FREELEXO - Robot grasmaaier EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis FREELEXO EINHELL in PDF-formaat.
| Producttype | Robotmaaier |
| Merk | EINHELL |
| Model | FREELEXO |
| Gewicht | 8,0 kg |
| Snijbreedte | 18 cm |
| Snijhoogte | 20-60 mm, continu verstelbaar |
| Maximale helling | 35% |
| Aantal messen | 3 |
| Motortoerental | 3400 t/min |
| Beschermingsklasse | IPX4 |
| Beschermingscategorie | III |
| Voeding | Accu 18 V Li-Ion; voedingseenheid 100-240 V ~ 50/60 Hz, uitgang 24 V DC, 1,5 A |
| Lader | Snelader met LED-indicator |
| Toegestane lengte van de begrenzingsdraad | max. 250 m |
| Geluidsdrukniveau | 48 dB (A) |
| Geluidsvermogensniveau | 62 dB (A) |
| Veiligheidssensoren | Heffings-, kantel-, obstakel- en regensensor |
| Vergrendelingssysteem | PIN-code (standaard 1-2-3-4) en USB-sleutel voor herstel |
| Hoofdschakelaar | AAN/UIT |
| Besturingsfuncties | Selectie van maaitijd (dagelijks/om de dag), hoofd-/secundair gebied, terugkeer naar station |
| Onderhoud | Reiniging met vochtige doek; vervang de 3 messen tegelijkertijd |
| Reserveonderdelen | Reservemessen ref. 34.140.20; compatibele accu |
| Opslag | Op een droge, vorstvrije plaats, temperatuur 5-30 °C |
| Garantie | 24 maanden |
Veelgestelde vragen - FREELEXO EINHELL
Gebruikersvragen over FREELEXO EINHELL
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robot grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FREELEXO - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FREELEXO van het merk EINHELL.
GEBRUIKSAANWIJZING FREELEXO EINHELL
- Veiligheidsaanwijzingen
- Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
- Reglementair gebruik
- Technische gegevens
- Inbedrijfstelling
- Bediening
- Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
- Opslag
- Transport
- Verwerking en recycling
- Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
- Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
- Indicatie lader

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.
Dit apparaat mag niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geïnstrueerd werden en begrijpen welke gevaren van het apparaat uitgaan. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen.
Reiniging en onderhoud door de gebruiker mogen niet door kinderen worden uitgevoerd.
Gevaar!
Bij het gebruik van toestellen dienen enkele veiligheidsmaatregelen te worden nageleefd om lichamelijk gevaar en schade te voorkomen. Lees daarom deze handleiding / veiligheidsinstructies zorgvuldig door. Bewaar deze goed zodat u de informatie op elk moment kunt terugvinden. Mocht u dit toestel aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding / veiligheidsinstructies mee te geven. Wij zijn niet aansprakelijk voor ongevallen of schade die te wijten zijn aan niet-naleving van deze handleiding en van de veiligheidsinstructies.
1. Veiligheidsaanwijzingen
De overeenkomstige veiligheidsinstructies vindt u in de bijgaande brochure.
Waarschuwing!
Lees alle veiligheidsinstructies, aanwijzingen, plaatjes en technische gegevens, waarvan dit elektrisch gereedschap is voorzien.
Nalatigheden bij de inachtneming van de volgende instructies kunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken. Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwijzingen voor de toekomst.
Verklaring van de gebruikte symbolen (zie afbeelding 14)
A. WAARSCHUWING - Vóór inzet van de machine de handleiding doorlezen! B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewaren! C. WAARSCHUWING - Vóór de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tillen de blokkeerinrichting activeren! OPGELET - Roterende messen niet aanraken! D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen niet aanraken! E. Beschermklasse II (dubbele isolatie) F. Opslag van de accu's alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10°C tot +40°C. De accu's alleen in geladen toestand opbergen (min. 40% geladen). G. Beschermklasse III H. Trage zekering 2 A I. Alleen voor gebruik in droge ruimtes.
Opgelet!
Trek tijdens een onweer de netstekker uit het stopcontact en isoleer de begrenzingsdraad van het laadstation.
2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
2.1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)
- Maairobot
- Bedieningsveld
- STOP-toets / Ontgrendelingstoets van de afdekking van het display
- Maaihoogteverstelling
- Regensensor
- Draaggreep
- Hoofdschakelaar
- Achterwiel
- Deksel accuvak
- Klingen
- Messenschijf
- Voorwiel
- Voedingseenheid(-kabel)
- Bevestigingshaak
- Bevestigingschroef
- Kabelverbinder
- Reserve klingen
- Begrenzingsdraad
- Laadstation
- Laadpen
- LED-indicatie 22.Accu
- Lader
- Zeskantsleutel
- Afdekking van het display
- USB-aansluiting
- Liniaal (om eruit te trekken)
2.2 Omvang van de levering en uitpakken
Gelieve de volledigheid van het artikel te controleren aan de hand van de beschreven omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft gekocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve ook de garantietabel in de service-informatie aan het einde van de handleiding in acht te nemen.
- Open de verpakking en neem het toestel voorzichtig uit de verpakking. Verwijder het verpakkingsmateriaal alsmede
verpakkings-/transportbeveiligingen (indien aanwezig).
- Controleer of de leveringsomvang compleet is.
- Controleer het toestel en de accessoires op transportschade.
- Bewaar de verpakking indien mogelijk tot het verloop van de garantieperiode.
Gevaar!
Het toestel en het verpakkingsmateriaal zijn geen speelgoed. Kinderen mogen niet met plastic zakken, folies en kleine stukken spelen! Er bestaat inslik- en verstikkingsgevaar!
Omvang van de levering, montagemateriaal en toebehoren (deels niet meegeleverd)
Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.
Maaibot Voedingseenheid(-kabel) Laadstation - Bevestigingsschroeven (4 stuks) - Reserveklingen Bevestigingshaak Begrenzingsdraad Kabelverbinder Zeskantsleutel Accu Lader - Liniaal (om eruit te trekken) Originele handleiding Veiligheidsinstructies
Benodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd)
- Hamer Tang Isolatietang Waterpas (optioneel)
De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maaien van gazons.
De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk gebruik dat verder gaat dan het doelmatige gebruik is niet doelmatig. Voor schade of verwondingen van welke aard dan ook die daaruit voortvloeien, is de gebruiker/bediener aansprakelijk, en niet de fabrikant.
Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun doelmatig gebruik niet zijn ontworpen voor commerciële, ambachtelijke of industriële inzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid indien het apparaat in ambachtelijke of industriële bedrijven of voor daaraan gelijk te stellen activiteiten wordt ingezet.
Onzekerheid K 3 dB (A)
Geluidsdrukniveau LWA 62 dB (A)
Onzekerheid K 3 dB (A)
Maaihoogteverstelling 20-60 mm; traploos
Toegelaten lengte van de begrenzingsdraad max. 250 m
Voedingseenheid
Ingangsspanning: 100-240 V ~ 50/60 Hz
Uitgangsspanning: 24 V DC
Uitgangsstroom: 1,5 A
Beschermklasse: II/
De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094:1991.
Waarschuwing!
Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijke verwondingen te verminderen, raden wij personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het medische implantaat te raadplegen voordat het apparaat wordt bediend.
NL
5. Inbedrijfstelling
Lees de hele handleiding, voordat u begint met de installatie van de maairobot. Hoe goed de maairobot later werkt is afhankelijk van de kwaliteit van de installatie.
5.1 Werkingsprincipe
De maairobot kiest zijn richting bij toeval. De tuin wordt volledig gemaaid, doordat de maairobot alle delen binnen het door de begrenzingsdraad (18) ingesloten vlak bewerkt. Zodra de maairobot een correct geïnstalleerde begrenzingsdraad (18) herkent, draait hij zich om en rijdt in een andere richting binnen het vlak. Alle delen die u binnen het vlak wilt beschermen - bijv. tuinvijvers, bomen, meubels of bloembedden - moeten eveneens met de begrenzingsdraad (18) worden afgeschermd. De begrenzingsdraad (18) moet een gesloten cirkel vormen. Indien de maairobot binnen het maaigebied op een hindernis stuit, dan rijdt hij terug en maait verder in een andere richting (afbeelding 3).
5.2 Sensoren
De maairobot is uitgerust met meerdere veiligheidssensoren.
Hefsensor:
Indien de maairobot van achteren meer dan 30° van de grond wordt opgetild of een voorwiel (12) het contact met de grond verliest, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.
- Hellingsensor:
Indien de maairobot sterk in een richting helt, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.
- Hindernissensor:
De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan worden de robot en de rotatie van de klingen meteen gestopt en rijdt hij terug weg van de hindernis.
Regensensor:
De maairobot is uitgerust met een regensensor (5) om te verhinderen dat de robot in de regen werkt. De maairobot keert terug naar het laadstation (19) wanneer er regen wordt herkend, en wordt daar volledig opgeladen. Nadat de regensensor (5) is gedroogd, blijft de robot nog twee uur in het laadstation (19). Pas daarna hervat hij het werk, mits hij zich nog in een actief tijdsvenster bevindt. Als de regensensor (5) heeft gereageerd
Geerd, dan knippert de alarm-LED (55) geel. Sluit de beide metaalsensoren niet kort met metaal of een ander geleidend materiaal. Hierdoor wordt de correcte werking van de maairobot negatief beïnvloed.
5.3 Voorbereiding
Maak eerst een schets van uw gazon. Teken ook hindernissen mee in en werk een plan uit hoe u deze wilt beschermen. Daardoor wordt het eenvoudiger om een goede plaats voor het laadstation (19) te vinden en de begrenzingsdraad (18) rond struiken, bloembedden enz. te leggen (afbeelding 4). Als het gras hoger is dan 60 mm dan moet het worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de efficiëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer.
Haal alle losse voorwerpen die door de maairobot kunnen worden beschadigd of die de robot kunnen beschadigen, weg van het gras.
Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).
Montage van de accu
Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (22) en schuif de accu (22) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accuvak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeelding 10).
5.4 Laadstation
5.4.1 Standplaats van het laadstation
Zoek eerst de beste plaats voor het laadstation (19). Er is een contactdoos voor buiten nodig die permanent stroom levert, opdat de maairobot altijd functioneert. Het laadstation (19) moet op een vlakke ondergrond op de hoogte van de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat de omgeving vlak en droog is. Kies een plaats in de schaduw, aangezien de accu (22) het best wordt geladen in een koele omgeving. Zorg er bovendien voor dat de begrenzingsdraad minstens 2 m voor het laadstation (19) recht wordt gelegd (afbeelding 5a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.
5.4.2 Lokalisering van het laadstation
Wanneer de accu (22) bijna leeg is, dan keert de maairobot terug naar het laadstation (19) door de begrenzingsdraad (18) tegen de klok in te volgen tot aan het station (19). Let er daarom op dat het laadstation (19) correct uitgericht wordt geplaatst (afbeelding 5b).
5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan de voedingseenheid
- Voordat u het laadstation (19) verbindt met de stroomtoevoer, moet u controleren of de netspanning 100-240 V bij 50/60 Hz bedraagt.
- Verbind de voedingseenheid (13) rechtstreeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.
- Gebruik geen beschadigde voedingseenheid (13). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (13) voor vervanging meteen tot een erkende vakman.
- Laad de maairobot niet op in een vochtige omgeving. Laad de maairobot niet op bij temperaturen hoger dan 40°C of lager dan 5°C.
- Houd de maairobot en de voedingseenheid (13) uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliën. Houd de kabel van de voedingseenheid (13) om schade te vermijden weg van scherpe randen.
- Verbind de voedingseenheid (13) met het laadstation (19) (afbeelding 5c).
Om de accu (22) van de maairobot al tijdens de installatie te laden, schakelt u de robot eerst via de hoofdschakelaar (7) in en plaatst u deze in het laadstation (19).
5.4.4 Informatie over het laadproces
De maairobot keert in een van de volgende situaties terug naar het laadstation (19):
U stuurt de maairobot handmatig terug. - De laadtoestand van de accu daalt onder 30%. - De dagelijkse werkelijk is verstreken. - De regensensor heeft gereageerd. - De maairobot is oververhit.
Daarbij rijdt de maairobot langs de begrenzingsdraad (18) automatisch tot aan het laadstation (19).
Wanneer de maairobot terug naar het laadstation (19) rijdt, dan zoekt hij de begrenzingsdraad (18) en rijdt tegen de klok in hierlangs (18).
Tijdens het laden van de accu (22) brandt de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) rood. Als de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, dan geeft dit aan dat de accu (22) volledig is geladen. Nadat de accu volledig is opgeladen, hervat de maairobot het werk weer, of hij blijft tot aan het volgende werktijdvenster in het laadstation (19).
Als er zich bij het terugrijden naar het laadstation (19) een hindernis bevindt op de begrenzingsdraad (18), dan blijft de maairobot na meerdere
pogingen voor de hindernis staan en kan deze niet terugkeren naar het laadstation (19). Verwijder alle hindernissen op de begrenzingsdraad (18).
Indien de temperatuur van de accu (22) 45°C overschrijdt, dan wordt het laadproces afgebroken om schade aan de accu te vermijden. Nadat de temperatuur weer is gedaald, wordt het laadproces automatisch voortgezet.
Indien de temperatuur van de besturing van de maairobot 65°C overschrijdt, keert de maairobot terug naar het laadstation (19). Nadat de temperatuur is gedaald, wordt het werk hervat overeenkomstig de instellingen.
Indien de accu (22) leeg raakt voordat de maairobot terugkeert naar het laadstation (19), dan kan de robot niet meer worden gestart. Breng de maairobot terug naar het laadstation (19) en laat de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. De maairobot wordt automatisch opgeladen.
5.5 Begrenzingsdraad
OPGELET! Doorgesneden begrenzingsdraden en gevolgschade vallen niet onder de garantie!
5.5.1 Leggen van de begrenzingsdraad
De begrenzingsdraad (18) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond kunnen de bevestigingshaken (14) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras voor het aanbrengen van de begrenzingsdraad als de grond erg droog is.
Installatie op de grond
Leg de begrenzingsdraad (18) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde bevestigingshaken (14), wanneer u het gazon later niet wilt verticuteren of verluchten. De positie van de begrenzingsdraad kan in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aangepast worden. Na enige tijd zal het gras echter over de begrenzingsdraad gegroeid zijn en deze niet meer te zien zijn. Installeer de begrenzingsdraad met een maximale afstand van 1 m tussen de bevestigingshaken (14). Verkort de afstand tussen de bevestigingshaken op oneffen plekken van het gazon. Vermijd situaties waarbij de draad niet op de grond rust. Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad niet door de maairobot kan worden doorgesneden.
Installatie in de grond
Graaf de begrenzingsdraad tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de
draad (18) bijvoorbeeld bij het verticuteren of verluchten verhinderd.
Aanwijzing!
Laat 1 m draad aan het achterste uiteinde van het laadstation over om later correcties te kunnen uitvoeren.
5.5.2 Nauwe punten
Indien het gazon een nauw punt bezit, dan kan uw maairobot daarin werken, zolang de doorgang een breedte van minstens 1,4 m (80 cm tussen de begrenzingsdraden) en een lengte van max. 8 m heeft (afbeelding 3).
5.5.3 Afstand tot de grens van de tuin
Wanneer de maairobot een begrenzingsdraad (18) nadert, dan wordt dit herkend door de sensoren voor in de robot. Voordat de maairobot omdraait, rijdt hij nog tot wel 30 cm over de draad (18). Houd hier rekening mee bij de planning van het maaigebied (afbeelding 6a).
5.5.4 Leggen van de draad in hoeken
Leg de begrenzingsdraad (18) in de hoeken niet in een rechte hoek (90°). Om te garanderen dat de maairobot niet te ver over de begrenzingsdraad (18) rijdt, dient u de draad (18) te leggen zoals voorgesteld in afbeelding 6b.
5.5.5 Berekening van de helling van het gazon
De maairobot kan hellingen tot maximaal 35% aan. Vermijd steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 6c).
Voorbeeld: a / b = 35 cm / 100 cm = 35%
5.5.6 Installatie van de begrenzingsdraad op hellingen
Op hellingen kan de maairobot, vooral bij nat gras, gaan glijden en daardoor over de begrenzingsdraad (18) heen rijden. Daarom wordt aanbevolen om op de volgende punten te letten (afbeelding 6d):
Aan het bovenste deel van een glooiing mag de begrenzingsdraad (18) niet worden geïnstalleerd op hellingen steiler dan 35%. Houd hier de afstand van 30 cm tot hindernissen en randen van het gazon aan. Aan het onderste deel van een glooiing mag de begrenzingsdraad (18) niet worden geïnstalleerd op hellingen steiler dan 17%. Houd hier de afstand van 40 cm tot hindernissen en
randen van het gazon aan.
5.5.7 Rijwegen en bestrate paden
Scheid verhoogde paden, vlakken met grind of schorsmulch, lager gelegen bloembedden en dergelijke vlakken af. Leg de begrenzingsdraad (18) op een afstand van minstens 30 cm (afbeelding 6e en 6g). - Met de grasnerf vlak lopende paden hoeven niet te worden afgescheiden, aangezien de maairobot hier gewoon overheen kan rijden. De begrenzingsdraad (18) mag ook over paden worden gelegd (afbeelding 6f en 6g).
5.5.8 Begrenzingseilanden
Bescherm hinderissen in het maaigebied door begrenzingseilanden aan te leggen. Daardoor kan een botsing met gevoelige objecten, tuinvijvers, bomen, meubels, bloembedden enz. worden verhinderd (afbeelding 6h en 6i).
- Rol de begrenzingsdraad (18) uit van de randen tot aan de te beschermen objecten. Fixeer de begrenzingsdraad (18) met bevestigingshaken (14) met de klok mee rond het te beschermen object.
- Omhein de begrenzingseilanden volledig en leid de begrenzingsdraad (18) terug naar het punt waar u de rand van het gazon heeft verlaten.
- De afstand tussen begrenzingseilanden moet minstens 0,8 m bedragen. Verbind de objecten anders tot een gemeenschappelijk begrenzingseiland (afbeelding 6h).
- De begrenzingsdraden (18) naar het begrenzingseiland toe en ervan weg moeten parallel en dicht bij elkaar worden gelegd. - Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar niet kruisen! - Fixeer de parallelle begrenzingsdraden (18) samen met dezelfde bevestigingshaken (14) op de grond (afbeelding 6i).
- De maairobot zal in het maaigebied over de beide parallelle begrenzingsdraden (18) rijden, maar aan enkel gelegde draden (18) stoppen.
5.5.9 Hindernissen
- Hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm (afbeelding 6j)
Vaste hindernissen hoger dan 10 cm, bijv. bomen, muren, hekken, tuinmeubels enz., worden herkend door de collisionsensoren. Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij, schakelt het maaiwerk uit, rijdt terug en draait, om het maaien in een andere richting voort te zetten. Zachte, instabiele en waardevolle hindernissen moeten worden beschermd door een eiland van begrenzingsdraad.
Stenen, rotsen en hinderissen lager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden beschermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maairobot beschadigd raken en blokkeren.
Bomen (afbeelding 6k)
Bomen worden door de maairobot beschouwd als hindernissen. Als er boomwortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan moet deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot. Houd tussen de begrenzingsdraad (18) en de hindernis een afstand van minstens 30 cm aan.
5.5.10 Hoofd- en nevenvlak (afbeelding 6l)
Met nevenvlak (B) wordt een werkterrein aangeduid, dat niet rechtstreeks met het hoofdvlac (A), bijv. via een gazon of een weg, is verbonden. Om een apart nevenvlak (B) aan te leggen, legt u de begrenzingsdraad (18) van het hoofdvlac (A) naar het nevenvlak (B) en weer terug. De begrenzingsdraad (18) naar het nevenvlak (B) toe en waarvanweg moeten parallel en erg dicht bij elkaar worden gelegd. - Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar niet kruisen! - Fixeer de parallelle begrenzingsdraden (18) samen met dezelfde bevestigingshaken (14) op de grond. Om het nevenvlak (B) te kunnen maaien, moet u de maairobot met de hand daarnaartoe (B) dragen. Start daar het gewenste maaiprogramma en selecteer in het submenu 'Nevenvlak' (zie 'Instellingen van de maairobot'). De maairobot zal in het nevenvlak (B) niet proberen om de begrenzingsdraad (18) te volgen in de richting van het laadstation (19), wanneer de laadtoestand van de accu laag is.
5.6 Verbinden van het laadstation
Sluit het leggen van de complete begrenzingsdraad (18) af, voordat u deze verbindt met het laadstation. Laat aan beide uiteinden 1 m extra begrenzingsdraad (18) over om latere aanpassingen te kunnen uitvoeren.
Isoleer de begrenzingsdraad (18) aan de uiteinden voor de aansluiting aan het laadstation (19) met een isolatietang op een lengte van 10 tot 15 mm.
Trek de netstekker uit, voordat u de begrenzingsdraad (18) aansluit aan het laadstation (19). De aan de voorkant van het laadstation (19) gelegde begrenzingsdraad (18) moet via de kabelhouders aan de onderkant van het station (19) naar achteren worden gelegd. Verbind deze begrenzingsdraad (18) met de linker, zwarte aansluiting. Vervolgens leidt u de achterste begrenzingsdraad (18) door het gat (trekontlasting) in de buurt van de aansluiting en verbindt u deze met de rechter, rode aansluiting (afbeelding 7a).
Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar niet kruisen!
Maak vervolgens de verbinding met de stroomtoevoer. De LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) moet na correcte installatie constant groen branden. Wanneer de LED niet brandt, controleer dan eerst de aansluitingen. Indien de LED weliswaar brandt, maar niet constant groen, lees dan de tabel 'Indicatie laadstation en verhelpen van fouten' aan het einde van deze handleiding.
5.7 Inschakelen en controleren van de installatie
Zodra de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied voorbereid voor de maairobot. Controleer of de bevestigingshaken (14) aan de begrenzingsdraad (18) goed in de grond zijn geslagen. Zet de maairobot ca. 3 m achter het laadstation (19) voor de begrenzingsdraad (18). Daarbij moet de maairobot in een hoek van 90° naar de begrenzingsdraad (18) toegewend staan (afbeelding 7b). Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afbeelding 8). Druk op de STOP-toets (3) en open de afdekking van het display (25). Druk op de vergrendelingstoets (62), deblokkeer de maairobot met behulp van de PIN en bevestig de invoer met de toets OK (63) (zie hoofdstuk 'Blokkeerinrichting / PIN'). Druk op de toets 'HOME' (61) en sluit daarna de afdekking (25). Nu volgt de maairobot de begrenzingsdraad (18) tegen de klok in. Observeer de maairobot tijdens de hele rit langs de begren
NL
zingsdraad (18), tot deze weer in het laadstation (19) staat. Als de maairobot op sommige punten op problemen stuit, corrigeer dan eventueel de begrenzingsdraad (18) en herhaal de procedure. De accu (22) van de maairobot wordt nu volledig geladen. Indien er problemen optreden bij het aandokken, kan het zijn dat u het laadstation (19) zijdelings opnieuw moet positioneren, tot het aandokken zonder problemen functioneert. Met de rode STOP-toets (3) kunt u de maairobot op elk moment stoppen. Na het activeren van de STOP-toets (3) wordt de maairobot gestopt en wacht hij op verdere commando's.
5.8 Bevestiging van het laadstation
Nadat de werking zoals voorgeschreven van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) werd gevonden, moet het station (19) met de bevestigingsschroeven (15) worden gefixeerd. Draai de bevestigingsschroeven (15) met de zeskantsleutel (24) helemaal in de grond (afbeelding 7c).
5.9 Accu-capaciteitsindicatie
Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsindicatie. De accu-capaciteitsindicatie geeft u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeelding 13b).
De accu is diep ontladen en is defect. Een defecte accu mag niet meer gebruikt en geladen worden!
Opgelet!
Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan altijd in op de hogere capaciteit. Dankzij de spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het niet noodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlengen.
5.10 Laden van de accu met de lader
- Vergelijk of de netspanning vermeld op het typeplaatje overeenstemt met de beschikbare netspanning. Steek de netstekker van de
lader (23) in het stopcontact. De groene LED begint te knipperen.
- Steek de accu (22) op de lader (23) (afbeelding 13a).
- Onder punt 'Indicatie lader' vindt u een tabel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader.
Tijdens het laden kan de accu iets warm worden. Dit is echter normaal.
Mocht het laden van het accupack niet mogelijk zijn, controleer dan
of aan het stopcontact de netspanning voorhanden is, - of een foutloos contact aan de laadcontacten voorhanden is.
Indien het laden van het accupack nog altijd niet mogelijk is, dan verzoeken wij u
op te sturen aan onze klantendienst.
Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met onze klantendienst of het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht.
Zorg er bij de verzending of verwerking van accu's resp. het accu-apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden!
In het belang van een lange levensduur van het accupack is het raadzaam om op tijd voor het herladen van het accupack te zorgen. Dit is in elk geval noodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt. Ontlaad het accupack nooit helemaal. Dat leidt tot een defect van het accupack!
6. Bediening
6.1 Hoofdschakelaar
De maairobot is uitgerust met een hoofdschakelaar (7). Schakel de maairobot met de hoofdschakelaar (7) in (ON) en uit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschakelen van de maairobot wordt deze met de PIN vergrendeld.
6.2 Bedieningsveld
De maairobot werd reeds in de fabriek geprogrammeerd en standaardinstellingen werden uitgevoerd. Deze kunnen indien nodig worden veranderd. Ook al zijn de fabrieksinstellingen geschikt voor de meeste tuinen, u moet zich toch vertrouwd maken met de beschikbare opties.
Verklaring van de LED's van het bedieningsveld (afbeelding 9a)
- Tijd-LEDs: indicatie van de dagelijkse maaitijd
- Vergrendelings-LED: indicatie van de toetsblokkering
- Status-LED: indicatie van de status van de maairobot en van het maaivlak
- Begrenzingsdraad-LED: indicatie of er sprake is van een fout van de begrenzingsdraad
- Accu-LED: indicatie van de toestand van de accu
- Alarm-LED: indicatie van fouten resp. geactiveerde regensensor
Verklaring van de toetsopties van het bedieningsveld (afbeelding 9b)
- Toetsen voor de instelling van de maaitijd en PIN-invoer
- Toets 'HOME'
- Vergrendelingstoets
- Toets 'OK'
- Toets 'START'
6.3 Maaihoogteverstelling
Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk daarvoor op de STOP-toets (3).
De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogte tussen 20 en 60 mm, die op de schaal kan worden afgelezen.
Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het tot minstens 60 mm worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de efficiëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer.
Na afsluiting van de installatie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte.
6.4 Blokkeerinrichting / PIN
De blokkeerinrichting verhindert een niet toegestane inzet van de maairobot zonder een geldige code. Daarvoor moet u een persoonlijke veiligheidscode invoeren die bestaat uit vier tekens.
Ontgrendeling
- Voordat u de maairobot in bedrijf neemt, moet u de correcte PIN invoeren (standaard PIN: '1-2-3-4'). Open hiervoor de afdekking van het display (25) en druk op de vergrendelingstoets (62). Voer vervolgens de PIN langzaam in en bevestig de invoer met de toets 'OK' (63). De bedieningsfuncties worden ontgrendeld en de vergrendelings-LED (51) brandt groen.
- Wanneer u een verkeerde PIN invoert, dan licht de vergrendelings-LED (51) rood op. Druk op de vergrendelingstoets (62) en voer de PIN opnieuw in.
Vergrendeling
Wanneer u het bedieningsveld (2) wilt vergrendelen, druk dan op de vergrendelingstoets (62). De vergrendelings-LED (51) licht nu rood op.
Standaard PIN: Nieuwe PIN:
1234
PIN wijzigen
Om de PIN te wijzigen gaat u als volgt te werk:
- Ontgrendel het bedieningsveld.
- Druk gedurende 3 seconden gelijktijdig op de toets 'OK' (63) en de toets '4H' (60). De LEDs (50) lichten gelijktijdig op.
- Voer een nieuwe PIN (vier tekens) in. Druk op de toets 'OK' (63).
- Herhaal stap 3 om de nieuwe PIN te bevestigen.
- Opgelet! Noteer de PIN!
PIN aanvragen bij verlies
Houd de kwitantie en het serienummer van de maairobot bij de hand. Deze heeft u nodig om uw PIN te ontvangen!
- Sluit aan de USB-aansluiting (26) zoals afgebeeld een lege USB-stick aan (afbeelding 11).
- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
- De maairobot slaat de PUK automatisch op op uw USB-stick en beëindigt het proces met een pieptoon.
- Trek de USB-stick eruit. Lees de gegevens op de USB-stick uit op een computer. Door de maairobot werd een tekstbestand (*.txt) aangemaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Wend u tot de klantendienst om uw PIN te ontvangen.
6.5 Instellingen van de maairobot Instelling van de maaitijd
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Kies door de toets voor de instelling van de maaitijd in te drukken de gewenste maaitijd: 2.1 Door de toets kort in te drukken maait de robot dagelijks. De bijhorende melding volgt door constant branden van de tijd-LEDs. 2.2 Door de toets lang in te drukken maait de robot elke tweede dag. De bijhorende melding volgt door knipperen van de tijd-LEDs.
- Deze worden weergegeven door de tijd-LEDs (50).
- Bevestig de instelling door te drukken op de toets 'OK' (63).
De tijd waarvoor de wijzigingen werden uitgevoerd, is nu de dagelijkse starttijd. Het weergegeven aantal uren is de dagelijkse werktijd.
Voor de instelling van de maaitijd wordt als richtwaarde 8 uur per dag bij 500m2 aanbevolen. Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin moet de gekozen werktijd worden aangepast.
Dagelijkse starttijd terugzetten
Om de dagelijkse starttijd terug te zetten drukt u de toets 'OK' (63) en de toets '6H' (60) gelijktijdig gedurende 3 seconden in. De tijd waarvoor de wijzigingen werden uitgevoerd, is nu de dagelijkse starttijd. Het weergegeven aantal uren is de dagelijkse werktijd.
Starten
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Via de toets 'START' (64) kiest u het vlak selecteren waarbinnen de maaier moet werken. Meer informatie over de beide vlakken vindt u in het hoofdstuk 'Inbedrijfstelling' onder het punt 'Begrenzingsdraad'. 2.1 Door kort te drukken op de toets 'START' (64) werkt uw maairobot in het hoofdvlak. Daarbij brandt de status-LED (52) constant groen. 2.2 Door lang te drukken op de toets 'START' (64) werkt uw maairobot in het nevenvlak. Daarbij knippert de status-LED (52) groen.
- Sluit de afdekking van het display (25).
De maairobot werkt nu overeenkomstig de instelling van de maaitijd. Tijdens de werktijd wordt de laadtoestand van de accu bewaakt en weergegeven via de accu-LED (54). Zodra de laadtoestand daalt tot 30%, keert de maairobot automatisch terug naar het laadstation.
Afbreken van het maaien
- Druk op de STOP-toets (3) om de maairobot meteen te stoppen.
- Open de afdekking van het display (25) volledig.
- Ontgrendel het bedieningsveld (2).
- Druk op de toets 'HOME' (61) om de maairobot langs de begrenzingsdraad (18) terug te sturen naar het laadstation (19).
- Sluit de afdekking van het display (25).
7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
Gevaar!
Voordat alle reinigings- en onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd, moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld. Trek hiervoor de netstekker uit de contactdoos en schakel het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu (22) uit de maairobot.
Voorzichtig! Draag werkhandschoenen!
7.1 Reiniging
Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventilatiespleten en het motorhuis zo veel mogelijk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doek af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon. De maairobot mag niet met stromend water, vooral niet onder hoge druk, worden gereinigd. Reinig het apparaat regelmatig met een vochtige doek en wat smeerzeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zouden kunnen aantasten. Zorg ervoor dat er geen water in het apparaat kan komen. Maak de maairobot indien mogelijk schoon met een borstel of doek. Controleer de beweeglijkheid van de messen (10) en van de messenschijf (11). Gebruik voor de reiniging van de laadcontacten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer fijn schuurpapier. Maak deze schoon om een efficiënt laadproces te garanderen.
7.2 Onderhoud
- Versleten of beschadigde messen (10) en bevestigingsschroeven moeten altijd per set worden vervangen.
Vervang versleten of beschadigde delen. Voor een lange levensduur moeten alle schroefdelen en de wielen en assen schoongemaakt en vervolgens met olie gesmeerd worden. - De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig wordt gemaaid. - De het sterkst aan slijtage onderhevige componenten zijn de klingen (10). Controleer regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging daarvan. Als er overmatige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd zijn of door stoten werden vervormd. Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan moeten ze meteen worden vervangen. - Controleer regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlak licht uitdrogen en verdort het. Vervang daarom de klingen regelmatig, opdat u een zuiver en recht maairesultaat verkrijgt. - Controleer de onderkant van de maairobot regelmatig op vervuilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigingen onmiddellijk. In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als voorheen met een conventionele grasmaaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controleer daarom de onderkant van uw maairobot gedurende deze periode vaker. - Verkort het gras om een sterke verontreiniging te vermijden slechts in kleine stappen. - Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhouden onderdelen.
7.2.1 Vervangen van de klingen
Gebruik alleen originele klingen, aangezien anders functies en veiligheid niet zijn gegarandeerd. De maairobot is uitgerust met drie aan een messenschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maximaal 3 maanden (wanneer er geen hindernissen worden getroffen). Vervang alle drie klingen (10) gelijktijdig om uit te sluiten dat de efficiëntie en balans van uw apparaat negatief wordt beïnvloed.
Om de klingen (10) te vervangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 12) - Opgelet! - Handschoenen dragen:
- Blokkeer met een schroevendraaier de rotatie van de messchijf (11). Steek hiervoor de schroevendraaier door de voorziene gaten in de messchijf (11) en de beschermkap.
- Draai de bevestigingsschroeven los.
- Neem de klingen (10) eraf en vervang deze door nieuwe. Vervang alle drie klingen (10) altijd per set.
- Daarna draait u de bevestigingsschroeven weer vast. Let erop dat de nieuwe klingen (10) vrij kunnen worden gedraaid.
Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verwijder alle opgezamelde resten. Voor elk begin van een seizoen de toestand van de klingen (10) absoluut controleren. Wend u bij reparaties tot onze klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.
7.2.2 Software-update
Wanneer u de software wilt updaten, kopieer dan de nieuwe software op een lege USB-stick (eventueel de USB-stick eerst formatteren). Zorg ervoor dat de accu volledig is geladen, voordat u de volgende stappen uitvoert.
- Zet de maairobot op het te maaien terrein. De maairobot mag zich bij de software-update niet in het laadstation bevinden.
- Sluit aan de USB-aansluiting zoals afgebeeld een USB-stick aan (afbeelding 11).
- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
- Het updateproces start automatisch en de tijd-LED's (50) knipperen.
- Als alle 4 tijd-LED's (50) continu branden en de maaier onafgebroken blijft piepen, dan is het proces afgesloten.
- Trek de USB-stick eruit en sluit de afdekking.
7.2.3 Reparatie van de begrenzingsdraad
Als de begrenzingsdraad (18) op een bepaald punt wordt doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinder (16). Daarvoor steekt u beide uiteinden van de doorgesneden begrenzingsdraad (18) in de kabelverbinder (16) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controleer vervolgens aan de hand van de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) de werking.
7.3 Bestelling van onderdelen:
Bij de bestelling van onderdelen moeten de volgende gegevens worden vermeld:
Type van het apparaat - Artikelnummer van het apparaat - Ident.-nummer van het apparaat - Onderdeelnummer van het benodigde onderdeel
Actuele prijzen en info vindt u terug onder www.Einhell-Service.com
Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20
8. Opslag
Laad de accu (22) vóór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF). Neem de accu (22) uit het apparaat. Isoleer de voedingseenheid (13) van de stroomtoevoer en het laadstation (19).
De begrenzingsdraad (18) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd tegen corrosie. Isoleer daartoe de aansluitingen van de begrenzingsdraad (18) van het laadstation (19).
Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrije en voor kinderen ontoegankelijke plaats. De optimale opslagtemperatuur ligt tussen 5°C en 30°C. Bewaar het apparaat in de originele verpakking.
9. Transport
Schakel het apparaat UIT via de hoofdschakelaar (7) (OFF) (afbeelding 8). - Breng, indien voorhanden, transportbeveiligingen aan. - Bescherm het apparaat tegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen. - Beveilig het apparaat tegen wegglijden en kantelen. - Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.
10. Verwerking en recycling
Het apparaat zit in een verpakking om transportschade te verhinderen. Deze verpakking is een grondstof en dus herbruikbaar of kan worden teruggevoerd in de grondstofkringloop. Het apparaat en zijn toebehoren bestaan uit diverse materialen, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen niet bij het huisvuil. Voor deskundige verwerking moet het apparaat bij een daarvoor bestemde inzamelplaats worden afgegeven. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren.
Enkel voor EU-landen
Elektrisch gereedschap hoort niet bij het huisvuil thuis!
Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EG op afgedankte elektrische en elektronische toestellen en omzetting in nationaal recht dienen afgedankte elektrische gereedschappen afzonderlijk te worden verzameld en milieuvriendelijk te worden gerecycleerd.
Recyclagealternatief i.p.v. het toestel terug te sturen:
De eigenaar van het elektrische toestel is alternatief verplicht, i.p.v. het toestel terug te sturen, mee te werken aan de behoorlijke recyclage in geval hij zich van het eigendom ontdoet. Het afgedankte toestel kan hiervoor ook bij een verzamelplaats worden afgegeven die voor een verwijdering als bedoeld in de wetgeving inzake recyclage en afvalverwerking zorgt. Hieronder vallen niet bij de afgedankte toestellen gevoegde accessoires en hulpmiddelen zonder elektrische componenten.
Nadruk of andere reproductie van documentatie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltelijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van Einhell Germany AG.
Technische wijzigingen voorbehouden
11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
| LED-indicatie (21) | Beschrijving | Oplossing |
| Uit | - Geen stroomtoevoer | - Controleer de stroomtoevoer |
| Brandt groen | - Klaar om te maaien - Accu (22) volledig geladen - Begrenzingsdraad (18) aan-gesloten | |
| Knippert groen | - Begrenzingsdraad (18) door-gesneden | - Onderzoek de begrenzingsdraad (18) op een breuk |
| Brandt rood | - Accu (22) worden geladen | - Wacht tot de accu (22) volledig is geladen |
12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
De begrenzingsdraad-LED (53) knippert rood
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhelpen |
| Geen signaal | - Begrenzingsdraad verkeerd aangesloten - Geen stroomtoevoer - Begrenzingsdraad (18) door-gesneden | Controller of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt. - Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad (18) correct en in het midden onder het laad-station (19) is gelegd. - Controller de positie van het laadstation (19). |
| Buiten gebied | - Begrenzingsdraad verkeerd aangesloten - Maairobot buiten het maai-gebied | - Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad (18) correct en in het midden onder het laad-station (19) is gelegd. - Zorg ervoor dat de maairobot zich in het maaigebied bevindt. |
De accu-LED (54) knippert rood
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhelpen |
| Batterijfout | - Er is een accufout opgetre-den bij de maairobot. - De accu (22) kan nicht wor-den geladen. - De accu (22) heeft het einde van+zijn levensduur bereikt. | - Controller of de accu (22) juist werd ge-monteerd. - Controller of de hoofdschakelaar (7) is ingeschakeld (ON), verwijl de maairobot zich in het laadstation (19) bevindt. - Controller de positie van het laadstation (19). Vervang indien nodig de accu (22). |
De accu-LED (54) brandt geel
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| Batt. temp. fouit | Te hoge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturing - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug maar het laadstation (19). - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C worden het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19). | - Kies de werklijk in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag. - Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten tem-peratuurbereik keert de maairobot automaticisch terug� het geprogrammeerde bedrijf. |
De alarm-LED (55) brandt geel
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| Maaier opgetild | - Hefsensor heeft continu 10 seconden lang gereageerd. | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Indien deze fout vaker optreedt, controlleren dan het maaigebied op hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm en verwijder deze, of scherm de hindernissen met de begrenzingsdraad (18) af van het maaigebied. |
| Maaier geblokkeerd | - Hindernissensor binnen één minuuteermaals geactiveerd - Hindernissensor 10 secon-den ononderbroken geactiveerd - Hindernissensorijdens derit terug maar het laadstation (19) driemaal geactiveerd | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Controller of de maairobot door een hindernis geblokkeerd ofussen bomen, struiken enz. ingeklemd is. Eliminer de hindernis of vermijd deze zone. - Indien deze bout vaker optreedt, controlleren dan of de begrenzingsdraad (18) goed is gelegd. Let met name op nauwe hoeken, doorgangen, hekken, rotsen enz., en pas de layout van de begrenzingsdraad (18) indien nodig aan. - Controller of het gras te hoop is en de maairobot worden geblokkeerd. Maai het gras in dit geval tot onder 60 mm. |
De alarm-LED (55) brandt geel
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| Te)dicht bij station | - Maairobot werk te zich bij het laadstation (19) terug-gestuurd. | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - de maairobot要去 met een minimum afstand van 2 m terug�zij het laadstation (19) worden gestuurd. |
| Omgevallen | - Maairobot werk 10 seconden continu gekanteld. - Maairobot is gedurende langerearend in een richting geheld. | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Zet de maairobot op een vlakte onder-grond en start hem opnieuw. - Indien de maairobot vanwege een steile helling in het maagebied is gekanteld, pas de begrenzingsdraad (18) dan zo aan, dat sterke hellingen worden verme-den. |
| Wielfout | - Achterwieten (8) werden op-getild door een hindernis. - Achterwieten (8) hunnen zich door oneffen gazon vrij draai-en. | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Zet de maairobot op een vlakte onder-grond en start hem opnieuw. |
| STOP-knop fout | De afdekking van het display (25) is geopend, maar de STOP-toets (3) werk Niet geac-tiveerd. | Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Controleer of de afdekking van het display (25) met de STOP-toets (3) vrij kan worden geopend en gesloten. - Controleer de functionaliteit van de STOP-toets (3). |
De alarm-LED (55) knippert geel
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhopen |
| PCB overtempe-ratuur | Te hoge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturing - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug maar het laadstation (19). - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C wordt het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19). | - Kies de werklijk in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag. - Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten tem-peratuurbereik keert de maairobot auto-matisch terug� het geprogrammeerde bedrivif. |
| Regen | - De regensensor (5) heeft gereageerd. | - Wacht tot de maairobot droog is. - Een gedetailleerde beschrijving van de sensor kan worden nagelezen in hoof-dstuk 5.2. |
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhulpen |
| Sensorfout | - De maairobot werk gestopt op grond van een sensorfout. | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en waar in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. |
| Motorfout / Motoroverstroom | - De maairobot is op grond van een overstroom in de motor of een motorfout gestopt. | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en waar in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. - Controller de hoogte van het gras in het maaigebied en maai indien nodig met een conventionele grasmaaier het gras tot kor-ter dan 60 mm. - Verhoog de snijhoogte. Begin alsijt med een hogere maaihoogte en verlaag deze inkleine stappen tot aan de gewenste hoogte. - Onderzoek de messenschijven (11) en wie-len op verruiling en reinig deze grondig. - Controller de weiterwelen en de messenschijf op blokkades. Indien u deze blokkades nicht kunt elimineren, wend u dan tot de bevoegde klantendienst. |
| Bedrijsfout | - De maairobot werk gestopt op grond van een bedrijfs-fout. | Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en waar in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. |
Foutopsporing
| Fout | Mogelijk oorzaak | Verhopen |
| De maairobot staat in het maaigebied De maairobot kan Niet worden ingeschakeld | - Accuspanning te laag - Fout aan de stroomkring of de elektronica | - Breng de maairobottering nuur het laad-station (19) om op te laden - Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) - Wend u tot de klantendienst |
| De maairobot kan Niet in het laadstati-on rijden | - Laadstation (19) Niet correct geinstalleerd | - Controller of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt - Controller of de begrenzingsdraden (18) aan het laadstation (19)+zijn aangesloten en of de voorste begrenzingsdraad (18) in het midden onder het station (19) is ge-legd. - Controller of het laadstation (19) correct gespositioneerd |
| De maairobot stopt resp. rijdt ongecon-troleerd in de buurt van begrenzingslei-landen. | - Begrenzingsdraad (18) Niet juist geinstalleerd rond de begrenzingseilanden | - Pas de positie van de begrenzingsdraad (18) aan - Let erop dat de begrenzingsdraad (18) zich nicht kruist. |
| De maairobot maaktwoord lawaai | - Klingen (10) beschadigd - Aan de klingen (10) hechten heelv vremde materialen - Maairobot teল bij hinder-nissen gestart - Mesaandrijving of aandrijf-motor beschadigd - Andere delen van de maairobot beschadigd | - Vervang de klingen (10). De 3 klingen (10)要去en glikjtijdig worden verrangen - De efficiente van de maairobot hangt af van de scherpte van de klingen (10). Houd de klingen (10) waarom in goede toestand - Schakel de maairobot veilig uit en draag werklandschoenen als u de klingen (10) reinigt, om snijwonden te vermiiden - Laat de motor door de klantendienst repa-reren of verragen |
| De maairobot blijft in het laadstation De maairobot keert steeds wee terug maar het laadstation | - Verkeerde instelleningen van de werktijd - Accu (22) leeg - Regensensor gereageerd - Verhoogde accutemperatuur | - Controller de instelleningen van de werktijd - De maairobotbegint en beëindigt zijn werk al naargelang het ingesteldeijd-venster. Buiten ditijdvenster blijft de maairobot in het laadstation (19). |
| De maairobot blijft op de begrenzings-draad staan en kan het laadstation Niet bereiken. | - Accu (22) leeg. - De lengte van de begren-zingsdraad (18) en daardoor de weg maar het laadstation (19) is te lang voor de gebru-ikte accu (22). | - Verwijder mogelijk hinderissen op de begrenzingsdraad (18). Zorg bij het leg-gen van de begrenzingsdraad (18) voor voldoende afstand tot hinderissen. - Gebruik een accu met hogere capaciteit. - Opgelet: bijinzet van een multi-Ah-accu (bivj. 4-6 Ah) de hogere capaciteit instelen. Dankzij de spaarzame lading en ont-lading bij de maairobot is het netoodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levendsduur te verlungen. |
OPGELET! Doorgesneden begrenzingsdraden en gevolgschade vallen niet onder de garantie!
13. Indicatie lader
| Indicatiestatus | Betekenis en maatregel | |
| Rode LED | Groene LED | |
| Uit | Knippert | Operationaliteit De lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit nicht in de lader. |
| Aan | Uit | Laden De lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader. Aanwijzing! Al naargelang de accelading kan de laadduur ie's afwijken van de vermelde tijden. |
| Uit | Aan | De accu is opgeladen en operationeel. Daarna worden tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla-ding. Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten. Maatregel: Neem de accu uit de lader. Isoeleer de lader van het net. |
| Knippert | Uit | Aanpassingslading De lader bevindt zich in de modus behoedzame lading. Hierbij worden de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeenmeerijd vergt. Dit kan de volgende oorzaken hebben: - De accu werk zeer lange&tiet Nieteer geladen. - De acutemperatuur ligt Niet in het ideale bereik. Maatregel: Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verdier wor-den geladen. |
| Knippert | Knippert | Fout Laadproces is Niet meer mogelijk. De accu is defect. Maatregel: Een defecte accu mag Niet meer worden opgeladen. Neem de accu uit de lader. |
| Aan | Aan | Temperatuurstoring De accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C). Maatregel: Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemporatuur (ca. 20 °C). |
Service-informatie
Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zijn genoemd, samen met competente servicepartners, wier contactgegevens u kunt afleiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaffen van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking.
U moet er rekening mee houden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtage door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig zijn als verbruiksmaterialen.
| Categorie | Voorbeeld |
| Slijtstukken* | Accu |
| Verbruiksmaterialiaal/verbruiksstukken* | Klingen |
| Ontbrekende onderdelen |
- Niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen!
Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en waar bij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:
- Heeft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect? Is u iets opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptoom vóór het defect)?
- Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)?
Beschrijf deze foutieve werkwijze.
Garantiebewijs
Geachte klant, onze producten worden onderworpen aan een strenge kwaliteitscontrole. Mocht dit apparaat echter ooit niet naar behoren functioneren, spijt dit ons ten zeerste en vragen wij u zich te wenden tot onze servicedienst onder het adres vermeld op dit garantiebewijs. Wij staan ook graag telefonisch tot uw dienst via het vermelde servicetelefoonnummer. Voor eisen in verband met het recht op garantie geldt het volgende:
- Deze garantievoorwaarden zijn uitsluitend gericht aan de gebruikers, d.w.z. natuurlijke personen die dit product niet in het kader van hun ambachtelijke noch van een andere zelfstandige activiteit willen gebruiken. Deze garantievoorwaarden regelen aanvullende garantieprestaties, die de hieronder genoemde fabrikant kopers van zijn nieuwe apparaten toezegt in aanvulling op de wettelijke garantie. Uw wettelijke garantieclaims blijven onaangetast door deze garantie. Onze garantieprestatie is voor u gratis.
- De garantieprestatie geldt uitsluitend voor gebreken aan een door u aangekocht nieuw apparaat van de hieronder genoemde fabrikant die aantoonbaar berusten op een materiaal- of productiefout, en is naar onze keuze beperkt tot het verhelpen van zulke gebreken aan het apparaat of de vervanging ervan.
Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun bestemming niet ontworpen zijn voor commercieel, ambachtelijk of industrieel gebruik. Van een garantiecontract is derhalve geen sprake, als het apparaat binnen de garantieperiode in commerciële, ambachtelijke of industriële bedrijven werd ingezet of aan een daarmee gelijk te stellen belasting werd blootgesteld.
- Van onze garantie zijn uitgesloten:
- Schade aan het apparaat als gevolg van niet-inachtneming van de montagehandleiding of op grond van ondeskundige installatie, als gevolg van niet-inachtneming van de gebruiksaanwijzing (zoals bijv. door aansluiting aan een verkeerde netspanning of stroomsoort) of niet-inachtneming van de onderhouds- en veiligheidsvoorschriften, door blootstelling van het apparaat aan abnormale omgevingsvoorwaarden of door nalatig onderhoud en verzorging.
- Schade aan het apparaat als gevolg van misbruik of ondeskundige toepassingen (zoals bijv. overbelasting van het apparaat of de inzet van niet toegelaten gereedschappen of toebehoren), binnendringen van vreemde voorwerpen in het apparaat (zoals bijv. zand, stenen of stof, transportschade), gebruik van geweld of als gevolg van externe invloeden (zoals bijv. schade door vallen).
- Schade aan het apparaat of aan delen van het apparaat die valt te herleiden tot slijtage als gevolg van gebruik, en als gevolg van normale of andere natuurlijke slijtage.
- De garantieperiode bedraagt 24 maanden en gaat in op de datum van aankoop van het apparaat. Garantieclaims dienen voor het verloop van de garantieperiode binnen de twee weken na het vaststellen van het defect geldend te worden gemaakt. Het indienen van garantieclaims na verloop van de garantieperiode is uitgesloten. De herstelling of vervanging van het apparaat leidt niet tot een verlenging van de garantieperiode noch worden door deze prestatie een nieuwe garantieperiode voor het apparaat of voor eventueel ingebouwde wisselstukken op gang gebracht. Dit geldt ook bij het ter plaatse uitvoeren van een serviceactiviteit.
- Gelieve om een garantieclaim in te dienen het defecte apparaat aan te melden onder: www.Einhell-Service.com. Houd het aankoopbewijs of een ander bewijs van uw aankoop van het nieuwe apparaat bij de hand. Apparaten die zonder bijhorende bewijzen of zonder typeplaatje worden teruggestuurd, worden op grond van de ontbrekende mogelijkheid om het apparaat toe te kennen uitgesloten van de garantieprestatie. Valt het defect van het apparaat binnen onze garantieprestatie, dan bezorgen wij u per omgaande een gerepareerd of nieuw apparaat terug.
Uiteraard staan wij ook tot uw dienst om, mits betaling van de kosten, defecten van het apparaat te verhelpen die buiten de garantieomvang vallen. Te dien einde stuurt u het apparaat aan ons serviceadres op.
Voor slijtstukken, verbruiksmaterialen en ontbrekende onderdelen worden verwezen naar de beperkingen van deze garantie conform de service-informatie van deze handleiding.