FREELEXO 800 LCD BT+ - Robot grasmaaier EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis FREELEXO 800 LCD BT+ EINHELL in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over FREELEXO 800 LCD BT+ EINHELL
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robot grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FREELEXO 800 LCD BT+ - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FREELEXO 800 LCD BT+ van het merk EINHELL.
GEBRUIKSAANWIJZING FREELEXO 800 LCD BT+ EINHELL
- Veiligheidsaanwijzingen
- Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
- Reglementair gebruik
- Technische gegevens
- Inbedrijfstelling
- Bediening
- Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
- Opslag
- Transport
- Verwerking en recycling
- Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
- Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
- Indicatie lader

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.
Dit apparaat mag niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geïnstrueerd werden en begrijpen welke gevaren van het apparaat kunnen uitgaan. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen.
Reiniging en onderhoud door de gebruiker mogen niet door kinderen worden uitgevoerd.
NL
Gevaar!
Bij het gebruik van toestellen dienen enkele veiligheidsmaatregelen te worden nageleefd om lichamelijk gevaar en schade te voorkomen. Lees daarom deze handleiding / veiligheidsinstructies zorgvuldig door. Bewaar deze goed zodat u de informatie op elk moment kunt terugvinden. Mocht u dit toestel aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding / veiligheidsin- tructies mee te geven. Wij zijn niet aansprakelijk voor ongevallen of schade die te wijten zijn aan niet-naleving van deze handleiding en van de veiligheidsinstructies.
1. Veiligheidsaanwijzingen
De overeenkomstige veiligheidsinstructies vindt u in de bijgaande brochure.
Waarschuwing!
Lees alle veiligheidsinstructies, aanwijzingen, plaatjes en technische gegevens, waarvan dit elektrisch gereedschap is voorzien.
Nalatigheden bij de inachtneming van de volgende instructies kunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken. Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwijzingen voor de toekomst.
Verklaring van de gebruikte symbolen (zie afbeelding 14)
A. WAARSCHUWING - Vóór inzet van de machine de handleiding doorlezen!
B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewaren!
C. WAARSCHUWING - Vóór de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tillen de blokkeerinrichting activeren! OPGELET - Roterende messen niet aanraken!
D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen niet aanraken!
E. Beschermklasse II (dubbele isolatie)
F. Opslag van de accu's alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10 °C tot +40 °C. De accu's alleen in geladen toestand opbergen (min. 40% geladen).
G. Beschermklasse III
H. Trage zekering 2 A
1. Alleen voor gebruik in droge ruimtes.
J. WAARSCHUWING: Om de accu te laden alleen de afneembare voedingseenheid
NT24/1 / PS24/1 gebruiken die met dit apparaat werd meegeleverd.
Opgelet!
Trek tijdens een onweer de netstekker uit het stopcontact en isoleer de begrenzingsdraad van het laadstation.
2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
2.1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)
- Maairobot
- Bedieningsveld
-
STOP-toets / Ontgrendelingstoets van de afdekking van het display
-
Maaihoogteverstelling
-
Regensensor
-
Draaggreep
-
Hoofdschakelaar
-
Achterwiel
-
Deksel accuvak
-
Klingen
-
Messenschijf
-
Voorwiel
-
Voedingseenheid(-kabel)
-
Bevestigingshaak
-
Bevestigingsschroef
-
Kabelverbinder
-
Reserve klingen
-
Begrenzingsdraad
-
Laadstation
-
Laadpen
-
LED-indicatie
-
Zeskantsleutel
-
Afdekking van het display
-
USB-aansluiting
-
Liniaal (om eruit te trekken)
2.2 Omvang van de levering en uitpakken Gelieve de volledigheid van het artikel te controleren aan de hand van de beschreven omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft gekocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve daarvoor de garantietabel in de service-informatie aan het einde van de handleiding in acht te nemen.
- Open de verpakking en neem het toestel voorzichtig uit de verpakking.
NL
- Verwijder het verpakkingsmateriaal alsmede verpakkings-/transportbeveiligingen (indien aanwezig).
- Controleer of de leveringsomvang compleet is.
- Controleer het toestel en de accessoires op transportschade.
- Bewaar de verpakking indien mogelijk tot het verloop van de garantieperiode.
Gevaar!
Het toestel en het verpakkingsmateriaal zijn geen speelgoed voor kinderen! Kinderen mo- gen niet met plastic zakken, folies en kleine stukken spelen! Er bestaat inslik- en verstik- kingsgevaar!
Omvang van de levering, montagemateriaal en toebehoren (deels niet meegeleverd)
Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.
Maairobot
• Voedingseenheid(-kabel)
Laadstation
• Bevestigingsschroeven (4 stuks)
- Reserveklingen
- Bevestigingshaak
• Begrenzingsdraad
- Kabelverbinder
- Zeskantsleutel
Accu
Lader
• Liniaal (om eruit te trekken)
• Originelehandleiding
• Veiligheidsinstructies
Benodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd)
- Hamer
Tang - Isolatietang
• Waterpas(optioneel)
De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maai- en van gazons.
De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk daarboven uitgaand gebruik is niet-doelmatig. Voor daaruit voortvloeiende schade of verwondingen van welke aard dan ook is de gebruiker/bediener aansprakelijk, en niet de fabrikant.
Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun doelmatig gebruik niet zijn ontworpen voor commerciële, ambachtelijke of industriele inzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid, indien het apparaat in ambachtelijke of industriele bedrijven of voor daaraan gelijk te stellen activiteiten wordt ingezet.
Toegelaten lengte van
de begrenzingsdraad ....max. 250 m
Kabel antenne voor begrenzingsdraad
Operationele frequentieband ..... 0-148,5 KHz
Maximaal zendvermogen ....67,05 dBuA/m
Bluetooth verbinding
Operationele frequentieband ...2400-2483,5 MHz
Maximaal zendvermogen ......-2,2 dBm
Voedingseenheid
Ingangsspanning: 100-240 V \~ 50 /60 Hz
Uitgangsspanning: 24 V DC
Uitgangsstroom: 1,5 A
Beschermklasse: ......II / ☐
De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094:1991.
Waarschuwing!
Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijke verwondingen te verminderen raden wij personen met medische implantaten
NL
aan om hun arts en de fabrikant van het medische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat wordt bediend.
5. Inbedrijfstelling
Lees de hele handleiding, voordat u begint met de installatie van de maairobot. Hoe goed de maairobot later werkt is afhankelijk van de kwaliteit van de installatie.
5.1 Werkingsprincipe
De maairobot kiest zijn richting bij toeval. De tuin wordt daarbij volledig gemaaid, doordat de maairobot alle delen binnen het door de begrenzingsdraad (18) ingesloten vlak bewerkt. Zodra de maairobot een correct geïnstalleerde begrenzingsdraad (18) herkent, draait hij zich om en rijdt in een andere richting binnen het vlak. Alle delen die u binnen het vlak wilt beschermen – bijv. tuinvijvers, bomen, meubels of bloembedden – moeten eveneens met de begrenzingsdraad (18) worden afgeschermd. De begrenzingsdraad (18) moet een gesloten cirkel vormen. Indien de maairobot binnen het maalgebied op een hindernis stuit, dan rijdt hij terug en maait verder in een andere richting (afbeelding 3).
5.2 Sensoren
De maairobot is uitgerust met meerdere veiligheidssensoren.
Hefsensor:
Indien de maairobot van achter meer dan 30° van de grond wordt opgetild of een voorwiel (12) het contact met de grond verliest, dan wordt de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.
Hellingsensor:
Indien de maairobot sterk in één richting helt, dan wordt de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.
• Hindernissensor:
De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan wordt de robot en de rotatie van de klingen meteen gestopt en rijdt hij terug weg van de hindernis.
Regensensor:
De maairobot is uitgerust met een regensen- sor (5) om te verhinderen dat de robot in de regen werkt. De maairobot keert terug naar het laadstation (19) wanneer er regen wordt herkend, en wordt daar compleet opgeladen.
Nadat de regensensor (5) weer is gedroogd, blijft de robot nog twee uur in het laadstation (19). Pas daarna hervat hij het werk weer, mits hij zich nog in een actief tijdvenster bevindt. Als de regensensor (5) is geactiveerd (aanbevolen om het gazon te ontzien), dan is in het display (50) een lichte wolk te zien. Als de sensor heeft gereageerd, dan verschijnt er een donkere wolk met regendruppels. Sluit de beide metaalsensoren niet kort met metaal of een ander geleidend materiaal. Hierdoor wordt de correcte werking van de maairobot negatief beïnvloed.
5.3 Voorbereiding
Maak eerst een schets van uw gazon. Teken ook hindernissen mee in en werk een plan uit hoe u deze wilt beschermen. Daardoor wordt het eenvoudiger om een goede plaats voor het laadstation (19) te vinden en de begrenzingsdraad (18) rond struiken, bloembedden enz. te leggen (afbeelding 4). Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer.
Haal alle losse voorwerpen die door de maairobot kunnen worden beschadigd of die de robot kunnen beschadigen, weg van het gras.
Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).
Montage van de accu
Voor de inzet van de maairobot is een accu (A) van de Power-X-Change serie nodig. Opgelet: de accu (A) kan al naargelang modelvariant niet zijn meegeleverd met uw maairobot. Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en schuif de accu (A) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accuvak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeelding 10). Om de accu (A) te verwijderen opent u het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en trek deze (A) eruit.
5.4 Laadstation
5.4.1 Standplaats van het laadstation
Zoek eerst de beste plaats voor het laadstation (19). Er is een contactdoos voor buiten nodig die permanent stroom levert, opdat de maairobot altijd functioneert. Het laadstation (19) moet op een vlakke ondergrond op de hoogte van de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat de omgeving vlak en droog is. Kies een plaats in de schaduw, aangezien de accu het best wordt geladen in een
NL
koele omgeving. Zorg er bovendien voor dat de begrenzingsdraad minstens 2 m vóór het laadstation (19) recht wordt gelegd (afbeelding 5a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.
5.4.2 Lokalisering van het laadstation
Wanneer de accu bijna leeg is, dan keert de maairobot terug naar het laadstation (19) door de begrenzingsdraad (18) tegen de klok in te volgen tot aan het station (19). Let er daarom op dat het laadstation (19) correct uitgericht wordt geplaatst (afbeelding 5b).
5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan de voedingseenheid
- Voordat u het laadstation (19) verbindt met de stroomtoevoer moet u controleren of de netspanning 100-240 V bij 50/60 Hz bedraagt.
- Verbind de voedingseenheid (13) rechtstreeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.
- Gebruik geen beschadigde voedingseenheid (13). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (13) voor vervanging meteen tot een erkende vakman.
- Laad de maairobot niet op in een vochtige omgeving. Laad de maairobot niet op bij temperaturen hoger dan 40 °C of lager dan 5 °C.
- Houd de maairobot en de voedingseenheid (13) uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliën. Houd de kabel van de voedingseenheid (13) om schade te vermijden weg van scherpe randen.
- Verbind de voedingseenheid (13) met het laadstation (19) (afbeelding 5c).
Om de accu van de maairobot al tijdens de installatie te laden schakelt u de robot eerst via de hoofdschakelaar (7) in en plaatst u deze in het laadstation (19).
5.4.4 Informatie over het laadproces
De maairobot keert in een van de volgende situaties terug naar het laadstation (19):
• U stuurt de maairobot handmatig terug.
- De laadtoestand van de accu daalt onder 30%.
• De dagelijkse werktijd is verstreken.
• De regensensor heeft gereageerd.
• De maairobot is oververhit.
- De modus 'Randmaaien' resp. 'Spot Mowing' werd gestart buiten het ingestelde werkvenster en door de maairobot afgesloten.
Daarbij rijdt de maairobot langs de begrenzingsdraad (18) automatisch tot aan het laadstation (19).
Wanneer de maairobot terug naar het laadstation (19) rijdt, dan zoekt hij zelf de begrenzingsdraad (18) en rijdt tegen de klok in hierlangs (18). Tijdens het laden van de accu brandt de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) rood.
Als de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, dan geeft dit aan dat de accu volledig is geladen. Nadat de accu volledig is opgeladen hervat de maairobot het werk weer, of hij blijft tot aan het volgende werktijd venster in het laadstation (19).
Als er zich bij het terugrijden naar het laadstation (19) een hindernis bevindt op de begrenzingsdraad (18), dan blijft de maairobot na meerdere pogingen voor de hindernis staan en kan deze niet terugkeren naar het laadstation (19). Verwijder alle hindernissen op de begrenzingsdraad (18).
Indien de temperatuur van de accu 45 °C overschrijdt, dan wordt het laadproces afgebroken om schade aan de accu te vermijden. Nadat de temperatuur weer is gedaald, wordt het laadproces automatisch voortgezet.
Indien de temperatuur van de besturing van de maairobot 65 °C overschrijdt, keert de maairobot terug naar het laadstation (19). Nadat de temperatuur weer is gedaald, wordt het werk weer hervat overeenkomstig de instellingen.
Indien de accu leeg raakt voordat de maairobot terugkeert naar het laadstation (19), dan kan de robot niet meer worden gestart. Breng de maai- robot terug naar het laadstation (19) en laat de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. De maairobot wordt automatisch opgeladen.
5.5 Begrenzingsdraad
OPGELET! Doorgesneden begrenzingsdra- den en gevolgschade vallen niet onder de garantie!
5.5.1 Leggen van de begrenzingsdraad
De begrenzingsdraad (18) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond kunnen de bevestigingsshaken (14) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras vóór het aanbrengen van de begrenzingsdraad als de grond erg droog is.
• Installatie op de grond
Leg de begrenzingsdraad (18) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde
NL
bevestigingsshaken (14), wanneer u het gazon later niet wilt verticuteren of verluchten. De positie van de begrenzingsdraad kunt u in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aanpassen. Na enige tijd zal het gras echter over de begrenzingsdraad zijn gegroeid en deze niet meer te zien zijn. Installeer de begrenzingsdraad met een maximale afstand van 1 m tussen de bevestigingsshaken (14). Verkort de afstand tussen de bevestigingsshaken op oneffen plekken van het gazon. Vermijd situaties waarbij de draad niet op de grond rust. Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad niet door de maairobot kan worden doorgesneden.
• Installatie in de grond
Graaf de begrenzingsdraad tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de draad (18) bijvoorbeeld bij het verticuteren of verluchten verhinderd.
Aanwijzing!
Laat 1 m draad aan het achterste uiteinde van het laadstation over om later correcties te kunnen uitvoeren.
5.5.2 Nauwe punten
Indien het gazon een nauw punt bezit, dan kan uw maairobot daarin werken, zolang de doorgang een breedte van minstens 1,4 m (80 cm tussen de begrenzingsdraden) en een lengte van max. 8 m heeft (afbeelding 3).
5.5.3 Afstand tot de grens van de tuin
Wanneer de maairobot een begrenzingsdraad (18) nadert, dan wordt dit herkend door de sensoren voor in de robot. Voordat de maairobot omdraait, rijdt hij echter tot wel 30 cm over de draad (18). Houd hier rekening mee bij de planning van het maaigebied (afbeelding 6a).
5.5.4 Leggen van de draad in hoeken
Leg de begrenzingsdraad (18) in de hoeken niet in een rechte hoek (90°). Om te garanderen dat de maairobot niet te ver over de begrenzingsdraad (18) heen rijdt, moet u de draad (18) leggen zoals voorgesteld in afbeelding 6b.
5.5.5 Berekening van de helling van het gazon
De maairobot kan hellingen tot maximaal 35% aan. Vermijd daarom steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 6c).
Voorbeeld: a/b = 35 cm/100 cm = 35%
5.5.6 Installatie van de begrenzingsdraad op hellingen
Op hellingen kan de maairobot, vooral door nat gras, gaan glijden en daardoor over de begrenzingsdraad (18) heen rijden. Daarom wordt aanbevolen om op de volgende punten te letten (afbeelding 6d):
- Aan het bovenste deel van een glooiing mag de begrenzingsdraad (18) niet worden geinstalleerd op hellingen steiler dan 35%. Houd hier de afstand van 30 cm tot hindernissen en randen van het gazon aan.
- Aan het onderste deel van een glooiing mag de begrenzingsdraad (18) niet worden geïnstalleerd op hellingen steiler dan 17%. Houd hier de afstand van 40 cm tot hindernissen en randen van het gazon aan.
5.5.7 Rijwegen en bestrate paden
- Scheid verhoogde paden, vlakken met grind of schorsmulch, lager gelegen bloembedden en dergelijke vlakken af. Leg de begrenzingsdraad (18) op een afstand van minstens 30 cm (afbeelding 6e en 6g).
- Met de grasnerf vlak lopende paden hoeven niet te worden afgescheiden, aangezien de maairobot hier gewoon overheen kan rijden. De begrenzingsdraad (18) mag ook over paden worden gelegd (afbeelding 6f en 6g).
5.5.8 Begrenzingseilanden
Bescherm hindernissen in het maalgebied door begrenzingseilanden aan te leggen. Daardoor kan een botsing met gevoelige objecten, tuinvijvers, bomen, meubels, bloembedden enz., worden verhinderd (afbeelding 6h en 6i).
- Rol de begrenzingsdraad (18) uit van de randen tot aan de te beschermen objecten.
- Fixeer de begrenzingsdraad (18) met bevestigingsshaken (14) met de klok mee rond het te beschermen object.
- Omhein de begrenzingseilanden compleet en leid de begrenzingsdraad (18) terug naar het punt waar u de rand van het gazon heeft verlaten.
- De afstand tussen begrenzingseilanden moet minstens 0,8 m bedragen. Verbind de objecten anders tot één gemeenschappelijk begrenzingseiland (afbeelding 6h).
- De begrenzingsdraden (18) naar het begrenzingseiland toe en daarvan weg moeten parallel en erg dicht bij elkaar worden gelegd. - Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen
NL
elkaar niet kruisen! - Fixeer daarvoor de parallelle begrenzingsdraden (18) samen met dezelfde bevestigingsshaken (14) op de grond (afbeelding 6i).
- De maairobot zal in het maaigebied over de beide parallelle begrenzingsdraden (18) rijden, maar aan enkel gelegde draden (18) stoppen.
5.5.9 Hindernissen
- Hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm (afbeelding 6j)
Vaste hindernissen hoger dan 10 cm, bijv. bomen, muren, hekken, tuinmeubels enz., worden herkend door de collisiesensoren. Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij, schakelt het maaiwerk uit, rijdt terug en draait, om het maaien in een andere richting voort te zetten. Zachte, instabiele en waardevolle hindernissen moeten worden beschermd door een eiland van begrenzingsdraad.
• Stenen en lage hindernissen
Stenen, rotsen en hindernissen lager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden beschermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maairobot beschadigd raken en blokkeren.
• Bomen (afbeelding 6k)
Bomen worden door de maairobot beschouwd als hindernissen. Als er echter boomwortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan moet deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot. Houd tussen de begrenzingsdraad (18) en de hindernis een afstand van minstens 30 cm aan.
5.5.10 Hoofd- en nevenvlak (afbeelding 6l)
Met nevenvlak (B) wordt een werkterrein aangeduid, dat niet rechtstreeks met het hoofdvlak (A), bijv. via een gazon of een weg, is verbonden. Om een apart nevenvlak (B) aan te leggen legt u de begrenzingsdraad (18) van het hoofdvlak (A) naar het nevenvlak (B) en weer terug. De begrenzingsdraad (18) naar het nevenvlak (B) toe en daarvan weg moet parallel en erg dicht bij elkaar worden gelegd. - Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar niet kruisen! - Fixeer daarvoor de parallelle begrenzingsdraden (18) samen met dezelfde bevestigingshaken (14) op de grond. Om het nevenvlak (B) te kunnen maaien moet u de maairobot met de hand daarnaartoe (B) dragen. Start daar het gewenste maaiprogramma en selecteer in het submenu 'Nevenvlak' (zie
'Instellingen van de maairobot'). De maairobot zal in het nevenvlak (B) niet proberen om de begrenzingsdraad (18) te volgen in de richting van het laadstation (19), wanneer de laadtoestand van de accu laag is.
5.6 Verbinden van het laadstation
Sluit het leggen van de complete begrenzingsdraad (18) af, voordat u deze verbindt met het laadstation. Laat aan beide uiteinden 1 m extra begrenzingsdraad (18) over om latere aanpassingen te kunnen uitvoeren.
Isoleer de begrenzingsdraad (18) aan de uiteinden voor de aansluiting aan het laadstation (19) met een isolatietang op een lengte van 10 tot 15 mm.
Trek de netstekker uit, voordat u de begrenzingsdraad (18) aansluit aan het laadstation (19). De aan de voorkant van het laadstation (19) gelegde begrenzingsdraad (18) moet via de kabelhouders aan de onderkant van het station (19) naar achter worden gelegd. Verbind deze begrenzingsdraad (18) met de linker, zwarte aansluiting. Vervolgens leidt u de achterste begrenzingsdraad (18) door het gat (trekontlasting) in de buurt van de aansluiting en verbindt u deze met de rechter, rode aansluiting (afbeelding 7a).
Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar niet kruisen!
Maak vervolgens de verbinding met de stroom-toevoer. De LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) moet na correcte installatie constant groen branden. Wanneer de LED niet brandt, controleer dan eerst de aansluitingen. Indien de LED weliswaar brandt, maar niet constant groen, lees dan de tabel 'Indicatie laadstation en verhelpen van fouten' aan het einde van deze handleiding.
5.7 Inschakelen en controleren van de installatie
Zodra de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied voorbereid voor de maairobot. Controleer eerst of de bevestigingshaken (14) aan de begrenzingsdraad (18) goed in de grond zijn geslagen. Zet de maairobot ca. 3 m achter het laadstation (19) vóór de begrenzingsdraad (18). Daarbij moet de maairobot in een hoek van 90° naar de begrenzingsdraad (18) toegewend staan (afbeelding 7b). Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afbeelding 8). Deblokkeer de maairobot met behulp van de PIN (zie hoofdstuk 'Blokkeerinrichting / PIN'). Druk op de toets 'MODE' (52). Kies vervolgens met de na-
NL
vigatietoetsen (55) het punt 'Naar het laadstation' en bevestig met de toets 'OK' (56).
Druk op de toets 'START' (53) en sluit daarna de afdekking van het display (23). Nu volgt de maairobot de begrenzingsdraad (18) tegen de klok in. Observeer de maairobot tijdens de hele rit langs de begrenzingsdraad (18), tot deze weer in het laadstation (19) staat. Als de maairobot op sommige punten op problemen stuit, corrigeer dan eventueel de begrenzingsdraad (18) en herhaal de procedure. De accu van de maairobot wordt nu volledig geladen. Indien er problemen optreden bij het aandokken, dan kan het zijn dat u het laadstation (19) zijdelings opnieuw moet positioneren, tot het aandokken zonder problemen functioneert.
Met de rode STOP-toets (3) kunt u de maairobot op elk moment stoppen. Na het activeren van de STOP-toets (3) wordt de maairobot gestopt en wacht hij op verdere commando's.
5.8 Bevestiging van het laadstation
Nadat de werking zoals voorgeschreven van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) werd gevonden, moet het station (19) met de bevestigingsschroeven (15) worden gefi xeerd. Draai de bevestigingsschroeven (15) met de zeskantsleutel (22) helemaal in de grond (afbeelding 7c).
5.9 Accu-capaciteitsindicatie
Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsindicatie. De accu-capaciteitsindicatie signaleert u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeelding 13b).
De temperatuur van de accu is te laag. Verwijder de accu van het apparaat en laat de accu één dag liggen bij ruimtetemperatuur. Als de fout opnieuw optreedt, dan werd hij diep ontladen en is hij defect. Neem de accu van het apparaat. Een defecte accu mag niet meer gebruikt resp. geladen worden.
Opgelet!
Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan altijd in op de hogere capaciteit. Dankzij de spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het niet noodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlengen.
5.10 Laden van de accu met de lader
Tijdens het normale bedrijf wordt de accu (A) van de maairobot geladen via het laadstation (19).
Voor de onafhankelijke inzet van de accu (A) van de Power-X-Change serie kan deze ook in de externe lader Power-X-Charger worden geladen.
Opgelet! – De lader (afbeelding 13a, pos. B) kan al naargelang modelvariant niet zijn meegeleverd met uw maairobot.
-
Vergelijk of de netspanning vermeld op het typeplaatje overeenstemt met de beschikbare netspanning. Steek de netstekker van de lader (B) in het stopcontact. De groene LED begint te knipperen.
-
Steek de accu (A) op de lader (B) (afbeelding 13a).
-
Onder punt 'Indicatie lader' vindt u een tabel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader.
Tijdens het laden kan de accu iets warm worden. Dit is echter normaal.
Mocht het laden van de accupack niet mogelijk zijn, controleer dan
- of aan het stopcontact de netspanning voorhanden is,
- of een foutloos contact aan de laadcontacten voorhanden is.
Indien het laden van de accupack nog altijd niet mogelijk is, dan verzoeken wij u • delader
• en de accupack op te sturen aan onze klantendienst.
Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met onze klantendienst of het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht.
Zorg er bij de verzending of verwerking van accu's resp. het accu apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden!
NL
In het belang van een lange levensduur van de accupack is het raadzaam om op tijd voor het herladen van de accupack te zorgen. Dit is in elk geval noodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt. Ontlaad de accupack nooit helemaal. Dat leidt tot een defect van de accupack!
6. Bediening
6.1 Hoofdschakelaar
De maairobot is uitgerust met een hoofdschakelaar (7). Schakel de maairobot met de hoofdschakelaar (7) in (ON) en uit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschakelen van de maairobot wordt deze met de PIN vergrendeld.
6.2 Bedieningsveld
De maairobot werd reeds in de fabriek geprogrammeerd en standaard instellingen daaraan zijn uitgevoerd. Deze kunnen indien nodig echter worden veranderd. Ook al zijn de fabrieksinstellingen geschikt voor de meeste tuinen, u moet zich toch vertrouwd maken met de beschikbare opties.
Verklaring van het bedieningsveld met LCD-display (afbeelding 9)
-
LCD-display
-
Toets 'SET' – Instellings-toets
-
Toets 'MODE' - Maaiprogramma-toets
-
Toets 'START' – Start-toets
-
Toets 'BACK' – Terug-toets
-
Navigatietoetsen
-
Toets 'OK' –Bevestigings-toets
6.3 Maaihoogteverstelling
Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk daarvoor op de STOP-toets (3). De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogte tussen 20 en 60 mm mogelijk, die op de schaal kan worden afgelezen.
Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het tot minstens 60 mm worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer.
Na afsluiting van de installatie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte.
6.4 Blokkeerinrichting / PIN
De blokkeerinrichting verhindert een niet toegestane inzet van de maairobot zonder een geldige code. Daarvoor moet u een persoonlijke veiligheidscode invoeren die bestaat uit vier tekens.
Ontgrendeling
Voordat u de maairobot in bedrijf neemt moet u de correcte PIN invoeren (standaard PIN: '0-0-0-0'). Voer de PIN in met behulp van de navigatietoetsen (55).
Standaard PIN: Nieuwe PIN:
0000
PIN wijzigen
Om de PIN te wijzigen gaat u als volgt te werk:
- Ontgrendel het bedieningsveld.
- Druk eerst op de toets 'SET' (51) om instellingen uit te voeren.
- Navigeer in het menu van het LCD-display (50) met de navigatietoetsen (55) naar het punt 'Algemeen' en vervolgens naar 'PIN-code'.
- Voer eerst de huidige PIN (standaard PIN 0-0-0-0) in met behulp van de navigatietoetsen (55).
- Vervolgens voert u met behulp van de navigatietoetsen (55) uw persoonlijke PIN in.
- Bevestig de uitgevoerde instellingen.
- Herhaal stap 5. en 6. om de nieuwe PIN te bevestigen.
- Opgelet! Noteer de nieuwe PIN!
PIN aanvragen bij verlies
Houd de kwitantie en het serienummer van de maairobot bij de hand. Deze heeft u nodig om uw PIN te ontvangen!
Variant A:
- Druk in de vergrendelde status 6 seconden op de toets 'SET' (51).
- De PUK wordt nu weergegeven in het display (50).
- Wend u tot de klantendienst om uw PIN te ontvangen.
Variant B:
- Sluit op de USB-aansluiting (24) zoals afgebeeld een lege USB-stick aan (afbeelding 11).
- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
- De maairobot slaat de PUK automatisch op op uw USB-stick en beëindigt het proces met een pieptoon.
- Trek de USB-stick eruit. Lees de gegevens
NL
op de USB-stick uit op een computer. Door de maairobot werd een tekstbestand (*.txt) aangemaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Wend u tot de klantendienst om uw PIN te ontvangen.
6.5 Instellingen van de maairobot
In het hoofdmenu van het LCD-display (50) vindt u de huidige datum- en tijdinstellingen van de maairobot, en de huidige laadtoestand. De status van de regensensor, het draadsignaal en van het geselecteerde maaiprogramma wordt eveneens weergegeven in de symboolbalk. Via het bedieningsveld heeft u de opties om met de toets 'SET' (51) instellingen aan de maairobot uit te voeren en om met de toets 'MODE' (52) de maairobot met verschillende maaiprogramma's te starten. Ga met de navigatietoetsen (55) naar het gewenste punt om instellingen uit te voeren. Druk op de 'BACK'-toets (54) om het betreff ende menu te verlaten.
Instellingen – Toets 'SET' (51)
Met de toets 'SET' (51) kunt u de fundamentele instellingen aan uw maairobot uitvoeren. Ga met de navigatietoetsen (55) naar het gewenste punt en bevestig of verwerp de uitgevoerde instellingen vervolgens met de toets 'OK' (56) of de 'Back'-toets (54).
• Tijdschema
Ga met de navigatietoetsen (55) naar de betreffende weekdag, waarvoor u instellingen wilt uitvoeren. De maairobot zal in de normale bedrijfsmodus automatisch op de betreffende weekdag en op het ingestelde moment uw gazon beginnen te maaien. Voor de instelling van de maaitijd wordt als richtwaarde 8 uur per dag bij 500 m ^2 aanbevolen. Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin moet de gekozen werktijd worden aangepast.
Zone
Bij tuinen met allerlei hoeken kan de maairobot problemen hebben om elke zone te bereiken en het gazon volledig te maaien. In dit geval kunnen meerdere startpunten op de begrenzingsdraad (18) worden gekozen. Zo kan de maairobot ook moeilijk toegankelijke delen van uw tuin bereiken. De maairobot zal de gekozen afstand aan de begrenzingsdraad (18) afleggen en in dit deel beginnen te maaien (afbeelding 6m). Ga met behulp van de navigatietoetsen (55) naar de waarde die u wilt wijzigen, en stel de gewenste afstand en frequentie in. - Het laadstation (19) wordt automatisch gedefinieerd als startpunt 1. De
twee verdere startpunten kunnen vrij worden gekozen. Meet hiervoor de afstand tussen laadstation (19) en startpunt met de klok mee langs de begrenzingsdraad (18). Via de frequentie legt u vast hoe vaak de maairobot vanuit het laadstation (19), of vanuit een van de betreffende startpunten, zijn werk start.
• Randmaaien
Voor een mooie rand van het gazon kan de instelling 'Randmaaien' worden geactiveerd. De frequentie van het randmaaien kan eveneens worden ingesteld, dus in welke interval de rand van het gazon aan het begin van het werkvenster moet worden gemaaid, voordat de maairobot het maaibedrijf start. In de standaard instelling begint de maairobot elke 7 werkdagen eenmaal langs de complete begrenzingsdraad te maaien.
- Foutgeheugen
U krijgt informatie over de het laatst opgetreden fouten van uw maairobot.
- Regensensor
De regensensor (5) kan via deze instelling worden geprogrammeerd. De standaard fabrieksinstelling voor de sensor is 'Aan'. U kunt de regensensor (5) activeren resp. deactive- ren en de vertragingstijd instellen. De vertra- gingstijd definieert de tijd, gedurende welke de maairobot na het afdrogen van de regensensor (5) nog in het laadstation (19) blijft.
- Uit het station
Het retourtraject dat de maairobot uit het laadstation (19) aflegt kan worden ingesteld. De maairobot rijdt overeenkomstig de ingestelde afstand eerst terug, voordat hij in het maaivlak draait resp. in de richting van zijn startpunt rijdt. Zorg ervoor dat de maairobot door het ingestelde retourtraject het maaibereik hierdoor niet verlaat.
- Algemeen
- PIN-code: U kunt de PIN van de maairobot wijzigen en uw persoonlijke PIN gebruiken. Ga daarvoor te werk zoals beschreven in het hoofdstuk 'Blokkeerinrichting / PIN'. Opgelet! Noteer de nieuwe PIN.
- Datum & Tijd: Ga met behulp van de navigatietoetsen (55) naar het betreff ende punt en voer de gewenste instellingen uit.
- Taal: Ga met behulp van de navigatietoetsen (55) naar de gewenste taal.
- Softwareversie: Hier is de actuele softwareversie van de maairobot vermeld.
NL
Maaiprogramma's - Toets 'MODE' (52)
Ga met de navigatietoetsen (55) naar het ge- wenste maaiprogramma om dit te starten. U heeft telkens de keuze tussen het primaire vlak / hoofdvlak en het secundaire vlak / nevenvlak. Meer informatie over de beide vlakken vindt u in het hoofdstuk 'Inbedrijfstelling' onder het punt 'Begrenzingsdraad'.
Maaien
Start de maairobot om het gazon te maaien en de maairobot schakelt aan de hand van het ingestelde tijdschema om in de normale bedrijfsmodus.
• Randmaaien
Zet de maairobot in de buurt van de begrenzingsdraad (18) of start hem terwijl hij zich in het laadstation (19) bevindt. De maairobot volgt de begrenzingsdraad (18) met ingeschakeld maaiwerk met de klok mee tot aan de achterkant van het laadstation (19). Vervolgens keert de maairobot terug naar het laadstation (19), mits er geen werkvenster actief is.
Spot Mowing
Het kan voorkomen dat uw maairobot sommige plekken niet voldoende grondig maait. Zet de maairobot op een gewenste plek en start hem. De maairobot zal beginnen het gazon in spiraalvorm te maaien, tot hij op een hindernis of de begrenzingsdraad (18) stuit. Vervolgens keert de maairobot terug naar het laadstation (19), mits er geen werkvenster actief is.
• Naar het laadstation
Stuur uw maairobot terug naar het laadstation (19). De maairobot zoekt de begrenzingsdraad (18) en volgt deze tegen de klok in naar het laadstation (19). Hier valt de optie van het secundaire vlak / nevenvlak weg.
6.6 Besturing van de maairobot
Starten
- Druk op de STOP-toets (3) en open de afdekking van het display (23) volledig.
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Kies via de toets 'MODE' (52) het gewenste maaiprogramma en het werkvlak.
- Druk op de toets 'START' (53).
- Sluit de afdekking van het display (23).
De maairobot werkt nu overeenkomstig de instelling van de maaitijd. Tijdens de werktijd wordt de laadtoestand van de accu bewaakt en weergegeven op het LCD-display (50). Zodra de
laadtoestand daalt tot 30%, keert de maairobot automatisch terug naar het laadstation (19).
Afbreken van het maaien
- Druk op de STOP-toets (3) om de maairobot meteen te stoppen.
- Open de afdekking van het display (23) volledig.
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Druk op de toets 'MODE' (52) en kies 'Naar het laadstation' om de maairobot langs de begrenzingsdraad (18) terug te sturen naar het laadstation (19).
- Druk op de toets 'START' (53).
- Sluit de afdekking van het display (23).
STOP-status:
Door op de STOP-toets (3) te drukken schakelt de maairobot in een STOP-status, die in het LCD-display (50) wordt weergegeven. De maairobot stopt met maaien, tot deze status weer wordt opgeheven.
Na ontgrendeling van het bedieningsveld (2) verschijnt een venster, dat voorstelt om de STOP-status op te heff en. Door bevestiging wordt de status opgeheven. Anders blijft de maairobot gestopt. Als de maairobot gestart of terug naar het laadstation (19) gestuurd wordt, dan wordt de STOP-status eveneens opgeheven. Sluit de afdekking van het display (23).
6.7 Besturing van de maairobot met behulp van de app
Alle instellingen die via het bedieningsveld kunnen worden uitgevoerd, kunnen eveneens gebeuren via de app. Download eerst de Einhell app voor maairobots op uw smartphone. De Einhell app kan worden gedownload via de volgende link en QR-code:
iOS: http://qr.einhell.com/12e103ce

NL
Android: http://qr.einhell.com/176c0443

Verbind met behulp van een Bluetooth verbinding de maairobot met uw smartphone en volg de aangegeven stappen.
Informatie over de Bluetooth verbinding:
Maak verbinding met de maairobot in de Einhell app, nadat u zich als gebruiker aangemeld en het apparaat geregistreerd heeft.
- Bij Android apparaten moet de standplaats voor de Einhell app worden vrijgegeven om gebruik te kunnen maken van de Bluetooth verbinding.
- Koppel de maairobot uitsluitend binnen de Einhell app van uw smartphone.
- Maak verbinding met de maairobot in de Einhell app.
- De actieradius van een Bluetooth verbinding is beperkt. Blijf daarom om de maairobot aan te sturen in de buurt daarvan.
- Op hetzelfde moment kan de maairobot altijd maar één verbinding met een smartphone maken.
- Onderbreek de Bluetooth verbinding, nadat u alle instellingen aan de maairobot heeft uitgevoerd.
7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
Gevaar!
Vóór alle reinigings- en onderhoudswerkzaamheden moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekker uit de contactdoos moet trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uitschakelt (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu uit de maairobot. Voorzichtig! Werkhandschoenen dragen!
7.1 Reiniging
- Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventilatiespleten en het motorhuis zo veel mogelijk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doek af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon.
• De maairobot mag niet met stromend water,
vooral niet onder hoge druk, worden gereinigd.
- Reinig het apparaat regelmatig met een vochtige doek en wat smeerzeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zouden kunnen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat terecht kan komen.
- Maak de maairobot indien mogelijk schoon met een borstel of doek.
- Controleer de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11)
- Gebruik voor de reiniging van de laadcontacten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer fijn schuurpapier. Maak deze schoon om een efficiënt laadproces te garanderen.
7.2 Onderhoud
- Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingsschroeven moeten altijd per set worden vervangen.
• Vervang versleten of beschadigde delen. - Voor een lange levensduur moeten alle schroefdelen en de wielen en assen schoongemaakt en vervolgens met olie gesmeerd worden.
- De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig wordt gemaaid.
- De het sterkst aan slijtage onderhevige componenten zijn de klingen (10). Controleer regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging daarvan. Als er overmatige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd zijn resp. door stoten werden vervormd. Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan moeten deze meteen worden vervangen.
- Controleer regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlak licht uitdrogen en verdort het. Vervang daarom de klingen regelmatig, opdat u een zuiver en recht maairesultaat verkrijgt.
- Controleer de onderkant van de maairobot regelmatig op vervuilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigingen onmiddellijk.
- In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als daarvoor met een conventionele gras-
NL
maaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controleer daarom de onderkant van uw maairobot gedurende deze periode vaker.
- Verkort het gras om een sterke verontreiniging te vermijden slechts in kleine stappen.
- Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhouden onderdelen.
7.2.1 Vervangen van de klingen
Gebruik alleen originele klingen, aangezien anders functies en veiligheid niet zijn gegarandeerd. De maairobot is uitgerust met drie aan een messenschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maximaal 3 maanden (wanneer er geen hindernissen worden getroff en). Vervang alle drie klingen (10) gelijktijdig om uit te sluiten dat de effi ciëntie en balans van uw apparaat negatief wordt beïnvloed.
Om de klingen (10) te vervangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 12) - Opgelet! - Handschoenen dragen:
- Blokkeer met een schroevendraaier de rotatie van de messchijf (11). Steek hiervoor de schroevendraaier door de voorziene gaten in de messchijf (11) en de beschermkam.
- Draai de bevestigingsschroeven los.
- Neem de klingen (10) eraf en vervang deze door nieuwe. Vervang alle drie klingen (10) altijd per set.
- Daarna draait u de bevestigingsschroeven weer vast. Let erop dat de nieuwe klingen (10) vrij kunnen worden gedraaid.
Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verzamel alle opgezamelde resten. Vóór elk begin van een seizoen de toestand de klingen (10) absoluut controleren. Wend u bij reparaties tot onze klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.
7.2.2 Software update
Wanneer u de software wilt updaten, kopieer dan de nieuwe software op een lege USB-stick (eventueel de USB-stick eerst formatteren). Zorg ervoor dat de accu volledig is geladen, voordat u de volgende stappen uitvoert.
- Zet de maairobot op het te maaien terrein. De maairobot mag zich bij de software update niet in het laadstation bevinden.
- Sluit aan de USB-aansluiting zoals afgebeeld een USB-stick aan (afbeelding 11).
- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
-
De maairobot start nu de update van de software en geeft de huidige status aan.
-
Als het update proces is afgesloten, trek dan de USB-stick eruit en start de maairobot via de hoofdschakelaar (7) opnieuw.
7.2.3 Reparatie van de begrenzingsdraad
Als de begrenzingsdraad (18) op een bepaald punt wordt doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinder (16). Daarvoor steekt u beide uiteinden van de doorgesneden begrenzingsdraad (18) in de kabelverbinder (16) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controleer vervolgens aan de hand van de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) de werking.
7.3 Bestelling van onderdelen:
Bij de bestelling van onderdelen moeten de volgende gegevens worden vermeld:
• Type van het apparaat
• Artikelnummer van het apparaat
• Ident.-nummer van het apparaat
- Onderdeelnummer van het benodigde onderdeel
Actuele prijzen en info vindt u terug onder www.Einhell-Service.com
Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20
8. Opslag
Laad de accu vóór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF). Neem de accu uit het apparaat. Isoleer de voedingseenheid (13) van de stroomtoevoer en het laadstation (19).
De begrenzingsdraad (18) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er echter wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd tegen corrosie. Isoleer daartoe de aansluitingen van de begrenzingsdraad (18) van het laadstation (19).
Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrije en voor kinderen ontoegankelijke plaats. De optimale opslagtemperatuur ligt tussen 5 °C en 30 °C. Bewaar het apparaat in de originele verpakking.
NL
9. Transport
- Schakel het apparaat uit via de hoofdschakelaar (7) (OFF) (afbeelding 8).
- Breng, indien voorhanden, transportbeveiligingen aan.
- Bescherm het apparaat tegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen.
- Beveilig het apparaat tegen wegglijden en kantelen.
- Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.
10. Verwerking en recycling
Het apparaat zit in een verpakking om transportschade te verhinderen. Deze verpakking is een grondstof en dus herbruikbaar of kan worden teruggevoerd in de grondstofkringloop. Het apparaat en zijn toebehoren bestaan uit diverse materialen, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen niet bij het huisvuil. Voor deskundige verwerking moet het apparaat bij een daarvoor bestemde inzamelplaats worden afgegeven. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren.

Enkel voor EU-landen
Elektrisch gereedschap hoort niet bij het huisvuil thuis!
Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EG op afgedankte elektrische en elektronische toestellen en omzetting in nationaal recht dienen afgedankte elektrische gereedschappen afzonderlijk te worden verzameld en milieuvriendelijk te worden gerecycleerd.
Recyclagealternatief i.p.v. het toestel terug te sturen:
De eigenaar van het elektrische toestel is alternatief verplicht, i.p.v. het toestel terug te sturen, mede te werken bij de behoorlijke recyclage in geval hij zich van het eigendom ontdoet. Het afgedankte toestel kan hiervoor ook bij een verzamelplaats worden afgegeven die voor een verwijdering als bedoeld in de wetgeving in zake recyclage en afvalverwerking zorgt. Hieronder vallen niet bij de afgedankte toestellen gevoegde accessoires en hulpmiddelen zonder elektrische componenten.
Zorg er bij de verwerking voor dat accu's en lichtmiddelen (bijv. gloeilampen) uit het apparaat worden genomen.
Nadruk of andere reproductie van documentatie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltelijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van Einhell Germany AG.
Technische wijzigingen voorbehouden
NL
11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
| LED-indicatie (21) | Beschrijving Oplossing | |
| Uit - Geen stroomtoevoer - Controleer de stroomtoevoer | ||
| Brandt groen - Klaar om te maaien- Accu volledig geladen- Begrenzingsdraad (18) aan-gesloten | ||
| Knippert groen - Begrenzingsdraad (18) door-gesneden | - Onderzoek de begrenzingsdraad (18) op een breuk | |
| Brandt rood - Accu wordt geladen - Wacht tot de accu volledig is geladen | ||
12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
Foutmelding van de maairobot in het LCD-display (50)
| Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen | ||
| Geen signaal - Begrenzingsdraad verkeerd aangesloten- Geen stroomtoevoer- Begrenzingsdraad (18) door-gesneden | Controleer of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt.- Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad (18) correct en in het midden onder het laad-station (19) is gelegd.- Controleer de positie van het laadstation (19). | |
| Buiten gebied - Begrenzingsdraad verkeerd aangesloten- Maairobot buiten het maai-gebied | - Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad (18) correct en in het midden onder het laad-station (19) is gelegd.- Zorg ervoor dat de maairobot zich in het maaigebied bevindt. | |
| Batterijfout | - Er is een accufout opgetre-den bij de maairobot.- De accu kan niet worden ge-laden.- De accu heeft het einde van zijn levensduur bereikt. | - Controleer of de accu juist werd gemon-teerd.- Controleer of de hoofdschakelaar (7) is ingeschakeld (ON), terwijl de maairobot zich in het laadstation (19) bevindt.- Controleer de positie van het laadstation (19). Vervang indien nodig de accu. |
NL
| Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen | ||
| Batt. temp. fout Te hoge | ge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturing- Bij een batterijtemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug naar het laadstation (19).- Bij een batterijtemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C wordt het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19). | - Kies de werktijd in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag.- Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten temperatuurbereik keert de maairobot automatisch terug naar het geprogrammeerde bedrijf. |
| Maaier opgetild - Hetsensor heeft continu 10 seconden lang gereageerd. | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (23) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Indien deze fout vaker optreedt, controleer dan het maaigebied op hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm en verwijder deze, of scherm de hindernissen met de begrenzingsdraad (18) af van het maaigebied. | |
| Maaier geblokkeerd - Hindernissensor binnen één minuut meermaals geactiveerd- Hindernissensor 10 seconden ononderbroken geactiveerd- Hindernissensor tijdens de rit terug naar het laadstation (19) driemaal geactiveerd | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (23) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Controleer of de maairobot door een hindernis geblokkeerd of tussen bomen, struiken enz. ingeklemd is. Elimineer de hindernis of vermijd deze zone.- Indien deze fout vaker optreedt, controleer dan of de begrenzingsdraad (18) goed is gelegd. Let met name op nauwe hoeken, doorgangen, hekken, rotsen enz., en pas de layout van de begrenzingsdraad (18) indien nodig aan.- Controleer of het gras te hoog is en de maairobot wordt geblokkeerd. Maai het gras in dit geval tot onder 60 mm. | |
Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen
| Te dicht bij station - Maairobot werd te dicht bij het laadstation (19) terug-gestuurd. |
Omgevallen - Maairobot werd 10 seconden continu gekanteld.
- Maairobot is gedurende langere tijd in één richting geheld.
Wielfout - Achterwielen (8) werden op- getild door een hindernis.
- Achterwielen (8) kunnen zich door oneff en gazon vrij draaien.
STOP-knop - fout De afdekking van het display (23) is geopend, maar de STOP-toets (3) werd niet geactiveerd.
Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (23) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:
- De maairobot moet met een minimum afstand van 2 m terug naar het laadstation (19) worden gestuurd.
Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (23) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:
- Zet de maairobot op een vlakke ondergrond en start hem opnieuw.
- Indien de maairobot vanwege een steile helling in het maaigebied is gekanteld, pas de begrenzingsdraad (18) dan zo aan, dat sterke hellingen worden verme- den.
Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (23) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:
- Zet de maairobot op een vlakke ondergrond en start hem opnieuw.
Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (23) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:
- Controleer of de afdekking van het display (23) met de STOP-toets (3) vrij kan worden geopend en gesloten.
- Controleer de functionaliteit van de STOP-toets (3).
NL
| Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen | ||
| PCB overtemperatuur | Te hoge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturing- Bij een batterijtemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug naar het laadstation (19).- Bij een batterijtemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C wordt het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19). | - Kies de werktijd in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag.- Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten temperatuurbereik keert de maairobot automatisch terug naar het geprogrammeerde bedrijf. |
| Regen - De regensensor (5) heeft gereageerd. | - Wacht tot de maairobot droog is.- Een gedetailleerde beschrijving van de sensor kan worden nagelezen in hoofdstuk 5.2. | |
| Sensorfout - De maairobot werd gestopt op grond van een sensorfout. | Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. | |
| Motorfout / Overstroom | - De maairobot is op grond van een overstroom in de motor of een motorfout gestopt. | Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.- Controleer de hoogte van het gras in het maigebied en maai indien nodig met een conventionele grasmaaier het gras tot korter dan 60 mm.- Verhoog de snijhoogte. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte.- Onderzoek de messenschijven (11) en wielen op vervuiling en reinig deze grondig.- Controleer de achterwielen en de messenschijf op blokkades. Indien u deze blokkades niet kunt elimineren, wend u dan tot de bevoegde klantendienst. |
| Bedrijfsfout - De maairobot werd gestopt op grond van een bedrijfsfout. | Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. | |
NL
Foutopsporing
| Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen | ||
| De maairobot staat in het maagebied De maairobot kan niet worden ingeschakeld | - Accuspanning te laag- Fout aan de stroomkring of de elektronica | - Breng de maairobot terug naar het laadstation (19) om op te laden- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON)- Wend u tot de klantendienst |
| De maairobot kan niet in het laadstation rijden | - Laadstation (19) niet correct geïnstalleerd | - Controleer of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt- Controleer of de begrenzingsdraden (18) aan het laadstation (19) zijn aangesloten en of de voorste begrenzingsdraad (18) in het midden onder het station (19) is gelegd.- Controleer of het laadstation (19) correct gepositioneerd |
| De maairobot stopt resp. rijdt ongecontroleerd in de buurt van begrenzingseilanden. | - Begrenzingsdraad (18) niet juist geïnstalleerd rond de begrenzingseilanden | - Pas de positie van de begrenzingsdraad (18) aan- Let erop dat de begrenzingsdraad (18) zich niet kruist. |
| De maairobot maakt veel lawaai | - Klingen (10) beschadigd- Aan de klingen (10) hechten veel vreemde materialen- Maairobot te dicht bij hindernissen gestart- Mesaandrijving of aandrijf-motor beschadigd- Andere delen van de maairobot beschadigd | - Vervang de klingen (10). De 3 klingen (10) moeten gelijktijdig worden vervangen- De effi ciëntie van de maairobot hangt af van de scherpte van de klingen (10). Houd de klingen (10) daarom in goede toestand- Schakel de maairobot veilig uit en draag werkhandschoenen als u de klingen (10) reinigt, om snijwonden te vermijden- Laat de motor door de klantendienst repareren of vervangen |
| De maairobot blijft in het laadstation De maairobot keert steeds weer terug naar het laadstation | - Verkeerde instellingen van de werktijd- Accu leeg- Regensensor gereageerd- Verhoogde accutemperatuur | - Controleer de instellingen van de werktijd- De maairobot begint en beëindigt zijn werk al naargelang het ingestelde tijdvenster. Buiten dit tijdvenster blijft de maairobot in het laadstation (19) |
| De maairobot blijft op de begrenzingsdraad staan en kan het laadstation niet bereiken. | - Accu leeg.- De lengte van de begrenzingsdraad (18) en daardoor de weg naar het laadstation (19) is te lang voor de gebruikte accu. | - Verwijder mogelijke hindernissen op de begrenzingsdraad (18). Zorg bij het leggen van de begrenzingsdraad (18) voor voldoende afstand tot hindernissen.- Gebruik een accu met hogere capaciteit.- Opgelet: bij inzet van een multi-Ah-accu (bijv. 4-6 Ah) de hogere capaciteit instellen. Dankzij de spaarzame lading en ont-lading bij de maairobot is het niet noodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlengen. |
OPGELET! Doorgesneden begrenzingsdraden en gevolgschade vallen niet onder de garantie!
NL
13. Indicatie lader
| Indicatiestatus | Betekenis en maatregel | |
| Rode LED | Groene LED | |
| Uit Knippert | Operationaliteit | De lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit niet in de lader. |
| Aan Uit Laden | De lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader.Aanwijzing! Al naargelang de acculading kan de laadduur iets afwijken van de vermelde tijden. | |
| Uit Aan De accu is opgeladen en operationeel. (READY TO GO)Daarna wordt tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla-ding.Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten.Maatregel:Neem de accu uit de lader. Isoleer de lader van het net. | ||
| Knippert Uit | Aanpassingslading | De lader bevindt zich in de modus behoedzame lading.Hierbij wordt de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeen meer tijd vergt. Dit kan de volgende oorzaken hebben:- De accu werd zeer lange tijd niet meer geladen.- De accutemperatuur ligt niet in het ideale bereik.Maatregel:Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verder wor-den geladen. |
| Knippert Knippert Fout | Laadproces is niet meer mogelijk. De accu is defect.Maatregel:Een defecte accu mag niet meer worden opgeladen.Neem de accu uit de lader. | |
| Aan Aan Temperatuurstoring | De accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C).Maatregel:Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemperatuur (ca. 20 °C). | |
NL
Service-informatie
Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zijn genoemd, samen met competente servicepartners, wier contactgegevens u kunt afleiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaffen van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking.
U moet er rekening mee houden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtage door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig zijn als verbruiksmaterialen.
| Categorie Voorbeeld | |
| Slijstukken* Accu | |
| Verbruiksmateriaal/verbruiksstukken* Klingen | |
| Ontbrekende onderdelen |
* niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen!
Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en daarbij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:
- Heeft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect?
- Is u iets opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptoom vóór het defect)?
- Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)?
Beschrijf deze foutieve werkwijze.
NL
Garantiebewijs
Geachte klant,
Onze producten worden onderworpen aan een strenge kwaliteitscontrole. Mocht dit apparaat echter ooit niet naar behoren functioneren, spijt dit ons ten zeerste en vragen u zich te wenden tot onze servicedienst onder het adres vermeld op dit garantiebewijs. Wij staan ook graag telefonisch tot uw dienst via het vermelde servicetelefoonnummer. Voor eisen in verband met het recht op garantie geldt het volgende:
-
Deze garantievoorwaarden zijn uitsluitend gericht aan de gebruikers, d.w.z. natuurlijke personen die dit product niet in het kader van hun ambachtelijke noch van een andere zelfstandige activiteit willen gebruiken. Deze garantievoorwaarden regelen aanvullende garantieprestaties, die de hieronder genoemde fabrikant kopers van zijn nieuwe apparaten toezegt in aanvulling tot de wettelijke garantie. Uw wettelijke garantieclaims blijven onaangetast door deze garantie. Onze garantieprestatie is voor u gratis.
-
De garantieprestatie geldt uitsluitend voor gebreken aan een door u aangekocht nieuw apparaat van de hieronder genoemde fabrikant die aantoonbaar berusten op een materiaal- of productiefout, en is naar onze keuze beperkt tot het verhelpen van zulke gebreken aan het apparaat of de vervanging ervan.
Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun bestemming niet ontworpen zijn voor commercieel, ambachtelijk of industrieel gebruik. Van een garantiecontract is derhalve geen sprake, als het apparaat binnen de garantieperiode in commerciële, ambachtelijke of industriële bedrijven werd ingezet of aan een daarmee gelijk te stellen belasting werd blootgesteld.
- Van onze garantie zijn uitgesloten:
- Schade aan het apparaat als gevolg van niet-inachtneming van de montagehandleiding of op grond van ondeskundige installatie, als gevolg van niet-inachtneming van de gebruiksaanwijzing (zoals bijv. door aansluiting aan een verkeerde netspanning of stroomsoort) of niet-inachtneming van de onderhouds- en veiligheidsvoorschriften, door blootstelling van het apparaat aan abnormale omgevingsvoorwaarden of door nalatig onderhoud en verzorging.
- Schade aan het apparaat als gevolg van misbruik of ondeskundige toepassingen (zoals bijv. overbelasting van het apparaat of de inzet van niet toegelaten gereedschappen of toebehoren), binnendringen van vreemde voorwerpen in het apparaat (zoals bijv. zand, stenen of stof, transportschade), gebruik van geweld of als gevolg van externe invloeden (zoals bijv. schade door vallen).
- Schade aan het apparaat of aan delen van het apparaat die valt te herleiden tot slijtage als gevolg van gebruik, en als gevolg van normale of andere natuurlijke slijtage.
-
De garantieperiode bedraagt 24 maanden en gaat in op de datum van aankoop van het apparaat. Garantieclaims dienen voor het verloop van de garantieperiode binnen de twee weken na het vaststellen van het defect geldend te worden gemaakt. Het indienen van garantieclaims na verloop van de garantieperiode is uitgesloten. De herstelling of vervanging van het apparaat leidt niet tot een verlenging van de garantieperiode noch wordt door deze prestatie een nieuwe garantieperiode voor het apparaat of voor eventueel ingebouwde wisselstukken op gang gebracht. Dit geldt ook bij het ter plaatse uitvoeren van een serviceactiviteit.
-
Gelieve om een garantieclaim in te dienen het defecte apparaat aan te melden op mail adres: service@einhell.nl. Houd het aankoopbewijs of een ander bewijs van uw aankoop van het nieuwe apparaat bij de hand. Apparaten die zonder bijhorende bewijzen of zonder typeplaatje worden teruggestuurd, worden op grond van de ontbrekende mogelijkheid om het apparaat toe te kennen uitgesloten van de garantieprestatie. Valt het defect van het apparaat binnen onze garantieprestatie, dan bezorgen wij u per omgaande een gerepareerd of nieuw apparaat terug.
Uiteraard staan wij ook tot u dienst om, mits betaling van de kosten, defecten van het apparaat te verhelpen die buiten de garantieomvang vallen. Indien u hiervan gebruik wenst te maken, neem dan contact met ons op.
Voor slijtstukken, verbruiksmateriaal en ontbrekende onderdelen wordt verwezen naar de beperkingen van deze garantie conform de service-informatie van deze handleiding.