SOLO T 1693.7 HD V2 - Tractor

T 1693.7 HD V2 - Tractor SOLO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis T 1693.7 HD V2 SOLO in PDF-formaat.

📄 548 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice SOLO T 1693.7 HD V2 - page 50
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : SOLO

Model : T 1693.7 HD V2

Categorie : Tractor

Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding T 1693.7 HD V2 - SOLO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. T 1693.7 HD V2 van het merk SOLO.

GEBRUIKSAANWIJZING T 1693.7 HD V2 SOLO

Inhoudsopgave 1 Over deze gebruikershandleiding ............ 50

2.2 Mogelijk foutief gebruik ...................... 51

2.3 Symbolen op het apparaat ................. 51

2.4 Veiligheids- en beveiligingsvoorzie-

3.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen.. 53

3.3 Veiligheid op de werkplek .................. 53

3.4 Veiligheid van personen, dieren en

eigendommen .................................... 53

3.5 Veiligheid van het apparaat................ 54

3.6 Geluidsbelasting................................. 54

3.7 Omgang met benzine en olie ............. 54

5.3 Bediening van de versnellingsbak

6.6 De veiligheidsvoorzieningen controle-

6.6.3 Contactschakelaar van de stoel

6.6.5 Contactschakelaar van het uit-

werpkanaal controleren................ 58 7 De trekker gebruiken................................. 58

7.1 Essentiële voorbereidende maatre-

gelen................................................... 58

7.2 Gebruik van toebehoren ..................... 59

7.5.1 Rit voorbereiden bij temperaturen

7.5.3 Rijden en maaien op hellingen..... 60

7.5.4 Maaien met de gazontrekker ....... 60

8.3 Het uitwerpkanaal reinigen ................. 63

Over deze gebruikershandleiding 1 OVER DEZE GEBRUIKERSHANDLEIDING

De Duitse versie is de originele gebruiksaan- wijzing. Alle andere taalversies zijn vertalin- gen van de originele gebruiksaanwijzing.

Lees voor de ingebruikname deze gebruiks- aanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een sto- ringsvrij gebruik.

Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodat u erin het antwoord op uw vragen kunt terug- vinden wanneer u informatie over het appa- raat nodig hebt.

Draag het apparaat alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere personen over.

Lees en neem de veiligheids- en waarschu- wingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.

De gazontrekkers worden geleverd in ver- schillende uitvoeringsvarianten. Houd er re- kening mee dat de afbeeldingen licht kunnen afwijken van het origineel. Indien u moeilijk- heden zou hebben om de beschrijvingen te begrijpen, neem contact op met een erkende reparatiewerkplaats of de fabrikant.

Neem de meegeleverde montagehandleiding en de gebruikshandleiding van de benzine- motor in acht.

1.1 Symbolen op de titelpagina

Symbool Betekenis Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorg- vuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storings- vrij gebruik. Gebruiksaanwijzing Gebruik het benzineapparaat niet in de buurt van open vlammen of hitte- bronnen.

1.2 Verklaring van pictogrammen en

signaalwoorden GEVAAR! Wijst op een direct gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt. WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden. VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan leiden. LET OP! Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële scha- de kan leiden. OPMERKING Speciale aanwijzingen voor meer duide- lijkheid en een beter gebruik. 2 PRODUCTOMSCHRIJVING De gazontrekkers met achteruitworp worden in verschillende uitvoeringen geproduceerd. Let er bij de volgende beschrijvingen in deze gebruiks- aanwijzing op dat u de beschrijving leest die bij uw gazontrekker hoort. Kenmerken van uw gazontrekker:

Versnellingsbak: Hydrostaat

Bakleging: Telescopische hendel Er zijn ook verschillen in mulchsystemen, motor- type, motorvermogen en maaibreedte. Typeverschillen: ■ Maaibreedte ■ Type versnellingsbak (T3 en T2) ■ Bakvolume 220l, 250 l of 300l

2.1 Reglementair gebruik

De gazontrekker is bedoeld voor het maaien van privétuinen rond het huis en hobbytuinen met een max. helling van 10° (18%). Andere toepassin-51 Productomschrijving gen, zoals bijv. mulchen, zijn enkel toegestaan wanneer het originele toebehoren wordt gebruikt en de maximale belastingswaarden worden ge- respecteerd. Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Elke andere toepassing, alsook een ver- boden om- of aanbouw, worden beschouwd als niet beoogd gebruik en leiden tot uitsluiting van de garantie, het verlies van de conformiteit (CE- markering) en de afwijzing van elke verantwoor- delijkheid vanwege de fabrikant wat betreft scha- de aan de gebruiker of derden.

2.2 Mogelijk foutief gebruik

De gazontrekker is niet gemaakt voor bedrijfsma- tig gebruik in openbare parken, op sportterreinen, in de land- en bosbouw. WAARSCHUWING! Gevaren door overbelasting van de gazontrekker! Let er bij het gebruik van een aanhang- wagen vooral op dat u de toegestane aanhangergewichten en hellingen om- hoog/omlaag niet overschrijdt. Over- schrijding hiervan kan het remvermogen van de gazontrekker overbelasten en kan tot gevaarlijke situaties leiden! OPMERKING Houd er rekening mee dat de gazontrek- ker geen wegvergunning heeft en dus niet op de openbare weg mag rijden!

2.3 Symbolen op het apparaat

Lees voor de ingebruikname de gebruiksaanwijzing door! Houd tijdens het maaien andere personen, vooral kinderen en dieren, op afstand van het werk- gebied. Trek de contactsleutel uit voordat u onderhouds- en reparatiewerk- zaamheden uitvoert! Let op: gevaar! Blijf met uw han- den en voeten bij de maaier van- daan! Rijd niet op hellingen van meer dan 10° (18%)! Gevaar: niet betreden! Gevaar voor brandletsel door he- te oppervlakken onder de afdek- king!

beveiligingsvoorzieningen WAARSCHUWING! Gevaar door beveiligingsvoorzienin- gen die verwijderd of gemanipuleerd zijn! Elk gebruik met verwijderde of gemani- puleerde beveiligingsvoorzieningen is verboden. Defecte beveiligingsvoorzie- ningen moeten onmiddellijk worden ge- repareerd of vervangen! De beveiligingsvoorzieningen omvatten vooral:

Remcontactschakelaar

Contactschakelaar uitwerpkanaalNL

1 Motorkap 10 Bakontgrendeling (alleen 300l) 2 Stuur 11 Houder met gasdrukdemper 3 Instrumentenpaneel 12 Versnellingsbak-bypass 4 Vergrendelingshendel voor rempedaal 13 Maaihoogte-instelling 5 Bestuurdersstoel 14 Maaier 6 Vulniveauweergave 15 Versnellingsbakbediening achteruit 7 Handgreep van de grasopvangbak 16 Versnellingsbakbediening vooruit 8 Bedieningshendel van de grasopvangbak 17 Rempedaal 9 Grasopvangbak53 Veiligheidsinstructies 3 VEILIGHEIDSINSTRUCTIES GEVAAR! Levensgevaar en gevaar voor zeer ernstig letsel! Onbekendheid met de veiligheidsinstruc- ties en bedieningsinstructies kan bijzon- der ernstig letsel en zelfs de dood tot ge- volg hebben.

Volg alle veiligheidsinstructies en bedieningsinstructies in deze ge- bruiksaanwijzing op evenals in de gebruiksaanwijzingen waarnaar wordt verwezen, voordat u het appa- raat gebruikt.

Bewaar alle bijgeleverde documen- ten voor toekomstig gebruik.

Personen van jonger dan 16 jaar en perso- nen die de gebruikershandleiding niet heb- ben gelezen, mogen het apparaat niet ge- bruiken. Eventuele landspecifieke veiligheids- voorschriften voor de minimumleeftijd van de gebruiker naleven.

Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.

3.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen

Om letsel aan hoofd en ledematen evenals gehoorschade te voorkomen, moet verplicht beschermende kleding en uitrusting worden gedragen.

De kleding moet doelmatig (nauwsluitend) zijn en mag bij het gebruik niet hinderen. Bij lang haar beslist een haarnetje dragen. Nooit losse kledingstukken of accessoires dragen die in het apparaat kunnen worden getrok- ken, bijv. sjaals, wijde shirts, lange halskettin- gen.

De persoonlijke beschermingsmiddelen be- staan uit:

Gehoorbescherming en veiligheidsbril

lange broek en stevige schoenen

3.3 Veiligheid op de werkplek

Alleen bij daglicht of zeer helder kunstlicht werken.

Het apparaat alleen op een vaste en vlakke ondergrond en niet op stijle hellingen gebrui- ken.

Op stabiliteit letten.

3.4 Veiligheid van personen, dieren en

Gebruik het apparaat alleen voor werkzaam- heden waarvoor het is bedoeld. Niet-regle- mentair gebruik kan letsel en materiële scha- de veroorzaken.

De gebruiker is verantwoordelijk voor eventu- eel letsel bij derden en voor materiële scha- de.

Houd anderen uit de buurt van de gevarenzo- ne.

Schakel het apparaat alleen in als er geen personen of dieren in het werkgebied aanwe- zig zijn.

Houd een veiligheidsafstand aan tot perso- nen en dieren of schakel het apparaat uit als personen of dieren naderen.

Laat nooit passagiers meerijden op het appa- raat.

Houd de stroom van uitlaatgassen nooit ge- richt op personen of dieren, of op brandbare producten en voorwerpen.

Grijp niet in het aanzuig- en luchtfilter als de motor draait. De draaiende onderdelen kun- nen letsel veroorzaken.

Schakel het apparaat altijd uit wanneer u het niet nodig heeft, bijv. bij het verplaatsen naar een ander werkgebied, bij onderhoudswerk- zaamheden, bij het tanken van het benzine- oliemengsel.

Maai niet wanneer het onweert. Geen be- scherming tegen blikseminslag.

Maai altijd dwars op de helling.

De gazontrekker kan door zijn eigen gewicht ernstig letsel veroorzaken. Bij het laden en lossen van de gazontrekker voor transport in een voertuig of een aanhangwagen moet ex- tra voorzichtig worden gehandeld.

Deze gazontrekker mag niet worden wegge- sleept. Gebruik voor het transport op openba- re verkeerswegen een geschikt voertuig.

Gebruik de gazontrekker niet in slecht geven- tileerde werkomgevingen (bijv. garage). De uitlaatgassen bevatten giftig koolmonoxide en andere schadelijke stoffen.

Schakel het apparaat bij een ongeval onmid- dellijk uit om verder letsel en materiële scha- de te voorkomen.NL

Trekker uitpakken en monteren

Gebruik het apparaat nooit met versleten of defecte onderdelen. Versleten of defecte on- derdelen kunnen ernstig letsel veroorzaken.

Gebruik uitsluitend originele reserveonderde- len en origineel toebehoren.

Voor elk gebruik: Controleer alle veiligheids- voorzieningen zoals beschreven in deze ge- bruiksaanwijzing.

Bewaar het apparaat buiten het bereik van kinderen.

Instrueer kinderen en jongeren niet met het apparaat te spelen.

3.5 Veiligheid van het apparaat

Het apparaat alleen gebruiken onder de vol- gende omstandigheden:

De machine is niet vervuild.

De machine vertoont geen beschadigin- gen.

Het apparaat niet overbelasten. Het is voor lichte particuliere werkzaamheden bedoeld. Overbelasting leidt tot beschadiging van de machine.

Het apparaat nooit gebruiken met versleten of defecte onderdelen. Defecte onderdelen altijd vervangen door oorspronkelijke reser- veonderdelen van de fabrikant. Wanneer het apparaat met versleten of defecte onderdelen wordt gebruikt, kan tegenover de fabrikant geen aanspraak op garantie worden ge- maakt.

Reparatiewerkzaamheden mogen uitsluitend worden uitgevoerd in de vakhandel of op on- ze Servicevestigingen.

3.6 Geluidsbelasting

Een zekere geluidsbelasting door dit apparaat is onvermijdelijk. Plan luidruchtige werkzaamheden gedurende acceptabele en daarvoor geschikte tij- den. Respecteer rusttijden en beperk de duur van het werk tot het minimum. Voor uw persoonlijke bescherming en ter bescherming van personen die zich in de buurt bevinden, moet geschikte ge- hoorbescherming worden gedragen.

3.7 Omgang met benzine en olie

Explosie- en brandgevaar: Bij het ontsnappen van een benzine-lucht- mengsel ontstaat potentieel explosieve atmo- sfeer. Door een ondeskundige omgang met brandstoffen kunnen deze ontsteken, explo- deren en ontbranden, wat tot zwaar letsel en zelfs sterfgevallen kan leiden. Neem het vol- gende in acht:

Rook nooit, terwijl u met benzine werkt.

Werk uitsluitend in de buitenlucht met benzine en nooit in afgesloten ruimten.

Neem beslist altijd de volgende gedrags- regels in acht.

Transporteer en bewaar benzine en olie uit- sluitend op in goedgekeurde voorraadvaten. Zorg ervoor dat de opgeslagen benzine en olie niet toegankelijk zijn voor kinderen.

Zorg ervoor, om bodemvervuiling (milieube- scherming) te vermijden, dat bij het tanken geen benzine en geen olie in de aarde te- rechtkomt. Gebruik bij het tanken een trech- ter.

Tank het apparaat nooit af in gesloten ruim- ten. Op de vloer kunnen zich benzinedampen verzamelen waardoor het tot een explosieve verbranding of zelfs explosie kan komen.

Veeg gemorste benzine altijd onmiddellijk op van het apparaat of de vloer. Laat de doeken waarmee u benzine afgeveegd heeft, op een goed geventileerde plaats drogen voordat u deze weggooit. Anders kan spontane zelfont- branding optreden.

Bij het morsen van benzine ontstaan benzin- edampen. Start het apparaat daarom nooit op dezelfde plaats, maar altijd op een plaats die minimaal 3 m daarvan is verwijderd.

Vermijd huidcontact met producten van mine- rale oliën. Adem geen benzinedampen in. Draag altijd veiligheidshandschoenen om brandstof bij te vullen. Vervang en reinig de beschermende kleding regelmatig.

Let erop dat uw kleding niet in contact komt met benzine. Vervang uw kleding onmiddel- lijk wanneer benzine op uw kleding terecht- gekomen is.

Tank het apparaat nooit af, bij draaiende of hete motor.

4 TREKKER UITPAKKEN EN

MONTEREN Neem de bijgevoegde montagehandleiding in acht bij het uitpakken en afmonteren van de trek- ker. OPMERKING Neem ook de meegeleverde gebruiks- handleiding van de benzinemotor in acht.55 Bedieningselementen WAARSCHUWING! Gevaren door onvolledige montage! De gazontrekker mag niet worden ge- bruikt voordat hij volledig is gemonteerd! Voer alle montagewerkzaamheden uit die in de montagehandleiding worden beschreven. Vraag in geval van twijfel vóór de ingebruikname aan een vakman of de montage correct werd uitgevoerd! Controleer of alle veiligheids- en be- schermingsinrichtingen aanwezig zijn en functioneren! 5 BEDIENINGSELEMENTEN Hierna worden de bedieningselementen van de gazontrekker met achteruitworp beschreven. Let erop dat u de beschrijving leest die bij uw gazont- rekker hoort.

5.1 Standaard dashboard (01)

Regeling van het motortoerental (01/2) OPMERKING Houd er rekening mee dat de bediening van de regelaar in rijmodus de snelheid beïnvloedt! Bij regelaar met geïntegreerde choke: door de regelaar (01/2) te verschuiven, wordt het motortoerental verhoogd en verlaagd en in de bo- venste stand wordt de choke ingeschakeld. Choke inschakelen: schuif de regelaar helemaal naar boven tot aan het choke- symbool. Gebruik deze positie uitsluitend om de motor te starten. Tip: Sommige trekkervarianten zijn uitge- rust met een aparte choke-knop (01/1) op het dashboard. Deze moet dan bijko- mend worden uitgetrokken om de trekker te starten. Schuif de knop langzaam weer terug wanneer de motor draait! Maaien: in deze stand draait de motor met het maximale toerental. Stationair bedrijf: in deze stand draait de motor met het laagste toerental. Contactslot (01/3, 05) Stand Werking 0 Motor uit. De contactsleutel kan worden uitge- trokken. I Koplampen aan. Nadat de motor is gestart, worden in deze stand de koplampen ingescha- keld. II Bedrijfsstand wanneer de motor draait. III Startstand om de motor te starten. Laat de sleutel los, zodra de motor draait. Deze springt dan terug naar bedrijfsstand II.

Rem: Wanneer u het rem-/koppelingspedaal (03/1) volledig indrukt, wordt de rem op de versnellingsbak ingeschakeld en de trekker afgeremd.

Handrem: Wanneer u de parkeerhendel (03/2, 01/5) omhoog trekt als het rem-/koppe- lingspedaal (03/1) wordt ingedrukt, wordt de rem vergrendeld. Door het pedaal opnieuw in te drukken, wordt de rem losgelaten.

5.3 Bediening van de versnellingsbak

(rijsnelheid) De gazontrekkers zijn uitgerust met een hy- drostaat (pedaalbediening). Om vooruit en achteruit te rijden, zijn aan de rechterkant twee aparte pedalen ondergebracht. Rijrich- ting Beschrijving Vooruit Druk op het voorste pedaal (02/1) om vooruit te rijden. Achteruit Druk op het achterste pedaal (02/2) om achteruit te rijden. Opmerking:Als alleen het pedaal voor achteruitrijden wordt ingedrukt, wordt de maaier uitgeschakeld. Maaien tijdens het achteruitrijden: zie Hoofdstuk 7.5.4.2 "Maaibedrijf bij achteruitrijden", pagina61.NL

5.4 Aandrijving hydrostaat

De hydrostaat wordt bediend door twee pedalen (02/1 en 02/2). Om weg te rijden, schakelt u terwijl de motor draait eerst de handrem (01/5) uit en drukt u ver- volgens op het pedaal (02/1) om vooruit te rijden of op het pedaal (02/2) om achteruit te rijden. Hoe verder u het pedaal indrukt, hoe sneller u in de gekozen richting rijdt. Vooruitrijden: Druk op het voorste pedaal (02/1). Achteruitrijden: Druk op het achterste pedaal (02/2).

5.5 Bediening maaier

Maaihoogte instellen De maaier van de trekker kan in verschillende stappen in de hoogte worden versteld met een verstelhendel (04/1) rechts van de bestuurders- zitplaats.

1. Beweeg de verstelhendel (04/1) in de ge-

wenste richting. Hendel omlaag betekent klei- ne maaihoogte, hendel omhoog, grote maai- hoogte. Maaier inschakelen Elektrische inschakeling: Rechts naast de be- stuurdersstoel bevindt zich een schakelaar (04/2). Schakel hiermee de maaier in. 6 INGEBRUIKNAME WAARSCHUWING! Gevaren door onvolledige montage! De gazontrekker mag niet worden ge- bruikt voordat hij volledig is gemonteerd! Voer alle montagewerkzaamheden uit die in de montagehandleiding worden beschreven. Vraag in geval van twijfel vóór de ingebruikname aan een vakman of de montage correct werd uitgevoerd! Controleer of alle veiligheids- en be- schermingsinrichtingen aanwezig zijn en functioneren!

6.1 Maaier controleren

Voor het gebruik moet altijd visueel worden geïn- specteerd of het snijmechanisme, de bevesti- gingsbouten en de totale snijeenheid versleten of beschadigd zijn. Om een onbalans te vermijden, moeten versleten of beschadigde messen door nieuwe worden vervangen.

Voor de eerste ingebruikname moet de motor met olie worden gevuld. Neem hiervoor de hand- leiding van de motorfabrikant in acht. Houd er ook rekening mee dat het oliepeil regelmatig moet worden gecontroleerd en dat olie eventueel moet worden bijgevuld.

6.3 Vullen met brandstof

WAARSCHUWING! Gevaren bij de omgang met brand- stof! Brandstof vat uiterst gemakkelijk vlam. Maak de brandstoftank alleen leeg in de openlucht! Rook niet! Tank niet wanneer de motor draait of heet is! Gebruik bij het tanken van brandstof een ge- schikte vultrechter of vulbuis om zo te voorkomen dat er brandstof wordt gemorst op de motor, de behuizing of op de ondergrond. Uit veiligheidsoverwegingen moeten de brand- stoftankdop en andere tankdoppen worden ver- vangen wanneer deze beschadigd zijn. Wanneer brandstof is overgelopen, mag de mo- tor niet worden gestart. De trekker moet worden verwijderd van de plaats die bevuild is met brand- stof en de verspilde brandstof moet met een doek worden geabsorbeerd en weggeveegd van de bodem, de motor en de behuizing. Er mag geen poging tot starten worden onderno- men, tot de brandstofdampen verdampt zijn. Sla brandstof enkel op in de containers die daar- voor voorzien zijn. Gebruik loodvrije benzine, min. RON 91. Tank vullen

1. Zet de motor eventueel uit en trek veilig-

heidshalve de contactsleutel uit.

2. Wacht tot de motor een beetje is afgekoeld

(explosiegevaar door ontstoken brandstof!).

Open de tankdop (06/1) en vul de brandstof. Opmerking:Doe de brandstoftank niet te vol!

Lees de vereiste luchtdruk af op de banden (aanbevolen 1 bar).57 Ingebruikname OPMERKING 1PSI = 0,07bar. Met een gewone in de handel verkrijgbare voet- pomp kan de bandendruk worden gecontroleerd en lucht worden bijgevuld.

6.5 Grasopvangbak monteren

De gazontrekkers worden geleverd met grasop- vangbak. Houd er rekening mee dat de afbeeldin- gen iets kunnen verschillend van het origineel. De vulniveauweergave van de grasopvangbak instellen De vulniveauweergave meldt via een signaaltoon wanneer de grasopvangbak moet worden leeg- gemaakt. Afhankelijk van de aard van het maaisel kan de vulniveauweergave in 6 standen worden inge- steld. Bij droog maaisel stelt u de vulniveauweer- gave in op een kortere stand. Bij nat of vochtig maaisel stelt u de vulniveauweergave in op een langere stand. Hierdoor wordt het niveau tot waar de grasopvangbak wordt gevuld beïnvloed.

1. Zet de motor uit. zie Hoofdstuk 7.4 "De motor

starten en afstellen", pagina59.

2. Verwijder de grasopvangbak zie Hoofdstuk

lijk van de staat van het maaisel (07/a) en laat deze in de gewenste stand vastklikken.

4. Haak de grasopvangbak weer vast zie

Hoofdstuk 6.5 "Grasopvangbak monteren", pagina57. Grasopvangbak erin hangen (220l, 250 l)

1. Houd de grasopvangbak met één hand vast

aan de handgreep (08/1) en met de andere hand aan de opening aan de achterzijde (08/2).

2. Plaats de grasopvangbak symmetrisch op de

geleiding (08/3). Lijn daarbij de twee marke- ringen op de behuizing en op de grasopvang- bak ten opzichte van elkaar uit.

3. Kantel de grasopvangbak met de andere

hand iets naar voren (08/a), zodat het voor- ste deel van de grasopvangbak vastklikt.

4. Zwenk nu de grasopvangbak weer naar be-

tigingsbeugels van de grasopvangbak (11/1).

2. Houd de grasopvangbak met één hand vast

aan de handgreep (08/1) en met de andere hand aan de opening aan de achterzijde (08/2).

3. Plaats de grasopvangbak symmetrisch op de

geleiding (08/3). Lijn daarbij de twee marke- ringen op de behuizing en op de grasopvang- bak ten opzichte van elkaar uit.

4. Kantel de grasopvangbak met de andere

hand iets naar voren (08/a), zodat het voor- ste deel van de grasopvangbak vastklikt.

5. Zwenk nu de grasopvangbak weer naar be-

tigingspunten van het trekkerframe (11/2).

6.6 De veiligheidsvoorzieningen controleren

De veiligheidsvoorzieningen moeten vóór elke start van de gazontrekker worden gecontroleerd. WAARSCHUWING! Gevaar bij de controle van de veilig- heidsvoorzieningen! De controle van veiligheidsvoorzienin- gen mag enkel vanaf de bestuurders- stoel worden uitgevoerd en wanneer er geen personen of dieren in de buurt zijn! Voer alle controles op een vlakke ondergrond uit, zodat de gazontrekker niet onbedoeld kan rollen.

6.6.1 Contactschakelaar van de handrem

controleren De contactschakelaar van de handrem zorgt er- voor dat de motor alleen kan worden gestart wanneer de handrem is aangetrokken. Voorwaarde: De motor staat uit.

1. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

2. Druk het rempedaal (03/1) in om de handrem

De trekker gebruiken

6.6.2 Contactschakelaar van de maaier

controleren De contactschakelaar van de maaier zorgt ervoor dat de motor niet kan worden gestart wanneer de maaier is geactiveerd.

2. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

3. Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de

6.6.3 Contactschakelaar van de stoel

controleren De contactschakelaar van de stoel zorgt ervoor dat de motor wordt uitgeschakeld zodra er zich niemand meer op de bestuurdersstoel bevindt en de maaier is ingeschakeld.

1. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

2. Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de

handrem in (03/2, 01/5).

3. Start de motor en laat hem draaien met het

5. Ontlast de stoel door op te staan (niet afstap-

pen!). OPMERKING De motor moet uitschakelen!

6.6.4 Contactschakelaar van de

grasopvangbak controleren De contactschakelaar op de grasopvangbak zorgt ervoor dat de motor wordt uitgeschakeld zodra de grasopvangbak niet correct is opgehan- gen en de maaier is ingeschakeld.

1. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

2. Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de

handrem in (03/2, 01/5).

3. Start de motor en laat hem draaien met het

dien de openingsschakelaar. OPMERKING De motor moet uitschakelen!

6.6.5 Contactschakelaar van het

uitwerpkanaal controleren De contactschakelaar van het uitwerpkanaal zorgt ervoor dat de gazontrekker niet kan worden gestart wanneer het uitwerpkanaal is gedemon- teerd.

1. Grasopvangbak verwijderen.

2. Verwijder het uitwerpkanaal (15):

Trek het uitwerpkanaal (15/2) iets naar buiten.

3. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

4. Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de

OPMERKING De motor mag niet starten!

7 DE TREKKER GEBRUIKEN

WAARSCHUWING! Gevaren door ontoereikende kennis van de gazontrekker! Lees de gebruikshandleiding nauwkeu- rig voordat u start! Neem vooral alle veiligheidsinstructies in acht! Voer alle montagewerkzaamheden en alle werkzaamheden voor de ingebruik- name nauwgezet uit. Informeer in geval van twijfel bij de fabrikant!

7.1 Essentiële voorbereidende maatregelen

Draag tijdens het maaien altijd stevig schoei- sel en een lange broek. Maai nooit bloots- voets of met open sandalen.

Controleer het terrein waarop de gazontrek- ker wordt gebruikt volledig en verwijder alle stenen, stokken, draden, beenderen en an- dere vreemde voorwerpen die kunnen wor- den gegrepen en weggeslingerd. Ook tijdens het maaien moet naar vreemde voorwerpen worden uitgekeken.

Voer alle werkzaamheden uit die in de inge- bruikname zijn beschreven. Dit geldt vooral59 De trekker gebruiken voor de controle van de veiligheidsvoorzie- ningen.

Gebruik enkel de koppelinrichting om lasten te trekken! Overschrijd de belasting niet.

Het transport van voorwerpen op de gazont- rekker is verboden!

7.2 Gebruik van toebehoren

WAARSCHUWING! Gevaar door foutief toebehoren of foutief gebruik van het toebehoren! Gebruik altijd enkel het originele toebe- horen van de fabrikant van de trekker! Neem de gebruiksvoorschriften in de bij- gevoegde gebruikershandleiding in acht! Het gebruik van niet toegestaan toebehoren of het foutief gebruik kan grote gevaren voor de ge- bruiker en derden veroorzaken. De gazontrekker zou overbelast kunnen worden. Dit kan zware on- gevallen veroorzaken.

7.3 Gazontrekker schuiven

VOORZICHTIG! Gevaar bij het duwen op hellingen! Duw de gazontrekker enkel op een hori- zontale ondergrond! Op hellingen zou de gazontrekker ongecontroleerd bergaf kunnen rollen. Bij hydrostaataandrijving De bypasshendel (12/1) bevindt zich in de wiel- kast rechtsachter. Bypass-ontgrendeling:

1. Trek de bypasshendel (12/1) uit en hang

3. Bypass-hendel (12/1) na het schuiven terug-

WAARSCHUWING! Letselgevaar door blikseminslag Het apparaat heeft geen bescherming tegen een blikseminslag.

Maai niet wanneer het onweert. Start de motor

1. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

2. Druk het rempedaal (03/1) aan de linkerkant

volledig in en vergrendel het met de parkeer- hendel (03/2).

3. Controleer of de maaier NIET is ingescha-

keld. Controleer daarvoor de positie van de tuimelschakelaar (04/2).

4. Plaats de regelaar (01/2) voor het motortoe-

rental tegen de bovenste aanslag. Naarge- lang de uitrustingsvariant bevindt het choke- symbool zich daar. Indien dit niet zo is, trek de afzonderlijke choke-knop uit (01/1).

5. Steek de contactsleutel in het contactslot

deze zo lang in deze stand tot de motor draait. Opmerking:Om de startbatterij te ontzien, mag de startpoging niet langer dan ongeveer 5 seconden duren.

8. Zet de regelaar (01/2) voor het motortoeren-

tal op bedrijfsstand. Bij een uitrustingsvariant met choke-knop drukt u deze opnieuw in (01/1). Zet de motor uit

1. Schakel de maaier uit (04/2).

2. Zet de regelaar (01/2) voor het motortoeren-

tal op stationaire stand.

3. Druk het rempedaal (03/1) in en vergrendel

het met de parkeerhendel (03/2).

4. Draai de contactsleutel (05) naar stand ‘0’.

5. Trek de contactsleutel uit.

WAARSCHUWING! Gevaar door hete motor! Let er bij het uitschakelen van de motor op dat hete motoronderdelen (zoals de uitlaatdemper) geen voorwerpen of ma- terialen in de nabije omgeving, kunnen ontsteken!NL

De trekker gebruiken

7.5 Met de trekker rijden

WAARSCHUWING! Gevaar door onaangepaste snelheid! Rijd vooral in het begin langzaam om aan het rij- en remgedrag van de trekker te wennen! Voor elke richtingsverandering moet de rijsnelheid zodanig worden verminderd dat de bestuurder altijd de controle over de gazontrekker behoudt en deze daar- bij niet kan omkantelen! Uw trekker wordt aangedreven door een hy- drostaat(pedaalbediening).

7.5.1 Rit voorbereiden bij temperaturen

keld. Controleer daarvoor de tuimelschake- laar (04/2).

2. Start de motor en laat hem ong. 30seconden

lang warmdraaien om de viscositeit van de versnellingsbakolie te optimaliseren. Daarna kunt u met de trekker rijden. De maaier mag pas worden ingeschakeld als de motor enke- le minuten heeft gedraaid.

1. Druk het rempedaal (03/1) in en vergrendel

het met de parkeerhendel (03/2).

5. Druk langzaam op het voetpedaal voor de

gewenste rijrichting:

6. Hoe verder u het pedaal indrukt, hoe sneller

de trekker zich in de gewenste richting ver- plaatst.

7. Laat het voetpedaal los en druk het rempe-

daal (03/1) in om te stoppen. OPMERKING Trek altijd, wanneer u de trekker verlaat, de parkeerhendel aan bij ingeduwd rem- pedaal, zodat de trekker niet kan wegrol- len!

7.5.3 Rijden en maaien op hellingen

WAARSCHUWING! Gevaar door fout bij het rijden op hel- lingen! Wees bijzonder voorzichtig bij het rijden op hellingen! Er bestaat geen „veilige“ helling. Neem daarvoor vooral de volgende vei- ligheidsinstructies in acht! Wanneer de wielen doordraaien of wan- neer het voertuig bij het omhoogrijden op een helling blijft steken, schakel de maaier en de hulpstukken uit. Rijd daar- na langzaam en recht vooruit de helling af! Door het extra gewicht van een volle grasopvangbak neemt het kantelgevaar van de gazontrekker toe!

Rijd niet op hellingen van meer dan 10° (18%). Voorbeeld: dat komt overeen met een hoogteverschil van 18 cm over een leng- te van een meter.

Rijd niet met schokken.

Rem niet met schokken.

Houd de rijsnelheid laag.

Rijd altijd dwars op de helling.

Versnel niet stevig.

Stuur niet met schokken.

7.5.4 Maaien met de gazontrekker

Voor een goed maairesultaat moet de rijsnelheid worden aangepast aan de gazonomstandighe- den. Kies voor het maaien maximaal 2/3 van de mogelijke rijsnelheid met het pedaal. De maxima- le snelheid van de trekker is uitsluitend bestemd voor de rijmodus zonder ingeschakelde maaier. Doorgaans bedraagt de maaihoogte 4 - 5 cm. Dit komt overeen met het 2e of 3e raster van de hoogteverstelling (04/1). Als het gras vochtig en nat is, maait u met een hogere maaihoogte. Als het gras erg hoog is, is het raadzaam om in twee stappen te maaien. Stel de maaier bij de eerste stap op maximale maaihoogte. Bij de tweede stap kunt u deze dan op de gewenste hoogte instellen.61 De trekker gebruiken

7.5.4.1 De maaier inschakelen

OPMERKING Het maaiwerk mag pas worden inge- schakeld wanneer de motor al ongeveer een minuut is warmgedraaid! Wanneer u de maaier inschakelt, mag de gazontrekker niet in hoog gras staan.

2. Zet de regelaar (01/2) voor het motortoeren-

tal op bedrijfsstand.

3. Zet de maaier met de hendel (04/1) op de

4. Schakel de maaier in met de tuimelschake-

laar (04/2) (stand ‘I’).

5. Zet de maaier met de hendel (04/1) op de ge-

6. Begin te rijden met de gazontrekker.

7.5.4.2 Maaibedrijf bij achteruitrijden

OPMERKING Wanneer enkel het pedaal voor achter- uitrijden wordt ingedrukt, wordt de maai- er uitgeschakeld.

1. Druk de knop "achteruitmaaien" (01/4) in en

binnen 5 seconden het pedaal (02/2) om ach- teruit te rijden. WAARSCHUWING! Kans op ongevallen bij het achteruit- maaien! Houd het gebied achter u in de gaten tij- dens het achteruitmaaien! Achteruitmaaien enkel indien nodig!

7.5.4.3 De maaier uitschakelen

WAARSCHUWING! Gevaar door messen die blijven draai- en! Een (na)draaiend snijmes kan handen en voeten snijden! Houd handen en voe- ten daarom uit de buurt van het mes- sensysteem!

1. Schakel de maaier met de tuimelschakelaar

(stand ‘0’) uit (04/2). De maaier kan zowel in stilstand als wanneer de trekker rijdt, worden uitgeschakeld. WAARSCHUWING! Gevaar voor letsel door eruit geslin- gerde voorwerpen! Bij het kruisen van grind- en steen- slagoppervlakken kunnen voorwerpen in de draaiende maaier worden getrokken en vervolgens eruit worden geslingerd.

Schakel de maaier altijd uit wanneer u op andere ondergrond dan gras rijdt.

7.5.4.4 De grasopvangbak leegmaken

OPMERKING Wanneer de grasopvangbak gevuld is, klinkt een akoestisch signaal. De bak moet ten laatste nu worden leegge- maakt.

het leegmaken van de grasopvangbak kan vanop de bestuurdersstoel worden uitge- voerd.

Wanneer bij ingeschakelde maaier de gras- opvangbak omhoog wordt geklapt of opge- hangen, slaat de motor af.

Wanneer de grasopvangbak niet correct is vastgeklikt, kan de maaier niet worden inge- schakeld. De grasopvangbak met de bedieningshendel leegmaken

1. Trek de bedieningshendel (09/1) uit de gras-

3. Beweeg de grasopvangbak met de hendel

naar achteren (10/a) totdat de bak vastklikt (10/b).

Voor een optimaal mulchresultaat moet het gras regelmatig worden gemaaid (ong. 1 tot 2 keer per week). Maai daarbij 1/3 van de hoogte van het gras af (bijv. 6cm hoogte, 2cm maaien). Daar- door wordt het gemaaide gras secuur in het nog resterende gazon verwerkt. Mulching-wiggen zijn optioneel verkrijgbaar voor alle gazontrekkers. Uitworp aan achterzijde ombouwen naar mulchen

1. Grasopvangbak verwijderen.

3. Beide spanriemen (14/1) aan de oogbouten

Houd er rekening mee dat gras op verschillende tijdstippen anders groeit. Wij adviseren om bij het begin van de lente een kortere maaitijd te kiezen. Vergroot het maai-interval wanneer het gras in de loop van het jaar minder snel gaat groeien. Kon het gras een poosje niet gemaaid worden, kies dan eerst een hogere maaihoogte-instelling en maai het twee dagen later nog eens met een lagere maaihoogte-instelling.

7.5.4.7 Hoog gras maaien

Maai het gras, wanneer dit langer is dan gewoon- lijk of te vochtig, met een hogere maaihoogte-in- stelling. Maai het gras aansluitend nog eens met de lagere, normale instelling.

7.5.4.8 Snijmessen onderhouden

Zorg tijdens het hele maaiseizoen voor een scherp snijmes om te voorkomen dat de grashal- men afscheuren en versnipperen. Afgescheurde grashalmen krijgen bruine randen. Daardoor groeit het gras minder snel en is het vatbaarder voor ziektes.

Controleer de scherpte van de snijmessen na elk gebruik en let op tekens van slijtage of schade! Ga indien nodig naar de service- werkplaats.

Gebruik bij vervanging enkel originele reser- vemessen.

8 DE GAZONTREKKER REINIGEN

Voor een optimale werking en een lange levens- duur moet de gazontrekker regelmatig worden gereinigd. Reinig de gazontrekker na elk gebruik en verwij- der aanklevend vuil. Gebruik geen hogedrukreiniger om te reinigen. De waterstraal van een hogedrukreiniger of van een tuinslang kan de elektronica of de lagers be- schadigen. Zorg ervoor dat vooral motor, transmissie en op- rolmechanismen, alsook de volledige elektronica niet in aanraking komen met water. WAARSCHUWING! Gevaar bij het reinigen! Voor alle reinigingswerkzaamheden geldt:

Trek de stekker(s) van de bou- giedoppen uit.

Nadat deze gereinigd zijn, moeten verwijderde beveiligingsvoorzienin- gen opnieuw worden gemonteerd.

RISICO OP BRANDWONDEN: rei- nig de gazontrekker pas wanneer die is afgekoeld. Motor, transmissie en uitlaatdemper zijn zeer heet!

RISICO OP SNIJWONDEN: let bij werkzaamheden aan snijwerktuigen op de scherpe messen. Bij maai- werktuigen met meerdere messen kan de beweging van het ene snij- werktuig de beweging van het ande- re veroorzaken!

8.1 De grasopvangbak reinigen

Verwijder hiervoor de grasopvangbak en spuit de bak van binnen en buiten af met een waterslang. Vuil dat vastkleeft moet voorzichtig, bijvoorbeeld met een borstel, worden afgeschraapt. Zorg er vooral bij grasopvangbakken met stoffen bekle- ding voor dat de stof niet wordt beschadigd. OPMERKING Leeg de grasopvangbak zoals beschre- ven voordat u begint met schoonmaken. Een volle grasopvangbak is te zwaar om veilig te kunnen verwijderen. Verwijderen van een grasopvangbak (220l, 250 l)

1. Zet de motor uit.

2. Til de grasopvangbak lichtjes op.

3. Verwijder de grasopvangbak naar boven.

Verwijderen van een grasopvangbak (300l)

1. Zet de motor uit.

2. Maak de gasdrukdempers van de trekker los

en vergrendel ze op de houders van de gras- opvangbak.

3. Til de grasopvangbak iets omhoog.

4. Verwijder de grasopvangbak.63

reinigen LET OP! Beschadiging van de elektrische in- stallatie door binnendringend water! Zorg er bij het reinigen van de trekker voor dat er geen water in de elektrische installatie geraakt! Spuit de motor en alle lagers (wielen, versnel- lingsbak, meslager) niet met water of een hoge- drukreiniger schoon. Water dat binnendringt in het ontstekingssysteem, de carburateur en het luchtfilter kan storingen veroorza- ken. Water in de lagers kan leiden tot verlies van smering en dus tot vernieling van de lagers. Gebruik voor het verwijderen van vuil en grasres- ten een doek, handborstels, borsteltjes met lange steel of iets gelijkaardigs.

8.3 Het uitwerpkanaal reinigen

Door regelmatig reinigen wordt de vrije beweging van de maaihoogte-instelling gegarandeerd. Het uitwerpkanaal bestaat uit twee in elkaar ge- schoven delen. Het onderste deel is stevig ver- grendeld in de maaierbehuizing. Het bovenste deel kan eruit worden getrokken om te reinigen.

1. Verwijder de grasopvangbak.

2. Verwijder de schroeven (15/1) aan de linker-

en rechterzijde van het uitwerpkanaal.

3. Trek het uitwerpkanaal (15/2) door de achter-

wand naar achteren eruit.

4. Reinig het bovenste en onderste uitwerpka-

5. Steek het uitwerpkanaal in de achterwand.

Zorg er daarbij voor dat het bovenste en on- derste deel schoon worden samengevoegd.

6. Schroef deze met de twee bevestigings-

9 TRANSPORT WAARSCHUWING! Gevaar voor beknelling als gevolg van kantelen van het apparaat! Het eigen gewicht van het apparaat kan ernstig persoonlijk letsel veroorzaken.

Bij het laden en lossen van het ap- paraat voor transport in een voertuig of een aanhangwagen moet extra voorzichtig worden gehandeld! Bij het transport van de gazontrekker met trans- portmiddelen (bijv. aanhangwagen voor perso- nenwagens) moet de maaier worden onder- steund om de ophanging van de maaier te ont- lasten. Zorg er bij het transport voor dat het transport- middel voldoende belasting heeft en dat de ga- zontrekker op de juiste manier is vastgemaakt.

10 ONDERHOUD EN VERZORGING

Gevaar bij het onderhoud! Voor alle onderhoudswerkzaamheden geldt:

Trek de stekker(s) van de bougiedoppen uit.

Verwijderde beveiligingsvoorzieningen moe- ten na het onderhoud opnieuw worden ge- monteerd.

RISICO OP BRANDWONDEN: voer aan de gazontrekker pas werkzaamhe- den uit wanneer die is afgekoeld. Motor, transmissie en uitlaatdemper zijn zeer heet!

RISICO OP SNIJWONDEN: let bij werkzaamheden aan snijwerktuigen op de scherpe messen. Bij maaiers met meerde- re messen kan de beweging van het ene maaimes de beweging van het andere ver- oorzaken.

Bij het vervangen van onderdelen mogen en- kel originele reserveonderdelen worden ge- bruikt.

Bezoek in geval van twijfel altijd een erkende reparatiewerkplaats of neem contact op met de fabrikant.

Volgende werkzaamheden mogen door de ge- bruiker zelf worden uitgevoerd. Alle overige on- derhouds-, service- en reparatiewerkzaamheden moeten door een erkende service reparatiewerk- plaats worden uitgevoerd. Denk ook aan de aanbevolen jaarlijkse smerin- gen conform smeerplan. OPMERKING Bij zware belasting en bij hoge tempera- turen kunnen kortere onderhoudsinter- vallen nodig zijn dan in de tabel hierbo- ven zijn vermeld.NL

Onderhoud en verzorging Activiteit Voor elk gebruik Na elk gebruik Na de eerste 5 uur Elke 25 bedrijfsu- ren Elke 50 bedrijfsu- ren Voor elke opslag Motoroliepeil controleren

Luchtfilter vervangen

Rem controleren (remtest op een rechte weg)

Bandenspanning controleren X Maaimessen controleren X Controleren op losse onder- delen X X Aandrijfriem controleren (vi- suele controle)

Luchtaanzuigrooster op de motor reinigen

Gras- en maairestanten van versnellingsbak verwijderen X X )* zie de gebruiksaanwijzing van de motorfabri- kant

Om te garanderen dat de beweeglijke onderdelen vrij kunnen bewegen, adviseren we minstens jaarlijks volgende plaatsen te smeren. Reinig alle plaatsen die gesmeerd moeten wor- den vóór het smeren of inspuiten met een doek. Gebruik geen water om eventuele corrosie te ver- mijden. Smeerpunten:

Smeernippels (18/1) op de astap aan de rechter- en linkerzijde smeren met multipur- posevet.

Bevestiging van de vooras aan het frame (18/2) besproeien met sprayolie.

Tandsegment (19/1) en stuurrondsel op de stuurinrichting smeren met multipurposevet.

Rollagers (17/1) en naaf op vooras (20/1) en achteras (20/2) smeren met multipurposevet. OPMERKING De voor- en achterwielen moeten voor het smeren van de assen en lagers wor- den gedemonteerd.

Draaiende onderdelen en lagers: smering van alle beweeglijke draaiende onderdelen en lagers.

10.3 Wielen verwisselen

Wielen mogen enkel op een horizontale en vaste ondergrond worden verwisseld.

1. Schakel de gazontrekker uit en trek de con-

2. Druk het rempedaal (03/1) geheel in en blok-

keer het met de parkeerhendel (03/2).

3. Beveilig de gazontrekker met wielblokken te-

gen wegrollen. Leg de blokken onder de kant die niet wordt opgetild.

4. Til de gazontrekker met een geschikt hijs-

werktuig (bijv. hijswerktuig voor schaarwa- gens) aan die kant op waar het wiel moet worden verwisseld. Til de trekker zo ver op tot het wiel dat moet worden verwisseld vrij65 Onderhoud en verzorging kan ronddraaien. Let op! Gevaar voor beschadiging van de apparatuur. Zorg er bij het optillen voor dat er geen trek- kerelementen worden gebogen. Gebruik het hijswerktuig enkel voor stabiele metalen on- derdelen.

5. Borg de gazontrekker aan een dragend ele-

ment van het chassis met een stabiele basis (bijv. houten balken) zodanig dat hij niet kan zakken als de hefinrichting wegschuift of kan- telt.

6. Trek de beschermkap (16/1) eraf.

7. Druk de borgring (16/2) met een schroeven-

draaier naar beneden. Zorg ervoor dat deze niet verloren gaat.

Trek het wiel van de as. Opmerking:Verlies de inlegspie niet wan- neer u de achterwielen van de as trekt!

10. Reinig de as en de boring in het wiel en vet

deze beide in met universeel vet alvorens op- nieuw te monteren.

Steek het wiel op de as. Opmerking:Bij het erop steken van de ach- terwielen moeten de groeven van de inlegs- pie en van het achterwiel zodanig boven el- kaar staan dat de inlegspie zonder kracht er- in kan worden geschoven.

12. Steek de onderlegring op de as.

13. Druk de borgring in de moer op de as. Wan-

neer u hiervoor eventueel een tang gebruikt, let erop dat u de as niet beschadigt met de tang.

14. Steek de beschermkap op de as.

15. Verwijder de ondersteuning en laat de trekker

voorzichtig met de hefinrichting op de grond zakken.

De leveromvang van de gazontrekker omvat geen oplader voor de startbatterij. Precieze batterijnaam: zie batterijbak. De start- batterij bevindt zich onder de motorkap. In principe is de startbatterij af fabriek opgeladen. Veiligheidsinstructies WAARSCHUWING! Gevaar door verkeerde omgang met de startbatterij! Neem de volgende punten in acht om gevaren te vermijden die kunnen ont- staan door foutieve omgang met de bat- terij!

De startbatterij mag niet in de buurt van open vuur worden opgeslagen of verbrand of op een verwarming worden gelegd. Er bestaat explosiegevaar.

Bewaar de startaccu in een koele, droge ruimte (10 – 15°C) voor opslag in de winter. Temperaturen onder het vriespunt moeten vermeden worden tijdens de opslag.

Laat de startbatterij niet gedurende een lan- gere tijd ongeladen. Wanneer de startbatterij gedurende langere tijd niet werd gebruikt, moet deze met een geschikt apparaat wor- den opgeladen.

Vernietig de startbatterij niet. De elektrolyt (zwavelzuur) veroorzaakt brandwonden op de huid en verbranding van de bekleding - was onmiddellijk uit met veel water.

Houd de startbatterij schoon. Wis enkel af met een droge doek. Gebruik daarvoor geen water, benzine, verdunningsmiddel of derge- lijke!

Houd de aansluitpolen schoon en vet in met poolvet.

Sluit de aansluitpolen niet kort. De startbatterij opladen De oplading is vereist:

Voor opslag tijdens de winterpauze.

Bij langere stilstand van het apparaat (langer dan 3 maanden). WAARSCHUWING! Gevaar door foutief opladen van de startbatterij! De laadstroom van de oplader mag niet hoger zijn dan 5A en de laadspanning mag max. 14,4V bedragen. Bij hogere laadspanning bestaat explosiegevaar van de startbatterij! Trek bij werkzaamheden aan de batterij altijd de contactsleutel uit.NL

Opslag Wij adviseren om deze onderhoudsvrije en gas- dichte startbatterij met een speciaal daarvoor ge- schikte oplader op te laden (verkrijgbaar bij de dealer). Lees vóór het opladen van de startbatterij de ge- bruiksaanwijzing van de fabrikant van de oplader. VOORZICHTIG! Risico op kortsluiting! Sluit altijd als eerste de minkabel (-) aan de batterij af en klem deze als laatste weer aan om kortsluiting te vermijden! Trek bij werkzaamheden aan de batterij altijd de contactsleutel uit!

1. Verwijder de sleutel uit het contactslot (05).

2. Open de motorkap.

3. Verbind de klemmen van de oplader met de

aansluitpolen van de batterij. OPMERKING Let op de polariteit:

4. Verbind de oplader met het stroomnet en

Om de trekker tijdens de winter te gebruiken en voor het vervangen van de aandrijfriem moet de maaier worden gedemonteerd.

1. Voorwielen (29/1) tot aan de aanslag naar

2. Grasopvangbak (30/1) verwijderen.

3. Uitwerpkanaal (15/2) verwijderen.

4. Cilinderkopschroef (31/1) van de schachthou-

der 5-6 slagen losdraaien.

5. Maaier (32/1) met de hendel van de maai-

hoogte-instelling (32/2) naar de laagste stand laten zakken.

6. Trekveer (33/1) van de maaier loshaken.

7. Maaier (34/1) met de hendel van de maai-

hoogte-instelling (34/2) weer helemaal naar boven zetten.

8. V-riemkanaal (35/1) losmaken (35/a).

9. V-riem (36/1) losmaken van de V-riemschijf

10. Maaier (32/1) met de hendel van de maai-

hoogte-instelling (32/2) naar de laagste stand laten zakken.

11. Borgpennen (4 stuks) (38/1) verwijderen van

de bevestigingsbeugels van de maaier.

12. Neem de beugel over de bouten af (38).

13. Trek de maaier aan de rechterzijde - gezien

in de rijrichting - zijwaarts naar buiten.

10.6 V-snaar vervangen

1. Borgmoeren (6 stuks) (21/1) losdraaien.

maken en verwijderen.

5. Schroef (25/1) op de spanrol (25/2) iets los-

draaien totdat de V-riem (25/3) kan worden losgemaakt.

6. Neem de aandrijfriem weg.

OPMERKING De leiding en de plaats van de aandrijf- riem verschillen naargelang het type. Neem de sticker met instructies op de maaier in acht. Nieuwe aandrijfriem aanbrengen

1. Plaats de V-riem om de enigszins losgedraai-

de spanschijf en schroef de spanschijf weer vast (27, 28).

2. Plaats de V-riem in de volgorde (27/a – d, 28/

a – d) rond de rollen en let op de geleiding en positie van de V-riem. 11 OPSLAG De gazontrekker moet worden bewaard op een plaats waar deze beschermd is tegen weersin- vloeden, vooral tegen vochtigheid, regen en lan- gere directe blootstelling aan zonnestralen. Sla de gazontrekker nooit met brandstof in de tank binnen in een gebouw op waar de brand- stofdampen mogelijk in contact kunnen komen met open vuur of vonken. Bewaar de gazontrek- ker enkel in ruimtes die geschikt zijn voor het be- waren van motorvoertuigen. Bewaar de gazontrekker tijdens langere opslag, zoals overwintering, niet met volle brandstoftank indien mogelijk. De brandstof kan verdampen. Voor lange opslag moet de brandstof uit de tank en de carburateur worden afgelaten om afzetting en daardoor startmoeilijkheden te voorkomen. Raadpleeg hiervoor uw erkende reparatiewerk- plaats.67 Hulp bij storingen

12 HULP BIJ STORINGEN

VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel ver- oorzaken.

Draag bij onderhouds- en reinigings- werkzaamheden altijd beschermen- de handschoenen! OPMERKING Neem contact op met onze klantenser- vice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt op- lossen. Storing Oorzaak Oplossing Motor slaat niet aan. Brandstoftekort. Tank vullen; tankontluchting controle- ren; brandstoffilter controleren. Slechte, vervuilde brandstof, ou- de brandstof in de tank. Gebruik altijd verse brandstof uit schone containers; carburateur reinigen (werk- plaats van de klantenservice). Luchtfilter vervuild. Luchtfilter reinigen (zie gebruiksaanwij- zing van de motorfabrikant). Geen ontstekingsvonk. Bougie reinigen, evt. een nieuwe plaat- sen, ontstekingskabels controleren, ont- stekingssysteem controleren (werk- plaats van de klantenservice). Te veel brandstof in de motor- verbrandingsruimte door meer- dere startpogingen. Bougie losdraaien en afdrogen. Starter werkt niet. Lege of zwakke startaccu. Startaccu opladen. Veiligheidsschakelaar op be- stuurdersstoel werkt niet. Correct op de bestuurdersstoel plaats- nemen; schakelaar defect. Veiligheidsschakelaar op rempe- daal werkt niet. Rempedaal volledig indrukken. Maaier ingeschakeld. Maaier uitschakelen. Zekering aan (+) kabel van de startaccu. Zekering controleren, indien nodig ver- vangen. Motorvermogen is on- voldoende. Te hoog of te vochtig gras. Maaihoogte corrigeren; vrije ruimte voor het maaiwerk creëren door kort achter- uit te rijden. Uitwerpkanaal/maaidek verstopt. Motor uitschakelen en contactsleutel uit- trekken! Uitwerpkanaal/maaidek reinigen. Luchtfilter vervuild. Luchtfilter reinigen (zie gebruiksaanwij- zing van de motorfabrikant). Instelling carburateur klopt niet. Instelling laten controleren (werkplaats van de klantenservice).NL

Hulp bij storingen Storing Oorzaak Oplossing Messen sterk versleten. Messen vervangen (werkplaats van de klantenservice). Rijsnelheid te hoog. Rijsnelheid verlagen. Gazontrekker trilt sterk. Maaier is beschadigd. Maaier controleren (werkplaats van de klantenservice). Gazontrekker vertrekt niet. Bij hydrostaat (pedaalbediening): geen wielaandrijving. Bypass-hendel op bedrijfsstand zetten (zie Hoofdstuk 7.3 "Gazontrekker schui- ven", pagina59). Onzuivere knip. Messen versleten, onscherp. Messen vervangen of naslijpen. Bij ge- slepen messen uitbalanceren (werk- plaats van de klantenservice)! Foute maaihoogte. Maaihoogte corrigeren. Te laag motortoerental. Maximaal motortoerental instellen. Rijsnelheid te hoog. Rijsnelheid verlagen. Verschillende bandendruk op de wielen. Tot juiste bandendruk oppompen. Cor- recte bandendruk op wielen aflezen. Grasopvangbak vult niet. Maaihoogte te diep ingesteld. Maaihoogte corrigeren. Gras is te vochtig - is te zwaar om door de luchtstroom te wor- den getransporteerd. Maaitijd verschuiven tot het gazonop- pervlak is gedroogd. Messen sterk versleten. Messen vervangen. (Werkplaats klan- tenservice) Gazon te hoog. Gazon 2 keer maaien:

1e stap: max. maaihoogte

2e stap: gewenste maaihoogte. Weefselzak verstopt – geen luchtdoorlaat. Weefselzak reinigen. Uitwerpkanaal maaidek vuil. Uitwerpkanaal/maaidek reinigen. Vulniveauweergave reageert niet. Maairesten aan hendel vul- niveauweergave. Maairesten verwijderen van hendel vul- niveauweergave. Vervolgens controle- ren op licht lopen. Aandrijving, rem, kop- peling en maaier. Uitsluitend laten controleren door een werkplaats met klantenservice!69 Garantie 13 GARANTIE Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefou- ten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door le- vering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft. Onze garantie geldt alleen bij:

naleving van deze gebruikershandleiding

Gebruik van originele reserveonderdelen De garantie vervalt bij:

Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen

Eigenhandig aangebrachte technische wijzi- gingen

Gebruik voor andere doeleinden dan het ge- bruiksdoel Van de garantie zijn uitgesloten:

lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik

Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aangeduid

Verbrandingsmotoren (hierop zijn de garantiebepalingen van toepassing van de betreffende mo- torfabrikant) De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de da- tum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.FR

skrutiek s okom (14/2).

5. Iedarbiniet motoru.

2. Iedarbiniet motoru un ļaujiet tam darboties

3. Iedarbiniet motoru.

1. Iedarbiniet motoru.