FREELEXO 500 BT - Robot grasmaaier EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis FREELEXO 500 BT EINHELL in PDF-formaat.
| Producttype | Draadloze robotmaaier |
| Merk | Einhell |
| Model | FREELEXO 500 BT |
| Nominale spanning | 18 V |
| Snijbreedte | 18 cm |
| Snijhoogte | 20 tot 60 mm (continu instelbaar) |
| Aantal messen | 3 draaiende messen |
| Maximale helling | 35 % |
| Gewicht | 9,0 kg |
| Beschermingsklasse | IPX4 |
| Geluidsdrukniveau | 48,7 dB(A) |
| Gegarandeerd geluidsvermogen | 59,4 dB(A) |
| Motortoerental | 3100 tpm |
| Aanbevolen oppervlakte | Tot 500 m² (8 uur maaien per dag) |
| Voeding laadstation | Voeding 100-240 V ~ 50/60 Hz, uitgang 18 V DC 1,8 A |
| Accutype | Lithium-ion 18 V (compatibel met Power X-Change) |
| Connectiviteit | Bluetooth (Einhell-app) |
| Veiligheidssensoren | Hefsensor, hellingsensor, obstakelsensor, regensensor |
| Leveringsomvang | Robotmaaier, laadstation, voeding, accu, lader, begrenzingsdraad (150 m), vervangingsmessen, haken, inbussleutel, liniaal |
| Onderhoud | Reinigen met vochtige doek, geen hogedrukreiniger; messen vervangen om de ca. 3 maanden |
| Repareerbaarheid | Reserveonderdelen beschikbaar (messen, accu); reparaties door erkende service |
Veelgestelde vragen - FREELEXO 500 BT EINHELL
Gebruikersvragen over FREELEXO 500 BT EINHELL
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robot grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FREELEXO 500 BT - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FREELEXO 500 BT van het merk EINHELL.
GEBRUIKSAANWIJZING FREELEXO 500 BT EINHELL
- Veiligheidsaanwijzingen
- Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
- Reglementair gebruik
- Technische gegevens
- Inbedrijfstelling
- Bediening
- Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
- Opslag
-
Transport
-
Verwerking en recycling
-
Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
- Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
- Indicatie lader

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.
Dit apparaat mag Niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geinstrueerd werden en begrijpen welke bevaren van het apparaat hunnen uitgaan. Kinderenogens Niet met het apparaat spelen.
Reiniging en onderhoud door de gebruiker mooten Niet door kinderen worden uitgevoerd.
NL
Gevaar!
Bij het gebruik van toestellen dieren enkele veiligheidsmaatregelen te worden nageleefd om lichamelijk gevaar en schade te voorkomen. Lees waarom deze handleiding / veiligheidsinstructies zorgvuldig door. Bewaar deze goed zDat u de informatie op elk moment=kunt terugvinden. Mocht u dit toestel aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding / veiligheidsinstrumentes mee te given. Wij zich Niet aansprakelijk voor ongevallen of schade die te wijten zich aan Niet-naleving van deze handleiding en van de veiligheidsinstructies.
1. Veiligheidsaanwijzingen
De overeenkomstige veiligheidsinstrumentes vindt u in de bijgaande brochure.
Waarschuwing!
Lees alle veiligheidsinstrumenties, aanwijzingen, plaatjes en technische gegevens, waarvan dit elektrisch gereedschap is voorzien.
Nalatigheden bij de inachtneming van de vol-gende instructies hunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken. Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwij-zingen voor de toekomst.
Verklaring van de gezebruekte symbolen (zie afbeelding 14)
A. WAARSCHUWING - Vór inzet van de machine de handleiding doorlezen!
B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewaren!
C. WAARSCHUWING - Vórór de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tilen de blokkeerinrichting activeren! OPGELET - Roterende messen nicht aanraken!
D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen nicht aanraken!
E. Beschermklasse II (dubbele isolatie)
F. Opslag van de accu's alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10^ tot +40^ . De accu's alleen in geladen toe-stand opbergen (min. 40% geladen).
G. Geschakelde voeding
H. Beschermklasse III
I. Trage zekering 3,15 A
J. Scheidingstransformer met kortsluitbeveiling
K. Alleen voor gebruik in droge ruimtes.
Opgelet!
Trekijdens een onweer de netstekker uit het stopcontact en isoleer de begrenzingsdraad van het laadstation.
2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
2.1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)
- Maairobot
- Bedieningsveld
- STOP-toets
- Maaihoogteverstelling
- Regensoror
- Draaggreep
- Hoofdschakelaar
- Achterwiel
- Deksel accuvak
- Klingen
- Messenschijf
- Voorwiel
- Voedingseenheid(-kabel)
- Bevestigingshaak
- Bevestigingsschoef
- Kabelverbinder
- Reserve klingen
- Begrenzingsdraad
- Laadstation
- Laadpen
- LED-indicatie
22.Accu - Lader
- Zeskantsleutel
- Liniaal (om eruit te trekken)
2.2 Omvang van de levering en uitpakken
Gelieve de volledigheid van het artikel te controlen aan de hand van de beschrenen omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft gekocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve waarvoor de garantietabel in de service-informatie aan het einde van de handleiding in acht te nemen.
- Open de verpakking en neem het toestel voorzichtiguit de verpakking.
Verwijder het verpakkingsmaterial alsmede verpakkings-/transportbeveiligingen (indien
NL
aanwezig).
- Controller of de leveringsomvang compleet is.
- Controller het toestel en de accessoires op transportschade.
- Bewaar de verpakking indien möglichk tot het verloop van de garantieperiode.
Gevaar!
Het toestel en het verpakkingsmaterial een发展格局. Kinderen moogeniet met plastic zakken, folies enkleine stukken spelien! Er bestaat inslik- en verstikkingsgevaar!
Omvang van de levering, montagematerialiaal en toebehoren (deels nicht meegeleverd)
Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.
Maairobot
Voedingseenheid(-kabel)
- Laadstation
- Bevestigingsschroeven (4 stuks)
- Reserve klingen
- Bevestigingshaak
- Begrenzingsdraad
Kabelverbinder
Zeskantsleutel
Accu
Lader
- Liniaal (om eruit te trekken)
Originele handleiding
Veiligheidsinstructies
Benodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd)
- Hamer
Tang
Isolatietang
Waterpas (optioneel)
De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maaien van gazons.
De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk waarboven uitgaand gebruik is Nietdoelmatig. Vooraaruit voortvloeieende schade of verwondingen van welke aard dan ook is de gebruiker/bediener aansprakelijk, en Niet de fabrikant.
Wij wijzen erop dat once apparaten overeenkomstig hun doelmatig gebruik Niet zich ontworpen voor commerciele, ambachtelijkke of industrielse inzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid, indien het apparaat in ambachtelijkke of industrielse bedrijven of voor daaraan gelijk te stellen activiteiten worden ingezet.
Onzekerheid K 3 dB (A)
Geluidsdrukniveau L_WA 59,4 dB (A)
Onzekerheid K 3 dB (A)
Maahoogteverstelling 20-60 mm; traploos
Toegelaten lenghte van de begrenzingsdraad max.250 m
Kabel antennae voor begrenzingsdraad
Operationele frequentrieband. 0-148,5 KHz
Maximaal zendvermogen. 21,18 dBuA/m
Bluetooth verbinding
Operationele frequentieband...2400-2483,5 MHz
Maximaal zendvermogen -0,5 dBm
Voedingseenheid
Ingangsspanning: 100-240 V ~ 50 /60 Hz
Uitgangsspanning: 18 V DC
Uitgangsstroom: 1,8 A
Beschemklasse: II/回
De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094: 1991.
Waarschuwing!
Dit apparaat genereertijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of
NL
dodelijke verwondingen te verminderen raden wij personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het medische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat worden bediend.
5. Inbedrijfstelling
Lees de hele handleiding, voordat u begint met de installmentie van de maairobot. Hoe goed de maairobot later werkt is afhankelijk van de kwaliteit van de installmentie.
5.1 Werkingsprincipe
De maairobot kiest+zijnrichting bijtoeval.De tuin wordt.daarbij volledig gemaaid,doordat de maairobot alle delen binnen het door de begrenzingsdraad (18) ingesloten vlak bewerkt.Zodra de maairobot een correct geinstalleerde begrenzingsdraad (18) herkent,draaithij zich om en rijdt in een andere richting binnen het vlak. Alle delen die u binnen het vlak wilt beschermen-bijv. tuinvijvers,bomen,meubels of bloembedden -moeten eveneens met de begrenzingsdraad (18) worden afgeschermd.De begrenzingsdraad (18) moet een gesloten cirkel vormen.Indien de maairobot binnen het maaiegebied op een hindernis stuit,dan rijdt hij terug en maait verder in een andere Richting (afbeelding 3).
5.2 Sensoren
De maairobot is uitgerust met meerere veiligheidssensoren.
Hefsensor:
Indien de maairobot vanchtermeer dan 30^ van de grond wordt opgetild, dan wordt de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.
- Hellingsensor:
Indien de maairobot sterk in een richting welt, dan worden de robot en de rotatie van de klin-gen (10) meteen gestopt.
- Hindernissensor:
De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan worden de robot en de rotatie van de klingen meteen gestoet en rijdt hij'erug weg van de hindernis.
Regensensor:
De maairobot isuitgerust met een regensensor (5) om te verhinderen dat de robot in deregen werkt. De maairobot keert terug naar het laadstation (19) wonneer er regen worden
herkend, en worden waar compleet opgeladen. Nadat de regensensor (5) wee is gedroogd, blijft de robot nog twee uur in het laadstation (19).
Sluit de beiden metaalsensoren nicht kort met metaal of een ander geleidend materiaal.
Hierdoor wordt de correcte werkig van de maairobot negatif bevind.
5.3 Voorbereiding
Maak eerst een schets van uw gazon. Teken ook hindernissen mee in en werk een plan uit hoe u deze wilt beschermen. Daardoor worden het eenvoudiger om een goede plaat voor het laadstation (19) te vinden en de begrenzingsdraad (18) rond struiken, bloembedden enz. te leggen (afbeelding 4). Als het gris hoger is dan 60mm dan要去 het worden gekort om de maairobot Niet overmatig te belasten en de efficientreiet ne te verlagen. Gebruikelijk voor een conventionele grasmaier of een trimmer.
Haal alle losse voorwerpen die door de maairobot kuren worden beschadigd of die de robot kunnen beschadigen, weg van het gras.
Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).
Montage van de accu
Open het deksel van het accuvak (9) door de klikveer los te trekken. Druk op de grendelknop van de accu (22) en schuif de accu (22) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accuvak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeelding 10).
5.4 Laadstation
5.4.1 Standplaats van het laadstation
Zoek eerst de Beste plaats voor het laadstation (19). Er is een contactdoos voor buiten nodig die permanent stroom levert, opdat de maairobot al-tijd functioneert. Het laadstation (19) moet op een vlakke ondergrond op de hoogte van de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat de omgeving vlak en droog is. Kies een plantaat in de schaduw, aangezien de accu (22) het best worden geladen in een koele omgeving (afbeelding 5a). Zorg er bo-vendien voor dat de begrenzingsdraad minstens 2m voor het laadstation (19)recht worden gelegd. Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.
5.4.2 Lokalisering van het laadstation
Wanneer de accu (22) bijna leeg is, dan keert de maairobot terug maar het laadstation (19) door de
NL
begrenzingsdraad (18) gegen de klok in te volgen tot aan het station (19). Let er waarom op dat het laadstation (19) correct uitgericht worden geplaatst (afbeelding 5b).
5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan de voedingseenheid
- Voordat u het laadstation (19) verbindt met de stroomtoevoer要去 u controleren of de net-spanning 100-240 V bij 50 / 60Hz bedraagt.
- Verbind de voedingseenheid (13) reckstreeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.
- Gebruik geen beschadigde voedingseenheid (13). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (13) voorervanging me-teen tot een erkende vakman.
- Laad de maairobot Niet op in een vochtige omgeving. Laad de maairobot Niet op bij temperaturesn hoger dan 40^ oflager dan 5^
- Houd de maairobot en de voedingseenheid (13)uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliën.Houd de kabel van de voedingseenheid (13) om schade te vermijden weg van scherpe randen.
- Verbind de voedingseenheid (13) met het laadstation (19) (afbeelding 5c).
Om de accu (22) van de maairobot al tijdens de installmentie te laden schakelt u de robot eerst via de hoofdschakelaar (7) in enplaatst u deze in het laadstation (19).
5.4.4 Informatie over het laadproces
De maairobot keert in een van de volgende situatuies terug hier het laadstation (19):
U stuart de maairobot handmatig terug.
- De laadtoestand van de accu daalt onder 30% .
- De dagelijkse werkelijk is verstreken.
- De regensensor—heeft gereageerd.
- De maiarobot is oververhit.
Daar bij rijdt de maairobot langus de begrenzingsdraad (18) automatisch tot aan het laadstation (19).
Wanner de maairobot terug hier het laadstation (19) rijdt, dan zoekt hij zich de begrenzingsdraad (18) en rijdt gegen de klok in hierlangs (18).
Tijdens het laden van de accu (22) brandt de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) rood. Als de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, dan geeft dit aan dat de accu (22) volledig is geladen. Nadat de accu volledig is opgeladen hervat de maairobot het werk waar, of hi
blijft tot aan het volgende werkelijk venster in het laadstation (19).
Als er zich bij het terugrijden maar het laadstation (19) een hindernis bevindt op de begrenzingsdraad (18), dan blijdt de maairobot na meerere pogingen voor de hindernis staan en kan deze Niet terugkeren maar het laadstation (19).Verwijder alle hinderissen op de begrenzingsdraad (18).
Indien de temperatuur van de accu (22) 45^ overschrijdt, dan wordt het laadproces afgebrozen om schade aan de accu te vermijden. Nadat de temperatuur wee is gedaald, wordt het laadproces automatisch voortgezet.
Indien de temperatuur van de besturing van de maairobot 75^ overschrijdt, keert de maairobot terug maar het laadstation (19). Nadat de temperatuur waar is gedaald, worden het werk waar hervat overeenkomstig de instellenen.
Indien de accu (22) leeg raakt voordat de maairobot terugkeert maar het laadstation (19), dan kan de robot Niet更是 worden gestart. Breng de maairobot terug maar het laadstation (19) en LAST de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. De maairobot worden automatisch opgeladen.
5.5 Begrenzingsdraad
OPGELET! Doorgesneden begrenzingsdra- den en gevolgschade vallen nicht onder de garantie!
5.5.1 Leggen van de begrenzingsdraad
De begrenzingsdraad (18) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond kuren de bevestigingshaken (14) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras voor het aanbrengen van de begrenzingsdraad als de grond erg droog is.
Installatie op de grond
Leg de begrenzingsdraad (18) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde bevestigingshaken (14), wanner u het gazon later Niet wilt verticuteren of verluchten. De positie van de begrenzingsdraad kunt u in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aanpassen. Na enigeijd zal het gras beschter over de begrenzingsdraad zich gegroeid en deze Nieteer te zien zijn. Installeer de begrenzingsdraad met een maximale afstand van 1 mussen de bevestigingshaken (14). Verkort de afstandussen de bevestigingshaken op oneffen plekken van het gazon. Vermijd situaties waar bij de draad nicht op de grond rust. Zorg ervoor dat de be
NL
grenzingsdraad Niet door de maairobot kan worden doorgesneden.
Installatie in de grond
Graaf de begrenzingsdraad tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de draad (18) bijvoorbeeld bij het verticuteren of verluchten verhinderd.
Aanwijizing!
Laat 1 m draad aan het achechterste uiteinde van het laadstation over om later correcties te kunnenuitvoeren.
5.5.2 Nauwe punten
Indien het gazon een nauw punt bezit, dan kan uw maairobotaarin werken, zolang de doorgang een bredte van minstens 1,4 m (80 cmussen de begrenzingsdraden) en een lengte van max. 8 m heeft (afbeelding 3).
5.5.3 Afstand tot de grens van de tuin
Wanneer de maairobot een begrenzingsdraad (18) nadert, dan worden dit herkend door de sensoren voor in de robot. Voordat de maairobot omdraait, rijdt hij echter tot wel 30 cm over de draad (18). Houd hier rekening mee bij de planning van het maaigebied (afbeelding 6a).
5.5.4 Leggen van de draad in hoeken
Leg de begrenzingsdraad (18) in de hoeken nicht in een rechte hoek (90^) . Om te garanderen dat de maiarobot Niet te ver over de begrenzingsdraad (18) geen rijdt,要去 u de draad (18) leggen zoals voorgesteld in afbeeling 6b.
5.5.5 Berekening van de helling van het gazon
De maairobot kan hellingen tot maximaal 35% aan. Vermijd waarom steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 6c).
Voorbeeld: a/b = 35 cm/100 cm = 35%
5.5.6 Installatie van de begrenzingsdraad op hellingen
Op hellingen kan de maairobot, vooral doornat gras, gaan glijden en daardoor over de begrenzingsdraad (18) heben rijden. Daarom worden aanbevolen om op de volgende punten te letten (afbeelding 6d):
Aan het bovenste deel van een glooing mag de begrenzingsdraad (18) Niet worden geinstalleerd op hellingen steiler dan 35% . Houd hier de afstand van 30 cm tot hinderissen en
randen van het gazon aan.
Aan het onderste deel van een glooing mag de begrenzingsdraad (18) Niet worden geinstalleerd op hellingen steiler dan 17% . Houd hier de afstand van 40 cm tot hinderissen en randen van het gazon aan.
5.5.7 Rijwegen en bestratePADEN
Scheid verhoogde laden, vlakken met grind of schorsmulch, lager gelegen bloembedden en dergelijkke vlakken af. Leg de begrenzingsdraad (18) op een afstand van minstens 30 cm (afbeelding 6e en 6g).
- Met de grasnerf vlak lopende paden hoeven Niet te worden afgescheiden, aangezien de maairobot hier gewoon overheen kan rijden. De begrenzingsdraad (18) mag ook over pa-den worden gelegd (afbeelding 6f en 6g).
5.5.8 Begrenzingseilanden
Beschem hindernissen in het maigebied door begrenzingseilanden aan te leggen. Daardoor kan een botsing met gevoelige objecten, tuinvijvers, bomen, meubels, bloembedden enz., worden verhinderd (afbeelding 6h en 6i).
- Rol de begrenzingsdraad (18)uit van de randen tot aan de te beschermen objecten.
Fixeer de begrenzingsdraad (18) met bevestigingshaken (14) met de klok mee rond het te beschemen object. - Omhein de begrenzingseilanden completet en leid de begrenzingsdraad (18)itur maar het punt waar u de rand van het gazon heeft verlaten.
- De afstand:tussen begrenzungseilanden moet minstens 0,8m bedragen.Verbind de objecten anders tot een gemeenschappelijk begrenzungseiland (afbeelding 6h).
- De begrenzingsdraden (18) maar het begren-zingseiland toe enaarvan weg moeten pa-rallel en erg zich bij elkaar worden gelegd. - Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar Niet kruisen! - Fixeer waarvoor de parallelle begrenzingsdraden (18)SAM met bezelfde bevestigingshaken (14) op de grond (afbeelding 6i).
- De maairobot zal in het maaigebied over de beiden parallelle begrenzingsdraden (18) rijden, maar aan enkel gelegde draden (18) stoppen.
NL
5.5.9 Hindernissen
- Hindernissen met een hoogte van meer dan 10cm (afbeelding 6j)
Vaste hindernissen hoger dan 10 cm, bijv.
bomen, muren, hekken, tuinmeubels enz.,
worden herkend door de collisionsensoren.
Als de maairobot op een hindernis stuit,
dan stoot hij, schakelt het maaiwerk uit, rijdt
terug en draait, om het maaien in een andere
richting voort te zetten. Zachte, instabiele en
waardevolle hindernissen要去en worden
beschermd door een eiland van begrenzings-
draad.
Stenen, rotsen en hinderissen lager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden beschermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maairobot beschadigd raken en blokkeren.
Bomen (afbeelding 6k)
Bomen worden door de maairobot beschouwd als hindernissen. Als er darüber boomwortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan要去 deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot. Houdussen de begrenzingsdraad (18) en dehindernis een afstand van minstens 30 cm aan.
5.6 Verbinden van het laadstation
Sluit het leggen van de complete begrenzingsdraad (18) af, voordat u deze verbindt met het laadstation. Laat aan beiden uiteinden 1 m extra begrenzingsdraad (18) over om latere aanpassingen te konnen uitvoeren.
Isoleer de begrenzingsdraad (18) aan de uiteinden voor de aansluiting aan het laadstation (19) met een isolatietang op een lenghte van 10 tot 15 mm.
Trek de netstekker uit, voordat u de begrenzingsdraad (18) aansluit aan het laadstation (19). De aan de voorkant van het laadstation (19) gelegde begrenzingsdraad (18)要去 via de kabelhoulders aan de onderkant van het station (19)aar,achter worden gelegd.Leid de voorste begrenzingsdraad (18) door de doorvoeren onder het laadstation en door de Voorziene opening in het aansluitgedeelte.Verbind ze met de aansluiting ^+ . Daarna verbindt u dechterste begrenzingsdraad 18met de aansluiting S1' (afbeeling 7a).
Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen el-kaar nicht kuisen!
Maak verwolgens de verbinding met de stroomtoevoer. De LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) moet na correcte installmentie constant groen branden. Wanner de LED Niet brandt, controlleren dan eerst de aansluitingen. Indien de LED weliswaar brandt, maar nicht constant groen, lees dan de tabel 'Indicatie laadstation en verhelpen van fouten' aan het einde van deze handleiding.
5.7 Inschakelen en controlleren van de instal-. latie
Zodra de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied voorbereid voor de maairobot. Controller erst of de bevestigingshaken (14) aan de begrenzingsdraad (18) goed in de grond zichn geslagen. Zet de maairobot ca. 3 mchter het laadstation (19) voor de begrenzingsdraad (18). Daar bij moet de maairobot in een hoek van 90^ maar de begrenzingsdraad (18) toegewend staan (afbeelding 7b). Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afbeelding 8). Druk de POWER-toets (60) op het bedieningsveld (2) twee seconden in. Deblokker de maairobot met behulp van de PIN en bevestig in invoer met de toets OK' (61) (zie hoofdstuk Blokkeerinrichting / PIN').
Druk op de toets 'HOME / 3' (64) en dan opniew op de toets 'OK' (61). Nu volgt de maiarobot de begrenzingsdraad (18) gegen de klok in. Observe der maiaobot tijdens de hele rit langs de begrenzingsdraad (18), tot deze wee in het laadstation (19) staat. Als de maiaobot op sommige punten op problemen stuit, corrigeer dan eventu-eel de begrenzingsdraad (18) en herhaal de procedure. De accu (22) van de maiaobot worden nu volledig geladen. Indien er problemen optreten bij het aandokken, dan kan hetijken dat u het laadstation (19) zijdelings opnieuw moet positioneren, tot het aandokken zonder problemen functioneert. Met de rode STOP-toets (3) kut u de maiaobot op elk moment stoppen. Na het activeren van de STOP-toets (3) worden de maiaobot gestopt en wacht hij op verdere commando's.
5.8 Bevestiging van het laadstation
Nadat de werkking zoals voorgeschreveen van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) werd gezonden, moet het station (19) met de bevestigingssschroeven (15) worden gefexeerd. Draai de bevestigingsschroeven (15) met de zeskantsleutel (24) helemaal in de grond (afbeelding 7c).
NL
5.9 Accu-capaciteitsindicatie
Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsindicatie. De accu-capaciteitsindicatie signaleert de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afb. 13b).
De temperatuur van de accu is te laag. Verwijder de accu van het apparaat en LAST de accu eén dag liggen bij ruimtetelematuur. Als de fouptopnieuw optreedt, dan werd hij diep ontladen en is hij defect. Neem de accu van het apparaat. Eendefecte accu mag Niet meer gebruikt resp. geladen worden.
Opgelet!
Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan altiijd in op de hogere capaciteit. Dankzij de spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het Nietoodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlungen.
5.10 Laden van de accu met de lader
- Vergelijk of de netspanning vermeld op het typeplaatje overeenstemt met de beschikbare netspanning. Steek de netstekker van de lader (23) in het stopcontact. De groene LED begint te knipperen.
- Steek de accu (22) op de lader (23) (afbeeling 13a).
- Onder punt 'Indicatie lader' vindt u een tabel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader.
Tijdens het laden kan de accu ie's warm worden.
Dit isECHTERnormaal.
Mocht het laden van de.Accupack Niet möglich.
zijn,controler dan
- of aan het stopcontact de netspanning voorhanden is,
- of een foulloos contact aan de laadcontacten voorhanden is.
Indien het laden van de.Accupack nog algtd nicht.".
mogelijk is, dan verzoeken wij u
op te sturen aan once klantendienst.
Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met once klantendienst of het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht.
Zorg er bij de verzending of verwerking van accu's resp. het accu apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden!
In het belang van een lange levensduur van de accupack is het raadzaam om opijd voor het herladen van de accupack te zorgen. Dit is in elk gevaloodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt. Ontlaad de accupack nooit hebelaal. Dat leidt tot een defect van de accupack!
6. Bediening
6.1 Hoofdschakelaar
De maairobot is uitergerust met een hoofdschakelaar (7). Schakel de maairobot met de hoofdschakelaar (7) in (ON) enuit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschaken van de maairobot worden deze met de PIN vergrendeld.
6.2 Bedieningsveld
De maairobot werden reeds in de fabriek geprogrammeerd en standard indstellingen daaraan zich uitgevoerd. Deze können indien nodig darüber worden veranderd. Ook al zich de fabrieksinstellen-gen geschikt voor de meeste tuinen, u要去 zich toch vertrouwd makeen met de beschikbare opties.
Verklaring van de LEDs van het bedieningsveld (afbeelding 9a)
-
Tijd-LEDs: individatie van de dagelijkse maaitijd
-
Vergrendelings-LED:indicatie van de toetsblokkering
- Accu-LED: indicatie van de toestand van de accu
- Alarm-LED: indicatie van fouten
NL
Verklaring van de toetsopties van het bedi-ningsveld (afbeelding 9b)
- POWER-toets: in- en uitschakelen van de maairobot
- Toets 'OK'
- Toets 'SET WORK TIME / 1'
- Toets 'START / 2'
- Toets 'HOME / 3'
- Toets '4' / Vergrendelingstoets
6.3 Maaihoogteverstelling
Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk waaroor op de STOP-toets (3). De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogteussen 20 en 60~mm maybeik, die op de schaal kan worden afgelezen.
Als het gras hoger is dan 60~mm dan要去 het tot minstens 60~mm worden gekort om de maairobot Niet overmatig te belasten en de efficiente Niet te verlagen. Gebruik waar voor een conventionele grasmaier of een trimmer.
Na aflsuiting van de installmentie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin al-tijd met een hogere maaihoogte en verlaag.Deze inkleine stappen tot aan de gewenste hoogte.
6.4 Blokkerinrichting / PIN
De blokkeerinrichting verhindert een Niet toegestane inzet van de maairobot zonder een geldige code. Daarvoort moet u een persoonlijke veiligheidscode invoeren die bestaatuit vier tekens.
Ontgrendeling
- Voordat u de maairobot in bedrijf neemt要去 u de correcte PIN invoeren (standaard-PIN: '1-2-3-4'). Voer de PIN langzaam in en bevestig de invoer met de toets 'OK' (61). De bedienings-functies worden ontgrendeld en de vergrendelings-LED (51) brandt groen.
- Wonneer u een verkeerde PIN invoert, danlicht de vergrendelings-LED (51) rood op. Druk op de toets 'OK' (61) om een verkeerde PIN te verwijderen enervoigens de correcte PIN in te voeren.
Vergrendeling
Wanneer u het bedieningsveld (2) wilt vergrendelen, druk dan op de toets 4' / Vergrendelingstoets (65).
Standaard PIN: 1234
Nieuwe PIN:
PIN wijzigen
Om de PIN te wijzigen gaat u als volgt te werk:
- Ontgrendel het bedieningsveld.
- Druk gelifiktijdig op de toets '4'/Vergrendelingsstoets (65) en de toets 'OK' (61). De vergrendelings-LED (51) knippert afwisselend rood en groen.
- Voer een neue PIN (vier tekens) in. Druk op de toets 'OK' (61). De vergrendelings-LED (51) knippert groen.
- Voer de neue PIN opniew in en druk op de toets OK (61). De vergrendelings-LED (51) brandt constant groen. De PIN werk succesvol gewijzigd.
- Opgelet! Noteer de(APIN!
PIN aanvragen bij verlies
Houd de kwitantie en het serienummer van de maairobot bij de hand. Deze heeft u nodig om uw PIN te ontvangen!
- Sluit aan de USB-aansluiting zoals afgebeeld een USB-stick aan (afbeelding 11).
- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
- Druk gewelijkijdig op de toets POWER-toets (60) en de toets 'OK' (61). Houd de toetsen 3 seconden lang ingedrukt. Nu branden alle LEDs (50, 51, 52, 53) aan het bedieningsveld (2).
- Druk op de toets 'SET WORK TIME / 1' (62).
- Trek de USB-stick eruit. Lees de gevevens op de USB-stick uit op een computer. Door de maairobot werd een tekstbestand (.txt) aangemaaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Wend u tot de klantendienst om uw PIN te ontvangen.
6.5 Besturing van de maairobot
Instelling van de maaitijd
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Kies door de toets 'SET WORK TIME / 1' (62) measles in te drukken de gewenste maaitijid.
- Deze worden weergegeven door deijd-LEDs (50).
- Bevestig de instelling door te drukken op de toets 'OK' (61).
De tijd waarvoordewijzigingenwerdenuitgevoerd,isinu de dagelijkse starttijd.Hetweergeveen aanatalurenisde dagelijksewerktijd.
Voor de instelling van de maaitijd wordt als richtwaarde 8aar per dag bij 500m^2 aanbevolen. Alnaargelang de grootte en complexiteit van de tuin moet de gekozen werkelijk worden aangepast.
NL
Starten
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Druk eerst op de toets 'START / 2' (63)
- Bevestig het startproces met de toets 'OK' (61).
De maairobot werkkt nu overeenkomstig de instelling van de maaitijd. Tijdens de werklijk wordt de laadtoestand van de accu bewaakten en weergegeven via de accu-LED (52). Zodra de laadtoestand daalt tot 30% , keert de maairobot automatisch terug maar het laadstation (19).
Afbreken van het maaien
- Druk op de STOP-toets (3) om de maairobot meteen te stoppen.
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Druk na elkaar op de toets 'HOME / 3' (64) en de toets 'OK' (61) om de maairobot lungs de begrenzingsdraad (18) terug te sturen maar het laadstation (19).
6.6 Besturing van de maairobot met behulp van de app
Alle instellingen die via het bedieningsveld kunnen worden uitgevoerd,+kennen eveneens gebeuren via de app. Download eerst de Einhell app voor maairobots op uw smartphone.De Einhell app kan worden gedownload via de volgende link en QR-code:
iOS: http://qr.einhell.com/12e103ce


Android: http://qr.einhell.com/176c0443
Verbind met behulp van een Bluetooth verbinding de maairobot met uw smartphone en volg de aangegeven stappen. Via de app+kunnen de volgende aanvullende functies van de maairobot worden benut:
- Installingen van de maaitijd:
In de app heeft u andere möglichkheden om de maaitijd in te stellen, zoals bijvoorbeeld een dagelijkse individuele instelling waarvan.
- Regensoror
De regensensor (5) kan in de app in- en uitgeschakeld worden. De standarda fabrieksinstelling voor de sensor is 'Aan'.
Multi-startpunt
Bij tuinen met allerlei hoeken kan de maairobot problemen hebben om elke zone te bereiken en het gazon volledig te maaien. In dit geval kuren meerere startpunten op de begrenzingsdraad (18) worden gekozen. Zo kan de maairobot ook moeilijk toegankelijkde delen van uw tuin bereiken. De maairobot zar de gekozen afstand aan de begrenzingsdraad (18) afleggen en in dit deel beginnen te maaien (afbeelding 9c). Het laadstation (19) worden automatisch gedefiniereeerd als startpunt 1. De twee verdere startpunten konnen vrij worden gekozen.Meet hiervoor de afstandussen laadstation (19) en startpunt met de klok mee langs de begrenzingsdraad (18). Via de frequente legt u vast hoe vaak de maairobot vanuit het laadstation (19), of vanuit een van de betreffende startpunten, zichn werk start.
Maaien van randen
Voor een mooie rand van het gazon kan in de app de instelling 'Maaien van randen' worden geactiveerd. De maairobot begint elke 7 werkdaten eenmaal langs de complete begrenzingsdraad (18) te maaien. Bovendien maait de robot aan het einde van de dagelijkse maai-interval op weg maar het laadstation, indien de accu meer dan 70% is geladen.
Maier statistieken
U krijgt informatie over verschillende maaiere statistieken.
Informatie over de Bluetooth verbinding:
Maak verbinding met de maairobot in de Einhell app, nadat u zich als gebruiker aangemeld en het apparatusaat gereigstreerd heeft.
- Bij Android apparaten要去 de standplaats voor de Einhell app worden vrijgeveen om gebruik te konnen make van de Bluetooth verbinding.
Koppel de maairobotuitsluitendbinnende Einhellapp van uw smartphone.
Maak verbinding met de maairobot in de Einhell app.
- De actieradius van een Bluetooth verbinding is beperkt. Blijf waarom om de maairobot aan te sturen in de buurtaarvan.
NL
Op hetzelfde moment kan de maairobot algijd maar een verbinding met een smartphone make.
- Onderbreek de Bluetooth verbinding, nadat u alle instellingen aan de maairobot heeft uitgevoerd.
7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
Gevaar!
Vór alle reinigings- en onderhoudswerkzaam-heden要去 het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekker uit de contactdoos要去 trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uitschakelt (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu (22) uit de maairobot.
Voorzichtig! Werkhandsohen dragen!
7.1 Reiniging
Houd de veiligheidsnrichtingen, de ventilatiespleten en het motorhuis zo Veel möglichk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doeok af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon.
- De maairobot mag nicht met stromend water, vooral Niet onder hoge druk, worden gerei-nigd.
Reinig het apparaat regelmatig met een vochtige doek en wat smeerzeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, waar dat ze de kunststof delen van het apparaat zonden kannen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat verecht kankommen.
Maak de maairobot indien möglichk schoon met een borstel of doeK.
- Controller de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11)
- Gebruik voor de reiniging van de laadcontacten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer fjnschuurpapier. Maak deze schoon om een efficient laadproces te garanderen.
7.2 Onderhoud
- Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingsschroeven要去en altijd per set worden verrangen.
Vervang versleten of beschadigde delen.
Voor een lange levensduur moeten alle schroefdelen en de wielen en assen schoon-gemaakt enervoigens met olie gesmeerd
worden.
- De regelmatie verzorging van de maairobot verzekert Niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig worden gemaad.
- De het sterkst aan slijtage onderhevige componenten zijn de klingen (10). Controller regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging waarvan. Als er overmatige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd�n resp. door stoten werden verrormd. Als de klingen (10) zich versleten of beschadigd, dan要去en deze meteen worden verrangen.
- Controller regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen Niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlaklicht uitdrogen en verdort het.Vervang waarom de klingen regelmatig, opdat u een zuiver enrecht maairesultaat verkrijgt.
- Controller de onderkant van de maairobot regelmatig op verruilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigin-gen onmiddelijk.
In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als waarvoor met een conventionele grasmaaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controller aanom de onderkant van uw maairobot gedurende dezeperiode vaker. - Verkort het gras om een sterke verontreini-ging te vermijden slechts inkleine stappen.
- Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhonden onderdelen.
7.2.1 Vervangen van de klingen
Gebruik alleen originele klingen, aangezien anders functies en veiligheid nicht zich garardeerd. De maairobot is uitgerust met drie aan een messenschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maximaal 3 maanden (wanner er geen hindernissen worden getroffen). Vervang alle drie klingen (10) gelijktijdig om uit te sluiten dat de efficicntie en balans van uw apparaat negatif wordt beinvloed.
Om de klingen (10) te verrangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 12) - Opgelet! - Handschoenen dragen:
- Draai de bevestigsschroeven los.
- Neem de klingen (10) eraf en verrangdezedoor nieuwe.Vervang alle drie klingen (10)
NL
altijd per set.
- Daarna draait u de bevestigingschroeven wee vast. Let erop dat de neue klingen (10) vrij hunnen worden gedraaid.
Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verzamel alle opgezamelde resten. Vór elk begin van een seizoen de toestand de klingen (10) absoluterlen. Wend u bij reparations tot once klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.
7.2.2 Software update
Wanneer u de software wilt updater, kopieerd dan de neue software op een lege USB-stick (eventuele de USB-stick eerst formatteren). Zorg ervoor dat de accu volledig is geladen, voordat u de volgende stappen uitvoert.
- Zet de maiarobot op het te maaien terrein. De maiarobot mag zich bij de software update nied in het laadstation bevinden.
- Sluit aan de USB-aansluiting zoals afgebeeld een USB-stick aan (afbeelding 11).
- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
- Druk gewijktijdig op de POWER-toets (60) en de toets 'OK' (61). Houd de toetsen 5 seconden lang ingedrukt. Nu branden alle LEDs (50, 51, 52, 53) aan het bedieningsveld (2).
- Druk op de toets '4' / Vergrendelingstoets (65) om het update proces te starten. Deijd-LEDs (50) geen de huidige progressie aan. Als alle 5ijd-LEDs (50) ononderbroken branden, dan is het proces afgesloten.
- Na enkele seconden doven deijd LEDs (50)
weer en de maairobot.gaat waar de normale operationele toestand, waar aan eenijd LED (50) brandt. - Trek de USB-stick eruit.
7.2.3 Reparatie van de begrenzingsdraad
Als de begrenzingsdraad (18) op een bepaald punt worden doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinder (16). Daarvoort steekt u beiden uiteinden van de doorgesneden begrenzingsdraad (18) in de kabelverbinder (16) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controllerervolgens aan de hand van de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) de werking.
7.3 Bestelling van onderdelen:
Bij de bestelling van onderdelen要去en de vol-gende gegevens worden vermeld:
Type van het apparatus
- Artikelnummer van het apparatus
- Ident.-nummer van het apparatus
- Onderdeelnummer van het benodigde onder-deel
Actuele prijzen en info vindt u terug onder www.Einhell-Service.com
Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20
8. Opslag
Laad de accu (22) vór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7)uit (OFF).Neem de accu (22)uit het apparaat. Isoleer de voedingseenheid (13) van de stroomtoevoer en het laadstation (19).
De begrenzingsdraad (18) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er darüber wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd gegen corrosie. Isoleer daartoe de aansluitingen van de begrenzingsdraad (18) van het laadstation (19).
Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrijne en voor kinderen ontoegankelijkke plaats. De optimale opslagtemperatuur ligtussen 5^ en 30^ . Bewaar het apparaat in de originele verpakking.
9. Transport
Schakel het apparaat UIT via de hoofdscha-kelaar (7) (OFF) (afbeelding 8).
- Breng, indien voorhanden, transportbeveiligingen aan.
- Bescherm het apparaat gegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen.
- Beveilig het apparaat gegen weglijk den en kantelen.
- Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.
NL
10. Verwerking en recycling
Het apparaat zit in een verpakking om transportschade te verhinderen. Deze verpakking is een grondstof en dus herbruikbaar of kan worden teruggevoerd in de grondstofkringloop. Het apparaat en+zijn toebehoren bestaan uit diverse materialien, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen Niet bij het housvuil. Voor deskundige verwerking moet het apparaat bij een waarvoord bestemde inzamelplaats worden afgegeven. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren.

Enkel voor EU-landen
Elektrisch gereedschap hoor nicht bij het huisvuil thou!
Volgens de Europese richtig 2012/19/EG op afgedankte elektrische en elektronische toestellen en omzetting in nationaalrecht dieren afgedankte elektrische gereedschappen afzonderlijk te worden verzameld en milieuvriendelijk te worden gerecycleerd.
Recyclagealternatif i.p.v. het toestel terug te sturen:
De eigenaar van het elektrische toestel is alternatif verplicht, i.p.v. het toestel terug te sturen, mede te werkden bij de behoorlijke recyclage in geval hij zich van het eigendom ontdoet. Het afgedankte toestel kan hiervoor ook bij een verzamelplaats worden afgegeven die voor een verwijdering als bedoeld in de wetgeving in zakte recyclage en afvalverwerking zorgt. Hieronder vallen Niet bij de afgedankte toestellen gevoegde accessoires en hulpmiddelen zonder elektrische componenten.
Nadruk of andere reproductie van documentationie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltekijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijktoestemming van Einhell Germany AG.
Technische wijzigingen voorbehonden
NL
11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
| LED-indicatie (21) | Beschrijving | Oplossing |
| Uit | - Geen stroomtoevoer | - Controleer de stroomtoevoer |
| Brandt groen | - Klaar om te maaien - Accu (22) volledig geladen - Begrenzingsdraad (18) cor-rect geinstalleerd | |
| Knippert groen | - Begrenzingsdraad (18) door-gesneden - Begrenzingsdraad (18) ver-keerd aangesloten | - Onderzoek de begrenzingsdraad (18) op een breuk - Controleer de beiden aansluitingen aan het laadstation (19) |
| Brandt rood | - Accu (22) worden geladen | - Wacht tot de accu (22) volledig is geladen |
12. Indicatie van de maairobot en verhopen van fouten
De alarm-LED (53) brandt rood
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| ‘Maairobot opgetild’ | - Hefsensor heeft continu 10 seconden lang gereageerd | Druk op de toets ‘OK’ (54) om de fout te bevestigen. Start het maaiproces via het be-dieningsveld (2) opnieuw. - Indien deze fout vaker optreedit, controlleren dan het maaigebied op hinderissen met een hoogte van meer dan 10 cm en ver-wijder deze, of scherm de hinderissen met de begrenzingsdraad (18) af van het maaigebied |
| ‘Maairobot vastge-reden’ Maairobot is in de buurt van een hin-dernis gestopt | - Hindernissensor binnen eén minuut 10 maal geactiveerd | Druk op de toets ‘OK’ (54) om de fout te bevestigen. Start het maaiproces via het be-dieningsveld (2) opnieuw. - Controller en de maairobot door een hindernis geblokkeerd ofussen bomen, struiken enz. ingeklemd is. Eliminee der hindernis of vermijd deze zone - Indien deze fout vaker opttreedit, controlleren dan of de begrenzingsdraad (18) goed is gelegd. Let met name op nauwe hoeken, doorgangen, hekken, rotsen enz., en pas de layout van de begrenzingsdraad (18) indien nodig aan - Controller of het gras te hoop is en de maairobot worden geblokkeerd. Maai het gras in dit geval tot onder 60 mm |
NL
De alarm-LED (53) brandt rood
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| ‘Galmsensor’ Maairobot is direct aan eenhindernis gestopt | - Hindernissensor heeftconti- nu 10 seconden lang gerea- geerd | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en zet de robot op een andere plek in het maaigebied. Schakel de hoofdschakelaar (7) weer in (ON) en start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw. - Controller of de maairobot door eenhindernis geblokkeerd ofussen bomen, struiken enz. ingeklemd is. Eliminee derhindernis of vermijd deze zone - Indien deze fout vaker optreedt, controller dan of de begrenzingsdraad (18) goed is gelegd. Let met name op nauwe hoeken, doorgangen, hekken, rotsen enz., en pas de layout van de begrenzingsdraad (18) indien nodig aan |
De alarm-LED (53) knippert rood
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| ‘Begrenzingsdraad/ Signaalfout’De maairobot draait in een cirkel om het begrenzungssignaal te zoeken, en stoot uiteindelijk helemaal | - Maairobot buiten het maaigebied-Begrenzingsdraad (18) ver-keerd aangesloten-Begrenzingsdraad (18) door-gesneden- Geen stroomtoevoer | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en weein in (ON). Start het maiaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw.- Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad (18) correct en in het midden onder het laad-station (19) is gelegd.- Controller de positie van het laadstation (19).- Zorg ervoor dat de maairobot zich in het maiagebied bevindt- Controller of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt- Indien de maairobot het maiagebiedeermaals verlaat op hetzelfde punt, con-troleer de omgeving dan op hoogspan-ningskabels. Verander de positie van de begrenzingsdraad (18)- Indien de maairobot het maiagebied ver-laat op een helling, vermijd dan dit deel door de positie van de begrenzingsdraad (18) te veranderen |
NL
De alarm-LED (53) brandt blauw
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhelpen |
| ‘Accu-/Batterijfout’ | - Er is een accufout opgetre-den bij de maairobot. - De accu (22) kan nicht wor-den geladen. - Slecht contact van de laad-pennen (20) - Accu (22) heeft het einde van+zijn levensduur bereikt | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit(OFF) en weer in(ON).Start het maaiproces via het bedieningsveld (2)opnieuw. - Controller of er een probleem is met de stroomtoevoer - Reinig de laadpennen (20) - Controller of de accu (22)juist werd ge-monteerd. - Controller of de hoofdschakelaar (7)is ingeschakeld(ON),terwijl de maairobot zich in het laadstation (19)behindt. - Controller de positie van het laadstation (19).Vervang indien nodig de accu (22). |
De alarm-LED (53) knippert blauw
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| ‘Batterijtemperatuur buiten het normbe-reik’De maairobot koertijd de ingestel-de werkelijk terug maar het laadstation en/of de accu kan aan het laadstation Niet worden geladen | Te hoge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturingBij een batterijtemperatuur hoger dan 75 °C keert de maairobot terug�acn haatstation (19)Bij een batterijtemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C wordt het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19) | - Kies de werkelijk in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijn de inzet van de maairobotijdens de hete uren van de dag- Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten tem-peratuurbereik keert de maairobot auto-matisch terug�acn het geprogrammeerde bedrivif |
| ‘Motor overbelast’De maairobot is gestopt in hoog en dik gras | - De maairobot is op grond van een overstroom in de motor of een motorfout gestopt | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en weer in (ON). Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw.- Controller de hoogte van het gras in het maaigebied en maai indien nodig met een conventionele grasmaaier het gras tot kor-ter dan 60 mm- Verhoog de snijhoogte. Begin alsijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in keine stappen tot aan de gewenste hoogte-Onderzoek de messenschijven (11) en wielen op verruiling en reinig deze Gron-dig- Controller de weiterwilen en messenschijven (11) op blokkades. Indien u deze blokkades Niet kunt elimineren, wand u dan tot de bevoegde klantendienst |
NL
De alarm-LED (53) knippert blauw
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| 'Maairobot gekan-teld'De maairobot is omgekanteld en gestopt | - Maairobot werk 10 seconden continu gekanteld.- Maairobot gedurende lange- rearend in eenrichting geheld | Druk op de toets 'OK' (54) om de bout te bevestigen. Start het maaiproces via het be-dieningsveld (2) opnieuw.- Zet de maairobot op eenvlakke onder-grond en start hem opnieuw- Indien de maairobot vanwege van een steile helling in het maaigebied is gekan-teld, pas de begrenzingsdraad (18) dan zo aan, dat sterke hellingen worden ver-meden |
| 'Maier vastgere-den'De maairobot stocht op de terugweg maar het laadstation | - Beweging van de maairobot door hinderissen aan de begrenzingsdraad (18) geblokkeerd | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en zet de robot op een andere plek in het maaigebied. Schakel de hoofdschakelaar (7)weer in (ON) en start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw.- Elimineer alle hindernissen aan de be-grenzingsdraad (18) |
NL
Foutopsporing
| Fout | Mogelijkke oorzaak | Verhulpen |
| De maairobot staat in het maaigebied De maairobot kan Niet worden ingeschaken | - Accuspanning te laag - Fout aan de stroomkring of de elektronica | - Breng de maairobot terug maar het laad-station (19) om op te laden - Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) - Wend u tot de klantendienst |
| De maairobot kan Niet in het laadstati-on rijden | - Laadstation (19) Niet correct geinstalleerd | - Controller of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt - Controller of de begrenzingsdraden (18) aan het laadstation (19)ijken aangesloten en of de voorste begrenzingsdraad (18) in het midden onder het station (19) is ge-legd. - Controller of het laadstation (19) correct gespositioneerd |
| De maairobot stopt resp. rijdt ongecon-troleerd in de buurt van begrenzingslei-landen. | - Begrenzingsdraad (18) Niet juist geinstalleerd rond de begrenzingseilanden | - Pas de positie van de begrenzingsdraad (18) aan - Let erop dat de begrenzingsdraad (18) zich nicht kruist. |
| De maairobot maaktwoord lawaai | - Klingen (10) beschadigd - Aan de klingen (10) hechten veel vreemde materialen - Maairobot te zich bij hinder-nissen gestart - Mesaandrijving of aandrijf-motor beschadigd - Andere delen van de maairobot beschadigd | - Vervang de klingen (10). De 3 klingen (10)要去en glikktijdig worden verrangen - De efficiëtie van de maairobot hangt af van de scherpte van de klingen (10). Houd de klingen (10)的那一om in goede toestand - Schakel de maairobot veilig uit en draag werkhandschoenen als u de klingen (10) reinigt, om snijwonden te vermiijden - Laat de motor door de klantendienst repa-eren of verrangen |
| De maairobot blijft in het laadstation De maairobot keert steeds waar terug�heet het laadstation | - Verkeerde instelleningen van de werktijd - Accu (22) leeg - Regensensor gereageerd - Verhoogde accutemperatuur | - Controller de instelleningen van de werklijk - De maairobot begunt en beëindigt zijn werk al naargelang het ingestelde tijd-venster. Buiten dit tijdvenster blijft de maairobot in het laadstation (19) |
| De maairobot blijft op de begrenzings-draad staan en kan het laadstation Niet bereiken. | - Accu (22) leeg. - De lengte van de begren-zingsdraad (18) en daardoor de weg maar het laadstation (19) is te lang voor de gebru-ekte accu (22). | - Verwijder möglichke hindernissen op de begrenzingsdraad (18). Zorg bij het leg-gen van de begrenzingsdraad (18) voor voldoende afstand tot hindernissen. - Gebruik een accu met hogere capaciteit. - Opgelet: bij inzet van een multi-Ah'accu (bijv. 4-6 Ah) de hogere capaciteit instelen. Dankzij de spaarzame lading en ont-lading bij de maairobot is het Nietoodza-kelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levendsduur te verlungen. |
OPGELET! Doorgesneden begrenzingsdraden en gevolgschade valen nicht onder de garantie!
NL
13. Indicatie lader
| Indicatiestatus | Betekenis en maatregel | |
| Rode LED | Groene LED | |
| Uit | Knippert | Operationaliteit De lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit nicht in de lader. |
| Aan | Uit | Laden De lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader. Aanwijzing! Al naargelang de accelading kan de laadduur ie's afwijken van de vermelde tijden. |
| Uit | Aan | De accu is opgeladen en operationeel. Daarna worden tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla-ding. Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten. Maatregel: Neem de accu uit de lader. Isoeleer de lader van het net. |
| Knippert | Uit | Aanpassingslading De lader bevindt zich in de modus behoedzame lading. Hierbij worden de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeenmeerijd vergt. Dit kan de volgende oorzaken hebben: - De accu werk zeer lange&tijn nicht meer geladen. - De acutemperatuur ligt Niet in het ideale bereik. Maatregel: Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verdier wor-den geladen. |
| Knippert | Knippert | Fout Laadproces is Niet meer mogelijk. De accu is defect. Maatregel: Een defecte accu mag Niet meer worden opgeladen. Neem de accu uit de lader. |
| Aan | Aan | Temperatuurstoring De accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C). Maatregel: Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemporatuur (ca. 20 °C). |
NL
Service-informatie
Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zijn genoemd, samen met competente servicepartners, wier contactgegevens u kunt afleiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaffen van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking.
U moet er rekencing mee honden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtag door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig+zijn als verbruiksmaterialien.
| Categoriè | Voorbeeld |
| Slijtstukken* | Accu |
| Verbruiksmaterialiaal/verbruiksstukken* | Klingen |
| Ontbrekende onderdelen |
- Niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen!
Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en waar bij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:
- Hoefft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect?
Is u iets opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptom voór het defect)? - Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)?
Beschrijf deze foutrieve werkwijze.
NL
Garantiebewijs
Geachte klant,
onze producten worden onderworpen aan een strenge kwaliteitscontrole. Mocht dit apparaatECHTER ooit
niet waar behoren functioneren, spijt dit ons ten zeerste en vragen u zich te wenden tot once service-dienst onder het adres vermeld op dit garantiebewijs. Wij staan ook graag Telefonisch tot uw Dienst via
het vermelde servicetelefoonnummer. Voor eisen in verband met hetrecht garantie geldt het volgende:
- Deze garantievoorwaarden zijnuitsluitend gericht aan de gebruikers, d.w.z. nutuurlijke Personen die dit product nicht in het kader van hun ambachtelijke noch van een andere zichstandige activiteit wilpen gebruiken. Deze garantievoorwaarden regelen aanvullende garantieprestaties, die de hieronder genoemde fabrikant kopers van zijn neue apparaten toezegt in aanvulling tot de wettelijkke garantie. Uw wettelijkke garantieclaims blijven onaangetast door deze garantie. Onze garantieprestatie is voor u gratis.
- De garantieprestatie geldt uitsluitend voor gebreken aan een door u aangekocht nuew apparaat van de hieronder genoemde fabrikant die aantoonbaar berusten op een material- of productiefout, en is maar onsze keuze beperkt tot het verhelppen van zulke gebreken aan het apparaat of de verran-ging ervan.
Wij wijzen erop dat once apparaten overeenkomstig hun bestemming Niet ontworpen zichoor commercieel, ambachtelijk of industrieel gebruik. Van een garantiecontract is derhalve geen spreke, als het apparaat binnen de garantieperiode in commerciele, ambachtelijke of industrielle bedrijven werden ingezet of aan een daarmee gewiek te stellen belasting werk blootgesteld.
-
Van onsè garantie zichn uitgesloten:
-
Schade aan het apparaat als gevolg van Niet-inachtneming van de montagehandleiding of op grond van ondeskundige installment, als gevolg van Niet-inachtneming van de gebruiksaanwijzing (zoals bijv. door aansluiting aan een verkeerde netspanning of stroomsoort) of Niet-inachtneming van de onderhouds- en veiligheidsvoorschriften, door blootstelling van het apparaat aan abnormale omgevingsvoorwaarden of door nalatig onderhoud en verzorging.
- Schade aan het apparaat als gevolg van misbruik of ondeskundige toepassingen (zoals bijv. overbelasting van het apparaat of de inzet van Niet toegelaten gereedschappen of toebehoren), binnendringen van vreemde voorwerpen in het apparaat (zoals bijv. zand, stenen of stof, transportschade), gebruik van geweld of als gevolg van externe invloeden (zoals bijv. schade door vallen).
-
Schade aan het apparaat of aan delen van het apparaat die valt te herleiden tot slijtage als gevolg van gebruik, en als gevolg van normale of andere natururlijke slijtage.
-
De garantieperiode bedraagt 24 maanden en gaat in op de datum van aankoop van het apparaat. Garantieclaims dienen voor het verloop van de garantieperiode binnen de twee weken na het vaststellen van het defect geldend te worden gemakt. Het indieren van garantieclaims na verloop van de garantieperiode is uitgesloten. De herstelling of verranging van het apparaat leidt Niet tot een verlenging van de garantieperiode noch worden door deze prestatie een neue garantieperiode voor het apparaat of voor eventuele ingebouwde wisselstukken op gang gebracht. Dit geldt ook bij het terplaatseuitvoeren van een serviceactiviteit.
- Gelieve om een garantieclaim in te dieren het defecte apparaat aan te melden onder: www.Einhell-Service.com. Houd het aankoopbewijs of een ander bewijs van uw aankoop van het nieuwe apparaat bij de hand. Apparaten die zonder bijhorende bewijzen of zonder typeplaatje worden teruggestuurd, worden op grond van de ontbrekende mogelijkheid om het apparaat toe te kennenuitgesloten van de garantieprestatie. Valt het defect van het apparaat binnen once garantieprestatie, dan bezorgen wij u per omgaande een gerepareerd of neuen apparaat terug.
Uiteraard staan wij ook tot u diest om, mits betaling van de kosten, defecten van het apparaat te verhelpen die buiten de garantieomvang vallen. Te dien einde sturt u het apparaat aan ons serviceadres op.
Voor slijtstukken, verbruiksmaterialiaal en ontbrekende onderdelen worden verwezenaar de beperkingen van deze garantie conform de service-informatie van deze handeiding.