MM 13 - Multimeter BENNING - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MM 13 BENNING in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MM 13 BENNING
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MM 13 - BENNING en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MM 13 van het merk BENNING.
GEBRUIKSAANWIJZING MM 13 BENNING
Gebruiksaanwijzing BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3 Digitale multimeter voor het meten van - Gelijkspanning - Wisselspanning - Gelijkstroom ( BENNING MM 1-2/ 1-3) - Wisselstroom ( BENNING MM 1-2/ 1-3) - Weerstand - Dioden - Stroomdoorgang - Capaciteit ( BENNING MM 1-2/ 1-3) - Frequentie ( BENNING MM 1-2/ 1-3) - Temperatuur ( BENNING MM 1-3) Inhoudsopgave:
1. Gebruiksaanwijzing
2. Veiligheidsvoorschriften
3. Leveringsvoorschriften
4. Artikelbeschrijving
5. Algemene kenmerken
6. Gebruiksvoorschriften
10. Gebruik van de uitklapbare standaard en het ophangoogje
11. Technische gegevens van de meettoebehoren
1. Gebruiksaanwijzing
Deze gebruiksaanwijzing is bedoeld voor - elektriciens en - elektrotechnici De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 is bedoeld voor metingen in droge ruimtes en mag niet worden gebruikt in elektrische circuits met een nominale span- ning hoger dan 1000 V DC en 750 V AC (zie ook hoofdstuk 6. "Gebruiksvoor- schriften”). In de gebruiksaanwijzing en op de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 worden de volgende symbolen gebruikt.
Waarschuwing voor gevaarlijke spanning! Verwijst naar voorschriften die in acht genomen moeten worden om gevaar voor de omgeving te vermijden.
Let op de gebruiksaanwijzing! Dit symbool geeft aan dat de aanwijzingen in de handleiding in acht genomen moeten worden om gevaar te voorkomen.
Dit symbool geeft aan dat de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 dubbel geïsoleerd is (beschermingsklasse II). Dit symbool op de BENNING 1-2/ 1-3 duidt op de ingebouwde zekering. Dit symbool verschijnt in het scherm bij een te lage batterijspanning. Dit symbool geeft de instelling weer van “diodecontrole”. Dit symbool geeft de instelling “doorgangstest” aan. De zoemer geeft bij doorgang een akoestisch signaal. Dit symbool geeft de instelling weer van “capaciteitsmeting”. DC: gelijkspanning/ -stroom
2. Veiligheidsvoorschriften
Dit apparaat is vervaardigd en getest volgens de voorschriften: DIN VDE 0411 deel 1/ EN 61010-1 en heeft, vanuit een veiligheidstechnisch oogpunt, de fabriek verlaten in een perfecte staat. Om deze staat te handhaven en om zeker te zijn van gebruik zonder gevaar, dient de gebruiker goed te letten op de aanwijzingen en waarschuwingen zoals aangegeven in deze gebruiksaanwijzing.
De BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3 mag alleen worden gebruikt in elektrische circuits van overspanningscategorie II met max. 1000 V ten opzichte van aarde of overspanningscategorie III met 600 V ten opzichte van aarde. Bedenk dat werken aan installaties of onderdelen die onder spanning staan, in principe altijd gevaar kan opleveren. Zelfs spanningen vanaf 30 V AC en 60 V DC kunnen voor mensen al levensgevaarlijk zijn.
Elke keer, voordat het apparaat in gebruik wordt genomen, moet het worden gecontroleerd op beschadigingen. Ook de veiligheidsmeetsnoeren moeten gecontroleerd te worden. Bij constatering dat het apparaat niet meer zonder gevaar kan worden gebruikt, mag het dan ook niet meer worden ingezet, maar zodanig worden opgeborgen dat het, ook niet bij toeval, niet meer gebruikt kan worden. Ga ervan uit dat gebruik van het apparaat zonder gevaar niet meer mogelijk is:
bij zichtbare schade aan de behuizing en/ of meetsnoeren van het apparaat - als het apparaat niet meer (goed) werkt - na langdurige opslag onder ongunstige omstandigheden - na zware belasting of mogelijke schade ten gevolge van transport of onoordeelkundig gebruik.
Om gevaar te vermijden ‑ mogen de blanke meetpennen van de veiligheidsmeets‑ noeren niet worden aangeraakt ‑ moeten de meetsnoeren op de juiste contactbussen van de multimeter worden aangesloten.
3. Leveringsvoorschriften
Bij de levering van de BENNING MM 1-1/1-2/1-3 behoren:
3.1 één BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3
3.2 één veiligheidsmeetsnoer, rood (L = 1,4 m, puntdia 4 mm)
3.3 één veiligheidsmeetsnoer, zwart (L = 1,4 m, puntdia 4 mm)
3.4 één meetadapter met temperatuursensor type K (BENNING MM 1-3)
3.5 één rubberen beschermhoes
3.6 één compactbeschermingsetui
3.7 twee ingebouwde 1,5 V micro batterijen
3.8 één ingebouwde zekering ( BENNING MM 1-2/ 1-3)
3.9 één gebruiksaanwijzing
Opmerking t.a.v. aan slijtage onderhevige onderdelen: - de BENNING MM 1-1/1-2/1-3 wordt gevoed door twee ingebouwde 1,5 V micro batterijen (IEC 6 LR 03) - de BENNING MM 1-2/ 1-3 heeft een zekering voor bescherming tegen overbelasting: 1 zekering voor nominale stroom van 10 A snel (600 V), 50 kA (Art.Nr. 748263) - de bovengenoemde veiligheidsmeetsnoeren ATL-2 (gekeurd onderdeel) voldoen aan CAT III 1000 V en zijn toegestaan voor een stroom van 10 A.
4. Artikelbeschrijving
Zie g. 1a, 1b, 1c: voorzijde van het apparaat. Hieronder volgt een beschrijving van de in g. 1a, 1b en 1c aangegeven informatie- en bedieningselementen. Digitaal display voor het aflezen van gemeten waarde en de aanduiding indien meting buiten bereik van het toestel valt. Aanduiding polariteit. Symbool voor lege batterijen. MAX/MIN‑toets voor opslag in het geheugen van de hoogste en laagste meetwaarde ( BENNING MM 1-2/ 1-3). 5 VoltSensor‑toets voor het vaststellen van de AC-spanning t.o.v. aarde. 11/ 2007 BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑398
RANGE‑toets voor omschakeling van het meetbereik (automatisch / handmatig instelbaar. HOLD‑toets voor opslag in het geheugen van de weergegeven meetwaarde. 8 Draaischakelaar voor functiekeuze. 9 Contactbus (positief
) voor V, Ω, , Hz, J COM‑contactbus, gezamenlijke contactbus voor stroom-, spannings-, weerstands-, frequentie-, temperatuur- en capaciteitsmetingen, doorgangs- en diodentest. K Contactbus (positief
) voor A-bereik, voor stroom tot 10 A ( BENNING MM 1-2/ 1-3). L Ophangoogje. M LED voor spanningsindicator
) betreft automatische polariteitaanduiding voor gelijkstroom en -spanning.
5. Algemene kenmerken
5.1 Algemene gegevens van de multimeter
5.1.1 De numerieke waarden zijn op een display (LCD) af te lezen met 3½
cijfers van 16 mm. hoog, met een komma voor de decimalen. De grootst mogelijk af te lezen waarde is 2000.
5.1.2 De polariteitaanduiding werkt automatisch. Er wordt slechts één pool
t.o.v. de contactbussen aangeduid met „-“.
5.1.3 Metingen buiten het bereik van de meter worden aangeduid met „OL“ of
„-OL“, alsmede gedeeltelijk met een akoestisch signaal. NB: Geen aanduiding of waarschuwing bij overbelasting!
5.1.4 De MAX/MIN-functie bepaalt automatisch de hoogste en de laagste
gemeten waarde. Het meetbereik, indien nodig, door “RANGE”- toets voorkiezen. Door op de knop te drukken worden de volgende meetwaardes weergegeven: „MAX“ geeft de hoogst en “MIN” de laagst gemeten en opgeslagen waarde aan. De voortdurende registratie van de MAX/MIN-waarde kan gestopt resp. gestart worden door het indrukken van de „HOLD“- toets . Door de MAX/MIN-toets langer in te drukken (1 sec.) wordt de normale status terug geschakeld.
5.1.5 Met de “RANGE”-toets kan het meetbereik handmatig worden
ingesteld waarbij tegelijkertijd het symbool “AUTO” in het display wordt uitgeschakeld. Door de toets langer ingedrukt te houden (1 sec.) wordt de automatische bereikkeuze ingesteld (aanduiding “AUTO” in diplay).
5.1.6 Opslaan van een gemeten waarde in het geheugen: „HOLD“. Door het
indrukken van de toets „HOLD“ wordt de gemeten waarde in het geheugen opgeslagen. Tegelijkertijd verschijnt het symbool „HOLD“ in het display. Door de toets opnieuw in te drukken wordt teruggeschakeld naar de meetstatus.
5.1.7 Het meetpercentage van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 bedraagt
nominaal 2 metingen per seconde voor de digitaal aanduiding.
5.1.8 De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 wordt door de draaischakelaar 8 in- of
uitgeschakeld. Uitschakelstand is “OFF”.
De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 schakelt zichzelf na ca. 10 minuten automatisch uit. (APO, Auto-Power-Off). Hij wordt weer ingeschakeld door een willekeurige toets in te drukken of door bediening van de schakelaar. Een zoemer waarschuwt voor de automatische uitschakeling. Deze automatische uitschakeling kunt u deactiveren door de toets „RANGE“ in te drukken en gelijktijdig de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 vanuit de „OFF“- stand in te schakelen.
5.1.10 De temperatuurcoëfficiënt van de gemeten waarde: 0,15 x (aangegeven
nauwkeurigheid van de gemeten waarde)/ °C < 18 °C of > 28 °C, t.o.v. de waarde bij een referentietemperatuur van 23 °C.
5.1.11 De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 wordt gevoed door twee micro batterijen
van 1,5 V (IEC 6 LR 03).
5.1.12 Indien de batterijen onder de minimaal benodigde spanning van de
BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 dalen, verschijnt in het scherm het batterijsymbool .
5.1.13 De levensduur van een batterij (alkaline) bedraagt ongeveer 250 uur.
5.1.14 Afmetingen: (l x b x h) = 156 x 74 x 44 mm.
Gewicht = 320 gram met beschermingshoes en batterijen.
5.1.15 De veiligheidsmeetsnoeren zijn uitgevoerd in een 4 mm. stekertechniek.
De meegeleverde veiligheidsmeetsnoeren zijn alleen voor de nominale spanning en stroom van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 geschikt.
5.1.16 De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 kan door een uitklapbare steun
neergezet of aan het oogje opgehangen worden.
5.1.17 De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 heeft aan de bovenzijde een
6. Gebruiksomstandigheden
- De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 is bedoeld om gebruikt te worden voor metingen in droge ruimtes. - Barometrische hoogte bij metingen: 2000 m. maximaal. - Categorie van overbelasting/ installatie: IEC 60664-1/ IEC 61010-1 → 600 V categorie III; 1000 V categorie II. - Beschermingsgraad stofindringing: 2 - Beschermingsgraad: IP 30 (DIN VDE 0470-1 IEC/ EN 60529), Betekenis IP 30: Het eerste cijfer (3); bescherming tegen stof en vuil > 2,5 mm in doorsnede. Het tweede cijfer (0); niet beschermd tegen water. - Werktemperatuur en relatieve luchtvochtigheid: Bij een werktemperatuur van 0 °C tot 30 °C: relatieve luchtvochtigheid < 80 %. Bij een werktemperatuur van 31 °C tot 40 °C: relatieve luchtvochtigheid < 75 %. Bij een werktemperatuur van 41 °C tot 50 °C: relatieve luchtvochtigheid < 45 %. - Opslagtemperatuur: de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 kan worden opgeslagen bij temperaturen van -15 °C tot +60 °C (luchtvochtigheid 0 - 80 %. Daarbij dienen wel de batterijen te worden verwijderd.
7. Elektrische gegevens
Opmerking: de nauwkeurigheid van de meting wordt aangegeven als som van: - een relatief deel van de meetwaarde - een aantal digits. Deze nauwkeurigheid geldt bij temperaturen van 18 °C tot 28 °C bij een relatieve luchtvochtigheid < 80 %.
7.1 Meetbereik voor gelijkspanning
De ingangsweerstand bedraagt 10 MΩ. Meetbereik
7.2 Meetbereik voor wisselspanning
De ingangsweerstand bedraagt 10 MΩ parallel aan 100 pF. Meetbereik
bij 50 Hz - 300 Hz Beveiliging tegen overbelasting 200 mV 100 µV ± (2,0 % meetwaarde + 5 digits)
750 V eff bij 50 Hz - 500 Hz 20 V 10 mV ± (1,5 % meetwaarde + 5 digits)
750 V eff De meetwaarde van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 wordt door detectie van de gemiddelde waarde verkregen en als effectieve waarde weergegeven.
De meetnauwkeurigheid is gespecificeerd voor een sinus curvenvorm. Bij niet sinusvormige curvenvorm wordt de aanduidingswaarde minder nauwkeurig. Zo ontstaat er voor de volgende crestfactoren een toegestane foutmarge: Crest-factor van 1,4 tot 3,0 toegestane foutmarge ± 1,5 % Crest-factor van 3,0 tot 4,0 toegestane foutmarge ± 3 %
Geldig voor sinusvorm 50 Hz/ 60 Hz
Bij de automatische keuzebereik (AUTO) kan het omschakelpunt al bij een waarde van 1400 liggen!
7.3 Meetbereik voor gelijkstroom ( BENNING MM 1-2/ 1-3)
7.4 Meetbereik voor wisselstroom ( BENNING MM 1-2/ 1-3)
Beveiliging tegen overbelasting: - 10 A (600 V)-zekering, sneel, 50 kA, aan 10 A ingang ( BENNING MM 1-2/ 1-3) Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid v/d meting
bij 50 Hz - 500 Hz Afvalspanning 2 A 1 mA + (1,5 % meetwaarde + 5 digits) 2 V max. 10 A
10 mA ± (1,5 % meetwaarde + 5 digits) 2 V max. De meetwaarde wordt door detectie van de gemiddelde waarde verkregen en als effectieve waarde weergegeven.
De meetnauwkeurigheid is gespecificeerd voor een sinus curvenvorm. Bij niet sinusvormige curvenvorm wordt de aanduidingswaarde minder nauwkeurig. Zo ontstaat er voor de volgende crestfactoren een toegestane foutmarge: Crest-factor van 1,4 tot 3,0 toegestane foutmarge ± 1,5 % Crest-factor van 3,0 tot 4,0 toegestane foutmarge ± 3 %
Vanaf stroomwaarden ≥ 7 A is de maximaal toegestane inschakeltijd gelimiteerd. Meetwaarde Maximale meettijd Minimum pauzetijd 10 A 4 min. 10 min. 9 A 5 min. 10 min. 8 A 7 min. 10 min. 7 A 10 min. 10 min.
7.5 Meetbereik voor weerstanden
Beveiliging tegen overbelasting bij weerstandsmetingen: 600V eff Meetbereik
Bij automatische bereikskeuze (AUTO) kan het omschakelpunt al bij een waarde van 1400 liggen!
7.6 Dioden‑ en doorgangstest
De aangegeven nauwkeuringheid vna de meting geldt voor een breik tussen 0,4 V en 0,8 V. Beveiliging tegen overbelasting bij diodencontrole: 600V eff
De ingebouwde zoemer klinkt bij een weerstand R < 25 Ω. Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid v/d meting Max. meetstroom Max. nullast- spanning 10 mV
Voorwaarden: condensatoren ontladen en de meetpennen overeenkomstig de polariteit aanleggen. Beveiliging tegen overbelasting bij capaciteitsmetingen: 600 V eff
Beveiliging tegen overbelasting bij frequentiemetingen: 600 V eff
Een temperatuurmeting ( BENNING MM 1-3) is alleen met bijgevoegde temperatuuradapter mogelijk. Beveiliging tegen overbelasting bij temperatuurmetingen: 600 V eff
Temperatuurbereik °F ( BENNING MM 1-3) Een temperatuurmeting ( BENNING MM 1-3) is alleen met bijgevoegde temperatuuradapter mogelijk. Beveiliging tegen overbelasting bij temperatuurmetingen: 600 V eff
8. Meten met de BENNING MM 1‑1/1‑2/1‑3
8.1 Voorbereiding van de metingen
Gebruik en bewaar de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 uitsluitend bij de aangegeven werk- en opslagtemperaturen. Niet blootstellen aan direct zonlicht. - Controleer de gegevens op de veiligheidsmeetsnoeren ten aanzien van nominale spanning en stroom. Origineel met de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 meegeleverde snoersets voldoen aan de te stellen eisen. - Controleer de isolatie van de veiligheidsmeetsnoeren. Beschadigde meetsnoeren direct verwijderen. - Veiligheidsmeetsnoeren testen op correcte doorgang. Indien de ader in het snoer onderbroken is, het meetsnoer direct verwijderen. - Voordat met de draaischakelaar 8 een andere functie gekozen wordt, dienen de meetsnoeren van het meetpunt te worden afgenomen. - Storingsbronnen in de omgeving van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 kunnen leiden tot instabiele aanduiding en/of meetfouten.
Let op de maximale spanning t.o.v. aarde! Gevaarlijke spanning!! De hoogste spanning die aan de contactbussen - COM-bus J - Bus voor V, Ω, , Hz 9 - Bus voor 10 A-bereik K ( BENNING MM 1-2/ 1-3) van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 ligt t.o.v. aarde, mag maximaal 1000 V bedragen.
Gevaarlijke spanning!! Spanningen in het circuit bij stroommeting max. 500 V. Bij smelten van de zekering boven 500 V kan het apparaat be‑ schadigd worden. Een beschadigd apparaat kan onder span‑ ning komen te staan. 11/ 2007 BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3102
- Kies met de draaiknop 8 van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 de gewenste instelling (V AC) of (V DC). - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus J van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit en lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. Zie g. 2: meten van gelijkspanning. Zie g. 3: meten van wisselspanning.
8.2.2 Stroommeting (BENNING MM 1-2/ 1-3)
- Kies met de draaiknop 8 van de BENNING MM 1-2/ 1-3 de gewenste instelling (A AC) of (A DC). - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus J van de BENNING MM 1-2/1-3. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 resp. met de contactbus voor de 10 A-bereik K (gelijk- of wisselstroom tot 10 A) van de BENNING MM 1-2/ 1-3 - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit en lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING MM 1-2/ 1-3. Zie g. 4: meten van gelijkstroom. ( BENNING MM 1-2/ 1-3) Zie g. 5: meten van wisselstroom. ( BENNING MM 1-2/ 1-3)
8.3 Weerstandsmeting
- Kies met de draaiknop 8 van de BENNING MM 1-1/1-2/1-3 de gewenste instelling (Ω). - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus J van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit en lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. Zie g. 6: weerstandmeting
- Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling ( ) van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus J van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de aansluitpunten van de diode en lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Voor een normale, in stroomrichting gemonteerde Si-diode wordt een stroomspanning tussen 0,400 V tot 0,900 V aangegeven. De aanduiding “000” wijst op een kortsluiting in de diode, de aanduiding “OL” geeft een onderbreking in de diode aan. - Bij een in sperrichting gemonteerde diode wordt ”OL” aangegeven. Bij een defecte diode wordt “000” of een andere waarde aangegeven. Zie g. 7: diodecontrole
8.5 Doorgangstest met akoestisch signaal
- Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling ( ) van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus J van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren aan de meetpunten van het circuit. Indien de gemeten weerstand in het circuit tussen de COM- contactbus J en de contactbus voor V, Ω, , Hz 9 25 Ω kleiner is, wordt een akoestisch signaal afgegeven. Zie g. 8: doorgangstest met zoemer. 11/ 2007 BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3103
Voor capaciteitsmetingen dienen de condensatoren volledig ontladen te zijn! Er mag nooit spanning gezet worden op de contactbussen voor capaciteitsmeting. Het apparaat kan daar‑ door beschadigd worden of defect raken! Een beschadigd ap‑ paraat kan spanningsgevaar opleveren! - Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling ( ) van de BENNING MM 1-2/ 1-3. - Stel de polariteit vast van de condensator en ontlaad de condensator. - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus J van de BENNING MM 1-2/ 1-3. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 van de BENNING MM 1-2/ 1-3. - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren overéénkomstig polariteit aan het ontladen van de condensator en lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING MM 1-2/ 1-3. Zie. g. 9: capaciteitsmeting.
8.7 Frequentiemeting ( BENNING MM 1-2/ 1-3)
- Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling (Hz) van de BENNING MM 1-2/ 1-3. - Het zwarte veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de COM-contactbus J van de BENNING MM 1-2/ 1-3. - Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 van de BENNING MM 1-2/ 1-3. Let op de minimale gevoeligheid voor frequentiemetingen met de BENNING MM 1-2/ 1-3! - Leg de meetpennen van de veiligheidsmeetsnoeren overéénkomstig polariteit aan het ontladen van de condensator en lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING MM 1-2/ 1-3. Zie g. 10: frequentiemeting.
8.8 Temperatuurmeting ( BENNING MM 1-3)
- Kies met de draaiknop 8 de gewenste instelling (°C of °F) van de BENNING MM 1-3. - De temperatuuradapter met de temperatuur-meetsnoer overeenkomstig polariteit inpluggen in de COM-contactbus (-) J en de contactbus V, Ω, , Hz (+) 9
- Het einde van de temperatuur-meetsnoer in het bereik van de te observeren warmtebron rangschikken. Lees de gemeten waarde af in het display van de BENNING MM 1-3. Zie g. 11: temperatuurmeting
8.9 Spanningsindicator
De spanningsindicatorfunctie is vanuit alle posities van de draaiknop mogelijk. Bij de spanningindicator zijn geen meetsnoeren nodig (contactloze registratie van een wisselveld). Aan de bovenkant achter het LED bevind zich de opnamesensor. Bij het in werking stellen van de “VoltSensor”-toets 5 dooft de verlichting in het display (foutief ingeschakeld). Indien er een fasenspanning gelokaliseerd wordt, wordt er een akoestisch en rood ledsignaal Mafgegeven. Alleen in het geaarde wisselstroomnet verschijnt een melding! Met een één-polig meetsnoer kan ook de fase vastgesteld worden. Praktijktip: onderbrekingen (kabelbruggen) in openliggende kabels, bijv. kabelhaspels, lichtslang, etc. zijn van de voedingsbron (fase) tot de onderbrekingsplek te volgen. Functiebereik: ≥ 230 V Zie g. 12: spanningsindicator met zoemer
- Het rode veiligheidsmeetsnoer inpluggen in de contactbus V, Ω, , Hz 9 van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Het veiligheidsmeetsnoer inpluggen met het meetpunt en de toets 5 (“VoltSensor”) in werking stellen.
Het oplichten van het rode led en het weerklinken van een akoestisch signaal betekent dat dit meetpunt de fase van een geaarde wisselspanning is.
De BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3 mag nooit onder spanning staan als het apparaat geopend wordt! Gevaarlijke spanning! 11/ 2007 BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3104
Werken aan een onder spanning staande BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 mag uitsluitend gebeuren door elektrotechnische specialisten, die daarbij de nodige voorzorgsmaatregelen dienen te treffen om ongevallen te voor‑ komen. Maak de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 dan ook spanningsvrij alvorens het apparaat te openen. - Ontkoppel eerst beide veiligheidsmeetsnoeren van het te meten object. - Ontkoppel daarna de beide veiligheidsmeetsnoeren van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Zet de draaischakelaar 8 in de positie „Off“.
9.1 Veiligheidsstelling van het apparaat
Onder bepaalde omstandigheden kan de veiligheid tijdens het werken met de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 niet meer worden gegarandeerd, bijvoorbeeld in geval van: - zichtbare schade aan de behuizing. - meetfouten. - waarneembare gevolgen van langdurige opslag onder verkeerde omstandigheden. - waarneembare gevolgen van transportschade. In deze gevallen direct de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 uitschakelen en niet meer gebruiken.
Reinig de behuizing aan de buitenzijde uitsluitend met een schone, droge doek (speciale reinigingsdoeken uitgezonderd). Gebruik geen oplos- en/ of schuurmiddelen om de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 schoon te maken. Let er in het bijzonder op dat het batterijvak en de batterijcontacten niet vervuilen door uitlopende batterijen. Indien toch verontreiniging ontstaat door elektrolyt of zich zout afzet bij de batterijen en/of in de behuizing, dit eveneens verwijderen met een droge, schone doek.
9.3 Het vervangen van de batterijen
Vóór het openen van de BENNING MM 1‑1/1‑2/1‑3 moet het ap‑ paraat spanningsvrij zijn! Gevaarlijke spanning!! De BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 wordt gevoed door twee ingebouwde 1,5 V micro batterijen. Als het batterijsymbool op het display verschijnt, moeten de batterijen worden vervangen (zie afbeelding 13). De batterijen worden als volgt verwisseld: - Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van het te meten circuit. - Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3. - Zet de draaischakelaar 8 in de positie „OFF“. - Leg de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 op de voorzijde en draai de schroef met de sleufkop uit het deksel van het batterijvak. - Neem het deksel van het batterijvak uit de achterwand. - Neem de lege batterijen uit het batterijvak. - Leg de batterijen in de juiste richting in het batterijvak. - Klik het deksel weer op de achterwand en draai de schroef er weer in. Zie g. 13: vervanging van de batterijen.
Gooi batterijen niet weg met het gewone huisvuil, maar lever ze in op de bekende inzamelpunten. Zo levert u opnieuw een bijdrage aan een schoner milieu.
9.4 Het vervangen van de zekering. (BENNING MM 1-2/ 1-3)
Vóór het openen van de BENNING MM 1‑2/1‑3 moet het appa‑ raat spanningsvrij zijn! Gevaarlijke spanning!! De BENNING 1-2/ 1-3 wordt door een ingebouwde zekering 10 A (G- smeltpatroon) beschermd tegen oververhitting (zie g. 14). De zekering wordt als volgt verwisseld: - Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van het te meten circuit. - Ontkoppel de veiligheidsmeetsnoeren van de BENNING 1-2/ 1-3. - Zet de draaischakelaar 8 in de positie „OFF“. - Leg de BENNING 1-2/ 1-3 op de voorzijde en draai de schroef met de sleufkop uit het deksel van het batterijvak. - Neem het deksel van het batterijvak uit de achterwand. - Neem de lege batterijen uit het batterijvak. - Ontkoppel het ophangoogje L (met een kleine sleufschroevendraaier het klepje openen) aan de onderkant van de behuizing. 11/ 2007 BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3105
- Draai de 4 schroeven los van de behuizing
Geen schroeven losdraaien aan de gedrukte bedrading van de BENNING MM 1‑2/ 1‑3! - Neem de onderkant van de behuizing van bovenkant af. - Til het eind van de zekering op uit de zekeringhouder. - Schuif de defecte zekering in zijn geheel uit de zekeringhouder. - Plaats een nieuwe zekering met dezelfde nominale stroom, dezelfde uitschakelingkenmerk en dezelfde afmeting. - Plaats de nieuwe zekering voorzichtig in het midden van de zekeringhouder. - Plaats voorzichtig de behuizing terug. Let erop dat bij het sluiten van de behuizing de batterijveren in de behuizing in het vakje glijden! - Klik de onderkant van de behuizing vast aan de bovenkant en draai de 4 schroeven aan. - Klik het ophangoogje L weer vast aan de onderkant van de behuizing. - Leg de batterijen weer in de juiste richting in het batterijvak, sluit de batterijdeksel en draai de schroef aan. Zie g. 14: vervanging van de zekering.
Om de nauwkeurigheid van de metingen te waarborgen, is het aan te bevelen het apparaat jaarlijks door onze servicedienst te laten kalibreren. Benning Elektrotechnik & Elektronik GmbH & Co. KG Service Center Robert-Bosch-Str. 20 D - 46397 Bocholt
10. Gebruik van het ophangoogje
- U kunt de veiligheidsmeetsnoeren veilig opbergen als u de snoeren om het apparaat wikkelt en de uiteinden van de snoeren veilig aan het ophangoogje L klikt (zie fig. 15). - U de veiligheidsmeetsnoeren zo aan het ophangoogje L klikken dat de meetuiteinden vrijhangen, om zo de meetuiteinden samen met de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 naar een meetpunt te leiden. - Met de standaard aan de achterkant kunt u de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3 schuin neerzetten (vergemakkelijkt het aflezen) of op te hangen (zie fig. 16). - Ook met het ophangoogje L kunt u het apparaat ophangen. zie g. 15: opwikkelen van de veiligheidsmeetsnoeren zie g. 16: plaatsen van de BENNING MM 1-1/ 1-2/ 1-3
), doorgaans dubbel geïsoleerd of versterkte isolatie - Vervuilingsgraad: 2 - Lengte: 1,4 m, AWG 18, - Omgevingsvoorwaarden: metingen mogelijk tot maximaal 2000 m, temperatuur: 0 °C tot + 50 °C, vochtigheidsgraad 50 % tot 80 %, - Gebruik de veiligheidsmeetkabelset alleen indien ze in een goede staat is en volgens deze handleiding, anders kan de bescherming verminderd zijn. - Gebruik de veiligheidsmeetkabelset niet als de isolatie is beschadigd of als er een beschadiging/ onderbreking in de kabel of stekker is. - Raak tijdens de meting de blanke contactpennen niet aan. Alleen aan de handvaten vastpakken!
Steek de haakse aansluitingen in het te gebruiken BENNING meetapparaat.
Wij raden u aan het apparaat aan het einde van zijn nuttige levensduur, niet bij het gewone huisafval te deponeren, maar op de daarvoor bestemde adressen. 11/ 2007 BENNING MM 1‑1/ 1‑2/ 1‑3106
SimpelGids