GARMIN gWind Wireless - Anemometer

gWind Wireless - Anemometer GARMIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis gWind Wireless GARMIN in PDF-formaat.

📄 60 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice GARMIN gWind Wireless - page 26
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : GARMIN

Model : gWind Wireless

Categorie : Anemometer

Download de handleiding voor uw Anemometer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding gWind Wireless - GARMIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. gWind Wireless van het merk GARMIN.

GEBRUIKSAANWIJZING gWind Wireless GARMIN

Volte a colocar a tampa do compartimento da bateria no transdutor de vento. Especificações Especificação Valor Dimensões quando colocado (A×C) 345 mm (13,58 pol.) × 610 mm (24 pol.) Peso 350 g (12,35 oz.) Temperatura de funcionamento De -20° a 50 °C (-4° a 122 °F) Temperatura de armazenamento De 0° a 35 °C (32° a 95 °F) Classificação de resistência à água (transdutor de vento) IEC 60529 IPX-6 (protegido contra mares agitados) Classificação de resistência à água (WSI) IEC 60529 IPX-0 (sem proteção especial) Consumo energético (WSI e GND 10) 1,1 W Consumo típico de corrente a 12 Vcc (WSI e GND 10) 95 mA Intervalo de velocidade do vento De 0,9 a 90 nós (de 0,9 a 50 m/s) Instruções de Instalação 25gWind™ Wireless Installatie-instructies Belangrijke veiligheidsinformatie WAARSCHUWING Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke informatie. VOORZICHTIG Draag altijd een veiligheidsbril, oorbeschermers en een stofmasker tijdens het boren, zagen en schuren. Wees voorzichtig bij het werken op grote hoogte. Dit toestel levert draadloos gegevens over de windsnelheid en de windhoek aan een NMEA 2000 netwerk op uw boot. De windtransducer verzendt informatie naar een wireless server interface (WSI) box, die moet zijn verbonden met een GarminGND 10 black-box bridge om gegevens te verzenden naar een NMEA 2000 netwerk. Het toestel registreren Vul de onlineregistratie nog vandaag in, zodat wij u beter kunnen helpen.

  • Ga naar http://my.garmin.com.
  • Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een veilige plek. Batterijwaarschuwingen WAARSCHUWING Het niet opvolgen van deze richtlijnen kan tot gevolg hebben dat de levensduur van de batterij wordt verkort, of dat het risico ontstaat van schade aan het toestel, brand, chemische ontbranding, elektrolytische lekkage en/of letsel.
  • Haal het toestel of de batterijen niet uit elkaar, pas het toestel of de batterijen niet aan, prik er geen gaten in en beschadig het toestel of de batterijen niet.
  • Dompel het toestel of de batterijen niet onder in water of een andere vloeistof en stel niet bloot aan vuur, explosies of andere gevaren.
  • Gebruik nooit een scherp voorwerp om batterijen te verwijderen.
  • Bewaar batterijen buiten het bereik van kinderen.
  • Vervang batterijen alleen door vervangingsbatterijen van het juiste type. Gebruik van andere batterijen kan tot brand- en explosiegevaar leiden. Ga voor vervangingsbatterijen naar uw Garmin dealer of de Garmin website.
  • Gebruik het toestel alleen binnen het volgende temperatuurbereik: van -20° tot 50°C (van -4° tot 122°F).
  • Indien u het toestel gedurende langere tijd opbergt, doe dit dan binnen het volgende temperatuurbereik: van 0° tot 35°C (van 32° tot 95°F).
  • Neem volgens de plaatselijke regelgeving contact op met de afvalverwerker om het toestel/batterijen af te danken. De batterij plaatsen LET OP De juiste batterij wordt meegeleverd bij het toestel. Indien u een batterij plaatst die niet is meegeleverd of aangeschaft bij Garmin, kan het toestel beschadigd raken. Plaats de meegeleverde batterij voordat u het toestel bevestigt.

Open de batterijklep aan de achterkant van het toestel met een kruiskopschroevendraaier, nr. 2.

Sluit de connector van de batterij

aan op de poort op het bord aan de binnenzijde van het toestel

De connector kan op slechts een manier op de poort worden aangesloten. De poort kan beschadigd raken indien u probeert de connector met kracht aan te sluiten.

Leid de kabel van batterij door de behuizing van het toestel

en plaats de batterij onder het bord

Sluit de batterijklep. Zorg ervoor dat de kabel van de batterij niet klem komt te zitten. De propeller installeren

correct is uitgelijnd met de sleuf/ inkeping op de propeller. De mof op de propeller past maar op één manier op de schacht.

Druk op de propeller totdat deze vastzit op het toestel.

Breng de bevestigingsschroef

aan om de propeller stevig aan het toestel te bevestigen. Aandachtspunten bij de montage Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij het kiezen van een bevestigingslocatie voor de windtransducer.

  • De windtransducer dient te worden gemonteerd op een horizontaal oppervlak in de top van de mast

26 Installatie-instructies• Als er geen horizontaal oppervlak in de top van de mast aanwezig is, dient een geschikte aanpassing te worden gemaakt om een horizontaal oppervlak te creëren.

  • De windtransducer moet worden geïnstalleerd in de richting van de voorzijde van de boot

, parallel aan de middenlijn. OPMERKING: Als u het toestel niet exact naar de voorzijde van de boot richt, moet u de oriëntatie configureren om nauwkeurige windhoekgegevens te ontvangen (De richting aanpassen , pagina 28). Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij het kiezen van een bevestigingslocatie voor de wireless server interface (WSI).

  • Voordat u de WSI permanent bevestigt, moet u de signaalsterkte tussen de windtransducer en de WSI testen (De signaalsterkte testen, pagina 27).
  • De WSI is niet waterbestendig en moet worden geïnstalleerd op een locatie waar deze niet nat kan worden door onderdompeling, lekwater of spatwater.
  • De beste locatie voor de WSI is onder het dek, nabij de scheepswand, zo hoog mogelijk in de boot.
  • U dient de WSI zo dicht mogelijk bij de windtransducer te installeren.
  • Metalen objecten in het pad tussen de windtransducer en de WSI zullen de zendafstand aanzienlijk beperken.
  • De antenne bevindt zich boven op de WSI

, en werkt het beste wanneer deze in de richting van de windtransducer wijst.

  • De WSI werkt het beste bij installatie op een scheidingswand evenwijdig aan de paal van de windtransducer, in voor- achterrichting. De montagesteun installeren

Gebruik de montagesteun als sjabloon om de locaties te markeren die u wilt voorboren.

Gebruik een boor van 4,5 mm (

inch) om de gaatjes te boren.

Bevestig de montagesteun met de meegeleverde schroeven op het oppervlak. Het toestel in de montagesteun bevestigen

op het toestel met de hand tegen de klok in totdat de moer niet verder gaat.

Plaats het toestel in de montagesteun door het omlaag te drukken

en naar achteren te schuiven tot het niet verder gaat

Maak het toestel in de steun vast door de borgmoer met de hand met de klok mee te draaien totdat de moer niet verder gaat.

op het toestel om te voorkomen dat de borgmoer losraakt. Montage van de WSI Voordat u de WSI permanent bevestigt, moet u de signaalsterkte tussen de sensor en de ontvanger testen.

Gebruik het toestel als sjabloon en markeer de voorboorgaten op het montageoppervlak.

Gebruik een boor van

inch om de voorboorgaten te boren.

Gebruik de meegeleverde schroeven om het toestel op het montageoppervlak te bevestigen. De signaalsterkte testen Voordat u de WSI permanent kunt bevestigen, moet u de signaalsterkte tussen de windtransducer en de WSI testen.

U moet de WSI tijdelijk aansluiten op de GND 10.

Als deze nog niet is aangesloten, kunt u de GND 10 op hetzelfde NMEA 2000 netwerk aansluiten als een scheepsinstrument.

Ga naar een pagina op het scheepsinstrument waar de windgegevens worden getoond.

Selecteer een optie:

  • Als er geen windgegevens op het scheepsinstrument worden weergegeven, moet u de WSI naar een nieuwe locatie verplaatsen en stap 3 herhalen.
  • Als de windgegevens op het scheepsinstrument worden weergegeven, noteert u de locatie en bevestigt u de WSI permanent. Overwegingen bij aansluiten van WSI box LET OP Het wordt aanbevolen om de WSI box rechtstreeks aan te sluiten op een voeding van 12 V gelijkstroom. Het is verplicht om de box rechtstreeks aan te sluiten op een voeding van 12 V gelijkstroom als er andere eenheden zijn aangesloten op het Nexus netwerk of de WSI box. U moet de WSI box aansluiten op een Garmin GND 10 black- box bridge om te communiceren met het NMEA 2000 netwerk op uw boot. Houd rekening met de volgende punten wanneer u Installatie-instructies 27de meegeleverde kabel aansluit op de WSI box en de GND 10 bridge. Onderdeel Beschrijving

Deze aansluitpunten worden gebruikt om de WSI box met een voedingsbron te verbinden. Als u de WSI box in combinatie met andere Nexus producten wilt gebruiken, raadpleegt u de gebruikershand- leiding van het Nexus toestel.

Deze connector past op slechts één manier. Zorg dat de draadkleuren overeenkomen met de aansluitblokjes voordat u de connector aansluit.

Wordt verbonden met een van de NEXUS poorten op de GND 10 bridge. Onderdeel Beschrijving

NMEA 2000 netwerk De windtransducer configureren Voordat u de windtransducer kunt configureren, moet deze via een GND 10 worden aangesloten op een NMEA 2000 netwerk met een Garmin scheepsinstrument, zoals een GMI 20. Raadpleeg de gebruikershandleiding van het scheepsinstrument voor meer informatie over het configureren van NMEA 2000 toestellen.

Ga op het scheepsinstrument naar de NMEA 2000 instellingen.

Selecteer de naam van het toestel (GND 10) om het toestel te configureren. De richting aanpassen U dient deze instelling aan te passen als de sensor niet naar de voorzijde van de boot is gericht, exact parallel aan de middenlijn.

Selecteer op het scheepsinstrument, bij de NMEA 2000 instellingen, de toestelnaam (GND 10).

Bepaal de hoek, gemeten in graden met de klok mee rond de mast, waarop de sensor is weggericht van het midden van de voorzijde van de boot:

  • Als de sensor naar stuurboord is gericht, moet de hoek tussen 1 en 180 graden zijn.
  • Als de sensor naar bakboord is gericht, moet de hoek tussen 181 en 360 graden zijn.

Selecteer de hoek die u in stap 3 hebt bepaald.

Selecteer Gereed. Het windhoekfilter aanpassen U moet deze instelling aanpassen om de gevoeligheid van het scherm voor wijzigingen in de windrichting te wijzigen.

Selecteer op het scheepsinstrument, bij de NMEA 2000 instellingen, de toestelnaam (GND 10).

Selecteer een optie:

  • Selecteer Uit om het filter uit te schakelen en de gevoeligheid van het scherm voor wijzigingen in de windhoek zo groot mogelijk te maken.
  • Selecteer Aan en pas de waarde aan. Selecteer een hoger getal om de gevoeligheid van het scherm voor wijzigingen in de windhoek te vergroten, of selecteer een kleiner getal om de gevoeligheid te verkleinen.
  • Selecteer Auto om de filterinstellingen automatisch aan te passen op basis van de windomstandigheden.

Selecteer Gereed. Het windsnelheidsfilter aanpassen U moet deze instelling aanpassen om de gevoeligheid van het scherm voor wijzigingen in de windsnelheid te wijzigen.

Selecteer op het scheepsinstrument, bij de NMEA 2000 instellingen, de toestelnaam (GND 10).

Selecteer Filter windsnelheid.

Selecteer een optie:

  • Selecteer Uit om het filter uit te schakelen en de gevoeligheid van het scherm voor wijzigingen in de windsnelheid zo groot mogelijk te maken.
  • Selecteer Aan en pas de waarde aan. Selecteer een hoger getal om de gevoeligheid van het scherm voor wijzigingen in de windsnelheid te vergroten, of selecteer een kleiner getal om de gevoeligheid te verkleinen.
  • Selecteer Auto om de filterinstellingen automatisch aan te passen op basis van de windomstandigheden.

Selecteer Gereed. Onderhoud en opslag

  • Gebruik zo nodig een milde zeepoplossing om de windtransducer te reinigen, en spoel het toestel voorzichtig af met water. Gebruik geen reinigingsmiddelen of water onder hoge druk.
  • Het wordt aanbevolen om de windtransducer te verwijderen en op een droge locatie te bewaren als het toestel gedurende een langere periode niet wordt gebruikt.
  • Het wordt aanbevolen om de WSI te verwijderen en op een droge locatie te bewaren als het toestel gedurende een langere periode niet wordt gebruikt. 28 Installatie-instructies• Wanneer u de windtransducer opbergt, kunt u deze het beste bewaren op een plek waar het toestel is blootgesteld aan licht. Hierdoor blijft de batterij in het toestel opgeladen.
  • Als u de windtransducer op een donkere plek bewaart, verdient het aanbeveling om de batterij aan het begin van elk seizoen te vervangen. Vervangende batterijen zijn verkrijgbaar bij uw lokale Garmin dealer, of via www.garmin.com. De windtransducer koppelen met de WSI Voordat u de windtransducer kunt koppelen met de WSI, moet u een Garmin scheepsinstrument, zoals een GMI 20 aansluiten op hetzelfde NMEA 2000 netwerk als de GND 10. Deze windtransducer is in de fabriek gekoppeld met de WSI. U hoeft de windtransducer alleen met de WSI koppelen als u het toestel vervangt.

Verwijder het batterijklepje van de windtransducer.

Breng de windtransducer binnen 2 m (6 voet) afstand van de WSI en houd de witte knop op de printplaat ingedrukt totdat het lampje uitgaat. De oude koppelingsgegevens worden gewist uit de windtransducer.

Selecteer op het scheepsinstrument in de NMEA 2000 instellingen de GND 10.

Voer "UP" (UNPAIR = ontkoppelen) in en selecteer Gereed. De oude koppelingsgegevens worden gewist uit de WSI.

Breng de windtransducer binnen 2 m (6 voet) afstand van de WSI en druk op de witte knop op de printplaat, maar houd deze niet ingedrukt, en kijk naar het lampje.

  • Wanneer het lampje twee keer knippert en dan uitgaat, is de koppeling geslaagd.
  • Wanneer het lampje twee keer knippert en dan nog een keer knippert gedurende circa een seconde, dan is de koppeling mislukt. Breng het toestel dichter bij de WSI en herhaal deze stap totdat de koppeling slaagt.