DLE 70 - Afstandsmeter BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis DLE 70 BOSCH in PDF-formaat.
| Producttype | Laserafstandsmeter |
| Merk | Bosch |
| Model | DLE 70 |
| Afmetingen (L x B x H) | 105 x 47 x 25 mm |
| Gewicht | 110 g (met batterijen) |
| Voeding | 2 AAA-batterijen 1,5V |
| Meetbereik | 0,05 m tot 70 m |
| Meetnauwkeurigheid | ± 1,5 mm |
| Belangrijkste functies | Afstandsmeting, oppervlaktemeting, volumemeting, continue meting, opslag van 10 waarden |
| Meeteenheden | m, cm, ft, in |
| Display | Verlicht LCD-scherm |
| Laserklasse | 2, < 1 mW, 635 nm |
| Automatische uitschakeling | Ja, na 30 s (laser) / 5 min (apparaat) |
| Beschermingsgraad | IP 54 (beschermd tegen spatwater en stof) |
| Bedrijfstemperatuur | -10 °C tot +50 °C |
| Opslagtemperatuur | -20 °C tot +70 °C |
| Inhoud van de verpakking | Laserafstandsmeter DLE 70, beschermhoes, 2 AAA-batterijen, gebruiksaanwijzing |
| Garantie | 2 jaar (verlenging mogelijk onder voorwaarden) |
| Onderhoud en reiniging | Afnemen met een zachte, droge doek. Gebruik geen oplosmiddelen. |
| Veiligheid | Niet direct in de laserstraal kijken. Buiten bereik van kinderen houden. |
| Reserveonderdelen en repareerbaarheid | Standaard AAA-batterijen beschikbaar. Reparatie door erkend Bosch-servicecentrum. |
Veelgestelde vragen - DLE 70 BOSCH
Gebruikersvragen over DLE 70 BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Afstandsmeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding DLE 70 - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. DLE 70 van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING DLE 70 BOSCH
Veiligheidsvoorschriften

Alle aanwijzingen moeten worden gelezen om zonder gevaren en veilig met het meetgereedschap te werken. Maak waarschuwingsplaatjes op het meetgereedschap nooit onleesbaar. BEWAAR DEZE VOORSCHRIFTEN GOED.
- Voorzichtig – wanneer andere dan de hier vermelde bedienings- en instelvoorzieningen worden gebruikt of andere procedures worden uitgevoerd, kan dit tot gevaarlijke stralingsblootstelling leiden.
Het meetgereedschap wordt geleverd met een waarschuwingsplaatje in het Duits (in de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen aangeduid met nummer 9).

Plak over de Duitse tekst van het waarschuwingsplaatje de meegeleverde sticker in uw eigen taal voordat u het gereedschap voor het eerst gebruikt.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk niet zelf in de laserstraal. Dit meetgereedschap brengt laserstraling van laserklasse 2 volgens IEC 60825-1 voort. Daardoor kunt u personen verblinden.
- Gebruik de laserbril niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal, maar biedt geen bescherming tegen de laserstralen.
- Gebruik de laserbril niet als zonnebril en niet in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige bescherming tegen ultravioletstraalen en vermindert de waarneming van kleuren.
Laat het meetgereedschap repareren door gekwalificeerd, vakkundig personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de veiligheid van het meetgereedschap in stand blijft.
▶ Laat kinderen het lasermeetgereedschap niet zonder toezicht gebruiken. Anders kunnen personen worden verblind.
Houd de aanslagstift 15 uit de buurt van spanningvoerende leidingen en delen. Er bestaat het risico van een elektrische schok.
Functiebeschrijving
Vouw de uitvouwbare pagina met de afbeelding van het meetgereedschap open en laat deze pagina opengevouwen terwijl u de gebruiksaanwijzing leest.
Gebruik volgens bestemming
Het meetgereedschap is bestemd voor het meten van afstanden, lengten, hoogten en tussenruim- ten en voor het berekenen van oppervlakten en inhouden. Het meetgereedschap is geschikt voor maatvoering bij bouwwerkzaamheden, zowel binnen als buiten.
76 | Nederlands
Technische gegevens
| Digitale laser-afstandsmeter DLE 70 | |
| Professional | |
| Zaaknummer | 3 601 K16 60. |
| Meetbereik | 0,05-70 m^A) |
| Meetnauwkeurigheid (kenmerkend) | ± 1,5 mm^B) |
| Kleinste indicatie-eenheid 1 m m | |
| Bedrijfstemperatuur | -10 °C... +50 °C C) |
| Bewaartemperatuur -20 °C... +70 °C | |
| Relatieve luchtvochtigheid max. | 90 % |
| Laserklasse | 2 |
| Lasertype | 635 nm, <1 mW |
| Diameter laserstraal (bij 25 °C) ca.- op 10 m afstand- op 70 m afstand | 6 mm42 mm |
| BatterijenAccu’s | 4 x 1 , 5 V L R 0 3 ( A A A )4 x 1 , 2 V K R 0 3 ( A A A ) |
| Levensduur batterij ca.- afzonderlijke metingen- duurmeting | 30000^D) 5 h D) |
| Automatische uitschakeling na ca.- l a s e r- meetgereedschap (zonder meting) | 20 s5 min |
| Gewicht volgens EPTA-Procedure 01/2003 | 0,18 kg |
| Afmetingen | 59 x 100 x 32 mm |
| Isolatiesoort (behalve batterijdeksel) | IP 54 (stof- en spatwaterbescherming) |
| A) De reikwijdte wordt groter naarmate het laserlicht beter door het oppervlak van het doel wordt gereflecteerd (gestrooid, niet gespiegeld) en naarmate de laserpunt lichter is dan de omgeving (interieurs, schemering). Bij ongunstige omstandigheden, zoals metingen buitenshuls met fel zonlicht, kan gebruik van het doelpaneel nodig zijn.B) Onder ongunstige omstandigheden, zoals fel zonlicht of een slecht reflecterend oppervlak, bedraagt de maximale afwijking ± 10 mm op 70 m. Onder gunstige omstandigheden moet rekening worden gehouden met een invloed van ± 0,05 mm/m. C) In de functie duurmeting bedraagt de max. bedrijfstemperatuur +40 °C.D) Met 1,2 V accucellen zijn minder metingen mogelijk dan met 1,5 V batterijen.Let op het zaaknummer op het typeplaatje van het meetgereedschap. De handelsbenamingen van afzonderlijke meetgereedschappen kunnen afwijken.Het serienummer 20 op het typeplaatje dient voor de eenduldige identificatie van uw meetgereedschap. | |
Afgebeelde componenten
De componenten zijn genummerd zoals op de afbeelding van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen.
1 Toets Referentievlak
2 Toets Geheugenwaarde oproepen „M=“
3 Toets Geheugen optellen „M+“
4 Toets voor minimum- en maximummeting
5 Toets voor lengte-, oppervlakte- en inhouds-
meting
6 Libel
7 Display
8 Uitlijnhulp
9 Laser-waarschuwingsplaatje
10 Toets Meting en duurmeting
11 Toets voor indirecte lengtemeting en muuropervlaktemeting
13 Toets Permanente laserstraal
14 Aan/uit-toets en geheugenwistoets
15 Aanslagstift
16 Vergrendeling van de aanslagstift
17 1/4"-schroefdraad
18 Vergrendeling van het batterijvakdeksel
19 Deksel van batterijvak
20 Serienummer
21 Uitgang laserstraal
22 Ontvangstlens
23 Statief*
24 Laserbril*
25 Laserdoelpaneel*
26 Draagriem
27 Beschermetui
* Niet elk afgebeeld en beschreven toebehoren wordt standaard meegeleverd.
Indicatie-elementen
a Meetwaarden opslaan
b Batterij-indicatie
c Temperatuurindicatie
d Meetwaarde/resultaat
e Maateenheid
f Referentievlak van de meting
g Laser ingeschakeld
h Afzonderlijke meetwaarde (bij lengtemeting: resultaat)
i Meetfuncties
— Lengtemeting
□ Oppervlaktemeting
Inhoudsmeting
△ Indirecte lengtemeting
Muuroppervlaktemeting
Duurmeting
MIN Minimummeting
MAX Maximummeting
Montage
Batterijen inzetten of vervangen
Gebruik uitsluitend alkalimangaanbatterijen of oplaadbare batterijen.
Met 1,2 V accucellen zijn minder metingen mogelijk dan met 1,5 V batterijen.
Als u het batterijvakdeksel 19 wilt openen, drukt u op de vergrendeling 18 in de richting van de pijl en verwijdert u het batterijvakdeksel. Plaats de meegeleverde batterijen. Let daarbij op de juiste poolaansluitingen overeenkomstig de afbeelding in het batterijvak.
Als het batterijsymbool voor het eerst in het display verschijnt, zijn nog minstens 100 metingen mogelijk. Als het batterijsymbool knippert, moet u de batterijen vervangen. Metingen zijn niet meer mogelijk.
Vervang altijd alle batterijen tegelijkertijd. Gebruik alleen batterijen van één fabrikant en met dezelfde capaciteit.
Neem de batterijen uit het meetgereedschap als u het langdurig niet gebruikt. Als de batterijen lang worden bewaard, kunnen deze gaan roesten en leegraken.








78 | Nederlands
Gebruik
Ingebruikneming
▶ Bescherm het meetgereedschap tegen vocht en fel zonlicht.
▶ Stel het meetgereedschap niet bloot aan extreme temperaturen of temperatuurschommelingen.
In- en uitschakelen
Als u het meetgereedschap wilt inschakelen, drukt u kort op de aan/uit-toets 14 of op de toets Meten 10. Bij het inschakelen van het meetgereedschap wordt de laserstraal nog niet ingeschakeld.
Als u het meetgereedschap wilt uitschakelen, drukt u lang op de aan/uit-toets 14.
Als er ongeveer 5 min geen toets op het meetgereedschap wordt ingedrukt, wordt het meetgereedschap automatisch uitgeschakeld om de batterij te ontzien.
Als er een meetwaarde is opgeslagen, blijft deze na het automatisch uitschakelen bewaard. Na het opnieuw inschakelen van het meetgereedschap wordt „M” in het display weergegeven.
Meten
Na het inschakelen werkt het meetgereedschap in de functie lengtemeting. Andere meetfuncties kunt u instellen door op de bijbehorende functietoets te drukken (zie „Meetfuncties“, pagina 79).
Als referentievlak voor de meting is na het in-schakelen de achterkant van het meetgereedschap gekozen. Door op de toets Referentievlak 1 te drukken, kunt u het referentievlak wijzigen (zie „Referentievlak kiezen“, pagina 78).
Na de keuze van de meetfunctie en het referen- tievlak vinden alle overige stappen plaats door het indrukken van de toets Meten 10.
Plaats het meetgereedschap met het gekozen referentievlak tegen de gewenste meetlijn (bijvoorbeeld tegen de muur).
Druk voor het inschakelen van de laserstraal kort op de toets Meten 10.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
Richt de laserstraal op het doeloppervlak. Druk opnieuw kort op de toets Meten 10 om de meting te starten.
Bij een ingeschakelde permanente laserstraal en in de functies minimum- en maximummeting begint de meting al nadat de toets Meten 10 voor het eerst wordt ingedrukt. In de functie duurmeting start de meting onmiddellijk bij het inschakelen van de functie.
De meetwaarde verschijnt meestal binnen 0,5 seconden en uiterlijk na 4 seconden. De duur van de meting is afhankelijk van de afstand, de lichtomstandigheden en de weerspiegelingseigenschappen van het doeloppervlak. Het einde van de meting wordt aangegeven door een geluidssignaal. Na beeindiging van de meting wordt de laserstraal automatisch uitgeschakeld.
Als ca. 20 seconden na het richten geen meting plaatsvindt, wordt de laserstraal automatisch uitgeschakeld om de batterijen te sparen.
Referentievlak kiezen (zie afbeeldingen B-E)
Voor de meting kunt u uit vier verschillende referentievlakken kiezen:
- de achterkant van het meetgereedschap (bijvoorbeeld als het tegen een muur wordt geplaatst),
- de achterkant van de aanslagstift 15 (bijvoorbeeld voor metingen uit hoeken),
- de voorkant van het meetgereedschap (bijvoorbeeld bij het meten vanaf de rand van een tafel),
- de schroefdraad 17 (bijvoorbeeld voor metingen met statief).
Druk voor het kiezen van het referentievlak meermaals op de toets 1 tot in het display het gewenste referentievlak wordt weergegeven. Na het inschakelen van het meetgereedschap is altijd de achterkant van het meetgereedschap als referentievlak vooraf ingesteld.









Permanente laserstraal
U kunt het meetgereedschap indien nodig op permanente laserstraal instellen. Druk daarvoor op de toets Permanente laserstraal 13. In het display brandt de indicatie „LASER” continu.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote afstand.
De laserstraal blijft in deze instelling ook tussen de metingen ingeschakeld. Voor de meting hoeft u de toets Meten 10 slechts éénmaal kort in te drukken.
Druk voor het uitschakelen van de permanente laserstraal opnieuw op de toets 13 of schakel het meetgereedschap uit. Als u het meetgereedschap opnieuw inschakelt, bevindt het zich in de normale modus. De laserstraal verschijnt alleen als u op de toets Meten 10 drukt.
Meetfuncties
Lengtemeting
Druk voor lengtemetingen op de toets 5 tot in het display de indicatie voor lengtemeting — verschijnt.

Druk voor het richten en voor het meten telkens eenmaal kort op de toets Meten 10.
De meetwaarde wordt onder in het display weergegeven.
Oppervlaktemeting
Druk voor oppervlaktemetingen op de toets 5 tot in het display de indicatie voor oppervlaktemeting □ verschijnt.
Meet vervolgens lengte en breedte na elkaar, net als bij een lengtemeting. Tussen de beide metingen blijft de laserstraal ingeschakeld.

Na afsluiting van de tweede meting wordt de oppervlakte automatisch berekend en weergegeven. De laatste afzonderlijke meetwaarde staat onder in het display, het eindresultaat boven.
Inhoudsmeting
Druk voor inhoudsmeting op de toets 5 tot in het display de indicatie voor inhoudsmeting verschijnt.
Meet vervolgens lengte, breedte en hoogte na elkaar, net als bij een lengtemeting. Tussen de drie metingen blijft de laserstraal ingeschakeld.

Na afsluiting van de derde meting wordt de inhoud automatisch berekend en weergegeven. De laatste afzonderlijke meetwaarde staat onder in het display, het eindresultaat boven.
Waarden boven 99999 m ^3 kunnen niet worden weergegeven. In het display verschijnt „Error“ en „----”. Verdeel het te meten volume in verschillende metingen waarvan u de waarden apart berekent en vervolgens optelt.
Minimummeting (zie afbeelding F)
De minimummeting dient voor de bepaling van de kortste afstand vanuit een vast referentie-punt. Bijvoorbeeld ter ondersteuning van de be- paling van verticale en horizontale lijnen.
Druk voor minimummetingen op de toets 4 tot in het display „MIN“ verschijnt.
Druk eenmaal kort op de toets Meten 10 om de meting te starten.
Beweeg de laser zodanig over het gewenste doel heen en weer (bijv. het plafond bij de bepa- ling van de verticale lijn) dat het referentiepunt van de meting (bijv. de punt van de aanslagstift 15) steeds op dezelfde plaats blijft.

Tijdens de meting wordt de actuele lengtemeetwaarde onder in het display weergegeven. De minimumwaarde verschijnt rechtsboven in het display. Deze
wordt telkens overschreven wanneer de actuele lengtemeetwaarde kleiner dan de minimumwaarde tot dusver is.
Druk voor het beëindigen van de minimummeting kort op de toets Meten 10. Als u opnieuw op de toets Meten drukt, start de meting opnieuw.


Maximummeting (zie afbeelding G)
De maximummeting dient voor de bepaling van de grootste afstand vanuit een vast referentie-punt. Bijvoorbeeld ter ondersteuning van de be- paling van diagonale lijnen.
Druk voor maximummetingen op de toets 4 tot in het display „MAX“ verschijnt.
Druk eenmaal kort op de toets Meten 10 om de meting te starten.
Beweeg de laser zodanig over het gewenste doel heen en weer (bijv. de hoek van een ruimte bij de bepaling van de diagonale lijn) dat het referentiepunt van de meting (bijv. de punt van de aanslagstift 15) steeds op dezelfde plaats blijft.

Tijdens de meting wordt de actuele lengtemeetwaarde onder in het display weergegeven. De maximumwaarde verschijnt rechtsboven in het display. Deze
wordt telkens overschreven wanneer de actuele lengtemeetwaarde groter dan de maximumwaarde tot dusver is.
Druk voor het beëindigen van de maximummeting kort op de toets Meten 10. Als u opnieuw op de toets Meten drukt, start de meting opnieuw.
Indirecte lengtemeting (zie afbeelding H)
De indirecte lengtemeting dient voor het bepalen van afstanden die niet rechtstreeks kunnen worden gemeten, omdat een obstakel de laserstraal belemmert of omdat er geen doeloppervlak als reflector beschikbaar is. Correcte resultaten worden alleen bereikt als laserstraal en gezocht afstand een rechte hoek vormen (stelling van Pythagoras).
In het afgebeelde voorbeeld moet de lengte B worden bepaald. Daarvoor moeten A en C worden gemeten. A en B moeten een rechte hoek vormen.
Druk voor indirecte lengtemetingen op de toets 11 tot in het display de indicatie voor indirecte lengtemeting △ verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de afstand A. Let erop dat de lijn A en de gezocht afstand B een rechte hoek vormen. Meet vervolgens afstand C. Tussen de beide metingen blijft de laserstraal ingeschakeld.
Let erop dat het referentiepunt van de meting (bijvoorbeeld achterkant van het meetgereedschap) bij beide metingen nauwkeurig op dezelfde plaats is.

Na afsluiting van de tweede meting wordt de afstand B automatisch berekend. De laatste afzonderlijke meetwaarde staat onder in het display, het eindresultaat B boven.
Muuroppervlaktemeting (zie afbeelding I)
De muuroppervlaktemeting dient voor het bepalen van de som van een aantal oppervlakten met een gemeenschappelijke lengte.
In het afgebeelde voorbeeld moet de totale oppervlakte worden bepaald van een aantal muren met dezelfde hoogte A, maar van verschillende lengte B.
Druk voor muuroppervlaktemetingen op de toets 11 tot in het display de indicatie voor muuroppervlaktemetingen □ verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de hoogte A van de ruimte. De meetwaarde wordt zowel boven als onder in het display weergegeven. De laser blijft ingeschakeld.

Meet vervolgens de lengte B _1 van de eerste muur. De oppervlakte wordt automatisch berekend en weergegeven. De laatste lengte-meetwaarde staat onder in het display, de oppervlakte boven. De laser blijft ingeschakeld.





Nederlands | 81

Meet vervolgens de lengte B 2 van de tweede muur. De onder in het display aangegeven afzonderlijke meetwaarde wordt bij de lengte B 1 opgeteld en de som van
de beide lengten wordt vermenigvuldigd met de opgeslagen lengte A. De totale oppervlakte wordt onder in het display weergegeven.
U kunt een willekeurig aantal lengten B_x meten. Deze worden opgeteld en met de lengte A vermenigvuldigd.
Voorwaarde voor een correcte oppervlakteberekening is dat de eerste gemeten lengte (in het voorbeeld de hoogte van de ruimte A) voor alle deeloppervlakten identiek is.
Druk twee keer op de toets 11 om de muurop-pervlaktemeting opnieuw te starten.
Duurmeting (zie afbeelding J)
De duurmeting dient voor het aftekenen van maten, bijvoorbeeld uit bouwtekeningen. Bij de duurmeting kan het meetgereedschap relatief ten opzichte van het doel worden verplaatst, waarbij de meetwaarde ongeveer elke 0,5 seconden wordt geactualiseerd. U kunt zich bijvoorbeeld van een muur verwijderen tot aan de gewenste afstand. De actuele afstand is steeds afleesbaar.
Voor duurmetingen kiest u eerst de functie lengtemeting en drukt u vervolgens zo lang op de toets 10 tot in het display de indicatie voor duurmeting - verschijnt. De laser wordt ingeschakeld en de meting begint onmiddellijk.

Beweeg het meetgereedschap zo lang, tot de gewenste afstand onder in het display wordt weergegeven.
Door het kort indrukken van de toets 10 beëindigt u de duurmeting. De laatste
meetwaarde wordt onder in het display weergegeven. Als u lang op de toets 10 drukt, start de duurmeting opnieuw.
De duurmeting wordt na 5 minuten automatisch uitgeschakeld. De laatste meetwaarde blijft in het display staan.
Meetwaarden verwijderen
Door het kort indrukken van de toets 14 kunt u in alle meetfuncties de laatst gemeten afzonderlijke meetwaarde verwijderen. Door het meermaals kort indrukken van de toets worden de afzonderlijke meetwaarden in omgekeerde volgorde verwijderd.
In de functie muuropervlaktemeting wordt de laatste meetwaarde verwijderd als u de toets 14 voor het eerst kort indrukt. Alle lengten B _x worden verwijderd als u de toets voor de tweede keer indrukt.
Geheugenfuncties
Bij het uitschakelen van het meetgereedschap blijft de waarde in het geheugen bewaard.
In de functie muuropervlaktemeting kan de totale oppervlakte worden opgeslagen. In de functie minimum-/maximummeting kunnen de minimum- en maximumwaarde worden opgeslagen. Afzonderlijke meetwaarden kunnen binnen deze functies niet worden opgeslagen.
Meetwaarden opslaan of optellen

Druk op de toets Geheugen optellen 3 om de actuele meetwaarde (afhankelijk van de actuele meetfunctie een lengte-, oppervlakte- of inhoudswaarde) op te
slaan. Zodra een waarde is opgeslagen, wordt in het display „M” weergegeven. Daarachter knippert de „+“ kort.
Wanneer er reeds een waarde in het geheugen aanwezig is, wordt de nieuwe waarde bij de inhoud van het geheugen opgeteld, echter alleen wanneer de maateenheden overeenkomen.
Als er bijvoorbeeld een oppervlaktewaarde in het geheugen aanwezig is, en de huidige meetwaarde een inhoudswaarde is, kan de optelling niet worden uitgevoerd. In het display knippert kort „Error”.
82 | Nederlands
Meetwaarden aftrekken
Druk op de toets Geheugen aftrekken 12 om de actuele meetwaarde van de geheugenwaarde af te trekken. Zodra een waarde is afgetrokken, wordt in het display „M” weergegeven. Daarachter knippert de „-” kort.
Als er al een waarde is opgeslagen, kan de nieuwe meetwaarde alleen worden afgetrokken als de maateenheden overeenkomen (zie „Meetwaarden opslaan of optellen”).
Geheugenwaarde weergeven

Druk op de toets Geheugenwaarde oproepen 2 om de waarde in het geheugen weer te geven. In het display wordt „M=” weergegeven. Als de geheugenin-
houd „M=” in het display wordt weergegeven, kunt u deze door het indrukken van de toets Geheugen optellen 3 verdubbelen of door het indrukken van de toets Geheugen aftrekken 12 op nul zetten.
Geheugen wissen
Als u de inhoud van het geheugen wilt wissen, drukt u eerst op de toets Geheugenwaarde oproepen 2, zodat „M =” in het display verschijnt. Vervolgens drukt u kort op de toets 14; in het display wordt geen „M” meer weergegeven.
Tips voor de werkzaamheden
Algemene aanwijzingen
De ontvangstlens 22 en de uitgang van de laser- straal 21 mogen bij een meting niet afgedekt zijn. Het meetgereedschap mag tijdens een meting niet bewogen worden (met uitzondering van de functies duurmeting en minimum-/maximum- meting). Leg daarom het meetgereedschap zo dicht mogelijk tegen of op de meetpunten.
De meting vindt plaats bij het middelpunt van de laserstraal, ook bij vlakken waarop de straal schuin valt.
Invloeden op het meetbereik
Het meetbereik is afhankelijk van de belichting en de mate van weerspiegeling van het meetoppervlak. Gebruik voor een betere zichtbaarheid van de laserstraal bij werkzaamheden buitens-huis en bij fel zonlicht de laserbril 24 (toebehoren) en het laserdoelpaneel 25 (toebehoren), of zorg voor schaduw op het doelpaneel.
Invloeden op het meetresultaat
Vanwege bepaalde eigenschappen van materia- len kunnen bij metingen op sommige oppervlak- ken foutmetingen niet worden uitgesloten. Daartoe behoren:
- transparante oppervlakken zoals glas en water,
- spiegelende oppervlakken zoals gepolijst metaal en glas,
- poreuze oppervlakken zoals isolatiemateriaal,
- oppervlakken met een structuur, zoals pleisterwerk en natuursteen.
Gebruik indien nodig op deze oppervlakken het laserdoelpaneel 25 (toebehoren).
Ook kunnen luchtlagen met verschillende temperaturen of indirect ontvangen weerspiegelingen de meetwaarde beïnvloeden.
Meten met aanslagstift (zie afbeeldingen C, F en G)
Het gebruik van de aanslagstift 15 is bijvoorbeeld geschikt voor metingen vanuit hoeken (ruimtediagonalen) of moeilijk bereikbare plaatsen zoals rails van rolluiken.
Duw de vergrendeling 16 van de aanslagstift opzij om de stift uit te klappen.
Stel het referentievlak voor metingen met de aanslagstift door het indrukken van de toets 1 overeenkomstig in.
Als u de aanslagstift 15 wilt inklappen, duwt u de stift in het huis tot deze niet meer verder kan. De stift wordt automatisch vergrendeld.
Nederlands | 83
Richten met de libel
Met de libel 6 kunt u het meetgereedschap eenvoudig waterpas uitrichten. Daarmee kunt gemakkelijker richten op het doeloppervlak, vooral op grotere afstanden.
De libel 6 is in combinatie met de laserstraal niet geschikt voor waterpaswerkzaamheden.
Richten met uitlijnhulp (zie afbeelding K)
Met de uitrichthulp 8 kan het richten over grotere afstanden vergemakkelijkt worden. Kijk daarvoor langs de uitlijnhulp aan de bovenzijde van het meetgereedschap. De laserstraal verloopt parallel aan deze zichtlijn.
Werkzaamheden met het statief (toebehoren)
Het gebruik van een statief is vooral bij grotere afstanden noodzakelijk. Zet het meetgereedschap met de 1/4"-schroefdraad 17 op de snelwisselplaat van het statief 23 of een in de handel verkrijgbaar fotostatief. Schroef het met de vastzetschroef van de snelwisselplaat vast. Stel het referentievlak voor metingen met de aanslagstift door het indrukken van de toets 1 overeenkomstig in (referentievlak schroefdraad).
Oorzaken en oplossingen van fouten
Oorzaak Oplossing
Temperatuurindicatie (c) knippert, meting niet mogelijk
| Meetgereedschap buiten bedrijfstemperatuur van -10 ^ tot +50 ^ (in functie duurmeting tot +40 ^ ). | Wacht tot het meetgereedschap bedrijfstemperatuur bereikt |
De batterij-indicatie (b) wordt weergegeven
| Batterijspanning wordt minder (meting nog mogelijk) | Batterij vervangen |
| Batterij-indicatie (b) knippert, meting niet mogelijk | |
| Batterijspanning te laag Batterij vervangen | |
Oorzaak Oplossing
Indicaties „Error“ en „----” in het display
| Hoek tussen laserstraal endoel is te klein. | Vergroot de hoektussen de laserstraal en het doel |
| Doeloppervlak weerspiegelt te sterk (bijv. spiegel)of te zwak (bijv. zwarttextiel) of omgevingslichtis te sterk. | Gebruik het laserdoelpaneel 25(toebehoren) |
| Uitgang laserstraal 21 of ontvangstlens 22 zijn be-slagen (bijv. door snelletemperatuurverandering). | Wrijf de uitgang laserstraal 21 of de ontvangstlens 22 droog met een zachte doek |
| Berekende waarde is gro-ter dan 99999 m/m^2/m^3 . | Berekening in tussenstappen verdelen |
Indicatie „Error“ knippert boven in het display
| Optellen of aftrekken van meetwaarden met ver- schillende maateenheden | Alleen meetwaar- den met de- zelfde maateenhe- den optellen of aftrekken |
Meetresultaat niet betrouwbaar
| Doeloppervlak weerspiegelt niet duidelijk (bijv. water of glas). | Dek het doeloppervlak af |
| Uitgang laserstraal 21 of ontvangstlens 22 is afgedekt. | Houd de uitgang laserstraal 21 of ontvangstlens 22 vrij |
Meetresultaat onwaarschijnlijk
| Verkeerd referentieniveau ingesteld | Kies een bij de meting passend referentieniveau |
| Obstakel in het verloop van de laserstraal | Laserpunt moet volledig op doeloppervlak liggen. |









84 | Nederlands

Het meetgereedschap controleert de juiste werking bij elke meting. Als een defect wordt vastgesteld, knippert in het display alleen nog het hiernaast staande symbool. In dit geval of wanneer de fout niet
met de bovengenoemde maatregelen kan worden verholpen, dient u het meetgereedschap via uw leverancier naar de klantenservice van Bosch te sturen.
Nauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap
U kunt de nauwkeurigheid van het meetgereedschap als volgt controleren:
- Kies een duurzaam onveranderlijke meetafstand van ca. 3 tot 10 meter, waarvan u de lengte precies kent (bijvoorbeeld kamerbreedte, deuropening). De meetafstand moet binnenshuis liggen. Het doeloppervlak van de meting moet glad en goed reflecterend zijn.
- Meet de afstand tien opeenvolgende keren.
De meetfout mag maximaal ± 2,0 mm bedragen. Houd de metingen bij, zodat u de nauwkeurigheid op een later tijdstip kunt vergelijken.
Onderhoud en service
Onderhoud en reiniging
Bewaar en transporteer het meetgereedschap alleen in het meegeleverde beschermetui.
Houd het meetgereedschap altijd schoon.
Dompel het meetgereedschap niet in water of andere vloeistoffen.
Verwijder vuil met een vochtige, zachte doek. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen.
Verzorg in het bijzonder de ontvangstlens 22 met dezelfde zorgvuldigheid waarmee een bril of een cameralens moeten worden behandeld.
Mocht het meetgereedschap ondanks zorgvuldige fabricage- en testmethoden toch defect raken, dient de reparatie te worden uitgevoerd door een erkende klantenservice voor Bosch elektrische gereedschappen.
Vermeld bij vragen en bestellingen van vervangingsonderdelen altijd het uit tien cijfers bestaande zaaknummer volgens het typeplaatje van het meetgereedschap.
Verzend het meetgereedschap in het bescher- metui 27 in het geval van een reparatie.
Toebehoren en vervangingsonderdelen
Toebehoren
Bouwstatief BS 150 23 ..... 0 601 096 974
Laserbril 24....2 607 990 031
Laserdoelpaneel 25 ..... 2 607 001 391
Vervangingsonderdelen
Draagriem 26....1 609 203 R97
Opbergetui 27 .... 1 609 203 X26
Deksel van batterijvak 19.....1 609 203 X36
Aanslagstift 15....1 609 203 X48
Klantenservice en advies
Onze klantenservice beantwoordt uw vragen over reparatie en onderhoud van uw product en over vervangingsonderdelen. Explosietekeningen en informatie over vervangingsonderdelen vindt u ook op:
www.bosch-pt.com
De medewerkers van onze klantenservice adviseren u graag bij vragen over de aankoop, het gebruik en de instelling van producten en toebehoren.
Nederland
Tel.: +31 (076) 579 54 54
Fax: +31 (076) 579 54 94
E-mail: gereedschappen@nl.bosch.com
België en Luxemburg
Tel.: +32 (070) 22 55 65
Fax: +32 (070) 22 55 75
E-mail: outillage.gereedschap@be.bosch.com

Nederlands | 85

Meetgereedschappen, toebehoren en verpakkingen dienen op een voor het milieu verantwoorde manier te worden hergebruikt.
Alleen voor landen van de EU:

Gooi meetgereedschappen niet bij het huisvuil.
Volgens de Europese richtlijn 2002/96/EG over elektrische en elektronische oude apparaten en de omzetting van de richtlijn in na-
tionaal recht moeten niet meer bruikbare meetgereedschappen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden hergebruikt.
Accu's en batterijen:
Gooi accu's of batterijen niet bij het huisvuil en evenmin in het vuur of het water. Accu's en batterijen moeten worden ingezameld, gerecycled of op een voor het milieu verantwoorde wijze worden afgevoerd.
Alleen voor landen van de EU:
Volgens richtlijn 91/157/EEG moeten defecte of versleten accu's en batterijen worden gerecycled.
Wijzigingen voorbehouden.





86 | Dansk