AMTRON Premium E 1122 T2 - Autolader Mennekes - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AMTRON Premium E 1122 T2 Mennekes in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over AMTRON Premium E 1122 T2 Mennekes
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Autolader in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AMTRON Premium E 1122 T2 - Mennekes en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AMTRON Premium E 1122 T2 van het merk Mennekes.
GEBRUIKSAANWIJZING AMTRON Premium E 1122 T2 Mennekes
2.2 Gebruik volgens de voorschriften ................................ 3
2.4.1 Inachtneming plaatselijke omstandigheden ..............4
3.3 Opbouw van het apparaat ..............................................6
5.1 Keuze van de plaats van opstelling ........................... 10
5.3.3 Voedings-, gegevens-, en stuurleiding plaatsen .....11
5.6.1 Voedingsleiding aansluiten .......................................... 13
5.6.2 Netwerkverbinding aansluiten .................................... 13
5.6.3 Signaal voor tariefomschakeling aanmaken............ 14
5.6.4 Aansluiting via RS-485-bus .......................................... 15
5.7 Driefaseapparaat op eenfasig bedrijf instellen ...... 15
6.3.2 In het thuisnetwerk integreren .................................... 19
6.6.1 Tijdsynchronisatie via de
6.7.1 Netwerkverbinding met
MENNEKES Charge App ..............................................29
6.7.2 Verbinding met het apparaat ...................................... 30
9. Buitenbedrijfstelling en demontage .................... 33
De AMTRON®, hierna “apparaat” genoemd, is verkrijgbaar in verschillende varianten. De variant van uw apparaat wordt op het typeplaatje aangegeven. Dit document ver- wijst naar de volgende varianten van het apparaat: AMTRON Xtra AMTRON Xtra E AMTRON Xtra R AMTRON Premium AMTRON Premium E AMTRON Premium R AMTRON Premium W Deze handleiding is uitsluitend bedoeld voor de elektro- monteur en bevat aanwijzingen voor een veilige installatie. Aanwijzingen voor bediening en functietoelichtingen vindt u in de gebruiksaanwijzing. Neem alle aanvullende documentatie voor het gebruik van het apparaat in acht. Bewaar alle documenten goed op om ze te kunnen raadplegen en geef deze aan de volgende exploitant door. De Duitse versie van deze handleiding is de originele handleiding. Bij handleidingen in andere talen gaat het om vertalingen van deze originele handleiding. MENNEKES behoudt zich het recht voor de in deze handleiding beschreven software te wijzigen. De in deze handleiding beschreven functies zijn gebaseerd op de AMTRON
Wendt u zich tot MENNEKES of uw verantwoordelijke ser- vicepartner bij vragen over het apparaat. Op onze home- page onder “Partner zoeken” vindt u verdere contactperso- nen in uw land. Gebruik voor een direct contact tot MENNEKES het formulier onder “Contact” op www.chargeupyourday.com Houd de volgende informatie gereed voor een snelle ver- werking: Typeaanduiding / serienummer (zie typeplaatje op het apparaat) Via www.amtron.info vindt u altijd actuele informatie, soft- ware-updates, wijzigingsprotocollen en veel gestelde vra- gen m.b.t. AMTRON. Houd het serienummer bij de hand. Meer informatie over het thema elektromobi- liteit vindt u onze homepage onder “FAQ's. https://www.chargeupyourday.com/faqs/
Waarschuwing voor persoonlijk letsel
GEVAAR Deze waarschuwing geeft een onmiddellijk dreigend gevaar aan, dat tot de dood of zware verwondingen leidt.
WAARSCHUWING Deze waarschuwing geeft een gevaarlijke situatie aan, die tot de dood of zware verwondingen kan leiden.
VOORZICHTIG Deze waarschuwing geeft een gevaarlijke situatie aan, die tot lichte verwondingen kan leiden. Waarschuwing voor materiële schade
LET OP Deze waarschuwing geeft een gevaarlijke situatie aan, die tot materiële schade kan leiden.3
1.3 Gebruikte symbolen
Het symbool geeft handelingen aan die alleen door een elektromonteur uitgevoerd mogen wor- den. Het symbool geeft een belangrijke aanwijzing aan. Het symbool kenmerkt een aanvullende, nuttige informatie. f Het symbool geeft een oproep tot actie aan. Het symbool geeft een opsomming aan. Î Het symbool verwijst naar een andere plaats in deze handleiding. Het symbool verwijst naar een ander document.
Het symbool geeft een resultaat aan.
2. Voor uw veiligheid
ElektromonteurAls elektromonteur beschikt u over een erkende elektrotechnische opleiding. Op basis van deze vakkennis bent u geautoriseerd de in deze hand-leiding gevraagde elektrotechnische werkzaam-heden uit te voeren.Eisen die worden gesteld aan een elektromonteur: kennis van de algemene en specifieke veiligheids- en ongevallenpreventievoorschriften; Kennis van de elektrotechnische voorschriften. Kennis van de landelijke voorschriften. vermogen om risico's te herkennen en potentiële geva- ren te voorkomen.
2.2 Gebruik volgens de voorschriften
AMTRON® is een laadstation voor gebruik in de particulie-re en semi-publieke gebieden, bijv. particuliere eigendom-men, bedrijfsparkeerplaatsen of bedrijventerreinen met beperkte toegang.Het apparaat dient uitsluitend voor het laden van elektri-sche voertuigen. Lading volgens modus 3 conform IEC 61851-1. Contactmateriaal conform IEC62196.Het apparaat is uitsluitend bedoeld voor de vaste monta-ge ter plaatse en kan in zowel binnen als buiten worden gebruikt.Alleen bij de varianten Premium: het apparaat kan worden gebruikt als enkel laadpunt of in combinatie met meerdere apparaten met een back-end systeem. De netwerkvorming van meerdere apparaten gebeurt via een MENNEKES ACU. Een ACU is in de MENNEKES eMobility-Gateway en in een Smart-laadzuil geïnstalleerd. Alleen bij de varianten Xtra: het apparaat kan als afzonder-lijk laadpunt worden gebruikt.4 In sommige landen zijn er wettelijke voorschriften die een aanvullende bescherming eisen tegen een elektrische schok. Een mogelijke aanvullende veiligheidsmaatregel kan het gebruik van een sluitdeksel zijn. Het apparaat mag alleen met inachtneming van alle internationale en nationale voorschriften worden gebruikt. De volgende internationale voorschriften of de desbetref- fende nationale omzetting hiervan moeten o.a. in acht wor- den genomen: IEC 61851-1 IEC 62196-1
Alle aanwijzingen in deze handleiding mogen alleen wor- den uitgevoerd door een gekwalificeerde elektricien. Lees en volg deze instructies en alle aanvullende docu- mentatie voor het gebruik van het apparaat.
2.3 Oneigenlijk gebruik
Het gebruik van het apparaat is alleen veilig bij gebruik volgens de voorschriften. Elk ander gebruik alsmede wijzi- gingen aan het apparaat zijn in strijd met de voorschriften en daarom niet toegestaan. De exploitant is verantwoordelijk voor het reglementair gebruik en het veilige gebruik. MENNEKES Elektrotechnik GmbH & Co. KG kan niet aan- sprakelijk worden gesteld voor de gevolgen door verkeerd gebruik.
2.4 Fundamentele veiligheidsinstructies
2.4.1 Inachtneming plaatselijke omstandigheden
Wordt de installering niet aan de plaatselijke omstandig- heden (bijv. kabellengte van de toevoerleiding) aange- past, beïnvloedt dit de bedrijfsveiligheid. Daardoor kun- nen personen zwaar letsel oplopen of overlijden. f Installatie aan de lokale omstandigheden aanpassen.
2.4.2 Toezichtplicht in acht nemen
Personen, met name kinderen, en dieren die de moge- lijke gevaren niet of slechts in beperkte mate kunnen inschatten, vormen een gevaar voor zichzelf en anderen. f Uit de buurt van het apparaat, laadkabel, gereed- schappen en verpakking houden.
2.4.3 Correcte toestand
Beschadigd apparaat Vertoont het apparaat schade of gebreken, bijv. een defecte behuizing of ontbrekende onderdelen dan kun- nen personen ernstig letsel oplopen door een elektri- sche schok. f Voorkom botsingen en verkeerde behandeling. f Gebruik het apparaat niet in geval van schade / defecten. f Markeer beschadigde apparatuur zodat deze niet door anderen wordt gebruikt. f Schade onmiddellijk verhelpen. f Eventueel apparaat buiten bedrijf nemen. Ondeskundig onderhoud Ondeskundig onderhoud kan de bedrijfsveiligheid van het apparaat in gevaar brengen en ongelukken veroorza- ken. Daardoor kunnen personen zwaar letsel oplopen of overlijden. f Let op het onderhoudsschema. f Regelmatig onderhoud (halfjaarlijks of jaarlijks) uitvoe- ren. f Eventueel onderhoudsovereenkomst afsluiten.5
3. Productbeschrijving
De apparaten onderscheiden zich op basis van klant- of landspecifieke gegevens. Afhankelijk van de uitvoering kunnen er optische afwijkingen voorkomen bij de afbeel-dingen in deze handleiding.
4. Zak met bevestigingsmateriaal
(schroeven, pluggen, afsluitdoppen)
5. Gebruiksaanwijzing
6. Installatiehandleiding
OptioneelBij verlies van het installatiegegevensblad is toe-gang tot bepaalde functies en de configuratie niet meer mogelijk. f Installatiegegevensblad goed bewaren. f Bij verlies contact opnemen met de support van MENNEKES. Î “1.1 Service”Het apparaat kan met of zonder MENNEKES Charge App gebruikt worden. De MENNEKES Charge App is niet in de leveringsomvang begrepen. Het is echter gratis beschik-baar in de App Store en de Google Play Store.MENNEKES adviseert het apparaat met de MENNEKES Charge App te bedienen.
Het typeplaatje bevat alle belangrijke apparaatgegevens. Het afgebeelde typeplaatje is een monster. f Let op het typeplaatje op uw apparaat. Het typeplaatje bevindt zich op het onderste deel van de behuizing.
Afb.: 2. Typeplaatje (monster)
3.3 Opbouw van het apparaat
De behuizing van het apparaat bestaat uit drie delen: het onderste gedeelte van de behuizing, het bovenste gedeel- te van de behuizing en het frontpaneel. De uitvoering van het frontpaneel hangt af van de variant van het apparaat. Vooraanzicht
1. Multifunctietoets
3. Bevestigingsschroeven voor bovenste gedeelte
4. Bovenste gedeelte behuizing
5. Energiemeter met kijkvenster
8. Laadcontactdoos, type 2 met klapdeksel
9. Voorgeponste uitsparing voor toevoerleiding / kabel-
Optioneel Afb.: 3. Vooraanzicht (voorbeeld: Met laadcontactdoos type 2 voor gebruik van afzonderlijke laadkabel) Achteraanzicht
1. Onderste gedeelte behuizing
2. Bevestigingsschroeven voor bovenste gedeelte
4. Voorgestanste uitsparing voor toevoerleiding / kabel
2. Laadcontactdoos, type 2 met shutter
Optioneel Afb.: 4. Achteraanzicht (voorbeeld) Afb.: 5. Binnenaanzicht frontpaneel (voorbeeld: Met laadcon- tactdoos type 2 voor gebruik van afzonderlijke laadkabel)7
Binnenaanzicht behuizingsonderdeel
2. Installatieautomaat (optioneel met
3. Bedieningselement voor multifunctionele schakelaar
8. Aardlekschakelaar
10. Aansluitklemmen voor netaansluiting
Optioneel Afb.: 6. Binnenaanzicht behuizingsonderdeel (voorbeeld) HCC 3
3. Netwerkaansluiting (RJ45)
4. Stekkerdoos spanningsvoorziening 12 V DC
De HCC 3 beschikt over vijf bedrijfsmodi die, afhankelijk van de configuratie, ook tijdens bedrijf gewijzigd kunnen worden. Gebruikshandleiding AMTRON Xtra (E/R), Premium (E/R/W) “5.1 Functiebeschrijving van de bedrijfsmodi” De beschikbaarheid van de afzonderlijke bedrijfs- modi en functies hangt af van de uitrusting en de configuratie van het apparaat. De configuratie gebeurt via een internetbrowser in de service-in- terface. Afb.: 7. HCC 3 (voorbeeld)8
Bescherming van personen (aardlekschakelaar) Multifunctietoetsen Premium W (EU-variant) RFID-kaartlezer Personen- en leidingbeveiliging (aardlekscha- kelaar en installatieautomaat) met arbeidsstroo- mactiveringsschakelaar Multifunctietoetsen Premium (Variant voor Duitsland) RFID-kaartlezer Personen- en leidingbeveiliging (aardlekschakelaar en installatieautomaat) Multifunctietoetsen Xtra (Variant voor Duitsland)
Personen- en leidingbeveiliging (aardlekschakelaar en installatieautomaat) Multifunctietoetsen9
Maximale voorzekering [A] Volgens typeplaatje / configuratie Beschermingsklasse Apparaat met vast aangesloten laadkabel: IP 44 Apparaat met klapdeksel: IP 54 Beschermklasse II Afmetingen h × b × d [mm] 474 × 259 × 220 Gewicht [kg] 5 – 8,5 Nominale isolatiespanning U
Nominale stroom van een laadpunt I
[A] 16, 1 ph 32, 1 ph 16, 3 ph 32, 3 ph Voorwaardelijke nominale kortsluitstroom I
LET OP Beschadiging van het apparaat door ondeskundig gebruik Botsingen en schokken evenals een ondeskundige omgang kunnen het apparaat beschadigen. f Vermijd botsingen en schokken. f Gebruik een zachte onderlaag om het apparaat te plaatsen. f Gebruik de pen voor bevestiging van het frontpaneel niet als transporthulp of greep.
5.1 Keuze van de plaats van opstelling
Het apparaat is uitsluitend bedoeld voor de vaste monta- ge ter plaatse en kan in zowel binnen als buiten worden gebruikt. Een geschikte opstellingsplaats voldoet aan de volgende voorwaarden: Apparaat en laadopstelplaats bevinden zich, afhankelijk van de gebruikte laadkabel, voldoende dichtbij elkaar. Technische gegevens en netwerkgegevens stemmen overeen. Î “4. Technische gegevens” Toelaatbare omgevingsvoorwaarden worden aangehou- den.
5.2 Toelaatbare omgevingsomstandigheden
GEVAAR Explosie- en brandgevaar Wordt het apparaat in explosiegevaarlijke gebieden (Ex-bereik) gebruikt, kunnen explosieve stoffen zich door vonkvorming van onderdelen van het apparaat ontsteken. f Niet gebruiken in explosiegevaarlijke omgevingen (bijv. LPG-tankstations).
LET OP Beschadiging van het apparaat door ongeschikte omge- vingsomstandigheden Een ongeschikte keuze van de opstellingslocatie kan tot beschadigingen. Let op de volgende punten bij de keuze van de opstellingsplaats: f Vermijd directe zoninstraling. Eventueel een beschermend dak monteren. f Voorkom het binnendringen van water en warmteop- hoping. f Op voldoende ventilatie van het apparaat letten. Niet in nissen inbouwen. f Apparaat uit de buurt van warmtebronnen houden. f Vermijd sterke temperatuurschommelingen. Toelaatbare omgevingsomstandigheden Omgevingstemperatuur -25 … +40 °C Gemiddelde temperatuur in 24 uur < 35 °C Hoogteligging Max. 2.000 m boven de zeespiegel Relatieve luchtvochtigheid Max. 95 % (niet-condenserend)
5.3 Installatie ter plaatse
GEVAAR Brandgevaar door overbelasting van het apparaat Bij een ongepast ontwerp van de stroomonderbreker en de toevoerleiding bestaat brandgevaar door overbelasting van het apparaat. f Plaats de toevoerleiding en de zekeringautomaat over- eenkomstig de technische gegevens van het apparaat. De installatie van een apparaat in een voedings- net waarin storingsbronnen bijv. een frequentie- omvormer worden gebruikt, kan tot functiestorin- gen of beëindigen van het laadproces leiden.11
5.3.1 Toevoerleiding
f Ontwerp van de toevoerleiding overeenkomstig de nominale stroom. Î “4. Technische gegevens” Bij het ontwerp van de toevoerleiding (Doorsnede en kabeltype) absoluut de volgende plaatselijke omstandigheden in acht nemen: Type van plaatsing Kabelbekleding Kabellengte
Het apparaat is afhankelijk van de uitvoeringsvariant con- form de volgende tabel met een aardlekschakelaar (FI) type B en een zekeringautomaat (LS) uitgevoerd. Variant FI typeB LS Xtra E, Premium E - - Xtra R, Premium R X - Xtra, Premium (W) X X Installatieautomaat Bij de uitvoeringsvarianten Xtra E, Xtra R, Premium E en Premium R moet de benodigde installatieautomaat door de klant worden voorzien. De dimensionering van de LS-schakelaar moet onder inachtneming van de informatie op het typeplaatje, het gewenste laadvermogen en de toevoerleiding (kabellengte, doorsnede) naar het apparaat overeenkomstig de landelijke voorschrif- ten gebeuren. Aardlekschakelaar
GEVAAR Verwondingsgevaar door elektrische schok Stroomgevoelige aardlekschakelaar (type B) mogen niet achter pulsstroomgevoelige FI-schakelaar (type A) wor- den gemonteerd. De type A triggerfunctie kan door type B zo worden beïnvloed, dat ze ook bij het optreden van foutstromen, niet meer kunnen uitschakelen. f Sluit een aardlekschakelaar type B altijd vóór een FI-schakelaar type A aan. Apparaten zonder interne aardlekschakelaar moeten via een separate aardlekschakelaar worden aangesloten (zie ook IEC 60364-7-722). Apparaten met geïntegreerde aardlekschake- laar worden met type B geleverd. Er mogen geen andere stroomcircuits op deze aardlekschakelaar worden aangesloten. Bij de uitvoeringsvarianten Xtra E en Premium E moet de benodigde aardlekschakelaar door de klant worden voor- zien.
5.3.3 Voedings-, gegevens-, en stuurleiding plaatsen
f Alle noodzakelijke kabels op de locatie als op- of als inbouwmontage plaatsen. Î Aanwijzingen met betrekking tot de kabels: “5.5 Apparaat monteren” en “5.6 Elektrische aanslui- ting” Opbouwmontage MENNEKES adviseert het apparaat op een lokaal aanwezig kabelkanaal (hoogte 30 mm × breedte 45 mm) te monteren. Komen de kabels of het kabelkanaal van onder, moet de voorgestanste uitsparing in het behuizingsbovendeel wor- den uitgebroken. Inbouwmontage Bij de inbouwmontage van de kabels moeten de posities van de kabels overeenkomstig het boorsjabloon worden voorzien.12
In de uitleveringstoestand is het behuizingsbovendeel (2) De schroeven (1) zijn in het apparaat als toebehoren bijge- voegd. f Verzekeren dat de stroomvoorziening is uitgeschakeld. f Behuizingsbovendeel (2) afnemen. f Schroeven (3) voor het frontpaneel verwijderen en frontpaneel (4) naar onder klappen.
5.5 Apparaat monteren
Bij sterke minustemperaturen moet het apparaat voor de montage en inbedrijfstelling eerst 24 uur bij kamertemperatuur worden opgeslagen. Afb.: 8. Apparaat openen
De aangegeven montageafstanden zijn minimumafstanden en moeten voor de onbeperkte toegang bij de bediening en bij onderhouds- en instandhoudingswerkzaamheden worden aangehouden.
5.5.2 Wandbevestiging
MENNEKES adviseert de montage op een ergo- nomisch geschikte hoogte afhankelijk van de lichaamslengte. f Bevestigingsboringen aan de hand van het mee- geleverde boorsjabloon of de afbeelding „Afb.: 10. Boormaten“ markeren. Afb.: 9. Montageafstanden [mm]
Gebruik voor de montage op betonwanden, bakstenen wanden en houten wanden het mee- geleverde bevestigingsmateriaal. Bij een andere ondergrond moet op de montageplaats een geschikte bevestigingswijze worden gekozen. f Boor de gaten in de wand en houd hierbij de diame- ter aan, die voor het gekozen bevestigingsmateriaal beoogd is. f Kabels op de op het boorsjabloon aangegeven posities plaatsen. Voor de toevoerleiding is binnen het apparaat ca. 45 cm kabel benodigd. f Kabels door één van de kabelinvoeren in het apparaat leiden. Daartoe moet een gat in het betreffende mem- braan worden gestoken. Om het binnendringen van regenwater te voor- komen, moet het gat in het membraan niet groter zijn dan de kabels. f Apparaat met gebruik van pluggen (1), schroeven (2) en afsluitstop (3) aan de wand vastschroeven. f Apparaat op een vaste en veilige bevestiging controle- ren. Afb.: 11. Aan de wand bevestigen
5.6 Elektrische aansluiting
5.6.1 Voedingsleiding aansluiten
f Toevoerleiding 370 mm strippen. f Aderisolatie 12 mm strippen. f Aders (2) van de toevoerleiding conform stroomschema op de klemmenstrip (1) aansluiten. Bij het plaatsen van de toevoerleiding toegestane buigradius aanhouden. f Controleren: Afzonderlijke aders correct aangesloten en schroeven stevig aangedraaid.
5.6.2 Netwerkverbinding aansluiten
Het apparaat kan naar keuze draadloos via WLAN of beka- beld via een ethernetkabel (RJ45) in het netwerk worden geïntegreerd. Draadloos netwerk Een draadloze netwerkvorming is mogelijk, wanneer het apparaat zich binnen de reikwijdte van uw WLAN-netwerk bevindt. Er is geen andere bekabeling noodzakelijk. Afb.: 12. Aansluitklemmen
Leidinggebonden netwerk Moet het apparaat via ethernet in het netwerk worden geïntegreerd, moet een geschikte netwerkkabel met RJ45- stekker tot aan het apparaat worden geplaatst. De netwerkkabel moet een voldoende spanningssterkte hebben en geschikt zijn voor de gemeenschappelijke installatie met netspanningsgeleidende leidingen. MENNEKES adviseert het gebruik van ethernetka- bels van het type Cat. 7a of hoger. Afb.: 13. Netwerkkabel aansluiten f Verzekeren, dat de toelaatbare buigradius van de gebruikte netwerkkabel niet wordt onderschreden. f De stekker (2) van de netwerkkabel op de netwerkbus van de HCC 3s (1) aansluiten.
5.6.3 Signaal voor tariefomschakeling aanmaken
Moet het apparaat in de modus “Netbesturing” worden gebruikt, moet het apparaat bijv. met een toonfrequentont- vanger worden verbonden. Het tariefomschakelingssignaal wordt via een steekverbin- der op de HCC 3 aangesloten. Voor de activering van het secundaire stroomtarief (NT) moet het tariefomschakelingssignaal aan de ingang van de HCC 3s aanwezig zijn. Is het hoofd stroomtarief (HT) actief, mag geen tarief- omschakelingssignaal aan de ingang van de HCC 3s aanwezig zijn. f Stuurleiding strippen. f Fase op klem A en nulgeleider op klem B van de steek- verbinder (2) aansluiten. Klemmen Beschrijving A Fase van signaal voor tariefomschakeling 230VAC B Nul van signaal voor tariefomschakeling 230VAC f Stekker in de overeenkomstige stekkerdoos (2) aan de HCC 3 (1) steken. f Aansluiting van het externe apparaat conform voor- schriften van de fabrikant. A B Afb.: 14. Tariefomschakelingssignaal aansluiten
Bij aansluiting van het tariefomschakelingssignaal op een externe spanningsbron moet een aanwij- zing volgens de nationale voorschriften worden aangebracht (bijv. in de vorm van een sticker). De activering van het tariefomschekelingssignaal gebeurt in de service-interface. De instelling van de maximaal beschikbare stroom voor HT en NT gebeurt in de MENNEKES Charge App.
5.6.4 Aansluiting via RS-485-bus
Als de besturing van meerdere apparaten via een boven- geplaatst back-endsysteem bijvoorbeeld chargecloud moet gebeuren, moeten de apparaten via een RS-485- bus met een MENNEKES ACU worden verbonden. De bus-kabel wordt via een bijgevoegde Steekverbinder met Dubbeleaansluiting aan de HCC 3 aangesloten. Voor de besturing van meerdere apparaten moet de bedrading in lijnbustopologie plaatsvinden. MENNEKES adviseert het gebruik van de volgen- de kabels voor de RS-485-bus: Voor leggen in de grond: Siemens PROFIBUS- leiding grondkabel 6XV1830-3FH10 (fabrikant EAN 4019169400428). Voor leggen zonder mechanische belasting: Siemens PROFIBUS-leiding 6XV1830-0EH10 (fabrikant EAN 4019169400312). Bij gebruik van de aanbevolen leidingen is bij buslengtes tot 300m een probleemloos gebruik mogelijk. f Buskabel (3) van de vorige ACU resp. SCU strippen en de afschermingen vrijleggen f Afschermingen van (3) op de klem C van de stekker met dubbele aansluiting (2) aansluiten. f Afzonderlijke aders van (3) aan de klemmen A en B aansluiten (voorbeeld bij Siemens profibus-kabel: groe- ne ader op klem A, rode ader op klem B, grijze ader op klem C). Klem Beschrijving A Bussignaal A B Bussignaal B C Referentieniveau f Buskabel van de volgende SCU (4) analoog aan (3) aan- sluiten. f Stekker met dubbele aansluiting (2) in de overeenkom- stige stekkerdoos (5) aan de HCC 3 (1) aansluiten. f Met de vorige resp. volgende ACU resp. SCU op dezelf- de manier verbinden.
5.7 Driefaseapparaat op eenfasig bedrijf
instellen Om een driefaseapparaat (voor apparaten met 11 resp 22 kW laadvermogen) eenfasig te gebruiken, is het noodza- kelijk de potentiometer aan het fasevolgorderelais om te schakelen. Afb.: 15. Aansluiting RS-485-bus A B C
f Apparaat eenfasig aansluiten. Hiervoor de klemmen L1, N en PE gebruiken. f Potentiometer (1) op stand 1 met behulp van een sleuf- schroevendraaier instellen. f Selectievakje “Monitoring Relay Wired to 1 Phase Only” in de service-interface activeren. Î “6.4.2 Menu “Installation Settings”” Instelling Beschrijving 1 Eenfasig bedrijf 3 Driefasig bedrijf
- software 1.10 en hoger. Omschakelen naar de bedrijfsmodus „SCU“ kan worden ingesteld met de configuratieschakelaar S1. De configura- tieschakelaars S2, S3, S4, S5, S6, S7 en S8 zijn niet bezet. De configuratieschakelaars bevinden zich aan de achter- kant van het voorpaneel. Instelling Beschrijving S1 = 1 (ON) Bedrijfsmodus „SCU“ is actief. S1 = 0 (OFF) Bedrijfsmodus "SCU" is niet actief.
Afb.: 16. Configuratieschakelaar Is de bedrijfsmodus "SCU" via de configura- tieschakelaar actief, wordt een andere bedrijfsmo- dus, die in de service-interface wordt ingesteld, genegeerd. Wordt de configuratieschakelaar teruggezet naar de instelling S1 = 0 (OFF), wordt de eerder inge- stelde bedrijfsmodus weer actief. Permanent bedrijf in de bedrijfsmodus „SCU“ instellen f Bedrijfsmodus „SCU“ in de service-interface instellen. Î „6.4.3 Menu “User Settings”“ f Apparaat opnieuw starten. Is de bedrijfsmodus "SCU" in de service-interface ingesteld, blijft de bedrijfsmodus "SCU" ook bij in- of uitschakelen van de configuratieschakelaar S1 altijd actief.
5.9 Apparaat sluiten
f Frontpaneel (1) naar boven zwenken en met de schroe- ven (2) bevestigen. f Behuizingsbovendeel (3) monteren en met de schroe- ven (4) en(5) bevestigen. Meegeleverde verkorte inbus- sleutel gebruiken. Afb.: 17. Apparaat sluiten
6. Inbedrijfstelling
GEVAAR Gevaar voor elektrische schokken bij beschadigde appa- raten Bij gebruik van een beschadigd apparaat bestaat het gevaar op een elektrische schok. f Gebruik het apparaat niet wanneer deze schade ver- toont. f Kenmerk het beschadigde apparaat, zodat dit niet door andere personen gebruikt wordt. f Laat de schade onmiddellijk door een gekwalificeerde elektromonteur verhelpen. f Laat het apparaat evt. door een gekwalificeerde elek- tromonteur buiten gebruik nemen. Voorwaarde: Apparaat is correct geïnstalleerd. Apparaat is in een correcte toestand. f Aardlekschakelaar en installatieautomaat inschakelen. f Spanningsvoorziening inschakelen en controleren. Î “6.2 Spanningsvoorziening bewaken”
De led op de voedingseenheid gaat branden.
Led “Bedrijfsklaar” op het led-infoveld brandt.
6.2 Spanningsvoorziening bewaken
Het apparaat wordt door een fasevolgorderelais bewaakt. Het bewaakt de drie fasen (L1, L2, L3) en de nulgeleider (N) van de spanningsvoorziening op correcte fasevolgorde, fase-uitval resp. onderspanning. Bedrijfsstatusweergave
Drie fasen, rechtsdraaiveld: f Gebruik van de klemmen L1, L2, L3, N, PE. f Instelling relais potentiometer op 3.
Drie fasen, linksdraaiveld: f Gebruik van de klemmen L1, L2, L3, N, PE. f Instelling relais potentiometer op 3.
Eén fase: f Gebruik van de klemmen L1, N, PE. f Instelling relais potentiometer op 1.
De evaluatie van de potentiometer gebeurt slechts eenma- lig na het aanleggen van de voedingsspanning.
6.3 Netwerkverbinding
Bij een bestaande netwerkverbinding kan het apparaat worden geconfigureerd en bediend. De configuratie van de functies en bedrijfsmodi gebeurt met een internetbrow- ser via de service-interface van het apparaat. De bediening van het apparaat kan met een mobiel eindapparaat via de MENNEKES Charge App gebeuren.18
6.3.1 Netwerkverbinding instellen
Het inrichten van de netwerkverbinding gebeurt ofwel als directe verbinding met een LAN-kabel of als access point door het WLAN van het apparaat. Directe verbinding Om een directe verbinding via LAN tot stand te brengen, moeten het apparaat en het eindapparaat (PC / laptop) zich in hetzelfde adresbereik bevinden. Het IP-adres van het apparaat is bij de directe verbinding statisch. IP adres: 192.168.0.100 f Apparaat en eindapparaat met een LAN-kabel verbinden. f Eigenschappen van de netwerkverbinding aan het eindapparaat wijzigen: IPv4-adres: 192.168.0.21 IPv4-subnetmasker: 255.255.255.0 f Internetbrowser openen. Onder http://192.168.0.100:25000 is de service-interface bereikbaar. Als access point In uitleveringstoestand werkt de interne WLAN-module als access point. Dat betekent, dat het apparaat een eigen WLAN-netwerk ter beschikking stelt, metet eindapparaat (PC / laptop / tablet / smartphone) kan verbinden. IP adres: 172.31.0.1 Het WLAN van het apparaat is met WPA2-versleuteling beveiligd. f WLAN op het eindapparaat activeren. f Eindapparaat met het WLAN-netwerk van het apparaat verbinden. Daartoe is de invoer van de WLAN WPA2-key (installatiegegevensblad) noodzakelijk. f Internetbrowser openen. Onder http://172.31.0.1:25000 of onder http://myamtron.com:25000 is de service-interface bereikbaar. Het access point is altijd actief, wanneer het apparaat niet met WLAN in een thuisnetwerk is geïntegreerd of geen WLAN-netwerk beschikbaar is. Netwerkverbinding instellen LAN Als directe ver- binding WLAN Als access point19
6.3.2 In het thuisnetwerk integreren
Indien nodig kan het apparaat in het thuisnetwerk worden geïntegreerd, om de service-interface en de MENNEKES Charge App op elk moment zonder verdere configuratie te bereiken. Daardoor is het mogelijk, het apparaat ondanks ver- wijdering te configureren resp. te bedienen. De integratie van het apparaat gebeurt ofwel via LAN of via WLAN. Standaard wordt aan het apparaat door de router een dynamisch IP-adres toegewezen. Indien nodig kan aan het apparaat een statisch IP-adres worden toegewezen. Via LAN f Apparaat en router met een LAN-kabel verbinden. Er is geen verdere configuratie noodzakelijk. Onder http://AMTRONIP:25000 is de service-interface bereikbaar (in plaats van “AMTRONIP” het IP-adres van het appa- raat invoeren). Het apparaat verkrijgt haar dynamische IP-adres via de DHCP-functie van de router en kan zich afhankelijk van de configuratie van de router wijzigen. Het toegewezen IP-adres kan in de gebruikersinterface van de router worden opgevraagd. Gebruiksaanwijzing van de router. Via WLAN Om het apparaat via WLAN in het thuisnetwerk te integreren, is een configuratie vooraf noodzakelijk. f Verbinding met de service-interface tot stand brengen. Î “6.3.1 Netwerkverbinding instellen” f In de service-interface naar “User Settings” > “WLAN STA/ Client Mode Settings” navigeren. f In het veld “Network Name/SSID” de naam van het WLAN invoeren. f In het veld “Network Name/SSID” de naam van het WLAN invoeren. f Eventueel in het veld “Security Mode” het encryptiesysteem van de router selecteren. In de standaardinstelling wordt het encryptiesysteem automatisch herkend. Als dit niet de geval is, kiest u onder “Security Mode” het door de router gebruikte encryptiesysteem. f Met “Submit” bevestigen. Integratie in het thuisnetwerk met een router Via LAN Via WLAN Dynamisch IPadres Statisch IPadres20 Zodra de invoer met “Submit” is bevestigd, krijgt het apparaat haar IP-adres van de DHCP-functie van de router. De service-interface is onder het actuele adres niet meer bereikbaar. Tijdens de verbinding is de service-interface onder http:// MTRONIP:25000 bereikbaar (in plaats van “AMTRONIP” het IP-adres van het apparaat invoeren). Het apparaat verkrijgt haar dynamische IP-adres via de DHCP-functie van de router en kan afhankelijk van de con- figuratie van de router wijzigen. Het toegewezen IP-adres kan in de gebruikersinterface van de router worden opgevraagd. Gebruiksaanwijzing van de router. Verliest het apparaat de WLAN-verbinding met het netwerk, wordt automatisch het access point geactiveerd. Statisch IP-adres toewijzen Indien nodig kan aan het apparaat een statisch IP-adres worden toegewezen. Het IP-adres verandert niet. Bij een LAN-verbinding: f In de service-interface naar “User Settings” > “Ethernet Settings” navigeren. Bij een WLAN-verbinding f In de service-interface naar “User Settings” > “WLAN STA/ Client Mode Settings” navigeren. f Veld “Use static IP” activeren. f In het veld “Static IP Address” het gewenste IP-adres invoeren. In het veld “Static Netmask” het subnet invoeren. Voorwaarde: Router en apparaat bevinden zich in hetzelfde adresbereik. De laatste drie cijfers van het IP-adres moet groter zijn dan 200. Getallen tot 200 zijn vaak voor de DHCP-functie van de router gereser- veerd. f In het veld “Static Netmask” het subnet invoeren. f In het veld “Gateway Address” het IP-adres van de rou- ter invoeren. Gebruiksaanwijzing van de router. f Met “Submit” bevestigen. Tijdens de verbinding met statisch IP-adres is de ser- vice-interface altijd onder http://AMTRONSTATICIP:25000 te bereiken (in plaats van “AMTRONSTATICIP” het statische IP-adres van het apparaat invoeren). Voorbeeld: Instellingen in de service-interface bij de uitgifte van een statisch IP-adres (verbinding met LAN). De router is een FRITZ!Box met het standaard IP-adres 192.168.178.1 Bij de instellingen in het voorbeeld is de service-interface altijd onder http://192.168.178.222:25000 te bereiken. Afb.: 18. Instellingen in de service-interface bij de uitgifte van een statisch IP-adres (verbinding met LAN). De router is een Fritz!Box.21
Voorwaarden voor de internetbrowser: Geactiveerd JavaScript Microsoft Internet Explorer 11 of hoger Mozilla Firefox v30 of hoger Google Chrome v35 of hoger Opera v20 of hoger f IP-adres van het apparaat en poort (25000) in de adres- regel van de internetbrowser invoeren. Î “6.3 Netwerkverbinding” f PIN3 (Installation PIN) invoeren.
Het hoofdmenu van de service-interface wordt geo- pend. Bij invoer van de PIN1 (APP PIN) kunnen geen wijzigingen in het menu “Installation Settings” worden uitgevoerd. f Tijd synchroniseren. Î “6.6 Tijdsynchronisatie” Op het led-infoveld verschijnt een storingsmel- ding, als de tijd niet is gesynchroniseerd. De volgende submenu's worden getoond: “Production Settings”: Weergeven van de fabrieksinstel- lingen en hard-/ softwareversies. “Installation Settings”: Instellingen voor inbedrijfstelling uitvoeren. “User Settings”: Klantspecifieke instellingen uitvoeren. “Whitelist”: RFID-kaarten (gebruiker) vastleggen. “Systeem”: back-up van de uitgevoerde instellingen, herstart van het apparaat, update van de software. f Configureer het apparaat onder inachtneming van de omstandigheden en klantwensen. f Uitgevoerde configuratie door klikken op het schakel- vlak “Submit” opslaan.
6.4.1 Menu “Production Settings”
In het menu “Production Settings” worden de fabrieksin- stellingen en de versies van hardware en software weerge- geven. U kunt hier geen wijzigingen aanbrengen. Wallbox Data Waarde Beschrijving HMI HW Version Hardwareversie HMI HMI SW Version Softwareversie HMI HMI Type HMI-type HMI IO Status Status van de in- en uitgangen HMI Temperature Internal [°C] HMI-temperatuur HMI Temperature External [°C] Apparaattemperatuur HMI Error Code HMI-foutcode RFID Version Versie van de RFID-kaartlezer WLAN Version Versie van de WLAN-module HCC3 HW Version Hardwareversie van de HCC 3 HCC3 SW Version Softwareversie van de HCC 3 HCC3 IO State Status van de in- en uitgangen van de HCC 3 HCC3 CP/PP-State Status van de CP/ PP-signaalcontacten HCC3 Error Code Foutcode van de HCC 3 AMTRON Operation Mode Bedrijfsmodus van het apparaat Gebruikshandleiding AMTRON Xtra (E/R), Premium (E/R/W) “5.1 Functiebeschrijving van de bedrijfsmodi” AMTRON Name Naam van het apparaat AMTRON NDN Naam netwerkapparaat AMTRON State Bedrijfstoestand van het apparaat AMTRON RS485 adres Netwerkadres van het apparaat bij actieve RS-485 busverbinding (SCU-modus) AMTRON Connector Type Stekkersysteem van het apparaat AMTRON No. of Phases Aantal netfasen22 External Tariff Switch Connected Geen extern tariefomschakelings- signaal aanwezig Extern tariefomschakelingssignaal aanwezig Gebruikshandleiding AMTRON Xtra (E/R), Premium (E/R/W) “5.1 Functiebeschrijving van de bedrijfsmodi” Monitoring Relay Wired to 1 Phase Only Bewaking van alle drie fasen (bij apparaten de driefasig worden gebruikt) Bewaking van één fase (bij apparaten die eenfasig worden gebruikt) Informatie over “AMTRON Installation Current” Bij de apparaten met 3,7 kW laadvermogen zonder installa- tieautomaat is het mogelijk, deze op 7,4 kW laadvermogen te configureren. f Veld “AMTRON Installation Current” instellen op 32 A.
GEVAAR Brandgevaar door overbelasting van het apparaat Bij een ongepast ontwerp van de stroomonderbreker en de toevoerleiding bestaat brandgevaar door overbelasting van het apparaat. f Plaats de toevoerleiding en de zekeringautomaat over- eenkomstig de technische gegevens van het apparaat. Î “5.3 Installatie ter plaatse” De lading met 7,4 kW laadvermogen kan alleen met een laadkabel plaatsvinden, welke is ontwor- pen voor 32 A. AMTRON Rated Current Maximale laadstroom AMTRON Serial Number Serienummer van het apparaat AMTRON Order Number Artikelnummer van het apparaat AMTRON Temperature Sensor Installed yes: Interne temperatuursensor aanwezig no: Interne temperatuursensor niet aanwezig AMTRON Local Fuses Installed yes: Interne LS- en FI-schakelaar aanwezig no: Interne LS- en FI-schakelaar niet aanwezig AMTRON Production Settings Write Enabled yes: “Production Settings” schrijfbeveiligd no: “Production Settings” bewerkbaar HCC3 Ethernet MAC Address MAC-adres van de LAN-interface van de HCC 3 HCC3 Total Energy [Wh] Som van de geladen energie
6.4.2 Menu “Installation Settings”
In het menu “Installation Settings” kunnen de instellingen voor de inbedrijfstelling worden uitgevoerd. f Instellingen onder inachtneming van de uitgevoerde installatie uitvoeren. Î “5.3 Installatie ter plaatse” Installation Data Waarde Beschrijving AMTRON Installation Current Invoer: maximale laadstroom in A Energy Manager Present Geen energiemanager gebruiken Energiemanager gebruiken f Als een energiemanager moet worden gebruikt, bovendien onder “Energy Manager Configuration” de gewenste energiemanager selecteren.23
Energy Management Configuration Waarde Beschrijving Energy Manager Protocol Selectie: Protocol bij gebruik van een energiemanager Simple Energy Management Protocol (SEMP) Energy Control Interface (ECI)
6.4.3 Menu “User Settings”
In het menu “User Settings” kunnen klantspecifieke instel- lingen worden uitgevoerd. Wallbox Configuration Waarde Beschrijving AMTRON Customer Current Limitation Invoer: Begrenzing van de maximaal beschikbare laadstroom in A AMTRON Wallbox Name Invoer: Apparaatnaam De apparaatnaam wordt in de MENNEKES Charge App en de ser- vice-interface weergegeven. Enable RFID Authorization RFID-kaartlezer geactiveerd RFID-kaartlezer gedeactiveerd Power Fail Continue Het laadproces wordt na een stroomuitval voortgezet Het laadproces wordt na een stroomuitval beëindigd Autostart Charging Het laadproces start na het aanslui- ten van het voertuig automatisch Het laadproces moet na het aan- sluiten van het voertuig handmatig worden gestart Bij geactiveerde RFID-kaartlezer wordt met deze instelling geen rekening gehouden. Enable Stop Button Stopknop geactiveerd Stoptoets gedeactiveerd Color Schema Invoer: Kleurschema op het led-info- veld Enable RFID Beep Akoestische terugkoppeling van de RFID-kaartlezer geactiveerd Akoestische terugkoppeling van de RFID-kaartlezer gedeactiveerd Enable WLAN Communication WLAN-module geactiveerd WLAN-module gedeactiveerd AMTRON Operation Mode Selectie: Bedrijfsmodus van het appa- raat In het menu “User Settings” kunnen klantspecifieke instel- lingen worden uitgevoerd. Onder “Alignment with Browser Time” worden de gege- vens van de internetbrowser overgenomen. Onder “Manual Configuration” moeten de gegevens handmatig worden ingevoerd.24 Electro Vehicle Data Alleen configureerbaar, wanneer geen RFID-kaartlezer geactiveerd / aanwezig of de bedrijfsmodus “SCU” actief is. Anders kan de functie in het menu “Whitelist” worden ingesteld. Waarde Beschrijving No. of Vehicle Phases Selectie: Aantal fases, waarmee het voertuig laadt Minimum Current per Phase Selectie: Minimale laadstroom per fase, die het voertuig voor het laden nodig heeft. Maximum Current per Phase Selectie: Maximale laadstroom per fase, die het voertuig voor het laden nodig heeft EV Wake-Up Wake-up-functie geactiveerd Wake-up-functie gedeactiveerd Is de wake-up-functie geactiveerd, kun- nen oudere voertuigen uit de stand-by- modus worden gehaald, zodat de lading kan worden voortgezet. Sommige voertuigen reageren mogelijk verkeerd op het wake- up-signaal. MENNEKES aanvaardt geen verantwoordelijkheid voor de probleemloze reactie aan de voertuigzijde. Integratie in het thuisnetwerk via LAN Ethernet Settings Waarde Beschrijving Use Static IP Address Statisch IP-adres gebruiken Statisch IP-adres niet gebruiken Static IP Address Invoer: Statisch IPadres Static Netmask Invoer: Statisch netwerkadres Static Gateway Address Invoer: IP-adres van de router In het submenu “Ethernet Status” worden de volgende gegevens weergegeven: Ethernet IP Address Ethernet Subnet Mask Ethernet Gateway IP Address Source of Ethernet IP Address Ethernet MAC Address Netwerkverbinding door access point WLAN Access Point Mode Settings Waarde Beschrijving Network Name / SSID Invoer: Netwerknaam van het WLAN, dat het apparaat ter beschikking stelt Channel Selectie: WLAN-kanaal bij gebruik van het apparaat als access point Security Mode Selectie: WLAN-versleuteling. Country of Operation Selectie: Land, waarin het apparaat wordt gebruikt25
Integratie in het thuisnetwerk via WLAN WLAN STA/Client Mode Settings Waarde Beschrijving Network Name / SSID Invoer: Naam van het thuisnetwerk WLAN Key Invoer: WLAN-wachtwoord Access Point BSSID (optional) Zijn meerdere WLAN-toegangspunten aanwezig, wisselt het apparaat afhan- kelijk van de ontvangst tussen de toegangspunten. Om het apparaat een vast toegangspunt toe te wijzen, kan hier de BSSID van het toegangspunt optioneel worden ingevoerd. Security Mode Selectie: WLAN-versleuteling Use Static IP Address Statisch IP-adres gebruiken Statisch IP-adres niet gebruiken Static IP Address Invoer: Statisch IPadres Static Netmask Invoer: Statisch netwerkadres Static Gateway Address Invoer: IP-adres van de router In het submenu “WLAN Status” worden de volgende gege- vens weergegeven: Active WLAN Mode Status Details Broadcasting SSID WLAN Channel WLAN MAC Address Connected Clients WLAN IP Address WLAN Subnet Mask
6.4.4 Menu “Whitelist”
Het menu “Whitelist” wordt alleen getoond, wanneer een RFID-kaartlezer in het apparaat aanwezig is (bij de uitvoeringsvarianten Premium (E/R/W)). In het menu “Whitelist” kunnen de Whitelist-invoeren voor de RFID-kaarten worden bewerkt, toegevoegd of gewist. De Whitelist kan worden geëxporteerd of geïmporteerd. f PIN3 (whitelist PIN) invoeren. Toevoegen van een RFID-kaart f In het menu “Whitelist” het submenu “Add Entry” selec- teren. General Data Waarde Beschrijving Card Name Invoer: Gewenste benaming van de RFID- kaart Unique
Invoer: Nummer van de RFID-kaart Is het nummer van de RFID-kaart niet bekend dan kan deze via een kaartle- zer worden uitgelezen. Master RFID-kaart is een master-RFID-kaart RFID-kaart is geen master-RFID-kaart Optional Data Deze gegevens worden alleen in de bedrijfsmodus “Energy Manager” beschouwd. Waarde Beschrijving Vehicle Phases Invoer: Fasenaantal van het voertuig. Min. Current per Phase Invoer: Minimale laadstroom per fase Max. Current per Phase Invoer: Maximale laadstroom per fase26 Bewerken van een RFID-kaartinvoer In het menu “Whitelist” wordt een lijst van de reeds aan- gelegde RFID-kaarten getoond. Hier kunnen de invoeren worden bewerkt. f Om een invoer te bewerken, op het schakelvlak “Edit” klikken. Whitelist exporteren f In het menu “Whitelist” het submenu “Export” selecte- ren. f Op het schakelvlak “Export Whitelist as Excel CSV” klik- ken. f De gewenste opslaglocatie selecteren. Whitelist importeren f In het menu “Whitelist” het submenu “Import” selecte- ren. f Op het schakelvlak “Zoeken” klikken en het gewenste CSV-bestand selecteren. f Op het schakelvlak “Overwrite Whitelist from Excel CSV” klikken, om de actuele Whitelist te overschrijven. Waarde Beschrijving EV Wake-Up Wake-up-functie geactiveerd Wake-Up-functie gedeactiveerd Is de wake-up-functie geactiveerd, kun- nen oudere voertuigen uit de stand- by-modus worden gehaald, zodat de lading kan worden voortgezet. Sommige voertuigen reage- ren mogelijk verkeerd op het wake-up-signaal. MENNEKES aanvaardt geen verantwoorde- lijkheid voor de probleemloze reactie aan de voertuigzijde. Een RFID-kaart wissen In het menu “Whitelist” wordt een lijst van de reeds aan- gelegde RFID-kaarten getoond. Hier kunnen de kaarten worden gewist. f de RFID-kaart van de Whitelist te wissen, op het scha- kelvlak “Delete” klikken Het apparaat vereist noodzakelijkerwijs twee als master geprogrammeerde RFID-kaarten. Mocht een als master geprogrammeerde kaart via de service-interface of de Charge App worden gewist, wordt automatisch de volgende onbe- kende RFID-kaart, die voor de RFID-lezer wordt gehouden, als master geprogrammeerd.27
Waarde Beschrijving Backup Settings Uitvoeren van een back-up van de uit- gevoerde instellingen. De instellingen onder “Installation Data”, “Production Settings” en “User Settings” (behalve “Wallbox Date and Time Configuration”) worden beveiligd en het back-up-bestand gedownload. Download System Logfile Downloaden van een logbestand. Deze is bestemd voor foutopsporing en kan alleen door MENNEKES worden uitgelezen. Restore Data from Backup Uploaden van het onder “Backup Settings” gedownloade bestand.De in het bestand beveiligde instellingen worden overgenomen. De IP-instellingen en de naam van het apparaat worden bij het terugzetten van een back-up overschreven. Hierdoor kan het na de herstart tot een IP-adres- conflict komen. f Apparaat van het netwerk scheiden en het IP-adres evenals de naam opnieuw instellen. Voor een snellere eerste installatie van meerde- re AMTRON met gelijke instellingen gebruikt u een (master-) back-up met geac- tiveerde DHCP. Configureer na de Restore de net- werkinstellingen van de AMTRON op ieder apparaat afzonderlijk. Update firm- ware Uploaden van de actuele besturings- software van het apparaat Reboot Opnieuw starten van het apparaat Procedure “Firmware Update” De actuele besturingssoftware kan onder www.AMTRON.info worden gedownload. f Het adres www.AMTRON.info in de adresregel van de internetbrowser invoeren. f Het serienummer van uw apparaat in het invoerveld “Toegang” invoeren. f In het bereik “Download” het schakelvlak “Software Update” selecteren. f De actuele software (naam bijv. HCC3Application.bin) downloaden en opslaan. f In de service-interface naar “System” > “Firmware Update” navigeren. f De gedownloade besturingssoftware selecteren. f Op het schakelvlak “Update AMTRON” klikken, om de software-update uit te voeren. f De instructies opvolgen. f Haal het apparaat drie minuten van de voeding en start het opnieuw op. Wordt de update voortijdig onderbroken (bijv. door spanningsuitval), moet het apparaat nieuw worden gestart (bijv. via het schakelvlak “Reboot”), voor een nieuwe update-poging wordt uitgevoerd.
6.5 Apparaat controleren
Controle conform IEC 60364 (in Duitsland conform DIN VDE 0100) alsmede nationale voorschriften Voer bij de eerste inbedrijfstelling en in de aangegeven onderhoudsintervallen een controle uit van het laadstation conform IEC 60364 (in Duitsland conform DIN VDE 0100) en de overeenkomstige geldende nationale voorschriften. De controle kan worden uitgevoerd in combinatie met het MENNEKES-testkastje en een testapparaat voor gestan- daardiseerde testen. Het MENNEKES-testkastje simuleert daarbij de voertuigcommunicatie. Testkastjes zijn bij MENNEKES als toebehoren verkrijgbaar. f Voor de goedkeuring van het apparaat een controle conform norm uitvoeren. Gebruikshandleiding van het testkastje.28
6.7 MENNEKES Charge App
Het bedienen van het apparaat met de MENNEKES Charge App is in de bedrijfsmodus “SCU” niet mogelijk. Het bedienen van het apparaat gebeurt met een mobiel eindapparaat (smartphone, tablet) via de MENNEKES Charge App. U kunt het apparaat op afstand besturen en de lopende procedure op elk moment starten of stoppen. Alle informatie over de lopende lading wordt weergege- ven. Een functiebeschrijving van de MENNEKES Charge App vindt u op YouTube onder “MENNEKES Charge App” in het Duits, Engels en Nederlands evenals onder QR-code hiernaast. Voorwaarden: Om de MENNEKES Charge App met het apparaat te ver- binden, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: Uw mobiele eindapparaat heeft het besturingssysteem IOS of Android. Installatie van de MENNEKES Charge App op het mobiel eindapparaat. Deze is gratis beschikbaar in de Apple App Store en in de Google Play Store. Het apparaat is ingeschakeld en bedrijfsklaar. Bij eindapparaten met het besturingssysteem Android moet u evt. het netwerk voor mobiele telefonie-gegevensdiensten deactiveren. Afb.: 19. Video “MENNEKES Charge App” (Engels)
6.6 Tijdsynchronisatie
Bij de eerste inbedrijfstelling en na een stroomuitval langer dan vier uur, is een tijdsynchronisatie nodig. De tijdsynchronisatie is via de MENNEKES Charge App of via de service-interface mogelijk.
6.6.1 Tijdsynchronisatie via de MENNEKES Charge App
De tijdsynchronisatie met een Smartphone / tablet via de MENNEKES Charge App gebeurt automatisch zodra een verbinding met het apparaat wordt gemaakt. Er hoeven geen andere handelingen meer uitgevoerd te worden.
6.6.2 Tijdsynchronisatie in de service-interface
De tijdsynchronisatie gebeurt in de service-interface onder “User Settings” > “Wallbox Date and Time Configuration”. Onder “Alignment with Browser Time” worden de gege- vens van de internetbrowser overgenomen. Onder “Manual Configuration” worden de gegevens handmatig ingevoerd. “Timezone Offset” is het verschil van de lokale tijdzone en de Coordinated Universal Time (UTC, wereldtijd) in minuten. Voorbeeld voor Duitsland en Midden Europa De afwijking van de lokale tijdzone van UTC bedraagt 1 uur, dus moet de parameter “Timezone Offset” op 60 minuten worden inge- steld.29
Om een verbinding tussen het mobiele eindapparaat en de MENNEKES Charge App tot stand te brengen, zijn er twee mogelijkheden: Voor sommige taken is de invoer van een PIN-code noodzakelijk. Deze treft u aan op het installatiegegevens- blad. Als u tien keer een onjuiste PIN-code invoert, wordt de invoer van de PIN-code vijf minuten lang geblok- keerd. Door access point Het access point is altijd actief, wanneer het apparaat niet met WLAN in een thuisnetwerk is geïntegreerd of geen WLAN-netwerk beschikbaar is. f WLAN op het eindapparaat activeren. f Naar beschikbare WLAN-netwerken zoeken. f Het netwerk van het gewenste apparaat selecteren. De naam wordt samengesteld uit de productnamen en het MAC- adres van het apparaat (bijvoorbeeld AMTRON_7C70BCxxx). f WLAN WPA2 Key (installatiegegevensblad) invoeren en met het netwerk verbinden. Integratie in het thuisnetwerk Is het apparaat en het eindapparaat in het thuisnetwerk geïntegreerd, is geen verdere configuratie noodzakelijk. Î “6.3.2 In het thuisnetwerk integreren” Bedienen Door access point Integratie in het thuisnetwerk30
GEVAAR Gevaar voor elektrische schokken bij beschadigde appa- raten Bij gebruik van een beschadigd apparaat bestaat het gevaar op een elektrische schok. f Gebruik het apparaat niet wanneer deze schade vertoont. f Kenmerk het beschadigde apparaat, zodat dit niet door andere personen gebruikt wordt. f Verhelp schade onmiddellijk. f Neem het apparaat evt. buiten bedrijf, Aanbevolen onderhoudsintervallen Controle-intervallen van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen in overeenstemming met het DGUV-voorschrift 3. Component Onderhoudswerk Verantwoordelijke Dagelijks / bij elke lading Apparaat Visuele inspectie op defecten Gebruiker / exploi- tant Controle van de operationele gereedheid Exploitant Halfjaarlijks Aardlekbevei- ligingsvoor- ziening Functiecontrole Exploitant / elek- tromonteur Laadkabel Herhaling van de metingen en inspecties conform VDE 0701/702 Elektromonteur Jaarlijks Apparaat Herhaling van de metingen en inspecties conform VDE 0105-100 Elektromonteur f Documenteer het onderhoud voldoende. f Vraag eventueel een onderhoudsprotocol bij de sup- port van MENNEKES aan. Î “1.1 Service” Een onderhoudsovereenkomst verzekert een regelmatige controle.
6.7.2 Verbinding met het apparaat
Automatische verbinding f MENNEKES Charge App openen. f Tik op “Wallbox zoeken” om de beschikbare apparaten in uw netwerk te zoeken. f Is het gewenste apparaat gevonden, aan de hand van het serienummer (SNR) selecteren (installatiegegevens- blad). f Voer PIN1 (APP PIN) van het apparaat in en wijzig de naam, indien nodig. f Bevestig de invoer met “Opslaan”. Handmatige verbinding In zeldzame gevallen wordt het apparaat niet automatisch gevonden. U heeft dan de mogelijkheid om het apparaat handmatig aan te sluiten. f Tik op “Handmatig instellen” f IP-adres en de bijbehorende PIN1 (APP PIN) van het apparaat invoeren en indien nodig naam wijzigen. IP Adresse als Access Point: 172.31.0.1 IP-adres bij integratie in het thuisnetwerk: Afhankelijk van de configuratie Γ6.3.2 In het thuisnetwerk integreren” f Bevestig de invoer met “Opslaan”.31
Neem voor de foutoplossing de volgende volgorde in acht:
1. Foutcode in de MENNEKES Charge App aflezen.
2. Apparaat drie minuten scheiden van het voedingsnet.
3. Controleer de volgende aspecten:
Het apparaat is correct aangesloten en geconfigureerd. Er is een spanningsvoorziening en een netwerkverbinding. De software is actueel. Alle klempunten zijn vast. De kabels zijn in een correcte toestand.
4. Storing verhelpen door middel van foutcodes.
5. Neem indien nodig contact op met uw verantwoordelijke servicepartner.
6. Storing eventueel met de multifunctionele resp. stopknop bevestigen of het apparaat drie minuten van het voedings
Voor gedetailleerde foutendiagnose worden foutcodes in de service-interface en in de MENNEKES Charge App uitgegeven. Oproep in de service-interface f Navigeren naar “Production Settings”. Onder “HCC3 Error Code” bevindt zich de foutcode.Oproep in de MENNEKES Charge App f Navigeren naar “Wallbox configureren” > “Wallbox-gegevens”. Onder “Actuele foutcode” bevindt zich de foutcode.Foutcode BetekenisActiveringsschakelaar (voorbeelden)Oplossing00 Geen fout10 InstallatiefoutFasevolgorderelais foutief (bijvoorbeeld verkeerd draaiveld, ontbrekende fase) f Voedingsspanning controleren. Γ6.2 Spanningsvoorziening bewaken”Aardlek- resp. installatieau-tomaat geactiveerd f Aardlek-resp. installatieautomaat inschakelen. Gebruikshandleiding AMTRON Xtra (E/R), Premium (E/R/W): “5.5 Multifunctionele schakelaar” 11 Controllerfout Apparaat reageert niet f Storing bevestigen.
Foutieve configu-ratieLaden niet mogelijk f Instellingen in de service-interface controleren. f Wanneer LED-infoveld permanent brandt: Storing bevestigen. Te hoge tempe-ratuurInterne temperatuursensor geactiveerd (bij > 60° C) f Het apparaat laten afkoelen. f Locatie controleren. Γ5.1 Keuze van de plaats van opstelling” f Storing bevestigen.32
Spiegel- contactfout Relais kleeft of niet aange- draaid f Relais controleren en eventueel vervangen. f Storing bevestigen. Spiegelcontact defect f Spiegelcontact controleren en eventueel vervangen. f Storing bevestigen.
Apparaattijd ongeldig Ongeldige of geen systeem- tijd Γ6.6 Tijdsynchronisatie”
Starten apparaat mislukt Het apparaat start niet of bevindt zich na de start in foutieve toestand f Haal het apparaat drie minuten van de voeding en start het opnieuw op. f Storing bevestigen.
Interne tests mis- lukt Apparaat start niet f Haal het apparaat drie minuten van de voeding en start het opnieuw op. f Storing bevestigen.
HMI niet verbon- den Led-infoveld donker en laden niet mogelijk f Kabelverbinding HMI controleren en eventueel herstel- len. f Storing bevestigen.
Laadkabel ver- keerd ingestoken Laden niet mogelijk f Laadkabel uittrekken en weer insteken. 51 Verkeerde kabel Laden niet mogelijk f Controleer de laadkabel en vervang deze eventueel.
Communicatie met het voertuig gestoord Laden niet mogelijk f Haal het apparaat drie minuten van de voeding en start het opnieuw op. f Wanneer LED-infoveld permanent brandt: Storing bevestigen. f Controleer de laadkabel en vervang deze eventueel. 100 (alleen bij bedrijfs- modus “SCU”) Geen communi- catie met ACU Apparaat ontvangt geen gegevens van de ACU f Configuratie van de ACU controleren. f RS-485-bus controleren f Haal het apparaat drie minuten van de voeding en start het opnieuw op. 101 (alleen bij bedrijfsmo- dus “SCU”) RS-485 bus Fouten Geen verbinding met RS-485-bus f RS-485-bus opnieuw initialiseren. Vanaf HCC 3-softwareversie 1.08 wordt de RS-485-bus automatisch na enige tijd geïnitialiseerd en de storing ver- holpen. 102 (alleen bij bedrijfsmo- dus “SCU”) Onderhoud In de service-interface van de ACU wordt onderhoud uitgevoerd Zodra het onderhoud is afgesloten, wordt de foutcode niet meer getoond. 103 (alleen bij bedrijfsmo- dus “SCU”) Oplaadpunt gedeactiveerd Het oplaadpunt werd in de service-interface van de ACU gedeactiveerd f Navigeer naar “Startpagina” > “Setup” > “SCU-setup” in de service-interface van de ACU. f Deactiveer “SCU Disabled”. Installatiehandleiding MENNEKES ACU / SCU 255 Onbekende fout33
9. Buitenbedrijfstelling en
demontage Leitungen afkoppelen f Apparaat openen. Î “5.4 Apparaat openen” f Voedings-, gegevens-, en stuurleiding afklemmen. f Kabels door de membraanschroefaansluiting uit de behuizing leiden. Apparaat demonteren f Afsluitstop en schroeven verwijderen. f Apparaat van de wand nemen. f Apparaat sluiten. Î “5.9 Apparaat sluiten”
Een juiste opslag kan de bedrijfszekerheid van het appa- raat positief beïnvloeden en in stand houden. f Apparaat voor de opslag reinigen. f Apparaat in de originele verpakking of met geschikte verpakkingsmaterialen schoon en droog opslaan. f Neem de toegestane opslagcondities in acht. Toegestane opslagcondities Opslagtemperatuur -25°C... + 40 °C Gemiddelde temperatuur in 24 uur < 35 °C Relatieve luchtvochtigheid max. 95 % (niet-condenserend)
8.2 Reserveonderdelen
Zijn voor de probleemoplossing reserve- of toebehoorde- len noodzakelijk, moeten deze eerst worden gecontroleerd op identiek ontwerp. f Uitsluitend originele reserveonderdelen en accessoires gebruiken, die door MENNEKES geproduceerd en / of vrijgegeven zijn.
8.3 Laadstekker noodontgrendelen
Bij de uitval de ontgrendelingsfunctie kan de laadstekker door de actuator op het contactdoospaneel mechanisch vergrendeld zijn. De laadstekker kan niet worden uitge- trokken en moet handmatig worden ontgrendeld. f Apparaat openen. Î “5.4 Apparaat openen” f Rode hendel (2) op de vierkante as van de actuator (1) steken. De rode hendel is in de buurt van de actuator bevestigd met een kabelbinder. f Rode hendel aan de actuator 90° rechtsom draaien. f Laadstekker uittrekken. f Rode hendel verwijderen en de hendel in de buurt van de actuator met een kabelbinder bevestigen. f Apparaat sluiten. Î “5.9 Apparaat sluiten” Afb.: 20. Laadstekker noodontgrendelen34 eMobility-Gate- way MENNEKES eMobility-Gateway voor intelligente netwerkvorming van laadsystemen en voor koppeling met backend-systemen. HCC 3 Eenheid voor de besturing van het laadproces en de communicatie met het voertuig (bij mode-3-oplading) Installatie- automaat Leidingveiligheidsschakelaar Modus3 (IEC 61851) Laadmodus voor voertuigen met com- municatie-interface op laadcontactdo- zen type 2. PP Proximity Pilot of Plug Present Contact voor het vastleggen van de stroomcapaciteit van de laadleiding en voor het activeren van de wegrijdblok- kering. RFID Autorisatiemogelijkheid via RFID-kaart op de apparaten. RS-485 bus Interface-standaard voor digitale gege- vensoverdracht. In het onderhavige geval: verbinding tussen ACU en tot max. 16 SCU's. SCU Socket Control Unit Eenheid voor het aansturen van het afzonderlijke laadpunt en voor de com- municatie met het voertuig. Type2 (IEC 62196-2) Een- en driefasig laadcontactmateriaal met identieke contactbezetting voor laadvermogens van 3,7 tot 44 kW AC. UID User Identifier Gebruiker-identificatie op een compu- ter. Whitelist Interne database voor beheer van gebruikersgegevens (bijv. RFID- kaarten).
Het apparaat en de verpakking moeten aan het einde van de gebruiksduur overeenkomstig de voorschriften worden afgevoerd. Voor de verwijdering en de bescherming van het milieu moeten de landelijke wettelijke voorschriften van het gebruiksland in acht worden genomen. Apparaten en accu's mogen niet worden weggegooid bij het afval. f Voer het verpakkingsmateriaal af naar daarvoor aange- wezen containers. f Voer oude apparaten en accu's af via uw dealer.
13. Verklarende woordenlijst
Begrip Toelichtende informatie Aardlek- schakelaar Aardlekschakelaar Type A = pulsstroomgevoelig Type B = gevoelig voor alle strooms- oorten ACU Accounting Control Unit Eenheid voor communicatie met de SCU's / HCC 3's van de laadstations en voor aansluiting op backend systemen. Een ACU is in de eMobility-Gateway en in laadzuilen Smart gemonteerd. Backend- systeem Infrastructuur voor het aansturen van laadstations en voor het beheren van persoonlijke toegangsgegevens. CP Control Pilot Kabel in de stekkervoorziening voor communicatie tussen voertuig en apparaat.1
SimpelGids