GCPC 1335 I TC - Zaag EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis GCPC 1335 I TC EINHELL in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Zaag in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GCPC 1335 I TC - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GCPC 1335 I TC van het merk EINHELL.
GEBRUIKSAANWIJZING GCPC 1335 I TC EINHELL
1. Veiligheidsaanwijzingen
2. Beschrijving van het gereedschap en leveringsomvang
5. Vóór inbedrijfstelling
7. Reiniging, onderhoud, opbergen en bestellen van wisselstukken
8. Verwijdering en recyclage
Gevaar! Bij het gebruik van toestellen dienen enkele veiligheidsmaatregelen te worden nageleefd om lichamelijk gevaar en schade te voorkomen. Lees daarom deze handleiding / veiligheidsinstructies zorgvuldig door. Bewaar deze goed zodat u de in- formatie op elk moment kunt terugvinden. Mocht u dit toestel aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding / veiligheidsins- tructies mee te geven. Wij zijn niet aansprakelijk voor ongevallen of schade die te wijten zijn aan niet-naleving van deze handleiding en van de vei- ligheidsinstructies.
1. Veiligheidsaanwijzingen
De overeenkomstige veiligheidsinstructies vindt u in de bijgaande brochure. Gevaar! Lees alle veiligheidsinstructies en aanwijzin- gen. Nalatigheden bij de inachtneming van de veiligheidsinstructies en aanwijzingen kunnen elektrische schok, brand en/of zware letsels tot gevolg hebben. Bewaar alle veiligheidsinstruc- ties en aanwijzingen voor de toekomst.
2. Beschrijving van het gereedschap
2.1 Beschrijving van het gereedschap
10. Aan/Uit-schakelaar
24. Schroevendraaier
25. Brandstofpomp (primer)
Veiligheidsfuncties (fi g. 1a/1b)
3 ZAAGKETTING MET GERINGE
TERUGSTOOT helpt u terugstoten of hun kracht met speciaal ontwikkelde veiligheidsin- richtingen op te vangen. 6 KETTINGREMHENDEL / HANDBESCHER- MER beschermt de linkerhand van de bedie- ningspersoon mocht die bij draaiende zaag wegglijden van de voorste greep. KETTINGREM is een veiligheidsfunctie ter vermindering van letsel als gevolg van terugstoten; door deze rem wordt de rote- rende zaagketting binnen milliseconden stilgezet. Ze wordt geactiveerd door de KET- TINGREMHENDEL. 10 STOPSCHAKELAAR stopt de motor on- middellijk als hij uitgeschakeld wordt. De stopschakelar dient op EIN (AAN) te worden gezet om de motor (opnieuw) te starten. 12 VEILIGHEIDSLOSSER voorkomt een toeval- lige verhoging van de motortoeren. De ga- shendel kan alleen worden ingedrukt als de veiligheidslosser ingedrukt is. 18 KETTINGVANGELEMENT reduceert het let- selgevaar mocht de zaagketting bij draaiende motor scheuren of ontglijden. Het kettingvan- gelement dient om een om zich heen slagen- de ketting op te vangen. Aanwijzing! Maakt u zich vertrouwd met de zaag en haar onderdelen.
Gelieve de volledigheid van het artikel te contro- leren aan de hand van de beschreven omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft ge- kocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve daarvoor de garantietabel in de service- informatie aan het einde van de handleiding in acht te nemen.
Open de verpakking en neem het toestel voorzichtig uit de verpakking.
Controleer het toestel en de accessoires op transportschade.
Bewaar de verpakking indien mogelijk tot het verloop van de garantieperiode. Gevaar! Het toestel en het verpakkingsmateriaal zijn geen speelgoed voor kinderen! Kinderen mo- gen niet met plastic zakken, folies en kleine stukken spelen! Er bestaat inslik- en verstik- kingsgevaar!
Veiligheidsinstructies
3. Reglementair gebruik
Het apparaat dient doelmatig uitsluitend voor het zagen van hout. Het vellen van bomen mag uitsluitend gebeuren met adequate opleiding. De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van niet-doelmatig gebruik of verkeerde bediening. De machine mag slechts voor werkzaamheden worden gebruikt waarvoor ze bedoeld is. Elk ander verder gaand gebruik is niet reglementair. Voor daaruit voortvloeiende schade of verwon- dingen van welke aard dan ook is de gebruiker/ bediener, niet de fabrikant, aansprakelijk. Wij wijzen erop dat onze gereedschappen overe- enkomstig hun bestemming niet geconstrueerd zijn voor commercieel, ambachtelijk of industrieel gebruik. Wij geven geen garantie indien het ge- reedschap in ambachtelijke of industriële bedrij- ven alsmede bij gelijk te stellen activiteiten wordt gebruikt. Voorzichtig! Restrisico’s Er blijven altijd restrisico’s bestaan, ook al wordt dit apparaat volgens de voorschriften bediend. De volgende gevaren kunnen zich voordoen in verband met de bouwwijze en uitvoering het ap- paraat:
1. Snijverwondingen bij contact met de onbe-
schermde respectievelijk roterende zaagket- ting.
2. Snijverwondingen bij terugslag of andere on-
gewilde bewegingen van de geleiderail.
3. Verwondingen door weggeslingerde delen
4. Verwondingen door weggeslingerde delen
van het snijmateriaal.
5. Beschadiging van het gehoor, indien geen
voorgeschreven gehoorbescherming wordt gedragen.
6. Ademproblemen door inademen van schade-
lijke gassen en huidletsel door contact met benzine.
Maximaal toerental met snijgereedschap ...............................11000 min
(ISO 22868) op de plaats van de bediener ................ 99 dB(A) Onzekerheid K
Beperk de geluidsontwikkeling en vibratie tot een minimum!
Gebruik enkel intacte toestellen.
Onderhoud en reinig het toestel regelmatig.
Pas uw manier van werken aan het toestel aan.
Overbelast het toestel niet.
Laat het toestel indien nodig nazien.
Schakel het toestel uit als het niet wordt ge- bruikt.
5. Vóór inbedrijfstelling
Gevaar: Start de motor pas als de zaag volledig is gemonteerd. Voorzichtig: Draag bij de omgang met de ketting altijd veiligheidshandschoenen.
5.1 Aanbrengen van de geleiderail
GEBRUIK ALLEEN DE ORIGINELE RAIL om te verzekeren dat aan de rail en aan de ketting olie wordt toegevoerd. De olieuitlaatopening (fi g. 2, pos. A) dient vrij te zijn van verontreinigingen en aankoekingen.
1. Vergewis u er zich van dat de kettingremhen-
del naar de stand ONTKOPPELD is terugge- trokken (fi g.3A).
2. Verwijder het railbevestigingswiel (20). Neem
de afdekking eraf (fi g. 3B).
3. Draai het kettingspanwiel (19) TEGEN DE
KLOK IN tot de AREND (E) (uitstekend punt) zich aan het einde van zijn schuifafstand in de richting van koppelingscilinder en tandwiel bevindt (fi g. 3B/3C).
4. Plaats het gekeepte uiteinde van de gelei-
derail over de railbouten (F). Richt de rail zo uit, dat de AREND in het gat (G) in de gelei- derail past (fi g. 3C/3D).
5.2 Aanbrengen van de zaagketting
1. Spreidt de ketting in een lus uit zodat de snij-
kanten (A) MET DE WIJZERS VAN DE KLOK MEE rond de lus zijn uitgericht (fi g. 4A).
2. Schuif de ketting rondom het tandwiel (B)
achter de koppeling (C). De kettingschakels moeten tussen de tanden in worden gevoegd (fi g. 4B).
3. Voer de aandrijfschakels de gleuf (D) in en
leid ze rond het uiteinde van de rail (fi g. 4B). Aanwijzing: Het zou kunnen dat de zaagketting aan de onderkant van de rail lichtjes doorhangt. Dit is normaal.
4. Trek de geleiderail naar voren tot de ketting
nauw aansluit. Vergewis u er zich van dat alle aandrijfschakels zich in de groef van de rail bevinden.
5. Breng de afdekking van de koppeling aan
(fi g. 5) en draai het railbevestigingswiel (20) met de klok mee om dit te bevestigen. Daarbij mag de ketting niet van de geleiderail afglij- den. Draai het railbevestigingswiel handvast aan en volg de aanwijzingen voor het instel- len van de kettingspanning zoals beschreven in het hoofdstuk INSTELLEN VAN DE KET- TINGSPANNING.
5.3 Instellen van de kettingspanning
De juiste spanning van de zaagketting is uiterst belangrijk en moet vóór het starten en tijdens alle zaagwerkzaamheden gecontroleerd worden. Als u even de tijd neemt om de zaagketting zoals voorgeschreven in te stellen, dan kunt betere sneden uitvoeren en wordt de levensduur van de ketting verlengd. Voorzichtig: Draag bij de om- gang met de zaagketting of bij het afstellen van de ketting altijd hoogvaste handschoenen.
1. Houd de punt van de geleiderail naar boven
en draai het kettingspanwiel (19) MET DE KLOK MEE om de spanning van de ketting te verhogen (fi g. 5). Indien u de schroef TEGEN DE DE KLOK IN draait, dan wordt de span- ning van de ketting verlaagd. Controleer of de ketting helemaal rond de geleiderail is aange- legd (fi g. 6).
2. Na het afstellen, de punt van de rail wijst nog
steeds naar boven, draait u het railbevesti- gingswiel (20) stevig aan. De ketting is correct gespannen, als hij nauw aansluit en met de hand helemaal erom heen kan worden ge- trokken. Aanwijzing: Als de ketting maar moeilijk rond de geleiderail kan worden gedraaid of als hij blok- keert, dan is hij te strak gespannen. Voer dan de volgende, kleine instellingen uit:
1. Maak het railbevestigingswiel (20) een 1/2
omdraaiing los. Verlaag de kettingspanning door het kettingspanwiel (19) langzaam TE- GEN DE KLOK IN te draaien. Trek de ketting op de rail naar voor en terug. Doe dit tot de ketting zonder wrijving kan worden bewogen, maar toch nauw aansluit. Verhoog de span- ning door het kettingspanwiel MET DE KLOK Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 148Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 148 18.07.2016 11:25:0418.07.2016 11:25:04NL
houdt u de punt van de geleiderail naar boven en draait u het railbevestigingswiel (20) stevig aan. Aanwijzing! Een nieuwe zaagketting wordt lan- ger en moet bijgevolg na ca. 5 sneden worden bijgeregeld. Dit is bij nieuwe kettingen normaal en toekomstige afstellingen zullen minder vaak moe- ten worden uitgevoerd. Aanwijzing! Als de zaagketting TE LOS of TE HARD GESPANNEN is, gaan het aandrijfwiel, de geleiderail, de ketting en het lager van de krukas sneller afslijten. Fig. 6 informeert over de correcte spanning A (koude toestand) en spanning B (war- me toestand). Fig. C toont een te slappe ketting.
5.4 Brandstof en olie
Brandstof Gebruik voor optimale resultaten normale, loodv- rije brandstof gemengd met speciale 2-takt olie. Brandstofmengsel Meng de brandstof met 2-takt olie in een geschikt reservoir. Schud het reservoir om alles goed te mengen. Aanwijzing: Gebruik voor deze zaag nooit zuive- re benzine. De motor wordt hierdoor beschadigd en u verliest het recht op garantie voor dit pro- duct. Gebruik geen brandstofmengsel dat langer dan 90 dagen werd bewaard. Aanwijzing: Er moet speciale 2-takt olie voor luchtgekoelde 2-takt motoren met een mengver- houding van 1:40 worden gebruikt. Gebruik geen 2-takt olie met een mengverhouding van 1:100. Ontoereikend inoliën beschadigt de motor en u verliest in dit geval het recht op garantie voor de motor. Aanbevolen brandstoff en Sommige conventionele benzines zijn gemengd met bijmengingen zoals alcohol- of etherverbin- dingen, om te voldoen aan normen voor zuivere uitlaatgassen. De motor loopt naar tevredenheid met alle soorten benzine met het oog op de eigen aandrijving, ook met zuurstof verrijkte benzines. Gebruik liefst loodvrije normale benzine. Oliën van ketting en geleiderail Elke keer als de brandstoftank met benzine wordt gevuld, moet ook de kettingolietank worden bi- jgevuld. Het wordt aanbevolen om in de handel verkrijgbare ketttingolie te gebruiken. Motorolie en benzine Zaagketting Menging 1:40 Alleen olie Aanbevolen brandstoff en Controles vóór het starten van de motor Gevaar: Start of bedien de zaag nooit, als de ket- ting en de rail niet juist zijn gemonteerd.
1. Vul de brandstoftank (21) met het juiste
Na het vullen van ketting- en olietank de tankdop met de hand vastdraaien. Gebruik hiervoor geen gereedschap.
Controleer het apparaat vóór gebruik op eventu- ele schade en gebruik het niet indien u schade vaststelt. Het apparaat mag alleen met geacti- veerde kettingrem worden gestart. De kettingrem is geactiveerd, als de remhendel (6) naar voor is gedrukt. Verklaring van de werkwijze, zie – Controle- ren van de kettingrem - Statische controle.
De kettingzaag is voorzien van een kettingrem, die verwondingsgevaar op grond van het gevaar van een terugslag vermindert. De rem wordt geactiveerd als er druk wordt uitgeoefend op de handbescherming (6). Bijv. als bij een terugslag de hand van de bediener op de handbescher- ming (6) slaat. Bij activering van de rem stopt de ketting (3) abrupt. Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 149Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 149 18.07.2016 11:25:0418.07.2016 11:25:04NL
Waarschuwing: De kettingrem is weliswaar be- doeld om het verwondingsgevaar als gevolg van een terugslag te verminderen, maar hij kan geen adequate bescherming bieden als met de zaag achteloos wordt gewerkt. Controleer regelmatig of de kettingrem naar behoren functioneert. Test de kettingrem vóór de eerste snede, na meermaals snijden, na onderhoudswerkzaamheden en als de kettingzaag aan sterke stoten werd blootgesteld of gevallen is.
6.1.1 Controleren van de kettingrem (afb.
5A/5B/6) Statische controle (bij afgezette motor) Kettingrem gedeactiveerd (ketting (3) vrij verschuifbaar)
1. Trek de voorste handbescherming (6) in de
richting van de voorste handgreep (7). De voorste handbescherming (6) moet hoorbaar vastklikken (fi g. 5A).
2. De ketting (3) moet op de geleiderail (2) kun-
nen worden verschoven. Kettingrem geactiveerd (ketting (3) geblok- keerd)
1. Druk de voorste handbescherming (6) in de
richting van de geleiderail (2). De voorste handbescherming (6) moet hoorbaar vastklik- ken (fi g. 5B).
2. De ketting (3) mag op de geleiderail (2) niet
kunnen worden verschoven. Aanwijzing: De voorste handbescherming (6) moet in beide posities vastklikken. Gebruik de zaag niet als u een sterke weerstand voelt, of als de voorste handbescherming (6) niet vastklikt. Breng hem voor reparatie naar de geautoriseerde klantendienst. Dynamische controle (motor wordt gestart)
1. Zet de zaag op een hard, eff en vlak.
2. Met de linker hand houdt u de voorste hand-
3. Start de kettingzaag volgens de startinstructie
handbescherming (6) in de richting van de voorste handgreep (7)) (fi g. 5A).
5. Grijp de achterste greep (8) vast met de rech-
6. Geef na een korte opwarmfase vol gas. Druk
met de rug van de linker hand de voorste handbescherming (6) in de richting van de geleiderail (2). Daardoor wordt de kettingrem geactiveerd (fi g. 6). Gevaar: Activeer de kettingrem langzaam en met overleg. Houd de zaag met beide handen vast en let op een goede greep. De zaag mag geen voor- werpen raken.
7. De ketting (3) moet abrupt stoppen. Laat me-
teen de gashendel (11) los als de ketting (3) stil staat. Gevaar: Als de ketting (3) niet stopt, dan schakelt u de motor uit en brengt u de zaag voor reparatie naar de geautoriseerde klantendienst.
6.1.2 Controleren van de koppeling
Voer regelmatige functiecontroles van de koppe- ling uit. Controleer de koppeling vóór de eerste snede, na meermaals snijden, na onderhouds- werkzaamheden en als de kettingzaag aan sterke stoten werd blootgesteld of gevallen is.
1. Start de kettingzaag volgens de startinstructie
weer los, om te garanderen dat de vergren- deling van de smoorklep werd ontspannen en de motor stationair draait.
3. De ketting (3) moet in onbelast bedrijf stop-
pen. De koppeling is zo ontworpen, dat bij het verhogen van het stationaire toerental met het 1,25-voudige geen beweging van de ketting mag worden vastgesteld. Gevaar: Als de ketting (3) niet stopt, dan schakelt u de motor uit en brengt u de zaag voor reparatie naar de geautoriseerde klantendienst. Gevaar: Activeer altijd de kettingrem (6), voordat u de motor start.
6.2 Starten bij koude motor (7A-7D)
Giet in de tank een behoorlijke hoeveelheid ben- zine-/oliemengsel (zie punt 5.3).
1. Apparaat op een hard, eff en vlak zetten.
4. Choke-hendel (13) uittrekken (fi g. 7B).
Aanwijzing: Door de choke-hendel I I (13) te ac- tiveren word ook de smoorklep iets geopend en in deze stand vergrendeld. Dit heeft een verhoging van het stationaire toerental tot gevolg, en de zaag start sneller. Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 150Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 150 18.07.2016 11:25:0418.07.2016 11:25:04NL
5. Het apparaat goed vasthouden en de starter-
greep (9) tot de eerste weerstand uittrekken. Nu de startergreep (9) 3x snel aantrekken (fi g. 7C/7D).
6. Choke-hendel (13) indrukken.
7. Het apparaat goed vasthouden en de starter-
greep (9) tot de eerste weerstand uittrekken. Nu de startergreep (9) meermaals snel aant- rekken, tot de motor start (fi g. 7D). Aanwijzing: De startergreep (9) niet laten terug- springen. Dit kan tot beschadigingen leiden. Als de motor is gestart, het apparaat ca. 10 sec. warm laten lopen. Waarschuwing: Op grond van de iets geopende smoorklep begint het snijgereedschap bij gestar- te motor te werken. Bedien kort de gashendel (11). De vergrendeling van de smoorklep wordt ontspannen en de motor keert terug in het onbe- last bedrijf (fi g. 7C).
8. Mocht de motor niet na 8 rukken aan de
startergreep niet aanslaan, dan herhaalt u de stappen 1-7. Opgelet: Slaat de motor ook na meerdere pogin- gen niet aan, gelieve dan het hoofdstuk „Fouten verhelpen aan de motor“ te raadplegen. Opgelet: Trek het koord van de startergreep altijd recht eruit. Als het in een hoek wordt uitgetrokken, dan ontstaat er wrijving aan het oog. Door deze wrijving wordt het koord doorgeschuurd en verslijt het sneller. Houd steeds de startergreep vast, als het koord weer vanzelf naar binnen wordt ge- trokken. Laat de startergreep nooit terugspringen vanuit de uitgetrokken toestand.
6.3 Starten bij warme motor (fi g. 7A-7D)
(Het apparaat stond gedurende minder dan 15-20 min stil.)
1. Het apparaat op een hard, eff en vlak zetten.
2. Aan/Uit-schakelaar (10) op „I“ zetten (fi g. 7A).
3. Het apparaat goed vasthouden en de star-
tergreep (9) tot de eerste weerstand uittrek- ken. Nu de startergreep (9) meermaals snel aantrekken, tot de motor start Het apparaat moet na 1-2 keer doorhalen starten. Mocht de machine na 6 keer doorhalen nog altijd niet starten, dan herhaalt u de stappen 1-7 onder
2. Schuif de STOP-schakelaar omlaag om de
motor te stoppen. Aanwijzing: Om de motor in geval van nood te stoppen, activeert u de kettingrem en brengt u de AAN/UIT-schakelaar naar de stand “Stop (0)”.
6.5 Algemene instructies voor het snijden
Gevaar! Het vellen van een boom zonder oplei- ding is niet toegestaan! Vellen
Vellen betekent het afzagen van een boom. Kleine bomen met een diameter van 15 tot 18 cm zaagt men normaal met één snede af. Bij grotere bomen moeten kerfsneden worden aangezet. Kerfsneden bepalen de richting waarin de boom gaat vallen.
Voordat u begint te snijden dient u een pad (A) te plannen en vrij te legen om zich terug te kunnen trekken. De terugtrekpad moet naar achteren en diagonaal t.o.v. de achterzij- de van de te verwachten valrichting verlopen, zoals voorgesteld in fig. 8.
Bij het vellen van een boom op een helling moet de bedieningspersoon van de ketting- zaag op de opstijgende kant van de helling gaan staan omdat de boom na het vellen hoogstwaarschijnlijk de helling eraf gaat rol- len of glijden.
De valrichting (B) wordt door de kerfsnede bepaald. Voordat u begint te snijden dient u rekening te houden met de plaats van grotere takken en met de natuurlijke schuinte van de boom om het neerkomen van de boom te schatten (fig. 8).
Vel geen boom als er een harde wind of wind uit wisselende richtingen waait of als het gevaar voor schade aan eigendom bestaat. Raadpleeg een specialist voor het vellen van bomen. Vel geen boom als die op leidingen terecht zou kunnen komen en verwittig de overheid die voor deze leiding bevoegd is voordat u de boom velt. Algemene richtlijnen voor het vellen van bo- men (fi g. 9) Normaal worden bij het vellen 2 hoofdsneden toe- gepast: inkepen (C) en velsnede (D).
Begin met de bovenste kerfsnede (C) aan de overkant van de valzijde van de boom (E). Let er op bij de onderste snede niet de diep de Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 151Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 151 18.07.2016 11:25:0418.07.2016 11:25:04NL
boomstam in te snijden. De inkeping (C) mag niet te diep zijn zodat een verankeringspunt (F) van voldoende breedte en dikte gewaar- borgd is. De inkeping moet breed genoeg zijn om het neerkomen van de boom zo lang mogelijk te controleren.
Ga nooit voor een boom gaan staan die inge- keept is. Breng de velsnede (D) aan de ande- re kant van de boom aan, ca. 3-5 cm boven de onderkant van de inkeping (C). Zaag de boomstam nooit helemaal door. Er moet altijd een verankeringspunt blijven staan. Het ver- ankeringspunt houdt de boom op zijn plaats. Als de boom helemaal wordt doorgezaagd kunt u de valrichting niet meer controleren. Steek een wig of een velhefboom de snede in nog voordat de boom onstabiel wordt en begint te bewegen. Op die manier kan de geleiderail niet in de velsnede worden vast- geklemd als u de valrichting verkeerd heeft geschat. Verbiedt toeschouwers de toegang tot het gebied waar de boom gaat neerkomen voordat u hem omverduwt.
Voordat u de definitieve snede uitvoert, dient u er zich van te vergewissen dat geen toeschouwers, dieren of hindernissen op de plaats aanwezig zijn waar de boom neerkomt. Velsnede
Voorkom het vastklemmen van de geleiderail of de ketting (B) in de snede d.m.v. houten of plastiek wiggen (A). Wiggen controleren eve- neens het vellen (fig. 10).
Is de diameter van het te snijden hout groter dan de lengte van de geleiderail, maakt u twee sneden zoals getoond in de figuur (fig. 11).
Als de velsnede het verankeringspunt nadert, begint de boom te vallen. Zodra de boom be- gint neer te komen trekt u de zaag de snede uit, stopt u de motor, legt u de kettingzaag neer en verlaat u de plaats via het terugtrek- pad (fig. 8). Verwijderen van takken
Takken worden van de gevelde boom verwij- derd. Verwijder de steuntakken (A) pas als de stam op lengte is gesneden (fig. 12). Takken waarop spanning staat dienen van beneden naar boven te worden gesneden zodat de kettingzaag niet kan worden vastgeklemd.
Snij nooit takken van de boom terwijl u op de boomstam staat. Op lengte snijden
Snij een gevelde boomstam op de juiste leng- te. Let erop dat u veilig staat en ga aan de bo- venkant van de stam gaan staan als u op een helling zaagt. De stam moet indien mogelijk ondersteund zijn zodat het af te snijden einde niet op de grond ligt. Als de beide einden van de stam ondersteund zijn en u in het midden moet snijden, maak dan een halve snede van boven door de stam en vervolgens de snede van beneden naar boven. Daardoor voorkomt u het vastklemmen van de geleiderail en de ketting in de stam. Let er goed op dat de ketting bij het op maat snijden niet de grond in snijdt want daardoor wordt de ketting snel bot. Ga bij het op maat snijden altijd aan de bovenkant van de helling gaan staan.
1. Stam over de totale lengte onder-
steund: snij van boven en let er goed op niet de grond in te snijden (fig. 13A).
2. Stam aan slechts één uiteinde onder-
steund: snij eerst 1/3 van de stamdiameter van beneden naar boven om het afbreken te voorkomen. Snij dan van boven naar de eerste snede toe om het vastklemmen te ver- mijden (fig. 13B).
3. Stam aan de beide uiteinden onder-
steund: snij eerst 1/3 van de stamdiameter van boven naar beneden om het afbreken te voorkomen. Snij dan van beneden naar de eerste snede toe om het vastklemmen te ver- mijden (fig. 13C).
Om een boomstam op lengte te snijden ge- bruikt u best een zaagbok. Is dit niet mogelijk is het aan te raden de stam op te tillen of te ondersteunen m.b.v. stronken van takken of via steunblokken. Zorg ervoor dat de te snij- den stam veilig is ondersteund. Op lengte snijden op een zaagbok (fi g. 14) Voor uw veiligheid en om het zaagwerk te verge- makkelijken is de juiste positie vereist om de stam recht naar beneden op lengte te snijden. A. Hou de zaag met de beide handen vast en leidt ze tijdens het snijden rechts aan uw lichaam voorbij. B. Hou de linkerarm zo recht mogelijk. C. Verdeel uw gewicht op beide voeten. Voorzichtig: Tijdens het zagen dient u er steeds op te letten dat de zaagketting en de geleiderail voldoende geolied zijn. Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 152Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 152 18.07.2016 11:25:0418.07.2016 11:25:04NL
7. Reiniging, onderhoud, opbergen
en bestellen van wisselstukken Trek vóór alle reinigings- en onderhoudswerk- zaamheden de bougiestekker uit.
Hou de veiligheidsinrichtingen, de ventila- tiespleten en het motorhuis zo veel mogelijk vrij van stof en vuil. Wrijf het toestel met een schone doek af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon.
Het is aan te bevelen het toestel direct na elk gebruik te reinigen.
Reinig het toestel regelmatig met een vochti- ge doek en wat zachte zeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen; die zouden de kunststofcomponenten van het toestel kun- nen aantasten. Let er goed op dat geen water in het toestel terechtkomt.
Waarschuwing: Alle onderhoudswerkzaamhe- den, met uitzondering van de in deze handleiding opgesomde punten, mogen alleen worden uitge- voerd door de geautoriseerde klantendienst.
Aanwijzing: Gebruik de zaag nooit zonder het luchtfi lter. Stof en vuil wordt anders in de motor getrokken en beschadigt deze. Houd het luchtfi l- ter schoon! Het luchtfi lter moet om de 20 bedrijf- suren gereinigd resp. vervangen worden. Reiniging van het luchtfi lter (fi g. 15A-15C)
1. Verwijder de bovenste afdekking van het
luchtfi lter (14) door de bevestigingsschroef (A) van de afdekking eruit te draaien. De af- dekking kan dan eraf worden genomen (fi g. 15A).
2. Til het luchtfi lter (15) eruit (fi g. 15B).
3. Reinig het luchtfi lter. Was het fi lter in schoon,
warm zeeploog. Laat het volledig droog wor- den aan de lucht. Aanwijzing: Het valt aan te raden om reservefi l- ters in voorraad te houden.
4. Zet het luchtfi lter erin. Zet de afdekking van
het luchtfi lter (14) erop. Let erop dat de afdek- king nauwkeurig passend erop wordt gezet. Draai de bevestigingsschroef van de afdek- king aan.
7.2.2 Brandstoffi lter (fi g. 15C)
Aanwijzing: Zet de zaag nooit in zonder het brandstoffi lter. Na telkens 100 bedrijfsuren moet het brandstoffi lter gereinigd of bij beschadiging vervangen worden. Maak de brandstoftank hele- maal leeg, voordat u het fi lter vervangt.
1. Neem de dop van de brandstoftank eraf.
2. Buig een zachte draad recht.
3. Steek hem in de opening van de brand-
stoftank en haak de brandstofslang in. Trek de brandstofslang voorzichtig naar de opening, tot u hem met de vingers kunt vastpakken. Aanwijzing: Trek de slang niet helemaal uit de tank.
4. Til het fi lter uit de tank.
5. Trek het fi lter met een draaibeweging eraf en
reinig het. Als het beschadigd is, dan verwerkt u het fi lter.
6. Zet een nieuw of het gereinigde fi lter erin.
Steek een uiteinde van het fi lter in de tanko- pening. Vergewis u ervan dat het fi lter in de onderste hoek van de tank zit. Schuif het fi lter met een lange schroevendraaier op zijn juiste plaats.
7. Vul de tank met vers brandstofmengsel. Zie
hoofdstuk BRANDSTOF EN OLIE. Draai de dop van de tank erop.
7.2.3 Bougie (fi g. 15A/15B)
Aanwijzing: Opdat de zaagmotor goed blijft func- tioneren, moet de bougie schoon zijn en de juiste elektrodenafstand bezitten. De bougie moet om de 20 bedrijfsuren gereinigd resp. vervangen worden.
1. Zet de Aan/Uit-schakelaar op “Stop (0)“.
2. Verwijder de afdekking van het luchtfi lter
(14) door de bevestigingsschroef (A) van de afdekking eruit te draaien. De afdekking kan dan eraf worden genomen (fi g. 15A).
3. Verwijder het luchtfi lter (15) (fi g. 15B).
4. Trek de ontstekingskabel (C) door trekken en
gelijktijdig te draaien van de bougie af (fi g. 15B).
5. Verwijder de bougie met een bougiesleutel.
6. Reinig de bougie met een koperdraadborstel
of zet een nieuwe erin.
Aanwijzing: U mag zelf geen instellingen uitvoe- ren aan de carburateur!
Smeer de ster van de geleiderail om de 10 bedrijfsuren. Dit is vereist, opdat uw ketting- zaag het optimale vermogen kan bereiken (fig. 16). Reinig de smeeropening, zet het vet- kanon (niet meegeleverd) aan en pomp vet in het lager, tot het aan de buitenkant eruit wordt gedrukt.
Reinig de groef waarin de ketting loopt, en de olie-inlaatopening regelmatig met een in de handel verkrijgbaar reinigingsgereedschap (fig. 17A). Dit is belangrijk om een optimale smering van geleiderail en ketting tijdens het bedrijf te garanderen.
Verwijder bramen en scherpe randen aan de geleiderail (2) door met een vlakke vijl voor- zichtig te vijlen (fig. 17B).
Keer de geleiderail (2) om de 8 werkuren, opdat deze aan de boven- en onderkant geli- jkmatig verslijt. Oliedoorlaten Oliedoorlaten op de rail moeten worden gereinigd om te garanderen dat de rail en de ketting tijdens het bedrijf goed worden ingeolied. Aanwijzing: De toestand van de oliedoorlaten kan gemakkelijk worden gecontroleerd. Als de doorlaten schoon zijn, dan sproeit de ketting enkele seconden na starten van de zaag auto- matisch olie weg. De zaag bezit een automatisch oliesysteem. Automatische kettingsmering De kettingzaag is uitgerust met een automatisch oliesysteem met tandwielaandrijving. Dit voedt de rail en de ketting automatisch met de juiste hoeveelheid olie. Zodra de motor wordt versneld, stroomt ook de olie sneller naar de railplaat. De kettingsmering werd in de fabriek optimaal ingesteld. Als instellingen achteraf vereist wor- den, breng de zaag dan naar de geautoriseerde klantendienst. Aan de onderkant van de kettingzaag zit de instel- schroef (A) voor de kettingsmering (fi g. 21). Naar links draaien verhoogt de kettingsmering, naar rechts draaien verlaagt de kettingsmering. Om de kettingsmering te controleren de ketting- zaag met de ketting boven een vel papier houden en een paar seconden vol gas geven. Op het papier kan de ingestelde hoeveelheid olie worden gecontroleerd. Controleer regelmatig of de kettingsmering naar behoren functioneert. Test de kettingsmering vóór de eerste snede, na meermaals snijden en in elk geval na onderhoudswerkzaamheden. Oliën van de ketting Vergewis u er altijd van dat het automatische olie- systeem goed functioneert. Zorg voor een altijd gevulde olietank. Tijdens de zaagwerkzaamheden moeten de rail en de ketting altijd voldoende geolied zijn, om wrijving met de geleiderail te verlagen. De rail en de ketting mogen nooit zonder olie zijn. Als u de zaag droog of met te weinig olie inzet, dan neemt het snijvermogen af, de levensduur van de zaagketting wordt korter, de ketting wordt snel bot en de rail verslijt zeer sterk op grond van oververhitting. Te weinig olie herkent men aan rookontwikkeling of verkleuring van de rail.
7.2.6 Onderhoud van de ketting
Scherpen van de ketting Aanwijzing: Een scherpe ketting levert welge- vormde spanen op. Wanneer de ketting zaagmeel genereert, dan moet hij worden gescherpt. Om de ketting te scherpen zijn speciale ge- reedschappen vereist, die garanderen dat de messen in de juiste hoek en op de juiste diepte zijn gescherpt. Voor de onervaren gebruiker van kettingzagen bevelen wij aan om de zaagketting te laten scherpen door een vakman van de lokale klantendienst. Indien u denkt dat u zelf uw eigen zaagketting kunt scherpen, koop dan de speciale gereedschappen aan bij de professionele klan- tendienst. Ketting scherpen (fi g. 18) Scherp de ketting met veiligheidshandschoenen en een ronde vijl. Scherp de punten alleen met naar buiten gerichte bewegingen (fi g. 19) en neem de waarden in fi g. 18 in acht. Na het scherpen moeten de snij-elementen alle- maal even breed en lang zijn. Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 154Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 154 18.07.2016 11:25:0418.07.2016 11:25:04NL
Na 3-4 maal scherpen van de snij-elementen moet u de hoogte van de dieptebegrenzers con- troleren en deze evt. met een vlakke vijl inkorten, en dan de voorste hoek afronden (fi g. 20). De voorste randen vijlt u rond.
7.3 Opslag en transport
Breng vóór transport en opslag van de ketting- zaag de kettingbescherming (4) aan. Aanwijzing: Berg de kettingzaag nooit langer dan 30 dagen op zonder de volgende stappen te doorlopen. Opbergen van de kettingzaag Als u een kettingzaag langer dan 30 dagen opbergt, dan moet deze hiervoor worden voor- bereid. Anders zou de rest van de brandstof die zich in de carburateur bevindt verdampen en een rubberachtig bezinksel achterlaten. Dit zou de start kunnen bemoeilijken en dure reparatiewerk- zaamheden tot gevolg kunnen hebben.
1. Neem de dop van de brandstoftank langzaam
eraf om eventuele druk in de tank af te laten. Maak de tank voorzichtig leeg.
2. Start de motor en laat hem draaien tot de
zaag stopt teneinde de brandstof uit de car- burateur te verwijderen.
3. Laat de motor afkoelen (ca. 5 minuten).
4. Reinig de machine grondig.
Aanwijzing: Berg de zaag op een droge plaats op en zo ver mogelijk verwijderd van eventuele ontstekingsbronnen, bijv. kachel, warmwaterboiler die op gas werkt, gasdroger enz. Voer de inbedrijfstelling na opslag uit zoals be- schreven in hoofdstuk „5. Vóór inbedrijfstelling“. Transport
Beveilig de kettingzaag tegen wegglijden om verlies van brandstof, schade of verwondin- gen te vermijden.
7.4 Bestellen van wisselstukken:
Gelieve bij het bestellen van wisselstukken vol- gende gegevens te vermelden:
Type van het toestel
Artikelnummer van het toestel
Ident-nummer van het toestel
Wisselstuknummer van het benodigd stuk Actuele prijzen en info vindt u terug onder www.isc-gmbh.info
8. Verwijdering en recyclage
Het toestel bevindt zich in een verpakking om transportschade te voorkomen. Deze verpakking is een grondstof en bijgevolg herbruikbaar of kan naar de grondstofkringloop worden teruggevo- erd. Het toestel en zijn accessoires bestaan uit diverse materialen, zoals b.v. metaal en kunststof. Defecte toestellen horen niet thuis in het huisvuil. Om zich van het toestel naar behoren te ontdoen dient het naar een geschikte verzamelplaats te worden gebracht. Als u geen verzamelplaats kent gelieve u dan bij de gemeente te informeren. Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 155Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 155 18.07.2016 11:25:0418.07.2016 11:25:04NL
Probleem Mogelijke oorzaak Verhelpen De motor start niet, of hij start maar loopt niet verder. - Verkeerd startproces. - Te veel brandstof in de verbran- dingsruimte door mislukte startpo- gingen. - Verkeerd ingestelde carburateur. - Verroeste bougie. - Verstopt brandstoffi lter. - Neem de instructies in deze hand- leiding in acht. - Wacht ca. 30 minuten tot de brand- stof in de verbrandingsruimte is vervluchtigd, voordat u de ketting- zaag opnieuw probeert te starten. - Laat de carburateur instellen door de geautoriseerde klantendienst. - Bougie reinigen/Elektrodenafstand instellen of vervangen. - Vervang het brandstoffi lter. De motor start, maar hij loopt niet met vol vermogen. - Verkeerde hendelpositie aan de choke. - Vervuild luchtfi lter. - Verkeerd ingestelde carburateur- menging. - Hendel in de correcte positie bren- gen. - Filter verwijderen, reinigen en opni- euw erin zetten. - Laat de carburateur instellen door de geautoriseerde klantendienst. Motor draait onre- gelmatig - Fout ingestelde carburatormenge- ling. - Laat de carburator instellen door de geautoriseerde dienst na verkoop. Geen vermogen bij belastimg - Fout ingestelde bougie. - Bougie schoonmaken / afstellen of vervangen. Motor draait onrus- tiger. - Fout ingestelde carburatormenge- ling. - Laat de carburator instellen door de geautoriseerde dienst na verkoop. Bovenmatig veel rook. - Verkeerde brandstofmengeling. - Gebruik de juiste brandstofmenge- ling (verhouding 40 tot 1) Geen vermogen bij belasting - Ketting bot - Ketting zit los - Ketting scherpen of nieuwe ketting monteren - Ketting spannen Motor slaat af - Benzine tank leeg. - Brandstoffi lter in de tank fout gepo- sitioneerd - Benzinetank vullen. - Benzinetank helemaal vullen of brandstoffi lter in de benzinetank anders positioneren Onvoldoende ket- tingsmering (zwaard en ketting worden heet). - Kettingolietank leeg. - Olie-inlaatboring verstopt. - Kettingolietank bijvullen. - Olie-inlaatboring reinigen/Groef van de geleiderail reinigen. Nadruk of andere reproductie van documentatie en geleidepapieren van de producten, geheel of ge- deeltelijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van iSC GmbH. Technische wijzigingen voorbehouden Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 156Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 156 18.07.2016 11:25:0518.07.2016 11:25:05NL
Service-informatie Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zijn genoemd, samen met competente servicepart- ners, wier contactgegevens u kunt afl eiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaff en van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking. U moet er rekening mee houden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtage door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig zijn als verbruiksmaterialen. Categorie Voorbeeld Slijtstukken* Zwaard, bougie, luchtfi lter, benzinefi lter Verbruiksmateriaal/verbruiksstukken* Zaagketting Ontbrekende onderdelen
- niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen! Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.isc-gmbh.info. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en daarbij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:
Heeft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect?
Is u iets opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptoom vóór het defect)?
Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)? Beschrijf deze foutieve werkwijze. Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 157Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 157 18.07.2016 11:25:0518.07.2016 11:25:05NL
Garantiebewijs Geachte klant, onze producten worden onderworpen aan een strenge kwaliteitscontrole. Mocht dit apparaat echter ooit niet naar behoren functioneren, spijt dit ons ten zeerste en vragen u zich te wenden tot onze service- dienst onder het adres vermeld op dit garantiebewijs. Wij staan ook graag telefonisch tot uw dienst via het vermelde servicetelefoonnummer. Voor eisen in verband met het recht garantie geldt het volgende:
1. Deze garantievoorwaarden zijn uitsluitend gericht aan de gebruikers, d.w.z. natuurlijke personen die
dit product niet in het kader van hun ambachtelijke noch van een andere zelfstandige activiteit willen gebruiken. Deze garantievoorwaarden regelen aanvullende garantieprestaties, die de hieronder ge- noemde fabrikant kopers van zijn nieuwe apparaten toezegt in aanvulling tot de wettelijke garantie. Uw wettelijke garantieclaims blijven onaangetast door deze garantie. Onze garantieprestatie is voor u gratis.
2. De garantieprestatie geldt uitsluitend voor gebreken aan een door u aangekocht nieuw apparaat
van de hieronder genoemde fabrikant die aantoonbaar berusten op een materiaal- of productiefout, en is naar onze keuze beperkt tot het verhelpen van zulke gebreken aan het apparaat of de vervan- ging ervan. Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun bestemming niet ontworpen zijn voor com- mercieel, ambachtelijk of industrieel gebruik. Van een garantiecontract is derhalve geen sprake, als het apparaat binnen de garantieperiode in commerciële, ambachtelijke of industriële bedrijven werd ingezet of aan een daarmee gelijk te stellen belasting werd blootgesteld.
3. Van onze garantie zijn uitgesloten:
- Schade aan het apparaat als gevolg van niet-inachtneming van de montagehandleiding of op grond van ondeskundige installatie, als gevolg van niet-inachtneming van de gebruiksaanwijzing (zoals bijv. door aansluiting aan een verkeerde netspanning of stroomsoort) of niet-inachtneming van de onderhouds- en veiligheidsvoorschriften, door blootstelling van het apparaat aan abnormale omgevingsvoorwaarden of door nalatig onderhoud en verzorging. - Schade aan het apparaat als gevolg van misbruik of ondeskundige toepassingen (zoals bijv. over- belasting van het apparaat of de inzet van niet toegelaten gereedschappen of toebehoren), binnen- dringen van vreemde voorwerpen in het apparaat (zoals bijv. zand, stenen of stof, transportschade), gebruik van geweld of als gevolg van externe invloeden (zoals bijv. schade door vallen). - Schade aan het apparaat of aan delen van het apparaat die valt te herleiden tot slijtage als gevolg van gebruik, en als gevolg van normale of andere natuurlijke slijtage.
4. De garantieperiode bedraagt 24 maanden en gaat in op de datum van aankoop van het apparaat.
Garantieclaims dienen voor het verloop van de garantieperiode binnen de twee weken na het vast- stellen van het defect geldend te worden gemaakt. Het indienen van garantieclaims na verloop van de garantieperiode is uitgesloten. De herstelling of vervanging van het apparaat leidt niet tot een verlenging van de garantieperiode noch wordt door deze prestatie een nieuwe garantieperiode voor het apparaat of voor eventueel ingebouwde wisselstukken op gang gebracht. Dit geldt ook bij het ter plaatse uitvoeren van een serviceactiviteit.
5. Gelieve om een garantieclaim in te dienen het defecte apparaat aan te melden onder: www.isc-
gmbh.info. Houd het aankoopbewijs of een ander bewijs van uw aankoop van het nieuwe apparaat bij de hand. Apparaten die zonder bijhorende bewijzen of zonder typeplaatje worden teruggestuurd, worden op grond van de ontbrekende mogelijkheid om het apparaat toe te kennen uitgesloten van de garantieprestatie. Valt het defect van het apparaat binnen onze garantieprestatie, dan bezorgen wij u per omgaande een gerepareerd of nieuw apparaat terug. Uiteraard staan wij ook tot u dienst om, mits betaling van de kosten, defecten van het apparaat te ver- helpen die buiten de garantieomvang vallen. Te dien einde stuurt u het apparaat aan ons serviceadres op. Voor slijtstukken, verbruiksmateriaal en ontbrekende onderdelen wordt verwezen naar de beperkingen van deze garantie conform de service-informatie van deze handleiding. Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 158Anl_GC_PC_1335_I_TC_SPK7.indb 158 18.07.2016 11:25:0518.07.2016 11:25:05E
Notice-Facile