terug te rijden, wanneer de laadtoestand van de accu laag is. De maairobot maait, tot de accu is uitgeput. Daarna moet ofwel de accu geladen of de maairobot terug naar het laadstation (19) gedragen worden. Opgelet! De maairobot mag zich maximaal 1000 m van het laadstation (19) verwijderen, anders brandt de GNSS-LED (54) geel kan hij niet worden ingezet in de hoofdvlak-modus. Voor het bedrijf in de nevenvlak-modus is de afstand tot het laadstation (19) niet relevant.

5.7.5 Afstand tot externe maaivlakken

Houd een afstand tot vreemde maaivlakken (bijv. van buren), waar met een begrenzingsdraad wordt gewerkt. Het door de begrenzingsdraad ge- genereerde signaal kan een probleem vormen als de maairobot zijn weg naar het laadstation (19) terug probeert te vinden.

5.8.1 Positie van het laadstation kalibreren

Opdat de maairobot weer de weg terugvindt naar de zoeklus en het laadstation (19), moet hij de positie van het laadstation (19) kalibreren met be- hulp van een globale satellietnavigatie (GNSS). Daartoe zet u de operationele maairobot met ingeschakelde hoofdschakelaar (7) in het laadsta- tion (19). Tijdens het kalibratieproces knippert de GNSS-LED (54) groen en deze brandt ononder- broken groen als het proces succesvol is afgeslo- ten. Dit proces kan enkele minuten beslag nemen. Zorg ervoor dat geen afscherming of overdekking de bepaling van de positie verhindert. Plaats het laadstation (19) niet naast hoge gebouwen. Houd voldoende afstand tot hoge gebouwen en bomen. In sommige gevallen is hier een kalibratie omwille van een slechte dekking van het signaal niet mo- gelijk.

5.8.2 In kaart brengen

Als de maairobot moet terugkeren naar het laad- station (19), dan bepaalt hij met behulp van de GNSS-module zijn afstand tot het laadstation (19). Als de maairobot op weg naar het laad- station (19) stuit op een grens van de tuin of op hindernissen, dan slaat de maairobot zijn positie op en wordt het maaiterrein in kaart gebracht. Zo vindt de maairobot bij verder gebruik sneller de weg terug naar het laadstation (19).

5.8.3 In kaart brengen verwijderen

Om alle GNSS-informatie op uw maairobot te ver- wijderen schakelt u deze via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF). Houd de vergrendelingstoets (62) ingedrukt en schakel de maairobot gelijktijdig via de hoofdschakelaar (7) in (ON). De maairobot be- vestigt de verwijdering door een akoestisch sign- aal. Daarna moet de maairobot in het laadstation (19) opnieuw worden gestart, om de positie van het laadstation nieuw te kalibreren. Mocht u aan de tuin grotere aanpassingen van het maaiterrein uitvoeren, dan valt het aan te bevelen om datgene wat de maairobot in kaart heeft gebracht te verwi- jderen. Vooral in hete zomermaanden kunnen een groot aantal gele plekken op het gazon de werk- wijze van de maairobot beïnvloeden. Wij bevelen aan om dan het automatisch bedrijf uit te schake- len en het apparaat in de nevenvlak-modus op de gewenste plaatsen van de tuin in te zetten. Dit kan eveneens tot vervalsing van het in kaart gebrachte terrein leiden, waardoor de maairobot niet meer juist kan werken. Verwijder in dit geval het in kaart gebrachte terrein. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 252Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 252 01.12.2022 15:36:5701.12.2022 15:36:57NL

5.9 Grenzen van de tuin en de kwaliteit daar-

van Om het betrouwbare bedrijf van uw maairobot zonder een begrenzingsdraad te garanderen con- troleert deze de grenzen van het maaigebied met de camera-eenheid (15). De camera-eenheid (15) analyseert het ervoor gelegen maaiterrein (ca. 1m²). Als de maairobot stuit op een grens van het maaigebied, dan kan hij aan de hand van parame- ters een grenswaarde van de kwaliteit berekenen.

5.9.1 Initialiseringsrit - Inbedrijfstelling

Zorg ervoor dat de accu van de maairobot aan het begin van de initialiseringsrit volledig is geladen. Zo kan de maairobot de bepaling van een referen- tiewaarde in één rit afsluiten. Als één acculading niet volstaat voor de initialiseringsrit, dan rijdt de maairobot zelfstandig terug naar het laadstation (19) en zet hij zijn rit na een laadproces automa- tisch voort. Voor de bepaling van de betrouwbaarheid van de grenzen van het maaiterrein moet voor de inzet van de maairobot voor elke zone een individuele referentiewaarde worden vastgelegd. Om de referentiewaarde te bepalen beweegt de maairobot zich zoals gewoonlijk binnen het maaigebied in een willekeurige richting. Als de maairobot op een grens of een hindernis stuit, dan stopt hij en evalueert het voor hem liggende maaiterrein. Vervolgens beweegt de maairobot zich in een toevallige richting voort. Om veilig- heidsredenen gebeurt de initialiseringsrit met uitgeschakeld maaiwerk. Als de maairobot stuit op een grens van het maai- terrein, dan wordt dit geëvalueerd en de leikabel- LED (56) licht op. Daarbij signaleert groen een betrouwbare grens van het maaigebied en geel een onzekere grens. De maairobot geeft de kwa- liteit van een grens van het gazon zowel tijdens de initialiseringsrit als tijdens het automatisch bedrijf aan. Voor een betrouwbare bepaling van de referen- tiewaarde zijn minstens 200 contacten met een grens van de maaizone nodig. Na meer dan 200 contacten wordt de kwaliteitswaarde van de grens gecontroleerd op zijn betrouwbaarheid. Als de maairobot beslist dat de waarde nog niet betrouw- baar genoeg is, dan zet hij zijn initialiseringsrit nog eens 200 contacten voort. Als de initialiseringsrit succesvol was en een betrouwbare kwaliteitswaarde van de grens kon worden vastgesteld, dan begint de maairobot het maaigebied conform de instelling van zijn maaitij- den te maaien. Als er geen betrouwbare referentiewaarde kon worden vastgelegd, dan stopt de maairobot en knippert de leikabel-LED (56) rood. Controleer de grenzen van het maaibereik en corrigeer grenzen die niet eenduidig van de maaizone kun- nen worden onderscheiden. Zorg ervoor dat het maaigebied zich duidelijk onderscheidt van de omgeving daarvan. Verwijder eerst de opgeslagen referentiewaarde (zie 5.9.4), om vervolgens de initialisering te herhalen.

5.9.2 Controle van de kwaliteit van de grens

tijdens het bedrijf In het automatisch bedrijf van de maairobot controleert deze in regelmatige intervallen of de huidige kwaliteitswaarde van de grens van de maaizone in vergelijking met zijn referentiewaar- de is veranderd. Zodra de maairobot zich in het laadstation (19) bevindt wordt via de leikabel-LED (56) de betreff ende status, die van de als laatste vastgelegde referentie-kwaliteitswaarde van de grens, weergegeven. Daarbij wordt deze verg- eleken met de in de initialiseringsrit vastgelegde grenswaarde. Leikabel-LED (56) brandt groen: De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of in de buurt van een zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is gering. Leikabel-LED (56) knippert geel: De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de refe- rentie-kwaliteitswaarde is verslechterd. Leikabel-LED (56) knippert rood: De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de refe- rentie-kwaliteitswaarde is te groot. De maairobot blijft in het laadstation (19). Controleer de grenzen het maaiterrein. Verwijder daarna de referentie- waarde (zie 5.9.4) en voer en nieuwe initialisering van de kwaliteitswaarde van de grens uit. Leikabel-LED (56) is uit:

De leikabel (24) is niet juist aangesloten of werd beschadigd.

De stroomtoevoer van het laadstation (19) werd onderbroken.

5.9.3 Bedrijf van de maairobot in nevenvlak-

ken De maairobot kan een individuele waarde voor het hoofdvlak en het nevenvlak aanmaken. Daarom is het nodig om op elk nieuw nevenvlak een initia- liseringsrit uit te voeren. Het is alleen toegestaan om de maairobot in te zetten op één nevenvlak. Indien u met de maairobot wilt maaien op een an- der nevenvlak, dan is het dwingend noodzakelijk om de kwaliteitswaarde van de grens voor het nevenvlak te verwijderen en een initialiseringsrit uit te voeren.

5.9.4 Verwijderen van de waarden

Na een langere maaipauze kunnen de kwaliteits- waarden van de grens zijn veranderd, hetgeen kan leiden tot fouten in het aanstaande seizoen. Daarom wordt aanbevolen om de kwaliteitswaar- de van de grens aan het begin van elk seizoen te verwijderen en een nieuwe referentiewaarde vast te leggen. Daardoor kan een veilig en betrouw- baar bedrijf van de maairobot worden gegaran- deerd. De maairobot moet zich in de geblokkeerde toe- stand bevinden. Daarbij knippert de vergrende- lings-LED (51) permanent rood. Om de maairobot te blokkeren drukt u op de vergrendelingstoets (62). Om de opgeslagen waarden voor de betref- fende vlakken te verwijderen gaat u als volgt te werk:

1. Referentiewaarde van het hoofdvlak (A):

Druk 3 seconden gelijktijdig op de toets ‘OK’ (63) en de toets ‘10H’ (60). Er weerklinkt een akoestisch signaal. Plaats de maairobot in het laadstation (19) en start hem opnieuw om een nieuwe initialiseringsrit uit te voeren.

2. Referentiewaarde van het nevenvlak (B): Druk

3 seconden gelijktijdig op de toets ‘OK’ (63) en de toets ‘8H’ (60). Er weerklinkt een akoes- tisch signaal.

5.10.1 Controle van de installatie van leikabel

en laadstation (afbeelding 6a) Zodra de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied voorbereid voor de maairobot. Controleer eerst of de beves- tigingshaken (23) aan de leikabel (24) goed in de grond zijn geslagen. Zet de maairobot op een geringe afstand achter het laadstation (19) in de zoeklus om in de mate van het mogelijke de complete afstand van de leikabel (24) te controleren. De maairobot mag zich daarbij nog niet op de leikabel (24) bevinden en moet daarnaar toegekeerd staan. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afbeelding 8). Druk op de ‘STOP’-toets (3) en open de afdekking van het bedieningsveld (13). Druk op de vergren- delingstoets (62), deblokkeer de maairobot met behulp van de PIN en bevestig de invoer met de toets ‘OK’ (63) (zie hoofdstuk ‘Blokkeerinrichting / PIN’). Druk op de toets ‘HOME’ (61). Sluit vervolgens de afdekking van het bedieningsveld (13). Nu gaat de maairobot op zoek naar de leikabel (24) om de weg terug naar het laadstation (19) te vinden. Daarbij rijdt hij eerst naar voor, tot de maairobot bij de leikabel (24) is aangekomen. Eventueel kan de maairobot daarvoor kort stoppen om zich opni- euw te oriënteren. Daarna volgt de maairobot de leikabel (24) tegen de klok in. Let erop dat er geen voorwerpen op de leikabel (24) liggen. De accu van de maairobot wordt nu volledig gela- den. Indien er problemen optreden bij het aandok- ken, dan kan het zijn dat u de uitrichting van het laadstation (19) opnieuw moet positioneren, tot het aandokken zonder problemen functioneert. Met de rode ‘STOP’-toets (3) kunt u de maairobot op elk moment stoppen. Na het activeren van de ‘STOP’-toets (3) wordt de maairobot gestopt en wacht hij op verdere commando’s. Controleer bovendien plekken met grotere afstand tot de zoeklus of door nauwe plekken verbonden zones. Herhaal het proces zoals hierboven beschreven en stuur de maairobot met de toets ‘HOME’ (61) terug naar het laadstation (19).

5.10.2 Controle van het maaiterrein

(afbeelding 6b) Om de grenzen van de maaizone te controleren loopt u langs de grens van het gazon en controle- ert u of het maaigebied volledig is omgeven door afgrenzingen resp. hindernissen. Doe dit evene- ens voor alle bereiken die moeten worden uitges- loten, zoals bijv. bloembedden, pool, vijver, en controleer of deze op alle plaatsen eenduidig zijn afgegrensd. Op kritieke punten, waarbij u twijfelt of de maairobot deze kan herkennen, valt het aan te bevelen om deze plaatsen te controleren. Daar- voor zet u de maairobot op een afstand van 1 m tot de te controleren plek. Daarbij moet de maai- robot naar de te controleren plek zijn toegewend. Controleer eveneens bereiken die zijn beschermd door een magneetband (27). Start vervolgens de ontgrendelde maairobot met de toets ‘START A/B’ (64). De maairobot rijdt eerst naar voor en moet dan de grens van het gazon of de hindernis herkennen. U kunt het proces op elk moment onderbreken met de ‘STOP’-toets (3). Herhaal dit Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 254Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 254 01.12.2022 15:36:5801.12.2022 15:36:58NL

proces voor alle plaatsen waarbij u twijfels heeft.

5.10.3 Controle van de positie van het laad-

station (afbeelding 6c) Controleer de positie van het laadstation (19) door de maairobot na afgesloten kalibratie op verschil- lende plekken op het gazon te plaatsen en hem vervolgens het laadstation (19) te laten zoeken. Deblokkeer daartoe de maairobot, druk op de toets ‘HOME’ (61) en sluit de afdekking van het bedieningsveld (13). U kunt het proces op elk mo- ment onderbreken met de ‘STOP’-toets (3). Pas eventueel het bereik, de ligging van de leikabel (24) en de positie van het laadstation (19) aan.

5.11 Bevestiging van het laadstation

Nadat de werking zoals voorgeschreven van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) werd gevonden, moet het station (19) met de bevestigingsschroeven (21) worden gefi xeerd. Draai de bevestigings- schroeven (21) met de zeskantsleutel (22) hele- maal in de grond (afbeelding 7).

5.12 Accu-capaciteitsindicatie

Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsin- dicatie. De accu-capaciteitsindicatie signaleert u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeelding 12b). Alle 3 LEDs branden: De accu is volledig opgeladen. 2 of 1 LED(s) branden: De accu beschikt over voldoende restlading. 1 LED knippert: De accu is leeg, laad de accu op. Alle LEDs knipperen: De temperatuur van de accu is te laag. Verwijder de accu van het apparaat en laat de accu één dag liggen bij ruimtetemperatuur. Als de fout opnieuw optreedt, dan werd hij diep ontladen en is hij defect. Neem de accu van het apparaat. Een de- fecte accu mag niet meer gebruikt resp. geladen worden. Opgelet! Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan altijd in op de hogere capaciteit. Dankzij de spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het niet noodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te ver- lengen.

5.13 Laden van de accu met de lader

Tijdens het normale bedrijf wordt de accu (A) van de maairobot geladen via het laadstation (19). Voor de onafhankelijke inzet van de accu (A) van de Power-X-Change serie kan deze ook in de externe lader Power-X-Charger worden geladen. Opgelet! – De lader (B) kan al naargelang van de variant van het model eventueel niet zijn meege- leverd.

1. Vergelijk of de op het typeplaatje vermelde

netspanning overeenstemt met de beschikba- re netspanning. Steek de netstekker van de lader (B) in de contactdoos. De groene LED begint te knipperen.

2. Steek de accu (A) op de lader (B) (afbeelding

3. Onder het punt ‘Indicatie lader’ vindt u een ta-

bel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader. Tijdens het laden kan de accu iets warm worden. Dit is echter normaal. Mocht het laden van de accupack niet mogelijk zijn, controleer dan

of aan het stopcontact de netspanning aan- wezig is.

of een foutloos contact aan de laadcontacten voorhanden is. Indien het laden van de accupack nog altijd niet mogelijk is, dan verzoeken wij u

en de accupack op te sturen aan onze klantendienst. Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met onze klan- tendienst of het verkooppunt waar u het ap- paraat heeft aangekocht. Zorg er bij de verzending of verwerking van accu’s resp. het accu apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden! In het belang van een lange levensduur van de accupack moet u ervoor zorgen, dat deze op tijd opnieuw wordt opgeladen. Dit is in elk geval noodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermo- gen van het apparaat afneemt. Ontlaad de accup- ack nooit helemaal. Dit leidt tot een defect van de accupack! Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 255Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 255 01.12.2022 15:36:5901.12.2022 15:36:59NL

De maairobot is uitgerust met een hoofdscha- kelaar (7). Schakel de maairobot met de hoof- dschakelaar (7) in (ON) en uit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschakelen van de maairobot wordt deze met de PIN vergrendeld.

Via het bedieningsveld (2) kunt u instellingen aan uw maairobot uitvoeren. De geïntegreerde LED- indicatie geeft u informatie over de status van uw maairobot. Maak u vertrouwd met de besturing en de beschikbare opties. Verklaring van de LEDs van het bedienings- veld (afbeelding 9a)

50. Tijd-LEDs: indicatie van de dagelijkse maaitijd

51. Vergrendelings-LED: indicatie van de toetsb-

52. Status-LED: indicatie van de status van de

maairobot en van het maaivlak

53. Regensensor-LED: indicatie of de regensen-

sor heeft gereageerd

54. GNSS-LED: indicatie van de status van het

55. Accu-LED: indicatie van de toestand van de

56. Leitabel-LED: indicatie van de grenskwaliteit

en of er sprake is van een fout van de leikabel

57. Alarm-LED: indicatie van fouten

Een overzicht van belangrijke statusindicaties vindt u aan het einde van deze handleiding en in het hoofdstuk ‘Indicatie van de maairobot en ver- helpen van fouten’. Verklaring van de toetsopties van het bedie- ningsveld (afbeelding 9b)

60. Toetsen voor de instelling van de maaitijd en

Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maai- robot. Druk daarvoor op de ‘STOP’-toets (3). De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogte tus- sen 20 en 60 mm mogelijk, die op de schaal kan worden afgelezen. Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het tot minstens 60 mm worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer. Na afsluiting van de installatie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte.

6.4 Blokkeerinrichting / PIN

De blokkeerinrichting verhindert een niet toeges- tane inzet van de maairobot zonder een geldige code. Daarvoor moet u een persoonlijke veilig- heidscode invoeren die bestaat uit vier tekens. Ontgrendeling - Voordat u de maairobot in bedrijf neemt moet u de correcte PIN invoeren (standaard PIN: ‘1-2-3-4’). Open hiervoor de afdekking van het bedieningsveld (13) en druk op de vergrendelingstoets (62). Voer vervolgens de PIN langzaam in en bevestig de invoer met de toets ‘OK’ (63). De bedieningsfuncties worden ontgrendeld en de vergrendelings-LED (51) brandt groen. - Wanneer u een verkeerde PIN invoert, dan knippert de vergrendelings-LED (51) rood. Druk op de vergrendelingstoets (62) en voer de PIN opnieuw in. Vergrendeling Wanneer u het bedieningsveld (2) wilt vergrende- len, druk dan op de vergrendelingstoets (62). De vergrendelings-LED (51) knippert nu ononderbro- ken rood. Standaard PIN: Nieuwe PIN: 1 2 3 4 _ _ _ _ PIN wijzigen Om de PIN te wijzigen gaat u als volgt te werk:

1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).

2. Druk 3 seconden gelijktijdig op de toets ‘OK’

(63) en de toets ‘4H’ (60). Er weerklinkt een akoestisch signaal.

3. Voer een nieuwe PIN (vier tekens) in. Druk op

4. Herhaal stap 3 om de nieuwe PIN te bevesti-

5. Opgelet! Noteer de nieuwe PIN!

PIN aanvragen bij verlies Houd de kwitantie en het serienummer van de maairobot bij de hand. Deze heeft u nodig om uw PIN te ontvangen!

1. Sluit op de USB-aansluiting (14) zoals afge-

beeld een lege USB-stick aan (afbeelding 11).

2. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).

3. De maairobot slaat de PUK automatisch op

op uw USB-stick en beëindigt het proces met een pieptoon.

4. Trek de USB-stick eruit. Lees de gegevens

op de USB-stick uit op een computer. Door de maairobot werd een tekstbestand (*.txt) aangemaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Wend u tot de klanten- dienst om uw PIN te ontvangen.

6.5 Instellingen van de maairobot

Instelling van de maaitijd De maairobot is uitgerust met een camera-een- heid (15), die alleen kan werken bij daglicht. Zodra de schemering valt kan de camera-eenheid (15) van de maairobot gazon en grenzen daarvan niet meer betrouwbaar onderscheiden. Daarom keert de maairobot bij invallende schemering automa- tisch terug naar het laadstation (19). Eventueel wordt hierbij de ingestelde looptijd niet bereikt. Dit is eveneens het geval wanneer de ingestelde starttijd in de schemering of de duisternis ligt. De maairobot verlaat eerst het laadstation (19), keert vervolgens echter aan de leikabel (24) meteen terug naar het station (19). Dit heeft tot gevolg dat de maairobot op deze dag niet werkt.

1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).

2. Kies door de toets voor de instelling van de

maaitijd (60) in te drukken de gewenste maai- tijd:

2.1 Door de toets (60) kort in te drukken maait de

robot dagelijks. De bijhorende melding volgt door constant branden van de tijd-LED.

2.2 Door de toets (60) lang in te drukken (6 sec.)

maait de robot elke tweede dag. De bijhoren- de melding volgt door knipperen van de gese- lecteerde tijd-LED.

3. Deze wordt weergegeven door de tijd-LEDs

4. Bevestig de instelling door te drukken op de

toets ‘OK’ (63). De oorspronkelijke duur van het ingestelde maa- ivenster wordt dienovereenkomstig gewijzigd. De huidige starttijd blijft ongewijzigd, waarbij de duur wordt aangepast aan het weergegeven aantal uren. Voor de instelling van de maaitijd wordt als richt- waarde 8 uur per dag bij 400 m² aanbevolen. Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin moet de gekozen werktijd worden aangepast. Dagelijkse starttijd terugzetten Om de dagelijkse starttijd terug te zetten drukt u de toets ‘OK’ (63) en de toets ‘6H’ (60) gelijktijdig 3 seconden in. Succesvol resetten wordt beves- tigd door 5 pieptonen. Start vervolgens de maairo- bot met de toets ‘START A/B’ (64) opnieuw. De tijd waarvoor de wijziging werd uitgevoerd, is nu de dagelijkse starttijd. Het weergegeven aantal uren is de dagelijkse werktijd. Starten

1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).

2. Via de toets ‘START A/B’ (64) kunt u het vlak

selecteren waarbinnen de maaier moet wer- ken. Meer informatie over de beide vlakken vindt u in het hoofdstuk ‘Inbedrijfstelling’ on- der het punt ‘Maaigebied’.

2.1 Door kort te drukken op de toets ‘START A/B’

(64) werkt de maairobot in het hoofdvlak (A). Daarbij brandt de status-LED (52) constant groen.

2.2 Door lang te drukken op de toets ‘START A/B’

(64) werkt de maairobot in het nevenvlak (B). Daarbij knippert de status-LED (52) groen.

3. Sluit de afdekking van het bedieningsveld

(13). De maairobot werkt nu overeenkomstig de instel- ling van de maaitijd. Tijdens de werktijd wordt de laadtoestand van de accu bewaakt en weergege- ven via de accu-LED (55). Zodra de laadtoestand daalt tot 30%, keert de maairobot automatisch terug naar het laadstation (19). Aanwijzing: voor het bedrijf van de maairobot is een referentiewaarde van de kwaliteits- waarde nodig. Deze wordt bepaald zoals beschreven in het hoofdstuk ‘Grenzen van de tuin - Kwaliteitswaarde van de grens’, waarom de maairobot aanvankelijk begint met uitge- schakeld maaiwerk. Als de waarde eenmaal werd vastgelegd, dan begint de maairobot met het startproces volgens de ingestelde maaitijd. Afbreken van het maaien

2. Open de afdekking van het bedieningsveld

3. Ontgrendel het bedieningsveld (2).

4. Druk op de toets ‘HOME’ (61) om de maairo-

bot terug te sturen naar het laadstation (19).

5. Sluit de afdekking van het bedieningsveld

6. Nu gaat de maairobot op zoek naar de leika-

bel (24) om de weg terug naar het laadstation (19) te vinden. Daarbij rijdt eerst een paar me- ter naar voor en stopt weer om zich nieuw te oriënteren. Dit gebeurt zo lang, tot de maairo- bot is aangekomen bij de leikabel (24). Daar- na volgt de maairobot de leikabel (24) tegen de klok in. Let erop dat er geen voorwerpen op de leikabel (24) liggen. ‘STOP’-status: Door op de ‘STOP’-toets (3) te drukken schakelt de maairobot in een ‘STOP’-status, die wordt weergegeven door de in volgorde knipperende tijd-LEDs (50). De maairobot stopt met maaien, tot deze status weer wordt opgeheven. De ‘STOP’-status kan als volgt worden opgehe- ven:

Deblokkering van de maairobot en drukken op de toets ‘START A/B’ (64) om de maairobot weer te laten maaien. Sluit de afdekking van het display (25).

Deblokkering van de maairobot en drukken op de toets ‘HOME’ (61) om de maairobot terug te sturen naar het station. Sluit de afdekking van het display (25).

Deblokkering van de maairobot en sluiten van de afdekking van het display (25) binnen 5 seconden.

Deblokkering van de maairobot en drukken op de vergrendelingstoets (62).

7. Reiniging, onderhoud en

bestelling van onderdelen Gevaar! Vóór alle reinigings- en onderhoudswerkzaam- heden moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekker uit de contactdoos moet trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uitschakelt (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu (A) uit de maairobot (afbeelding 3b). Voorzichtig! Werkhandschoenen dragen!

Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventila- tiespleten en het motorhuis zo veel mogelijk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doek af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon.

De maairobot mag niet met stromend water, vooral niet onder hoge druk, worden gerei- nigd.

Reinig het apparaat regelmatig met een voch- tige doek en wat groene zeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zouden kun- nen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat terecht kan komen.

Maak de maairobot indien mogelijk schoon met een borstel of doek.

Controleer de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11).

Gebruik voor de reiniging van de laadcontac- ten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer fijn schuurpapier. Maak deze schoon om een ef- ficiënt laadproces te garanderen.

Controleer regelmatig de lens van de camera- eenheid (15) op vervuilingen en reinig deze. De lens kan met name door regenval worden vervuild. Gebruik daarvoor geen agressieve reinigings- of oplosmiddelen.

Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingsschroeven moeten altijd per set worden vervangen.

Vervang versleten of beschadigde delen.

Voor een lange levensduur moeten alle schroefdelen en de wielen en assen schoon- gemaakt en vervolgens met olie gesmeerd worden.

De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig wordt gemaaid.

De het sterkst aan slijtage onderhevige com- ponenten zijn de klingen (10). Controleer regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging daarvan. Als er overmatige tril- lingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd zijn resp. door stoten werden vervormd. Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan moeten deze meteen worden vervangen.

Controleer regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlak licht uitdrogen en verdort het. Vervang daarom de klingen re- Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 258Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 258 01.12.2022 15:37:0001.12.2022 15:37:00NL

gelmatig, opdat u een zuiver en recht maaire- sultaat verkrijgt.

Controleer de onderkant van de maairobot re- gelmatig op vervuilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigin- gen onmiddellijk.

In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als daarvoor met een conventionele gras- maaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controleer daarom de onderkant van uw maairobot gedurende deze periode vaker.

Verkort het gras om een sterke verontreiniging te vermijden slechts in kleine stappen.

Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhouden onderdelen.

7.2.1 Vervangen van de klingen

Gebruik alleen originele klingen, aangezien an- ders functie en veiligheid niet zijn gegarandeerd. De maairobot is uitgerust met drie aan een mes- senschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maxi- maal 3 maanden (wanneer er geen hindernissen worden getroff en). Vervang alle drie klingen (10) gelijktijdig om uit te sluiten dat de effi ciëntie en balans van uw apparaat negatief wordt beïnvloed. Om de klingen (10) te vervangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 10) - Opgelet! - Handschoe- nen dragen:

1. Blokkeer met een schroevendraaier de rotatie

van de messenschijf (11). Steek hiervoor de schroevendraaier door de voorziene gaten in de schijf (11) en de beschermkam.

2. Draai de bevestigingsschroeven los.

3. Neem de klingen (10) eraf en vervang deze

door nieuwe. Vervang alle drie klingen (10) altijd per set.

4. Daarna draait u de bevestigingsschroeven

weer vast. Let erop dat de nieuwe klingen (10) vrij kunnen worden gedraaid. Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verzamel alle opgezamelde res- ten. Vóór elk begin van een seizoen de toestand de klingen (10) absoluut controleren. Wend u bij reparaties tot onze klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.

7.2.2 Software update

Wanneer u de software wilt updaten, kopieer dan de nieuwe software op een lege USB-stick (even- tueel de USB-stick eerst formatteren). Zorg ervoor dat de accu volledig is geladen, voordat u de vol- gende stappen uitvoert.

1. Zet de ingeschakelde maairobot op het te

maaien terrein. De maairobot mag zich bij de software update niet in het laadstation (19) bevinden.

2. Sluit op de USB-aansluiting zoals afgebeeld

een USB-stick aan (afbeelding 11).

3.1 De maairobot installeert nu de beide bestan-

den na elkaar. Alternatief kunnen de bestan- den afzonderlijk worden geüpdated. Schakel hiervoor de maairobot eerst via de hoofdscha- kelaar uit (OFF).

3.2 Systeem update (voorbeeld bestandsnaam:

CMK_3100.1.2.3.4.bin): Druk op de toets ‘4H’ van de instelling van de maaitijd (60) en scha- kel de maairobot gelijktijdig via de hoofdscha- kelaar (7) in (ON).

3.3 Camera update (voorbeeld bestandsnaam:

Camera_1.2.3.4.bin): Druk op de toets ‘10H’ van de instelling van de maaitijd (60) en scha- kel de maairobot gelijktijdig via de hoofdscha- kelaar (7) in (ON).

4. Tijdens het update proces knipperen de tijd-

5. Na afsluiting van het proces geeft de maai-

robot ononderbroken een pieptoon weer. Als het proces succesvol was, dan branden alle 4 tijd-LEDs (50) continu. Als het proces niet kon worden afgesloten, dan doven alle 4 tijd-LEDs (50) en moet u de software update herhalen.

6. Trek de USB-stick eruit en start de maairobot

via de hoofdschakelaar (7) opnieuw.

7.2.3 Reparatie van de leikabel

Isoleer eerst het laadstation (19) van de stro- omtoevoer. Als de leikabel (24) op een bepaald punt wordt doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinders (25). Daarvoor steekt u beide uiteinden van de door- gesneden leikabel (24) in de kabelverbinder (25) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controleer vervolgens aan de hand van de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) de werking. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 259Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 259 01.12.2022 15:37:0001.12.2022 15:37:00NL

7.3 Bestelling van onderdelen:

Gelieve bij de bestelling van onderdelen de vol- gende gegevens te vermelden:

Type van het apparaat

Artikelnummer van het apparaat

Ident.-nummer van het apparaat

Onderdeelnummer van het benodigde onder- deel Actuele prijzen en info vindt u op www.Einhell- Service.com Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20

Laad de accu (A) vóór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF). Neem de accu (A) uit het apparaat. Isoleer de voedingseenheid (20) van de stroomtoevoer en het laadstation (19). De leikabel (24) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er echter wel voor dat de aansluitin- gen zijn beschermd tegen corrosie. Isoleer daar- toe de aansluitingen van de leikabel (24) van het laadstation (19). Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrije en voor kinderen ontoegankelijke plaats. De optimale opslagtem- peratuur ligt tussen 5 °C en 30 °C. Bewaar het apparaat in de originele verpakking.

Schakel het apparaat uit via de hoofdscha- kelaar (7) (OFF) (afbeelding 8).

Breng, indien voorhanden, transportbeveili- gingen aan.

Bescherm het apparaat tegen schade en ster- ke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen.

Beveilig het apparaat tegen wegglijden en kantelen.

Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.

10. Verwerking en recycling

Het apparaat zit in een verpakking om transport- schade te voorkomen. Deze verpakking is een grondstof en bijgevolg herbruikbaar of kan in de grondstofkringloop worden teruggebracht. Het apparaat en het toebehoren bestaan uit verschil- lende materialen, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen niet thuis bij het huisvuil. Voor de deskundige verwerking moet het ap- paraat worden ingeleverd bij een erkend inzamel- punt. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren. Enkel voor EU-landen Elektrisch gereedschap hoort niet bij het huisvuil thuis! Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EG op afgedankte elektrische en elektronische toestellen en omzetting in nationaal recht dienen afgedankte elektrische gereedschappen afzonderlijk te worden verzameld en milieuvriendelijk te worden gerecycleerd. Recyclagealternatief i.p.v. het toestel terug te sturen: De eigenaar van het elektrische toestel is alter- natief verplicht, i.p.v. het toestel terug te sturen, mede te werken bij de behoorlijke recyclage in geval hij zich van het eigendom ontdoet. Het afgedankte toestel kan hiervoor ook bij een verzamelplaats worden afgegeven die voor een verwijdering als bedoeld in de wetgeving in zake recyclage en afvalverwerking zorgt. Hieronder vallen niet bij de afgedankte toestellen gevoegde accessoires en hulpmiddelen zonder elektrische componenten. Zorg er bij de verwerking voor dat accu’s en li- chtmiddelen (bijv. gloeilampen) uit het apparaat worden genomen. Nadruk of andere reproductie van documentatie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltelijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van Einhell Germany AG. Technische wijzigingen voorbehouden Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 260Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 260 01.12.2022 15:37:0101.12.2022 15:37:01NL

11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten

LED-indicatie (19a) Beschrijving Oplossing Uit - Geen stroomtoevoer. - Controleer de stroomtoevoer. Brandt groen - Gereed om te maaien. - Accu volledig geladen. - Leikabel (24) aangesloten. Knippert groen - Leikabel (24) doorgesneden. - Onderzoek de leikabel (24) op een breuk. Brandt rood - Accu wordt geladen. - Wacht tot de accu volledig is geladen.

12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten

Regensensor-LED (53) Beschrijving / Mogelijke oorzaak Oplossing Knippert geel - De regensensor (5) heeft gereageerd. - Wacht tot de maairobot droog is. - Een gedetailleerde beschrijving van de sensor kan worden nagelezen in hoof- dstuk 5.2. GNSS-LED (54) Beschrijving / Mogelijke oorzaak Oplossing Knippert groen - De maairobot zoekt naar een GNSS-verbinding en kalibreert de positie van het laadstation (19). - GNSS-signaal zwak. - Wachten tot de kalibratie is afgesloten. - Als de GNSS-LED (54) ononderbroken knippert, dan is het ontvangen signaal zeer zwak (afscherming door gebouw/ boom) en moet de positie van het laadsta- tion (19) worden aangepast. Brandt groen - De maairobot heeft de posi- tie van het laadstation (19) met behulp van GNSS geka- libreerd. - GNSS-signaal sterk. - Maairobot gereed. Knippert geel - Geen GNSS-signaal be- schikbaar. - Zorg ervoor dat de maairobot zich in de openlucht bevindt en het GNSS-signaal niet wordt afgeschermd. Brandt geel - De maairobot is te ver verwij- derd van het laadstation (19). - Breng de maairobot naar het maaigebied in de buurt van het laadstation (19). Scha- kel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. Brandt rood - Hardware fout van de GNSS- module. - Wend u tot de klantendienst. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 261Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 261 01.12.2022 15:37:0101.12.2022 15:37:01NL

Accu-LED (55) Beschrijving / Mogelijke oorzaak Oplossing Brandt groen - Accu volledig geladen. - Maairobot gereed. Brandt rood - Laadtoestand van de accu laag. - De maairobot rijdt naar het laadstation (19) om de accu op te laden. Knippert groen - Accu wordt geladen. - De maairobot bevindt zich in het laadstati- on (19) en wordt geladen. Knippert rood Accufout: - Er is een accufout opgetre- den bij de maairobot. - De accu kan niet worden ge- laden. - De accu heeft het einde van zijn levensduur bereikt. - Controleer of de accu juist werd gemon- teerd. - Controleer of de hoofdschakelaar (7) is ingeschakeld (ON), terwijl de maairobot zich in het laadstation (19) bevindt. - Controleer de positie van het laadstation (19). Vervang indien nodig de accu. Brandt geel Overtemperatuurfout: - Te hoge/lage accutempera- tuur resp. overtemperatuur van de besturing. - Bij een accutemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug naar het laadstation (19). - Bij een accutemperatuur ho- ger dan 45 °C of lager dan 0 °C wordt het laadproces ge- stopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19). - Kies de werktijd in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag. - Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten tem- peratuurbereik keert de maairobot auto- matisch terug naar het geprogrammeerde bedrijf. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 262Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 262 01.12.2022 15:37:0101.12.2022 15:37:01NL

Leikabel-LED (56) Beschrijving / Mogelijke oorzaak Oplossing Brandt groen De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of in de buurt van een zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwa- liteitswaarde is gering. - Maairobot gereed. Knippert geel De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is verslechterd. Maairobot gereed. Controleer eventueel de grenzen van het maaiterrein, aangezien deze nog verder kunnen verslechteren. Daardoor kan de maairobot dan niet meer werken. Knippert rood De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is te groot. De maairobot blijft in het laadstation (19). Controleer de grenzen het maaiterrein. Ver- wijder daarna de referentiewaarde en voer en nieuwe initialisering van de kwaliteits- waarde van de grens uit. Brandt rood Camerafout: De maairobot ontvangt geen si- gnaal van de camera-eenheid. Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. Uit - De leikabel (24) werd be- schadigd. - De stroomtoevoer van het laadstation (19) werd onder- broken. - De maairobot bevindt zich buiten de zoeklus. Controleer of de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen brandt. - Zorg ervoor dat de leikabel (24) correct en in het midden onder het laadstation (19) is gelegd. - Controleer de positie van het laadstation (19). Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 263Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 263 01.12.2022 15:37:0201.12.2022 15:37:02NL

Alarm-LED (57) Beschrijving / Mogelijke oorzaak Oplossing Brandt geel Maaier opgetild: - Hefsensor heeft continu 10 seconden lang gereageerd. Maaier geblokkeerd: - Hindernissensor binnen één minuut meermaals geacti- veerd. - Hindernissensor 10 secon- den ononderbroken geacti- veerd. - Hindernissensor tijdens de rit terug naar het laadstation (19) driemaal geactiveerd. Te dicht bij station: - Maairobot werd te dicht bij het laadstation (19) terug- gestuurd. Omgevallen: - Maairobot werd 10 seconden continu gekanteld. - Maairobot is gedurende langere tijd in één richting geheld. Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek- king van het bedieningsveld (13) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Indien deze fout vaker optreedt, controleer dan het maaiterrein op hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm en ver- wijder deze, of scherm de hindernissen af van het maaigebied. Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek- king van het bedieningsveld (13) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Controleer of de maairobot door een hindernis geblokkeerd of tussen bomen, struiken enz. ingeklemd is. Elimineer de hindernis of vermijd deze zone. - Indien deze fout vaker optreedt, controleer dan het maaiterrein. Let met name op nauwe hoeken, doorgangen, hekken, rot- sen enz. - Controleer of het gras te hoog is en de maairobot wordt geblokkeerd. Maai het gras in dit geval tot onder 60 mm. Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek- king van het bedieningsveld (13) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - De maairobot moet met een minimum afstand van 2 m terug naar het laadstation (19) worden gestuurd. Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek- king van het bedieningsveld (13) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Zet de maairobot op een vlakke onder- grond en start hem opnieuw. - Indien de maairobot vanwege een steile helling in het maaigebied is gekanteld, baken deze zone dan af, zodat sterke hel- lingen worden vermeden. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 264Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 264 01.12.2022 15:37:0201.12.2022 15:37:02NL

Alarm-LED (57) Beschrijving / Mogelijke oorzaak Oplossing Brandt geel Wielfout: - Achterwielen (8) werden op- getild door een hindernis. - Achterwielen (8) kunnen zich door oneff en gazon vrij draai- en. ‘STOP’-knop fout: De afdekking van het bedie- ningsveld (13) is geopend en een toets van het veld (2) werd ingedrukt, maar de ‘STOP’- toets (3) werd niet geactiveerd Buiten gebied: De maairobot herkent geen ga- zonvlak of grens van het gazon en bevindt zich daarbij buiten het maaigebied. Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek- king van het bedieningsveld (13) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Zet de maairobot op een vlakke onder- grond en start hem opnieuw. Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek- king van het bedieningsveld (13) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Controleer of de afdekking van het bedie- ningsveld (13) met de ‘STOP’-toets (3) vrij kan worden geopend en gesloten. - Controleer de functionaliteit van de ‘STOP’-toets (3). Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek- king van het bedieningsveld (13) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Zorg ervoor dat de maairobot zich in het maaigebied bevindt. Brandt rood Sensorfout: - De maairobot werd gestopt op grond van een sensorfout. Motorfout / Motoroverstro- om: - De maairobot is op grond van een overstroom in de motor of een motorfout ge- stopt. Bedrijfsfout - De maairobot werd gestopt op grond van een bedrijfs- fout. Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. - Controleer de hoogte van het gras in het maaigebied en maai indien nodig met een conventionele grasmaaier het gras tot kor- ter dan 60 mm. - Verhoog de snijhoogte. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte. - Onderzoek de messenschijven (11) en wielen op vervuiling en reinig deze gron- dig. - Controleer de achterwielen en de mes- senschijf op blokkades. Indien u deze blokkades niet kunt elimineren, wend u dan tot de bevoegde klantendienst. Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 265Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 265 01.12.2022 15:37:0301.12.2022 15:37:03NL

Alarm-LED (57) Beschrijving / Mogelijke oorzaak Oplossing Knippert rood Magneetbandsensor-fout: De maairobot ontvangt geen signaal van de magneetband- sensor. Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. Foutopsporing Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen De maairobot staat in het maaigebied. De maairobot kan niet worden inge- schakeld. - Accuspanning te laag. - Fout aan de stroomkring of de elektronica. - Breng de maairobot terug naar het laad- station (19) om op te laden. - Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON). - Wend u tot de klantendienst. - Controleer de positie van het laadstation (19) en de maximale afstand tot het laad- station (19). - Gebruik een accu met hogere capaciteit. - Opgelet: bij inzet van een multi-Ah-accu (bijv. 4-6 Ah) de hogere capaciteit instel- len. Dankzij de spaarzame lading en ont- lading bij de maairobot is het niet noodza- kelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlengen. De maairobot kan niet in het laadstati- on rijden. - Laadstation (19) niet correct geïnstalleerd. - Controleer of de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen brandt. - Controleer of de leikabels (24) aan het laadstation (19) zijn aangesloten en of de voorste leikabel (24) in het midden onder het station (19) is gelegd. - Controleer of het laadstation (19) correct gepositioneerd. De maairobot maakt veel lawaai. - Klingen (10) beschadigd. - Aan de klingen (10) hechten veel vreemde materialen. - Maairobot te dicht bij hinder- nissen gestart. - Mesaandrijving of aandrijf- motor beschadigd. - Andere delen van de maairo- bot beschadigd. - Vervang de klingen (10). De 3 klingen (10) moeten gelijktijdig worden vervangen. - De effi ciëntie van de maairobot hangt af van de scherpte van de klingen (10). Houd de klingen (10) daarom in goede toestand. - Schakel de maairobot veilig uit en draag werkhandschoenen als u de klingen (10) reinigt, om snijwonden te vermijden. - Laat de motor door de klantendienst repa- reren of vervangen. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 266Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 266 01.12.2022 15:37:0301.12.2022 15:37:03NL

Foutopsporing Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen De maairobot blijft in het laadstation. De maairobot keert steeds weer terug naar het laadstation. - Verkeerde instellingen van de werktijd. - De laadtoestand van de accu is laag of daalt onder 30%. - De regensensor heeft gerea- geerd. - De maairobot is oververhit. - Het begint te schemeren, waardoor de camera- eenheid niet meer juist kan functioneren. - Controleer de instellingen van de werktijd. - De maairobot begint en beëindigt zijn werk al naargelang het ingestelde tijd- venster. Buiten dit tijdvenster blijft de maairobot in het laadstation (19). De maairobot kan het laadstation (19) niet vinden. - Het laadstation (19) bevindt zich op een plaats waar maar een zwak GNSS-signaal wordt ontvangen. - Hindernissen in de onmid- dellijke nabijheid van de lus van de leikabel verhinderen het rijden daarnaartoe. - Pas de positie van het laadstation (19) aan en verwijder zoals beschreven in de bedieningshandleiding het in kaart ge- brachte terrein. - Pas de vorm van de lus van de leikabel aan / Vergroot de lus. OPGELET! Een doorgesneden leikabel en gevolgschade vallen niet onder de garantie! Foutopsporing magneetband (27) Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen Maairobot herkent de magneetband (27) niet en rijdt ero- verheen. - De magneetband (27) is te diep in de grond gelegd. - De magneetband (27) func- tioneert niet goed, omdat de buitentemperatuur te hoog is. - Leg de magneetband (27) op de grond of ca. 5 cm in de grond. - Wacht tot de temperatuur is gedaald. Ver- mijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag. De maairobot stopt resp. rijdt ongecon- troleerd in de buurt van begrenzings- bereik. - De magneetband (27) is te dicht bij de leikabel (24) ge- legd. De afstand tussen twee onafhankelijke begrenzings- bereiken met magneetband (27) is te gering. - In de maaizone ontstaan er op grond van elektrische ka- bels storingen. - Houd een afstand van minstens 80 cm tussen de leikabel (24) en de magneet- band (27) of tussen twee begrenzingsbe- reiken aan. - Vermijd elektrische kabels die in het maai- gebied lopen. Positioneer het laadstation (19) aan de rand van de maaizone. Houd een afstand tot vreemde maaivlakken (bijv. van buren), waar met een begren- zingsdraad wordt gewerkt. De maairobot dringt binnen in het be- grenzingsbereik. - De maairobot glijdt over de magneetband (27). - Leg de magneetband (27) niet op hellin- gen. - Neem de vermelde installatievoorwaarden in acht. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 267Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 267 01.12.2022 15:37:0301.12.2022 15:37:03NL

Einhell Germany AG verheugt zich over uw inzet van de FREELEXO CAM maairobot. De bescherming van uw persoonlijke gegevens gaat ons nauw aan het hart. In wat volgt beschrijven wij welke gegevens in het algemeen worden verwerkt bij de inzet van het apparaat.

Locatie van het laadstation De maairobot slaat lokaal aan het apparaat de via GNSS-positiebepaling vastgestelde standplaats van het laadstation op. Deze is nodig om het apparaat na afsluiting van de maaiwerkzaamheden terug te navigeren naar het laadstation resp. de leikabel. In het geval van service kan deze informa- tie via het logfi le fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

Tijdstip zonsopgang/zonsondergang De maairobot slaat lokaal aan het apparaat het via GNSS-positiebepaling vastgestelde tijdstip van de zonsopgang resp. zonsondergang op. Dit is nodig, opdat het apparaat alleen kan worden gestart binnen een tijdsinterval, waarin de camera-eenheid beelden kan genereren met voldoende helder- heid. In het geval van service kan deze informatie via het logfi le fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

Beelden van de camera-eenheid De maairobot slaat lokaal aan het apparaat beelden op die via de camera-eenheid werden gege- nereerd. Dit is systeemafhankelijk noodzakelijk om het algoritme van de maairobot voortdurend te verbeteren. Op de maaier bevinden zich beelden, die tijdens de laatste 15 minuten maaiwerk werden gegenereerd. Deze datarecord wordt voortdurend overgeschreven. Als de maaier zich in het laadstation bevindt resp. daarnaar op zoek is, dan worden er geen beelden gegenereerd. In het geval van service kunnen deze beelden lokaal worden uitgelezen om na te gaan waarom bepaalde fouten zijn opgetreden. Deze beelden worden daarna verwijderd. U kunt ook zelf zowel de voor de locatie specifi eke informatie als de gegenereerde beelden van het ap- paraat verwijderen. Schakel de maairobot eerst via de hoofdschakelaar uit. Door gelijktijdig te drukken op de vergrendelingstoets (verwijderen van de GNSS-informatie) respectievelijk op de toets ‘OK’ (ver- wijderen van de camerabeelden) en het inschakelen van de maairobot via de hoofdschakelaar wordt de betreff ende opgeslagen informatie verwijderd. Aan het apparaat weerklinkt een akoestisch signaal, dat de verwijdering bevestigt. Een uitvoerige documentatie over onze richtlijnen inzake gegevensbescherming vindt u op onze home- page onder Gegevensbescherming. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 268Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 268 01.12.2022 15:37:0401.12.2022 15:37:04NL

Indicatiestatus Betekenis en maatregel Rode LED Groene LED Uit Knippert Operationaliteit De lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit niet in de lader. Aan Uit Laden De lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader. Aanwijzing! Al naargelang de acculading kan de laadduur iets afwijken van de vermelde tijden. Uit Aan De accu is opgeladen en operationeel. (READY TO GO) Daarna wordt tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla- ding. Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten. Maatregel: Neem de accu uit de lader. Isoleer de lader van het net. Knippert Uit Aanpassingslading De lader bevindt zich in de modus behoedzame lading. Hierbij wordt de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeen meer tijd vergt. Dit kan de volgende oorzaken hebben: - De accu werd zeer lange tijd niet meer geladen. - De accutemperatuur ligt niet in het ideale bereik. Maatregel: Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verder worden geladen. Knippert Knippert Fout Laadproces is niet meer mogelijk. De accu is defect. Maatregel: Een defecte accu mag niet meer worden opgeladen. Neem de accu uit de lader. Aan Aan Temperatuurstoring De accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C). Maatregel: Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemperatuur (ca. 20 °C). Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 269Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 269 01.12.2022 15:37:0401.12.2022 15:37:04NL

Service-informatie Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zijn genoemd, samen met competente servicepart- ners, wier contactgegevens u kunt afl eiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaff en van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking. U moet er rekening mee houden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtage door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig zijn als verbruiksmaterialen. Categorie Voorbeeld Slijtstukken* Accu Verbruiksmateriaal/verbruiksstukken* Klingen Ontbrekende onderdelen

  • niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen! Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en daarbij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:

Heeft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect?

Is u iets opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptoom vóór het defect)?

Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)? Beschrijf deze foutieve werkwijze. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 270Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 270 01.12.2022 15:37:0501.12.2022 15:37:05NL

Garantiebewijs Geachte klant, Onze producten worden onderworpen aan een strenge kwaliteitscontrole. Mocht dit apparaat echter ooit niet naar behoren functioneren, spijt dit ons ten zeerste en vragen u zich te wenden tot onze ser- vicedienst onder het adres vermeld op dit garantiebewijs. Wij staan ook graag telefonisch tot uw dienst via het vermelde servicetelefoonnummer. Voor eisen in verband met het recht op garantie geldt het volgende:

1. Deze garantievoorwaarden zijn uitsluitend gericht aan de gebruikers, d.w.z. natuurlijke personen die

dit product niet in het kader van hun ambachtelijke noch van een andere zelfstandige activiteit willen gebruiken. Deze garantievoorwaarden regelen aanvullende garantieprestaties, die de hieronder ge- noemde fabrikant kopers van zijn nieuwe apparaten toezegt in aanvulling tot de wettelijke garantie. Uw wettelijke garantieclaims blijven onaangetast door deze garantie. Onze garantieprestatie is voor u gratis.

2. De garantieprestatie geldt uitsluitend voor gebreken aan een door u aangekocht nieuw apparaat

van de hieronder genoemde fabrikant die aantoonbaar berusten op een materiaal- of productiefout, en is naar onze keuze beperkt tot het verhelpen van zulke gebreken aan het apparaat of de vervan- ging ervan. Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun bestemming niet ontworpen zijn voor com- mercieel, ambachtelijk of industrieel gebruik. Van een garantiecontract is derhalve geen sprake, als het apparaat binnen de garantieperiode in commerciële, ambachtelijke of industriële bedrijven werd ingezet of aan een daarmee gelijk te stellen belasting werd blootgesteld.

3. Van onze garantie zijn uitgesloten:

- Schade aan het apparaat als gevolg van niet-inachtneming van de montagehandleiding of op grond van ondeskundige installatie, als gevolg van niet-inachtneming van de gebruiksaanwijzing (zoals bijv. door aansluiting aan een verkeerde netspanning of stroomsoort) of niet-inachtneming van de onderhouds- en veiligheidsvoorschriften, door blootstelling van het apparaat aan abnormale omgevingsvoorwaarden of door nalatig onderhoud en verzorging. - Schade aan het apparaat als gevolg van misbruik of ondeskundige toepassingen (zoals bijv. over- belasting van het apparaat of de inzet van niet toegelaten gereedschappen of toebehoren), binnen- dringen van vreemde voorwerpen in het apparaat (zoals bijv. zand, stenen of stof, transportschade), gebruik van geweld of als gevolg van externe invloeden (zoals bijv. schade door vallen). - Schade aan het apparaat of aan delen van het apparaat die valt te herleiden tot slijtage als gevolg van gebruik, en als gevolg van normale of andere natuurlijke slijtage.

4. De garantieperiode bedraagt 24 maanden en gaat in op de datum van aankoop van het apparaat.

Garantieclaims dienen voor het verloop van de garantieperiode binnen de twee weken na het vast- stellen van het defect geldend te worden gemaakt. Het indienen van garantieclaims na verloop van de garantieperiode is uitgesloten. De herstelling of vervanging van het apparaat leidt niet tot een verlenging van de garantieperiode noch wordt door deze prestatie een nieuwe garantieperiode voor het apparaat of voor eventueel ingebouwde wisselstukken op gang gebracht. Dit geldt ook bij het ter plaatse uitvoeren van een serviceactiviteit.

5. Gelieve om een garantieclaim in te dienen het defecte apparaat aan te melden op mail adres:

service@einhell.nl. Houd het aankoopbewijs of een ander bewijs van uw aankoop van het nieuwe apparaat bij de hand. Apparaten die zonder bijhorende bewijzen of zonder typeplaatje worden teruggestuurd, worden op grond van de ontbrekende mogelijkheid om het apparaat toe te kennen uitgesloten van de garantieprestatie. Valt het defect van het apparaat binnen onze garantieprestatie, dan bezorgen wij u per omgaande een gerepareerd of nieuw apparaat terug. Uiteraard staan wij ook tot u dienst om, mits betaling van de kosten, defecten van het apparaat te ver- helpen die buiten de garantieomvang vallen. Indien u hiervan gebruik wenst te maken, neem dan con- tact met ons op. Voor slijtstukken, verbruiksmateriaal en ontbrekende onderdelen wordt verwezen naar de beperkingen van deze garantie conform de service-informatie van deze handleiding. Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 271Anl_FREELEXO_CAM_SPK13.indb 271 01.12.2022 15:37:0501.12.2022 15:37:05E