STIGA Park 640 PWX - Tractor

Park 640 PWX - Tractor STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Park 640 PWX STIGA in PDF-formaat.

📄 255 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice STIGA Park 640 PWX - page 162
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : STIGA

Model : Park 640 PWX

Categorie : Tractor

Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Park 640 PWX - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Park 640 PWX van het merk STIGA.

GEBRUIKSAANWIJZING Park 640 PWX STIGA

Motor - GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.

NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing .........................................

Synthetisch [4] Inhoud van de carter [5] Bougie [6] Afstand tussen de elektro- den [7a] CO₂ [7b] Deze meetresultaten voor CO₂ betreen metingen vol- gens een vaste testcyclus onder laboratoriumomstan- digheden, gedaan op een (basis)motor die represen- tatief is voor het betrokken motortype (de betrokken motorfamilie); zij impliceren of vormen geen enkele ga- rantie voor de prestaties van een bepaalde motor.

In de tekst van de handleiding worden enkele paragrafen, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de motor beschadigd of dat er schade veroorzaakt wordt. Het symbool wijst op een gevaar. Veronachtzaming van de waarschuwing leidt tot mogelijke persoonlijke letsels of letsels aan anderen en/of schade.

De afbeeldingen in deze gebruiksinstructies zijn genummerd: 1, 2, 3, enzovoort. De componenten aangegeven in de afbeeldingen zijn gemarkeerd met de letters A, B, C, enzovoort. Een referentie naar het component C in afbeelding 2 wordt aangegeven met het opschrift: “Zie afb. 2.C” of gewoon “(Afb. 2.C)”. De afbeeldingen zijn indicatief. De eectieve onderdelen kunnen afwijken ten opzichte van de afgebeelde onderdelen.

De handleiding is onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. De titel van de paragraaf “2.1 Voorbereiding” is een subtitel van “2. Veiligheidsvoorschriften". De referenties naar titels of paragrafen zijn aangegeven met de afkorting hfdst. of par. en het betreende nummer. Voorbeeld: "hst. 2" of "par. 2.1". LET OP!: VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN, DIENT MEN DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG TE LEZEN. Bewaren voor toekomstige behoeften.

3.1 Beschrijving machine en

5.4 Gebruik van de motor tijdens het werk .... 6

5.5 De motor stoppen tijdens het werk ........ 6

5.6 De motor op het einde van de

werkzaamheden stoppen ...................... 6

6.2 Tabel met onderhoudswerkzaamheden ....7

6.3 De olie verversen .................................. 7

6.4 reiniging van het aanzuigrooster

van de motor ......................................... 8

6.5 Onderhoud van de luchtlter ................. 8

6.6 Controle en onderhoud van de bougies ....8

Lees deze instructies aandachtig vooraleer de machine te gebruiken. Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/of ernstige letsels veroorzaken. Bewaar alle waarschuwingen en instructies voor toekomstig gebruik.

  • Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt door kinderen of door personen die niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen. De minimale leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn.
  • Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of andere stoen ingenomen heeft die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn reactievermogen en aandacht.
  • Denk eraan dat de persoon die de machine bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen.

2.2 HANDELINGEN VOORAF

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)

  • De machine niet gebruiken als u geen geschikte kledij draagt.
  • Draag geen wijde of gescheurde kledij, sieraden of andere voorwerpen die kunnen blijven haperen; lang haar moet opgebonden worden. Blijf op een veilige afstand tijdens het opstarten.
  • Draag gehoorbescherming tegen het lawaai. Werkzone / Machine
  • Vooraleer de motor te starten, moet u controleren of alle commando's zijn uitgeschakeld die bewegende onderdelen van de machine aansturen. Explosiemotoren: brandstof
  • Waarschuwing: de brandstof is licht ontvlambaar. Voorzichtig hanteren! – Bewaar de brandstof altijd in geschikte recipiënten. – Voer het tanken of bijvullen uit met behulp van een trechter; doe dit altijd in openlucht en rook niet tijdens het bijtanken. – Voer het bijvullen uit vooraleer de motor aan te zetten. De dop van de tank niet openen en niet bijvullen wanneer de motor aan staat of als die nog warm is. – Indien er brandstof overloopt, mag u de motor niet starten. Verwijder de machine uit de zone waar er brandstof is gemorst en neem alle sporen van gemorste brandstof op de machine of op de grond onmiddellijk weg – Schroef de dop van de tank van de recipiënten met brandstof goed aan. – Vermijd dat brandstof met kledij in contact komt. Als dit toch gebeurt, moet u eerst andere kledij aantrekken vooraleer de motor te starten.
  • Gebruik de machine niet in omgevingen met gevaar op ontplong, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistoen, gas of stof. Elektrische contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken doen ontstaan, die stof of dampen kunnen doen ontbranden.
  • Start de motor niet in gesloten ruimten waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan concentreren. Het opstarten moet in openlucht of op een goed verluchte plaats plaatsvinden. Denk er altijd aan dat uitlaatgassen giftig zijn.
  • Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. De kinderen moeten onder toezicht van een andere volwassene staan. Gedrag
  • Vooraleer reparaties, reinigingen, inspecties en afstellingen uit te voeren, moet u de motor uitzetten en de kabel ban de bougie losmaken (tenzij in de instructies expliciet andere aanwijzingen worden gegeven).
  • De delen van de motor niet aanraken, omdat die tijdens het gebruik erg heet worden. Gevaar voor brandwonden. Beperkingen voor het gebruik
  • De machine niet gebruiken als de beschermingen onvoldoende zijn of als de veiligheidsvoorzieningen niet correct geplaatst zijn.
  • De aanwezige veiligheidssystemen niet uitschakelen of ermee knoeien.
  • De afstellingen van de motor niet wijzigen, en de motor niet op een te hoog toerental brengen. Indien de motor op3 een te hoog toerental draait, neemt het risico voor lichamelijke letsels toe.
  • Geen startvloeistoen of andere, analoge producten gebruiken.
  • Laat de machine niet zijwaarts overhellen zodat er brandstof uit de dop van de tank van de motor loopt.
  • Laat de motor niet zonder bougie draaien.

2.4 ONDERHOUD, OPSLAG

EN TRANSPORT Een goed onderhoud uitvoeren en de machine correct opslaan komt de veiligheid van de machine ten goede. Defecte of versleten onderdelen moeten worden vervangen en mogen nooit gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet-originele en/of niet correct gemonteerde reserveonderdelen brengt de veiligheid van de machine in gevaar. Dit kan ongevallen en lichamelijke letsels veroorzaken en ontheft de constructeur van elke verplichting of verantwoordelijkheid. Onderhoud

  • Indien de tank moet worden leeggemaakt, moet u dit in openlucht doen wanneer de motor is afgekoeld.
  • Om brandgevaar te beperken, moet u regelmatig controleren of er geen olie en/of brandstof lekt. Stalling
  • Laat geen brandstof in de tank als de machine in een gebouw wordt opgeslagen waar de dampen van de brandstof met vrije vlammen, vonken of warmtebronnen in contact kunnen komen.
  • Laat de machine eerst afkoelen vooraleer u die in een gesloten ruimte opbergt. Transport
  • Vervoer de machine met lege tank.

2.5 MILIEUBESCHERMING

De milieubescherming moet een belangrijk en prioritair aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gunste van de civiele samenleving en de omgeving waarin we leven.

  • Wees geen storend element voor uw buren.
  • Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, olie, brandstof, lters, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op de omgeving; dit afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
  • Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een container park gebracht worden, volgens de geldende plaatselijke normen.

Het verbrandingsproces genereert giftige stoen zoals koolmonoxide, stikstofoxiden en koolwaterstoen. De controle over deze stoen is belangrijk omdat ze kunnen reageren op fotochemische smog en dus op de directe blootstelling aan het zonlicht. Koolmonoxide reageert niet op dezelfde wijze op blootstelling aan het zonlicht, maar moet desondanks als giftig worden beschouwd. Onze machines zijn uitgerust met emissiebeperkingssystemen voor bovengenoemde stoen.

Deze machine is een explosiemotor. De motor is een toestel waarvan de prestaties, normale werking en levensduur door vele factoren worden bepaald; sommige factoren zijn externe factoren, andere zijn strikt verbonden met de kwaliteit van de gebruikte producten en met de regelmaat van het onderhoud. Hierna wordt bijkomende informatie verstrekt, aan de hand waarvan een bewuster gebruik van uw machine kan worden gemaakt. Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en schade berokkenen aan personen en/of zaken. BELANGRIJK Het onjuist gebruik brengt verval van zowel de garantie als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen.

3.1.1 Type gebruiker

Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, d.w.z. door niet professionele bedieners. Ze is bestemd voor "hobby-gebruik".4

3.2 VEILIGHEIDSSIGNALEN

Op de machine staan verschillende symbolen. Hun taak is de bediener te herinneren aan het gedrag dat hij moet aanhouden om de machine met de nodige aandacht en voorzichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen: LET OP! De uitlaat kan erg heet zijn. Niet aanraken. LET OP! Vul olie bij tot aan het «MAX»-niveau. Niet bijvullen voorbij het «MAX»-niveau.

3.3 IDENTIFICATIE-ETIKET

Schrijf het serienummer (S/n) van uw machine op in de voorziene ruimte van het etiket dat u op de achterkant van de omslag vindt.

3.4 ONDERDELEN VAN DE MOTOR

De machine bestaat uit de volgende belangrijkste onderdelen (afb. 1 ). A. Olievuldop met peilstok B. Olieaftap-verlengstuk C. Carburator D. Afdekking van de luchtlter E. Bougiekapje F. Serienummer van de motor

3.5 OMGEVINGSCONDITIES

De werking van een viertakt verbrandingsmotor wordt beïnvloed door: a) Temperatuur: – Als bij lage temperatuur gewerkt wordt, kunnen er zich moeilijkheden bij een koude start voordoen. – Als bij erg hoge temperatuur gewerkt, wordt kunnen er zich moeilijkheden bij een warme start voordoen veroorzaakt door de verdamping van de brandstof in het bakje van de carburator of in de pomp. – In ieder geval moet het soort olie aangepast worden aan de gebruikstemperatuur. b) Hoogte: – Het maximale vermogen van een verbrandingsmotor neemt progressief af naarmate de hoogte boven de zeespiegel groter wordt. – Wanneer de hoogte aanzienlijk toeneemt, moet u daarom de belasting op de machine verminderen en bijzonder zware werkzaamheden vermijden.

De goede kwaliteit van de brandstof is onontbeerlijk voor de correcte werking van de motor. De brandstof moet aan de volgende vereisten voldoen: a) Gebruik reine, verse brandstof zonder lood, met minimum 90 octaan; b) Gebruik geen brandstof met een ethanolgehalte van meer dan 10%; c) Voeg geen olie bij; d) Gebruik een stabilisator om het carburatiesysteem te beschermen tegen de vorming van harsafzettingen. Het gebruik van niet toegestane brandstof leidt tot beschadiging van de onderdelen van de motor en tot verval van de garantie. OPMERKING Gebruik uitsluitend de brandstof die in de tabel met technische gegevens is aangegeven. Gebruik geen andere soorten brandstof. U mag wel ecologische brandstoen gebruiken, zoals alkylaatbenzine. De samenstelling van deze benzine heeft minder invloed op mensen en het milieu. Er zijn geen negatieve eecten gesignaleerd die met het gebruik hiervan in verband kan worden gebracht. In de handel bestaan er echter soorten alkylaatbenzine, waardoor wij geen nauwkeurige aanwijzingen kunnen verstrekken wat betreft het gebruik ervan.

Gebruik altijd olie van goede kwaliteit, en kies de gradatie in functies van de gebruikstemperatuur.

  • Gebruik alleen detergentolie met een kwaliteit van minstens SF-SG.
  • Kies de SAE-viscositeitsgraad op basis van de tabel met technische gegevens.
  • Het gebruik van multigraad olie kan een groter verbruik in de warme periodes met zich meebrengen, het oliepeil moet dan vaker gecontroleerd worden.
  • Meng geen oliesoorten van verschillende merken of met verschillende kenmerken.
  • Het gebruik van SAE 30 olie bij temperaturen onder +5°C kan schade aan de motor aanrichten doordat de smering niet voldoende is.5

De eciëntie van de luchtlter is cruciaal om te voorkomen dat de motor restjes en stofdeeltjes aanzuigt die er de prestaties en levensduur van zullen verminderen.

  • Zorg er voor dat het lterelement vrij van restjes blijft en altijd perfect eciënt is (par. 6.5).
  • Indien nodig moet u het lterelement vervangen door een origineel reserveonderdeel Niet-compatibele lterelementen kunnen de eciëntie en de levensduur van de motor aantasten.
  • Start de motor nooit wanneer het lterelement niet correct gemonteerd is.

De bougies voor verbrandingsmotoren zijn niet allemaal gelijk.

  • Gebruik alleen bougies van het aangegeven type, voorzien van de juiste thermische gradatie.
  • Let op de lengte van het draadje; een te lang draadje kan de motor onherstelbaar beschadigen.
  • Controleer of de elektroden schoon zijn en de juiste tussenafstand hebben (par. 6.6).

Stelt het aantal toeren van de motor af. Het op de machine gemonteerde versnellingscommando (gewoonlijk een gashendel) is met een kabel verbonden met de motor. Raadpleeg de gebruikershandleiding van de machine voor het herkennen van de gashendel en de standen ervan, die gewoonlijk met symbolen worden aangegeven, als volgt:

  • FAST= overeenkomstig de maximale snelheid; voor gebruik tijdens het werk.
  • SLOW= overeenkomstig de minimale snelheid.

Raadpleeg de Gebruikershandleiding van de machine om het commando Choke te identiceren. Dit commando veroorzaakt een verrijking van het mengsel, en mag alleen worden gebruikt voor de tijdsduur die strikt noodzakelijk is bij een koude start.

Het beste is om telkens een aantal controles te verrichten voordat de motor wordt gebruikt, om een goede werking te garanderen.

5.1.1 Controle van het oliepeil

3. Schroef de dop (afb. 2.A) los, reinig het

uiteinde van de peilstok (afb. 2.B) en steek die in de olie met de dop rustend op de opening, zoals afgebeeld, zonder hem aan te schroeven:

4. Neem de dop met de peilstok opnieuw

weg en controleer of het oliepeil tussen de twee streepjes «MIN» en «MAX» staat.

5. Indien nodig bijvullen met olie van dezelfde

soort tot aan het «MAX»-niveau, let erop dat u geen olie naast de vuldop morst

6. Schroef de dop (afb. 2.A) weer

volledig vast en verwijder elk spoor van eventueel gemorste olie. OPMERKING Vul geleidelijk bij door kleine hoeveelheden olie toe te voegen en controleer telkens het bereikte niveau. Niet bijvullen tot over het «MAX»-niveau Een te hoog peil kan volgende problemen veroorzaken:

  • rook bij de uitlaat;
  • verzuipen van de bougie of van de luchtlter, waardoor de motor moeilijk start. OPMERKING Houdt u aan de aanwijzingen in de tabel met technische gegevens voor de te gebruiken soort olie.

5.1.2 Controle van de luchtlter

De eciëntie van de luchtlter is een noodzakelijke conditie voor de correcte werking van de motor; start de motor niet wanneer het lterelement ontbreekt of stuk is.

1. Reinig de zone rondom het deksel

(afb. 3.A) van de lter.

2. Open het deksel (afb. 3.A) door het

verdraaien van de openingsknop (afb. 3.B).6

3. Controleer de staat van het lterelement

(afb. 3.C), dat intact, schoon en in perfect werkende staat moet zijn; zo niet, dan moet u het onderhouden of vervangen (par. 6.5).

4. Sluit het deksel door het verdraaien

van de openingsknop (afb. 3.A).

5.1.3 Brandstof bijvullen

De handelingen om brandstof bij te vullen staan beschreven in de handleiding van de machine en worden hier alleen vermeld. Om brandstof bij te vullen:

1. Draait u de brandstofdop los die u verwijdert.

2. Plaats de trechter in de opening.

3. Vul de brandstof bij en verwijder de trechter.

4. Schroef de dop van het brandstofreservoir

na het bijvullen goed dicht en reinig eventuele lekken. BELANGRIJK Vermijd om brandstof te gieten op de plastic onderdelen van de motor of van de machine om schade aan deze delen te vermijden; reinig onmiddellijk alle sporen van eventueel gemorste brandstof. De garantie dekt geen schade aan plastic onderdelen veroorzaakt door brandstof.

Breng de kapjes (afb. 4.A) van de kabels stevig aan op de bougies (afb. 4.B), en zorg er voor dat er in de kapjes en op de bevestigingspunten van de bougies geen sporen van vuil zijn.

5.2 DE MOTOR STARTEN (KOUDE START)

Het opstarten van de motor moet plaatsvinden volgens de werkwijzen aangegeven in de handleiding van de machine; zorg er altijd voor om alle inrichtingen (indien voorzien) los te koppelen die de machine kunnen doen vooruitgaan of de motor kunnen doen stoppen.

1. Open het brandstofkraantje op de machine;

2. Schakel het choke-commando in;

3. Zet de gashendel in de «FAST» stand;

4. Activeer de contactsleutel zoals aangegeven

in de gebruikershandleiding van de machine. Na een paar seconden schakelt u het choke-commando uit.

2. Activeer de contactsleutel zoals aangegeven

in de gebruikershandleiding van de machine.

Voor een optimale eciëntie en maximale prestaties van de motor moet u hem op het maximale toerental gebruiken. Hiervoor zet u de gashendel in de «FAST» stand. BELANGRIJK Werk niet op hellingen van meer dan 20°, om de correcte werking van de motor niet aan te tasten.

3. Zet de motor af volgens de aanwijzingen

in de handleiding van de machine.

3. Zet de motor af volgens de aanwijzingen

in de handleiding van de machine.

4. Wanneer de motor is afgekoeld,

verwijdert u de kapjes (afb. 4.A) van de bougies en verwijdert u de contactsleutel (indien voorzien).

5. Verwijder resten van de motor en in het

bijzonder van de zone van de uitlaatdemper, om brandgevaar te vermijden.

5.7 REINIGING EN OPSLAG

  • Gebruik geen waterstralen of hogedrukreinigers om de buitenkant van de motor schoon te maken.
  • Gebruik bij voorkeur een persluchtpistool (max. 6 bar) maar vermijd dat er resten en stof binnendringen.
  • Stal de machine (met de motor) op een droge, voldoende geventileerde plaats beschermd tegen weersomstandigheden.

5.8 LANGDURIGE INACTIVITEIT

Indien u voorziet dat de motor langer dan 30 dagen niet gebruikt zal worden (bijvoorbeeld op het einde van het seizoen), moet u enkele voorzorgen nemen zodat de motor daarna zonder problemen opnieuw in dienst kan worden gesteld.

  • Maak de brandstoftank leeg om te vermijden dat er zich bezinksel vormt. Hiertoe schroeft u de dop (afb. 5.A) van de beker van de7 carburator los en vangt alle brandstof in een geschikt recipiënt op. Daarna moet u er aan denken om de dop (afb. 5.A) opnieuw aan te schroeven en stevig vast te zetten.
  • Verwijder de bougies en giet circa 3 cl zuivere motorolie in de gaten van de bougies; vervolgens houdt u de gaten dicht met een oude lap en laat u de startmotor kort draaien om de motor een paar omwentelingen te laten maken en de olie te verspreiden over het binnenoppervlak van de cilinder. Monteer dan de bougies terug, zonder echter de bougiekapjes aan te brengen.

Elke poging om aan het emissiebeperkingssysteem te knoeien kan het emissieniveau tot boven de wettelijke limiet verhogen. Hieronder wordt verstaan het verwijderen of wijzigen van onderdelen zoals het inlaatsysteem, het brandstofsysteem en het uitlaatsysteem.

De veiligheidsnormen die u tijdens de onderhoudswerkzaamheden moet volgen, staan beschreven in par. 2.4. Alle controles en onderhoudsinterventies moeten uitgevoerd worden terwijl de machine stilligt en de motor uit staat. Koppel de bougies los en lees de betreende instructies voordat u met enig reinigings- of onderhoudswerk begint. Trek geschikte kledij, handschoenen en een veiligheidsbril aan vooraleer onderhoudsinterventies uit te voeren.

  • De frequenties en de aard van de interventies zijn samengevat in de “Tabel met onderhoudswerkzaamheden”.
  • Het gebruik van niet originele wisselstukken en toebehoren kan negatieve gevolgen hebben op de werking en de veiligheid van de machine. De fabrikant wijst alle aansprakelijkheid af in geval van schade of letsels veroorzaakt door die producten.
  • De originele wisselstukken worden geleverd door de geautoriseerde dienstcentra en wederverkopers. BELANGRIJK Alle handelingen voor onderhoud en afstelling die niet in deze handleiding staan beschreven, moeten door uw verkoper of door een gespecialiseerd centrum worden uitgevoerd.

ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN BELANGRIJK Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de machine om de onderhoudswerkzaamheden uit te voeren die in de onderstaande tabel staan beschreven. BELANGRIJK Maak hem vaker schoon bij gebruik onder zware omstandigheden of wanneer de lucht sterk verontreinigd is. OPMERKING Bij gebruik van de machine op zeer stoge ondergronden moeten de lters vaker worden schoongemaakt / vervangen. Handeling Na de eerste 5 werkuren Om de 5 werkuren of na ieder gebruik Iedere 50 werkuren of op het einde van het seizoen Iedere 100 werkuren Controle van het oliepeil (par. 5.1.1)

Verversing van de olie

Reiniging van het aanzuigrooster van de motor (par. 6.4)

Controle en reiniging van de luchtlter

Vervanging van de luchtlter - - √ - Controle van de bougie (par. 6.6)

Vervang de olie iedere 25 uur als de motor volledig belast of bij hoge temperaturen werkt.

Maak de luchtlter vaker schoon als de machine in stoge zones werkt.

Moet in een gespecialiseerd centrum worden gedaan.

6.3 DE OLIE VERVERSEN

Houdt u aan de aanwijzingen in de tabel met technische gegevens voor de te gebruiken soort olie.8 Laat de olie af terwijl de motor nog warm is, maar let erop de hete onderdelen van de motor of de afgelaten olie niet aan te raken. Tenzij anders aangegeven in de gebruikershandleiding van de machine moet u voor het vervangen van de olie:

1. Plaats de machine op een

2. Een opvangbak onder de

verlengpijp zetten (afb. 6.A).

3. Op de splitpen drukken (afb. 6.B);

4. De verlengpijp loshaken van de

steun en omlaag brengen;

5. De verlengpijp verbuigen en de olie

in een geschikte bak laten lopen;

6. De verlengpijp (afb. 6.A) weer

vasthaken aan de steun (afb. 6.C) voordat u de olie weer bijvult.

Het aanzuigrooster moet worden schoongemaakt als de motor koud is.

  • Verwijder met behulp van een straal perslucht (afb. 7.A) vuil of verontreinigingen die brand zouden kunnen veroorzaken uit het inlaatrooster van de motor.
  • Zorg ervoor dat de luchtinlaten niet verstopt zijn (afb. 7.A).
  • Maak de plastic delen schoon met een spons (afb. 7.B) gedrenkt in water en schoonmaakmiddel.

6.5 ONDERHOUD VAN DE LUCHTFILTER

1. Reinig de zone rondom het deksel

(afb. 8.A) van de lter.

2. Open het deksel (afb. 8.A) door het

losdraaien van de openingsknop (afb. 8.B).

3. Verwijder het lterelement (afb. 8.C + 8.D).

4. Verwijder het sponzen voorlter

(afb. 8.D) uit de patroon (afb. 8.C).

5. Klop de patroon (afb. 8.C) op een stevige

ondergrond en blaas hem met perslucht van binnenuit door om stof en vuil te verwijderen.

6. Was het sponzen voorlter (afb. 8.D)

met water en reinigingsmiddel en laat het drogen in de lucht. BELANGRIJK Gebruik geen water, benzine, schoonmaakmiddelen of andere hulpmiddelen om de patroon mee te reinigen. BELANGRIJK Het sponzen voorlter (afb. 8.D) mag NIET geolied worden.

1. Verwijder stof en vuil uit de binnenkant

van het lterhuis (afb. 8.E) waarbij u het aanzuigkanaal moet afsluiten met een lap (afb. 8.F) om te voorkomen dat het de motor binnendringt.

2. Verwijder de lap (afb. 8.F), zet het

lterelement (afb. 8.D + 8.C) in zijn behuizing en plaats het deksel terug (afb. 8.A).

1. Verwijder de bougies (afb. 9.A)

met een pijpsleutel (afb. 9.B).

2. Reinig de elektroden (afb. 9.C) met

een metalen borstel om eventuele koolstofaanslag weg te nemen.

3. Controleer de correcte afstand

tussen de elektroden (0,6 - 0,8 mm) met een diktemeter (afb. 9.D).

4. Plaats de bougies (afb. 9.A) terug en draai

ze met een pijpsleutel goed vast (afb. 9.B). Vervang de bougies als de elektroden verbrand zijn of als het porselein kapot of gebarsten is. Brandgevaar! De startinstallatie niet controleren als de bougie niet in zijn zitting aangeschroefd is. BELANGRIJK Gebruik uitsluitend bougies van het aangegeven type (zie Tabel met technische gegevens).9

1. Startmoeilijkheden

Geen brandstof Controleren en bijvullen (hst. 5.1.3) Oude brandstof en bezinksel in de tank Maak de tank leeg en giet verse brandstof erin Onjuiste startprocedure Voer het opstarten correct uit (par. 5.2 en par. 5.3) Losgekoppelde bougies Controleer of de bougiekapjes goed zijn aangebracht (par. 5.1.4) Natte bougies of elektroden van de bougies vuil of met verkeerde afstanden Controleren (par. 6.6) Verstopte luchtlter Controleren en reinigen (par. 6.5) Olie niet geschikt voor het seizoen Vervang door geschikte olie (par. 6.3) Verdamping van de brandstof in de carburator (vapor lock) wegens te hoge temperaturen Wacht enkele minuten en probeer daarna om opnieuw te starten (par. 5.3) Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum Startproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum

2. Onregelmatige werking.

Elektroden van de bougies vuil of met verkeerde afstanden Controleren (par. 6.6) Bougiekapjes niet goed aangebracht Controleer of de bougiekapjes goed stevig zijn aangebracht (par. 5.1.4) Verstopte luchtlter Controleren en reinigen (par. 6.5) Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum Startproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum

tijdens het werken Verstopte luchtlter Controleren en reinigen (par. 6.5) Verbrandingsproblemen Neem contact op met een erkend servicecentrum Mochten de problemen aanhouden na de toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.1