AMTRON Compact 2.0S 11 - Autolader Mennekes - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AMTRON Compact 2.0S 11 Mennekes in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over AMTRON Compact 2.0S 11 Mennekes
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Autolader in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AMTRON Compact 2.0S 11 - Mennekes en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AMTRON Compact 2.0S 11 van het merk Mennekes.
GEBRUIKSAANWIJZING AMTRON Compact 2.0S 11 Mennekes
Gebruiks- en installatiehandleiding
1.2 Waarschuwingen 2
1.3 Gebruikte symbolen 2
2 Voor uw veiligheid.... 3
2.1 Doelgroepen.... 3
2.2 Beoogd gebruik.... 3
2.3 Oneigenlijk gebruik.... 3
2.4 Fundamentele veiligheidsinstructies ..... 4
2.5 Veiligheidsstickers 4
3 Productbeschrijving 6
3.1 Essentiële uitrustingskenmerken: 6
3.2 Typeplaatje....6
3.5 Laadmodi bij laden op zonne-energie...... 8
3.6 LED-infoveld 8
5.1 Locatie kiezen 13
5.1.1 Toelaatbare omgevingsomstandigheden.. 13
5.2 Voorbereidende werkzaamheden ter plaatse....14
5.2.1 Voorgeschakelde elektrische installatie .... 14
5.2.2 Veiligheidsvoorzieningen.... 14
5.3 Product vervoeren.... 15
5.4 Product openen 15
5.5 Product aan de wand monteren.... 16
5.6 Elektrische aansluiting 17
5.6.1 Netvormen.... 17
5.6.2 Stroomvoorziening.... 17
5.6.3 Arbeidsstroomactiveringsschakelaar...... 17
5.7 Dataleiding (modbus RTU) aansluiten...... 18
6 Inbedrijfstelling.... 20
6.1 Basisinstellingen via dipschakelaar...... 20
6.1.1 Product configureren.... 20
6.1.2 Maximale laadstroom instellen 21
6.1.3 Autorisatie via RFID inrichten 21
6.1.4 Scheeflastbegrenzing instellen 21
6.2 Use cases 22
6.2.1 Downgrade.... 22
6.2.2 Bescherming tegen stroomuitval 23
6.2.3 Laden op zonne-energie....25
6.2.4 Energiebeheersysteem 29
6.3 Product inschakelen.... 31
6.4 Product testen.... 31
6.5 Verdere instellingen.... 31
6.5.1 Beschrijving van de configuratietool...... 31
6.5.2 RFID-kaarten beheren....32
6.6 Product sluiten ....33
7 Bediening.... 35
7.1 Autoriseren 35
7.2 Voertuig laden ....35
8 Instandhouding.... 37
8.1 Onderhoud.... 37
8.2 Reiniging....38
10.2 Afvoeren ....40
1 Over dit document
Het laadstation wordt hierna "product" genoemd. Dit document is geldig voor de volgende product-variant(en):
■ AMTRON® Compact 2.0s 11
■ AMTRON® Compact 2.0s 22
Dit document bevat informatie voor de elektromonteur en de exploitant. Dit document bevat o.a. belangrijke aanwijzingen voor de installatie en voor het correcte gebruik van het product.
Copyright ©2022 MENNEKES Elektrotechnik GmbH & Co. KG
1.1 Contact
Neem bij vragen over het product contact op met uw verantwoordelijke servicepartner. Op onze homepage onder "Partner zoeken" vindt u geschoolde contactpersonen in uw regio.
MENNEKES
Gebruik voor direct contact met MENNEKES het formulier onder "Contact" op onze homepage.
FAQ
Meer informatie over het thema elektromobiliteit vindt u op onze homepage onder "FAQ".
1.2 Waarschuwingen
Waarschuwing voor persoonlijk letsel
GEVAAR
De waarschuwing markeert een onmiddellijk gevaar, dat leidt tot de dood of zware verwondingen.
WAARSCHUWING
De waarschuwing markeert een gevaarlijke situatie, die kan leiden tot de dood of zware verwondingen.
VOORZICHTIG
De waarschuwing markeert een gevaarlijke situatie, die kan leiden tot lichte verwondingen.
Waarschuwing voor materiële schade
LET OP
De waarschuwing markeert een gevaarlijke situatie, die kan leiden tot materiële schade.
1.3 Gebruikte symbolen

Het symbool geeft handelingen aan die alleen door een elektromonteur uitgevoerd mogen worden.

Het symbool geeft een belangrijke aanwijzing aan.

Het symbool kenmerkt een aanvullende, nuttige informatie.
√ Het symbool markeert een voorwaarde.
▶ Het symbool geeft een oproep tot actie aan.
→ Het symbool geeft een resultaat aan.
■ Het symbool geeft een opsomming aan.
Het symbool verwijst naar een ander document of een andere tekstpassage in dit document.
2 Voor uw veiligheid
2.1 Doelgroepen
Dit document bevat informatie voor de elektromonteur en de exploitant. Voor bepaalde activiteiten is kennis van de elektrotechniek vereist. Deze activiteiten mogen alleen worden uitgevoerd door een elektromonteur en zijn gemarkeerd met het symbool Elektromonteur.
"1.3 Gebruikte symbolen" [▶ 2]
Exploitant
De exploitant is verantwoordelijk voor het beoogde en het veilige gebruik van het product. Dit omvat ook de instructie van personen die het product gebruiken. De exploitant is ervoor verantwoordelijk, dat activiteiten, die vakkennis vereisen, worden uitgevoerd door een overeenkomstige vakkracht.
Elektromonteur
Elektromonteur is, wie op grond van zijn vakopleiding, kennis en ervaringen alsmede kennis van de toepasselijke bepalingen, de hem opgedragen activiteiten kan beoordelen en mogelijke gevaren kan herkennen.
2.2 Beoogd gebruik
Het product is bedoeld voor gebruik in particuliere bereiken.
Het product is uitsluitend voorzien voor het opla- den van elektrische en hybride voertuigen, hierna "voertuig" genoemd.
■ Laden conform modus 3 overeenkomstig IEC 61851 voor voertuigen met niet-gassende accu's.
■ Contactmaterial conform IEC 62196.
Voertuigen met gassende accu's kunnen niet worden geladen.
Het product is uitsluitend bedoeld voor de vaste wandmontage of montage aan een statiefsysteem van Mennekes (bijvoorbeeld sokkel) binnen of buiten.
In sommige landen is er een voorschrift, dat een mechanisch schakelelement het laadpunt van het net scheidt, wanneer een lastcontact van het product is gelast (welding detection). Het voorschrift kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd door een shuntvrijgave.
Het product mag alleen met inachtneming van alle internationale en nationale voorschriften worden gebruikt. De volgende internationale voorschriften of de desbetreffende nationale omzetting hiervan moeten o.a. in acht worden genomen:
IEC 61851-1
IEC 62196-1
IEC 60364-7-722
IEC 61439-7
In uitleveringstoestand voldoet het product aan de Europese, normatieve minimale eisen voor laad-puntidentificatie volgens EN 17186. In sommige landen zijn er aanvullende, nationale eisen, die ook in acht moeten worden genomen.
Dit document en alle aanvullende documenten bij dit product lezen, in acht nemen, bewaren en evt. doorgeven aan de volgende exploitant.
2.3 Oneigenlijk gebruik
Het gebruik van het product is alleen veilig bij correct gebruik. Elk ander gebruik alsmede veranderingen aan het product zijn in strijd met het beoogde doel en daarom niet toegestaan.
Voor al het persoonlijk letsel en materiële schade, die ontstaan door oneigenlijk gebruik, zijn de exploitant, de elektromonteur of de gebruiker verant-
woordelijk. MENNEKES Elektrotechnik GmbH & Co. KG aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de gevolgen van oneigenlijk gebruik.
2.4 Fundamentele veiligheidsinstructies
Kennis van de elektrotechniek
Voor bepaalde activiteiten is kennis van de elektrotechniek vereist. Deze activiteiten mogen alleen worden uitgevoerd door een elektromonteur en zijn gemerkeerd met het symbool "Elektromonteur"
"1.3 Gebruikte symbolen" [▶ 2]
Worden activiteiten, die kennis van de elektrotechniek vereisen, uitgevoerd door elektrotechnische leken, kunnen personen zwaar worden verwond of gedood.
▶ Activiteiten, die kennis van de elektrotechniek vereisen, alleen laten uitvoeren door een elektromonteur.
Symbool "Elektromonteur" in dit document in acht nemen.
Beschadigd product niet gebruiken
Bij gebruik van een beschadigd product kunnen personen zwaar worden verwond of gedood.
▶ Beschadigd product niet gebruiken.
▶ Beschadigd product markeren, zodat dit niet door andere personen wordt gebruikt.
Laat eventuele schade onmiddellijk door een elektromonteur verhelpen.
▶ Product evt. buiten bedrijf laten nemen.
Onderhoud deskundig uitvoeren
Ondeskundig onderhoud kan de bedrijfsveiligheid van het product beïnvloeden. Daardoor kunnen personen zwaar worden verwond of gedood.
▶ Onderhoud deskundig uitvoeren.
"8.1 Onderhoud" [▶ 37]
Toezichtplicht in acht nemen
Personen, die mogelijke gevaren niet of slechts beperkt kunnen inschatten, en dieren vormen een gevaar voor zichzelf en anderen.
▶ Personen die risico lopen, bijvoorbeeld kinderen, uit de buurt van het product houden.
Dieren uit de buurt van het product houden.
Laadkabel zoals voorgeschreven gebruiken
Gevaren zoals elektrische schokken, kortsluiting of brand kunnen het gevolg zijn van verkeerd gebruik van de laadkabel.
Belastingen en schokken voorkomen.
▶ Laadkabel niet over scherpe randen trekken.
▶ Laadkabel niet in de knoop trekken en knikken vermijden.
Gebruik geen adapterstekkers of verlengkabels.
▶ Rol de laadkabel bij het laden volledig af.
▶ Plaats de laadkabel niet onder trekspanning.
▶ Laadkabel aan de stekker uit de laadcontact-doos trekken.
▶ Na gebruik van de laadkabel de beschermkap op de laadstekker zetten.
2.5 Veiligheidsstickers
Op sommige componenten van het product zijn veiligheidsstickers aangebracht, die waarschuwen voor gevaarlijke situaties. Worden de veiligheidsstickers niet in acht genomen, kan dit tot ernstige verwondingen of de dood leiden.
Veiligheids- stickers
Betekenis

Gevaar voor elektrische spanning.
▶ Voor werkzaamheden aan het product ervoor zorgen dat er geen spanning op staat.
Veiligheids- stickers
Betekenis

Gevaar bij niet-inachtneming van de bijbehorende documenten.
▶ Voor werkzaamheden aan het product de bijbehorende documenten lezen.
▶ Veiligheidsstickers in acht nemen.
▶ Veiligheidsstickers leesbaar houden.
▶ Beschadigde of onherkenbaar geworden veiligheidsstickers vervangen.
Is vervanging van een onderdeel, waarop een veiligheidssticker is aangebracht noodzakelijk, moet worden verzekerd dat de veiligheidssticker ook op het nieuwe onderdeel is aangebracht. Eventueel moet de veiligheidssticker achteraf worden aangebracht.
NL
3 Productbeschrijving
3.1 Essentiële uitrustingskenmerken:
Algemeen
■ Lading volgens modus 3 overeenkomstig IEC 61851
■ Stekkervoorziening overeenkomstig IEC 62196
Max. laadvermogen (AMTRON® Compact 2.0s 11): 11 kW
Max. laadvermogen (AMTRON® Compact 2.0s 22): 22 kW
■ Aansluiting: eenfasig / briefasig
■ Max. laadvermogen configureerbaar door elektromonteur
■ Statusinformatie per LED-infoeld
■ Sleep-modus voor een gereduceerd stand-by-verbruik (ca. 1 W)
■ Vast aangesloten laadkabel type 2 (7,5 m)
■ Geïntegreerde kabelophanging
■ Behuizing van AMELAN®
Mogelijkheden voor autorisatie
■ Autostart (zonder autorisatie)
■ RFID (ISO / IEC 14443 A)
Compatibel met MIFARE classic en MIFARE DESFire
Mogelijkheden voor lokaal lastmanagement
■ Reductie van de laadstroom via een extern schakelcontact (downgrade-ingang)
■ Reductie van de laadstroom bij ongelijkmatige fasebelasting (scheeflastbegrenzing)
■ Opladen met zonne-energie via een stroomopwaartse, externe energiemeter
Eénfasig en briefasig laden op zonne-energie voor laadvermögens van 1,4 - 11 kW (AMTRON® Compact 2.0s 11)
Driefasig laden op zonne-energie voor laadvermögens van 4,2 - 22 kW (AMTRON® Compact 2.0s 22)
■ Lokale bescherming tegen stroomuitval door een stroomopwaartse, externe energiemeter
Mogelijkheden voor koppeling met een extern energiemanagementsysteem (EMS)
Via modbus RTU
Geïntegreerde veiligheidsvoorzieningen
■ Geen geïntegreerde aardlekschakelaar
■ Geen geïntegreerde installatieautomaat
■ DC-aardlekbewaking > 6 mA conform IEC 62955
■ Schakeluitgang voor de aansturing van een externe arbeidsstroomactiveringsschakelaar, om in het geval van een storing (plakkend lastcontact, welding detection) het laadpunt van het net te scheiden
3.2 Typeplaatje
Op het typeplaatje staan alle belangrijke productgegevens.

text_image
MENNEKES Typ.SN: xxxxxxx.xxxxxxx xxxxxx In_A: xx A U_n: xxx V ~ f_n: xx Hz EN xxx 9 — xP+N+ 10 — IPxx 11 — XXXXX D-57399 KirchhundernAfb. 1: Typeplaatje (monster)
1 Fabrikant
2 Typenummer serienummer
3 Typeaanduiding
4 Nominale stroom
5 Nominale spanning
6 Nominale frequentie
7 Standaard
8 Barcode
9 Poolnummer
1 Product
2 4 x RFID-kaart (3 gebruiker en 1 x master, in de uitleveringstoestand zijn de RFID-kaarten al in de lokale whitelist ingeleerd)
3 6 x membraaninvoer
4 Zak met bevestigingsmateriaal (schroeven, pluggen, afsluitdoppen)
5 Zak met materiaal voor aansluiting van de dataleiding (1 schermklem, 2 x kabelbinder)
6 Gebruiks- en installatiehandleiding
7 Aanvullende documenten:
■ Supplement "Dipschakelaar"
■ Boorsjabloon (op kartoninzet gedrukt en ge-perforeerd)
■ Stroomschema
Testcertificaat
Bij de productvariant AMTRON® Compact 2.0s 22 wordt voor de aansluiting van de voedingsleiding met een buitendiameter ≥ 17 mm bovendien een M25 / M32 adapter, een borgmoer en een M32-schroefverbinding bijgevoegd.
3.4 Productopbouw
Extern aanzicht

text_image
M5N40023 ① ② ③ ④ ⑤ ⑥Afb. 3: Extern aanzicht
1 Behuizingsbovengedeelte
2 Laadpuntmarkering conform EN 17186
3 LED-infoveld
4 Behuizingsondergedeelte
5 RFID-kaartlezer
6 Laadkabel
Binnenaanzicht

Afb. 4: Binnenaanzicht
1 Kabelinvoeren *
2 Zonne-toets
3 Klemmen
■ 3 en 4: downgrade-ingang
■ 5 en 6: schakeluitgang externe werkstroom-schakelaar
4 Klemmen voor de aansluiting van de dataleiding (voor modbus RTU)
5 MCU (MENNEKES control unit, stuurapparaat)
6 Dipschakelaar
7 Aansluiting voor de MENNEKES-configuratie-kabel
8 Aansluitklemmen voor stroomvoorziening
* Verdere kabelinvoeren zijn aan de bovenkant en de onderkant aangebracht.
3.5 Laadmodi bij laden op zonne-energie
Voorwaarden:
√ Het product is via modbus RTU verbonden met een externe energiemeter en correct geconfigureerd. De energiemeter registreert de overtollige stroom van de fotovoltaïsche installatie.
"6.2.3.2 Aansluiting en configuratie" [▶ 28]
√ Het laden op zonne-energie is geactiveerd.
"6.1 Basisinstellingen via dipschakelaar" [▶ 20]
√ AMTRON® Compact 2.0s 22: het product is briefasig aangesloten.
Het product heeft 3 laadmodi (Standaard modus, Sunshine modus, Sunshine+ modus).
Standaard modus
De lading gebeurt met maximaal vermogen. Indien niet voldoende overtollige energie is, wordt met netstroom geladen.
Sunshine mode
Het laadvermogen is afhankelijk van de overtollige energie van de fotovoltaïsche installatie. Er wordt uitsluitend geladen met zonne-energie. Het laden start, indien voldoende overtollige energie beschikbaar is om het voertuig met 6 A per fase te laden.
Sunshine+ mode
Het laadvermogen is afhankelijk van de overtollige energie van de fotovoltaïsche installatie. Onafhankelijk ervan, hoeveel stroom de fotovoltaïsche installatie actueel voedt, wordt aan het voertuig altijd de minimale laadstroom beschikbaar gesteld (evt. door netstroom). De minimale laadstroom (standaard: 6 A per fase) is via de configuratietool instelbaar (elektromonteur vereist).

Gedetailleerde informatie over Sunshine en Sunshine+ modus vindt u in het hoofdstuk: "6.2.3 Laden op zonne-energie" [▶ 25]
3.6 LED-infoveld
Het led-infoveld geeft de bedrijfstoestand (bijvoorbeeld stand-by, storing) van het product aan.
Stand-by
| Sym-bool | Betekenis |
| brandt Het product is bedrijfsklaar. Er is geen voertuig met het product verbonden. | |
| knippert lang-zaam | Er is niet voldaan aan alle voorwaarden voor een lading, bijvoorbeeld■ De autorisatie is gelukt. Er is geen voertuig met het product verbon-den.■ Er is een voertuig met het product verbonden. Er is een reden, die het laadproces voorkomt (bijvoorbeeld actieve downgrade-ingang is op 0 A geconfigureerd of commando van het energiebeheersysteem) |
| knippert snel | Er is een voertuig met het product ver-bonden. De autorisatie is niet gelukt. |
| knippert 1x | De voorgehouden RFID-kaart is aan de whitelist toegevoegd (in de aanleermodus). |
Kleur van het symbool: blauw of groen (afhankelijk van de configuratie)
In bedrijfstoestand "Stand-by" kan het product na 10 minuten naar de sleep-modus wisselen, om het eigenverbruik te reduceren. De sleep-modus configureerbaar en in de uitleveringstoestand geactiveerd. Door insteken van de laadkabel of door een autorisatie wordt de sleep-modus beëindigd. In de sleep-modus brandt geen symbool op het led-info-veld.
Laden
Sym-bool![]() | Betekenis |
| brandt Het laadproces loopt. | |
| knippert langzaam | De bedrijfstemperatuur is erg hoog. Het laadproces loopt. De laadstroom wordt gereduceerd, om oververhitting en uit-schakelen van het product te vermij-den. |
| knippert snel | De bedrijfstemperatuur is overschre-den. Het laadproces pauzeert. |
| pulseert | Het laadproces pauzeert. Er is aan alle voorwaarden voor het laden van een voertuig voldaan. Het laadproces pau-zeert vanwege een terugmelding van het voertuig of is door het voertuig be-ëindigd. |
Kleur van het symbool: blauw of groen (afhankelijk van de configuratie)
Zon
| Sym-bool | Betekenis |
![]() | |
| brandt Het product bevindt zich in de "Sunshi-ne modus". | |
| pulseert Het product bevindt zich in de "Sunshi-ne+ modus". | |
| knippert De aanleermodus voor RFID-kaarten is actief (gedurende 60 seconden). | |
Kleur van het symbool: wit
Storing
| Sym-bool | Betekenis |
| brandt Er | is een storing actief, die een laadproces van het voertuig verhindert. De storing kan uitsluitend worden verholpen door een elektromonteur. |
| knippert Er | is een storing actief, die een laadproces van het voertuig verhindert. De storing kan worden verholpen door op-nieuw insteken van de laadstekker of door afkoelen van het product. |
| knippert 1x | ■ De voorgehouden RFID-kaart is niet inde whitelist opgeslagen. Een auto-risatie is niet gelukt.■ Alle RFID-kaarten werden uit de whitelist verwijderd (master-RFID-kaart 10 seconden voorgehouden).■ De voorgehouden RFID-kaart werd uit de whitelist verwijderd (in de aan-leermodus). |
| knippert 3x | Het RFID-kaartgeheugen is vol (max. 10 RFID-kaarten). |
"9 Storingsoplossing" [▶ 39]
Kleur van het symbool: rood
| AMTRON® Compact 2.0s 11 AMTRON® Compact 2.0s 22 | |
| Max. laadvermogen [kW] 11 22 | |
| Nominale stroom I_nA [A] 16 32 | |
| Nominale stroom van een laad-punt modus 3 I_nC [A] | 16 32 |
| Max. voorbeveiliging [A] 20 * 40 * | |
| Voorwaardelijke nominale kort-sluitstroom I_cc [kA] | 1,1 1,8 |
NL
* Voor het ontwerp van de max. voorbeveiliging moeten de op de installatielocatie geldende voorschriften in acht worden genomen.
| AMTRON® Compact 2.0s 11, AMTRON® Compact 2.0s 22 | |
| Aansluiting eenfasig / briefasig | |
| Nominale spanning UN[V] AC ±10 % 230 / 400 | |
| Nominale frequentie fN [Hz] 50 | |
| Nominale isolatiespanning Ui[V] 500 | |
| Nominale stoothoudspanning Uimp[kV] 4 | |
| Nominale belastingsfactor (RDF) 1 | |
| Systeem volgens type van aardeverbinding TN / TT (IT onder bepaalde voorwaarden) | |
| EMV-indeling A+B | |
| Beschermingsgraad | I |
| Beschermingsklasse | IP 44 |
| Overspanningscategorie III | |
| Slagvastheid | IK10 |
| Mate van vervuiling | 3 |
| Opstelling | Buiten of binnen |
| Vast / mobiel | Vaste plaats |
| Gebruik (conform IEC 61439-7) | AEVCS |
| Buitenste bouwvorm | Wandmontage |
| Afmetingen h x b x d [mm] | 360,5 x 206,9 x 145,6 |
| Gewicht [kg] | 4,7 (bij producten met 11 kW); 6,4 (bij producten met 22 kW) |
| Standaard | IEC 61851, IEC 61439-7 |
De concrete normstatus, volgens welke het product werd getest, vindt u in de conformiteitsverklaring van het product.
| Klemlijst voedingsleiding | |||
| Aantal aansluitklemmen 5 | |||
| Kabelmateriaal Koper | |||
| Min. Max. | |||
| Klembereik [mm2] star 0,2 10 | |||
| flexibel 0,2 10 | |||
| met adereindhuls 0,2 6 | |||
| Aanhaalmoment [Nm] 0,8 1,6 | |||
| Aansluitklemmen downgrade-ingang | |||
| Aantal aansluitklemmen 2 | |||
| Uitvoering van het externe schakelcontact Potentiaalvrij (NC) | |||
| Min. Max. | |||
| Klembereik [mm2] star 0,5 4 | |||
| flexibel 0,5 4 | |||
| met adereindhulzen 0,5 2,5 | |||
| Aanhaalmoment [Nm] -- | |||
| Aansluitklemmen schakeluitgang voor arbeidsstroomactiveringsschakelaar | |||
| Aantal aansluitklemmen 2 | |||
| Max. schakelspanning [V] AC 230 | |||
| Max. schakelspanning [V] DC 24 | |||
| Max. schakelstroom [A] 1 | |||
| Min. Max. | |||
| Klembereik [mm2] star 0,5 4 | |||
| flexibel 0,5 4 | |||
| met adereindhulzen 0,5 2,5 | |||
| Aanhaalmoment [Nm] -- | |||
| Aansluitklemmen modbus RTU | |||
| Aantal aansluitklemmen 3 x 2 | |||
| Min. Max. | |||
| Klembereik [mm2] star 0,5 4 | |||
| flexibel 0,5 4 | |||
| met adereindhulzen 0,5 2,5 | |||
| Aanhaalmoment [Nm] -- | |||
5 Installatie
5.1 Locatie kiezen
Voorwaarde(n):
√ Technische gegevens en netwerkgegevens stemmen overeen.
"4 Technische gegevens" [▶ 11]
√ Toelaatbare omgevingsvoorwaarden worden aangehouden.
√ Product en laadlocatie bevinden zich, afhankelijk van de lengte van de gebruikte laadkabel, voldoende dichtbij elkaar.
√ De volgende minimale afstanden tot andere objecten (bijvoorbeeld wanden) worden aangehouden:
■ Afstand links en rechts: 300 mm
■ Afstand naar boven: 300 mm
5.1.1 Toelaatbare omgevingsomstandigheden
GEVAAR
Explosie- en brandgevaar
Wordt het product in explosiegevaarlijke gebieden (Ex-bereik) gebruikt, kunnen explosieve stoffen door vonkvorming van onderdelen van het product ontsteken. Er bestaat explosie- en brandgevaar.
Product niet in explosiegevaarlijke omgevingen (bijvoorbeeld LPG-tankstations) gebruiken.
LET OP
Materiële schade door ongeschikte omgevingsomstandigheden
Ongeschikte omgevingsomstandigheden kunnen het product beschadigen.
Product beschermen tegen directe waterstralen.
▶ Vermijd directe zoninstraling.
Letten op voldoende ventilatie van het product. Minimale afstanden aanhouden.
Product uit de buurt houden van warmtebronnen.
▶ Vermijd sterke temperatuurschommelingen.
Toelaatbare omgevingsomstandigheden
| Min. Max. | |
| Omgevingstemperatuur [°C] -30 +50 | |
| Gemiddelde temperatuur in 24 uur [°C] | +35 |
| Hoogte [m boven zeeniveau] 2.000 | |
| Relatieve luchtvochtigheid (niet condenserend) [%] | 95 |
5.2 Voorbereidende werkzaamheden ter plaatse
5.2.1 Voorgeschakelde elektrische installatie

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.

GEVAAR
Brandgevaar door overbelasting
Bij een ongeschikt ontwerp van de voorgeschakelde elektrische installatie (bijvoorbeeld voedingsleiding) bestaat brandgevaar.
▶ Voorgeschakelde elektrische installatie ontwerpen overeenkomstig de geldende normatieve vereisten, de technische gegevens van het product en de configuratie van het product.

Bij het leggen van de voedingsleiding (doorsnede en leidingtype) altijd de volgende plaatselijke omstandigheden in acht nemen:
■ Type van plaatsing
■ Leidinglengte
▶ Voedingsleiding en evt. stuur- / gegevensleiding naar de gewenste locatie leggen.
Vereisten aan de dataleiding (bijvoorbeeld voor aansluiting op een externe energiemeter of op een energiebeheersysteem) zie hoofdstuk:
"5.7 Dataleiding (modbus RTU) aansluiten"
[▶ 18]
Mogelijkheden van de montage
Aan een wand
■ Aan de staande voet van MENNEKES
Wandmontage:
de positie van de voedingsleiding moet aan de hand van het meegeleverde boorsjabloon of aan de hand van de afbeelding "Boormaten [mm]" worden voorzien.

"5.5 Product aan de wand monteren" [▶ 16]
Montage aan een sokkel:
Deze is bij MENNEKES als toebehoren verkrijgbaar.

Zie installatiehandleiding van de sokkel
5.2.2 Veiligheidsvoorzieningen

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Bij de installatie van de veiligheidsinrichtingen in de voorgeschakelde elektrische installatie moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
Aardlekschakelaar

■ Nationale voorschriften moeten in acht worden genomen (bijvoorbeeld IEC 60364-7-722 (in Duitsland DIN VDE 0100-722)).
In het product is een verschilstroomsensor voor de DC-foutstroombewaking > 6 mA conform IEC 62955 geïntegreerd.
■ Het product moet worden beschermd met een aardlekschakelaar. De aardlekschakelaar moet minstens van het type A zijn.
Er mogen geen andere stroomcircuits op de aardlekschakelaar worden aangesloten.
Verzekering van de voedingsleiding (bijvoorbeeld installatieautomaat, NH-zekering)
i
■ Nationale voorschriften moeten in acht worden genomen (bijvoorbeeld IEC 60364-7-722 (in Duitsland DIN VDE 0100-722)).
De zekering van de voedingsleiding moet o.a. met inachtneming van de typeplaat, het gewenste laadvermogen en de voedingsleiding (leidinglengte, diameter, aantal buitenste geleiders, selectiviteit) aan het product worden aangepast.
■ Voor AMTRON® Compact 2.0s 11 geldt: de nominale stroom van de zekering voor de voedingsleiding mag maximaal 20 A bedragen (met C-karakteristiek).
■ Voor AMTRON® Compact 2.0s 22 geldt: de nominale stroom van de zekering voor de voedingsleiding mag maximaal 40 A bedragen (met C-karakteristiek).
Arbeidsstroomactiveringsschakelaar
▶ Controleren, of een arbeidsstroomactiveringsschakelaar in het land van gebruik is voorgeschreven.
"2.2 Beoogd gebruik" [▶ 3]
i
■ De arbeidsstroomactiveringsschakelaar moet naast de installatieautomaat zijn aangebracht.
■ De arbeidsstroomactiveringsschakelaar en de installatieautomaat moeten compatibel t.o.v. elkaar zijn.
5.3 Product vervoeren

LET OP
Materiële schade door ondeskundig transport
Botsingen en schokken kunnen het product beschadigen.
▶ Botsingen en schokken vermijden.
Product tot de opstellingslocatie ingepakt vervoeren.
▶ Een zachte ondergrond gebruiken voor het neerzetten van het product.
5.4 Product openen

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.

text_image
MENIATOR C MENIATORAfb. 5: Product openen
In de uitleveringstoestand is het bovenstuk van de behuizing niet vastgeschroefd. De schroeven zijn inbegrepen in de leveringsomvang.
▶ Schroeven eventueel losdraaien.
▶ Bovenstuk van de behuizing naar beneden klappen.
5.5 Product aan de wand monteren

LET OP
Materiële schade door oneffen oppervlak
Door de montage op een oneffen oppervlak kan de behuizing kromtrekken, zodat de beschermingsklasse niet meer gegarandeerd is. Er kan gevolgschade aan elektronische componenten ontstaan.
Product alleen monteren op een effen oppervlak.
▶ Oneffen oppervlakken evt. met geschikte maatregelen uitvlakken.

MENNEKES adviseert de montage op een ergonomisch geschikte hoogte afhankelijk van de lichaamslengte.

Het meegeleverde bevestigingsmateriaal (schroeven, pluggen) is alleen geschikt voor een montage op betonnen, stenen en houten wanden.

LET OP
Materiële schade door boorstof
Wanneer boorstof in het product komt, kan dat leiden tot gevolgschade aan elektronische componenten.
▶ Erop letten, dat geen boorstof in het product komt.
▶ Het product niet gebruiken als boorsjabloon en niet door het product boren.
De boorgaten maken met behulp van de boorsjabloon (inbegrepen in de leveringsomvang) of de boorgaten eerst met behulp van de afbeelding "Boormaten [mm]" aftekenen en dan maken. De diameter van de boorgaten is afhankelijk van het gekozen bevestigingsmateriaal.

text_image
110 5.5 60 10.5 250 290 300 55 5.5 140Afb. 6: Boormaten [mm]
Benodigde kabelinvoer aan het vooraf bepaalde breekpunt met geschikt gereedschap uitbreken.
Passende membraaninvoering (in de leveringsomvang inbegrepen) in de betreffende kabelinvoer steken.
| Kabelinvoer Passende membraanin-voer | |
| Bovenkant en onder-kant | Membraaninvoer mettrekontlasting |
| Achterkant Membraaninvoer zonder trekontlasting | |
| Alleen bij AMTRON®Compact 2.0s 22 envoedingsleiding meteen buitendiameter≥17 mm: bovenkant enonderkant | ■ M25 / M32-adapter■ Contramoer■ M32-schroefverbindingAanhaalmoment: 3 Nm |
▶ Voedingsleiding en evt. stuur- / gegevensleiding elk door een kabelinvoer in het product voeren.

In het product is ca. 30 cm voedingsleiding benodigd.
Product met gebruik van pluggen, schroeven en afdichtpluggen aan de wand monteren. Aan-haalmoment kiezen, afhankelijk van het materiaal van de wand.

LET OP
Materiële schade door ontbrekende afdichtpluggen
Worden de schroeven in de behuizing niet of slechts onvoldoende afgedekt met de meegeleverde afdichtpluggen, is de aangegeven beschermingsklasse niet meer gegarandeerd. Er kan gevolgschade aan de elektronische componenten ontstaan.
▶ Schroeven in de behuizing met de meegeleverde afsluitplug afdekken.
▶ Product controleren op vaste en zekere bevestiging.
5.6 Elektrische aansluiting

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
5.6.1 Netvormen
Het product mag worden aangesloten in een TN / TT net.
Het product mag alleen onder de volgende voorwaarden worden aangesloten in een IT net.
√ De aansluiting in een 230 / 400 V IT-net is niet toegestaan.
√ De aansluiting in een IT net met 230 V externe geleiderspanning via een aardlekschakelaar is toegestaan, mits de maximale aanraakspanning bij de eerste storing niet hoger is dan 50 V AC.
5.6.2 Stroomvoorziening

text_image
L1 L2 L3 N PEAfb. 7: Aansluiting stroomvoorziening
▶ Voedingsleiding strippen.
Aders 10 mm strippen.

Bij het plaatsen van de voedingsleiding de toegestane buigradius aanhouden.
Eenfasig bedrijf
Aders van de voedingsleiding overeenkomstig het klemmenopschrift aansluiten op de klemmen L1, N en PE.
Aansluitgegevens van de klemmenstrook in acht nemen.
"4 Technische gegevens" [▶ 11]
Driefasig bedrijf
Aders van de voedingsleiding overeenkomstig klemmenopschrift aansluiten op de klemmen L1, L2, L3 N en PE.
Aansluitgegevens van de klemmenstrook in acht nemen.
√ De arbeidsstroomactiveringsschakelaar is in de voorgeschakelde elektrische installatie geïnstalleerd.
"5.2.2 Veiligheidsvoorzieningen" [▶ 14]
NL

flowchart
graph LR
A["XG3"] --> B["5"]
A --> C["6"]
D["Arbeidsstroomactiveringsschakelaar"] --> E["AC/DC"]
Afb. 8: Principeschema: Relais voor de aansluiting van een externe arbeidsstroomactiveringsschakelaar
▶ Strip de leiding.
▶ Strip de aders 10 mm.
▶ Sluit de aders aan op de klemmen 5 en 6 (XG3).
Klem (XG3) Aansluiting
5 Arbeidsstroomactiveringsschakelaar
6 Stroomvoorziening
■ Max. 230 V AC of max. 24 V DC
Max. 1A
Neem de aansluitgegevens van de schakeluitgang in acht.
"4 Technische gegevens" [▶ 11]

Bij een storing (vastgebrand lastcontact) wordt de arbeidsstroomactiveringsschakelaar aangestuurd en het product is losgekoppeld van het net.
5.7 Dataleiding (modbus RTU) aansluiten

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Het product kan via modbus RTU bijvoorbeeld worden aangesloten op een externe energiemeter of op een energiebeheersysteem.
MENNEKES adviseert het gebruik van de volgende dataleidingen:
Bij een leidinglengte tot 40 m kan een netwerk-kabel (CAT-6 / CAT-7) worden gebruikt. Het gebruik van een netwerkkabel kan zinvol zijn, om uw installatie voor te bereiden voor toekomstige ontwikkelingen. Niet alle aders zijn nodig.
■ PROFIBUS-leiding
■ Voor het leggen in de grond: Siemens PROFIBUS-leiding grondkabel 6XV1830-3FH10 (fabrikant EAN 4019169400428)
■ Voor het leggen zonder mechanische belasting: Siemens PROFIBUS-leiding 6XV1830-0EH10 (fabrikant EAN 4019169400312)
De dataleidingen mogen maximaal 100 m lang zijn.
Aansluiting
Voor de aansluiting van de dataleiding zijn een schermklem en 2 kabelbinders nodig. Deze zijn in de leveringsomvang inbegrepen.

text_image
8 115 7 8 9Afb. 9: Aansluiting dataleiding [mm]
Schermklem aanbrengen:
▶ Strip de dataleiding op een afstand van 115 mm over 8 mm.
Bevestig de schermklem op de gestripte plaats.
Bevestig de schermklem met een kabelbinder aan de mantel.
Dataleiding aansluiten:
▶ Strip de dataleiding.
▶ Strip de aders 10 mm.
▶ Sluit de beschermende afscherming aan op de klem 9 (XG2).
▶ Sluit de gedraaide aderparen aan op de klemmen 7 en 8 (XG2).
| Klem (XG2) Aansluiting | |
| 7 | A |
| 8 | B |
| 9 GND (aarde) | |
▶ Neem de aansluitgegevens in acht.
"4 Technische gegevens" [▶ 11]
▶ Bevestig alle aderparen met een kabelbinder.
▶ Isoleer de niet gebruikte aderparen (aanraakbescherming).
Breng afsluitweerstanden aan op de eindpunten van de dataleiding (optioneel)
Sluit de dataleiding aan beide uiteinden af met een 120 ohm weerstand, indien vanwege de leiding geen stabiele verbinding met de modbus-deelnemers tot stand kan worden gebracht. Door de afsluiting worden reflecties gereduceerd en de stabiliteit van de communicatie verhoogd. De noodzaak van een afsluiting is afhankelijk van de installatieomgeving (bijvoorbeeld leidinglengte, aantal modbus-deelnemers). Een algemeen voorschrift voor het gebruik van afsluitweerstanden kan daarom niet worden gegeven.
6 Inbedrijfstelling
6.1 Basisinstellingen via dipschakelaar

Veranderingen via de dipschakelaar worden pas effectief na een herstart van het product.
▶ Product evt. spanningsvrij schakelen.
6.1.1 Product configureren

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
In het bovenstuk van de behuizing bevinden zich twee 8-polige dipschakelaars, waarmee het product kan worden geconfigureerd. In de uitleverings-toestand zijn alle dipschakelaars uitgeschakeld ("OFF"). Het product is in de uitleveringstoestand reeds klaar voor gebruik.

text_image
ON 1 2 3 4 5 6 7 8 ON 1 2 3 4 5 6 7 8Afb. 10: Dipschakelaar (uitleveringstoestand)
1 Bank S1
2 Bank S2
De volgende functgies kunnen met de dipschakelaars worden ingesteld:
Bank S1
| Dip-schake-laar | Functie |
| 1 Kleurschema led-indicatie■ „OFF“: ■ Symbool "Stand-by" = blauw ■ Symbool "Lading" = groen ■ „ON“: ■ Symbool "Stand-by" = groen ■ Symbool "Lading" = blauw | |
| 2 Scheeflastbegrenzing■ "OFF": scheeflastbegrenzing uit ■ "ON": scheeflastbegrenzing aan | |
| 3 Autorisatie■ "OFF": geen autorisatie (autostart) ■ "ON": autorisatie via RFID | |
| 4 Gebruik modbus RTU■ "OFF": modbus RTU wordt niet ge-bruikt ■ "ON": modbus RTU wordt gebruikt | |
| 5 Master / satellite■ "OFF": configuratie als master ■ "ON": configuratie als satellite | |
| 6 Type energiemeter■ "OFF": Siemens PAC1600 7KT1661 ■ "ON": TQ Energy Manager EM 420 | |
| 7 Laden op zonne-energie■ "OFF": laden op zonne-energie ge-deactiveerd ■ "ON": laden op zonne-energie geac-tiveerd | |
| 8 Werkt niet | |
Bank S2
| Dip-schake-laar | Functie |
| 1, 2, 3 Max. laadstroom | |
| 4, 5 Gereduceerde laadstroom bij aange-stuurde downgrade-ingang | |
| 6,7,8 Max. stroomsterkte huisaansluiting | |
6.1.2 Maximale laadstroom instellen

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Via de dipschakelaars 1,2 en 3 op de bank S2 kan de maximale laadstroom van het laadpunt worden ingesteld.
De max. laadstroom kan worden ingesteld op 6 A, 10 A, 13 A, 16 A, 20 A, 25 A of 32 A.
| Instelling dipschakelaar (bank S2) Max. laad-stroom [A] | ||
| 1 2 3 | ||
| OFF OFF OFF 32 | ||
| ON OFF OFF 25 | ||
| OFF ON OFF 20 | ||
| ON ON OFF 16 | ||
| OFF OFF ON 13 | ||
| ON OFF ON 10 | ||
| OFF ON ON 6 | ||
De instelling ON - ON - ON is voor de configuratie van de max. laadstroom ongeldig (bedrijfstoestand "Storing"). Zijn deze instellingen geselecteerd, kan een nieuwe master-RFID-kaart worden ingeleerd.
"6.5.2 RFID-kaarten beheren" [▶ 32]
De max. laadstroom kan worden ingesteld op 6 A, 10 A, 13 A of 16 A.
De instelling ON - ON - ON is voor de configuratie van de max. laadstroom ongeldig (bedrijfstoestand "Storing"). Zijn deze instellingen geselecteerd, kan een nieuwe master-RFID-kaart worden ingeleerd.
"6.5.2 RFID-kaarten beheren" [▶ 32]
6.1.3 Autorisatie via RFID inrichten

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
De autorisatie gebeurt door een RFID-kaart en een lokale whitelist. Er kunnen tot 10 RFID-kaarten in de whitelist worden beheerd. De RFID-kaarten, die in de leveringsomvang zijn inbegrepen, zijn in de uit-leveringstoestand al in de whitelist ingeleerd.
Zet de dipschakelaar 3 op de bank 1 op "ON".
6.1.4 Scheeflastbegrenzing instellen

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Onder scheeflast wordt begrepen de ongelijkmati- ge belasting van de fasen van een driefasenwissel- stroomnet. Wordt het voertuig geladen met één resp. twee fasen, moet de scheeflast worden ver- meden. Bijvoorbeeld is in Duitsland spraken van een scheeflast, wanneer het verschil aan het net- aansluitpunt tussen twee fasen groter is dan 20 A (conform VDE-N-AR-4100).
Geldige nationale voorschriften in acht nemen.
Dipschakelaar 2 op de bank S1 op "ON" zetten.
⇒ De scheeflast wordt begrensd tot 20 A (standaardinstelling).
Om de scheeflast te begrenzen op een andere stroomwaarde, is de configuratietool nodig.
"6.5.1 Beschrijving van de configuratietool" [▶ 31]
Scheeflastbegrenzing bij aansluiting van een externe energiemeter
Bij aansluiting van een externe energiemeter regelt het laadstation de laadstroom, rekening houdend met alle aangesloten verbruikers.
6.2 Use cases
6.2.1 Downgrade

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Wanneer onder bepaalde omstandigheden of op bepaalde tijden de maximale netaansluiting niet beschikbaar zijn, kan de laadstroom via de downgrade-ingang worden gereduceerd. De downgrade-ingang kan bijvoorbeeld worden aangestuurd door de volgende criteria of besturingssystemen:
■ Stroomtarief
Tijd
■ Lastafschakelbesturing
■ Handmatige besturing
■ Extern lastmanagement
| Toestand schakelcontact | Toestand downgrade |
| Geopend Downgrade actief | |
| Gesloten Downgrade niet actief | |
Elektrische aansluiting van het schakelcontact

LET OP
Materiële schade door ondeskundige installatie
Een ondeskundige installatie van het schakelcontact kan leiden tot beschadigingen of functiestoringen van het product. Bij de installatie de volgende eisen in acht nemen:
▶ Geschikte geleidinge van de leiding kiezen, zo- dat storingsbeïnvloedingen worden vermeden.
In de uitleveringstoestand is een brug aan de downgrade-ingang geplaatst. Deze moet eerst worden verwijderd.

Afb. 11: Brug uitnemen
▶ Verwijder de brug.

text_image
XG1 12 V DC, 8 mA —— 3 —— NC Downgrade-ingang —— 4Afb. 12: Principeschema: Aansluiting van een extern schakelcontact
▶ Breng de schakelcontact extern aan.
▶ Strip de leiding.
▶ Strip de aders 10 mm.
▶ Sluit de aders op de klemmen 3 en 4 (XG1) aan.
▶ Neem de aansluitgegevens van de downgrade-ingang in acht.
Via de dipschakelaars 4 en 5 op de bank S2 kan de gereduceerde laadstroom worden ingesteld, die actief is als het schakelcontact aan de downgrade-ingang wordt aangestuurd. De laadstroom wordt procentueel afhankelijk van de ingestelde maximale laadstroom gereduceerd.
| Instelling dip-schakelaar (bank S2) | Percentage van max. laad-stroom | Gereduceerde laad-stroom (bijvoorbeeld: max. laadstroom = 10 A) | |
| 4 | 5 | ||
| OFF OFF 0 % 0 A | |||
| OFF ON 25 % 6 A * | |||
| ON OFF 50 % 6 A * | |||
| ON ON 75 % 7,5 A * | |||
* Voor het laadproces staan altijd minimaal 6 A ter beschikking. Wanneer de berekende gereduceerde laadstroom kleiner is dan 6 A, wordt naar boven afgerond.
6.2.2 Bescherming tegen stroomuitval

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Om overbelasting aan de gebouwaansluiting met één laadpunt te voorkomen (bescherming tegen stroomuitval), is het noodzakelijk, de actuele stroomwaarden uit de gebouwaansluiting te registreren met een extra externe energiemeter. Met de energiemeter wordt ook rekening gehouden met andere verbruikers in het gebouw. Voor huis-aansluitingen met meer dan 63 A is bescherming tegen stroomuitval niet mogelijk.
6.2.2.1 Opbouw
De externe energiemeter kan zo geplaatst zijn, dat alleen de externe verbruikers worden gemeten of dat het totale verbruik (externe verbruikers en het laadstation) wordt gemeten. In de volgende afbeeldingen wordt de opbouw bij gebruik van de MENNEKES toebehorenset 18626 (Siemens PAC1600 7KT1661 incl. stroomomvormer) getoond. Bij gebruik van de TQ Energy Manager EM 420 moet de energiemeter in serie met de belasting worden geïnstalleerd.
De energiemeter meet het totale verbruik (standaard instelling)

flowchart
graph TD
A["Wallbox"] -->|Max. 20 A / Max. 40 A| B["Modbus Master"]
C["RCD Typ A 30 mA"] --> B
D["Consumers"] --> E["Current transformer"]
B --> F["Modbus Satellite"]
F --> G["ProFIBUS / min. CAT-6"]
G --> H["PE"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#f9f,stroke:#333
style D fill:#f9f,stroke:#333
style E fill:#f9f,stroke:#333
style F fill:#ccf,stroke:#333
style G fill:#ccf,stroke:#333
style H fill:#ccf,stroke:#333
Energiemeter meet alleen externe verbruikers

flowchart
graph TD
A["Modbus Master"] --> B["Modbus Satellite"]
B --> C["Current transformer"]
C --> D["Wallbox"]
D --> E["Configuration tool required"]
F["Consumers"] --> G["L1 L2 L3 N PE"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#fcf,stroke:#333
6.2.2.2 Aansluiting en configuratie
Externe energiemeter aansluiten
Het product is compatibel met de volgende energiemeters:
Siemens PAC1600 7KT1661 (de energiemeter incl. stroomomvormer en handleiding is bij MEN-NEKES onder artikelnr. 18626 verkrijgbaar.)
■ TQ Energy Manager EM 420
Installeer de externe energiemeter in de voorgeschakelde elektrische installatie.
▶ Verbind energiemeter en product met elkaar door middel van een dataleiding.
"5.7 Dataleiding (modbus RTU) aansluiten" [▶ 18]
Configuratie
Om de bescherming tegen stroomuitval in te richten zijn de volgende instellingen met behulp van dip-schakelaars vereist:
| Dipscha-kelaar | Vereiste configura-tie | Korte beschrijving |
| 4, bank S1 ON Gebruik modbus RTU | ||
| 5, bank S1 OFF Master | ||
| 6, bank S1 Afhankelijk van de energie-meter | ■ "OFF" = Siemens PAC1600 7KT1661■ "ON" = TQ Energy Manager EM 420 | |
| 7, bank S1 OFF Laden op zonne-ener-gie gedeactiveerd | ||
| 6, 7, 8; bank S2 | Afhankelijk van de huisaan-sluiting | Max. stroomsterkte huisaansluiting |
De max. stroomsterkte, die door de huisaansluiting beschikbaar wordt gesteld, kan worden ingesteld op 16 A, 20 A, 25 A, 32 A, 35 A, 40 A, 50 A en 63 A.
| Instelling dipschakelaar (bank S2 op het master-laadpunt) | Max. stroom-sterkte [A] | ||
| 6 7 8 | |||
| OFF OFF OFF 63 | |||
| Instelling dipschakelaar (bank S2 op het master-laadpunt) | Max. stroom-sterkte [A] | ||
| 6 7 8 | |||
| ON OFF OFF 50 | |||
| OFF ON OFF 40 | |||
| ON ON OFF 35 | |||
| OFF OFF ON 32 | |||
| ON OFF ON 25 | |||
| OFF ON ON 20 | |||
| ON ON ON 16 | |||
NL
Configuratietool:
Indien de energiemeter alleen externe verbruikers moet meten, is bovendien een instelling in de configuratietool vereist (parameter "Meetpunt teller").
"6.5.1 Beschrijving van de configuratietool" [▶ 31]
6.2.3 Laden op zonne-energie

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Het product heeft 3 laadmodi (Standaard modus, Sunshine modus, Sunshine+ modus).
Standaard modus
De lading gebeurt met maximaal vermogen. Indien niet voldoende overtollige energie is, wordt met netstroom geladen.
Sunshine mode
Het laadvermogen is afhankelijk van de overtollige energie van de fotovoltaïsche installatie. Er wordt uitsluitend geladen met zonne-energie. Het laden start, indien voldoende overtollige energie beschikbaar is om het voertuig met 6 A per fase te laden.
Sunshine+ mode
Het laadvermogen is afhankelijk van de overtollige energie van de fotovoltaïsche installatie. Onafhankelijk ervan, hoeveel stroom de fotovoltaïsche in-
stallatie actueel voedt, wordt aan het voertuig altijd de minimale laadstroom beschikbaar gesteld (evt. door netstroom). De minimale laadstroom (standaard: 6 A per fase) is via de configuratietool instelbaar (elektromonteur vereist).
Bijzonderheden bij de 11 kW variant
De 11 kW variant ondersteunt het éénfasige en het briefasige laden op zonne-energie. Daardoor kunnen zowel zwakke als krachtige fotovoltaïsche installaties optimaal worden gebruikt. Bovendien kan het laadstation dynamisch omschakelen tussen éénfasig en briefasig laden op zonne-energie. De volgende instellingen zijn bij de 11 kW-variant mogelijk (voor het veranderen van de instelling is de configuratietool vereist):
■ Eénfasig laden op zonne-energie (standaard instelling):
in de Sunshine en Sunshine+ modus wordt uit-sluitend éénfasig geladen. Het laden start vanaf een overtollige energie van 1,4 kW en kan tot max. 3,7 kW worden opgevoerd.
■ Driefasig laden op zonne-energie:
in de Sunshine en Sunshine+ modus wordt uit-sluitend driefasig geladen. Het laden start vanaf een overtollige energie van 4,2 kW en kan tot max. 11 kW worden opgevoerd.
■ Dynamisch omschakelen tussen één- en driefasig laden op zonne-energie:
in de Sunshine en Sunshine+ modus wordt tijdens een lading dynamisch omgeschakeld tussen één- en briefasig laden. Het laden start vanaf een overtollige energie van 1,4 kW en kan tot max. 11 kW worden opgevoerd.
i
De automatische fasewissel werd geïmplementeerd volgens de methode von CharlN. Een compatibiliteit met alle op de markt aanwezige voertuigen kan door MENNEKES niet worden verzekerd. In afzonderlijke gevallen kan onderbreking van het laden of schade in het voertuig of aan de Wallbox optreden.
De incompatibiliteit kan bijvoorbeeld de Kia eNiro, Hyundai Kona en Renault Zoe betreffen. Een volledige lijst kan niet worden bijgehouden, omdat afhankelijk van bouwjaar en software versie van de voertuigen de compatibiliteit ook binnen een serie kan variëren. Informeer bij uw fabrikant, of deze functie zo door uw voertuig wordt ondersteund.
Een aansprakelijkheid voor eventuele uit het verkeerde gebruik of incompatibiliteit ontstane schade zal MENNEKES niet overnemen.
Bijzonderheden bij de 22 kW variant
Het laden op zonne-energie start vanaf een overtollige energie van 4,2 kW en kan tot max. 22 kW worden opgevoerd.
6.2.3.1 Opbouw
De externe energiemeter kan zo geplaatst zijn, dat alleen de externe verbruikers worden gemeten of dat het totale verbruik (externe verbruikers en het laadstation) wordt gemeten. In de volgende afbeeldingen wordt de opbouw bij gebruik van de MENNEKES toebehorenset 18626 (Siemens PAC1600 7KT1661 incl. stroomomvormer) getoond. Bij gebruik van de TQ Energy Manager EM 420 moet de energiemeter in serie met de belasting worden geïnstalleerd.
De energiemeter meet het totale verbruik (standaard instelling)

flowchart
graph TD
A["Photovoltaic"] --> B["Inverter"]
B --> C["Wallbox"]
C --> D["Modbus Master"]
D --> E["Current transformer"]
E --> F["L1 L2 L3 N PE"]
G["RCD Typ A 30 mA"] --> B
H["RCD Typ A 30 mA"] --> B
I["Consumers"] --> J["Inductors"]
K["PROFIBUS / min. CAT-6"] --> D
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#f9f,stroke:#333
style H fill:#ccf,stroke:#333
style I fill:#f9f,stroke:#333
style J fill:#ffc,stroke:#333
style K fill:#f9f,stroke:#333
Energiemeter meet alleen externe verbruikers

flowchart
graph TD
A["Photovoltaic"] --> B["Inverter"]
B --> C["789"]
C --> D["Modbus Master"]
D --> E["Modbus Satellite"]
E --> F["Current transformer"]
F --> G["Wallbox"]
G --> H["Car"]
I["RCD Typ A 30 mA"] --> B
J["Consumers"] --> F
K["PROFIBUS / min. CAT-6"] --> D
L["L1"] --> M["Load"]
N["L2"] --> M
O["L3"] --> M
P["N"] --> M
Q["PE"] --> M
R["MCB max. 20 A / max. 40 A"] --> G
S["RCD Typ A 30 mA"] --> G
6.2.3.2 Aansluiting en configuratie
Externe energiemeter aansluiten
Het product is compatibel met de volgende energiemeters:
Siemens PAC1600 7KT1661 (de energiemeter incl. stroomomvormer en handleiding is bij MEN-NEKES onder artikelnr. 18626 verkrijgbaar.)
■ TQ Energy Manager EM 420
Installeer de externe energiemeter in de voorgeschakelde elektrische installatie.
▶ Verbind energiemeter en product met elkaar door middel van een dataleiding.
"5.7 Dataleiding (modbus RTU) aansluiten" [▶ 18]
Configuratie
Voor het laden op zonne-energie zijn de volgende instellingen met dipschakelaars vereist:
| Dipscha-kelaar (bank S1) | Vereiste configura-tie | Korte beschrijving |
| 4 ON Gebruik modbus RTU | ||
| 5 OFF Master | ||
| 6 Afhankelijk van de energi-meter | ■ "OFF" = Siemens PAC1600 7KT1661 ■ "ON" = TQ Energy Manager EM 420 | |
| 7 ON Laden op zonne-ener-gie geactiveerd | ||
Configuratietool:
Indien de energiemeter alleen externe verbruikers moet meten, is bovendien een instelling in de configuratietool vereist (parameter "Meetpunt teller").
"6.5.1 Beschrijving van de configuratietool"
[▶ 31]
Bescherming tegen stroomuitval:
bij het laden op zonne-enerige is automatisch de bescherming tegen stroomuitval actief, daarom moet bovendien de max. stroomsterkte, die door de huisaansluiting beschikbaar wordt gesteld, via de dipschakelaars worden ingesteld.
"6.2.2 Bescherming tegen stroomuitval" [▶ 23]
Laadmodus selecteren

Afb. 13: Zonne-toets
Door drukken van de zonne-toets (1) wordt de laadmodus volgens het volgende schema geselecteerd.

flowchart
graph LR
A["Standard Mode"] --> B["Sunshine Mode"]
B --> C["Sunshine+ Mode"]
C --> A
Afb. 14: Omschakelen van de laadmodi
Aan de led "Zon" (2) kan de ingestelde laadmodus worden afgelezen:
| Toestand led "Zon" Ingestelde laadmodus |
| Uit (brandt niet) Standaard modus |
| Brandt Sunshine mode |
| Pulseert Sunshine+ mode |
i
Is het laden op zonne-energie niet inge-
richt, heeft de zonne-toets geen functie.
Voor de 22 kW-varianten en de 11 kW-vari-
ant met geactiveerde dynamische faseom-
schakeling geldt:
■ De wissel tussen de standaard modus, de Sunshine modus en de Sunshine+ modus is altijd (ook tijdens een actieve lading) mogelijk.
■ Voor de 11 kW-variant met gedeactiveer-de dynamische faseomschakeling geldt:
■ De wissel tussen de Sunshine modus en de Sunshine+ modus is altijd (ook tijdens een actieve lading) mogelijk.
De wissel tussen de standaard modus en Sunshine(+) modus is tijdens een actieve lading niet mogelijk. Het voertuig moet voor de wissel worden losgekoppeld van het laadstation.
6.2.4 Energiebeheersysteem

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Indien nodig kan het product via modbus RTU worden aangesloten op een energiebeheersysteem, om complexe toepassingen te implementeren. Het product wordt aangestuurd door het energiebeheersysteem (master).
i
Informatie over de compatibele energiemanagementsystemen en de beschrijving van de modbus RTU-interface (modbus RTU registertabel) vindt u op onze homepage: https://www.chargeupyourday.com/service/ compatible-systems-and-interfaces/
6.2.4.1 Opbouw

flowchart
graph TD
A["Photovoltaic"] --> B["Inverter"]
B --> C["Wallbox"]
C --> D["Modbus Satellite"]
D --> E["PROFIBUS / min. CAT-6"]
E --> F["EMS"]
F --> G["LAN"]
G --> H["PC"]
H --> I["Consumers"]
I --> J["L1"]
I --> K["L2"]
I --> L["L3"]
I --> M["N"]
I --> N["PE"]
C --> O["Max. 20 A / max. 40 A"]
B --> P["RCD Typ A 30 mA"]
B --> Q["RCD Typ A 30 mA"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#fcc,stroke:#333
style H fill:#fcc,stroke:#333
style I fill:#fff,stroke:#333
style J fill:#fff,stroke:#333
style K fill:#fff,stroke:#333
style L fill:#fff,stroke:#333
style M fill:#fff,stroke:#333
style N fill:#fff,stroke:#333
6.2.4.2 Aansluiting en configuratie
Energiebeheersysteem aansluiten
Installeer het energiebeheersysteem in de voorgeschakelde elektrische installatie.
▶ Verbind energiebeheersysteem en product met elkaar met behulp van een dataleiding.
"5.7 Dataleiding (modbus RTU) aansluiten" [▶ 18]
Configuratie
Om een energiebeheersysteem via modbus RTU in te richten zijn de volgende instellingen met dip- schakelaars vereist:
| Dipscha-kelaar(bank S1) | Instelling Korte beschrijving |
| 4 ON Gebruik modbus RTU | |
| 5 ON Satellite | |
6.3 Product inschakelen

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Voorwaarde(n):
√ Product is correct geïnstalleerd.
√ Poduct is niet beschadigd.
√ De noodzakelijke veiligheidsinrichtingen zijn in overeenstemming met de respectieve nationale voorschriften geïnstalleerd in de voorgeschakelde elektronische installatie.
"5.2.2 Veiligheidsvoorzieningen" [▶ 14]
√ Product werd conform IEC 60364-6 en de overeenkomstige geldende nationale voorschriften (bijvoorbeeld DIN VDE 0100-600 in Duitsland) bij de eerste inbedrijfstelling getest.
"6.4 Product testen" [▶ 31]
▶ Stroomvoorziening inschakelen en controleren.
6.4 Product testen

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Bij de eerste inbedrijfstelling een test van het product conform IEC 60364-6 en de overeenkomstige geldende nationale voorschriften (bijvoorbeeld DIN VDE 0100-600 in Duitsland) uitvoeren.
De controle kan worden uitgevoerd in combinatie met het MENNEKES-testkastje en een testapparaat voor gestandaardiseerde testen. Het MENNEKES-testkastje simuleert daarbij de voertuigcommunicatie. Testkastjes zijn bij MENNEKES als toebehoren verkrijgbaar.
6.5 Verdere instellingen
6.5.1 Beschrijving van de configuratietool
De basisinstellingen kunnen via dipschakelaars aan het laadstation worden uitgevoerd. Voor verdere instellingen is de configuratietool nodig.
Zo kunnen de volgende uitgebreide configuraties worden ingesteld:
■ Firmware-update uitvoeren
■ Standaardinstelling (20 A) voor de scheeflastbegrenzing veranderen (mogelijke waarden: 10 A ... 30 A)
■ Akoestische feedback deactiveren
Sleep-modus deactiveren (voor een gereduceerd stand-by-verbruik van ca. 1 W)
Aantal en fasevolgorde van de aangesloten fasen aangeven
■ Onder-/overspanningsherkenning voor de aangesloten fases activeren evenals de desbetreffende grenswaarden instellen
■ Instellingen importeren en exporteren
Alleen bij AMTRON® Compact 2.0s 11: aantal fa- sen voor het laden op zonne-energie instellen (éénfasig (standaard), briefasig, dynamische fa- seomschakeling)
■ Meetpunt van de energiemeter voor bescherming tegen stroomuitval en laden op zonne-energie vastleggen (standaard: energiemeter meet externe verbruikers en laadstation (totaal-verbruik))
■ Minimale laadstroom in de Sunshine+ modus veranderen (standaard: 6 A)
■ RFID-kaarten beheren
■ Wake-Up functie ("Wekken" van het voertuig, zodat een lading kan worden voortgezet) deactiveren
Bovendien worden de in de configuratietool de huidige bedrijfswaardes weergegeven en worden de ingestelde dipschakelaars uitgelegd. Indien een storing optreedt, biedt de configuratietool hulp om het probleem te verhelpen (storingsmelding, logbestand).

Om de configuratietool te kunnen gebruiken is de MENNEKES-configuratiekabel nodig. Op onze homepage onder "Producten" > "Toebehoren" vindt u de MENNEKES-configuratiekabel (bestelnummer 18625). Verder kunt u daar de configuratietool incl. handleiding downloaden.
Informatie over installatie en gebruik zijn beschreven in de handleiding van de configuratietool.
Handleiding van de configuratietool in acht nemen.
Opbouw

Afb. 15: Opbouw van de configuratietool (voorbeeld)
1 Knop voor het selecteren van de taal
2 Verbindingsstatus
3 Menu
4 Tooltip met meer informatie
5 Parameter
6 Instelling / status
7 Knoppen voor het opslaan en verwerpen van de gewijzigde instellingen evenals terugzetten naar de gewijzigde fabrieksinstellingen
6.5.2 RFID-kaarten beheren
√ Voorwaarde: er is geen laadproces actief.
RFID-kaart(en) aan de whitelist toevoegen of verwijderen
Door de master-RFID-kaart kunnen nieuwe RFID-kaarten aan de interne whitelist worden toegevoegd of eruit verwijderd.
Houd de master-RFID-kaart voor de RFID-kaart-lezer, om de inleermodus te activeren.
→ De led "Zon" knippert.
RFID-kaarten voor de RFID-kaartlezer houden.
Indien de RFID-kaart nog niet in de whitelist is opgeslagen, wordt deze aan de whitelist toegevoegd en de led "Stand-by" knippert één keer.
Indien de RFID-kaart al in de whitelist is opgeslagen wordt deze uit de whitelist verwijderd en de led "Storing" knippert één keer.
Indien al 10 RFID-kaarten in de whitelist zijn ingevoerd, is de whitelist vol en de led "Storing" knippert drie keer.

Na 60 seconden wordt de inleermodus beëindigd en de led "Zon" keert terug naar de ingestelde toestand.
■ Met de master-RFID-kaart kunnen geen laadprocessen worden geautoriseerd.
Master-RFID-kaart inleren

De dipschakelaar 1, 2 en 3 op bank S2 zijn hoofdzakelijk nodig voor het instellen van de maximale laadstroom.
Uitzondering: indien deze drie dipschakelaars op "ON" zijn gezet kan een nieuwe master-RFID-kaart worden ingeleerd. Het product gaat in de bedrijfstoestand "Storing".
▶ Product spanningsvrij schakelen.
Dipschakelaar1, 2 en 3 op bank S2 op "ON" zetten.
▶ Product inschakelen.
Nieuwe master-RFID-kaart voor de RFID-kaartlezer houden.
▶ Product spanningsvrij schakelen.
Stel via de dipschakelaars 1, 2 en 3 op bank S2 weer de gewenste max. laadstroom in.
▶ Product inschakelen.
Alle ingeleerde RFID-kaarten uit de whitelist verwijderen
▶ Master-RFID-kaart 10 seconden voor de RFID-kaartlezer houden.
Alle ingeleerde RFID-kaarten worden uit de whitelist verwijderd en de led "Storing" knippert één keer.
→ De master-RFID-kaart bij verlies worden gewist.
Interne whitelist via de configuratietool beheren
Alternatief kan de interne whitelist via de configuratietool worden beheerd.
"6.5.1 Beschrijving van de configuratietool" [▶ 31]
6.6 Product sluiten

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.

LET OP
Materiële schade door beknelde onderdelen of kabels
Door beknelde onderdelen of kabels kunnen er beschadigingen en storingen optreden.
Er bij het sluiten van het product op letten, dat geen onderdelen of kabels bekneld worden.
▶ Onderdelen of kabels evt. vastzetten.

text_image
MENERS MENERS MENERSAfb. 16: Product sluiten
▶ Bovenstuk van de behuizing naar boven klappen.
▶ Bovenstuk van de behuizing en onderstuk van de behuizing aan elkaar schroeven. Aanhaalmoment: 1,2 Nm.
7 Bediening
7.1 Autoriseren
▶ Autoriseren (afhankelijk van de configuratie).
De volgende mogelijkheden voor autorisatie zijn beschikbaar:
Geen autorisatie (autostart)
Alle gebruikers kunnen laden.
Autorisatie door RFID
Gebruikers, waarvan de RFID-kaart in de whitelist in ingevoerd, kunnen laden.
De RFID-kaart voor de RFID-kaartlezer houden.

Wordt de lading niet binnen 5 minuten ge- start, wordt de autorisatie gereset en het product wisselt naar de stand-by-toestand. De autorisatie moet opnieuw plaatsvinden.
7.2 Voertuig laden

WAARSCHUWING
Gevaar voor letsel door niet-toegestane hulpmiddelen
Worden bij het laadproces ontoelaatbare hulpmiddelen (bijvoorbeeld adapterstekker, verlengkabel) gebruikt, bestaat het gevaar van een elektrische schok of kabelbrand.
Uitsluitend de voor voertuig en product voorziene laadkabel gebruiken.
Voorwaarde(n):
√ De autorisatie is gelukt (indien succesvol).
√ Voertuig en laadkabel zijn geschikt voor laden volgens modus 3.
▶ Rol de laadkabel volledig af.
▶ Laadkabel met het voertuig verbinden.
Laadmodus selecteren

"3.5 Laadmodi bij laden op zonne-energie" [▶ 8]

Afb. 17: Zonne-toets
NL
Door drukken van de zonne-toets (1) wordt de laadmodus volgens het volgende schema geselecteerd.

flowchart
graph LR
A["Standard Mode"] --> B["Sunshine Mode"]
B --> C["Sunshine+ Mode"]
C --> A
Afb. 18: Omschakelen van de laadmodi
Aan de led "Zon" (2) kan de ingestelde laadmodus worden afgelezen:
Toestand led "Zon" Ingestelde laadmodus
Uit (brandt niet) Standaard modus
Brandt Sunshine mode
Pulseert Sunshine+ mode
i
Is het laden op zonne-energie niet inge- richt, heeft de zonne-toets geen functie. Voor de 22 kW-varianten en de 11 kW-vari- ant met geactiveerde dynamische faseom- schakeling geldt:
■ De wissel tussen de standaard modus, de Sunshine modus en de Sunshine+ modus is altijd (ook tijdens een actieve lading) mogelijk.
■ Voor de 11 kW-variant met gedeactiveerde dynamische faseomschakeling geldt:
■ De wissel tussen de Sunshine modus en de Sunshine+ modus is altijd (ook tijdens een actieve lading) mogelijk.
De wissel tussen de standaard modus en Sunshine(+) modus is tijdens een actieve lading niet mogelijk. Het voertuig moet voor de wissel worden losgekoppeld van het laadstation.
Laadproces start niet
Wanneer het laadproces niet start, kan bijvoorbeeld de communicatie tussen het laadpunt en het voertuig gestoord zijn.
▶ Laadstekker en laadcontactdoos controleren op vreemde voorwerpen en evt. verwijderen.
▶ Laadkabel evt. laten vervangen door een elektromonteur.
Laadproces beëindigen

LET OP
Materiële schade door trekspanning
Trekspanning op de kabel kan leiden tot kabelbreuken en andere beschadigingen.
▶ Laadkabel aan de laadstekker uit de laadcontactdoos trekken.
Laadproces op het voertuig beëindigen of door het tonen van de RFID-kaart voor de RFID-kaart-lezer.
▶ Laadkabel aan de laadstekker uit de laadcontactdoos trekken.
▶ Beschermkap op de laadstekker zetten.
▶ Laadkabel zonder knikken ophangen.
8 Instandhouding
8.1 Onderhoud

GEVAAR
Gevaar van een elektrische schok door een beschadigd product
Bij gebruik van een beschadigd product kunnen personen door een elektrische schok zwaar gewond of gedood worden.
▶ Beschadigd product niet gebruiken.
▶ Beschadigd product markeren, zodat dit niet door andere personen wordt gebruikt.
▶ Schade onmiddellijk laten verhelpen door een elektromonteur.
Product evt. door een elektromonteur buiten gebruik laten nemen.
Product dagelijks of bij elke keer laden controleren op bedrijfsgereedheid en uitwendige schade.
Voorbeelden van schade:
■ Defecte behuizing
■ Defecte of ontbrekende onderdelen
■ Onleesbare of ontbrekende veiligheidssticker

Een onderhoudsovereenkomst met een verantwoordelijke servicepartner garandeert een regelmatig onderhoud.
Onderhoudsintervallen

De volgende activiteiten mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
De onderhoudsintervallen met inachtneming van de volgende aspecten kiezen:
■ Leeftijd en toestand van het product
■ Omgevingsinvloeden
Belasting
■ Laatste testprotocollen
Het onderhoud minimaal met de volgende intervalen uitvoeren.
Halfjaarlijks:
| Component | Onderhoudswerk |
| Apparaat buitenkant | ► Visuele controle op gebreken en beschadigingen uitvoeren.► Product controleren op reinheid en evt. reinigen. |
| Behuizing binnenkant | ► Product controleren op vreemde voorwerpen en vreemde voorwerpen evt. verwijderen.► Visuele controle op droogheid uit voeren, evt. vreemde voorwerpen uit de afdichting verwijderen en product droogmaken. Evt. functie-controle uitvoeren.► Bevestiging aan de wand resp. aan de staander van MENNEKES (bijvoorbeeld sokkel) controleren en evt. de schroeven natrekken. |
| Veilig-heidsvoorzieningen | ► Visuele controle op schade uit-voeren. |
| LED-info-veld | ► Led-infoveld op een functie en leesbaarheid controleren. |
| Laadkabel | ► Laadkabel controleren op achade (bijvoorbeeld knikken, scheuren).► Laadkabel controleren op reinheid en vreemde voorwerpen, evt. reinigen en vreemde voorwerpen verwijderen. |
NL
Jaarlijks:
| Component Onderhoudswerk | |
| Aansluitklemmen | ► Aansluitklemmen van de voedingsleiding controleren en evt. natrekken. |
Component Onderhoudswerk
Elektrische in-
stallatie
| Inspectie van de elektrische installatie conformIEC 60364-6 en de relevante geldende nationale voorschriften (bijvoorbeeld DIN VDE 0105-100 in Duitsland). |
| Herhaling van de metingen en controles conformIEC 60364-6 en de relevante geldende nationale voorschriften (bijvoorbeeld DIN VDE 0105-100 in Duitsland). |
| Functiecontrole en laadsimulatie (bijvoorbeeld met een MENNEKES-testbox en een testapparaat voor gestandaardiseerd testen) uitvoeren. |
▶ Schade aan het product deskundig verhelpen.
▶ Onderhoud documenteren.
Het onderhoudsprotocol van MENNEKES vindt u op onze homepage onder "Service" > "Brochures / infomateriaal" > "Documenten voor installateurs" (indien niet aanwezig: Engelse versie gebruiken).
8.2 Reiniging

GEVAAR
Gevaar van een elektrische schok door ondeskundige reiniging
Het product bevat elektrische componenten die onder hoge spanning staan. Bij ondeskundige reiniging kunnen personen zwaar worden verwond of gedood door een elektrische schok.
▶ De behuizing uitsluitend van buiten reinigen.
▶ Geen stromend water gebruiken.

LET OP
Materiële schade door ondeskundige reiniging
Door ondeskundige reiniging kan materiële schade aan de behuizing ontstaan.
De behuizing afvegen met een droge doek of met een doek, die licht is bevochtigd met water of met spiritus (94 % vol.).
▶ Geen stromend water gebruiken.
▶ Geen hogedrukreinigingsapparaten gebruiken.
8.3 Update firmware

De actuele firmware kunt u downloaden op onze homepage onder "Service".
Om een firmware-update uit te voeren is de configuratietool nodig.

"6.5.1 Beschrijving van de configuratietool" [▶ 31]
9 Storingsoplossing
Treedt een storing op, brandt resp. knippert het symbool "Storing" op het LED-infoveld. Voor verder gebruik moet de storing worden verholpen.
Symbool "Storing" knippert
Wanneer het symbool "Storing" knippert, kan de storing door de gebruiker / exploitant worden verholpen. Mogelijke storingen zijn bijvoorbeeld:
■ Fout bij het laadproces
■ Bedrijfstemperatuur te hoog
■ Er is een onderspanning of overspanning aanwezig
Neem voor de storingsoplossing de volgende volgorde in acht:
Beëindigen het laadproces en trek de laadkabel eruit.
Wacht indien nodig, tot het product is afgekoeld of geen onder- / resp. overspanning meer aanwezig is.
▶ Steek de laadkabel er opnieuw in en start het laadproces.

Kon de storing niet worden verholpen, neem dan contact op met uw verantwoordelijke servicepartner.
"1.1 Contact" [▶ 2]
Wanneer het symbool "Storing" brandt, kan de storing alleen worden verholpen door een elektromonteur.

De volgende activiteiten mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Mogelijke storingen zijn bijvoorbeeld:
■ Zelftest van de elektronica mislukt
■ Zelftest van de DC-foutstroombewaking mislukt
■ Gelast lastcontact (welding detection)

Om een diagnose van de storing in te zien en logbestanden te downloaden, is de configuratietool nodig.
"6.5.1 Beschrijving van de configuratie-tool" [ 31]
Neem voor de storingsoplossing de volgende volgorde in acht:
Product 3 minuten spanningsvrij schakelen en opnieuw starten.
▶ Controleren, of een firmware-update (op onze homepage onder "Service") beschikbaar is en deze evt. via de configuratietool installeren.
Diagnose van de storing in de configuratietool uitlezen en storing verhelpen.

Op onze homepage onder "Service" > "Brochures" > "Documenten voor installateurs" vindt u een document voor storingsoplossing. Daar zijn de storingsmeldingen, mogelijke oorzaken en oplossingen beschreven.
▶ Storing documenteren.
Het storingsprotocol van MENNEKES vindt u op onze homepage onder "Service" > "Brochures" > "Documenten voor installateurs".
9.1 Reserveonderdelen
Zijn voor de storingsoplossing reserveonderdelen nodig, moeten deze eerst worden gecontroleerd op identieke contractie.
Uitsluitend originele reserveonderdelen gebruiken, die door MENNEKES beschikbaar gesteld en / of vrijgegeven zijn.
Zie installatiehandleiding van het reserveonderdeel
10 Buitendienststelling

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
▶ Voedingsleiding spanningsvrij maken en beveiligen tegen opnieuw inschakelen.
▶ Product openen.
▶ Voedingsleiding en evt. stuur- / gegevensleiding loskoppelen.
Product van de wand resp. van de staander van MENNEKES (bijvoorbeeld een sokkel) losma- ken.
▶ Voedingsleiding en evt. stuur- / gegevensleiding uit de behuizing voeren.
▶ Product sluiten.
"6.6 Product sluiten" [▶ 33]
10.1 Opslag
De correcte opslag kan de bedrijfszekerheid van het product positief beïnvloeden en in stand houden.
▶ Product voor de opslag reinigen.
Product in de originele verpakking of met geschikte verpakkingsmaterialen schoon en droog opslaan.
▶ Neem de toegestane opslagcondities in acht.
| Toegestane opslagcondities | ||
| Min. Max. | ||
| Opslagtemperatuur [°C] -30 +50 | ||
| Gemiddelde temperatuur in 24 uur [°C] | +35 | |
| Hoogte [m boven zeeniveau] 2.000 | ||
| Relatieve luchtvochtigheid (niet condenserend) [%] | 95 | |
10.2 Afvoeren
Neem de nationale wettelijke bepalingen van het gebruiksland voor verwijdering en terbescherming van het milieu in acht.
▶ Voer de verpakking op materiaal gesorteerd af.

Het product mag niet in de huisvuil te-recht komen.
Teruggavemogelijkheden voor particuliere huishoudens
Het product kan gratis worden afgegeven bij de in-zamelpunten van de overheidsinstanties voor afval-beheer of bij de terugnamepunten die zijn ingesteld overeenkomstig Richtlijn 2012/19/EU.
Teruggavemogelijkheden voor bedrijven
Meer infomatie over afvoer voor bedrijven krijgt u op aanvraag van MENNEKES.
"1.1 Contact" [▶ 2]
Persoonsgegevens / gegevensbescherming
Op het product zijn evt. persoonlijke gegevens opgeslagen. De eindgebruiker is zelf verantwoordelijk voor het wissen van de gegevens.

