Kärcher KM 100100 R G - Stofzuiger

KM 100100 R G - Stofzuiger Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis KM 100100 R G Kärcher in PDF-formaat.

📄 420 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice Kärcher KM 100100 R G - page 65
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : Kärcher

Model : KM 100100 R G

Categorie : Stofzuiger

Download de handleiding voor uw Stofzuiger in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding KM 100100 R G - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. KM 100100 R G van het merk Kärcher.

GEBRUIKSAANWIJZING KM 100100 R G Kärcher

6.906-533.0 Con spazzole natuali indicate per spazzo- lare polveri fini su pavimenti lisci in am- bienti interni. Non resistente all'acqua, non indicato per superfici abrasive. Rullo spazzola, duro 6.906-532.0 Per rimuovere lo sporco molto aderente in ambienti esterni, resistente all'acqua. Filtro della polvere 6.414-532.0 64 IT- 1 Lees vóór het eerste gebruik van uw apparaat deze originele gebruiksaanwijzing, ga navenant te werk en bewaar deze voor later gebruik of voor een latere eigenaar. Vóór eerste ingebruikneming veiligheids- maatregelen absoluut lezen! Als u bij het uitpakken transportschade constateert, neem dan contact op met uw distributeur. – De op het apparaat aangebrachte waarschuwings- en aanwijzingsborden geven aanwijzingen voor gebruik zon- der gevaar. – Naast de aanwijzingen in de gebruiks- aanwijzingen moeten de algemene vei- ligheidsvoorschriften en voorschriften ter vermijding van ongevallen van de wetgever in acht genomen worden. Motorisatie van het apparaat G: Benzinemotor LPG: gasmotor Aanwijzingen betreffende de inhouds- stoffen (REACH) Huidige informatie over de inhoudsstoffen vindt u onder: www.kaercher.com/REACH In ieder land zijn de door ons bevoegde verkoopkantoor uitgegeven garantiebepa- lingen van toepassing. Eventuele storingen aan het apparaat verhelpen wij zonder kos- ten binnen de garantietermijn, mits een ma- teriaal of fabrieksfout de oorzaak van deze storing is. Neem bij klachten binnen de ga- rantietermijn contact op met uw leverancier of de dichtstbijzijnde klantenservicewerk- plaats en neem uw aankoopbewijs mee. GEVAAR Om risico 's te vermijden, mogen reparaties en het vervangen van onderdelen aan het apparaat alleen worden uitgevoerd door een erkende klantendienst. – Er mogen alleen toebehoren en onder- delen gebruikt worden, die door de fa- brikant zijn goedgekeurd. Origineel toe- behoren en originele onderdelen staan er borg voor dat het apparaat veilig en storingsvrij gebruikt kan worden. – Verdere informatie over reserveonder- delen vindt u op www.kaercher.com bij Service. Inhoud Inhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . NL 1 Algemene aanwijzingen. . . . . . NL 1 Variant met verbrandings- motor . . . . . . . . . . . . . . . NL 1 Zorg voor het milieu . . . . NL 1 Garantie . . . . . . . . . . . . . NL 1 Accessoires en reserveon- derdelen. . . . . . . . . . . . . NL 1 Symbolen in de gebruiks- aanwijzing . . . . . . . . . . . NL 2 Symbolen op het toestel NL 2 Reglementair gebruik . . . . . . . NL 2 Voorzienbaar verkeerd ge- bruik . . . . . . . . . . . . . . . . NL 2 Geschikte ondergronden NL 2 Veiligheidsinstructies. . . . . . . . NL 2 Veiligheidsinstructies voor de bediening . . . . . . . . . NL 2 Veiligheidsinstructies voor de rijmodus . . . . . . . . . . NL 2 Veiligheidsinstructies voor de verbrandingsmotor . . NL 2 Veiligheidstechnische richt- lijnen voor motorvoertuigen op vloeibaar gas (enkel gas- motor). . . . . . . . . . . . . . . NL 3 Veiligheidsinstructies over het transport van het appa- raat. . . . . . . . . . . . . . . . . NL 4 Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud NL 4 Functie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . NL 4 Elementen voor de bediening en de functies . . . . . . . . . . . . . . . . NL 5 Bedieningspaneel . . . . . NL 5 Kleurmarkering. . . . . . . . NL 5 Apparaatkap openen / slui- ten . . . . . . . . . . . . . . . . . NL 5 Voor de inbedrijfstelling . . . . . . NL 6 Afladen. . . . . . . . . . . . . . NL 6 Veegmachine zonder zelf- aandrijving bewegen . . . NL 6 Veegmachine met zelfaan- drijving bewegen . . . . . . NL 6 Inbedrijfstelling. . . . . . . . . . . . . NL 6 Algemene aanwijzingen. NL 6 Gasfles monteren/vervan- gen (Alleen KM 100/100 R LPG). . . . . . . . . . . . . . . . NL 6 Tanken. . . . . . . . . . . . . . NL 6 Werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . NL 7 Chauffeursstoel instellen NL 7 Programma's selecteren NL 7 Apparaat starten . . . . . . NL 7 Apparaat verrijden . . . . . NL 7 Veegbedrijf. . . . . . . . . . . NL 7 Veeggoedcontainer leegma- ken . . . . . . . . . . . . . . . . . NL 8 Apparaat uitschakelen . . NL 8 Transport . . . . . . . . . . . . NL 8 Opslag . . . . . . . . . . . . . . NL 8 Stillegging . . . . . . . . . . . . . . . . NL 8 Onderhoud. . . . . . . . . . . . . . . . NL 8 Algemene aanwijzingen NL 8 Reiniging. . . . . . . . . . . . NL 9 Onderhoudsintervallen . NL 9 Onderhoudswerkzaamhede n . . . . . . . . . . . . . . . . . . NL 9 Hulp bij storingen . . . . . . . . . . NL 13 Technische gegevens. . . . . . . NL 14 EU-conformiteitsverklaring . . . NL 15 Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . NL 15 Algemene aanwijzingen Variant met verbrandingsmotor Zorg voor het milieu Het verpakkingsmateriaal is her- bruikbaar. Deponeer het verpak- kingsmateriaal niet bij het huis- houdelijk afval, maar bied het aan voor hergebruik. Onbruikbaar geworden appara- ten bevatten waardevolle materi- alen die geschikt zijn voor recy- cling. Lever ze daarom in voor hergebruik. Verwijder afgedankte apparaten daarom via daarvoor geëigende verzamelsystemen. Motorolie, diesel en benzine mogen niet in het milieu terechtkomen. Bescherm de bodem en verwijder oude olie op milieu- vriendelijke wijze. Garantie Accessoires en reserveonderdelen 65NL- 2 GEVAAR Waarschuwt voor een direct dreigend ge- vaar, dat tot ernstige lichamelijke letsels of de dood leidt. 몇 WAARSCHUWING Waarschuwt voor een mogelijk gevaarlijke situatie, die tot ernstige lichamelijke letsels of de dood zou kunnen leiden. VOORZICHTIG Verwijzing naar een mogelijk gevaarlijke si- tuatie, die tot lichte letsels of materiële schades kan leiden. De veegmachine is voorzien voor de reini- ging van vloeroppervlakken voor industri- eel gebruik en onder andere voor de vol- gende toepassingsgebieden: parkings; productie-installaties; logistieke bereiken; hotels; kleinhandel; magazijnen; voetpaden. – Gebruik deze veegmachine uitsluitend volgens de gegevens in deze gebruiks- aanwijzing. – Ieder daarboven uitgaand gebruik geldt als niet volgens de voorschriften. Voor hieruit resulterende schades is de fabri- kant niet aansprakelijk, het risico hier- voor draagt alleen de gebruiker. – Benzine-/dieselmoto r: Het is verboden om het apparaat in gesloten ruimten te gebruiken. – Gasmotor : Het is toegestaan om het apparaat in gesloten ruimten te gebruiken indien voor voldoende verluchting wordt ge- zorgd. Het bewaren van gasflessen en appa- raat is enkel op de grond toegestaan. – Er mogen aan het apparaat geen wijzi- gingen worden aangebracht. – Het apparaat is alleen geschikt voor het/de in de gebruiksaanwijzing ge- noemde wegdek/ondergrond. – Er mag alleen gereden worden op de door de ondernemer of diens gemach- tigde voor het machinegebruik vrijgege- ven oppervlakken. – Over het algemeen geldt: Licht ont- vlambare stoffen uit de buurt van het apparaat houden (explosie-/brandge- vaar). – Nooit explosieve vloeistoffen, brandba- re gassen of onverdunde zuren en op- losmiddelen opvegen/opzuigen! Daar- toe behoren benzine, verfverdunner of stookolie die door verwerveling met de zuiglucht explosieve dampen of meng- sels kunnen vormen, verder aceton, on- verdunde zuren en oplosmiddelen om- dat zij op het apparaat gebruikte mate- rialen aantasten. – Nooit reactieve metaalstoffen (bijv. alu- minium, magnesium, zink) opvegen/op- zuigen, ze vormen in verbinding met sterk alkalische of zure reinigingsmid- delen explosieve gassen. – Geen brandbare of glimmende voor- werpen opvegen/opzuigen. – Het apparaat is niet geschikt voor het opvegen van stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid. – Het verblijf in de gevarenzone is verbo- den. Niet gebruiken in ruimtes met ont- ploffingsgevaar. – Het meenemen van begeleidende per- sonen is niet toegestaan. – Het is niet toegestaan om met dit appa- raat voorwerpen te verschuiven of te transporteren. Asfalt Industrievloer Estrik Beton Klinkers Gevaar Verwondingsgevaar! Gebruik het apparaat niet zonder bescher- ming tegen vallende voorwerpen in berei- ken waar de mogelijkheid bestaat dat de bediener wordt geraakt door vallende voor- werpen. – Het apparaat met de werkinstallaties moet voor gebruik gecontroleerd wor- den op deugdelijkheid en bedrijfsveilig- heid. Indien zij niet in goede staat ver- keren, mag u de apparatuur niet gebrui- ken. – Bij gebruik van het apparaat in gevaar- lijke omgevingen (bijvoorbeeld tanksta- tions) moeten de overeenkomstige vei- ligheidsvoorschriften in acht genomen worden. Niet gebruiken in ruimtes met ontploffingsgevaar. – Degene die het apparaat bedient dient het te gebruiken volgens de voorschrif- ten. Deze dient rekening te houden met de plaatselijke omstandigheden en bij het werken met het apparaat te letten op derden, speciaal op kinderen. – Voor de aanvang van de werkzaamhe- den moet de bediener zich ervan verge- wissen dat alle veiligheidsinrichtingen volgens de voorschriften zijn aange- bracht en functioneren. – De bediener van het apparaat is verant- woordelijk voor ongevallen met andere personen of hun eigendom. – Erop letten dat de bediener nauw aan- sluitende kledij draagt. Stevig schoeisel dragen en losse kledij vermijden. – Voor het starten de onmiddellijke om- geving van het apparaat controleren (bv. kinderen). Letten op voldoende zichtbaarheid! – Het apparaat mag nooit onbeheerd worden achtergelaten, zolang de motor nog draait. Degene die het apparaat be- dient mag het pas verlaten, wanneer de motor is uitgezet, het apparaat tegen onbedoelde bewegingen is beveiligd en de handrem is aangetrokken. – Om onbevoegd gebruik van het appa- raat te voorkomen, dient men de con- tactsleutel te verwijderen. – Het apparaat mag alleen door perso- nen worden gebruikt die voor de om- gang ermee zijn opgeleid of hun vaar- digheden in het bedienen hebben aan- getoond en uitdrukkelijk de opdracht hebben gekregen voor het gebruik. – Dit apparaat is niet ervoor gedacht, door personen (inclusieve kinderen) met beperkte fysieke, sensorische of geestelijke mogelijkheden of door ge- brek aan ervaring en/of door gebrek aan kennis te worden benut, tenzij deze personen door personen worden geob- serveerd die voor hun veiligheid verant- woordelijk zijn of door deze hun instruc- ties hebben verkregen, hoe het appa- raat dient te worden gebruikt. – Over kinderen dient toezicht te worden gehouden, om te waarborgen dat ze niet met het apparaat spelen.

Gevaar Verwondingsgevaar! Kantelgevaar bij de sterke hellingen. – Er mogen enkel hellingen en dalingen in rijrichting tot 18% bereden worden. Kantelgevaar bij onstabiele ondergrond. – Het apparaat uitsluitend op bevestigde ondergrond bewegen. Kantelgevaar bij de zijwaartse hellingen. – Dwars op de rijrichting alleen hellingen tot maximaal 15% berijden. De rijsnelheid moet aan de omstandighe- den van dat moment aangepast worden. Gevaar Verwondingsgevaar! – Neem de bijzondere veiligheidsinstruc- ties in de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant in acht. – De uitlaat mag niet geblokkeerd wor- den. – Niet over de uitlaat buigen of deze aan- raken (verbrandingsgevaar). – Aandrijfmotor niet aanraken of vastpak- ken (verbrandingsgevaar). Symbolen in de gebruiksaanwijzing Symbolen op het toestel Geen brandende of gloei- ende voorwerpen opvegen zoals bijvoorbeeld sigaret- ten, lucifers e.d. Gevaar van kneuzingen en schuurwonden door rie- men, zijbezems, reservoirs, apparaatkap. Reglementair gebruik Voorzienbaar verkeerd gebruik Geschikte ondergronden Veiligheidsinstructies Veiligheidsinstructies voor de bediening Veiligheidsinstructies voor de rijmodus Veiligheidsinstructies voor de verbrandingsmotor 66 NL- 3 – Benzine-/dieselmotor: Het is verboden om het apparaat binnen te gebruiken (vergiftigingsgevaar). – Gasmotor: Zorg bij het gebruik van het apparaat binnen voor voldoende ver- luchting en afvoer van de uitlaatgassen (vergiftigingsgevaar). – Uitlaatgassen zijn schadelijk voor de gezondheid, ze mogen niet worden in- geademd. – De motor heeft ca. 3 - 4 seconden na- loop nodig na het uitzetten. In deze tijd absoluut uit de buurt blijven van het aandrijfbereik. Hauptverband der gewerblichen Berufsge- nossenschaften e.V. (HVBG, Hoofdver- bond van de industriële beroepsgenoot- schappen, zorgt voor werknemersbescher- ming). Vloeibare gassen (drijfgassen) zijn butaan en propaan of butaan/propaan- mengsels. Ze worden in speciale flessen geleverd. De bedrijfsdruk van deze gassen is afhankelijk van de buitentemperatuur. Gevaar Explosiegevaar! Vloeibaar gas niet als ben- zine behandelen. Benzine verdampt lang- zaam, vloeibaar gas gaat direct over in een gas. Het gevaar dat de ruimte zich met gas vult en dit ontvlamt is dus bij vloeibaar gas groter dan bij benzine. Gevaar Verwondingsgevaar! Alleen gasflessen ge- vuld met drijfgas volgens DIN 51622 van kwaliteit A of B, al naar gelang de omge- vingstemperatuur gebruiken. VOORZICHTIG Huishoudelijk gas is per definitie verboden. Toegelaten zijn voor de gasmotor vloeibare gasmengsels van propaan/butaan waar- van de mengverhouding tussen 90/10 tot 30/70 ligt. Vanwege het betere gedrag bij een koude start, dient bij buitentemperatu- ren onder 0 °C (32 °F) bij voorkeur vloei- baar gas met een hoge propaanverhouding te worden gebruikt, omdat dit al bij lage temperaturen verdampt. – Alle personen die vloeibaar gas hante- ren, zijn verplicht, kennis te nemen van de informatie over de eigenschappen van vloeibare gassen, om een veilige bedrijfsvoering te kunnen garanderen. Deze publicatie dient steeds bij de veegmachine aanwezig te zijn. – Drijfgasinstallaties dienen regelmatig, tenminste één keer per jaar, door een vakkundig persoon op werking en dicht- heid gecontroleerd te worden (volgens BGG 936). – De controle dient schriftelijk te worden vastgelegd. Aan de controle liggen de § 33 en § 37 UVV "Verwendung von Flüs- siggas" (gebruik van vloeibaar gas, BGV D34) ten grondslag. – Als algemene voorschriften gelden de richtlijnen van de Duitse Verkeersminis- ter voor de controle van voertuigen waarvan de motoren op vloeibare gas- sen lopen. – Het gas mag steeds maar uit één fles tegelijk worden getapt. Wordt het gas uit meerdere flessen tegelijk gehaald, kan het gebeuren dat het vloeibare gas uit een fles in een andere loopt. Daar- door zou de overvulde fles na het slui- ten van het ventiel (zie B. 1 van deze richtlijnen) blootstaan aan een ontoe- laatbare drukstijging. – Bij het inbouwen van de volle fles be- vindt zich de markering voor de juiste positie van de fles "boven" (aansluit- schroefdraad wijst loodrecht naar bo- ven). Het wisselen van gasfles dient zorgvuldig te geschieden. Bij het in- en uitbouwen moet de gasuitgangsnippel van het fles- ventiel door een met een sleutel vast aan- gedraaide afsluitmoer zijn afgedicht. – Ondichte gasflessen mogen niet meer worden gebruikt. Ze dienen met inacht- neming van alle voorzorgsmaatregelen direct in de open lucht door afblazen te worden leeggemaakt en dan als on- dicht te worden gekenmerkt. Bij het af- leveren of ophalen van beschadigde flessen dient de uitlener of diens repre- sentant (tankbediende bijv.) direct schriftelijk van de bewuste schade op de hoogte te worden gebracht. – Voordat de gasfles wordt aangesloten, dient de aansluitnippel op deugdelijk- heid gecontroleerd te worden. – Na het aansluiten van de fles moet deze met schuimvormende middelen op dichtheid gecontroleerd worden. – De ventielen dienen langzaam te wor- den geopend. Het openen en sluiten mag niet met behulp van slaggereed- schap plaatsvinden. – Bij een brand met vloeibaar gas uitslui- tend met droog koolzuur of met kool- zuurgas blussen. – De gehele vloeibaar-gas-installatie dient voortdurend op bedrijfsveiligheid en in het bijzonder op dichtheid gecon- troleerd te worden. Het gebruik van het voertuig met een ondichte gasinstallatie is verboden. – Voor het losmaken van de buis- c.q. slangverbinding dient het flesventiel te worden gesloten. De aansluitmoer aan de fles komt langzaam en eerst maar weinig los, omdat anders het gas dat zich nog in de leiding bevindt en onder druk staat spontaan zou uittreden. – Als het gas uit een grote container wordt getankt, dan dienen de eenduidi- ge voorschriften bij de betreffende groothandel in vloeibaar gas te worden opgevraagd. Gevaar Verwondingsgevaar! – Vloeibaar gas in vloeibare vorm geeft wonden door bevriezing op de blote huid. – Na de demontage moet de sluitmoer vast op de aansluit-schroefdraad van de fles worden geschroefd. – Om de dichtheid te controleren dienen zeepwater, Nekal-oplossing of een an- der schuimend middel te worden ge- bruikt. Het aflichten van de vloeibaar- gasinstallatie met een open vlam is ver- boden. – Bij het wisselen van losse installatie-on- derdelen dienen de inbouw-voorschrif- ten van de fabrikant in acht te worden genomen. Daarbij dienen fles- en hoofdafsluitventielen te worden geslo- ten. – Er dient voortdurend toezicht te worden gehouden op de toestand van de elek- trische installatie van de vloeibaar-gas- voertuigen. Vonken kunnen bij lekka- ges van de gasvoerende installatie-on- derdelen explosies veroorzaken. – Wanneer een vloeibaar-gasvoertuig langere tijd heeft stilgestaan, dient de garage voor de inbedrijfstelling van het voertuig of van de bijbehorende elektri- sche installatie grondig geventileerd te worden. – Ongevallen in verband met gasflessen of met de vloeibaargas-installatie die- nen direct aan de „Berufsgenossen- schaft“ (arbo-dienst) of het bevoegde „Gewerbeaufsichtsamt“ (branche-in- spectie) te worden gemeld. Beschadig- de onderdelen dienen tot aan het einde van het onderzoek te worden bewaard. – De opslag van drijfgas- c.q. vloeibaar- gasflessen dient volgens de Vorschrif- ten TRF 1996 (Technische regels vloei- baargas, zie DA bij de BGV D34, Bijla- ge 4) te worden uitgevoerd. – Gasflessen dienen staand te worden bewaard. Open vuur en roken zijn bij de opslag van containers en tijdens de re- paratie niet toegestaan. In de open lucht opgeslagen flessen dienen tegen onbevoegde toegang te zijn beveiligd. Lege flessen dienen te allen tijde zijn dichtgedraaid. – De fles- en hoofdafsluitventielen dienen direct na het in de garage zetten van het motorrijtuig te worden dichtge- draaid. – Voor de ligging en uitvoering van de ga- rages voor vloeibaargas-voertuigen gelden de bepalingen van de Reichsga- ragenordnung (rijksgarageverordening) en de betreffende Landes-Bauordnung (provinciale bouwverordening). – De gasflessen dienen in speciale, van de garages gescheiden ruimtes te wor- den opgeslagen (zie DA bij de BGV D34, bijlage 2). – De in de ruimtes gebruikte elektrische looplampen dienen van een gesloten, Veiligheidstechnische richtlijnen voor motorvoertuigen op vloeibaar gas (enkel gasmotor) Verplichtingen van de bedrijfsleiding en de werknemers Onderhoud door vakkundige personen Inbedrijfstelling/gebruik In de garages en opslagruimtes en de reparatie-werkplaatsen 67NL- 4 afgedichte overstolp en van een sterke veiligheidskooi te zijn voorzien. – Bij werkzaamheden reparatiewerk- plaatsen dienen de fles- en hoofdaf- sluitventielen te worden gesloten en de drijfgasflessen tegen overmatige warm- te te worden afgeschermd. – Voor werkpauzes en voor beëindiging van de werkzaamheden dient een ver- antwoordelijke te controleren of alle ventielen, en vooral flesventielen, zijn gesloten. Werkzaamheden met vuur, in het bijzonder las- en snijwerkzaamhe- den, mogen niet in de buurt van drijf- gasflessen worden uitgevoerd. Drijf- gasflessen mogen niet in de werkplaat- sen worden opgeslagen, ook niet wan- neer ze leeg zijn. – De garages, opslagruimtes en werk- plaatsen dienen goed geventileerd te zijn. Let er hierbij op, dat vloeibare gas- sen zwaarder zijn dan lucht. Ze concen- treren zich op de vloer, in werkputten en andere verlaagde plaatsen in de vloer en kunnen hier voor explosieve gas- lucht-mengsels zorgen. – Bij vervoer van het apparaat dient u de motor af te zetten en het apparaat goed vast te zetten. Brandstofkraan sluiten. – Voor reinigings- en onderhoudswerk- zaamheden van het apparaat, het ver- vangen van onderdelen of het ombou- wen voor een andere functie dient het apparaat te worden uitgeschakeld en eventueel de contactsleutel te worden verwijderd. – Bij werkzaamheden aan de elektrische installatie moet de batterij afgeklemd worden. – Het schoonmaken van het apparaat mag niet met een waterslang of hoge- drukstraal gebeuren (gevaar van kort- sluiting of andere schades). – Reparaties mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenservicewerk- plaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betref- fende veiligheidsvoorschriften ver- trouwd zijn. – Veiligheidscontrole volgens de plaatse- lijk geldige voorschriften voor van plaats veranderlijke, industrieel benutte apparaten opvolgen. – Werkzaamheden aan het apparaat al- tijd met geschikte handschoenen uit- voeren. De veegmachine werkt volgens het over- slagprincipe. – De zijbezems (3) reinigen hoeken en kanten van het veegoppervlak en trans- porteren het vuil in de baan van de vee- grol. – De roterende veegrol (4) transporteert het vuil direct in de veeggoedcontainer (5). – Het in de container opgejaagde stof wordt via de stoffilter (2) gescheiden en de gefilterde schone lucht wordt door het zuigventiel (1) weggezogen. Veiligheidsinstructies over het transport van het apparaat Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud Functie 68 NL- 5 1 Stoffilter 2 Luchtfilterelement 3 Bougie 4 Oliepeilstok 5 Gasfles (Alleen KM 100/100 R LPG) 6 Apparaatkap 7 Veeggoedreservoir (beide kanten) 8 Hefboom stoelverstelling 9 Veegrol 10 Pedaal grofvuilklep omhoog/omlaag 11 Zijbezem 12 Gaspedaal 13 Frontpaneel 14 Choke (koude start) 15 Contactslot 16 Stuurwiel 17 Nat-/droogklep 18 Stoel (met zitcontactschakelaar) 1 Programmaschakelaar 2 Filterreiniging 3 Claxon 4 Bedrijfsurenteller – Bedieningselementen voor het reini- gingsproces zijn geel. – Bedieningselementen voor het onder- houd en de service zijn lichtgrijs. GEVAAR Knelgevaar bij het sluiten van de apparaat- kap. Daarom de apparaatkap langzaam la- ten zakken. Apparaatkap openen aan de daartoe voorziene verzonken handgreep (naar boven trekken). Steunstang uit de houder trekken. Steunstang in de opname aan de zuig- turbine steken. Om de apparaatkap te sluiten, steunst- ang uit de opname trekken en in de houder van de apparaatkap laten vast- klikken. Elementen voor de bediening en de functies

Bedieningspaneel Kleurmarkering Apparaatkap openen / sluiten 69NL- 6 GEVAARVerwondings- en beschadigingsgevaar! Geen vorkheftruck gebruiken om het appa-raat te lossen.Ga bij het afladen als volgt te werk: Kunststof pakband opensnijden en folie verwijderen. Spanbandbevestiging bij de aanslag-punten verwijderen. Vier gemarkeerde vloerplanken van de pallet zijn met schroeven bevestigd. Schroef deze planken er af. Leg de planken op de kant van de pal-let. Plaats de planken zo, dat ze voor de wielen van het apparaat liggen. Beves-tig de planken met de schroeven. De in de verpakking bijgevoegde bal-ken voor ondersteuning van de helling gebruiken. Houten blokken voor het vastzetten van de wielen verwijderen en onder de hel-ling schuiven. GevaarVerwondingsgevaar! Voor het inleggen vande vrijloop moet het apparaat beveiligd worden tegen wegrollen.OPMERKINGBeweeg de veegmachine zonder zelfaan-drijving niet over lange afstanden en niet sneller dan 6 km/h.1 Stand vrijloophendel bovenaan - appa-raat kan verschoven. Kap van apparaat openen/ en vastzet- ten Vrijloophefboom in de bovenste positie laten vastklikken.Rijaandrijving is zo buiten werking. Apparaatkap sluiten.Het apparaat kan verschoven worden.1 Stand vrijloophefboom omlaag - appa-raat is rijklaar Vrijloophefboom in de onderste positie laten vastklikken. Apparaatkap sluiten.Het apparaat is rijklaar. Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Sleutel verwijderen.몇 WAARSCHUWINGEr mogen enkel typegekeurde vervan-gingsflessen (drijfgasflessen) met een in-houd van 11 kg gebruikt worden. Deze hebben ter bescherming van het ventiel een kraag van 270°. GevaarVerwondingsgevaar!– Veiligheidstechnische richtlijnen voor vloeibaar gas-motorvoertuigen in acht nemen.– IJsvorming en schuimend-gele afzettin-gen op de gasfles duiden op een lek.– De flessen mogen alleen door hierin geenstrueerde personen worden uitge-voerd.– Drijfgasflessen mogen niet in garages en niet in ruimtes onder de aarde wor-den gewisseld.– Bij het wisselen van de flessen niet ro-ken en geen open verlichting gebrui- ken. – Bij het wisselen van de fles het afsluit-ventiel van de vloeibaargasfles stevig dichtdraaien en afschermkap direct op de lege fles plaatsen.1 Beschermkap2 Wartelmoer3 Gas-aftapventiel4 Bevestiging Gasfles in bevestiging plaatsen, gas-flesaansluiting moet naar boven wijzen.Afbeelding: zonder gasfles weergegeven1 Sluiting2 Borgpen3 Bevestigingsriem Sluiting van bevestigingsriem sluiten. Veiligheidspal aanbrengen.OPMERKINGDe aansluiting draait linksom.몇 WAARSCHUWINGGas-aftapventiel pas openen voor het star-ten van het apparaat (zie hoofdstuk "Wer-king | rijmodus").몇 WAARSCHUWINGGevaar door uitstromend gas. Gasslang zo verleggen / vastmaken, dat deze niet bo-ven het apparaat uitsteekt en bij het rijden afgetrokken kan worden. Beschermkap van het aansluitventiel van de gasfles verwijderen. Gasslang met wartelmoer vastdraaien (sleutelwijdte 30 mm).Alleen KM 100/100 R G GevaarExplosiegevaar!– Uitsluitend de in de gebruiksaanwijzing aangegeven brandstof mag worden ge-bruikt.– Niet in gesloten ruimtes tanken.– Roken en open vuur is verboden. Let erop dat er geen brandstof op hete oppervlakken komt. Motor uitzetten. Kap van apparaat openen/ en vastzet- ten Brandstofinhoud aan de tankweergave controleren. Tankdop openen. 'Normale loodvrije benzine' tanken. Tank maximaal tot 1 cm onder de on-derkant van de vulopening vullen. Overgelopen brandstof afvegen, trech-ter verwijderen en tankdop sluiten. Apparaatkap sluiten. Voor de inbedrijfstelling Afladen Veegmachine zonder zelfaandrijving bewegen Veegmachine met zelfaandrijving bewegen Inbedrijfstelling Algemene aanwijzingen Gasfles monteren/vervangen (Alleen KM 100/100 R LPG) Gasfles plaatsen

Gasfles bevestigenGasfles aansluiten Tanken 70 NL- 7 Hefboom stoelverstelling naar binnen trekken. Stoel verschuiven, hefboom loslaten en vastzetten. Door vooruit- en terugbewegen van de stoel controleren of hij vast zit. 1 Rijden Naar gebruiksplaats rijden. 2 Vegen met veegrol Veegrol wordt neergelaten. Keerrol en zijbezem draaien. 3 Vegen met zijbezems Veegrol en zijbezems worden neerge- laten. OPMERKING Het apparaat is voorzien van een zitcon- tactmat. Bij het verlaten van de chauffeurs- stoel wordt het apparaat uitgeschakeld. Alleen KM 100/100 R G Kap van apparaat openen/ en vastzet- ten Hefboom in de richting 'ON' schuiven. Apparaatkap sluiten. Alleen KM 100/100 R LPG 1 Gas-aftapventiel Gas-aftapventiel openen door tegen de wijzers van de klok te draaien. Op de chauffeursstoel plaatsnemen. Rijpedaal NIET gebruiken. Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Alleen KM 100/100 R G Chokehendel naar beneden drukken. Wanneer de motor loopt, de chokehen- del weer naar boven trekken. Alleen KM 100/100 R LPG Op de remoteknop drukken, wanneer de motor loopt, remoteknop loslaten Contactsleutel boven stand 1 uitdraai- en. Is het apparaat gestart, dan contact- sleutel loslaten. OPMERKING De starter nooit langer dan 10 seconden gebruiken. Voor hernieuwd gebruik van de starter minstens 10 seconden wachten. GEVAAR Valgevaar! Bij het rijden niet gaan recht- staan. Gaspedaal "vooruit" langzaam indruk- ken. Gevaar Gevaar voor verwonding! Bij het achteruit- rijden mogen derden niet in gevaar ge- bracht worden, eventueel aanwijzingen la- ten geven. Gaspedaal "achteruit" langzaam in- drukken. – Met de rijpedalen kan de rijsnelheid traploos geregeld worden. – Vermijd schokkerig gebruik van het pe- daal, omdat de hydraulische installatie anders beschadigd kan raken. – Bij capaciteitsafname op hellingen het rijpedaal zachtjes terugnemen. Rijpedaal loslaten, het apparaat remt zelf en blijft staan. Over vaststaande hindernissen tot 50 mm heen rijden: Langzaam en voorzichtig in voorwaart- se richting overheen rijden. Over vaststaande hindernissen boven 50 mm heen rijden: Er mag alleen over hindernissen heen gereden worden met een geschikte op- rijdrempel. Gevaar Gevaar voor verwonding! Bij geopende grofvuilklep kan de veegwals stenen of split naar voren wegslingeren. Erop letten, dat geen mensen, dieren of voorwerpen in ge- vaar gebracht worden. VOORZICHTIG Geen pakbanden, draden of soortgelijk ma- teriaal opvegen; dit kan leiden tot een be- schadiging van het veegmechanisme. VOORZICHTIG Om een beschadiging van de vloer te ver- mijden de veegmachine niet ter plaatse ge- bruiken. Instructie: Om een optimaal reinigingsre- sultaat te krijgen, moet de rijsnelheid aan de omstandigheden aangepast worden. Instructie: Tijdens het gebruik moet het veeggoedreservoir op gezette tijden gele- digd worden. Instructie: Bij oppervlaktereiniging alleen veegrol laten zakken. Instructie: Bij reiniging van zijranden ook de zijbezems laten zakken. Programmaschakelaar op markering 2 zetten. Veegrol wordt neergelaten. Keerrol en zijbezem draaien. Instructie: Voor het opvegen van grotere deeltjes tot een hoogte van 60 mm, bv. blik- Werking Chauffeursstoel instellen Programma's selecteren Apparaat starten Brandstofkraan openen Gastoevoer openen

Apparaat starten Apparaat verrijden Vooruit rijden Achteruit rijden Rijgedrag Remmen Over hindernissen heen rijden Veegbedrijf Vegen met keerrol Vegen met opgeheven grofvuilklep 71NL- 8 jes, moet de grofvuilklep kort opgeheven worden. Grofvuilklep opheffen: Pedaal grofvuilklep naar voren drukken en vastgedrukt houden. Voor het legen voet van het pedaal ne- men. Instructie: Alleen bij volledig naar bene- den gelaten grofvuilklep ist een optimaal reinigingsresultaat te bereiken. Programmaschakelaar op markering 3 zetten. Zijbezems evenals keerrol wor- den neergelaten. Instructie: Veegrol en zijbezems lopen au- tomatisch aan. Instructie: Tijdens het gebruik moet het veeggoedreservoir op gezette tijden gele- digd worden. Instructie: Tijdens het gebruik moet de stoffilter op gezette tijden gereinigd wor- den. Nat-/droogklep sluiten. Nat-/droogklep openen. Instructie: Op die manier wordt een ver- stopping van het filtersysteem vermeden. Nat-/droogklep openen. Instructie: De filter wordt zo tegen vochtig- heid beschermd. – Handmatige filterreiniging inschakelen. Toets filterreiniging indrukken De filter wordt gedurende 15 seconden gerei- nigd. Instructie: Wachten tot de filterreiniging beëindigd en het stof neergedaald is, voor- aleer u het veeggoedreservoir opent of leegt. Veeggoedreservoir lichtjes optillen en uittrekken. Veeggoedcontainer legen. Veeggoedreservoir erin schuiven en la- ten vastklikken. Tegenoverliggend veeggoedreservoir leegmaken. Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Zijbezems en veegrol worden opgeheven. Contactsleutel op '0' draaien en uittrek- ken. Instructie: Na het uitzetten van het appa- raat wordt de stoffilter automatisch ca. 15 seconden lang gereinigd. In die tijd mag de apparaatkap niet geopend worden. Instructie: Het apparaat is uitgerust met een automatische parkeerrem die na het uitzetten van de motor en bij het verlaten van de stoel geactiveerd wordt. Alleen KM 100/100 R G Brandstofkraan sluiten. Alleen KM 100/100 R LPG 1 Gas-aftapventiel Gas-aftapventiel sluiten door met de wijzers van de klok mee te draaien. GEVAAR Gevaar voor letsels en beschadigingen! Houd bij het transport rekening met het ge- wicht van het apparaat. Contactsleutel op '0' draaien en uittrek- ken. Apparaat aan de wielen met spieën vastzetten. Apparaat met spankabels of koorden vastzetten. Bij het transport in voertuigen moet het apparaat conform de geldige richtlijnen beveiligd worden tegen verschuiven en kantelen. Instructie: Markeringen voor bevestigings- punten op het basisframe in de gaten hou- den (kettingsymbolen). Het apparaat mag voor het laden of lossen alleen op hellingen tot max. 18 % gebruikt worden. Alleen KM 100/100 R G Brandstofkraan sluiten. Brandstoftank leegmaken. Alleen KM 100/100 R LPG Gas-aftapventiel sluiten door met de wijzers van de klok mee te draaien. Gasfles eraf nemen en conform de gel- dende voorschriften opbergen. GEVAAR Gevaar voor letsel en beschadiging! Het gewicht van het apparaat bij opbergen in acht nemen. Als de veegmachine voor langere tijd niet gebruikt wordt, let dan op de volgende pun- ten: Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Veegrol en zijbezems worden opgeheven om de borstels niet te beschadigen. Contactsleutel op '0' draaien en uittrek- ken. Veegmachine tegen wegrollen beveili- gen. Veegmachine aan de binnen- en bui- tenkant reinigen. Apparaat op een beschutte en droge plaats neerzetten. Alleen KM 100/100 R G Brandstoftank voltanken en brandstof- kraan sluiten. Alleen KM 100/100 R LPG Gas-aftapventiel sluiten door met de wijzers van de klok mee te draaien. Gasfles eraf nemen en conform de gel- dende voorschriften opbergen. Alle motorvarianten: Motorolie verversen Bougie uitschroeven en ca. 3 cm³ olie in de bougieopening doen. De motor zon- der bougie meerdere malen laten draai- en. Bougie terugschroeven. Accu afklemmen. Accu elke 2 maanden opladen. Voor reinigings- en onderhoudswerk- zaamheden van het apparaat, het ver- vangen van onderdelen of het ombou- wen voor een andere functie moet het apparaat uitgeschakeld, de contact- sleutel verwijderd en de batterijstekker uitgetrokken resp. de batterij afgeklemd worden. Bij werkzaamheden aan de elektrische installatie dient de accustekker te wor- den uitgetrokken of de klemmen van de accu te worden losgemaakt. – Reparaties mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenservicewerk- plaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betref- fende veiligheidsvoorschriften ver- trouwd zijn. – Mobiel commercieel geëxploiteerde ap- paratuur dient volgens VDE 0701 op veiligheid te worden gecontroleerd. Vegen met zijbezems Droge bodem vegen Vezelachtig en droog keergoed (bv. droog gras, stro) opvegen Vochtige of natte bodem vegen Filterreiniging Veeggoedcontainer leegmaken Apparaat uitschakelen Transport

Opslag Stillegging Onderhoud Algemene aanwijzingen 72 NL- 9 – Gebruik uitsluitend de bij het apparaat geleverde of de in de gebruiksaanwij- zing bepaalde veegrollen/zijbezems. De toepassing van andere veegrollen/ zijbezems kan negatieve gevolgen heb- ben voor de veiligheid. VOORZICHTIG Beschadigingsgevaar! De reiniging van het apparaat mag niet met een waterslang of hogedrukstraal gebeuren (gevaar van kort- sluiting of andere schade). Gevaar Verwondingsgevaar! Stofmasker en veilig- heidsbril dragen. Apparaatkap openen, steunstang aan- brengen. Apparaat met een doek reinigen. Apparaat met perslucht uitblazen. Apparaatkap sluiten. Instructie: De stoffilter kan met water afge- wassen worden. Vooraleer de filter op- nieuw wordt aangebracht, moet hij volledig gedroogd zijn. Apparaat met een vochtige, in een mild zeepsopje gedrenkte doek reinigen. Instructie: Geen agressieve reinigings- middelen gebruiken. Instructie: De bedrijfsurenteller geeft het tijdstip van de onderhoudsintervallen aan. Onderhoud dagelijks: Keerwals en zijborstel controleren op slijtage en in elkaar gewikkelde ban- den. Luchtdruk banden controleren. Werking van alle bedieningsonderdelen controleren. Onderhoud wekelijks: Bowdenkabels en bewegende delen op flexibiliteit controleren Afdichtlijsten in het veegbereik contro- leren op instelling en slijtage. Stoffilter controleren en indien nodig fil- terkast reinigen. Onderdruksysteem controleren. Onderhoud alle 100 bedrijfsuren: Zitcontactschakelaar op functionaliteit controleren. Spanning, slijtage en werking van de aandrijfriemen (V-snaar en rondprofiel- snaar) controleren. Onderhoud na slijtage: Afdichtlijsten vervangen. Veegrol vervangen. Zijbezems vervangen. Instructie: Beschrijving zie hoofdstuk On- derhoudswerkzaamheden. Instructie: Alle service- en onderhouds- werken bij onderhoud door de klant, dienen door een gekwalificeerde vakman uitge- voerd te worden. Indien nodig kan altijd een Kärcher-specialist geraadpleegd worden. Onderhoud na 8 bedrijfsuren: Eerste inspectie uitvoeren. Onderhoud na 20 bedrijfsuren Onderhoud alle 100 bedrijfsuren Onderhoud alle 300 bedrijfsuren Onderhoud alle 500 bedrijfsuren Onderhoud alle 1000 bedrijfsuren Onderhoud alle 1500 bedrijfsuren Instructie: Om aanspraken op garantie te behouden, moeten tijdens de garantietijd alle service- en onderhoudswerken door de geautoriseerde Kärcher-klantendienst overeenkomstig het onderhoudsboekje ge- daan worden. Voorbereiding: Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Contactsleutel op '0' draaien en sleutel uittrekken. GEVAAR Verwondingsgevaar! De motor van de filterreiniging heeft ca. 15 seconden naloop nodig na het uitzetten. Apparatkap gedurende die tijd niet openen. Gevaar Verwondingsgevaar! Voor alle onder- houds- en reparatiewerkzaamheden appa- raat voldoende laten afkoelen. Gasfilter in de schroefverbinding naar de gasfles toe op verontreinigingen controleren. Vuil filter met perslucht reinigen. Gasaansluitingen, gasleidingen en ver- dampers met lekzoekspray op lekkages controleren. OPMERKING Op ondichte plaatsen kunnen ijsvorming en schuimige afzettingen optreden, bijv. op gasaansluitingen, gasleidingen en verdam- pers. Neem voor onderhoud van de gasin- stallatie contact op met de Kärcher-klan- tendienst. Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Luchtdrukapparaat aansluiten op het bandventiel. Bandenspanning controleren (zie "Technische Gegevens").

Gevaar Verwondingsgevaar! Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Sleutel verwijderen. Bij reparatiewerkzaamheden op publie- ke wegen in het gevarenbereik van doorstromend verkeer waarschuwings- kleding dragen. Ondergrond controleren op stabiliteit. Apparaat nog extra vastzetten met een blok achter de wielen; dit om wegrollen te vermijden. Banden controleren Bandenloopvlak controleren op voor- werpen die in het profiel terechtgeko- men zijn. Voorwerpen verwijderen. Geschikt, in de handel gebruikelijk ban- denreparatiemiddel gebruiken. Instructie: De aanbevelingen van de des- betreffende fabrikant opvolgen. Verderrij- den is met inachtneming van de opgaven van de fabrikant van het product mogelijk. Vervanging van band of wiel zo spoedig mogelijk laten uitvoeren. Veeggoedreservoir aan de overeen- komstige kant lichtjes optillen en eruit trekken. Wielschroef losdraaien. Krik positioneren. Bevestigingspunt voor krik (achterwielen) Apparaat met de krik opheffen. Wielschroef verwijderen. Wiel wegnemen. Reservewiel plaatsen. Wielschroef indraaien. Apparaat met de krik laten zakken. Wielschroef aandraaien. Veeggoedreservoir erin schuiven en la- ten vastklikken. Instructie: Geschikte in de handel verkrijg- bare krik gebruiken. – De inschakeling van het veegsysteem gebeurt met behulp van een onderdruk- systeem. – Indien de zijbezem of de veegrol niet kan worden neergelaten, moeten de onderdrukdozen gecontroleerd worden op een reglementaire aansluiting van de slangleidingen, indien nodig moet de overeenkomstige slang aangesloten worden. – Indien de zijbezem of de veegrol nog steeds niet kan worden neergelaten, is het onderdruksysteem ondicht. In dat Reiniging Reiniging binnenkant apparaat Reiniging buitenkant apparaat Onderhoudsintervallen Onderhoud door de klant Onderhoud door de klantenservice Onderhoudswerkzaamheden Algemene veiligheidsinstructies Gasfilter controleren (Alleen KM 100/100 R LPG) Gasleidingen controleren (Alleen KM 100/100 R LPG) Bandenluchtdruk controleren Band verwisselen Onderdruksysteem controleren 73NL- 10 geval moet de klantendienst op de hoogte gebracht worden. Slangaansluiting naar de onderdrukdoos voor het omlaag brengen van de zijbezem Slangaansluitingen naar de onderdrukdoos voor het omlaag brengen van de veegrol Slangaansluitingen naar de onderdruk- pomp en de onderdrukdoos (reservoir) Instructie: De onderdrukpomp draait al- leen wanneer onderdruk in het systeem op- gebouwd wordt. Indien de pomp altijd draait, moet de klantendienst op de hoogte gebracht worden. Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Zijbezems worden om- hoog gebracht. Sleutelschakelaar naar '0' draaien en sleutel uittrekken. 3 bevestigingsschroeven aan de onder- kant losdraaien. Versleten zijbezems verwijderen. Nieuwe zijbezem op meenemer steken en vastschroeven. Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Veegrol wordt omhoog gebracht. Sleutelschakelaar naar '0' draaien en sleutel uittrekken. Apparaat met blok tegen wegrollen be- veiligen. Veeggoedreservoir aan beide kanten lichtjes optillen en eruit trekken. Banden of snoeren van veegrol verwij- deren. Het verwisselen is nodig, als door het ver- slijten van de borstels het veegresultaat zichtbaar minder wordt. Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Veegrol wordt omhoog gebracht. Sleutelschakelaar naar '0' draaien en sleutel uittrekken. Apparaat met blok tegen wegrollen be- veiligen. Veeggoedreservoir aan beide kanten lichtjes optillen en eruit trekken. Voorste bevestigingsschroef van de rechter zijpanelen losmaken. Achterste bevestigingsschroeven van de rechter zijpanelen losdraaien. Zijpaneel wegnemen. Schroeven losdraaien. Schroef op het draaipunt van de vee- grolcoulisse uitdraaien. Veegrolcoulisse aftrekken. Veegrolafdekking wegnemen. Veegrol uitnemen. Inbouwplaats van de veegrol in de rijrich- ting Nieuwe veegrol in de veegrolkast schui- ven en op de aandrijfpen steken. Instructie: Bij de inbouw van de nieuwe veegrol op de positie van de borstelset let- ten. Instructie: Bowdenkabel zodanig instellen dat de veegrol ca. 10 mm van de grond op- getild wordt. Veegrolafdekking aanbrengen. Veegrolcoulisse aanbrengen. Bowdenkabel eriin hangen. Bevestigingsschroeven aandraaien. Zijpaneel opschroeven. Veeggoedreservoir aan beide kanten erin schuiven en laten vastklikken. Zijbezem verwisselen Veegrol controleren Veegrol verwisselen 74 NL- 11 Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Veegrol en zijbezems worden opgeheven. Veegmachine op een egale en gladde bodem rijden die duidelijk met stof of krijt bedekt is. Programmaschakelaar op markering 2 zetten. Veegrol wordt neergelaten. Gaspedaal lichtjes induwen en keerrol kort laten draaien. Veegrol omhoog brengen. Pedaal voor het opheffen van de grof- vuilklep bedienen en pedaal ingedrukt houden. Apparaat achterwaarts wegrijden. De vorm van de veegspiegel vormt een ge- lijkmatige rechthoek die tussen 50 -70 mm breed is. Instructie: Door het drijvende kogellager van de keerrol stelt de veegspiegel zich bij slijtage van de borstels automatisch bij. Bij te sterke slijtage moet de veegrol vervan- gen worden. Veegmachine op een egaal oppervlak neerzetten. Programmaschakelaar op markering 1 (rijden) zetten. Veegrol wordt omhoog gebracht. Sleutelschakelaar naar '0' draaien en sleutel uittrekken. Apparaat met blok tegen wegrollen be- veiligen. Veeggoedreservoir aan beide kanten lichtjes optillen en eruit trekken. Bevestigingsschroeven van de zijpane- len aan beide kanten losdraaien. Zijpanelen wegnemen. Voorste afdichtlijst Bevestigingsmoeren van de voorste af- dichtlijst ietsje losdraaien, voor de ver- vanging afschroeven. Nieuwe afdichtlijsten vastschroeven en moeren nog niet helemaal vastschroe- ven. Afdichtlijst richten. Bodemafstand van de afdichtlijst zo in- stellen dat hij met een naloop van 35 - 40 mm naar achteren ligt. Moeren aandraaien. Achterste afdichtlijst Bodemafstand van de afdichtlijst zo in- stellen dat hij met een naloop van 10 - 15 mm naar achteren ligt. Bij slijtage verwisselen. Veegrol verwijderen. Bevestigingsmoeren van de achterste afdichtlijst afschroeven. Nieuwe afdichtlijst opschroeven. Zijdelingse afdichtlijsten Bevestigingsmoeren van de zijdelingse afdichtlijst ietsje losdraaien, voor de verwisselingen afschroeven. Nieuwe afdichtlijsten vastschroeven en moeren nog niet helemaal vastschroe- ven. Ondergrond met 1 - 2 mm sterkte on- derschuiven om de bodemafstand in- stellen. Afdichtlijst richten. Moeren aandraaien. Zijpanelen opschroeven. Veeggoedreservoir aan beide kanten erin schuiven en laten vastklikken. 몇 WAARSCHUWING Voor aanvangen van het verwisselen van de stoffilter veeggoedcontainer legen. Bij werkzaamheden aan de filterinstallatie stofmasker dragen. Veiligheidsvoorschrif- ten over de omgang met fijne stoffen in acht nemen. VOORZICHTIG Gevaar voor beschadiging! De Stoffilter niet uitwassen. Sleutelschakelaar naar '0' draaien en sleutel uittrekken. Apparaatkap openen, steunstang aan- brengen. 1 Greep filterhouder 2 Vergrendeling 3As Vergrendeling naar boven trekken. As aan de greep van de filterhouder er- uit trekken tot de vergrendeling vastklikt (inkeping in as). Lamellenfilter wegnemen. Nieuwe filter plaatsen. Op aandrijfkant meenemer in sponning laten vallen. As weer naar binnen drukken en vast- klikken. Instructie: Bij het aanbrengen van een nieuwe filter erop letten dat de lamellen on- beschadigd blijven. Keerspiegel van de keerrol controleren Afdichtlijsten instellen en verwisselen Stoffilter verwisselen 75NL- 12 Dichting van de filterkast uit de spon- ning in de apparaatkap nemen. Nieuwe dichting plaatsen. Aandrijfriem (V-snaar) van de zuigturbi- ne op spanning, slijtage en beschadi- gingen controleren. Afdichtingsring op afzuiger regelmatig op juiste zit controleren. Schroeven aan beide kanten van het paneel losdraaien. Defecte zekeringen vervangen. Frontpaneel weer aanbrengen. Instructie: Alleen zekeringen met dezelfde zekeringswaarde gebruiken. OPMERKING De motor beschikt over een olietekortscha- kelaar. Bij een ontoereikend peil schakelt de motor zich uit en kan deze pas weer na het bijvullen van de motorolie opnieuw ge- start worden. GEVAAR Verbrandingsgevaar door hete oppervlak- ken! Motor laten afkoelen. Oliepeilstok eruit trekken en oliepeil controleren: Inhoud tenminste 1/3. Wanneer het oliepeil daaronder ligt, dan motorolie tot de onderkant van de vulopening bijvullen. Minstens 5 minuten wachten. Motoroliepeil opnieuw controleren. GEVAAR Verbrandingsgevaar door hete oppervlak- ken! Oliepeilstok uittrekken. Motorolie met oliewisselpomp 6.491- 538 via de oliebijvulsteun uitzuigen. Nieuwe motorolie met schone oliewis- selpomp 6.491-538 via de oliebijvul- steun bijvullen. Minstens 5 minuten wachten. Motoroliepeil opnieuw controleren. Vleugelmoeren van het aanzuigreser- voir losmaken. Filterelement eruit nemen en controle- ren. Gereinigde of nieuwe filterinzet in de aanzuigcontainer plaatsen. Vleugelmoer vastschroeven. Bougiestekker aftrekken. Bougie eruit schroeven en reinigen of volgens de regels verwijderen. Gereinigde of nieuwe bougie inschroe- ven. Bougiestekker op de bougie steken. OPMERKING De machine beschikt over twee hydrauli- sche cyclussen: Cyclus veeghydrauliek Oliepeil hydrauliek op het voorraadre- servoir controleren. Het oliepeil moet zich tussen de "MIN“- en „MAX“-markering bevinden. Wanneer het oliepeil te laag is, hydrau- lische olie via de vulleidingen boven op het reservoir bijvullen. Cyclus asaandrijving VOORZICHTIG Deze controle mag alleen gebeuren bij een koude motor. Oliepeil op het expansievat controleren. Indien nodig voorzichtig olie bijvullen. Filterkastdichting verwisselen Aandrijfriem controleren Afdichtingsring controleren Zekeringen verwisselen Motoroliepeil controleren en olie bijvullen Motorolie verversen Luchtfilter reinigen en vervangen Bougie reinigen en vervangen Oliepeil hydraulisch systeem controleren en hydraulische olie bijvullen 76 NL- 13 Gevaar Vóór alle onderhoudswerken, motor afzet- ten en contactsleutel uittrekken. Gevaar voor letsels! Vóór alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden apparaat vol- doende laten afkoelen. Hulp bij storingen Storing Oplossing Apparaat wil niet starten. Op de chauffeursstoel plaatsnemen, stoelcontactschakelaar wordt geactiveerd Tankinhoud en oliepeil controleren, indien nodig olie en brandstof bijvullen. Zekeringen controleren. Accu controleren, indien nodig opladen. Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Apparaat rijdt niet of langzaam Vrijloophendel in de onderste positie (rijden) vastklikken. Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Apparaat veegt niet goed Veegrol en zijbezems controleren op slijtage, indien nodig verwisselen Werking van de grofvuilklep controleren Afdichtlijsten op slijtage controleren, indien nodig instellen of vervangen Riem van de veegaandrijving controleren. Onderdruksysteem op dichtheid controleren. Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Apparaat stoft Veeggoedcontainer legen Aandrijfriemen voor afzuiger controleren Afdichtingsring op afzuiger controleren Stoffilter controleren, reinigen of verwisselen De Stoffilter niet uitwassen. Filterkastafdichting controleren Nat-/droogklep sluiten. Afdichtlijsten op slijtage controleren, indien nodig instellen of vervangen Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Zijbezem draait niet Zekering controleren. Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Slecht vegen aan de randen Zijbezems vervangen Afdichtlijsten op slijtage controleren, indien nodig instellen of vervangen Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Zijbezem- of veegrolaansluiting functioneert niet Onderdruksysteem op dichtheid controleren. Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Onvoldoende zuigcapaciteit Filterkastafdichting controleren Afdichtingsring op afzuiger controleren Slangen aan de zuigturbine controleren op dichtheid. Lamellenfilter correct inbouwen, zie stoffilter vervangen Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen Keerrol draait niet Banden of snoeren van veegrol verwijderen Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen 77NL- 14 Technische gegevens

KM 100/100 R G KM 100/100 R LPG

Apparaatgegevens Lengte x breedte x hoogte mm 2006 x 1005 x 1343 2006 x 1005 x 1343 Leeggewicht kg 300 300 Transportgewicht kg 375 375 Toelaatbaar totaalgewicht kg 520 520 Rijsnelheid km/h 8 8 Veegsnelheid km/h 6 6 Klimvermogen (max.) % 18 18 Veegrol-diameter mm 285 285 Veegrol-breedte mm 710 710 Zijbezem-diameter mm 450 450 Werkbreedte zonder zijbezems mm 710 710 Werkbreedte met 1 zijbezems mm 1000 1000 Werkbreedte met 2 zijbezems (optie) mm 1290 1290 Inhoud van de veeggoedcontainer l 100 100 Beveiligingsklasse beschermd tegen spatwater -- IPX 3 IPX 3 Motor Type -- Honda, GX 270 1-cil.-viertakt Honda, GX 270 1-cil.-viertakt Slagvolume cm

Vermogen max. kW/PK 6,6 / 9 6,6 / 9 Hoogste draaimoment bij 2500 1/min Nm 19 19 Soort brandstof -- Benzine, loodvrij Vloeibaar gas (drijfgas): Butaan, pro- paan of een mengsel van butaan en propaan RON 95 / EN 589 Reservoirinhoud -- 6 l 11 kg c.q. 20 liter (ruilfles) Bougie, NGK -- BPR 6 ES BPR 6 ES Beveiligingsklasse -- IP22 IP22 Accu Type -- 12V, 44Ah 12V, 44Ah Oliesoorten Motor -- SAE 15W40 SAE 15W40 Veeghydrauliek -- HVLP 46 HVLP 46 Asaandrijving -- SAE 10W-60 SAE 10W-60 Bandenuitrusting Grootte voor -- 4.00-4 4.00-4 Luchtdruk voor bar 6 6 Grootte achter -- 4.00-8 4.00-8 Luchtdruk achter bar 4,5 4,5 Rem Bedrijfsrem -- hydrostatisch hydrostatisch Handrem -- automatisch (met veer) automatisch (met veer) Filter- en zuigsysteem Filtervlak fijnstoffilter m

6,0 6,0 Gebruikscategorie filters voor stoffen die niet scha- delijk zijn voor de gezondheid -- U U Nominale onderdruk zuigsysteem mbar 12 12 Nominale volumestroom zuigsysteem l/s 50 50 Omgevingsvoorwaarden Temperatuur °C -5...+40 -5...+40 Luchtvochtigheid, niet bedauwend % 20 - 90 20 - 90 Berekende waarden volgens EN 60335-2-72 Geluidsemissie 78 NL- 15 Hierbij verklaren wij dat de hierna vermelde machine door haar ontwerp en bouwwijze en in de door ons in de handel gebrachte uitvoering voldoet aan de betreffende fun- damentele veiligheids- en gezondheidsei- sen, zoals vermeld in de desbetreffende EU-richtlijnen. Deze verklaring verliest haar geldigheid wanneer zonder overleg met ons veranderingen aan de machine worden aangebracht. De ondergetekenden handelen in opdracht en met volmacht van de directie. Documentatieverantwoordelijke: S. Reiser Alfred Kärcher SE & Co. KG Alfred-Kärcher-Straße 28-40 71364 Winnenden (Germany) Tel.: +49 7195 14-0 Fax: +49 7195 14-2212 Winnenden, 2021/02/01 Geluidsdrukniveau L

dB(A) 79 79 Onzekerheid K

<2,5 <2,5 Zitplaats m/s

Gemeten: 95 Gegaran- deerd: