AL-KO Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort - Tractor

Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort - Tractor AL-KO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort AL-KO in PDF-formaat.

📄 488 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice AL-KO Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort - page 46
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : AL-KO

Model : Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort

Categorie : Tractor

Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort - AL-KO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort van het merk AL-KO.

GEBRUIKSAANWIJZING Solo T 22111.7 HDSA V2 Comfort AL-KO

Inhoudsopgave 1 Over deze gebruikershandleiding ............ 46

2.2 Mogelijk foutief gebruik ...................... 47

2.3 Symbolen op het apparaat ................. 47

2.4 Veiligheids- en beveiligingsvoorzie-

3.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen.. 49

3.3 Veiligheid op de werkplek .................. 49

3.4 Veiligheid van personen, dieren en

eigendommen .................................... 49

3.5 Veiligheid van het apparaat................ 50

3.6 Geluidsbelasting................................. 50

3.7 Omgang met benzine en olie ............. 50

5.3 Bediening van de transmissie (rijsnel-

6.5 De veiligheidsvoorzieningen controle-

6.5.3 Contactschakelaar van de stoel

controleren ................................... 53 7 De trekker gebruiken................................. 54

7.1 Essentiële voorbereidende maatre-

gelen................................................... 54

7.2 Gebruik van toebehoren ..................... 54

7.5.1 Rit voorbereiden bij temperaturen

7.5.3 Rijden en maaien op hellingen..... 55

7.5.4 Maaien met de gazontrekker ....... 55

Over deze gebruikershandleiding 1 OVER DEZE GEBRUIKERSHANDLEIDING

De Duitse versie is de originele gebruiksaan- wijzing. Alle andere taalversies zijn vertalin- gen van de originele gebruiksaanwijzing.

Lees voor de ingebruikname deze gebruiks- aanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een sto- ringsvrij gebruik.

Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodat u erin het antwoord op uw vragen kunt terug- vinden wanneer u informatie over het appa- raat nodig hebt.

Draag het apparaat alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere personen over.

Lees en neem de veiligheids- en waarschu- wingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.

De gazontrekkers worden geleverd in ver- schillende uitvoeringsvarianten. Houd er re- kening mee dat de afbeeldingen licht kunnen afwijken van het origineel. Indien u moeilijk- heden zou hebben om de beschrijvingen te begrijpen, neem contact op met een erkende reparatiewerkplaats of de fabrikant.

Neem de meegeleverde montagehandleiding en de gebruikshandleiding van de benzine- motor in acht.

1.1 Symbolen op de titelpagina

Symbool Betekenis Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorg- vuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storings- vrij gebruik. Gebruiksaanwijzing Gebruik het benzineapparaat niet in de buurt van open vlammen of hitte- bronnen.

1.2 Verklaring van pictogrammen en

signaalwoorden GEVAAR! Wijst op een direct gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt. WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden. VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan leiden. LET OP! Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële scha- de kan leiden. OPMERKING Speciale aanwijzingen voor meer duide- lijkheid en een beter gebruik. 2 PRODUCTOMSCHRIJVING De gazontrekkers met zijdelingse uitwerper wor- den in verschillende uitvoeringen geproduceerd. Let er bij de volgende beschrijvingen in deze ge- bruikershandleiding op dat u de beschrijving leest die bij uw gazontrekker hoort. Kenmerken van uw gazontrekker:

Maaiwerk voor zijdelingse uitwerper incl. slui- ting voor mulchmaaien Typeverschillen:

Bij de uitvoering met maaibreedte 110 cm: Wanneer deze niet wordt gebruikt, wordt de mulchsluiting meegedragen op de machine.

2.1 Reglementair gebruik

De gazontrekker is bedoeld voor het maaien van privétuinen rond het huis en hobbytuinen met een47 Productomschrijving max. helling van 10° (18%). Andere toepassin- gen, zoals bijv. mulchen, zijn enkel toegestaan wanneer het originele toebehoren wordt gebruikt en de maximale belastingswaarden worden ge- respecteerd. Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Elke andere toepassing, alsook een ver- boden om- of aanbouw, worden beschouwd als niet beoogd gebruik en leiden tot uitsluiting van de garantie, het verlies van de conformiteit (CE- markering) en de afwijzing van elke verantwoor- delijkheid vanwege de fabrikant wat betreft scha- de aan de gebruiker of derden.

2.2 Mogelijk foutief gebruik

De gazontrekker is niet gemaakt voor bedrijfsma- tig gebruik in openbare parken, op sportterreinen, in de land- en bosbouw. WAARSCHUWING! Gevaren door overbelasting van de gazontrekker! Let er bij het gebruik van een aanhang- wagen vooral op dat u de toegestane aanhangergewichten en hellingen om- hoog/omlaag niet overschrijdt. Over- schrijding hiervan kan het remvermogen van de gazontrekker overbelasten en kan tot gevaarlijke situaties leiden! OPMERKING Houd er rekening mee dat de gazontrek- ker geen wegvergunning heeft en dus niet op de openbare weg mag rijden!

2.3 Symbolen op het apparaat

Lees voor de ingebruikname de gebruikershandleiding door! Houd tijdens het maaien andere personen, vooral kinderen en dieren, op afstand van het werk- gebied. Trek de contactsleutel uit voordat u onderhouds- en reparatiewerk- zaamheden uitvoert! Let op: gevaar! Blijf met uw han- den en voeten bij het snijmecha- nisme vandaan! Rijd niet op hellingen van meer dan 10° (18%)! Gevaar: niet betreden! Risico op brandwonden door he- te oppervlakken!

beveiligingsvoorzieningen WAARSCHUWING! Gevaar door beveiligingsvoorzienin- gen die verwijderd of gemanipuleerd zijn! Elk gebruik met verwijderde of gemani- puleerde beveiligingsvoorzieningen is verboden. Defecte beveiligingsvoorzie- ningen moeten onmiddellijk worden ge- repareerd of vervangen! De beveiligingsvoorzieningen omvatten vooral:

Remcontactschakelaar

Afdekking van de zijdelingse uitwerperNL

1 Stuur 8 Maaier 2 Instrumentenpaneel 9 Maaihoogte-instelling 3 Rempedaal 10 Transmissie-bypass 4 Vergrendelingshendel voor rempedaal 11 Bestuurdersstoel 5 Motorkap 12 Mulchsluiting 6 Transmissiebediening achteruit 13 Afdekking van de zijdelingse uitwerper 7 Transmissiebediening vooruit49 Veiligheidsinstructies 3 VEILIGHEIDSINSTRUCTIES GEVAAR! Levensgevaar en gevaar voor zeer ernstig letsel! Onbekendheid met de veiligheidsinstruc- ties en bedieningsinstructies kan bijzon- der ernstig letsel en zelfs de dood tot ge- volg hebben.

Volg alle veiligheidsinstructies en be- dieningsinstructies in deze gebruiks- aanwijzing op evenals in de gebruiks- aanwijzingen waarnaar wordt verwe- zen, voordat u het apparaat gebruikt.

Bewaar alle bijgeleverde documen- ten voor toekomstig gebruik.

Personen van jonger dan 16 jaar en perso- nen die de gebruikershandleiding niet heb- ben gelezen, mogen het apparaat niet ge- bruiken. Eventuele landspecifieke veiligheids- voorschriften voor de minimumleeftijd van de gebruiker naleven.

Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.

3.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen

Om letsel aan hoofd en ledematen evenals gehoorschade te voorkomen, moet verplicht beschermende kleding en uitrusting worden gedragen.

De kleding moet doelmatig (nauwsluitend) zijn en mag bij het gebruik niet hinderen. Bij lang haar beslist een haarnetje dragen. Nooit losse kledingstukken of accessoires dragen die in het apparaat kunnen worden getrokken, bijv. sjaals, wijde shirts, lange halskettingen.

De persoonlijke beschermingsmiddelen be- staan uit:

Gehoorbescherming en veiligheidsbril

lange broek en stevige schoenen

3.3 Veiligheid op de werkplek

Alleen bij daglicht of zeer helder kunstlicht werken.

Het apparaat alleen op een vaste en vlakke ondergrond en niet op stijle hellingen gebrui- ken.

Op stabiliteit letten.

3.4 Veiligheid van personen, dieren en

Gebruik het apparaat alleen voor werkzaam- heden waarvoor het is bedoeld. Niet-regle- mentair gebruik kan letsel en materiële scha- de veroorzaken.

De gebruiker is verantwoordelijk voor eventu- eel letsel bij derden en voor materiële scha- de.

Houd anderen uit de buurt van de gevarenzo- ne.

Schakel het apparaat alleen in als er geen personen of dieren in het werkgebied aanwe- zig zijn.

Houd een veiligheidsafstand aan tot perso- nen en dieren of schakel het apparaat uit als personen of dieren naderen.

Laat nooit passagiers meerijden op het appa- raat.

Houd de stroom van uitlaatgassen nooit ge- richt op personen of dieren, of op brandbare producten en voorwerpen.

Grijp niet in het aanzuig- en luchtfilter als de motor draait. De draaiende onderdelen kun- nen letsel veroorzaken.

Schakel het apparaat altijd uit wanneer u het niet nodig heeft, bijv. bij het verplaatsen naar een ander werkgebied, bij onderhoudswerk- zaamheden, bij het tanken van het benzine- oliemengsel.

Maai niet wanneer het onweert. Geen be- scherming tegen blikseminslag.

Maai altijd dwars op de helling.

De gazontrekker kan door zijn eigen gewicht ernstig letsel veroorzaken. Bij het laden en lossen van de gazontrekker voor transport in een voertuig of een aanhangwagen moet ex- tra voorzichtig worden gehandeld.

Deze gazontrekker mag niet worden wegge- sleept. Gebruik voor het transport op openba- re verkeerswegen een geschikt voertuig.

Gebruik de gazontrekker niet in slecht geven- tileerde werkomgevingen (bijv. garage). De uitlaatgassen bevatten giftig koolmonoxide en andere schadelijke stoffen.

Schakel het apparaat bij een ongeval onmid- dellijk uit om verder letsel en materiële scha- de te voorkomen.

Gebruik het apparaat nooit met versleten of defecte onderdelen. Versleten of defecte on- derdelen kunnen ernstig letsel veroorzaken.NL

Veiligheidsinstructies

Gebruik uitsluitend originele reserveonderde- len en origineel toebehoren.

Voor elk gebruik: Controleer alle veiligheids- voorzieningen zoals beschreven in deze ge- bruiksaanwijzing.

Bewaar het apparaat buiten het bereik van kinderen.

Instrueer kinderen en jongeren niet met het apparaat te spelen.

3.5 Veiligheid van het apparaat

Het apparaat alleen gebruiken onder de vol- gende omstandigheden:

Het apparaat is niet vervuild.

Het apparaat vertoont geen beschadigin- gen.

Het apparaat niet overbelasten. Het is voor lichte particuliere werkzaamheden bedoeld. Overbelasting leidt tot beschadiging van het apparaat.

Het apparaat nooit gebruiken met versleten of defecte onderdelen. Defecte onderdelen altijd vervangen door oorspronkelijke reser- veonderdelen van de fabrikant. Wanneer het apparaat met versleten of defecte onderdelen wordt gebruikt, kan tegenover de fabrikant geen aanspraak op garantie worden ge- maakt. OPMERKING Reparatiewerkzaamheden mogen uit- sluitend worden uitgevoerd in de vak- handel of op onze Servicevestigingen.

3.6 Geluidsbelasting

Een zekere geluidsbelasting door dit apparaat is onvermijdelijk. Plan luidruchtige werkzaamheden gedurende acceptabele en daarvoor geschikte tij- den. Respecteer rusttijden en beperk de duur van het werk tot het minimum. Voor uw persoonlijke bescherming en ter bescherming van personen die zich in de buurt bevinden, moet geschikte ge- hoorbescherming worden gedragen.

3.7 Omgang met benzine en olie

GEVAAR! Explosie- en brandgevaar Bij het ontsnappen van een benzine- luchtmengsel ontstaat potentieel explo- sieve atmosfeer. Door een ondeskundi- ge omgang met brandstoffen kunnen de- ze ontsteken, exploderen en ontbran- den, wat tot zwaar letsel en zelfs sterf- gevallen kan leiden.

Rook nooit, terwijl u met benzine werkt.

Werk uitsluitend in de buitenlucht met benzine en nooit in afgesloten ruimten.

Neem beslist altijd de volgende ge- dragsregels in acht.

Transporteer en bewaar benzine en olie uit- sluitend op in goedgekeurde voorraadvaten. Zorg ervoor dat de opgeslagen benzine en olie niet toegankelijk zijn voor kinderen.

Zorg ervoor, om bodemvervuiling (milieube- scherming) te vermijden, dat bij het tanken geen benzine en geen olie in de aarde te- rechtkomt. Gebruik bij het tanken een trech- ter.

Tank het apparaat nooit af in gesloten ruim- ten. Op de vloer kunnen zich benzinedampen verzamelen waardoor het tot een explosieve verbranding of zelfs explosie kan komen.

Veeg gemorste benzine altijd onmiddellijk op van het apparaat of de vloer. Laat de doeken waarmee u benzine afgeveegd heeft, op een goed geventileerde plaats drogen voordat u deze weggooit. Anders kan spontane zelfont- branding optreden.

Bij het morsen van benzine ontstaan benzin- edampen. Start het apparaat daarom nooit op dezelfde plaats, maar altijd op een plaats die minimaal 3 m daarvan is verwijderd.

Vermijd huidcontact met producten van mine- rale oliën. Adem geen benzinedampen in. Draag altijd veiligheidshandschoenen om brandstof bij te vullen. Vervang en reinig de beschermende kleding regelmatig.

Let erop dat uw kleding niet in contact komt met benzine. Vervang uw kleding onmiddel- lijk wanneer benzine op uw kleding terecht- gekomen is.

Tank het apparaat nooit af, bij draaiende of hete motor.51 Trekker uitpakken en monteren

4 TREKKER UITPAKKEN EN

MONTEREN Neem de bijgevoegde montagehandleiding in acht bij het uitpakken en afmonteren van de trek- ker. OPMERKING Neem ook de meegeleverde gebruiks- handleiding van de benzinemotor in acht. WAARSCHUWING! Gevaren door onvolledige montage! De gazontrekker mag niet worden ge- bruikt voordat hij volledig is gemonteerd! Voer alle montagewerkzaamheden uit die in de montagehandleiding worden beschreven. Vraag in geval van twijfel vóór de ingebruikname aan een vakman of de montage correct werd uitgevoerd! Controleer of alle veiligheids- en be- schermingsinrichtingen aanwezig zijn en functioneren! 5 BEDIENINGSELEMENTEN Hierna worden de bedieningselementen van de gazontrekker met uijdelingse uitwerper beschre- ven. Let er op dat u de beschrijving leest die bij uw gazontrekker hoort.

5.1 Standaard instrumentenpaneel

Hierna worden de elementen van het standaard instrumentenpaneel (01) verklaard. Regeling van het motortoerental (01/2) OPMERKING Houd er rekening mee dat de bediening van de regelaar in rijmodus de snelheid beïnvloedt! Bij regelaar met geïntegreerde choke: door de regelaar (01/2) te verschuiven, wordt het motortoerental verhoogd en verlaagd en in de bo- venste stand wordt de choke ingeschakeld. Choke inschakelen: Schuif de regelaar (01/2) helemaal naar boven tot aan het choke-symbool. Gebruik deze positie uit- sluitend om de motor te starten. Tip: Sommige trekkervarianten zijn uitge- rust met een aparte choke-knop (01/1) op het instrumentenpaneel. Deze moet dan bijkomend worden uitgetrokken om de trekker te starten. Schuif de knop lang- zaam weer terug wanneer de motor draait! Maaibedrijf: in deze stand draait de motor met het maximale toerental. Stationair bedrijf: in deze stand draait de motor met het laagste toerental. Contactslot (01/3, 05) Stand Werking 0 Motor uit. De contactsleutel kan worden uitge- trokken. I Koplampen aan. Nadat de motor is gestart, worden in deze stand de koplampen ingescha- keld (optioneel). II Bedrijfsstand wanneer de motor draait. III Startstand om de motor te starten. Laat de sleutel los, zodra de motor draait. Deze springt dan terug naar bedrijfsstand II.

Rem: wanneer u het pedaal (03/1) helemaal indrukt, wordt de rem op de transmissie in werking gesteld, de trekker remt af.

Parkeerrem: wanneer u bij ingedrukt rem-/ koppelingspedaal (03/1) de vergrendelings- hendel (03/2) naar boven trekt, wordt de rem vergrendeld. Door het pedaal opnieuw in te drukken, wordt de rem losgelaten.

5.3 Bediening van de transmissie

(rijsnelheid) De gazontrekkers zijn uitgerust met een hy- drostaat (pedaalbediening). Om vooruit en achteruit te rijden, zijn aan de rechterkant twee aparte pedalen ondergebracht.NL

Ingebruikname Rijrich- ting Beschrijving Vooruit Gebruik het voorste pedaal (02/2) om vooruit te rijden. Achteruit Gebruik het achterste pedaal (02/1) om achteruit te rijden. Tip: Wanneer enkel het pedaal om achteruit te rijden wordt gebruikt, wordt de maaier uitgeschakeld. Maaibedrijf tijdens achteruitrijden: zie Hoofdstuk 7.5.4.2 "Maaibedrijf bij achteruitrijden", pagina56.

5.4 Aandrijving hydrostaat

De hydrostaat wordt bediend door twee pedalen (02/1 en 02/2). Voor het wegrijden geeft u bij draaiende motor eerst de parkeerrem vrij door het rempedaal (03/1) in te drukken en daarna drukt u het pedaal (02/2) in om vooruit te rijden of het pedaal (02/1) om achteruit te rijden. Hoe verder u het pedaal indrukt, hoe sneller u in de gekozen richting rijdt. Vooruitrijden: Duw aan de rechterkant het voor- ste pedaal in (02/2). Achteruitrijden: Duw aan de rechterkant het achterste pedaal in (02/1).

5.5 Bediening maaier

Maaihoogte instellen Het maaiwerk van de trekker kan met een hendel (04/1) rechts naast de bestuurdersstoel in meer- dere stappen qua hoogte worden versteld.

1. Beweeg de verstelhendel (04/1) in de ge-

wenste richting. Hendel omlaag betekent klei- ne maaihoogte, hendel omhoog, grote maai- hoogte. Maaier inschakelen Elektrische inschakeling: Rechts naast de be- stuurdersstoel bevindt zich een schakelaar (03/3). Schakel hiermee de maaier in. 6 INGEBRUIKNAME WAARSCHUWING! Gevaren door onvolledige montage! De gazontrekker mag niet worden ge- bruikt voordat hij volledig is gemonteerd! Voer alle montagewerkzaamheden uit die in de montagehandleiding worden beschreven. Vraag in geval van twijfel vóór de ingebruikname aan een vakman of de montage correct werd uitgevoerd! Controleer of alle veiligheids- en be- schermingsinrichtingen aanwezig zijn en functioneren!

6.1 Maaier controleren

Voor het gebruik moet altijd visueel worden geïn- specteerd of het snijmechanisme, de bevesti- gingsbouten en de totale snijeenheid versleten of beschadigd zijn. Om een onbalans te vermijden, moeten versleten of beschadigde messen door nieuwe worden vervangen.

Voor de eerste ingebruikname moet de motor met olie worden gevuld. Neem hiervoor de hand- leiding van de motorfabrikant in acht. Houd er ook rekening mee dat het oliepeil regelmatig moet worden gecontroleerd en dat olie eventueel moet worden bijgevuld.

6.3 Vullen met brandstof

WAARSCHUWING! Gevaren bij de omgang met brand- stof! Brandstof vat uiterst gemakkelijk vlam. Maak de brandstoftank alleen leeg in de openlucht! Rook niet! Tank niet wanneer de motor draait of heet is! Gebruik bij het tanken van brandstof een ge- schikte vultrechter of vulbuis om zo te voorkomen dat er brandstof wordt gemorst op de motor, de behuizing of op de ondergrond. Uit veiligheidsoverwegingen moeten de brand- stoftankdop en andere tankdoppen worden ver- vangen wanneer deze beschadigd zijn. Wanneer brandstof is overgelopen, mag de mo- tor niet worden gestart. De trekker moet worden verwijderd van de plaats die bevuild is met brand- stof en de verspilde brandstof moet met een doek worden geabsorbeerd en weggeveegd van de bodem, de motor en de behuizing.53 Ingebruikname Er mag geen poging tot starten worden onderno- men, tot de brandstofdampen verdampt zijn. Sla brandstof enkel op in de containers die daar- voor voorzien zijn. Gebruik loodvrije benzine, min. RON 91. Tank vullen (06)

1. Zet de motor eventueel uit en trek veilig-

heidshalve de contactsleutel uit.

2. Wacht tot de motor een beetje is afgekoeld

(explosiegevaar door ontstoken brandstof!).

Opmerking:Doe de brandstoftank niet te vol!

Lees de vereiste luchtdruk af op de banden (aanbevolen 1 bar). OPMERKING 1PSI = 0,07bar. Met een gewone in de handel verkrijgbare voet- pomp kan de bandendruk worden gecontroleerd en lucht worden bijgevuld.

6.5 De veiligheidsvoorzieningen controleren

De veiligheidsvoorzieningen moeten vóór elke start van de gazontrekker worden gecontroleerd. WAARSCHUWING! Gevaar bij de controle van de veilig- heidsvoorzieningen! De controle van veiligheidsvoorzienin- gen mag enkel vanaf de bestuurders- stoel worden uitgevoerd en wanneer er geen personen of dieren in de buurt zijn! Voer alle controles op een vlakke ondergrond uit, zodat de gazontrekker niet onbedoeld kan rollen.

6.5.1 Remcontactschakelaar controleren

De remcontactschakelaar zorgt ervoor dat de motor niet kan worden gestart, wanneer de rem niet wordt gebruikt.

1. De motor staat uit.

2. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

3. Maak de parkeerrem los door het rempedaal

op stand III). OPMERKING De motor mag niet starten!

6.5.2 Contactschakelaar van de maaier

controleren De contactschakelaar van de maaier zorgt ervoor dat de motor niet kan worden gestart wanneer de maaier is geactiveerd.

2. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

op stand III). OPMERKING De motor mag niet starten!

6.5.3 Contactschakelaar van de stoel

controleren De contactschakelaar van de stoel zorgt ervoor dat de motor wordt uitgeschakeld zodra er zich niemand meer op de bestuurdersstoel bevindt en de maaier is ingeschakeld.

1. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

3. Start de motor en laat hem draaien met het

5. Ontlast de stoel door op te staan (niet afstap-

pen!). OPMERKING De motor moet uitschakelen!NL

De trekker gebruiken

7 DE TREKKER GEBRUIKEN

WAARSCHUWING! Gevaren door ontoereikende kennis van de gazontrekker! Lees de gebruikshandleiding nauwkeu- rig voordat u start! Neem vooral alle veiligheidsinstructies in acht! Voer alle montagewerkzaamheden en alle werkzaamheden voor de ingebruik- name nauwgezet uit. Informeer in geval van twijfel bij de fabrikant!

7.1 Essentiële voorbereidende maatregelen

Draag tijdens het maaien altijd stevig schoei- sel en een lange broek. Maai nooit bloots- voets of met open sandalen.

Controleer het terrein waarop de gazontrek- ker wordt gebruikt volledig en verwijder alle stenen, stokken, draden, beenderen en an- dere vreemde voorwerpen die kunnen wor- den gegrepen en weggeslingerd. Ook tijdens het maaien moet naar vreemde voorwerpen worden uitgekeken.

Voer alle werkzaamheden uit die in de inge- bruikname zijn beschreven. Dit geldt vooral voor de controle van de veiligheidsvoorzie- ningen.

Gebruik enkel de koppelinrichting om lasten te trekken! Overschrijd de belasting niet.

Het transport van voorwerpen op de gazont- rekker is verboden!

7.2 Gebruik van toebehoren

WAARSCHUWING! Gevaar door foutief toebehoren of foutief gebruik van het toebehoren! Gebruik altijd enkel het originele toebe- horen van de fabrikant van de trekker! Neem de gebruiksvoorschriften in de bij- gevoegde gebruikershandleiding in acht! Het gebruik van niet toegestaan toebehoren of het foutief gebruik kan grote gevaren voor de ge- bruiker en derden veroorzaken. De gazontrekker zou overbelast kunnen worden. Dit kan zware on- gevallen veroorzaken.

7.3 Gazontrekker schuiven

VOORZICHTIG! Gevaar bij het duwen op hellingen! Duw de gazontrekker enkel op een hori- zontale ondergrond! Op hellingen zou de gazontrekker ongecontroleerd bergaf kunnen rollen. Bij hydrostaataandrijving De bypasshendel (07/1) bevindt zich aan de ach- terwand (07/2). Bypassontgrendeling:

1. Schuif de bypasshendel (08/1) in en haak de-

ze naar onderen toe in.

ð De gazontrekker kan nu worden verschoven.

7.4 De motor starten en afstellen

WAARSCHUWING! Letselgevaar door blikseminslag Het apparaat heeft geen bescherming tegen een blikseminslag.

Maai niet wanneer het onweert. Start de motor

1. Neem plaats op de bestuurdersstoel.

2. Druk het rempedaal (03/1) aan de linkerkant

helemaal in en blokkeer het met de vaststel- hendel (03/2).

3. Controleer of de maaier NIET is ingescha-

keld. Controleer daarvoor de positie van de kantelschakelaar (03/3).

4. Plaats de regelaar (01/2) voor het motortoe-

rental tegen de bovenste aanslag. Naarge- lang de uitrustingsvariant bevindt het choke- symbool zich daar. Indien dit niet zo is, trek de afzonderlijke choke-knop uit (01/1).

Steek de contactsleutel in het contactslot (05).

6. Draai de contactsleutel in stand „III“ en houd

deze zo lang in deze stand tot de motor draait. Opmerking:Om de startbatterij te ontzien, mag de startpoging niet langer dan ongeveer 5 seconden duren.

Zet de regelaar (01/2) voor het motortoerental op bedrijfsstand. Bij een uitrustingsvariant met choke-knop drukt u deze opnieuw in (01/1).55 De trekker gebruiken Zet de motor uit

1. Schakel het maaiwerk uit (03/3).

2. Zet de regelaar (01/2) voor het motortoeren-

tal op stationaire stand.

3. Druk het rempedaal (03/1) in en blokkeer het

met de vaststelhendel (03/2).

4. Draai de contactsleutel (05) naar stand „0“.

5. Trek de contactsleutel uit.

WAARSCHUWING! Gevaar door hete motor! Let er bij het uitschakelen van de motor op dat hete motoronderdelen (zoals de uitlaatdemper) geen voorwerpen of ma- terialen in de nabije omgeving, kunnen ontsteken!

7.5 Met de trekker rijden

WAARSCHUWING! Gevaar door onaangepaste snelheid! Rijd vooral in het begin langzaam om aan het rij- en remgedrag van de trekker te wennen! Voor elke richtingsverandering moet de rijsnelheid zodanig worden verminderd dat de bestuurder altijd de controle over de gazontrekker behoudt en deze daar- bij niet kan omkantelen! Uw trekker wordt aangedreven door een hy- drostaat(pedaalbediening).

7.5.1 Rit voorbereiden bij temperaturen

keld. Controleer daarvoor de kantelschake- laar (03/3).

2. Start de motor en laat deze voor de optimali-

sering van de viscositeit van de transmissie- olie ongeveer 30 seconden lang warmlopen. Daarna kunt u met de trekker rijden. De maaier mag pas worden ingeschakeld wan- neer de motor enkele minuten draait.

1. Druk het rempedaal (03/1) in en blokkeer het

met de vaststelhendel (03/2).

5. Druk langzaam op het voetpedaal voor de

gewenste rijrichting:

6. Hoe verder u het pedaal indrukt, hoe sneller

de trekker zich in de gewenste richting ver- plaatst.

7. Om te stoppen, laat u het voetpedaal los en

drukt u het rempedaal (03/1) in. OPMERKING Trek altijd, wanneer u de trekker verlaat, de parkeerhendel aan bij ingeduwd rem- pedaal, zodat de trekker niet kan wegrol- len!

7.5.3 Rijden en maaien op hellingen

WAARSCHUWING! Gevaar door fout bij het rijden op hel- lingen! Wees bijzonder voorzichtig bij het rijden op hellingen! Er bestaat geen „veilige“ helling. Neem daarvoor vooral de volgende vei- ligheidsinstructies in acht! Wanneer de wielen doordraaien of wan- neer het voertuig bij het omhoogrijden op een helling blijft steken, schakel de maaier en de hulpstukken uit. Rijd daar- na langzaam en recht vooruit de helling af! Door het extra gewicht van een volle grasopvangbak neemt het kantelgevaar van de gazontrekker toe!

Rijd niet op hellingen van meer dan 10° (18%). Voorbeeld: dat komt overeen met een hoogteverschil van 18 cm over een leng- te van een meter.

Rijd niet met schokken.

Rem niet met schokken.

Houd de rijsnelheid laag.

Rijd altijd dwars op de helling.

Versnel niet stevig.

Stuur niet met schokken.

7.5.4 Maaien met de gazontrekker

Voor een zuiver maairesultaat moet de rijsnelheid worden aangepast aan de gazonverhoudingen. Kies voor het maaien maximaal 2/3 van de mo- gelijke rijsnelheid met het pedaal. De maximaleNL

De trekker gebruiken snelheid van de trekker is uitsluitend bestemd voor de rijmodus zonder ingeschakelde maaier. Doorgaans bedraagt de maaihoogte 4 - 5 cm. Dit komt overeen met het 2e of 3e raster van de hoogteverstelling (04/1). Maai met een hogere maaihoogte wanneer het gras vochtig en nat is. Maai doelmatig in twee doorgangen wanneer het gras zeer hoog is. Stel de maaier bij de eerste doorgang op maximale maaihoogte. Bij de twee- de doorgang kunt u deze dan op de gewenste hoogte instellen.

7.5.4.1 De maaier inschakelen

OPMERKING Het maaiwerk mag pas worden inge- schakeld wanneer de motor al ongeveer een minuut is warmgedraaid! Wanneer u de maaier inschakelt, mag de gazontrekker niet in hoog gras staan.

2. Zet de regelaar (01/2) voor het motortoeren-

tal op bedrijfsstand.

4. Schakel het maaiwerk in met de kantelscha-

kelaar (03/3) (stand „I“).

5. Stel de gewenste maaihoogte met de hendel

6. Begin te rijden met de gazontrekker.

7.5.4.2 Maaibedrijf bij achteruitrijden

OPMERKING Wanneer enkel het pedaal voor achter- uitrijden wordt ingedrukt, wordt de maai- er uitgeschakeld.

1. Druk de knop "achteruitmaaien" (01/4) in en

binnen 5 seconden het pedaal (02/1) om ach- teruit te rijden. WAARSCHUWING! Kans op ongevallen bij het achteruit- maaien! Houd het gebied achter u in de gaten tij- dens het achteruitmaaien! Achteruitmaaien enkel indien nodig!

7.5.4.3 De maaier uitschakelen

WAARSCHUWING! Gevaar door messen die blijven draai- en! Een (na)draaiend snijmes kan handen en voeten snijden! Houd handen en voe- ten daarom uit de buurt van het mes- sensysteem!

1. Schakel het maaiwerk met de kantelschake-

laar (stand „0“) uit (03/3). Het maaiwerk kan zowel in stilstand als wanneer de trekker rijdt, worden uitgeschakeld. Schakel het maaiwerk altijd uit wanneer u op an- dere ondergrond dan gras rijdt.

Voor een optimaal mulchresultaat moet het gras regelmatig worden gemaaid (ca. 1 tot 2 maal per week). Maai daarbij 1/3 van de grashoogte af (bijv. bij 6cm grashoogte, 2cm maaien). Daar- door wordt het gemaaide gras secuur in het nog resterende gazon verwerkt. Zijdelingse uitwerper voor mulchwerking ombouwen De mulchset is in de leveringsomvang inbegre- pen. De mulchsluiting bevindt zich bij de gazont- rekker met een maaibreedte van 110 cm aan de linkerzijde van de maaier. Bij de gazontrekker met een maaibreedte van 95 cm wordt de mulch- sluiting los meegeleverd. WAARSCHUWING! Gevaar door een onvolledige of een beschadigde bescherming van het maaiwerk. De gazontrekker mag alleen worden ge- bruikt wanneer het uitwerpkanaal voor de zijdelingse uitwerper gemonteerd is. Wanneer deze niet is gemonteerd, is het gebruik van de maaier niet toegestaan omdat er gevaar bestaat dat men door de messen van de maaier geraakt wordt. Een beschadigde beveiligings- voorziening moet onmiddellijk door een origineel reserveonderdeel worden ver- vangen.57 De gazontrekker reinigen WAARSCHUWING! Gevaar bij het ommonteren van de bescherming van het maaiwerk. De gazontrekker mag alleen bij een uit- geschakelde motor en een uitgenomen contactsleutel omgemonteerd worden. Voor het ommonteren van de werking van de zij- delingse uitwerper dient er als volgt te werk te worden gegaan:

1. Zet de motor uit.

2. Neem de contactsleutel uit en bewaar hem

ontoegankelijk voor onbevoegden.

3. Til het kanaal (24/1) voor de zijdelingse uit-

4. Plaats de mulchsluiting (24/2) aan het maai-

5. Vergrendel de mulchsluiting met de klem

sluiting (24/2). Bij de uitvoering met maaibreedte 110 cm (25) Verwijderen van de mulchsluiting (25/1):

1. Neem de klemmen (25/2) los.

2. Neem de mulchsluiting uit de houder (25/3).

Houd er rekening mee dat gras op verschillende tijdstippen anders groeit. Wij adviseren om bij het begin van de lente een kortere maaitijd te kiezen. Vergroot het maai-interval wanneer het gras in de loop van het jaar minder snel gaat groeien. Kon het gras een poosje niet gemaaid worden, kies dan eerst een hogere maaihoogte-instelling en maai het twee dagen later nog eens met een lagere maaihoogte-instelling.

7.5.4.6 Hoog gras maaien

Maai het gras, wanneer dit langer is dan gewoon- lijk of te vochtig, met een hogere maaihoogte-in- stelling. Maai het gras aansluitend nog eens met de lagere, normale instelling.

7.5.4.7 Snijmessen onderhouden

Zorg tijdens het hele maaiseizoen voor een scherp snijmes om te voorkomen dat de grashal- men afscheuren en versnipperen. Afgescheurde grashalmen krijgen bruine randen. Daardoor groeit het gras minder snel en is het vatbaarder voor ziektes.

Controleer de scherpte van de snijmessen na elk gebruik en let op tekens van slijtage of schade! Ga indien nodig naar de service- werkplaats.

Gebruik bij vervanging enkel originele reser- vemessen.

8 DE GAZONTREKKER REINIGEN

Voor een optimale werking en een lange levens- duur moet de gazontrekker regelmatig worden gereinigd. Reinig de gazontrekker na elk gebruik en verwij- der aanklevend vuil. Gebruik geen hogedrukreiniger om te reinigen. De waterstraal van een hogedrukreiniger of van een tuinslang kan de elektronica of de lagers be- schadigen. Zorg ervoor dat vooral motor, transmissie en op- rolmechanismen, alsook de volledige elektronica niet in aanraking komen met water. WAARSCHUWING! Gevaar bij het reinigen! Voor alle reinigingswerkzaamheden geldt:

Trek de stekker(s) van de bou- giedoppen uit.

Nadat deze gereinigd zijn, moeten verwijderde beveiligingsvoorzienin- gen opnieuw worden gemonteerd.

RISICO OP BRANDWONDEN: rei- nig de gazontrekker pas wanneer die is afgekoeld. Motor, transmissie en uitlaatdemper zijn zeer heet!

RISICO OP SNIJWONDEN: let bij werkzaamheden aan snijwerktuigen op de scherpe messen. Bij maai- werktuigen met meerdere messen kan de beweging van het ene snij- werktuig de beweging van het ande- re veroorzaken!

8.1 De behuizing, motor en transmissie

reinigen Spuit de motor en alle lagers (wielen, transmis- sie, meslager) niet met water of een hogedrukrei- niger schoon. Water dat binnendringt in het ontstekingssys- teem, de carburateur en het luchtfilter kan storin- gen veroorzaken. Water in de lagers kan leiden tot verlies van smering en dus tot vernieling van de lagers.NL

Transport Gebruik voor het verwijderen van vuil en grasres- ten een doek, handborstels, borsteltjes met lange steel of iets gelijkaardigs. LET OP! Beschadiging van de elektrische in- stallatie door binnendringend water! Zorg er bij het reinigen van de trekker voor dat er geen water in de elektrische installatie geraakt! 9 TRANSPORT WAARSCHUWING! Gevaar voor beknelling als gevolg van kantelen van het apparaat! Het eigen gewicht van het apparaat kan ernstig persoonlijk letsel veroorzaken.

Bij het laden en lossen van het ap- paraat voor transport in een voertuig of een aanhangwagen moet extra voorzichtig worden gehandeld! Bij het transport van de gazontrekker met trans- portmiddelen (bijv. aanhangwagen voor perso- nenwagens) moet de maaier worden onder- steund om de ophanging van de maaier te ont- lasten. Zorg er bij het transport voor dat het transport- middel voldoende belasting heeft en dat de ga- zontrekker op de juiste manier is vastgemaakt. 10 ONDERHOUD Gevaar bij het onderhoud! Voor alle onderhoudswerkzaamheden geldt:

Trek de stekker(s) van de bougiedoppen uit.

Verwijderde beveiligingsvoorzieningen moe- ten na het onderhoud opnieuw worden ge- monteerd.

RISICO OP BRANDWONDEN: voer aan de gazontrekker pas werkzaamheden uit wan- neer die is afgekoeld. Motor, transmissie en uitlaatdemper zijn zeer heet!

RISICO OP SNIJWONDEN: let bij werk- zaamheden aan snijwerktuigen op de scher- pe messen. Bij maaiers met meerdere mes- sen kan de beweging van het ene maaimes de beweging van het andere veroorzaken.

Bij het vervangen van onderdelen mogen en- kel originele reserveonderdelen worden ge- bruikt.

Bezoek in geval van twijfel altijd een erkende reparatiewerkplaats of neem contact op met de fabrikant.

Volgende werkzaamheden mogen door de ge- bruiker zelf worden uitgevoerd. Alle overige on- derhouds-, service- en reparatiewerkzaamheden moeten door een erkende service reparatiewerk- plaats worden uitgevoerd. Denk ook aan de aanbevolen jaarlijkse smerin- gen conform smeerplan. Activiteit Voor elk gebruik Na elk gebruik Na de eerste 5 uur Elke 25 bedrijfsu- ren Elke 50 bedrijfsu- ren Voor elke opslag Motoroliepeil controleren

Luchtfilter vervangen

Rem controleren (remtest op een rechte weg)

Bandenspanning controleren X Maaimessen controleren X Controleren op losse onder- delen X X59 Onderhoud Activiteit Voor elk gebruik Na elk gebruik Na de eerste 5 uur Elke 25 bedrijfsu- ren Elke 50 bedrijfsu- ren Voor elke opslag Aandrijfriem controleren (vi- suele controle)

Luchtaanzuigrooster op de motor reinigen

Gras- en maairestanten van versnellingsbak verwijderen

)* zie de gebruiksaanwijzing van de motorfabri- kant OPMERKING Bij zware belasting en bij hoge tempera- turen kunnen kortere onderhoudsinter- vallen nodig zijn dan in de tabel hierbo- ven zijn vermeld.

Om te garanderen dat de beweeglijke onderdelen vrij kunnen bewegen, adviseren we minstens jaarlijks volgende plaatsen te smeren. Reinig alle plaatsen die gesmeerd moeten wor- den vóór het smeren of inspuiten met een doek. Gebruik geen water om eventuele corrosie te ver- mijden. Smeerpunten:

Smeer de smeernippels aan de stuurpennen rechts en links (11) in met universeel vet.

Spuit het lager van de vooras aan het frame (10) in met oliespray.

Smeer tandsegment en tandheugelstuurin- richting (12) in met universeel vet.

Smeer rollagers en naaf aan voor- en achter- as (13) in met universeel vet. OPMERKING De voor- en achterwielen moeten voor het smeren van de assen en lagers wor- den gedemonteerd.

Draaiende onderdelen en lagers: smering van alle beweeglijke draaiende onderdelen en lagers.

10.3 Wielen verwisselen

Wielen mogen enkel op een horizontale en vaste ondergrond worden verwisseld.

1. Schakel de gazontrekker uit en trek de con-

2. Druk het rempedaal (03/1) geheel in en blok-

keer het met de vaststelhendel (03/2).

3. Beveilig de gazontrekker met wielblokken te-

gen wegrollen. Leg de blokken onder de kant die niet wordt opgetild.

4. Til de gazontrekker met een geschikt hijs-

werktuig (bijv. hijswerktuig voor schaarwa- gens) aan die kant op waar het wiel moet worden verwisseld. Til de trekker zo ver op tot het wiel dat moet worden verwisseld vrij kan ronddraaien. Let op! Kans op schade aan het apparaat. Zorg er bij het optillen voor dat er geen trek- kerelementen worden gebogen. Gebruik het hijswerktuig enkel voor stabiele metalen on- derdelen.

5. Bevestig de gazontrekker aan een dragend

element van het onderstel met een stabiele ondergrond (bijv. houtenblokken) zodat deze, ook wanneer het hijswerktuig wegglijdt of kantelt, niet omlaag kan zakken.

6. Trek de beschermkap (09/1) eraf.

7. Druk de borgring (09/2) met een schroeven-

draaier naar beneden. Zorg ervoor dat deze niet verloren gaat.

8. Trek het onderlegplaatje (09/3) los.

9. Trek het wiel van de as.

Opmerking:Verlies de verstelveer niet wan- neer u de achterwielen van de as trekt!

10. Reinig de as en de boring in het wiel en vet

deze beide in met universeel vet alvorens op- nieuw te monteren.

11. Steek het wiel op de as.

Opmerking:Bij het opsteken van de achter- wielen moeten de moeren van de verstelve- ren en van het achterwiel zo tegenover el-NL

Onderhoud kaar staan dat de verstelveren er moeiteloos kunnen worden ingeschoven.

12. Steek de onderlegring op de as.

13. Druk de borgring in de moer op de as. Wan-

neer u hiervoor eventueel een tang gebruikt, let erop dat u de as niet beschadigt met de tang.

14. Steek de beschermkap op de as.

15. Verwijder de bevestigingsondergrond en laat

de trekker voorzichtig met het hijswerktuig op de vloer dalen.

De leveromvang van de gazontrekker omvat geen oplader voor de startbatterij. Precieze batterijnaam: zie batterijbak. De start- batterij bevindt zich onder de motorkap. In principe is de startbatterij af fabriek opgeladen. Veiligheidsinstructies WAARSCHUWING! Gevaar door verkeerde omgang met de startbatterij! Neem de volgende punten in acht om gevaren te vermijden die kunnen ont- staan door foutieve omgang met de bat- terij!

De startbatterij mag niet in de buurt van open vuur worden opgeslagen of verbrand of op een verwarming worden gelegd. Er bestaat explosiegevaar.

Bewaar de startbatterij tijdens de winter in een koele, droge ruimte (10 - 15 °C). Tempe- raturen onder het vriespunt moeten verme- den worden tijdens de opslag.

Laat de startbatterij niet gedurende een lan- gere tijd ongeladen. Wanneer de startbatterij gedurende langere tijd niet werd gebruikt, moet deze met een geschikt apparaat wor- den opgeladen.

Vernietig de startbatterij niet. De elektrolyt (zwavelzuur) veroorzaakt brandwonden op de huid en verbranding van de bekleding - was onmiddellijk uit met veel water.

Houd de startbatterij schoon. Wis enkel af met een droge doek. Gebruik daarvoor geen water, benzine, verdunningsmiddel of derge- lijke!

Houd de aansluitpolen schoon en vet in met poolvet.

Sluit de aansluitpolen niet kort. De startbatterij opladen De oplading is vereist:

Voor opslag tijdens de winterpauze.

Bij langere stilstand van het apparaat (langer dan 3 maanden). WAARSCHUWING! Gevaar door foutief opladen van de startbatterij! De laadstroom van de oplader mag niet hoger zijn dan 5A en de laadspanning mag max. 14,4V bedragen. Bij hogere laadspanning bestaat explosiegevaar van de startbatterij! Trek bij werkzaamheden aan de batterij altijd de contactsleutel uit. Wij adviseren om deze onderhoudsvrije en gas- dichte startbatterij met een speciaal daarvoor ge- schikte oplader op te laden (verkrijgbaar bij de vakhandelaar). Lees vóór het opladen van de startbatterij de ge- bruikershandleiding van de fabrikant van de opla- der. VOORZICHTIG! Risico op kortsluiting! Sluit altijd als eerste de minkabel (-) aan de batterij af en klem deze als laatste weer aan om kortsluiting te vermijden! Trek bij werkzaamheden aan de batterij altijd de contactsleutel uit!

1. Trek de contactsleutel uit (01/3).

2. Open de motorkap.

3. Verbind de klemmen van de oplader met de

aansluitpolen van de batterij. OPMERKING Let op de polariteit:

4. Verbind de oplader met het stroomnet en

Om de trekker tijdens de winter te gebruiken en voor het vervangen van de aandrijfriem moet de maaier worden gedemonteerd.

1. Draai het stuur volledig naar links (14).

2. Draai de cilinderschroef (15) van de schacht-

houder 5-6 omwentelingen los.61 Opslag

3. Laat de maaier zakken tot op de laagste in-

4. Hang de trekveer aan de maaier (17).

5. Plaats de maaier opnieuw helemaal naar bo-

6. Hang het aandrijfriemkanaal op (19).

7. Hang de aandrijfriem van de aandrijfriem-

schijf van de motor op (20).

8. Laat de maaier opnieuw zakken tot op de

diepste instelling (21).

9. Verwijder de 4 beveiligingspennen aan de

beugels van de maaier (22).

10. Neem de beugel over de bouten af (22).

11. Trek de maaier aan de rechterzijde - gezien

in de rijrichting - zijwaarts naar buiten.

10.6 V-snaar vervangen

Neem voor het vervangen van de V-snaar con- tact op met een geautoriseerde dealer. 11 OPSLAG De gazontrekker moet worden bewaard op een plaats waar deze beschermd is tegen weersin- vloeden, vooral tegen vochtigheid, regen en lan- gere directe blootstelling aan zonnestralen. Sla de gazontrekker nooit met brandstof in de tank binnen in een gebouw op waar de brand- stofdampen mogelijk in contact kunnen komen met open vuur of vonken. Bewaar de gazontrek- ker enkel in ruimtes die geschikt zijn voor het be- waren van motorvoertuigen. Bewaar de gazontrekker tijdens langere opslag, zoals overwintering, niet met volle brandstoftank indien mogelijk. De brandstof kan verdampen. Voor lange opslag moet de brandstof uit de tank en de carburateur worden afgelaten om afzetting en daardoor startmoeilijkheden te voorkomen. Raadpleeg hiervoor uw erkende reparatiewerk- plaats.

12 HULP BIJ STORINGEN

VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel ver- oorzaken.

Draag bij onderhouds- en reinigings- werkzaamheden altijd beschermen- de handschoenen! OPMERKING Neem contact op met onze klantenser- vice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt op- lossen. Storing Oorzaak Oplossing Motor slaat niet aan. Brandstoftekort. Tank vullen; tankontluchting controle- ren; brandstoffilter controleren. Slechte, vervuilde brandstof, oude brandstof in de tank. Gebruik altijd verse brandstof uit schone containers; carburateur reinigen (werk- plaats van de klantenservice). Luchtfilter vervuild. Luchtfilter reinigen (zie gebruiksaanwij- zing van de motorfabrikant). Geen ontstekingsvonk. Bougie reinigen, evt. een nieuwe plaat- sen, ontstekingskabels controleren, ont- stekingssysteem controleren (werk- plaats van de klantenservice). Te veel brandstof in de mo- torverbrandingsruimte door meerdere startpogingen. Bougie losdraaien en afdrogen. Starter werkt niet. Lege of zwakke startaccu. Startaccu opladen. Veiligheidsschakelaar op be- stuurdersstoel werkt niet. Correct op de bestuurdersstoel plaats- nemen; schakelaar defect.NL

Hulp bij storingen Storing Oorzaak Oplossing Veiligheidsschakelaar op rempedaal werkt niet. Rempedaal volledig indrukken. Maaier ingeschakeld. Maaier uitschakelen. Zekering aan (+) kabel van de startaccu. Zekering controleren, indien nodig ver- vangen. Motorvermogen is onvol- doende. Te hoog of te vochtig gras. Maaihoogte corrigeren; vrije ruimte voor het maaiwerk creëren door kort achter- uit te rijden. Luchtfilter vervuild. Luchtfilter reinigen (zie gebruiksaanwij- zing van de motorfabrikant). Instelling carburateur klopt niet. Instelling laten controleren (werkplaats van de klantenservice). Messen sterk versleten. Messen vervangen (werkplaats van de klantenservice). Rijsnelheid te hoog. Rijsnelheid verlagen. Gazontrekker trilt sterk. Maaier is beschadigd. Maaier controleren (werkplaats van de klantenservice). Gazontrekker vertrekt niet. Bij hydrostaat (pedaalbedie- ning): geen wielaandrijving. Bypass-hendel op bedrijfsstand zetten. Onzuivere knip. Messen versleten, onscherp. Messen vervangen of naslijpen. Bij ge- slepen messen uitbalanceren (werk- plaats van de klantenservice)! Foute maaihoogte. Maaihoogte corrigeren. Te laag motortoerental. Maximaal motortoerental instellen. Rijsnelheid te hoog. Rijsnelheid verlagen. Verschillende bandendruk op de wielen. Tot juiste bandendruk oppompen. Cor- recte bandendruk op wielen aflezen. Aandrijving, rem, koppe- ling en maaier. Uitsluitend laten controleren door een werkplaats met klantenservice!63 Garantie 13 GARANTIE Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefou- ten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door le- vering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft. Onze garantie geldt alleen bij:

naleving van deze gebruikershandleiding

Gebruik van originele reserveonderdelen De garantie vervalt bij:

Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen

Eigenhandig aangebrachte technische wijzi- gingen

Gebruik voor andere doeleinden dan het ge- bruiksdoel Van de garantie zijn uitgesloten:

lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik

Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aangeduid

Verbrandingsmotoren (hierop zijn de garantiebepalingen van toepassing van de betreffende mo- torfabrikant) De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de da- tum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.FR

3. Iedarbiniet motoru.

1. Iedarbiniet motoru.

par 5-6 apgriezieniem.