XDC 180 HD - Grasmaaier Castelgarden - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis XDC 180 HD Castelgarden in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over XDC 180 HD Castelgarden
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding XDC 180 HD - Castelgarden en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. XDC 180 HD van het merk Castelgarden.
GEBRUIKSAANWIJZING XDC 180 HD Castelgarden
NL Grasmaier met zittende bediener
SNELLE GIDS VOOR GEBRUIK
LET OP: Vooraler de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
NO Sittegressklipper
HURTIGGUIDE FOR BRUK
ADVARSEL: les dette braksanvisingen noye for du bruker maskinen.
[13] Mechanische aandrijving (Indicatieve) voortbewegingssnelheid bij 3000 min-1
[14] Hydrostatische aandrijving (Indicatieve) voortbewegingssnelheid bij 3000 min-1
[15] Snelheidslimiet met sneeuwkettingen (indien dit toebehoren voorzien is)
[16] Afmetingen
[17] Lengte
[18] Lengte met zak (lengte zonder zak)
[19] Breedte
[20] Breedte met zichdelingse
aflaatdeflector(Breedte zonder zichdelingse aflaatdeflector)
[21] Hoogte
[22] Code snij-inrichting
[23] Vermogen van het brandstofreservoir
[24] Belastingslimiet voor trekinrichting (maximale verticale kracht)
[25] Belastingslimiet voor trekinrichting (maximaal gewicht dat getrokken kan worden)
[26] Maximaal toegestane helling
[27] Niveau geluidsdruk
[28] Meetonzekerheid
[29] Gemeten akoestisch vermogen
[30] Gewaarborgd akoestisch vermogen
[31] Niveau trillingen op de bestuurdersplaats
[32] Niveau trillingen aan het stuur
[33] Tabel voor de juiste combinatie van accessoires
[33.A] Accessoires achterzijde
[33.B] Accessoires voorzijde
[42] Optionele accessoires
[42.A1, 42.A2] Kit voor "mulching"
[42.B] Batterij-oplader voor behoud
[42.C] Kit tractie
[42.D] Afdekzeil
[42.E] Kit acheiterste aflaatbeveiliging (alleen voor MP-serie)
[42.F] Sneeuwkettingen (18")
[42.G] Modderwielen/sneeuwwielen (18")
[42.H] Aanhangwagen
[42.I] Verspreider
[42.J] Grasrol
[42.K] Sneeuwschuiver
[42.L] Opvanger voor bladeren en gras (alleen voor SD-serie)
- Voor het specifiek gevegen, verwijst men maar wat aangegeven is op het identificatielabel van de machine.
[1] NO-TEKNISKE DATA
[2] Nominell effekt (*)
[3] Omdreininger pr. minut (*)
[4] Elektrisk system
[5]Fordekk
[6] Bakdekk
[7] Lufttrykk foran
[8] Lufftrykkbak
De gebruikershandleidingen zijn beschikbaar:
op de website stiga.com
door de QR code te scannen


LET OP: VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN, DIENT MEN DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG TE LEZEN. Bewaren voor toekomstige behoeften.
OPMERKING Dit document is bedoeld als een eenvoudige handleiding, op papier, voor het gebruik en het onderhoud van de machine inveilig omstandigheden.
Download voor meer gedetailleerde informatie de volledige handleidingen in digitaal formaat.
1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
1.1. TRAINING

Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het Niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/of ernstige letsels veroorzaken.
- Laat nooit toe dat de machine gebruikt worden door kinderen of door Personen die nicht vertrouwd zijn met deze aanwijzingen. De minimale leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd�<|im_start|>assistant
- Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of andere stoffen ingenomen heeft die een negatieve invloed können haben op zich reactievermogen en aandacht.
Denk eraan dat de personen die de machine bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die Personen of hun eigendommen konnen overkomen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico's, die het terrein waarop hij moet werken met zich mee kan brengen, te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treffen met het oog op+zijn eigen veiligheid en die van anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen. - Indien men de machine aan derden wil gehen of lenen,要去 men zich ervan verzekeren dat de gebruiker de gebruiksaanwijzingen in dit handboek doormeemt.
1.2.VOORAFGAANDE HANDELINGEN
Persoonlijke beschemingsmiddelen (PBM)
- Draag geschickt kledij, stevige werksochoenen met antislipzolen en een lange broek. Schakel de machine Niet wanner u geen schoenen draagt of met open sandalen. Draag gehoorbeschermingen.
- Draag werkhandsschoenen voor alle handelingen die gevaarlijk hunnen zich voor de handen.
- Draag geen sjaal, hemd, halsketting, arbanden, kledij met losse delen, of met bandjes of denen of andere hangende of wijde accessoires die vastgegrepen+kennen worden door de machine of voorwerpen en materiaal aanwezig op de werkplaats.
- Lang haar worden zorgvuldig bijeengebonden.
Werkzone/Machine
- Controller grondig de hele werkzone en verwijder alles wat door de machine weg zou konnen uitgestoten worden of de maaiinrichting/draaiende organen zou konnen beschadigen (keien, takken, ijzerdraad, beenderen, enz.).
Explosiemotoren: brandstof

De brandstof is zeer ontvlambaar.
- Bewaar de brandstof in speciale holders die waarvoorgehomologeerd zich, op een veilige plaats,uit de buurt vanwarmtebronnen of naakte vlammen.
- Rook nichtijdens het tanken of het bijvullen van brandstof of elke keer wanneer men met de brandstof werkt.
- Gebruik een trechter om brandstof bij te vullen, en doe dit enkel in de open lucht.
- Als de motor aanstaat of warm is mag u geen brandstof toevoegen of de dop van de benzinetank afdraaien.
- Breng geen vlammen nabij de opening van het reservoir om de inhoud ervan te controleren.
- Reinig onmiddelijk elk spoor van brandstof dat op de machine of op de grond gelekt is.
- Draai de dop algid waar goed op het brandstofreservoir en op de houder van de brandstof.
1.3. Tijdens HET GEBRUIK
- Start de motor Niet in gesloten ruimten waar zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan concentreren. Het opstarten moet in openlucht of op een goed verluchte plaatsplaatsvinden. Denk er alttijd aan dat uitlaatgassen giftig+zijn.
- Richt,ijdens het opstarten van de machine, de geluidsdempere en dus de uitlaatgassen nooit maar ontvlambare materialen.
- Gebruik de machine Niet in omgevingen met gevaar op ontploffing, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistoffen, gas of stof. Elektrische contacten of mechanische wrijvingen konnen vonden ontstaan, die stof of dampen konnen doen ontbranden.
- Enkel bij daglicht of met goed kunstmatig Licht en bij goede zichtaarheid reinigen.
- Verwijder personen, kinderen en dierenuit de werkzone. De kinderen要去en onder toezicht van een andere volwassene staan.
- Werk nicht op nat grayscale, bij regen of bij risico op onweer, in het bijzonder wonneer er kans op bliksem bestaat.
- Let bijzonder goed op de onregelmatigheden van het terrein (drempels, geulen), op de hellingen, op verborgen gezaren en op de aanwezigheid van eventuele hindernissen die de zichtaarheid zouden konnen beperken.
- Werk in de dwarse richting van de helling en nooit in de richting van de stijging/daling, let goed op bij de veranderingen van richting, verzeker ervan een goed steunpunt te hebben, en let er goed op dat de wielen Niet op hinderissen stoten (stenen, takken, wortels, enz.) die een zijdelingse verschuiving of verlies van controle over de machine zouden können veroorzaken.
- De machine mag nicht worden gebruikt op hellingen van meer dan 10^ , ongeacht de rijrichting.
- Stop de maai-inrichting bij het oversteken van Niet-grasachtige oppervlakken.
- Houd alsd de handen en voeten ver van het maaimechanisme, zowel wonneer de motor gestart worden als tijdens het gebruik van de machine.
-
Blijf steeds op afstand van de aflaatopening.
-
Gebruik de machine nooit indien de beschermingen beschadigd zijn, ontbreken of Niet correct geplaatst zijn (opvangzak, achefterste aflaatbeveiliging).
- De aanwezige veiligheidsinrichtingen/microschakelaars Niet uitschakelen, aftschakelen, verwijderen of schenden.
-
Let op in geval van hellende terreinen, waar bijzondere aandacht vereist is om omkantelen of verlies van controle over de machine te vermijden. De voornaamste oorzaken waardoor de macht over het stuur kwijt geraakt kan worden zich:
-
Onvoldoende grip van de wielen.
-Overdreven snelheid. - Bruuske richtingsveränderingen.
- Niet passende remming.
- De machine is nicht geschikt voor het doel waarvoor ze gebruikt worden.
- Gebrek aan kennis van de gevolgen te wijten aan de toestand van het terrein.
-
Gebruik van de machine als trekvoertuig.
-
Let goed op het verkeer, wonneer de machine zich bij de staat gebruikt worden.
- Ontkoppel de maai-inrichting leg de motor stil en verwijder de contactsleutel (controleer dat alle bewegende delen volledig stilstaan):
-Tijdens het transport van de machine;
- Elke keer wanner men de machine onbewaakt laat;
- Alvorens de oorzaken van verstopping te verwijderen of het afvoerkanaal te ontstoppen;
- Alvorens de machine te controlleren, te reinigen of eraan te werken;
- Na het raken van een vreemd voorwerp. Controller de machine op eventuele schade, en voer de nodige herstellingen uit voordat u deze opnieuw gezruikt;
- Als de machine abnormaal begint te trillen: controllerer eventuele beschadigingen; controllerer of delen losgekomen zich en schroef ze waar vast; Voer de controles, verrangingen of herstellingenuit bij een Gespecialiseerd Centrum.
- Houd algijd de handen en voeten ver van het maaimechanisme, zowel wonneer de motor gestart worden alsijdens het gebruik van de machine.
- Let op: het maai-element blijft gedurende enkele seconden na+zijn afkoppeling of na uitschakeling van de motor draaien.
- Let goed op de snijgroep met meerere maai-inrichtingen, aangezien een draaiende maai-inrichting ook de andere zou konnen doeen draaien.
Blijf steeds op afstand van de aflaatopening. - De delen van de motor niets aanraken, waar de tijdens het gebruik erg heet worden. Gevaar voor brandwonden.
- Laat de machine nicht stilstaand in hoog gras met de motor draaiend, om risico op brand te vermijden.

In geval van breuken of incidenten tijdens het werk, dient men de motor onmiddelijk stil te zetten en de machine te verwijdenen om geen verdere schade te berokkenen; in geval van oncegallen met persoonlijke letsels of letsels aan derden, dient men onmiddelijk de meest geschikte eerste-hulp-procedures te volgen voor de situatie en zich tot een gezondheidsstructuur te richten voor de nodige zorgen. Verwijder zorgvuldig eventuele resten die schade of letsels aan Personen of dieren+kunnen veroorzaken indien ze onopgemerkt blijven.
1.4. ONDERHOUD, OPSLAG EN TRANSPORT
Regelmatig onderhoud en een correcte stalling garanderen de veilighheid van de machine en het niveau van de performance.
- Gebruik de machine nooit als er onderdelen versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen要去ervangen en Niet gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen.
- Tijdens de afstellingen van de machine, moet men erop letten dat de vingers NietCUSSEN DE BEWEGende maai-inrichting en de vaste delen van de machine geklemd geraken.
- Om brandgevaar te beperken, moet u regelmatig controleren of er geen olie en/of brandstof lekt.

Het niveau van geluid en trillingen als aangegeven in deze handleiding, zichen maximale waarden voor het gebruik van de machine. Het gebruik van een Niet gebalanceerd maai-element, een overdreven sleidheid van de beweging en gebrekig onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijkpreventieve maatregelen te treffen om möglichke schade ten gevolge van een hoog geluidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud van de machine, draag gehoorbeschemming, kaak pauzes tijdens het werk.
- Zet de machine Niet met brandstof in de tank in een ruimte waar de brandstofdampen met vlammen, vonden of een warmtebron in aanraking zonden+kennen.
- Laat geen houders met restmaterialial in een gesloten ruimte, om het risico op brand te voorkomen.
1.5. BESCHERMING VAN DE OMGEVING
- Volg nauwgezet deplaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, accu's, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op het milieu; dit afval mag Niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gezchemden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
- Volg scrupuleus de lokale normen op voor de afdanking van het afval.
- Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar要去 ze waar een container park gebracht worden, volgens de geldendeplaatselijke normen.

De geschieten inzameling van gebruekte producten en verpakkingen staat recycling en hergebruik van de materialien toe. Het hergebruik van gerecycleerd materiaal helpt de verruiling van het milieu te voorkomen en verminder de vraag aan grondstoffen.
2. BESCHRIJVING VAN HET PRODUCT
Dit is een grasmaier met zittende bestuurder.
De machine is voorzien van een verbrandingsmotor, die de maai-inrichting inschakelt, beschermd door een carter, en een aandrijvingsgroep die de beweging aan de machine doorgeeft.
De machine is voorzien van achechterwielaandrijving.
De bediener kan de machine bedieren en de hoofdcmando's inschakelen terwijl hij steeds op+zijnplaats blijft zitten.
De veiligheidsinrichtingen op de machine doen de motor en de maai-inrichting na enkele seconden stilvallen (par. 5.2).
Beoogd gebruik en oneigenlijk gebruik
Deze machine is ontworpen en gebouwd voor het maaien van gras in tuinen en gratvelden.
Elk ander gebruik kan gevaarlijk zijn en kan persoonlijke letsels en/ of materiele schade veroorzaken.
De volgende situatuies behoren tot het onjuist gebruik (bijvoorbeeld, maar Niet uitsluitend):
- op de machine andere Personen, kinderen of dieren vervoeren;
- de machine gebruiken om ladingen trekken of duwen zonder het gebruik van het waarvoort bestemde accessoires voor het slepen;
- de maai-inrichting aanschakelen op zones zonder gras;
- de machine te gebruiken voor het verzamelen van bladeren of afval;
- de machine gebruiken voor verplaatsingen op onstabiele, gladde, ijzige, steenachtige ofoneffen grond, plassen of moerassen.
BELANGRIJK Onjuist gebruik brengt verval van zowel de garantie als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zich verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of andere oplopen.
BELANGRIJK De machine mag steeds slechts door een enkele bediener gekruikt worden.
BELANGRIJK De machine is Niet goedgekeurd om op de openbare weg te rijden. Ze mag (volgens het Wegverkeersregelement) uitsluitend gebruikt worden op privé-terrein dat voor verkeer gesloten is.
2.1.MACHINECOMPONENTEN (AFB.1)
A. Snijgroep
B. Maai-inrichtingen
C. Zijdelingse aflaatdeflector:
D. Uitwerpkanaal
E. Opvangzak
F. Achterste aflaatbeveiliging (beschikbaar op aanvraag):
G. Bestuurdersstoel
H. Accu
I. Motor
J. Buffer Vooran
K. Stur
2.2. VEILIGHEIDSSIGNALERINGEN (AFB. 2)

LET OP
Lees de aanwijzingen door voordat de machine worden gebruikt.

LET OP
Verwijder de sleutel, en lees de aanwijzingen door voordat eender welke handelingen van het onderhoud of de herstelling wordenuitgevoerd.

GEVAAR VOOR WEGSCHIETENDE VOORWERPEN
Niet werken zonder de achechterste aflaatbeveiliging of de opvangzak erop bevestigd te hebben.

GEVAAR VOOR WEGSCHIETENDE VOORWERPEN
Niet werken zonder dat de zichdelingse aflaatdeflector is gemonteerd.

GEVAAR VOOR WEGSCHIE-TENDE VOORWERPEN
Houd alle personen buiten het werkgebied tijdens het gebruik.
GEVAAR VOOR OMKANTELENVAN DE MACHINE
Gebruik deze machine nicht op hellingen van meer dan 10^

GEVAAR VOOR VERPLETTERING Controller dat kinderen op voldoende afstand van de machine blijven wonneer de motor draait.

RISICO VOOR SNIJWONDEN. Bewegende maai-inrichtingen. Plaats de handen of de voeten nooit in de zitting van de maai-inrichtingen

LET OP
Houd voldoende afstand van de hete oppervlakken

Bij gebruik van de trekset mogen de laadlimieten Niet overschreden worden die+zijn aangeduid op het etiket, en要去en de veiligheidsnormen gerespecteerd worden

LET OP
Gebruik nooit hagedrukspuiten om de transmissie te reinigen.
BELANGRIJK Beschadigde of onleesbaar geworden labels要去en verrangen worden. Vraag neue labels aan uw eigengeautoriserd Dienstcentrum.
3. MONTAGE
BELANGRIJK De machine moet op een vlakke en solide ondergrund worden uitgepakt en gemonteerd, met voldoende bewegingsruimte voor machine en verpakking, en met behulp van geschikte gereedschappen.
3.1. UITPAKKEN
- Open de verpakking voorzichtig, let erop geen onderdelen te verliezen.
- Raadpleeg de documentationie in de doos, inclusief deze gebruiksaanwijzingen.
- Haal alle onderdelen die nicht gemonteerd zich uit de doos.
- Haal de machine uit de verpakking, met de volgende voorzorgsmaatregelen:
-
breng de maiagroep op de maximale hoogte (par. 4) om deze Niet te beschadigen wonneer de machine van het basispallet gehaald worden;
-
plaats de hendel voor de ontgrendeling van deijkenste transmissie in de ontgrendelde positie (par. 4) (voor de modellen met hydrostatische transmissie).
- Haal de machine van het basispallet.
3.2. MONTAGE VAN HET STUURWIEL
- Stur type "I"
Zie afbeelding 3-1.
Stuur type "ll
Zie afbeelding 3-II.
3.3. MONTAGE VAN DE STOEL
Zie afbeelding 4.
3.4. ACCU MONTEREN EN AANSLUITEN
De accu (afb. 5.A) bevindt zich onder de stoel, en zit vast met een veer (afb. 5.B).
- Sluit eerst de rode draad (afb. 5.C) aan op de positieve klem (+) en da de zwarte draad (afb. 5.D) op de negatieve klem (-) met behulp van de bijgeleverde schroeven, Zoals aangeduid.
- Smeer de klemmen in met siliconenvet en zorg voor de correcte positionering van de beschemkap van de rode kabel (afb. 5.E).
BELANGRIJKZorg er altijd voor de accu volledig op te laden en volg hierbij de aanwijzingen die in het instructieboekje van de accu staan aangegeven.
3.5. MONTAGE VAN DE VOORBUMPER
- Bumper type "I"
Zie afbeelding 6-1. - Bumper type "II"
Zie afbeelding 6-II.
3.6. MONTAGE VAN DE ZIJDELINGSE AFLAATDEFLECTOR (indien voorzien)
Zie afbeelding 7.
3.7. MONTAGE VAN DE ZIJDELINGSE VERSTERKINGEN VAN DE MAALGROEP (indien voorzien).
Zie afbeelding 8.
3.8. MONTAGEENVOLTOOINGVANDEACHTERPLAAT (indien voorzien)
Zie afbeelding 9.
4. BEDIENINGSELEMENTEN
Sleutelschakelaar (Afb. 10.A)
De sleutel activeert/deactivateert de inschakeling van de machine en van de lichten (indien voorzien).

Stand Stop.

Stand inschakeling lichten (indien voorzien).

Stand Draaien.

Stand Start.
BELANGRIJK Verwijder de sleutel elke keer dart de machine ongebruikt of onbewaakt worden achtergelaten.
Gaspedaal (Afb. 10.E)
Stelt het aantal toeren van de motor af.

Commando choke - Koud opstarten.

Hoogste toerental van de motor.

Laagste toerental van de motor.
Hendel handrem (Afb. 10.D)

Remuitgeschakeld.

Remingeschakeld.
- Koppelingspedaal/rempediaal (mechanische transmissie) (Afb. 10.l)

Tijdens het eerste deel van de slag handelt het als koppeling, door de tractie maar de waren te activeren of te deactiveren.
Tijden het tweeede deel gedraagt het zich als rem, door op de weiterwielen te handelen
Bedieningshendel versnellingsbak (mechanische transmissie) (Afb. 10.K)


Vijf vooruitversnellingen
2 Het inschakelen van de versnelling dient
uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.
Vrijstand «N»
Achteruitversnelling «R»
Het inschakelen van dechteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.
Om over te gaan van de ene maar de andere versnelling moet het pedaal (Afb. 10.l) half ingedrukt worden en moet de hendel verplaatst worden volgens de aanduidingen op het etiket.
- Rempedaal (hydrostatiche transmissie) (Afb. 10.l)

Dit pedaal activeert de rem op de weiterwienen (Afb. 10.1)
- Tractiepedaal (hydrostatische transmissie) (Afb. 10.J)

Vooruitversnelling
Bedrijfsrem

Achteruitversnelling
BELANGRIJK Als het aandrijfpedaal vooruit of in de achteruit worden geactiveerd met de parkeerrem ingeschakeld (afb. 10.D) worden de motor stilgelegd.
Hendel koppeling/ontkoppeling hydrostatische transmissie (Afb. 10.L)

Transmissie ingeschakeld:

Transmissie uitgeschakeld:
BELANGRIJK Om te vermijden dat de transmissiegroep worden beschadig, mag deze handeling alleen uitgevoerd worden bij stilgelegde motor met het pedaal (afb. 10.J) in de vrijstand.
BELANGRIJK De hendel voor de koppeleling/ontkoppeling mag zich nooit in de tussenpositie bevinden. Deze conditie voorzaakt de oververhitting en de beschadiging van de transmissie.
Commando voor het inschakelen en uitschakelen van de maai-inrichtingen (Afb. 10.B)

Maai-inrichtingen gekoppeld.
Paddenstoelschakelaaruitgetrokken.

Maai-inrichtingen uitgeschakeld.
Paddenstoelschakelaar ingeduwd.
- Knop vrijgave maaien in achteruitversnelling (Afb. 10.F)

Als de knop ingedrukt worden gehonden, kan darüberuit gereden worden met de maaiinrichtingen gekoppeld zonder dat de motor worden stilgelegd.
Handel afstelling maaihoogte (Afb.10.G)

Om van de ene positie maar de andere te gaan, moet de hendel zichwaarts worden bewogen en in een van de aanslaggroeven worden verplaatst.


-
Controlelamp en geluidssignalering (alleen voor modellen met opvang achteraan)
-
De contrôlelamp (afb. 10.C)licht op wanner de sleutel (afb. 10.A) op «WERKING» staat en blijft.altijd aanijdens de werking.
- Wanner ze knippert is er geen vrijgave voor de start van de motor.
-
Het geluidssignaal waarschuwt dat de opvangzak vol is.
-
Hendel Kanteling opvangzak (indien voorzien, enkel voor modellen met opvang achteraan)
Deze hendel, die uit+zitting kan verwijderd worden, dient voor de kanteling van de opvangzak zodate ze kan leeg gemaakt worden en de bediener minder krachtinspanning moet leveren (afb. 10.H).
5. GEBRUIK VAN DE MACHINE
5.1. VOORAFGAANDE HANDELINGEN
- Olie en benzine bijvullen
BELANGRIJK De machine worden zonder motorolie en brandstof geleverd.
Vooraleer de machine te gebruiken, moet men de aanwezigheid van brandstof en het oliepeil controleren. Voor de modus en de voorzorgsmaatregelen betreffende het tanken/bijvullen要去en de voorschriften gevolgd worden die zich aangeduid in het boekje van de motor.
- Verstelling van de stoel Zie afbeelding 11.
-
Bandenspanning
-
Sluit een persluchtpistol voorzien van manometer aan op het ventiel van het wie! (Afb. 12).
-
Regel de druk op de waarden aangegeven in de tabel "Technische Gegevens".
-
Voorbereiding van de machine voor het werk
OPMERKING Met deze machine kan men het gras op verschellen de wijzen maieren; vooraleer het werk aan te vangen, raadt men aan de machine af te stellen al naargelang de wijze waarop men het gras wil maieren.
- Voorbereiding voor het maaien en de zijdelingse aflaat van het gras op de grond (enkel voor modellen met zijdelingse opvang) (afb. 13 - 14).
- Voorbereid ing voor het maaien en opvangen van het gras in de opvangzak (enkel voor modellen met opvang achteraan) (afb. 15).
- Voorbereid ing voor het maaien en de aflaat achteraan van het gras op de grond (enkel voor modellen met opvang achteraan) (afb. 16).
- Voorbereiding voor het maaien en fijnmalen van het gras (alleen met specifieke kit "mulching").
Herpositionering van de antiscalp wielen
- Voor modellen met zijdelingse aflaat (afb. 17).
- Voor modellen met opvang achteraan (afb. 18).
5.2. VEILIGHEIDSCONTROLES
- Algemene veiligheidscontroles
| Object Resultaat | |
| Accu Geen schade aan het | omhulsel, aan het deksel of aan de klemmen |
| Achterste aflaatbescherming, zuigrooster | Ongeschonden. Geen schade. Correct gemonteerd. |
| Zijdelingse aflaatbescherming, zuigrooster | Ongeschonden. Geen schade. Correct gemonteerd. |
| Brandstofsystemen verbindingen. | Geen lekken. |
| Elektrische kabels. Isolatie | volledig intact. Geen mechanische schade. |
| Oliecircuit Geen lekken. | Geen schade. |
| Schakel de machine aan in de vooruit- en de weiteruitversnelling, en schakel de vrijstand in/last het aandrijfpedaal los (par. 4) | De machine vertraagt en stopt. |
| Activeer het rempedaal (par. 4) | De machine stopt. |
| Rijtest Geen abnormale trillingen. Geen abnormaal geluid | |
| Object Resultaat | |
| Veiligheidsinrichtingen Ze Werken zoals is aangeduid in de volgende paragraf. | |
- Controles van de veiligheidsinrichtingen
| Actie Resultaat | |
| 1. transmissie in "vrij";2. maai-inrichtingenuitgeschakeld;3. de gebruiker zit opde machine. | De motor start |
| de bediener verlaat de stool De | motor stopt |
| de opvangzak worden opgetild of de acheftersteaflaatbeveiliging wordenverwijderd terwijl de maai-inrichtingen ingeschakeldzijn (enkel voor modellenmet opvang achteraan) | De motor stopt |
| de handrem worden ingeschakeld zonderde maai-inrichtingen tehebben uitgeschakeld. | De motor stopt |
| men schakelt deversnellingshendel inofwel het pedaal met dehandrem ingeschakeld | De motor stopt |
| men schakelt deachterwaartse versnellingin, met de maai-inrichtingeningschakeld, zonderde toets voor toelatinginedrukt te houden (par. 4) | De motor stopt |

Indien eender welke van deze resultaten verschlert van wat aangegeven is in de tabellen, mag de machine Niet gebruikt worden! Neem contact op met een Dienstcentrum voor de nodige controles en herstelling.
5.3. GEBRUIK OP HELLEND TERREIN
Neem de limieten van de Tabel "Technische Gegevens" en van afb.19 inucht, onafgezien van de rijrichting.
BELANGRIJK Alleen voor modellen met mechanische transmissie: Rijd nooit van afdalingen met de versnellingsbak in de vrijstand of de koppeling ontkoppeld! Schakel algid een lage versnelling in voordat de machine worden gestoet en onbewaakt worden achtergelaten.
5.4. START EN WERKING
- Starten
- Open de brandstofkraan (afb. 20.A) (indien voorzien).
- Op de bestuurdersstoel gaan zitten.
- Stel de transmissie in de vrijstand («N»).
- de maai-inrichtingen uitschakelen.
- De bedrijsrem inschakelen.
- Breng de versnellingshendel maar de stand van het maximaal toerental ("haas").
- Bij koud opstarten: schakel het choke-commando in.
- Steek de sleutelschakelaar in het contactslot en draai deze in de «Werking» stand om het elektrische circuit in werkig te stellen, draai de sleutel daarna in de «Start» stand om de motor te starten.
- Laat de sleutel los zodra de motor gestart is.
Bij koud opstarten, zodia de motor normalaal draait:
- Schakel het commando chokeu itenplaats het versnellingskommando in de stand voor maximaal toerental "haas".
- Schakel het choke-commando in.
OPMERKING Het gebruik van het commando choke bij reeds warmer motor kan de bougie verruilen en een onregelmatige werkig van de motorveroorzaken.
12. Als de motor eenmaal draait, breng de gashendel terug in de «schildpad» stand.
OPMERKING Als er moeilijkeden zijn bij het starten, blijf dan nicht te lang aanhonden om de accu Niet uit te putten en de motor nicht te verzuipen. Draai de sleutel waar in de “stop” stand, wacht enkele seconden en probeer opnieuw te starten. Indien het probleem voortduurt, raadpleeg dan hoofdstuk «8» van deze handleiding en de handleiding van de motor.
- Vooruit rijden en verplaatsingen
- de maai-inrichtingen uitschakelen.
- plaats de maagroep op de maximale hoogte.
- breng het versnellingscommando waar een tussenpositie,CUSSEN HET MINIMALE TOERENTAL «schildpad» en het maximale toerental «haas»
Alleen voor modellen met mechanische transmissie
- Activeer het pedaal helemaal en plaat de versnellingshendel in de positie van de 1e versnelling.
- Houd het pedaal ingedrukt (afb .10.l), schakel de parkeerremuit.
- Laat het pedaal geleidelijk aan los zodate het overgaat van de functie «rem» waar die van «koppeling», door de weiterwienen te activeren.
- Bereik geleidelijk aan de gewenste snugheid door op de gashendel en de versnellingsbak te handelen; om over te gaan van deeneaar de andere versnelling moet de koppeling geactiveerd worden, door het pedaal half in te drukken.
Alleen voor modellen met hydrostatische transmissie:
- Schakel de handrem UIT, laut het rempedaal los.
- Druk het aandrijfpedaal in de richting van de "vooruitversnelling" en bereik de gewenste snugheid door de druk op het pedaal zich en op het gaspedaal geleidelijk aan te vergroten.

Het loslaten van de koppeling of de inschakeling van de tractie moet geleidelijk aan gebeuren om een te bruuske koppeling te vermijden wat wheelies en controverlies over het voertuig kan veroorzaken.
- Remmen
Minder erst de snelheid van de machine door het toerental te verlagen, en druk daarna op het rempedaal om nog snelheid te minderen, tot het voertuig worden gestopt.
Alleen voor modellen met hydrostatische transmissie: Een gevoelige vertraging van de machine kan verzreaken worden wanner het gaspedaal worden losgelaten.
- Achteruitversnelling
BELANGRIJK Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.
BELANGRIJK Om ermögui te konnen rijden met de maai-inrichtingen ingeschakeld, moet men de toets voor toelating ingedrukt honden (par. 4) om te vermijden dat de motor stilvalt.
Alleen voor modellen met mechanische transmissie:
- Schakel het pedaal in (par. 4) tot de machine stil staat;
- Zet de versnellingshendel in dechteruitversnelling "R".
- Laat het pedaal geleidelijk aan los om de koppeling in te schakelen en dechteruitversnelling te beginnen.
Alleen voor modellen met hydrostatische transmissie:
- Schakel het pedaal in (par. 4) tot de machine stil staat;
- schakel dechteruitversnelling in door op het koppelingspedaal in de richting "achteruitversnelling" te duwen (par. 4).
- Het gras maaien
Doe als volgt om met de machine te werken:
- breng de versnellingshendel maar de stand van het maximaal toerental ("haas"); tijdens het gebruik van de machine要去 verz stand steeds gebruikt worden;
- plaats de maagroep op de maximale hoogte;
- de maai-inrichtingen inschakelen (par. 4), enkel op het grasveld, vermijd de maai-inrichtingen in te schakelen op grond met grind of te hoog gris;
- regel werkslnelheid en maaihoogte (par. 4) volgens de toestand van het gazon (hoogte, dichtheid en vochtigheid van het gewas);
- begin geleidelijk aan en zeer voorzichtig te rijden, zoals erder al werk beschreven;
Elke keer als een afname in het aantal toeren van de motor wordt waargenomen, moet men de snelheid te vertragen, denk eraan dat er nooit een moot maaibeeld vergreten wordt als de rijnsnelheid te hoog is ten opzichte van de hoeveelheid gras.
Schakel de maai-inrichtingen uit en breng de snijgroep maar de hoogste stand.
Tijdens verplaatsingen:tussen werkzones
Bij het oversteken van oppervaktes zonder gras.
- Elke keer wanner men een hindernis moet overkomen.
Opvangzak leegmaken
BELANGRIJK Het legen van de opvangzak kan alleén worden uitgevoerd als de messen uitgeschakeld zich; is dit Niet het geval dan slaat de motor af.
Een geluidssignaal geeft aan dat de opvangzak vol is:
- de maai-inrichtingen uitschakelen en het signaal stopt;
- plaats het versnellingscommando in de stand voor minimaal toerental "schildpad";
- stop de beweging en zet de machine in vrije stand;
- trek de handrem aan;
- schakel de motoruit;
- Neem de hendel (afb. 21.A - indien voorzien) of de greed Achteraan (afb. 21.A1) vast en kantel de opvangzak om hem leeg te make.
- Sluit de opvangzak zodate dat hij worden vastgekoppeld aan de veerhaak (afb. 21.B).
5.5. STOPPEN
- plaats het versnellingscommando in de stand voor minimaal toerental "schildpad";

Om een ontploffing in de knalpot te vermiijden dient u de gashendel, 20 seconden voordat u de motor afzet, in de stand «schildpad» te lately.
- de motor uitschakelen door de sleutel in de stop-stand te zetten;
- wanner de motor uitgeschakeld is, de brandstofkraan (afb. 22.A) openen (indien voorzien);
- de sleutel verwijderen
BELANGRIJK Om de lading van de accu in stand te houden, worden de sleutel Niet in de stand «draaien» of «koplampen aan» gelaten wanner de motor Niet aanstaat.

De motor kan onmiddelijk na het uitschakelen zeer warm+zijn.Raak de knalpot of de delen ernaat nicht aan.Gevaar op brandwonden.
5.6. NA HET GEBRUIK
- Laat de motor eerst afkoelen voor de machine in elke willekeurige ruimte op te bergen.
- Reinig de machine (par. 6.3).
Elke keer wanner men de machine onbewaaktaat, de bestuurdersplaats verlaat of de machine parkeert:
- Stop de machine.
- Plaats de maiagroep op de minimum hoogte.
- Verzeker u ervan dat alle bewegende delen volledig stilstaan.
- Verwijder de contactsleutel (Afb.10.A).
6. ONDERHOUD
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zich beschreiben in hfdst. 1. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of bevaren te lopen.
Vooraleer eender welke controle, reiniging of ingreep voor onderhoud/ afstelling op de machine uit te voeren:
- Ontkoppel de maiaigroep.
- Stop de machine.
Zet de machine in de vrijstand. - De bedrijsrem inschakelen.
Leg de motor stil. - Vergewis u ervan dat elk bewegend onderdeel tot stilstand is gekommen.
- Verwijder de contactsleutel.
- Draag geschikte kledij, werkhandsschoenen en een beschemende bril.
BELANGRIJK Laat de sleutel nooit in het contact zitten of binnen het bereik van kinderen of onbevoegde Personen.
6.1. BRANDSTOF BIJVULLEN
Om brandstof bij te vullen:
- Draai de brandstofdop (afb. 23) los, en verwijder hem.
- Plaats de trechter (afb. 23).
- Vul brandstof bij zonder het reservoir volledig te vullen.
- Verwijder de trechter.
- Schroef de dop van het brandstofreservoir na het bijvullen goed dicht en reinig eventuele lekken.
BELANGRIJK Het type van brandstof dat moet gebruikt worden, is aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor.
BELANGRIJK Vermijd benzine op de plastic delen te gieten zodanig dat ze Niet beschadigd worden; bij toevalige lekken onmiddelijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen van de carrosserie of de motor,veroorzaakt door benzine.
6.2. CONTROL EN BIJVULLEN MOTOROLIE
OPMERKING Het type van olie dat要去 gebruikt worden, is aangeduid in de gebruikershandleiding van de motor.
BELANGRIJK Volg alle voorschriften aangeduid in de gebrui-kershandleiding van de motor.

Controleer het oliepeil voor ieder gebruik.
Controleer het oliepeil van de motor: volgens de preciseze werkwijzen aangegeven in de handleiding van de motor,要去 dit+tussen de kentekens MIN en MAX van het staafje zijn (Afb.24).
6.3. REINIGING
- Algemene aanwijzingen
Reinig de machine na ieder gebruik volgens de volgende aanwijzingen: - Gebruik geen waterstralen en vermijd de motor en de elektrische
onderden nat te maker.
- Verwijder grasresten en opgezamelde aarde binnenin het chassis.
- Verzeker u er steeds van dat de luchtgaten vrijং van afval.
- Gebruik geen agressieve vloeistoffen om het chassis te reinigen.
- Houd de motor vrij van gewasresten, bladeren of overtollig vet om brandrisico te vermijden.
Reiniging van de maagroep
BELANGRIJK Het wassen van de binnenkant van de maai-inrichting en het uitwerpkanaal moet worden uitgevoerd met de opvangzak gesonteerd en met de mulching dop erin (indien aanwezig) of met dechterste aflaatbescherming gesonteerd.
- Plaats de machine op een vlakke oppervlakte en met stevige vloer.
- Sluit een waterleiding (Afb. 25.A) aan op een van de twee specifieke verbindingen (afb. 25.A - afb 26.A) en open het water.
- Ga op de bestuurdersstooel zitten en start de machine.
- Laat de maai-inrichting—helemaal zakken en koppel de maai-inrichtingen.
- Laat het water enkele minuten stromen en stop de machine.
- Draai het water dicht en koppel de leiding los van de verbinding.
- Herhaal de procedure voor de andere verbinding.
- Blaas het bovenste deel van de groep (Afb. 25 - afb. 26)uit met een persluchtstraal.
6.4.ACCU
Lees met aandacht de oplaadprocedures die in de handleiding van de accu staan en volg ze op. Als deze procedures Niet in acheit worden genomen of als de accu Niet worden opgeladen, kan er zich onherstelbare schade voordoen aan de elementen van de accu. Een lege accu要去 snel möglichk opgeladen worden.
BELANGRIJK Het opladen dient uitgevoerd te worden met geleijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen können de accu op een onherstelbare manier beschadigen.
De machine is uitergerust met een connector (afb. 27.A) voor het opladen, die aangesloten要去 worden op de overeenstemmende connector van de speciale acculader van behoud in dotatie (indien voorzien) of beschikbaar op aanvraag.
BELANGRIJK Deze connector mag uitsluitend gebruikt worden voor de aansluiting op de acculader van behoud die voorzien is door de Fabrikant. Voor+zijn gebruik:
- de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in de desbeteffende gebruiksinstrumenties;
- de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in het instructieboekje van de accu.
6.5. ONDERHOUD VAN HET MAAIMECHANISME

Raak demaai-inrichting nietaan totdat de contactsleutel verwijderd is en de maai-inrichting volledig stilstaat. Let op odomat dat de maai-inrichting kan bewegen, zelfs als de sleutel is verwijderd (voor modellen met accu).

Alle handelingen die betrekking hebben op de maaiinrichtingen (demontage, slijpen, in balans brengen, herstellung, hermontage en/ofervanging) vergen een specifieke vaardigheid en het gebruik van geschikt gereedschap;uit veiligheidsoverwegingen要去en
deze handelingen waarom steeds uitgevoerd worden in een Gespecialiseerd centrum.

Laat de beschadigde, verrormde of versleten snijgroep algijd verrangen samen met de schroeven, zodate balancering worden gehandhaafd.
BELANGRIJK Gebruik steeds originele inrichtingen, met de code aangegeven in de tabel 'Technische Gegevens'.
7. TRANSPORT, OPSLAG EN INZAMELING
7.1. TRANSPORT
Wanner men de machine hanteert, moet men:
- ontkoppel de maigroep;
- plaats de maiagroep op de maximale hoogte;
- schakel de machine uit en haal de contactsleutel weg
- schakel de transmissie uit (par. 4).
Wanner men de machine met een wagon of aanhangwagen vervoert, moet men:
- opritten gebruiken met geschikte verbessard, bredte en lenghte;
- de machine laden met de elektrische motor uitgeschakeld, met de contactsleutel uit het stopcontact van de machine, zonder bediener, duwend, en met een geschikt aantal Personen;
- de brandstofkraan sluiten (indien voorzien);
- de snijgroep omlaag brengen;
- de machine zoplaatsen dat ze geen gevaar veroorzaakt;
- schakel de transmissie in (par. 4);
- haar stevig aan het vervoermiddel bevestigen met koorden of kettingen om te vermijden dat ze Kantelt met möglichke schade als gevolg.
7.2. STALLING
Wanner de machine gedurende meer dan 30 Tage opgeborgen要去 worden:
- Laat de motor afkoelen
- Maak de kabels van de accu los enbewaar de accu op een frisse en droge plek.
- Ledig de brandstoffank en volg de instructies van de handleiding van de motor.
Reinig de machine zorgvuldig. - Controller of de machine geen schade vertoont. Contacteer, indien nodig, het geauthoriserde Dienstcentrum.
Berg de machine op:
- met de maiagroep omlaag;
- in een droge omgeving;
- beschermd gegen slechte weersomstandigheden;
indien mogelijk bedekt met een doeK; - buiten bereik van kinderen;
- na zich ervan verzekerd te hebben de sleutels of gereedschappen die voor het onderhoud gebruikt werden, verwijderd te hebben.
Wanner de machine weer in werkig gezet worden:
- controller of er uit de slang, de benzinekraan en de carburateur, geen benzine lekt:
- bereid de machine voor zoals aangegeven in hoofdstuk "5 Gebruik van de machine".
OPMERKING De accu moet minstens een keer per maand volledig worden opgeladen, en altijd voordat de activiteit worden hervat.
OPMERKING Zorg ervoor dat de machine geen gevaar oplevert bij möglichk toe Vallig of onopzettelijk contact met personen, kinderen of dieren.
- IDENTIFICATIE PROBLEMEN
| PROBLEEM MOGELIJKE | OORZAAK OPLOSSING | |
| 1. Met de sleutel op «WERKING»blick de contrôlelamp UIT(alleen voor modellenmet opvang achteraan) | De bescherming van deelektronische kaart is inwerking getreden doordat: | Zet de sleutel op stand «STOP» en Zoek de oorzaken van het defect: |
| de accu is Niet goed aangesloten controleer de verbindingen (par. 3.4) | ||
| de polen van de accuzijn omgewisseld | controler de verbindingen (par. 3.4). | |
| de accu is Niet goed opgeladen laad deaccu waar op (par. 6.4) | ||
| de zekering is doorgebrand verrang dezekering (10 A). | ||
| kaart nat drogen met pauwe lustcht | ||
| 2. Met de sleutel op «START»knippert de contrôlelampen draaait de startmotor nicht(alleen voor modellenmet opvang achteraan) | geen vrijgave voor de start controller of | de voorwaarden voor de toestemming worden gerespecteerd (par. 5.2) |
| 3. Met de sleutel op «START»licht de contrôlelampopmaar draaait de startmotorniet (alleen voor modellenmet opvang achteraan) | de accu is Niet goed opgeladen laad de | accu waar op (par. 6.4) |
| storing van het startrelais | contacteer uw Verkoper | |
| 4. Met de sleutel op «START»draaait de startmotor nicht(alleen voor modellenmet zichdelingse aflaat) | Zet de sleutel op stand «STOP» enzoek de oorzaken van het defect: | |
| geen vrijgave voor de start controller of | de voorwaarden voor de toestemming worden gerespecteerd (par. 5.2) | |
| de accu is Niet goed aangesloten controleer dezer de verbindingen (par. 3.4) | ||
| de polen van de accuzijn omgewisseld | controler de verbindingen (par. 3.4) | |
| de accu is Niet goed opgeladen laad de | accu waar op (par. 6.4) | |
| de zekering is doorgebrand verrang dezekering (10 A) | ||
| kaart nat drogen met pauwe lustcht | ||
| storing van het startrelais | contacteer uw Verkoper | |
| 5. De sleutel staat in de «START»stand, de startmotor draaiaar aan de motor slaat Niet aan | de accu is Niet goed opgeladen laad de te weinig benzineaanvoer controllerer het peil in hetreservoir (par. 6.1) | accu werk op (par. 6.4) |
| open de kraan (indien voorzien) | ||
| controller de benzinefilter | ||
| er een defect in de ontsteking is opgetreden | controller de bougiekapjuist bevestigd is | |
| controller de elektrodeniet vuil zich en of hunonderlinge afstand juist is | ||
| 6. Een moeilijke start ofeen onregelmatteger working van de motor | er brandstofproblemen zijn reinig of veivang luchtfilter | vargluchtfilter |
| leeg de benzinetank en vulmet/Newwe benzine | ||
| controller en verrangueventueel de benzinefilter | ||
| 7. Tijdens het maaien is er eenkrachtverlies van de motor | de rijnselheid is te hoog ten opzicht van de snijhoogte | Verminder devoortbewegingsnelheid en/of verhoog de maaihoogte |
| 8. De motor stopt tijdens het werk | Activering van deveiligheidsnrichtingen | controller de voorwaardenoor de toestemming wordengerespecteerd (par. 5.2) |
| verbrande zekering door kortsluiting of storingen van de elektrischeinstallatie (alleen voor modellen met zijdelingse aflaat) | Zoek en verwijder de orzaakvan het probleem, zDat de onderbrekingen worden vermeden | |
| Vervang de zekering (10 A).Contacteer uw verkoper als de onderbrekingen aanhoden | ||
| 9. De motor valt stil tijdens dewerk ing decontrolelampgaat uit (alleen voor modellen met opvang achteraan) | De bescherming van deelektronische kaart is inwerk getreden doordat: | Draai de sleutel op «STOP», wacht enkele seconden zDat het circuitautomatisch worden geseset: |
| de polen van de accuijken omgewisseld | controller de verbindingen (par. 3.4) | |
| storingen van dewerk van de regelaar acculader | controller de verbindingenvan de accu (par. 3.4) | |
| controller dat de accu aanwezig is | ||
| kortsluiting contacteer uw Verkoper | ||
| 10. De maai-inrichtingen schakenizich Niet in of stoppen nichtonmiddelijk wonneer zeuitgeschakeld worden | problemen met hetkoppelingsystem | contacteer uw Verkoper |
| 11. Onregelmatinig maaien en onvoldoende opvang (enkel voor modellen metopvang achteraan) | de snijgroep staat Niet evenwijdigen to opzichte van het terrein | controller de bandenspanning(par. 5.1) |
| herstel de uutilijning van de maiagroepten opzichte van het terrein. | ||
| ondoeltreffendheid vande maai-inrichtingen | contacteer uw Verkoper | |
| de rijnselheid is te hoog ten opzichte van de hoogte van het gras | Verminder devoortbewegingsnelheid en/of verhoog de maiagroep | |
| wacht tot het gras droog is | ||
| het kanaal is verstoct verwijder de opva | ngzakenmaak hem leeg | |
| 12. Onregelmatig maaien(enkel voor modellenmet zichdelingse aflaat) | de snijgroep staat Niet evenwijdigten opzichte van het terrein | controller de bandenspanning(par. 5.1) |
| herstel de uitlijning van de maiagroep ten opzichte van het terrein | ||
| ondoeltreffendheid vande maai-inrichtingen | contacteer uw Verkoper | |
| 13. Vreemde trillingentijdens het werk | de snijgroep zit vol met gras reinig de snijgroep (par. 6.3) | |
| de maai-inrichtingen+zijn uittbalances of losgekomen | contacteer uw Verkoper | |
| de bevestigingen+zijn losgeraakt controleer en draai debevestigingsschroeven van demotor en het chassis goed vast | ||
| 14. Onzekere of nichtwerkzame remming | niet correct afgestelde rem contacteer uw Verkoper | |
| 15. Onregelmatige beweging, weinig tractie bij stijging of neiring van de machine om op te trekken | problemen aan de riem ofaan het inschakelsystem | contacteer uw Verkoper |
| 16. Wanner het aandrifpediaal wordt ingedrukt bij draaiende motor, beweegt de machine Niet vooruit (modellen methydrostatische transmissie) | ontgrendelingshendel in standvoor transmissie ontrendeld | zet deze indien nodig terugin de ingeschakelde standvan de transmissie |
| 17. De machine begint abnormaal te tricklen en/of heeft gegen een vreeimd voorwerp gestoot | beschadiging of losgekomen delen stopde machine en haalde contactsleutel weg | |
OPMERKING Als de problemen aanhonden nadat de beschreven oplossingen zijn toegepast, contacteer dan uw verkoper.
OPMERKING Voor andere problemen die nicht zich vermeld in de tabel要去 u onmiddelijk een erkend Dienstcentrum contacteren.
NL • De inhoud en de afbeeldingen van deze gebruikshandleiding werden gerealiseerd voor rekening van ST. S.p.A. en zijn beschermd door het autoursrecht – Elke Niet-geauthoriserde reproductie of wijziging, ook gedeelijke, van het document is verboden.