EINHELL FREELEXO - Robot grasmaaier

FREELEXO - Robot grasmaaier EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis FREELEXO EINHELL in PDF-formaat.

📄 138 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag
Notice EINHELL FREELEXO - page 73
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE Español ES Italiano IT Nederlands NL Português PT
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.

Gebruikersvragen over FREELEXO EINHELL

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Robot grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FREELEXO - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FREELEXO van het merk EINHELL.

GEBRUIKSAANWIJZING FREELEXO EINHELL

  1. Veiligheidsaanwijzingen
  2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
  3. Reglementair gebruik
  4. Technische gegevens
  5. Inbedrijfstelling
  6. Bediening
  7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
  8. Opslag
  9. Transport

  10. Verwerking en recycling

  11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten

  12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
  13. Indicatie lader

EINHELL FREELEXO - 1

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.

Dit apparaat mag Niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geinstrueerd werden en begrijpen welke bevaren van het apparaat hunnen uitgaan. Kinderenogens Niet met het apparaat spelen.

Reiniging en onderhoud door de gebruiker mooten Niet door kinderen worden uitgevoerd.

NL

Gevaar!

Bij het gebruik van toestellen dieren enkele veiligheidsmaatregelen te worden nageleefd om lichamelijk gevaar en schade te voorkomen. Lees waarom deze handleiding / veiligheidsinstructies zorgvuldig door. Bewaar deze goed zDat u de informatie op elk moment=kunt terugvinden. Mocht u dit toestel aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding / veiligheidsinstrumentes mee te given. Wij zich Niet aansprakelijk voor ongevallen of schade die te wijten zich aan Niet-naleving van deze handleiding en van de veiligheidsinstructies.

1. Veiligheidsaanwijzingen

De overeenkomstige veiligheidsinstrumentes vindt u in de bijgaande brochure.

Waarschuwing!

Lees alle veiligheidsinstrumenties, aanwijzingen,plaatjes en technische gegevens, waarvan dit elektrisch gereedschap is voorzien.

Nalatigheden bij de inachtneming van de vol-gende instructies hunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken. Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwij-zingen voor de toekomst.

Verklaring van de gebruike symbolen (zie afbeeling 14)

A. WAARSCHUWING - Vór inzet van de machine de handleiding doorlezen!
B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewaren!
C. WAARSCHUWING - Vór de UITvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tilen de blokkeerinrichting activeren! OPGELET - Roterende messen nicht aanraken!
D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen nicht aanraken!
E. Beschermklasse II (dubbele isolatie)
F. Opslag van de accu's alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10^ tot +40^ . De accu's alleen in geladen toe-stand opbergen (min. 40% geladen).
G. Beschermklasse III
H. Trage zekering 2 A
I. Alleen voor gebruik in droge ruimtes.

Opgelet!

Trekijdens een onweer de netstekker uit het stopcontact en isoleer de begrenzingsdraad van het laadstation.

2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering

2.1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)

  1. Maairobot
  2. Bedieningsveld
  3. STOP-toets / Ontgrendelingstoets van de af-dekking van het display
  4. Maaihoogteverstelling
  5. Regensensor
  6. Draaggreep
  7. Hoofdschakelaar
  8. Achterwiel
  9. Deksel accuvak
  10. Klingen
  11. Messenschijf
  12. Voorwiel
  13. Voedingseenheid(-kabel)
  14. Bevestigingshaak
  15. Bevestigingschroef
  16. Kabelverbinder
  17. Reserve klingen
  18. Begrenzingsdraad
  19. Laadstation
  20. Laadpen
  21. LED-indicatie
    22.Accu
  22. Lader
  23. Zeskantsleutel
  24. Afdekking van het display
  25. USB-aansluiting
  26. Liniaal (om eruit te trekken)

2.2 Omvang van de levering en uitpakken

Gelieve de volledigheid van het artikel te controlen aan de hand van de beschreven omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft gekocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve waarvoorde garantietabel in de service-informatie aan het einde van de handleiding in acht te nemen.

  • Open de verpakking en neem het toestel voorzichtiguit de verpakking.
    Verwijder het verpakkingsmaterial alsmede

NL

verpakkings-/transportbeveiligingen (indien aanwezig).

  • Controller of de leveringsomvang compleet is.
  • Controller het toestel en de accessoires op transportschade.
  • Bewaar de verpakking indien möglichk tot het verloop van de garantieperiode.

Gevaar!

Het toestel en het verpakkingsmaterial een发展格局. Kinderen mo- gen Niet met plastic zakken, folies enkleine stukken spelien! Er bestaat inslik- en verstikkingsgevaar!

Omvang van de levering, montagematerialiaal en toebehoren (deels nicht meegeleverd)

Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.

Maiarobot
Voedingseenheid(-kabel)
Laedstation
- Bevestigingsschroeven (4 stuks)
- Reserve klingen
Bevestigingshaak
Begrenzingsdraad
Kabelverbinder
Zeskantsleutel
Accu
Lader
- Liniaal (om eruit te trekken)
Originele handleiding
Veiligheidsinstructies

Benodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd)

  • Hamer
    Tang
    Isolatietang
    Waterpas (optioneel)

De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maaien van gazons.

De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk waarboven uitgaand gebruik is Nietdoelmatig. Vooraaruit voortvloeieende schade of verwondingen van welke aard dan ook is de gebruiker/bediener aansprakelijk, en Niet de fabrikant.

Wij wijzen erop dat once apparaten overeenkomstig hun doelmatig gebruik Niet zich ontworpen voor commerciele, ambachtelijkke of industrielleinzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid, indien het apparaat in ambachtelijkke of industriellebedrijven of voor daaraan gelijk te stellen activiteiten worden ingezet.

Onzekerheid K 3 dB (A)

Geluidsdrukniveau L_WA 62 dB (A)

Onzekerheid K 3 dB (A)

Maahoogteverstelling 20-60 mm; traploos

Toegelaten lenghte van de begrenzingsdraad max.250 m

Voedingseenheid

Ingangsspanning: 100-240 V ~ 50/60 Hz

Uitgangsspanning: 24 V DC

Uitgangsstroom: 1,5 A

Beschemklasse: II/回

De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094: 1991.

Waarschuwing!

Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijkke verwondingen te verminderen raden wij personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het medische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat worden bediend.

NL

5. Inbedrijfstelling

Lees de hele handleiding, voordat u begint met de installmentie van de maairobot. Hoe goed de maairobot later werkt is afhankelijk van de kwaliteit van de installmentie.

5.1 Werkingsprincipe

De maairobot kiest zijn richting bij/toeval. De tuin worden waar bij volledig gemaaid, doordat de maairobot alle delen binnen het door de begrenzingsdraad (18) ingesloten vlak bewerkt. Zodra de maairobot een correct geinstalleerde begrenzingsdraad (18) herkent, draait hij zich om en rijdt in een andere richting binnen het vlak. Alle delen die u binnen het vlak wilt beschermen - bijv. tuinvijvers, bomen, meubels of bloembedden -要去 eveneens met de begrenzingsdraad (18) worden afgeschermd. De begrenzingsdraad (18)要去 een gesloten cirkel vormen. Indien de maairobot binnen het maaigebied op een hindernis stuit, dan rijdt hij terug en maait verder in een andere richting (afbeelding 3).

5.2 Sensoren

De maairobot is uitgerust met meerere veiligheidssensoren.

Hefsensor:

Indien de maairobot van acheermeer dan 30^ van de grond wordt opgetild of een voorwiel (12) het contact met de grond verliest, dan wordt de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.

- Hellingsensor:

Indien de maairobot sterk in een richting welt, dan worden de robot en de rotatie van de klin-gen (10) meteen gestopt.

- Hindernissensor:

De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan worden de robot en de rotatie van de klingen meteen gestoet en rijdt hij'erug weg van de hindernis.

Regensensor:

De maairobot is uitgerust met een regensensor (5) om te verhinderen dat de robot in de regen werkt. De maairobot keert terug maar het laadstation (19) wonneer er regen worden herkend, en worden dit waar compleet opgeladen. Nadat de regensensor (5) werk is gedroogd, blijdt de robot nog twee uu in het laadstation (19). Pas daarna hervat hij het werk meer, mits hij zich nog in een actiefijdvenster bevindt. Als de regensensor (5) heeft gerea

geerd, dan knippert de alarm-LED (55) geel. Sluit de beiden metaalsensoren nicht kort met metaal of een ander geleidend materialia. Hierdoor wordt de correcte werking van de maairobot negatif beinvloed.

5.3 Voorbereiding

Maak eerst een schets van uw gazon. Teken ook hindernissen mee in en werk een plan UIT hoe u deze wilt beschermen. Daardoor worden het eenvoudiger om een goede plaats voor het laadstation (19) te vinden en de begrenzingsdraad (18) rond struiken, bloembedden enz. te leggen (afbeelding 4). Als het gris hoger is dan 60~mm dan moet het worden gekort om de maairobot Niet overmatig te belasten en de efficientie nicht te verlagen. Gebruik waarvoor een conventionele grasmaier of een trimmer.

Haal alle losse voorwerpen die door de maairobot kuren worden beschadigd of die de robot kunnen beschadigen, weg van het gras.

Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).

Montage van de accu

Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (22) en schuif de accu (22) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accuvak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeelding 10).

5.4 Laadstation

5.4.1 Standplaats van het laadstation

Zoek eerst de Beste plaats voor het laadstation (19). Er is een contactdoos voor buiten nodig die permanent stroom levert, opdat de maairobot al-tijd functioneert. Het laadstation (19) moet op een VLCkke ondergrund op de hoogte van de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat de omgeving vlak en droog is. Kies een plaats in de schaduw, aangezien de accu (22) het best worden geladen in een koele omgeving. Zorg er bovendien voor dat de begrenzingsdraad minstens 2 m voor het laadstation (19)recht worden gelegd (afbeelding 5a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.

5.4.2 Lokalisering van het laadstation

Wanneer de accu (22) bijna leeg is, dan keert de maairobot terug maar het laadstation (19) door de begrenzingsdraad (18) gegen de klok in te volgen tot aan het station (19). Let er.darom op dat het laadstation (19) correct uitgerichtigt worden geplaatst (afbeelding 5b).

NL

5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan devoedingseenheid

  1. Voordat u het laadstation (19) verzindt met de stroomtoevoer要去u controeren of denetspanning 100-240 V bij 50 / 60Hz bedraagt.
  2. Verbind de voedingseenheid (13) reckstreeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.
  3. Gebruik geen beschadigde voedingseenheid (13). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (13) voor verranging me-teen tot een erkende vakman.
  4. Laad de maairobot Niet op in een vochtige omgeving. Laad de maairobot Niet op bij temperaturesn hoger dan 40^ oflager dan 5^
  5. Houd de maairobot en de voedingseenheid (13)uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliien. Houd de kabel van de voedingseenheid (13) om schade te vermijden weg van scherpe randen.
  6. Verbind de voedingseenheid (13) met het laadstation (19) (afbeelding 5c).

Om de accu (22) van de maairobot al tijdens de installment te laden schakelt u de robot eerst via de hoofdschakelaar (7) in enplaatst u deze in het laadstation (19).

5.4.4 Informatie over het laadproces

De maairobot keert in een van de volgende situatuies terug hier het laadstation (19):

U stuart de maairobot handmatig terug.
- De laadtoestand van de accu daalt onder 30% .
- De dagelijkse werkelijk is verstreken.
- De regensensor heeft gereageerd.
- De maiarobot is oververhit.

Daarbij rijdt de maairobot langus de begrenzingsdraad (18) automatisch tot aan het laadstation (19).

Wanner de maairobot terug maar het laadstation (19) rijdt, dan zoekt hij zich de begrenzingsdraad (18) en rijdt gegen de klok in hierlangs (18).

Tijdens het laden van de accu (22) brandt de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) rood. Als de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, dan geeft dit aan dat de accu (22) volledig is geladen. Nadat de accu volledig is opgeladen hervat de maairobot het werk veer, of hij blijft tot aan het volgende werktijd venster in het laadstation (19).

Als er zich bij het terugrijden maar het laadstation (19) een hindernis bevindt op de begrenzings-draad (18), dan blijft de maairobot na Meerdere

pogingen voor de hindernis staan en kan deze Niet terugkerenaar het laadstation (19).Verwijder allehindernissen op de begrenzingsdraad (18).

Indien de temperatuur van de accu (22) 45^ overschrijdt, dan wordt het laadproces afgebrozen om schade aan de accu te vermijden. Nadat de temperatuur wee is gedaald, wordt het laadproces automatisch voortgezet.

Indien de temperatuur van de besturing van de maairobot 65^ overschrijdt, keert de maairobot terug maar het laadstation (19). Nadat de temperatuur waar is gedaald, worden het werk waar hervat overeenkomstig de instelleningen.

Indien de accu (22) leeg raakt voordat de maairobot terugkeert maar het laadstation (19), dan kan de robot Niet更是 worden gestart. Breng de maairobot terug maar het laadstation (19) en LAST de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. De maairobot worden automatisch opgeladen.

5.5 Begrenzingsdraad

OPGELET! Doorgesneden begrenzungsdra- den en gevolgschade vallen nicht onder de garantie!

5.5.1 Leggen van de begrenzingsdraad

De begrenzingsdraad (18) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond+kunnen de bevestigingshaken (14) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras voor het aanbrengen van de begrenzingsdraad als de grond erg droog is.

Installatie op de grond

Leg de begrenzingsdraad (18) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde bevestigingshaken (14), wanner u het gazon later Niet wilt verticuteren of verluchten. De positie van de begrenzingsdraad kutu in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aanpassen. Na enigeijd zal het gras echter over de begrenzingsdraad zich gegroeid en deze Nieteer te zien+zijn. Installeer de begrenzingsdraad met een maximale afstand van 1 m tounen de bevestigingshaken (14). Verkort de afstand+tussen de bevestigingshaken op oneffen plekken van het gazon. Vermijd situatuies waar bij de draad nicht op de grond rust. Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad Niet door de maairobot kan worden doorgesneden.

Installatie in de grond

Graaf de begrenzingsdraad tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de

NL

draad (18) bijvoorbeeld bij het verticuteren of verluchten verhinderd.

Aanwijizing!

Laat 1 m draad aan het achechterste uiteinde van het laadstation over om later correcties te konnenuitvoeren.

5.5.2 Nauwe punten

Indien het gazon een nauw punt bezit, dan kan uw maairobotaarin werken, zolang de doorgang een bredte van minstens 1,4 m (80 cmussen de begrenzingsdraden) en een lengte van max. 8 m heeft (afbeelding 3).

5.5.3 Afstand tot de grens van de tuin

Wanneer de maairobot een begrenzingsdraad (18) nadert, dan worden dit herkend door de sensoren voor in de robot. Voordat de maairobot omdraait, rijdt hijchainster tot wel 30 cm over de draad (18). Houd hier rekening mee bij de planning van het maaigebied (afbeelding 6a).

5.5.4 Leggen van de draad in hoeken

Leg de begrenzingsdraad (18) in de hoeken nicht in een rechte hoek (90^) . Om te garanderen dat de maairobot Niet te ver over de begrenzingsdraad (18) geen rijdt,要去 u de draad (18) leggen zoals Voorgesteld in afbeeling 6b.

5.5.5 Berekening van de helling van het gazon

De maairobot kan hellingen tot maximaal 35% aan. Vermijd waarom steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 6c).

Voorbeeld: a / b = 35cm / 100cm = 35%

5.5.6 Installatie van de begrenzingsdraad op hellingen

Op hellingen kan de maairobot, vooral doornat gras, gaan glijden en daardoor over de begrenzingsdraad (18) heben rijden. Daarom worden aanbevolen om op de volgende punten te letten (afbeelding 6d):

Aan het bovenste deel van een glooing mag de begrenzingsdraad (18) Niet worden geinstalleerd op hellingen steiler dan 35% . Houd hier de afstand van 30 cm tot hinderissen en randen van het gazon aan.
Aan het onderste deel van een glooing mag de begrenzingsdraad (18) Niet worden geinstalleerd op hellingen steiler dan 17% . Houd hier de afstand van 40 cm tot hinderissen en

randen van het gazon aan.

5.5.7 Rijwegen en bestratePADEN

Scheid verhoogde paden, vlakken met grind of schorsmulch, lager gelegen bloembedden en dergelijke vlakken af. Leg de begrenzingsdraad (18) op een afstand van minstens 30 cm (afbeelding 6e en 6g).
- Met de grasnerf vlak lopende paden hoeven Niet te worden afgeschieden, aangezien de maairobot hier gewoon overheen kan rijden. De begrenzingsdraad (18) mag ook over pa-den worden gelegd (afbeelding 6f en 6g).

5.5.8 Begrenzingseilanden

Beschem hinderissen in het maaigebied door begrenzingseilanden aan te leggen. Daardoor kan een botsing met gevoelige objecten, tuinvijvers, bomen, meubels, bloembedden enz., worden verhinderd (afbeelding 6h en 6i).

  • Rol de begrenzingsdraad (18)uit van de randen tot aan de te beschemen objecten.
    Fixeer de begrenzingsdraad (18) met bevestigingshaken (14) met de klok mee rond het te beschemen object.
  • Omhein de begrenzingseilanden completeness en leid de begrenzingsdraad (18) terug maar het punt waar u de rand van het gazon heeft verlaten.
  • De afstand:tussen begrenzungseilanden moet minstens 0,8m bedragen.Verbind de objecten anders tot een gemeenschappelijk begrenzungseiland (afbeelding 6h).
  • De begrenzingsdraden (18) maar het begren-zingseiland toe enaarvan weg moeten pa-rallel en erg zich bij elkaar worden gelegd. - Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar Niet kruisen! - Fixeer waarvoor de parallelle begrenzingsdraden (18) samen met bezelfde bevestigingshaken (14) op de grond (afbeelding 6i).
  • De maairobot zar in het maaigebied over de beiden parallelle begrenzingsdraden (18) rijden, maar aan enkel gelegde draden (18) stoppen.

NL

5.5.9 Hindernissen

  • Hindernissen met een hoogte van meer dan 10cm (afbeelding 6j)

Vaste hindernissen hoger dan 10 cm, bijv.
bomen, muren, hekken, tuinmeubels enz.,
worden herkend door de collisionsensoren.
Als de maairobot op een hindernis stuit,
dan stopt hij, schakelt het maaiwerk uit, rijdt
terug en draait, om het maaien in een andere
richting voort te zetten. Zachte, instabiele en
waardevolle hindernissen要去en worden
beschermd door een eiland van begrenzings-
draad.

Stenen, rotsen en hinderissen lager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden beschermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maairobot beschadigd raken en blokkeren.

Bomen (afbeelding 6k)

Bomen worden door de maairobot beschouwd als hindernissen. Als er darüber boomwortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan要去 deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot. Houdussen de begrenzingsdraad (18) en dehindernis een afstand van minstens 30 cm aan.

5.5.10 Hoofd- en nevenvlak (afbeelding 6l)

Met nevenvlak (B) worden een werkterrein aangeduid, dat Niet rechtsstreeks met het hoofdvlac (A), bijv. via een gazon of een weg, is verbonden. Om een apart nevenvlak (B) aan te leggen legt u de begrenzingsdraad (18) van het hoofdvlac (A) maar het nevenvlak (B) en weer terug. De begrenzingsdraad (18) maar het nevenvlak (B) toe en waarvanweg要去 parallel en erg dicht bij elkaar worden gelegd. -Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar Niet kuisen! -Fixeerঀoor de parallelle begrenzingsdraden (18) samen metdezelfde bevestigingshaken (14) op de grond. Om het nevenvlak (B) te kunnen maaien要去 u de maairobot met de hand daarnaartoe (B) dragen. Startaar het gewenste maaiprogramma en selecteer in het submenu 'Nevenlak' (zie 'Instelleningen van de maaiobot').De maairobot za in het nevenvlak (B) Niet proberen om de begrenzingsdraad (18) te volgen in de richting van hetlaadstation (19), wonneer de laadtoestand van de accu laag is.

5.6 Verbinden van het laadstation

Sluit het leggen van de complete begrenzingsdraad (18) af, voordat u deze verbindt met het laadstation. Laat aan beiden uiteinden 1 m extra begrenzingsdraad (18) over om latere aanpassingen te konnen uitvoeren.

Isoleer de begrenzingsdraad (18) aan de uiteinden voor de aansluiting aan het laadstation (19) met een isolatietang op een lenghte van 10 tot 15 mm.

Trek de netstekkeruit,voordat u de begrenzingsdraad (18) aansluit aan het laadstation (19).De aan de voorkant van het laadstation (19) gelegde begrenzingsdraad (18)要去 via de kabelhoulders aan de onderkant van het station (19)aar achefter worden gelegd.Verbindthese begrenzingsdraad (18) met de linker,zwarte aansluiting.Vervolgens leidt u dechterste begrenzingsdraad (18) door het gat (trekontlasting) in de buurt van de aansluiting en verbindt u deze met de rechter, rodeaansluiting (afbeeling 7a).

Opgelet! Begrenzingsdraden (18) mogen el-kaar nicht kruisen!

Maak verwolgens de verbinding met de stroomtoevoer. De LED-indicatie (21) aan het laadstation (19)要去 na correcte installmentie constant groen branden. Wanner de LED Niet brandt, controlleren dan eerst de aansluitingen. Indien de LED weliswaar brandt, maar Niet constant groen, lees dan de tabel 'Indicatie laadstation en verhelpen van fouten' aan het einde van deze handleiding.

5.7 Inschakelen en controlleren van de installmentatie

Zodra de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied voorbereid voor de maairobot. Controller erst of de bevestigingshaken (14) aan de begrenzingsdraad (18) goed in de grond zichn geslagen. Zet de maairobot ca. 3 mchter het laadstation (19) voor de begrenzingsdraad (18). Daar bij moet de maairobot in een hoek van 90^ maar de begrenzingsdraad (18) toegewend staan (afbeelding 7b). Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afbeelding 8). Druk op de STOP-toets (3) en open de afdekking van het display (25). Druk op de vergrendelingstoets (62), deblokkeer de maairobot met behulp van de PIN en bevestig de invoer met de toets OK' (63) (zie hoofdtstuk 'Blokkeerinrichting / PIN'). Druk op de toets 'HOME' (61) en sluit daarna de afdekking (25). Nu volgt de maairobot de begrenzingsdraad (18) gegen de klok in. Observer de maairobotijdens de hele rit langs de begren

NL

zingsdraad (18), tot deze waar in het laadstation (19) staat. Als de maairobot op sommige punten op problemen stuit, corrigeer dan eventuele de begrenzingsdraad (18) en herhaal de procedure. De accu (22) van de maairobot worden nu volledig geladen. Indien er problemen optreten bij het aandokken, kan dan hetijken dat u het laadstation (19) zijdelings opnieuw moet positioneren, tot het aandokken zonder problemen functioneert. Met de rode STOP-toets (3) kut u de maairobot op elk moment stoppen. Na het activeren van de STOP-toets (3) worden de maairobot gestopt en wacht hij op verdere commando's.

5.8 Bevestiging van het laadstation

Nadat de werkking zoals voorgeschreveen van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) werd gezonden, moet het station (19) met de bevestigingssschroeven (15) worden gefexeerd. Draai de bevestigingsschroeven (15) met de zeskantsleutel (24) helemaal in de grond (afbeelding 7c).

5.9 Accu-capaciteitsindicatie

Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsin dicatie. De accu-capaciteit指示ieert u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeelding 13b).

De accu werk diep ontladen en is defect. Een defekte accu mag Niet meer gebruikt en geladen worden!

Opgelet!

Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan.altijd in op de hogere capacititeit. Dankzij de spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het Niet moodzakelijk om de lagere capacititeit te gebruiken om de levensduur te verlungen.

5.10 Laden van de accu met de lader

  1. Vergelijk of de netspanning vermeld op het typeplaatje overeenstemt met de beschikbare netspanning. Steek de netstekker van de

lader (23) in het stopcontact. De groene LED begint te knipperen.

  1. Steek de accu (22) op de lader (23) (afbeeling 13a).
  2. Onder punt 'Indicatie lader' vindt u een tabel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader.

Tijdens het laden kan de accu ie's warm worden.
Dit isECHTER normalaL.

Mocht het laden van de.Accupack Niet möglich.
zijn, controller dan

of aan het stopcontact de netspanning voorhanden is,
- of een foutloos contact aan de laadcontacten voorhanden is.

Indien het laden van de.Accupack nog alttijd nicht mogelijk is, dan verzoeken wij u

op te sturen aan once klantendienst.

Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met once klantendienst of het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht.

Zorg er bij de verzending of verwerking van accu's resp. het accu apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden!

In het belang van een lange levensduur van de accapack is het raadzaam om opijd voor het herladen van de accapack te zorgen. Dit is in elk gevaloodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt. Ontlaad de accapack nooit hebelaal. Dat leidt tot een defect van de accapack!

6. Bediening

6.1 Hoofdschakelaar

De maairobot is uitergerust met een hoofdschakelaar (7). Schakel de maairobot met de hoofdschakelaar (7) in (ON) enuit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschakenen van de maairobot worden deze met de PIN vergrendeld.

NL

6.2 Bedieningsveld

De maairobot werden reeds in de fabriek geprogrammeerd en standard instellingen.daaraan zich uitgevoerd.Deze kunnen indien nodig darüber worden veranderd.Ook al zich de fabrieksinstellen gen geschikt voor de meeste tuinen,u要去 zich toch vertrouwd make met de beschikbare opties.

Verklaring van de LEDs van het bedieningsveld (afbeelding 9a)

  1. Tijd-LEDs: individatie van de dagelijkse maaitijd
  2. Vergrendelings-LED: individie van de toetsblokkering
  3. Status-LED: indicatie van de status van de maairobot en van het maaivlak
  4. Begrenzingsdraad-LED: individie of er spreake is van een fout van de begrenzingsdraad
  5. Accu-LED: indicatie van de toestand van de accu
  6. Alarm-LED: indicatie van fouten resp. geactiveerde regensensor

Verklaring van de toetsopties van het bedi-ningsveld (afbeelding 9b)

  1. Toetsen voor de instelling van de maaitijd en PIN-invoer

  2. Toets 'HOME'

  3. Vergrendelingstoets
  4. Toets 'OK'
  5. Toets 'START'

6.3 Maaihoogteverstelling

Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk waar voor op de STOP-toets (3).

De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogteussen 20 en 60~mm maybe, die op de schaal kan worden afgelezen.

Als het gras hoger is dan 60~mm dan要去 het tot minstens 60~mm worden gekort om de maairobot Niet overmatig te belasten en de efficiente Niet te verlagen. Gebruik waar voor een conventionele grasmaier of een trimmer.

Na aflsuiting van de installmentie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin al-tijd met een hogere maaihoogte en verlaag.Deze inkleine stappen tot aan de gewenste hoogte.

6.4 Blokkerinrichting / PIN

De blokkeerinrichting verhindert een Niet toegestane inzet van de maairobot zonder een geldige code. Daarvoort moet u een persoonlijke veiligheidscode invoeren die bestaatuit vier tekens.

Ontgrendeling

  • Voordat u de maairobot in bedrijf neemt要去 de correcte PIN invoeren (standaard PIN: '1-2-3-4'). Open hiervoor de afdekking van het display (25) en druk op de vergrendelingstoets (62). Voer verrolgens de PIN langzaam in en bevestig de invoer met de toets 'OK' (63). De bedieningsfuncties worden ontgrendeld en de vergrendelings-LED (51) brandt groen.
  • Wanner u een verkeerde PIN invoert, danlicht de vergrendelings-LED (51) rood op. Druk op de vergrendelingstoets (62) en voer de PIN opnieuw in.

Vergrendeling

Wonneer u het bedieningsveld (2) wilt vergrendelen, druk dan op de vergrendelingstoets (62). De vergrendelings-LED (51)licht nu rood op.

Standaard PIN: Nieuwe PIN:

1234

PIN wijzigen

Om de PIN te wijzigen gaat u als volgt te werk:

  1. Ontgrendel het bedieningsveld.
  2. Druk gedurrende 3 seconden gelijktijdig op de toets 'OK' (63) en de toets '4H' (60). DeijdLEDs (50) lichten gelijktijdig op.
  3. Voer een neue PIN (vier tekens) in. Druk op de toets 'OK' (63).
  4. Herhaal stap 3 om de nieuwe PIN te bevestigen.
  5. Opgelet! Noteer de(APIN!

PIN aanvragen bij verlies

Houd de kwitantie en het serialummer van de maairobot bij de hand. Deze heeft u nodig om uw PIN te ontvangen!

  1. Sluit aan de USB-aansluiting (26) zoals afgebeeld een lege USB-stick aan (afbeelding 11).
  2. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
  3. De maairobot slaat de PUK automatisch op op uw USB-stick en beeindigt het proces met een pieptoon.
  4. Trek de USB-stick eruit. Lees de gevevens op de USB-stick uit op een computer. Door de maairobot werd een tekstbestand (*.txt) aangemaaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Wend u tot de klantendienst om uw PIN te ontvangen.

NL

6.5 Instellingen van de maairobot Instelling van de maaitijd

  1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).
  2. Kies door de toets voor de instelling van de maaitijd in te drukken de gewenste maaitijd:
    2.1 Door de toets kort in te drukken maait de robot dagelijks. De bijhorende melding volgt door constant branden van de tijd-LEDs.
    2.2 Door de toets lang in te drukken maait de robot elke tweede dag. De bijhorende melding volgt door knipperen van deijd-LEDs.
  3. Deze worden weergegeven door deijd-LEDs (50).
  4. Bevestig de instelling door te drukken op de toets 'OK' (63).

De tijd waarvoorde wijzigingen werden uitgeoerd, is nu de dagelijkse starttijd. Het weergegeven aanlal uren is de dagelijkse werklijkd.

Voor de instelling van de maaitijd wordt als richtwaarde 8aar per dag bij 500m^2 aanbevolen. Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin moet de gekozen werkelijk worden aangepast.

Dagelijke starttijd terugzetten

Om de dagelijkse starttijd terug te zetten drukt u de toets 'OK' (63) en de toets '6H' (60) gelijktijdig gedurende 3 seconden in. Dearend waarvoord de wijzigingen werden uitgevoerd, is nu de dagelijkse starttijd. Het weergegeven,aantal uren is de dagelijkse werklijk.

Starten

  1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).
  2. Via de toets 'START' (64)kest u het vlak selecteren waarbinnen de maaier moet werken. Meer informatie over de beiden vlakken vindt u in het hoofdstuk Inbedrijfstelling' onder het punt Begrenzingsdraad'.
    2.1 Door kort te drukken op de toets 'START' (64) werkdt uw maairobot in het hoofdvlak. Daarbij brandt de status-LED (52) constant groen.
    2.2 Door lang te drukken op de toets 'START' (64) werkdt uw maairobot in het nevenvlak. Daar bij knippert de status-LED (52) groen.
  3. Sluit de afdekking van het display (25).

De maairobot werkkt nu overeenkomstig de insteling van de maaitijd. Tijdens de werklijk wordt de laadtoestand van de accu bewaakt en weergegeven via de accu-LED (54). Zodra de laadtoestand daalt tot 30% , keert de maairobot automatisch terug maar het laadstation.

Afbreken van het maaien

  1. Druk op de STOP-toets (3) om de maairobot meteen te stoppen.
  2. Open de afdekking van het display (25) volledig.
  3. Ontgrendel het bedieningsveld (2).
  4. Druk op de toets 'HOME' (61) om de maiarobot langs de begrenzingsdraad (18) terug te sturen maar het laadstation (19).
  5. Sluit de afdekking van het display (25).

7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen

Gevaar!

Vórár alle reinigings- en onderhoudswerkzaam-heden moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekkeruit de contactdoos moet trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7)uitschakelt (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu (22)uit de maairobot.

Voorzichtig! Werkhandsohen dragen!

7.1 Reiniging

Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventilatiespleten en het motorhuis zo Veel möglichk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doeok af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon.
- De maairobot mag nicht met stromend water, vooral Niet onder hoge druk, worden gereignid.
Reinig het apparaat regelmatig met een vochtige doek en wat smeerzeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zonden konnen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat verecht kan komen.
Maak de maairobot indien möglichk schoon met een borstel of doeK.
- Controller de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11)
- Gebruik voor de reiniging van de laadcontacten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer+fijn schuurpapier. Maak deze schoon om een efficient laadproces te garanderen.

7.2 Onderhoud

  • Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingsschroeven要去en altijd per set worden verrangen.

NL

Vervang versleten of beschadigde delen.
Voor een lange levensduur要去en alle schroefdelen en de wielen en assen schoon-gemaakt en verwolgens met olie gesmeerd worden.
- De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert Niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig worden gemaaid.
- De het sterkst aan slijtage onderhevige componenten zijn de klingen (10). Controller regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging waarvan. Als er overmatige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd� resp. door stoten werden verrormd. Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan要去 den ze meteen worden verrangen.
- Controller regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen Niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlaklicht uitdrogen en verdort het. Vervang waarom de klingen regelmatig, opdat u een zuiver enrecht maairesultaat verkrijgt.
- Controller de onderkant van de maairobot regelmatig op verruilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigungen onmiddelijk.
In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als waarvoort met een conventionele grasmaaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controlleraar daarom de onderkant van uw maairobot gedurende.Dezeperiodevaker.
- Verkort het gras om een sterke verontreinigung te vermijden slechts inkleine stappen.
- Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhonden onderdelen.

7.2.1 Vervangen van de klingen

Gebruik alleen originele klingen, aangezien anders functies eneiligheid nicht zich garandeerd. De maairobot is uitergerust met drie aan een messenschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maximaal 3 maanden (wanner er geen hinderissen worden getroffen). Vervang alle drie klingen (10) gelijkrijk dig om ute sluiten dat de efficicntie en balans van uw apparaat negatif wordt beinvloed.

Om de klingen (10) te verrangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 12) - Opgelet! - Handschoenen dragen:

  1. Blokker met een schroevendraaier de rotatie van de messchijf (11). Steek hiervoordeschroevendraaier door de voorziene gaten inde messchijf (11) en de beschemkam.
  2. Draai de bevestigsschroeven los.
  3. Neem de klingen (10) eraf en verrangdezedoor nieuwe.Vervang alle drie klingen (10) altijd per set.
  4. Daarna draait u de bevestigingschroeven wee vast. Let erop dat de neue klingen (10) vrij hunnen worden gedraaid.

Voer regelmatig een algemene controle van de maairobotuit en verzamel alle opgezamelde resten.Voor elk begin van een seizoen de toestand de klingen (10) absoluter controeren.Wend u bij reparations tot once klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.

7.2.2 Software update

Wonneer u de software wilt updater, kopieerdan de neue software op een lege USB-stick (eventuel de USB-stick eerst formatteren). Zorgervoor dat de accu volledig is geladen, voordat u de volgende stappen uitvoert.

  1. Zet de maairobot op het te maaien terrein. De maairobot mag zich bij de software update nied in het laadstation bevinden.
  2. Sluit aan de USB-aansluiting zoals afgebeeld een USB-stick aan (afbeelding 11).
  3. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
  4. Het update proces start automatisch en de tijd-LEDs (50) knipperen.
  5. Als alle 4 hijd-LEDs (50) continu branden en de maaier onafgebbroken blijft piepen, dan is het proces afgesloten.
  6. Trek de USB-stick eruit en sluit de afdekking.

7.2.3 Reparatie van de begrenzingsdraad

Als de begrenzingsdraad (18) op een bepaald punt worden doorgesneden, gelebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinder (16). Daarvoort steekt u beiden uiteinden van de doorgesneden begrenzingsdraad (18) in de kabelverbinder (16) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controller verwolgens aan de hand van de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) de werkinq.

NL

7.3 Bestelling van onderdelen:

Bij de bestelling van onderdelen moeten de vol-gende gegevens worden vermeld:

Type van het apparaat
- Artikelnummer van het apparaat
- Ident.-nummer van het apparaat
- Onderdeelnummer van het benodigde onder-deel

Actuele prijzen en info vindt u terug onder www.Einhell-Service.com

Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20

8. Opslag

Laad de accu (22) vór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7)uit (OFF).Neem de accu (22)uit het apparaat. Isoleer de voedingseenheid (13) van de stroomtoevoer en het laadstation (19).

De begrenzingsdraad (18) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er darüber wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd gegen corrosie. Isoleer daartoe de aansluitingen van de begrenzingsdraad (18) van het laadstation (19).

Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrijne en voor kinderen ontoegankelijkke plaats. De optimale opslagtemperatuur ligtussen 5^ en 30^ . Bewaar het apparaat in de originele verpakking.

9. Transport

Schakel het apparaat UIT via de hoofdschakelaar (7) (OFF) (afbeeling 8).
- Breng, indien voorhanden, transportbeveiligingen aan.
- Bescherm het apparaat gegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen.
- Beveilig het apparaat gegen weglijk den en kantelen.
- Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.

10. Verwerking en recycling

Het apparaat zit in een verpakking om transportschade te verhinderen. Deze verpakking is een grondstof en dus herbruikbaar of kan worden teruggevoerd in de grondstofkringloop. Het apparaat en+zijn toebehoren bestaan uit diverse materialien, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen nicht bij het huisvuil. Voor deskundige verwerking moet het apparaat bij een waaroor bestemde inzamelplaats worden afgegeven. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren.

EINHELL FREELEXO - Verwerking en recycling - 1
Enkel voor EU-landen

Elektrisch gereedschap hoort nicht bij het huisvuil thou!

Volgens de Europese rechtlijk 2012/19/EG op afgedankte elektrische en elektronische toestellen en omzetting in nationaalrecht dieren afgedankte elektrische gereedschappen afzonderlijk te worden verzameld en milieuvriendelijk te worden gerecycleerd.

Recyclagealternatif i.p.v. het toestel terug te sturen:

De eigenaar van het elektrische toestel is alternatief verplicht, i.p.v. het toestel terug te sturen, mede te werkden bij de behoorlijke recyclage in geval hij zich van het eigendom ontdoet. Het afgedankte toestel kan hiervoor ook bij een verzamelplaats worden afgeveen die voor een verwijdering als bedoeld in de wetgeving in zakte recyclage en afvalverwerking zorgt. Hieronder vallen Niet bij de afgedankte toestellen gevoegde accessoires en hulpmiddelen zonder elektrische componenten.

Nadruk of andere reproductie van documentationie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltekijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van Einhell Germany AG.

Technische wijzigingen voorbehonden

NL

11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten

LED-indicatie (21)BeschrijvingOplossing
Uit- Geen stroomtoevoer- Controleer de stroomtoevoer
Brandt groen- Klaar om te maaien - Accu (22) volledig geladen - Begrenzingsdraad (18) aan-gesloten
Knippert groen- Begrenzingsdraad (18) door-gesneden- Onderzoek de begrenzingsdraad (18) op een breuk
Brandt rood- Accu (22) worden geladen- Wacht tot de accu (22) volledig is geladen

12. Indicatie van de maairobot en verhopen van fouten

De begrenzingsdraad-LED (53) knippert rood

FoutMogelijk oorzaakVerhelpen
Geen signaal- Begrenzingsdraad verkeerd aangesloten - Geen stroomtoevoer - Begrenzingsdraad (18) door-gesnedenController of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt. - Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad (18) correct en in het midden onder het laad-station (19) is gelegd. - Controller de positie van het laadstation (19).
Buiten gebied- Begrenzingsdraad verkeerd aangesloten - Maairobot buiten het maai-gebied- Zorg ervoor dat de begrenzingsdraad (18) correct en in het midden onder het laad-station (19) is gelegd. - Zorg ervoor dat de maairobot zich in het maaigebied bevindt.

De accu-LED (54) knippert rood

FoutMogelijk oorzaakVerhelpen
Batterijfout- Er is een accufout opgetre-den bij de maairobot. - De accu (22) kan nicht wor-den geladen. - De accu (22) heeft het einde van+zijn levensduur bereikt.- Controller of de accu (22) juist werd ge-monteerd. - Controller of de hoofdschakelaar (7) is ingeschakeld (ON), verwijl de maairobot zich in het laadstation (19) bevindt. - Controller de positie van het laadstation (19). Vervang indien nodig de accu (22).

NL

De accu-LED (54) brandt geel

FoutMogelijk oorzaakVerhulpen
Batt. temp. fouitTe hoge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturing - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug maar het laadstation (19). - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C worden het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19).- Kies de werklijk in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag. - Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten tem-peratuurbereik keert de maairobot automaticisch terug� het geprogrammeerde bedrijf.

De alarm-LED (55) brandt geel

FoutMogelijk oorzaakVerhulpen
Maaier opgetild- Hefsensor heeft continu 10 seconden lang gereageerd.Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Indien deze fout vaker optreedt, controlleren dan het maaigebied op hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm en verwijder deze, of scherm de hindernissen met de begrenzingsdraad (18) af van het maaigebied.
Maaier geblokkeerd- Hindernissensor binnen één minuuteermaals geactiveerd - Hindernissensor 10 secon-den ononderbroken geactiveerd - Hindernissensorijdens derit terug maar het laadstation (19) driemaal geactiveerdDruk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Controller of de maairobot door een hindernis geblokkeerd ofussen bomen, struiken enz. ingeklemd is. Eliminer de hindernis of vermijd deze zone. - Indien deze bout vaker optreedt, controlleren dan of de begrenzingsdraad (18) goed is gelegd. Let met name op nauwe hoeken, doorgangen, hekken, rotsen enz., en pas de layout van de begrenzingsdraad (18) indien nodig aan. - Controller of het gras te hoop is en de maairobot worden geblokkeerd. Maai het gras in dit geval tot onder 60 mm.

NL

De alarm-LED (55) brandt geel

FoutMogelijk oorzaakVerhulpen
Te)dicht bij station- Maairobot werk te zich bij het laadstation (19) terug-gestuurd.Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - de maairobot要去 met een minimum afstand van 2 m terug�zij het laadstation (19) worden gestuurd.
Omgevallen- Maairobot werk 10 seconden continu gekanteld. - Maairobot is gedurende langerearend in een richting geheld.Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Zet de maairobot op een vlakte onder-grond en start hem opnieuw. - Indien de maairobot vanwege een steile helling in het maagebied is gekanteld, pas de begrenzingsdraad (18) dan zo aan, dat sterke hellingen worden verme-den.
Wielfout- Achterwieten (8) werden op-getild door een hindernis. - Achterwieten (8) hunnen zich door oneffen gazon vrij draai-en.Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Zet de maairobot op een vlakte onder-grond en start hem opnieuw.
STOP-knop foutDe afdekking van het display (25) is geopend, maar de STOP-toets (3) werk Niet geac-tiveerd.Druk op de STOP-toets (3) om de afdekking van het display (25) te openen. Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw: - Controleer of de afdekking van het display (25) met de STOP-toets (3) vrij kan worden geopend en gesloten. - Controleer de functionaliteit van de STOP-toets (3).

NL

De alarm-LED (55) knippert geel

FoutMogelijk oorzaakVerhopen
PCB overtempe-ratuurTe hoge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturing - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug maar het laadstation (19). - Bij een batterijtemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C wordt het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19).- Kies de werklijk in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag. - Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten tem-peratuurbereik keert de maairobot auto-matisch terug� het geprogrammeerde bedrivif.
Regen- De regensensor (5) heeft gereageerd.- Wacht tot de maairobot droog is. - Een gedetailleerde beschrijving van de sensor kan worden nagelezen in hoof-dstuk 5.2.
FoutMogelijk oorzaakVerhulpen
Sensorfout- De maairobot werk gestopt op grond van een sensorfout.Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en waar in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.
Motorfout / Motoroverstroom- De maairobot is op grond van een overstroom in de motor of een motorfout gestopt.Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en waar in (ON) om de maairobot opnieuw te starten. - Controller de hoogte van het gras in het maaigebied en maai indien nodig met een conventionele grasmaaier het gras tot kor-ter dan 60 mm. - Verhoog de snijhoogte. Begin alsijt med een hogere maaihoogte en verlaag deze inkleine stappen tot aan de gewenste hoogte. - Onderzoek de messenschijven (11) en wie-len op verruiling en reinig deze grondig. - Controller de weiterwelen en de messenschijf op blokkades. Indien u deze blokkades nicht kunt elimineren, wend u dan tot de bevoegde klantendienst.
Bedrijsfout- De maairobot werk gestopt op grond van een bedrijfs-fout.Schakel de hoofdschakelaar (7)uit (OFF) en waar in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.

NL

Foutopsoring

FoutMogelijk oorzaakVerhopen
De maairobot staat in het maaigebied De maairobot kan Niet worden ingeschakeld- Accuspanning te laag - Fout aan de stroomkring of de elektronica- Breng de maairobottering nuur het laad-station (19) om op te laden - Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) - Wend u tot de klantendienst
De maairobot kan Niet in het laadstati-on rijden- Laadstation (19) Niet correct geinstalleerd- Controller of de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt - Controller of de begrenzingsdraden (18) aan het laadstation (19)+zijn aangesloten en of de voorste begrenzingsdraad (18) in het midden onder het station (19) is ge-legd. - Controller of het laadstation (19) correct gespositioneerd
De maairobot stopt resp. rijdt ongecon-troleerd in de buurt van begrenzingslei-landen.- Begrenzingsdraad (18) Niet juist geinstalleerd rond de begrenzingseilanden- Pas de positie van de begrenzingsdraad (18) aan - Let erop dat de begrenzingsdraad (18) zich nicht kruist.
De maairobot maaktwoord lawaai- Klingen (10) beschadigd - Aan de klingen (10) hechten heelv vremde materialen - Maairobot teল bij hinder-nissen gestart - Mesaandrijving of aandrijf-motor beschadigd - Andere delen van de maairobot beschadigd- Vervang de klingen (10). De 3 klingen (10)要去en glikjtijdig worden verrangen - De efficiente van de maairobot hangt af van de scherpte van de klingen (10). Houd de klingen (10) waarom in goede toestand - Schakel de maairobot veilig uit en draag werklandschoenen als u de klingen (10) reinigt, om snijwonden te vermiiden - Laat de motor door de klantendienst repa-reren of verragen
De maairobot blijft in het laadstation De maairobot keert steeds wee terug maar het laadstation- Verkeerde instelleningen van de werktijd - Accu (22) leeg - Regensensor gereageerd - Verhoogde accutemperatuur- Controller de instelleningen van de werktijd - De maairobotbegint en beëindigt zijn werk al naargelang het ingesteldeijd-venster. Buiten ditijdvenster blijft de maairobot in het laadstation (19).
De maairobot blijft op de begrenzings-draad staan en kan het laadstation Niet bereiken.- Accu (22) leeg. - De lengte van de begren-zingsdraad (18) en daardoor de weg maar het laadstation (19) is te lang voor de gebru-ikte accu (22).- Verwijder mogelijk hinderissen op de begrenzingsdraad (18). Zorg bij het leg-gen van de begrenzingsdraad (18) voor voldoende afstand tot hinderissen. - Gebruik een accu met hogere capaciteit. - Opgelet: bijinzet van een multi-Ah-accu (bivj. 4-6 Ah) de hogere capaciteit instelen. Dankzij de spaarzame lading en ont-lading bij de maairobot is het netoodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levendsduur te verlungen.

OPGELET! Doorgesneden begrenzingsdraden en gevolgschade vallen nicht onder de garantie!

13. Indicatie lader

IndicatiestatusBetekenis en maatregel
Rode LEDGroene LED
UitKnippertOperationaliteit De lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit nicht in de lader.
AanUitLaden De lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader. Aanwijzing! Al naargelang de accelading kan de laadduur ie's afwijken van de vermelde tijden.
UitAanDe accu is opgeladen en operationeel. Daarna worden tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla-ding. Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten. Maatregel: Neem de accu uit de lader. Isoeleer de lader van het net.
KnippertUitAanpassingslading De lader bevindt zich in de modus behoedzame lading. Hierbij worden de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeenmeerijd vergt. Dit kan de volgende oorzaken hebben: - De accu werk zeer lange&tiet Nieteer geladen. - De acutemperatuur ligt Niet in het ideale bereik. Maatregel: Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verdier wor-den geladen.
KnippertKnippertFout Laadproces is Niet meer mogelijk. De accu is defect. Maatregel: Een defecte accu mag Niet meer worden opgeladen. Neem de accu uit de lader.
AanAanTemperatuurstoring De accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C). Maatregel: Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemporatuur (ca. 20 °C).

NL

Service-informatie

Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zijn genoemd, samen met competente servicepartners, wier contactgegevens u kunt afleiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaffen van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking.

U moet er rekencing mee honden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtag door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig+zijn als verbruiksmaterialien.

CategorieVoorbeeld
Slijtstukken*Accu
Verbruiksmaterialiaal/verbruiksstukken*Klingen
Ontbrekende onderdelen
  • Niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen!

Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en waar bij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:

  • Hoefft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect?
    Is u ieis opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptom voór het defect)?
  • Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)?

Beschrijf deze foutrieve werkwijze.

NL

Garantiebewijs

Geachte klant,
onze producten worden onderworpen aan een strenge kwaliteitscontrole. Mocht dit apparaatECHTER ooit
niet waar behoren functioneren, spijt dit ons ten zeerste en vragen u zich te wenden tot onze servicedienst onder het adres vermeld op dit garantiebewijs. Wij staan ook graag Telefonisch tot uw Dienst via
het vermelde servicetelefoonnummer. Voor eisen in verband met hetrecht garantie geldt het volgende:

  1. Deze garantievoorwaarden zijnuitsluitend gericht aan de gebruikers, d.w.z. nutuurlijke Personen die dit product nicht in het kader van hun ambachtelijke noch van een andere zichstandige activiteit wilpen gebruiken. Deze garantievoorwaarden regelen aanvullende garantieprestaties, die de hieronder genoemde fabrikant kopers van zijn neue apparaten toezegt in aanvulling tot de wettelijkke garantie. Uw wettelijkke garantieclaims blijven onaangetast door deze garantie. Onze garantieprestatie is voor u gratis.
  2. De garantieprestatie geldt uitsluitend voor gebreken aan een door u aangekocht nuew apparaat van de hieronder genoemde fabrikant die aantoonbaar berusten op een material- of productiefout, en is maar onsze keuze beperkt tot het verhelpen van zulke gebreken aan het apparaat of de verran-ging ervan.

Wij wijzen erop dat once apparaten overeenkomstig hun bestemming Niet ontworpen zichen voor commercieel, ambachtelijk of industrieel gebruik. Van een garantiecontract is derhalve geen spreke, als het apparaat binnen de garantieperiode in commerciele, ambachtelijkje of industriiele bedrijven werden ingezet of aan een daarmee gewiek te stellen belasting werk blootgesteld.

  1. Van onsè garantie zichn uitgesloten:

  2. Schade aan het apparaat als gevolg van Niet-inachtneming van de montagehandleiding of op grond van ondeskundige installment, als gevolg van Niet-inachtneming van de gebruiksaanwijzing (zoals bijv. door aansluiting aan een verkeerde netspanning of stroomsoort) of Niet-inachtneming van de onderhouds- en veiligheidsvoorschriften, door blootstelling van het apparaat aan abnormale omgevingsvoorwaarden of door nalatig onderhoud en verzorging.

  3. Schade aan het apparaat als gevolg van misbruik of ondeskundige toepassingen (zoals bijv. overbelasting van het apparaat of de inzet van Niet toegelaten gereedschappen of toebehoren), binnendringen van vreemde voorwerpen in het apparaat (zoals bijv. zand, stenen of stof, transportschade), gebruik van geweld of als gevolg van externe invloeden (zoals bijv. schade door vallen).
  4. Schade aan het apparaat of aan delen van het apparaat die valt te herleiden tot slijtage als gevolg van gebruik, en als gevolg van normale of andere natururlijke slijtage.

  5. De garantipeiode bedraagt 24 maanden en gaat in op de datum van aankoop van het apparaat. Garantieclaims dieren voor het verloop van de garantipeiode binnen de twee weken na het vaststellen van het defect geldend te worden gemaatk. Het indieren van garanticlaims na verloop van de garantipeiode is uitgesloten. De herstelling of verranging van het apparaat leidt nicht tot een verlenging van de garantipeiode noch worden door deze prestatie een neue garantipeiode voor het apparaat of voor eventueel ingebouwde wisselstukken op gang gebracht. Dit geldt ook bij het ter plaatse uitvoeren van een serviceactiviteit.

  6. Gelieve om een garantieclaim in te dieren het defecte apparaat aan te melden onder: www.Einhell-Service.com. Houd het aankoopbewijs of een ander bewijs van uw aankoop van het nieuwe apparaat bij de hand. Apparaten die zonder bijhorende bewijzen of zonder typeplaatje worden teruggestuurd, worden op grond van de ontbrekende mogelijkheid om het apparaat toe te kennenuitgesloten van de garantieprestatie. Valt het defect van het apparaat binnen once garantieprestatie, dan bezorgen wij u per omgaande een gerepareerd of neuen apparaat terug.

Uiteraard staan wij ook tot u diest om, mits betaling van de kosten, defecten van het apparaat te verhopen die buiten de garantieomvang vallen. Te dien einde stuart u het apparaat aan ons serviceadres op.

Voor slijtstukken, verbruiksmaterialiaal en ontbrekende onderdelen worden verwezenaar de beperkingen van deze garantie conform de service-informatie van deze handeiding.

E

Índice de Contents

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : EINHELL

Model : FREELEXO

Categorie : Robot grasmaaier