EINHELL FREELEXO CAM 350 - Robotmaaier

FREELEXO CAM 350 - Robotmaaier EINHELL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis FREELEXO CAM 350 EINHELL in PDF-formaat.

📄 628 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag
Notice EINHELL FREELEXO CAM 350 - page 243

Gebruikersvragen over FREELEXO CAM 350 EINHELL

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FREELEXO CAM 350 - EINHELL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FREELEXO CAM 350 van het merk EINHELL.

GEBRUIKSAANWIJZING FREELEXO CAM 350 EINHELL

  1. Veiligheidsinstructies
  2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering
  3. Doelmatig gebruik
  4. Technische gegevens
  5. Inbedrijfstelling
  6. Bediening
  7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen
  8. Opslag
  9. Transport
  10. Verwerking en recycling
  11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten
  12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten
  13. Privacyverklaring FREELEXO CAM
  14. Indicatie lader

EINHELL FREELEXO CAM 350 - 1

Gevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.

Dit apparaat mag niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geïnstrueerd werden en begrijpen welke gevaren van het apparaat kunnen uitgaan. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen.

Reiniging en onderhoud door de gebruiker mogen niet door kinderen worden uitgevoerd.

NL

Gevaar!

Bij de inzet van apparaten moeten enkele voorzorgsmaatregelen worden getroff en om verwondingen en schade te verhinderen. Lees deze handleiding/veiligheidsinstructies daarom aanachtig door. Bewaar deze goed, zodat u de informatie op elk moment kunt terugvinden. Mocht u dit apparaat aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding/veiligheidsinstructies mee te overhandigen. Wij zijn niet aansprakelijk voor ongevallen of schade als gevolg van niet-inachtneming van deze handleiding en de veiligheidsinstructies.

1. Veiligheidsinstructies

De veiligheidsinstructies vindt u in het bijgevoegde boekje!

Waarschuwing!

Lees alle veiligheidsinstructies, aanwijzingen, plaatjes en technische gegevens, waarvan dit elektrisch gereedschap is voorzien.

Nalatigheden bij de naleving van de volgende instructies kunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken.

Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwijzingen voor de toekomst.

Verklaring van de gebruikte symbolen (zie afbeelding 13)

A. WAARSCHUWING - Vóór inzet van de machine de handleiding doorlezen!
B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewaren!
C. WAARSCHUWING - Vóór de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tillen de blokkeerinrichting activeren! OPGELET - Roterende messen niet aanraken!
D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine! OPGELET - Roterende messen niet aanraken!
E. Beschermklasse II (dubbele isolatie)
F. Opslag van de accu's alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10 °C tot +40 °C. De accu's alleen in geladen toestand opbergen (min. 40% geladen).
G. Beschermklasse III
H. Trage zekering 2 A
I. Alleen voor gebruik in droge ruimtes.
J. WAARSCHUWING: Om de accu te laden alleen de afneembare voedingseenheid

NT24/1 / PS24/1 gebruiken die met dit apparaat werd meegeleverd.

Opgelet!

Trek tijdens een onweer de netstekker uit de contactdoos en isoleer de leikabel van het laadstation.

2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering

2.1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)

  1. Maairobot
  2. Bedieningsveld
  3. 'STOP'-toets / Ontgrendelingstoets van de afdekking van het bedieningsveld

  4. Maaihoogteverstelling

  5. Regensensor

  6. Draaggreep

  7. Hoofdschakelaar

  8. Achterwiel

  9. Deksel accuvak

  10. Klingen

  11. Messenschijf

  12. Voorwiel

  13. Afdekking van het bedieningsveld

  14. USB-aansluiting

  15. Camera-eenheid

  16. Afstandssensoren

  17. Laadstation

19a. Laadstation LED-indicatie

19b. Laadstation laadpen

  1. Voedingseenheid(-kabel)

  2. Bevestigingsschroef

  3. Zeskantsleutel

  4. Bevestigingshaak

  5. Leikabel

  6. Kabelverbinder

  7. Reserve klingen

  8. Magneetband

  9. Liniaal (om eruit te trekken)

2.2 Omvang van de levering en uitpakken Controleer de volledigheid van het artikel aan de hand van de beschreven omvang van de levering. Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve hiervoor de garantietabel in de service-informatie aan het einde van de handleiding in acht te nemen.

NL

  • Open de verpakking en neem het apparaat voorzichtig daaruit.
  • Verwijder het verpakkingsmateriaal en verpakkings-/transportbeveiligingen (indien aanwezig).
    • Controleer of de levering volledig is.
  • Controleer het apparaat en het toebehoren op transportschade.
  • Bewaar de verpakking indien mogelijk tot aan het einde van de garantieperiode.

Gevaar!

Het apparaat en het verpakkingsmateriaal zijn geen speelgoed voor kinderen! Kinderen mogen niet met plastic zakken, folies en kleine stukken spelen! Er bestaat inslik- en verstikkingsgevaar!

Omvang van de levering, montagemateriaal en toebehoren (deels niet meegeleverd)

Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.

Maairobot
• Voedingseenheid(-kabel)
Laadstation
• Bevestigingsschroeven (4 stuks)
- Reserveklingen
- Bevestigingshaak
• Leikabel
• Kabelverbinder
- Magneetband
• Zeskantsleutel
Accu
• Liniaal (om eruit te trekken)
• Originelehandleiding
• Veiligheidsinstructies

Benodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd)

  • Hamer
    Tang
  • Isolatietang
    • Waterpas(optioneel)

De maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maai- en van gazons.

De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk daarboven uitgaand gebruik is niet-doelmatig. Voor daaruit voortvloeiende schade of verwondingen van welke aard dan ook is de gebruiker/bediener aansprakelijk, en niet de fabrikant.

Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun doelmatig gebruik niet zijn ontworpen voor commerciële, ambachtelijke of industriële inzet. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid, indien het apparaat in ambachtelijke of industriële bedrijven of voor daaraan gelijk te stellen activiteiten wordt ingezet.

Frequentieband: 0-148,5 KHz

Maximaal zendvermogen: ......67,05 dBuA/m

Voedingseenheid

Ingangsspanning: ..... 100-240 V \~ 50/60 Hz

Uitgangsspanning: 24 V DC

Uitgangsstroom: 1,5 A

Beschermklasse: .....II / ☐

De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094:1991.

Waarschuwing!

Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijke verwondingen te verminderen raden wij personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het medische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat wordt bediend.

NL

5. Inbedrijfstelling

Lees de hele handleiding, voordat u begint met de installatie van de maairobot. De kwaliteit van de installatie is rechtstreeks van invloed op het resulterende maaibeeld.

5.1 Werkingsprincipe

Volg zorgvuldig de bedieningshandleiding om een correcte en veilige inzet van de maairobot te garanderen.

De maairobot kiest zijn richting bij toeval. De tuin wordt daarbij volledig gemaaid, omdat de maairobot alle zones bereikt die niet door afgrenzingen en hindernissen zijn uitgesloten. Wanneer de maairobot vaststelt dat hij aanbelandt bij een grens van het gazon of een hindernis herkent, dan verandert hij van richting en maait hij in een willekeurige andere richting verder. Via de sensoriek herkent de maairobot hindernissen en het vlak van het gazon, zodat hij zich vrij in het werkbereik kan bewegen.

De maairobot beschikt over een camera-eenheid, die beelden genereert van de voor hem liggende zone en deze verwerkt. Daarbij wordt het voor hem liggende terrein onderzocht, en gecontroleerd of het hierbij een maaivlak of grens van het gazon resp. een hindernis betreft. Zolang het voor hem liggende terrein als maaivlak wordt beschouwd, beweegt de maairobot zich met ingeschakeld maaivwerk rechtdoor. Als de zone als grens van een gazon resp. hindernis wordt aanzien, dan stopt de maairobot, controleert hij opnieuw het maaivlak en begint hij in een willekeurige richting weer te maaien. Het maaiterrein moet zorgvuldig gecontroleerd en aangepast worden, opdat de maairobot voldoende ruimte heeft om te herkennen waar de zone eindigt. De grenzen van het gazon moeten duidelijk zijn vastgelegd, opdat de maairobot deze binnen zijn reactietijd duidelijk kan herkennen.

De gelegde leikabel (24) dient voor het nauwkeurige aandokken in het laadstation (19) en vormt tijdens het maaien geen grens. De maairobot moet zich daarom op een grasvlak met duidelijke optische of fysieke grenzen bevinden. Opdat de maairobot de leikabel (24) en daarna het laadstation (19) vindt, moet deze zich bij de eerste activering van het maaiproces in het laadstation (19) bevinden. Via een globale satellietnavigatie (GNSS) bepaalt hij de positie van het laadstation (19). Als de positie van het laadstation (19) wordt veranderd, dan moet de maairobot dwingend opnieuw voor de kalibratie in het laadstation (19) worden geplaatst. Zorg ervoor dat geen afscherming of overdekking de bepaling van de positie verhindert. Plaats het laadstation (19) niet naast hoge gebouwen. In sommige gevallen is hier een kalibratie omwille van een slecht signaal niet mogelijk.

Bij lage laadtoestand van de accu keert de maai- robot terug naar het laadstation (19). Met behulp van de GNSS-module bepaalt de maairobot zijn afstand tot het laadstation (19) en zoekt dit op. Als de maairobot op weg naar de zoeklus stuit op een grens van de tuin of op hindernissen, dan slaat de maairobot zijn positie op en wordt het maaiterrein in kaart gebracht. Zo vindt de maairobot bij verder gebruik sneller de weg terug naar het laadstation (19). Aangekomen aan de leikabel (24) rijdt de maairobot aan de hand van zijn sensoren om draden te herkennen tot aan het laadstation (19). Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin kan dit proces enkele minuten duren.

Via de globale satellietnavigatie (GNSS) wordt eveneens de voor de locatie specifi eke informatie over zonsopgang/-ondergang opgevraagd. Voldoende daglicht is absoluut vereist voor het storingsvrije functioneren van de maairobot. Controleer de lens van de camera-eenheid (15) regelmatig op verontreinigingen.

5.2 Sensoren

De maairobot is uitgerust met meerdere veiligheidssensoren. Via de sensoren kan de maairobot zich bewegen over zijn maaigebied.

Hefsensor:

Indien de maairobot van achter meer dan 30° van de grond wordt opgetild of een voorwiel (12) het contact met de grond verliest, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.

• Hellingsensor:

Indien de maairobot sterk in één richting helt, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt.

- Hindernissensor:

De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan worden de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt en rijdt hij terug weg van de hindernis.

• Camera-eenheid:

De maairobot bezit een camera-eenheid (15), die het maaiterrein voor hem (circa 1m ^2 ) ana-

NL

lyseert. De camera is daarbij gericht op de ondergrond, waarmee objecten in het bereik van het beeld met een maximale hoogte van 50 cm worden afgebeeld. Het te verwerken beeldmateriaal wordt slechts lokaal en tijdelijk opgeslagen in de maairobot en voortdurend overgeschreven. De maairobot kan hindernissen herkennen, en het werkterrein waar geen gras meer groeit. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit of geen gras meer herkent, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verder te maaien. Omwille van de camera-eenheid is het niet mogelijk dat de maairobot in de schemering resp. 's nachts werkt. Het gekozen werkvenster moet daarbij overdag liggen wanneer er veel daglicht is, opdat de maairobot zijn werk betrouwbaar kan verrichten. Daardoor worden ook tijdens de schemering actieve kleine dieren, zoals bijv. egels, beschermd.

• Afstandssensoren:

De maairobot is uitgerust met afstandssensoren (16), waarmee hij hindernissen op zijn traject kan detecteren. Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verder te maaien.

• Magneetbandsensor

De maairobot is uitgerust met een magneet- bandsensor en herkent een op de grond lig- gende magneetband (27). Als de maairobot op een magneetband stuit, dan stopt hij en begint hij in een willekeurige richting verder te maaien. De magneetband dient als virtuele grens, waardoor zones van de tuin kunnen worden ingericht, waar de maairobot niet mag maaien.

- Regensensor:

De maairobot is uitgerust met een regensensor (5) om te verhinderen dat de robot in de regen werkt. De maairobot keert terug naar het laadstation (19) wanneer er regen wordt herkend, en wordt daar compleet opgeladen. Nadat de regensensor (5) weer is gedroogd hervat hij het werk weer, mits hij zich nog in een actief tijdvenster bevindt. Als de regensensor (5) heeft gereageerd, dan brandt de regensensor-LED (53). Sluit de beide metaalsensoren niet kort met metaal of een ander geleidend materiaal. Hierdoor wordt de correcte werking van de maairobot negatief beïnvloed.

GNSS-module

De maairobot bepaalt zijn positie en de positie van het laadstation (19) via een globale satellietnavigatie (GNSS). Dit helpt de maai-

robot om de weg terug naar het laadstation (19) te vinden. Via de GNSS-module kan de maairobot de lokale tijden voor zonsopgang en ondergang vaststellen, waardoor hij niet tijdens de schemering of 's nachts kan maaien. Daardoor kan de maairobot met zijn camera-eenheid (15) betrouwbaar werken. Met de GNSS-module bepaalt de maairobot op elk moment zijn afstand tot het laadstation (19). De maairobot mag zich maximaal 1000 m van het laadstation (19) verwijderen, anders brandt de GNSS-LED (54) geel kan hij niet worden ingezet in de hoofdvlak-modus. Voor het bedrijf in de nevenvlak-modus is de afstand tot het laadstation (19) niet relevant.

5.3 Voorbereiding

Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer. Verwijder alle losse voorwerpen die door de maairobot kunnen worden beschadigd of die de robot kunnen beschadigen, van het gras.

Controleer het maaiterrein en de grenzen van het gazon, en zones die niet gemaaid hoeven te worden. In de volgende hoofdstukken van deze gebruiksaanwijzing vindt u informatie hoe u eenduidig grenzen van het gazon kunt vastleggen en bepaalde bereiken kunt beschermen. Sommige hindernissen kunnen door de maairobot vroegtijdig worden herkend en hoeven niet met veel moeite te worden afgezet.

Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel).

5.3.1 Berekening van de helling van het gazon

De maairobot kan hellingen tot maximaal 25% aan. Vermijd daarom steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 3a).

Voorbeeld: a/b = 25 cm/100 cm = 25 %

Voor de inzet van de maairobot is een accu (A) van de Power-X-Change serie nodig. Opgelet: de accu (A) kan al naargelang modelvariant niet zijn meegeleverd met uw maairobot. Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en schuif de accu (A) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accuvak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeelding 3b). Om de accu (A) te verwijderen opent u

NL

het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en trek deze eruit.

5.4 Laadstation

5.4.1 Locatie van het laadstation

Zoek eerst de beste plaats voor het laadstation (19). Er is een contactdoos voor buiten nodig die permanent stroom levert, opdat de maairobot altijd functioneert. Het laadstation (19) moet op een vlakke ondergrond op de hoogte van de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat de omgeving vlak en droog is. Positioneer het laadstation (19) liefst aan de rand van de maaizone. Let erop dat de netkabel van het laadstation (19) niet op het maaiterrein wordt gelegd, of graaf deze eventueel in, opdat een beschadiging door de maairobot wordt vermeden.

Positioneer het laadstation (19) met de leikabel (24) zo goed mogelijk vanuit alle richtingen toegankelijk en op een vrij vlak zonder hindernissen. Plaats het laadstation (19) niet in moeilijk toegankelijke hoeken of door nauwe plekken afgegrensde zones.

De maximale afstand van het laadstation (19) tot een grens van het gazon mag niet meer dan 1000 m bedragen. Dit dient ter verhoogde beveiliging tegen diefstal. Bij een grotere afstand brandt de GNSS-LED (54) geel en de maairobot kan niet worden ingezet in de hoofdvlak-modus. Voor het bedrijf in de nevenvlak-modus is de afstand tot het laadstation (19) niet relevant. Er wordt een maximale afstand van de grens van het gazon tot het laadstation (19) van niet meer dan 50 m aanbevolen, opdat een effi ciënt en automatisch maaiproces gegarandeerd is. Bij toenemende verwijdering van het laadstation (19) kan het voorkomen dat de resterende acculading van de maairobot niet meer volstaat om hem te kunnen laten terugkeren naar het laadstation (19). Gebruik bij grotere maaivlakken een accu met een hogere capaciteit.

Kies een plaats in de schaduw, aangezien de accu het best wordt geladen in een koele omgeving. Hoge gebouwen of bomen kunnen het GNSS-signaal verzwakken, zodat de maairobot niet meer automatisch de weg terugvindt naar het laadstation (19). Houd daarom voldoende afstand tot hoge gebouwen of bomen, en zorg ervoor dat het laadstation (19) zich onder open hemel bevindt. Let er bovendien op dat de leikabel (24) min. 1 m vóór het laadstation (19) en min. 0,5 m daarachter recht wordt gelegd (afbeelding 4a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.

5.4.2 Lokalisering van het laadstation

Wanneer de accu bijna leeg is, dan keert de maairobot terug naar het laadstation (19) door op zoek te gaan naar de leikabel (24). De maairobot vergelijkt aan de hand van GNSS in regelmatige intervallen zijn werkelijke positie met de gekalibreerde positie van het laadstation. De maairobot rijdt in de richting van het laadstation (19) en zoekt in meerdere stappen de leikabel (24). Daarbij stopt de maairobot steeds weer, en rijdt eventueel in een andere richting verder om bij de leikabel (24) te komen. Als de maairobot in de buurt van de leikabel (24) komt, dan begint hij door draaibewegingen en met behulp van de signaalsterkte van de leikabel (24) de positie daarvan te detecteren.

Als de maairobot tijdens het maaien op een hindernis of een grens van het gazon stuit, dan wordt deze positie opgeslagen. Daarbij wordt het terrein in kaart gebracht, hetgeen de maairobot helpt om het laadstation (19) sneller te vinden.

Wanneer de maairobot de leikabel (24) heeft bereikt, dan volgt hij deze tegen de klok in tot aan het laadstation (19). Let er daarom op dat het laadstation (19) correct uitgericht wordt geplaatst (afbeelding 4a).

5.4.3 Aansluiting van het laadstation aan de voedingseenheid

  1. Voordat u het laadstation (19) verbindt met de stroomtoevoer moet u controleren of de netspanning 100-240 V bij 50/60 Hz bedraagt.
  2. Verbind de voedingseenheid (20) rechtstreeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing.
  3. Gebruik geen beschadigde voedingseenheid (20). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (20) voor vervanging meteen tot een erkende vakman.
  4. Laad de maairobot niet op in een vochtige omgeving. Laad de maairobot niet op bij temperaturen hoger dan 40 °C of lager dan 5 °C.
  5. Houd de maairobot en de voedingseenheid (20) uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliën. Houd de kabel van de voedingseenheid (20) om schade te vermijden weg van scherpe randen.
  6. Verbind de voedingseenheid (20) met het laadstation (19) (afbeelding 4b).
  7. Zet de maairobot met ingeschakelde hoofdschakelaar (7) en accu in het laadstation (19) en laad hem vóór het eerste bedrijf volledig op.

NL

5.4.4 Informatie over het laadproces

De maairobot keert in een van de volgende situaties terug naar het laadstation (19):

• U stuart de maairobot handmatig terug.
- De laadtoestand van de accu daalt onder 30%.
• De dagelijkse werktijd is verstreken.
• De regensensor heeft gereageerd.
• De maairobot is oververhit.
- Het begint te schemeren, waardoor de camera-eenheid niet meer juist kan functioneren.

Dan gaat de maairobot op zoek naar de leikabel (24) en rijdt dan automatisch tegen de klok in aan de leikabel (24) tot aan het laadstation (19). Tijdens het laadproces van de accu knippert de accu-LED (55) van de maairobot groen. Als de accu volledig is geladen, dan branden de accu-LED (55) en de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen. Nadat de accu volledig is opgeladen hervat de maairobot het werk weer, of hij blijft tot aan het volgende werktijdvenster in het laadstation (19).

Als er zich bij het terugrijden naar het laadstation (19) een hindernis bevindt op de leikabel (24), dan blijft de maairobot na meerdere pogingen voor de hindernis staan en kan deze niet terugkeren naar het laadstation (19). Verwijder alle hindernissen op de leikabel (24).

Indien de temperatuur van de accu 45 °C overschrijdt, dan wordt het laadproces afgebroken om schade aan de accu te vermijden. Nadat de temperatuur weer is gedaald, wordt het laadproces automatisch voortgezet.

Indien de temperatuur van de besturing van de maairobot 65 °C overschrijdt, dan keert de maairobot terug naar het laadstation (19). Nadat de temperatuur weer is gedaald, wordt het werk weer hervat overeenkomstig de instellingen. Indien de accu leeg raakt voordat de maairobot terugkeert naar het laadstation (19), dan kan de maairobot niet meer worden gestart. Breng de maairobot terug naar het laadstation (19) en laat de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. De maairobot wordt automatisch opgeladen.

5.5 Leikabel

OPGELET! Een doorgesneden leikabel en ge- volgschade vallen niet onder de garantie!

5.5.1 Leggen van de leikabel

De leikabel (24) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond kunnen de bevestigingsshaken (23) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras vóór het aanbrengen van de leikabel (24) als de grond erg droog is.

• Installatie op de grond

Leg de leikabel (24) vast op de grond en bevestig hem met de meegeleverde bevestigingshaken (23). De positie van de leikabel (24) kunt u in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aanpassen. Na enige tijd zal het gras echter over de leikabel (24) zijn gegroeid en deze niet meer te zien zijn. Installeer de leikabel (24) met een maximale afstand van 1 m tussen de bevestigingshaken (23). Vermijd situaties waarbij de leikabel (24) niet op de grond rust. Zorg ervoor dat de leikabel (24) niet door de maairobot kan worden doorgesneden. De maairobot zal tijdens het maaien met ingeschakeld maaiwerk over de leikabel heen rijden.

• Installatie in de grond

Graaf de leikabel (24) tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de leikabel (24) bijvoorbeeld bij het verticuteren of verluchten verhinderd.

Opgelet!

Aangezien de leikabel (24) niet altijd aan de grens van het gazon wordt gelegd, is het belangrijk om de positie daarvan te noteren, om deze bij latere werkzaamheden in de tuin niet te beschadigen. Maak eventueel een schets of documenteer het traject met foto's. Indien de leikabel (24) niet werd ingegraven in de grond, dan mag u om een beschadiging te vermijden in de buurt van de leikabel (24) niet verticuteren en verluchten.

5.5.2 Installatie van de zoeklus

  • De leikabel (24) vormt een zoeklus, waarmee de maairobot weer de weg terugvindt naar het laadstation (19).
    Leg de leikabel (24) min. 1 m vóór het laadstation (19) en min. 0,5 m daarachter recht (afbeelding 4a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden.
  • Het minimum vlak dat de leikabel (24) insluit moet minstens 5 m ^2 bedragen (afbeelding 4a). Het wordt aanbevolen om de hele lengte van de leikabel (24) te benutten en deze indien mogelijk in een vierkant vlak te leggen. De zoeklus moet zo worden uitgericht, dat de maairobot vanuit elk deel van de tuin goed bij het laadstation (19) kan raken.
  • De afstand tussen twee leikabels (24) moet min. 0,8 m bedragen (afbeelding 4a).
    • De leikabel (24) mag zich niet kruisen.

NL

  • Let erop dat er zich geen hindernissen bevin-den op de leikabel (24).
  • Let erop dat er zich links en rechts naast de leikabel (24) ca. 30 cm geen hindernissen bevinden (afbeelding 4c). Houd afstand tot de grens van de tuin en tot hoge straatstenen. Als de weg op hetzelfde niveau verloopt als het gazonvlak, dan kunt u de leikabel (24) zonder afstand daartoe leggen.

5.6 Verbinden van het laadstation

Sluit het leggen van de complete leikabel (24) af, voordat u deze verbindt met het laadstation (19). Isoleer de leikabel (24) aan de uiteinden voor de aansluiting aan het laadstation (19) met een isolatietang op een lengte van 10 tot 15 mm.

Trek de netstekker uit, voordat u de leikabel (24) aansluit aan het laadstation (19). Het aan de voorkant van het laadstation (19) gelegde uiteinde van de leikabel (24) moet via de kabelhouders aan de onderkant van het laadstation (19) naar achter worden gelegd. Controleer of dit uiteinde vast aan het laadstation (19) bevestigd en met de linker, zwarte aansluiting verbonden is.

Leid na het leggen van de leikabel (24) het vrije uiteinde door het gat en verbind dit met de rechter, rode aansluiting (afbeelding 4d).

Opgelet! De leikabel (24) mag zich niet kruisen!

Maak vervolgens de verbinding met de stroomtoevoer. De LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) moet na correcte installatie constant groen branden. Wanneer de LED niet brandt, controleer dan eerst de aansluitingen.

Indien de LED weliswaar brandt, maar niet constant groen, lees dan de tabel 'Indicatie laadstation en verhelpen van fouten' aan het einde van deze handleiding.

5.7 Maalgebied - Hindernissen en grenzen van het maaiterrein

5.7.1 Grens van het gazon

Het maalgebied moet een eenduidige en volledig omlopende grens van het gazon bezitten. Maak u vertrouwd met de in dit hoofdstuk beschreven mogelijkheden om een grens van het gazon vast te leggen. Begin ten slotte op een willekeurig punt van de grens van het gazon met de controle daarvan en volg deze in een cirkel, totdat u weer bij het startpunt aankomt.

Bereiken binnen het werkvlak die moeten worden

uitgesloten, moeten eveneens met een eenduidige grens zijn omsloten. Ga daarvoor te werk zoals bij de buitenste grenzen van het maigebied.

• Nauwe punten

Indien het gazonvlak een nauwe doorgang bezit, dan kan uw maairobot daarin werken zolang de corridor een breedte van minstens 1,2 m en een lengte van maximaal 8 m heeft (afbeelding 5a). Bij lange en smalle nauwe punten kan het gebeuren dat de maairobot de weg naar het laadstation (19) niet meer terugvindt.

• Afstand aan de grens van het gazon

Wanneer de maairobot de grens van het gazon nadert, dan wordt dit herkend door de camera-eenheid (15) vooraan in de maairobot. De afstand waarbinnen geen gras meer staat moet minstens 30 cm bedragen (afbeelding 5b). Zorg ervoor dat er geen hoogteverschil bestaat aan de grens van het gazon, opdat de maairobot eerst over de exacte grens heen kan rijden, voordat hij stopt en in een nieuwe richting verder gaat. Dieper gelegen bloembedden of verhoogde steenranden kunnen tot beschadigingen aan de maairobot leiden. Controleer regelmatig of de grenzen van het gazon niet zijn dichtgegroeid, aangezien de maairobot het maalgebied anders kan verlaten. De grens van het gazon kan eveneens worden omrand met straatstenen, waardoor een duidelijke afgrenzing tot de maaizone ontstaat.

- Afstand aan de grens van het gazon met water

In principe herkent de maairobot de grens van het gazon zoals hierboven beschreven betrouwbaar. Het kan echter gebeuren dat de maairobot de grens van het gazon verder overschrijdt, en om die reden bevelen wij een afstand van de grens tot water (vijver, pool enz.) van zo'n 50 cm aan (afbeelding 5c). Om de maairobot betrouwbaar te beschermen valt het alternatief aan te bevelen om het gebied met water te voorzien van een verhoogde omranding.

- Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 25 cm

Via de afstandssensoren (16) herkent de maairobot hindernissen met een minimum hoogte van 25 cm (afbeelding 5d). Daardoor kunt u ook de grens van uw gazon vastleggen met behulp van verhoogde hindernissen. De maairobot stopt op een afstand van circa 20 cm vóór de hindernis en draait om het maaiproces in een andere richting voort te zetten.

NL

Opgelet! - Daardoor maait de robot niet tot aan de grens van het gazon en blijft er een niet gemaaide strook van ca. 20 cm over.

- Grens van het gazon met verhoogde rand hoger dan 10 cm

Via de collisiesensoren kan de maairobot ook botsen op hindernissen lager dan 25 cm. Daarmee kan eveneens een grens van het gazon worden vastgelegd. Houd er rekening mee dat het hierbij een stabiele omranding met een hoogte van minstens 10 cm betreft (afbeelding 5e).

5.7.2 Hindernissen

Hindernissen zijn objecten binnen het bereik van de maaizone. Via de sensoren kan de maairobot tal van hindernissen herkennen. Zachte, instabiele en waardevolle voorwerpen moeten eventueel worden beschermd. Vergelijk daarvoor de hierboven beschreven mogelijkheden om de grens van het gazon af te bakenen.

- Hindernissen met een hoogte van meer dan 25 cm (afbeelding 5f)

Vaste hindernissen hoger dan 25 cm en met een minimum breedte van 3 cm, bijv. bomen, muren, hekken, tuinmeubels enz., worden herkend door de afstandssensoren (16). Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij en zet hij zijn maaiproces voort in een andere richting. Daarbij wordt ca. 20 cm tot een hindernis niet gemaaaid.

- Hindernissen met een hoogte lager dan 25 cm (afbeelding 5g)

Als een hindernis niet door de afstandssensoren (16) wordt herkend, dan botst de maairobot op de hindernis en reageren de collisiesensoren. De maairobot stopt en zet hij zijn maaiproces voort in een andere richting. De hoogte van de hindernissen moet minstens 10 cm bedragen. Bescherm gevoelige en instabiele objecten met een omranding.

- Stenen en hindernissen lager dan 10 cm Stenen, rotsen en hindernissen lager dan 10 cm in het maalgebied moeten worden beschermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maairobot beschadigd raken en blokkeren (zie hoofdstuk 'Grens van het gazon').

Bomen worden door de maairobot beschouwd als hindernissen. Als er echter boomwortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan moet deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot.

5.7.3 Magneetband (afbeelding 5h-j)

Hindernissen die het door de maairobot uitgezonden afstandssignaal slecht kunnen refl ecteren (bijv. afrastering, hekwerk), worden gedeeltelijk niet of pas erg laat herkend. Hindernissen met zwak optisch contrast tot maaivlakken kunnen eveneens moeilijk worden herkend. Voor een contactloze en veilige verandering van richting van de maairobot kan deze zone of het object met de magneetband (27) worden beschermd.

De magneetband (27) dient als mobiele en tijdelijke grens in uw maigebied. De in de maairobot ingebouwde magneetsensoren herkennen de magneetband (27) en draaien aan de grens daarvan weg. Daardoor kunnen delen van de tuin worden afgebakend waar niet naartoe moet worden gere- den, zoals bijv.:

  • Kortstondige afgrenzing van een deel in de tuin voor een tuinfeest, waar tijdelijk niet naar-toe moet worden gereden.
  • Opstellen van een trampoline of zwembad tijdens de zomermaanden in het maaigebied.
  • Een pas geplante boom is nog zeer gevoelig en moet de eerste tijd tegen botsingen met de maairobot worden beschermd.
  • Afhankelijk van het seizoen moet in de tuin een bloembed ontstaan dat insecten aantrekt. In dit deel moet de maairobot niet rijden, en dit moet reeds bij het eerste ontluiken worden beschermd.
  • In een deel werd nieuw gras gezaaid en dit moet aanvankelijk nog worden beschermd. De ondergrond is nog niet stevig genoeg en er moet zich eerst een sterke grasnerf vormen.

Leg de magneetband (27) op een afstand van een paar centimeter rond de betreff ende zone resp. het object. Kort de magneetband (27) indien nodig in (minimale lengte 50 cm). Opdat een samenhangende grens van meerdere magneetbandelementen zeker wordt herkend, mag de maximale afstand tussen de betreff ende uiteinden van 8 cm niet worden overschreden (afbeelding 5k). Zorg ervoor dat de buitengrens van het maaibereik door een optische resp. fysieke afscheiding is vastgelegd. Fixeer de magneetband (27) met bevestigingshaken (23) in de grond op een maximale afstand van 1 m.

Houd een afstand van minstens 80 cm tot de leikabel (24) aan en ook tussen twee onafhankelijke begrenzingsgebieden, opdat de maairobot probleemloos daardoorheen kan rijden (afbeelding 5l). Vermijd het leggen van de magneetband (27) op hellingen, aangezien de maairobot hier over

NL

het begrenzingsbereik heen kan glijden en zo de grens niet wordt herkend. De magneetband (27) kan net zoals de leikabel (24) zowel op de grond als ca. 5 cm diep in de grond worden geïnstalleerd. Let erop dat de magneetband (27) niet te diep in de grond wordt gelegd, aangezien anders een betrouwbare herkenning door de maairobot niet meer kan worden gegarandeerd.

5.7.4 Hoofd- en nevenvlak (afbeelding 5m) Met nevenvlak (B) wordt een werkterrein aangeduid, dat niet rechtstreeks met het hoofdvlak (A), bijv. door een nauw punt, is verbonden. De maairobot kan een nevenvlak niet direct en zelfstandig bereiken.

Om het nevenvlak (B) te kunnen maaien moet u de maairobot met de hand daarnaartoe (B) dragen. De maairobot moet via de hoofdschakelaar (7) zijn ingeschakeld. Start daar de maairobot door de toets 'START A/B' (64) 5 sec. in te drukken. Sluit vervolgens de afdekking van het bedieningsveld (13). De nevenvlak-modus is geactiveerd en de status-LED (52) knippert groen. De maairobot zal in het nevenvlak (B) niet probe-ren om naar het laadstation (19) terug te rijden, wanneer de laadtoestand van de accu laag is. De maairobot maait, tot de accu is uitgeput. Daarna moet ofwel de accu geladen of de maairobot terug naar het laadstation (19) gedragen worden.

Opgelet!

De maairobot mag zich maximaal 1000 m van het laadstation (19) verwijderen, anders brandt de GNSS-LED (54) geel kan hij niet worden ingezet in de hoofdvlak-modus. Voor het bedrijf in de nevenvlak-modus is de afstand tot het laadstation (19) niet relevant.

Houd een afstand tot vreemde maaivlakken (bijv. van buren), waar met een begrenzingsdraad wordt gewerkt. Het door de begrenzingsdraad gegenereerde signaal kan een probleem vormen als de maairobot zijn weg naar het laadstation (19) terug probeert te vinden.

5.8 GNSS-module

5.8.1 Positie van het laadstation kalibreren

Opdat de maairobot weer de weg terugvindt naar de zoeklus en het laadstation (19), moet hij de positie van het laadstation (19) kalibreren met behulp van een globale satellietnavigatie (GNSS).

Daartoe zet u de operationele maairobot met ingeschakelde hoofdschakelaar (7) in het laadstation (19). Tijdens het kalibratieproces knippert de GNSS-LED (54) groen en deze brandt ononderbroken groen als het proces succesvol is afgesloten. Dit proces kan enkele minuten beslag nemen. Zorg ervoor dat geen afscherming of overdekking de bepaling van de positie verhindert. Plaats het laadstation (19) niet naast hoge gebouwen. Houd voldoende afstand tot hoge gebouwen en bomen. In sommige gevallen is hier een kalibratie omwille van een slechte dekking van het signaal niet mogelijk.

5.8.2 In kaart brengen

Als de maairobot moet terugkeren naar het laadstation (19), dan bepaalt hij met behulp van de GNSS-module zijn afstand tot het laadstation (19). Als de maairobot op weg naar het laadstation (19) stuit op een grens van de tuin of op hindernissen, dan slaat de maairobot zijn positie op en wordt het maaiterrein in kaart gebracht. Zo vindt de maairobot bij verder gebruik sneller de weg terug naar het laadstation (19).

5.8.3 In kaart brengen verwijderen

Om alle GNSS-informatie op uw maairobot te verwijderen schakelt u deze via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF). Houd de vergrendelingstoets (62) ingedrukt en schakel de maairobot gelijktijdig via de hoofdschakelaar (7) in (ON). De maairobot bevestigt de verwijdering door een akoestisch signaal. Daarna moet de maairobot in het laadstation (19) opnieuw worden gestart, om de positie van het laadstation nieuw te kalibreren. Mocht u aan de tuin grotere aanpassingen van het maaiterrein uitvoeren, dan valt het aan te bevelen om datgene wat de maairobot in kaart heeft gebracht te verwijderen. Vooral in hete zomermaanden kunnen een groot aantal gele plekken op het gazon de werkwijze van de maairobot beïnvloeden. Wij bevelen aan om dan het automatisch bedrijf uit te schakelen en het apparaat in de nevenvlak-modus op de gewenste plaatsen van de tuin in te zetten. Dit kan eveneens tot vervalsing van het in kaart gebrachte terrein leiden, waardoor de maairobot niet meer juist kan werken. Verwijder in dit geval het in kaart gebrachte terrein.

NL

5.9 Grenzen van de tuin en de kwaliteit daar- van

Om het betrouwbare bedrijf van uw maairobot zonder een begrenzingsdraad te garanderen controleert deze de grenzen van het maaigebied met de camera-eenheid (15). De camera-eenheid (15) analyseert het ervoor gelegen maaiterrein (ca. 1m²). Als de maairobot stuit op een grens van het maaigebied, dan kan hij aan de hand van parameters een grenswaarde van de kwaliteit berekenen.

5.9.1 Initialiseringsrit - Inbedrijfstelling

Zorg ervoor dat de accu van de maairobot aan het begin van de initialiseringsrit volledig is geladen. Zo kan de maairobot de bepaling van een referentiewaarde in één rit afsluiten. Als één acculading niet volstaat voor de initialiseringsrit, dan rijdt de maairobot zelfstandig terug naar het laadstation (19) en zet hij zijn rit na een laadproces automatisch voort.

Voor de bepaling van de betrouwbaarheid van de grenzen van het maaiterrein moet voor de inzet van de maairobot voor elke zone een individuele referentiewaarde worden vastgelegd.

Om de referentiewaarde te bepalen beweegt de maairobot zich zoals gewoonlijk binnen het maalgebied in een willekeurige richting. Als de maairobot op een grens of een hindernis stuit, dan stopt hij en evalueert het voor hem liggende maaiterrein. Vervolgens beweegt de maairobot zich in een toevallige richting voort. Om veiligheidsredenen gebeurt de initialiseringsrit met uitgeschakeld maaiwerk.

Als de maairobot stuit op een grens van het maai- terrein, dan wordt dit geëvalueerd en de leikabel- LED (56) licht op. Daarbij signaleert groen een betrouwbare grens van het maalgebied en geel een onzekere grens. De maairobot geeft de kwaliteit van een grens van het gazon zowel tijdens de initialiseringsrit als tijdens het automatisch bedrijf aan.

Voor een betrouwbare bepaling van de referentiewaarde zijn minstens 200 contacten met een grens van de maaizone nodig. Na meer dan 200 contacten wordt de kwaliteitswaarde van de grens gecontroleerd op zijn betrouwbaarheid. Als de maairobot beslist dat de waarde nog niet betrouwbaar genoeg is, dan zet hij zijn initialiseringsrit nog eens 200 contacten voort.

Als de initialiseringsrit succesvol was en een betrouwbare kwaliteitswaarde van de grens kon worden vastgesteld, dan begint de maairobot het maalgebied conform de instelling van zijn maaitijden te maaien.

Als er geen betrouwbare referentiewaarde kon

worden vastgelegd, dan stopt de maairobot en knippert de leikabel-LED (56) rood. Controleer de grenzen van het maaibereik en corrigeer grenzen die niet eenduidig van de maaizone kunnen worden onderscheiden. Zorg ervoor dat het maaigebied zich duidelijk onderscheidt van de omgeving daarvan. Verwijder eerst de opgeslagen referentiewaarde (zie 5.9.4), om vervolgens de initialisering te herhalen.

5.9.2 Controle van de kwaliteit van de grens tijdens het bedrijf

In het automatisch bedrijf van de maairobot controleert deze in regelmatige intervallen of de huidige kwaliteitswaarde van de grens van de maaizone in vergelijking met zijn referentiewaarde is veranderd. Zodra de maairobot zich in het laadstation (19) bevindt wordt via de leikabel-LED (56) de betreff ende status, die van de als laatste vastgelegde referentie-kwaliteitswaarde van de grens, weergegeven. Daarbij wordt deze vergeleken met de in de initialiseringsrit vastgelegde grenswaarde.

Leikabel-LED (56) brandt groen:

De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of in de buurt van een zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is gering.

Leikabel-LED (56) knippert geel:

De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is verslechterd.

Leikabel-LED (56) knippert rood:

De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is te groot. De maairobot blijft in het laadstation (19). Controleer de grenzen het maaiterrein. Verwijder daarna de referentie-waarde (zie 5.9.4) en voer en nieuwe initialisering van de kwaliteitswaarde van de grens uit.

Leikabel-LED (56) is uit:

  • De leikabel (24) is niet juist aangesloten of werd beschadigd.
  • De stroomtoevoer van het laadstation (19) werd onderbroken.
    • De maairobot bevindt zich buiten de zoeklus.

NL

5.9.3 Bedrijf van de maairobot in nevenvlakken

De maairobot kan een individuele waarde voor het hoofdvlak en het nevenvlak aanmaken. Daarom is het nodig om op elk nieuw nevenvlak een initia- liseringsrit uit te voeren. Het is alleen toegestaan om de maairobot in te zetten op één nevenvlak. Indien u met de maairobot wilt maaien op een ander nevenvlak, dan is het dwingend noodzakelijk om de kwaliteitswaarde van de grens voor het nevenvlak te verwijderen en een initialiseringsrit uit te voeren.

5.9.4 Verwijderen van de waarden

Na een langere maaipauze kunnen de kwaliteitswaarden van de grens zijn veranderd, hetgeen kan leiden tot fouten in het aanstaande seizoen. Daarom wordt aanbevolen om de kwaliteitswaarde van de grens aan het begin van elk seizoen te verwijderen en een nieuwe referentiewaarde vast te leggen. Daardoor kan een veilig en betrouwbaar bedrijf van de maairobot worden gegarandeerd.

De maairobot moet zich in de geblokkeerde toestand bevinden. Daarbij knippert de vergrendelings-LED (51) permanent rood. Om de maairobot te blokkeren drukt u op de vergrendelingstoets (62). Om de opgeslagen waarden voor de betreffende vlakken te verwijderen gaat u als volgt te werk:

  1. Referentiewaarde van het hoofdvlak (A): Druk 3 seconden gelijktijdig op de toets 'OK' (63) en de toets '10H' (60). Er weerklinkt een akoestisch signaal. Plaats de maairobot in het laadstation (19) en start hem opnieuw om een nieuwe initialiseringsrit uit te voeren.

  2. Referentiewaarde van het nevenvlak (B): Druk 3 seconden gelijktijdig op de toets 'OK' (63) en de toets '8H' (60). Er weerklinkt een akoestisch signaal.

5.10 Inschakelen en controleren van de installatie

5.10.1 Controle van de installatie van leikabel en laadstation (afbeelding 6a)

Zodra de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied voorbereid voor de maairobot. Controleer eerst of de bevestigingsshaken (23) aan de leikabel (24) goed in de grond zijn geslagen.

Zet de maairobot op een geringe afstand achter het laadstation (19) in de zoeklus om in de mate van het mogelijke de complete afstand van de leikabel (24) te controleren. De maairobot mag zich daarbij nog niet op de leikabel (24) bevinden en moet daarnaar toegekeerd staan. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON) (afbeelding 8).

Druk op de 'STOP'-toets (3) en open de afdekking van het bedieningsveld (13). Druk op de vergrendelingstoets (62), deblokkeer de maairobot met behulp van de PIN en bevestig de invoer met de toets 'OK' (63) (zie hoofdstuk 'Blokkeerinrichting / PIN').

Druk op de toets 'HOME' (61). Sluit vervolgens de afdekking van het bedieningsveld (13). Nu gaat de maairobot op zoek naar de leikabel (24) om de weg terug naar het laadstation (19) te vinden. Daarbij rijdt hij eerst naar voor, tot de maairobot bij de leikabel (24) is aangekomen. Eventueel kan de maairobot daarvoor kort stoppen om zich opnieuw te oriënteren. Daarna volgt de maairobot de leikabel (24) tegen de klok in. Let erop dat er geen voorwerpen op de leikabel (24) liggen.

De accu van de maairobot wordt nu volledig geladen. Indien er problemen optreden bij het aandokken, dan kan het zijn dat u de uitrichting van het laadstation (19) opnieuw moet positioneren, tot het aandokken zonder problemen functioneert. Met de rode 'STOP'-toets (3) kunt u de maairobot op elk moment stoppen. Na het activeren van de 'STOP'-toets (3) wordt de maairobot gestopt en wacht hij op verdere commando's. Controleer bovendien plekken met grotere afstand tot de zoeklus of door nauwe plekken verbonden zones. Herhaal het proces zoals hierboven beschreven en stuur de maairobot met de toets 'HOME' (61) terug naar het laadstation (19).

5.10.2 Controle van het maaiterrein (afbeelding 6b)

Om de grenzen van de maaizone te controleren loopt u langs de grens van het gazon en controleert u of het maalgebied volledig is omgeven door afgrenzingen resp. hindernissen. Doe dit eveneens voor alle bereiken die moeten worden uitgesloten, zoals bijv. bloembedden, pool, vijver, en controleer of deze op alle plaatsen eenduidig zijn afgegrensd. Op kritieke punten, waarbij u twijfelt of de maairobot deze kan herkennen, valt het aan te bevelen om deze plaatsen te controleren. Daarvoor zet u de maairobot op een afstand van 1 m tot de te controleren plek. Daarbij moet de maairobot naar de te controleren plek zijn toegewend. Controleer eveneens bereiken die zijn beschermd door een magneetband (27). Start vervolgens de ontgrendelde maairobot met de toets 'START A/B' (64). De maairobot rijdt eerst naar voor en moet dan de grens van het gazon of de hindernis herkennen. U kunt het proces op elk moment onderbreken met de 'STOP'-toets (3). Herhaal dit

NL

proces voor alle plaatsen waarbij u twijfels heeft.

5.10.3 Controle van de positie van het laadstation (afbeelding 6c)

Controleer de positie van het laadstation (19) door de maairobot na afgesloten kalibratie op verschillende plekken op het gazon te plaatsen en hem vervolgens het laadstation (19) te laten zoeken. Deblokkeer daartoe de maairobot, druk op de toets 'HOME' (61) en sluit de afdekking van het bedieningsveld (13). U kunt het proces op elk moment onderbreken met de 'STOP'-toets (3). Pas eventueel het bereik, de ligging van de leikabel (24) en de positie van het laadstation (19) aan.

5.11 Bevestiging van het laadstation

Nadat de werking zoals voorgeschreven van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) werd gevonden, moet het station (19) met de bevestigingsschroeven (21) worden gefi xeerd. Draai de bevestigingsschroeven (21) met de zeskantsleutel (22) helemaal in de grond (afbeelding 7).

5.12 Accu-capaciteitsindicatie

Druk op de schakelaar voor accu-capaciteitsindicatie. De accu-capaciteitsindicatie signaleert u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeelding 12b).

De accu is volledig opgeladen.

2 of 1 LED(s) branden:

De accu beschikt over voldoende restlading.

1 LED knippert:

De accu is leeg, laad de accu op.

Alle LEDs knipperen:

De temperatuur van de accu is te laag. Verwijder de accu van het apparaat en laat de accu één dag liggen bij ruimtetemperatuur. Als de fout opnieuw optreedt, dan werd hij diep ontladen en is hij defect. Neem de accu van het apparaat. Een defecte accu mag niet meer gebruikt resp. geladen worden.

Opgelet!

Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan altijd in op de hogere capaciteit. Dankzij de spaarzame lading en ontlading bij de maairobot is het niet noodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlengen.

5.13 Laden van de accu met de lader

Tijdens het normale bedrijf wordt de accu (A) van de maairobot geladen via het laadstation (19). Voor de onafhankelijke inzet van de accu (A) van de Power-X-Change serie kan deze ook in de externe lader Power-X-Charger worden geladen. Opgelet! – De lader (B) kan al naargelang van de variant van het model eventueel niet zijn meegeleverd.

  1. Vergelijk of de op het typeplaatje vermelde netspanning overeenstemt met de beschikbare netspanning. Steek de netstekker van de lader (B) in de contactdoos. De groene LED begint te knipperen.
  2. Steek de accu (A) op de lader (B) (afbeelding 12a).
  3. Onder het punt 'Indicatie lader' vindt u een tabel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader.

Tijdens het laden kan de accu iets warm worden. Dit is echter normaal.

Mocht het laden van de accupack niet mogelijk zijn, controleer dan

  • of aan het stopcontact de netspanning aanwezig is.
  • of een foutloos contact aan de laadcontacten voorhanden is.

Indien het laden van de accupack nog altijd niet mogelijk is, dan verzoeken wij u

• delader

• en de accupack

op te sturen aan onze klantendienst.

Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met onze klantendienst of het verkooppunt waar u het apparaat heeft aangekocht.

Zorg er bij de verzending of verwerking van accu's resp. het accu apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden!

In het belang van een lange levensduur van de accupack moet u ervoor zorgen, dat deze op tijd opnieuw wordt opgeladen. Dit is in elk geval noodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt. Ontlaad de accupack nooit helemaal. Dit leidt tot een defect van de accupack!

NL

6. Bediening

6.1 Hoofdschakelaar

De maairobot is uitgerust met een hoofdschakelaar (7). Schakel de maairobot met de hoofdschakelaar (7) in (ON) en uit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschakelen van de maairobot wordt deze met de PIN vergrendeld.

6.2 Bedieningsveld

Via het bedieningsveld (2) kunt u instellingen aan uw maairobot uitvoeren. De geïntegreerde LED-indicatie geeft u informatie over de status van uw maairobot. Maak u vertrouwd met de besturing en de beschikbare opties.

Verklaring van de LEDs van het bedieningsveld (afbeelding 9a)

  1. Tijd-LEDs: indicatie van de dagelijkse maaitijd
  2. Vergrendelings-LED: indicatie van de toetsblokkering
  3. Status-LED: indicatie van de status van de maairobot en van het maaivlak
  4. Regensensor-LED: indicatie of de regensensor heeft gereageerd
  5. GNSS-LED: indicatie van de status van het GNSS-signaal
  6. Accu-LED: indicatie van de toestand van de accu
  7. Leitabel-LED: indicatie van de grenskwaliteit en of er sprake is van een fout van de leikabel
  8. Alarm-LED: indicatie van fouten

Een overzicht van belangrijke statusindicaties vindt u aan het einde van deze handleiding en in het hoofdstuk 'Indicatie van de maairobot en ver- helpen van fouten'.

Verklaring van de toetsopties van het bedieningsveld (afbeelding 9b)

  1. Toetsen voor de instelling van de maaitijd en PIN-invoer

  2. Toets 'HOME'

  3. Vergrendelingstoets
  4. Toets 'OK'
  5. Toets 'START A/B'

6.3 Maaihoogteverstelling

Opgelet! Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk daarvoor op de 'STOP'-toets (3). De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogte tussen 20 en 60 mm mogelijk, die op de schaal kan

worden afgelezen.

Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het tot minstens 60 mm worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer.

Na afsluiting van de installatie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte.

6.4 Blokkeerinrichting / PIN

De blokkeerinrichting verhindert een niet toegestane inzet van de maairobot zonder een geldige code. Daarvoor moet u een persoonlijke veiligheidscode invoeren die bestaat uit vier tekens.

Ontgrendeling

  • Voordat u de maairobot in bedrijf neemt moet u de correcte PIN invoeren (standaard PIN: '1-2-3-4'). Open hiervoor de afdekking van het bedieningsveld (13) en druk op de vergrendelingstoets (62). Voer vervolgens de PIN langzaam in en bevestig de invoer met de toets 'OK' (63). De bedieningsfuncties worden ontgrendeld en de vergrendelings-LED (51) brandt groen.
  • Wanneer u een verkeerde PIN invoert, dan knippert de vergrendelings-LED (51) rood. Druk op de vergrendelingstoets (62) en voer de PIN opnieuw in.

Vergrendeling

Wanneer u het bedieningsveld (2) wilt vergrendelen, druk dan op de vergrendelingstoets (62). De vergrendelings-LED (51) knippert nu ononderbroken rood.

Standaard PIN: Nieuwe PIN:

1234

PIN wijzigen

Om de PIN te wijzigen gaat u als volgt te werk:

  1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).
  2. Druk 3 seconden gelijktijdig op de toets 'OK' (63) en de toets '4H' (60). Er weerklinkt een akoestisch signaal.
  3. Voer een nieuwe PIN (vier tekens) in. Druk op de toets 'OK' (63).
  4. Herhaal stap 3 om de nieuwe PIN te bevestigen.
  5. Opgelet! Noteer de nieuwe PIN!

NL

PIN aanvragen bij verlies

Houd de kwitantie en het serienummer van de maairobot bij de hand. Deze heeft u nodig om uw PIN te ontvangen!

  1. Sluit op de USB-aansluiting (14) zoals afgebeeld een lege USB-stick aan (afbeelding 11).
  2. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).
  3. De maairobot slaat de PUK automatisch op op uw USB-stick en beeindigt het proces met een pieptoon.
  4. Trek de USB-stick eruit. Lees de gegevens op de USB-stick uit op een computer. Door de maairobot werd een tekstbestand (*.txt) aangemaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Wend u tot de klantendienst om uw PIN te ontvangen.

6.5 Instellingen van de maairobot Instelling van de maaitijd

De maairobot is uitgerust met een camera-eenheid (15), die alleen kan werken bij daglicht. Zodra de schemering valt kan de camera-eenheid (15) van de maairobot gazon en grenzen daarvan niet meer betrouwbaar onderscheiden. Daarom keert de maairobot bij invallende schemering automatisch terug naar het laadstation (19). Eventueel wordt hierbij de ingestelde looptijd niet bereikt. Dit is eveneens het geval wanneer de ingestelde starttijd in de schemering of de duisternis liegt. De maairobot verlaat eerst het laadstation (19), keert vervolgens echter aan de leikabel (24) meteen terug naar het station (19). Dit heeft tot gevolg dat de maairobot op deze dag niet werkt.

  1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).
  2. Kies door de toets voor de instelling van de maaitijd (60) in te drukken de gewenste maai- tijd:
    2.1 Door de toets (60) kort in te drukken maait de robot dagelijks. De bijhorende melding volgt door constant branden van de tijd-LED.
    2.2 Door de toets (60) lang in te drukken (6 sec.) maait de robot elke tweede dag. De bijhoren-de melding volgt door knipperen van de geselecteerde tijd-LED.
  3. Deze wordt weergegeven door de tijd-LEDs (50).
  4. Bevestig de instelling door te drukken op de toets 'OK' (63).

De oorspronkelijke duur van het ingestelde maavenster wordt dienovereenkomstig gewijzigd. De huidige starttijd blijft ongewijzigd, waarbij de duur wordt aangepast aan het weergegeven aantal uren.

Voor de instelling van de maaitijd wordt als richtwaarde 8 uur per dag bij 400 m ^2 aanbevolen. Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin moet de gekozen werktijd worden aangepast.

Dagelijkse starttijd terugzetten

Om de dagelijkse starttijd terug te zetten drukt u de toets 'OK' (63) en de toets '6H' (60) gelijktijdig 3 seconden in. Succesvol resetten wordt bevestigd door 5 pieptonen. Start vervolgens de maairobot met de toets 'START A/B' (64) opnieuw. De tijd waarvoor de wijziging werd uitgevoerd, is nu de dagelijkse starttijd. Het weergegeven aantal uren is de dagelijkse werktijd.

Starten

  1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).
  2. Via de toets 'START A/B' (64) kunt u het vlak selecteren waarbinnen de maaier moet werken. Meer informatie over de beide vlakken vindt u in het hoofdstuk 'Inbedrijfstelling' onder het punt 'Maaigebied'.
    2.1 Door kort te drukken op de toets 'START A/B' (64) werkt de maairobot in het hoofdvlak (A). Daarbij brandt de status-LED (52) constant groen.
    2.2 Door lang te drukken op de toets 'START A/B' (64) werkt de maairobot in het nevenvlak (B). Daarbij knippert de status-LED (52) groen.
  3. Sluit de afdekking van het bedieningsveld (13).

De maairobot werkt nu overeenkomstig de instelling van de maaitijd. Tijdens de werktijd wordt de laadtoestand van de accu bewaakt en weergegeven via de accu-LED (55). Zodra de laadtoestand daalt tot 30%, keert de maairobot automatisch terug naar het laadstation (19).

Aanwijzing: voor het bedrijf van de maairobot is een referentiewaarde van de kwaliteitswaarde nodig. Deze wordt bepaald zoals beschreven in het hoofdstuk 'Grenzen van de tuin - Kwaliteitswaarde van de grens', waarom de maairobot aanvankelijk begint met uitgeschakeld maaiwerk. Als de waarde eenmaal werd vastgelegd, dan begint de maairobot met het startproces volgens de ingestelde maaitijd.

Afbreken van het maaien

  1. Druk op de 'STOP'-toets (3) om de maairobot meteen te stoppen.
  2. Open de afdekking van het bedieningsveld (13) volledig.

NL

  1. Ontgrendel het bedieningsveld (2).
  2. Druk op de toets 'HOME' (61) om de maairobot terug te sturen naar het laadstation (19).
  3. Sluit de afdekking van het bedieningsveld (13).
  4. Nu gaat de maairobot op zoek naar de leikabel (24) om de weg terug naar het laadstation (19) te vinden. Daarbij rijdt eerst een paar meter naar voor en stopt weer om zich nieuw te oriënteren. Dit gebeurt zo lang, tot de maairobot is aangekomen bij de leikabel (24). Daarna volgt de maairobot de leikabel (24) tegen de klok in. Let erop dat er geen voorwerpen op de leikabel (24) liggen.

'STOP'-status:

Door op de 'STOP'-toets (3) te drukken schakelt de maairobot in een 'STOP'-status, die wordt weergegeven door de in volgorde knipperende tijd-LEDs (50). De maairobot stopt met maaien, tot deze status weer wordt opgeheven.

De 'STOP'-status kan als volgt worden opgeheven:

  • Deblokkering van de maairobot en drukken op de toets 'START A/B' (64) om de maairobot weer te laten maaien. Sluit de afdekking van het display (25).
  • Deblokkering van de maairobot en drukken op de toets 'HOME' (61) om de maairobot terug te sturen naar het station. Sluit de afdekking van het display (25).
  • Deblokkering van de maairobot en sluiten van de afdekking van het display (25) binnen 5 seconden.
  • Deblokkering van de maairobot en drukken op de vergrendelingstoets (62).

7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen

Gevaar!

Vóór alle reinigings- en onderhoudswerkzaamheden moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekker uit de contactdoos moet trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uitschakelt (OFF) (afbeelding 8). Neem bovendien de accu (A) uit de maairobot (afbeelding 3b).

Voorzichtig! Werkhandschoenen dragen!

7.1 Reiniging

- Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventilatiespleten en het motorhuis zo veel mogelijk

vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doek af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon.

  • De maairobot mag niet met stromend water, vooral niet onder hoge druk, worden gereinigd.
  • Reinig het apparaat regelmatig met een vochtige doek en wat groene zeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zouden kunnen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat terecht kan komen.
    • Maak de maairobot indien mogelijk schoon met een borstel of doek.
  • Controleer de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11).
  • Gebruik voor de reiniging van de laadcontacten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer fijn schuurpapier. Maak deze schoon om een efficiënt laadproces te garanderen.

7.2 Onderhoud

  • Controleer regelmatig de lens van de camera-eenheid (15) op vervuilingen en reinig deze. De lens kan met name door regenval worden vervuild. Gebruik daarvoor geen agressieve reinigings- of oplosmiddelen.
  • Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingsschroeven moeten altijd per set worden vervangen.
    • Vervang versleten of beschadigde delen.
  • Voor een lange levensduur moeten alle schroefdelen en de wielen en assen schoongemaakt en vervolgens met olie gesmeerd worden.
  • De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig wordt gemaaid.
  • De het sterkst aan slijtage onderhevige componenten zijn de klingen (10). Controleer regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging daarvan. Als er overmatige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd zijn resp. door stoten werden vervormd. Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan moeten deze meteen worden vervangen.
  • Controleer regelmatig het maapatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen niet zuiver afgesneden. Daardoor kan het gras aan het oppervlak licht uitdrogen en verdort het. Vervang daarom de klingen re-

NL

gelmatig, opdat u een zuiver en recht maaire- sultaat verkrijgt.

  • Controleer de onderkant van de maairobot regelmatig op vervuilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigingen onmiddellijk.
  • In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als daarvoor met een conventionele grasmaaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controleer daarom de onderkant van uw maairobot gedurende deze periode vaker.
  • Verkort het gras om een sterke verontreiniging te vermijden slechts in kleine stappen.
  • Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhouden onderdelen.

7.2.1 Vervangen van de klingen

Gebruik alleen originele klingen, aangezien anders functie en veiligheid niet zijn gegarandeerd. De maairobot is uitgerust met drie aan een messenschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maximaal 3 maanden (wanneer er geen hindernissen worden getroff en). Vervang alle drie klingen (10) gelijktijdig om uit te sluiten dat de effi ciëntie en balans van uw apparaat negatief wordt beïnvloed.

Om de klingen (10) te vervangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 10) - Opgelet! - Handschoenen dragen:

  1. Blokkeer met een schroevendraaier de rotatie van de messenschijf (11). Steek hiervoor de schroevendraaier door de voorziene gaten in de schijf (11) en de beschermkam.
  2. Draai de bevestigingsschroeven los.
  3. Neem de klingen (10) eraf en vervang deze door nieuwe. Vervang alle drie klingen (10) altijd per set.
  4. Daarna draait u de bevestigingsschroeven weer vast. Let erop dat de nieuwe klingen (10) vrij kunnen worden gedraaid.

Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verzamel alle opgezamelde resten. Vóór elk begin van een seizoen de toestand de klingen (10) absoluut controleren. Wend u bij reparaties tot onze klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.

7.2.2 Software update

Wanneer u de software wilt updaten, kopieer dan de nieuwe software op een lege USB-stick (eventueel de USB-stick eerst formatteren). Zorg ervoor dat de accu volledig is geladen, voordat u de volgende stappen uitvoert.

  1. Zet de ingeschakelde maairobot op het te maaien terrein. De maairobot mag zich bij de software update niet in het laadstation (19) bevinden.
  2. Sluit op de USB-aansluiting zoals afgebeeld een USB-stick aan (afbeelding 11).
    3.1 De maairobot installeert nu de beide bestanden na elkaar. Alternatief kunnen de bestanden afzonderlijk worden geüdated. Schakel hiervoor de maairobot eerst via de hoofdschakelaar uit (OFF).
    3.2 Systeem update (voorbeeld bestandsnaam: CMK_3100.1.2.3.4.bin): Druk op de toets '4H' van de instelling van de maaitijd (60) en schakel de maairobot gelijktijdig via de hoofdschakelaar (7) in (ON).
    3.3 Camera update (voorbeeld bestandsnaam: Camera_1.2.3.4.bin): Druk op de toets '10H' van de instelling van de maaitijd (60) en schakel de maairobot gelijktijdig via de hoofdschakelaar (7) in (ON).
  3. Tijdens het update proces knipperen de tijd-LEDs (50).
  4. Na afsluiting van het proces geeft de maai-robot ononderbroken een pieptoon weer. Als het proces succesvol was, dan branden alle 4 tijd-LEDs (50) continu. Als het proces niet kon worden afgesloten, dan doven alle 4 tijd-LEDs (50) en moet u de software update herhalen.
  5. Trek de USB-stick eruit en start de maairobot via de hoofdschakelaar (7) opnieuw.

7.2.3 Reparatie van de leikabel

Isoleer eerst het laadstation (19) van de stroomtoevoer. Als de leikabel (24) op een bepaald punt wordt doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinders (25). Daarvoor steekt u beide uiteinden van de doorgesneden leikabel (24) in de kabelverbinder (25) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controleer vervolgens aan de hand van de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) de werking.

NL

7.3 Bestelling van onderdelen:

Gelieve bij de bestelling van onderdelen de volgende gegevens te vermelden:

• Type van het apparaat
• Artikelnummer van het apparaat
• Ident.-nummer van het apparaat
- Onderdeelnummer van het benodigde onderdeel

Actuele prijzen en info vindt u op www.Einhell-Service.com

Reserve klingen art.-nr.: 34.140.20

8. Opslag

Laad de accu (A) vóór opslag gedurende de winter volledig op en schakel de maairobot via de hoofdschakelaar (7) uit (OFF). Neem de accu (A) uit het apparaat. Isoleer de voedingseenheid (20) van de stroomtoevoer en het laadstation (19).

De leikabel (24) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er echter wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd tegen corrosie. Isoleer daartoe de aansluitingen van de leikabel (24) van het laadstation (19).

Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrije en voor kinderen ontoegankelijke plaats. De optimale opslagtemperatuur ligt tussen 5 °C en 30 °C. Bewaar het apparaat in de originele verpakking.

9. Transport

  • Schakel het apparaat uit via de hoofdschakelaar (7) (OFF) (afbeelding 8).
  • Breng, indien voorhanden, transportbeveiligingen aan.
  • Bescherm het apparaat tegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen.
  • Beveilig het apparaat tegen wegglijden en kantelen.
  • Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht.

10. Verwerking en recycling

Het apparaat zit in een verpakking om transportschade te voorkomen. Deze verpakking is een grondstof en bijgevolg herbruikbaar of kan in de grondstofkringloop worden teruggebracht. Het apparaat en het toebehoren bestaan uit verschillende materialen, zoals bijv. metaal en kunststof. Defecte apparaten horen niet thuis bij het huisvuil. Voor de deskundige verwerking moet het apparaat worden ingeleverd bij een erkend inzamelpunt. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren.

Afvalverwijdering

EINHELL FREELEXO CAM 350 - Afvalverwijdering - 1

Elektrische gereedschappen, accu's, accessoires en bijbehorende verpakkingen moeten op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled.

Gooi elektrische gereedschappen, accu's en batterijen niet bij het huisvuil, maar breng ze naar een inzamelpunt.

Alleen voor landen binnen de EU: Volgens de Europese richtlijn 2012/19/EU inzake afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, en de implementatie hiervan in nationaal recht, moeten niet bruikbare elektrische gereedschappen op een voor het milieu verantwoorde wijze worden ingezameld en gerecycled. Volgens de Europese richtlijn 2006/66/EG moeten defecte of verbruikte accu's/batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden gerecycled. Bij een verkeerde afvoer kunnen afgedankte elektrische en elektronische apparaten vanwege de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen schadelijke uitwerkingen op het milieu en de gezondheid van mensen hebben.

Nadruk of andere reproductie van documentatie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltelijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van Einhell Germany AG.

Technische wijzigingen voorbehouden.

NL

11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten

LED-indicatie (19a)Beschrijving Oplossing
Uit - Geen stroomtoevoer. - Controleer de stroomtoevoer.
Brandt groen - Gereed om te maaien.- Accu volledig geladen.- Leikabel (24) aangesloten.
Knippert groen - Leikabel (24) doorgesneden. - Onderzoek de leikabel (24) op een breuk.
Brandt rood - Accu wordt geladen. - Wacht tot de accu volledig is geladen.

12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten

Regensensor-LED (53)Beschrijving / Mogelijke oorzaakOplossing
Knippert geel - De regensensor (5) heeft gereageerd.- Wacht tot de maairobot droog is.- Een gedetailleerde beschrijving van de sensor kan worden nagelezen in hoofdstuk 5.2.
GNSS-LED (54)Beschrijving / Mogelijke oorzaakOplossing
Knippert groen - De maairobot zoekt naar een GNSS-verbinding en kalibreert de positie van het laadstation (19).- GNSS-signaal zwak.- Wachten tot de kalibratie is afgesloten.- Als de GNSS-LED (54) ononderbroken knippert, dan is het ontvangen signaal zeer zwak (afscherming door gebouw/boom) en moet de positie van het laadstation (19) worden aangepast.
Brandt groen - De maairobot heeft de positie van het laadstation (19) met behulp van GNSS gekalibreerd.- GNSS-signaal sterk.- Maairobot gereed.
Knippert geel - Geen GNSS-signaal beschikbaar.- Zorg ervoor dat de maairobot zich in de openlucht bevindt en het GNSS-signaal niet wordt afgeschermd.
Brandt geel - De maairobot is te ver verwijderd van het laadstation (19).- Breng de maairobot naar het maagebied in de buurt van het laadstation (19). Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.
Brandt rood - Hardware fout van de GNSS-module.- Wend u tot de klantendienst.

NL

Accu-LED (55)Beschrijving / Mogelijke oorzaakOplossing
Brandt groen - Accu volledig geladen. - Maairobot gereed.
Brandt rood - Laadtoestand van de accu laag.- De maairobot rijdt naar het laadstation (19) om de accu op te laden.
Knippert groen - Accu wordt geladen. - De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) en wordt geladen.
Knippert rood Accufout:- Er is een accufout opgetreden bij de maairobot.- De accu kan niet worden geladen.- De accu heeft het einde van zijn levensduur bereikt.- Controleer of de accu juist werd gemon-teerd.- Controleer of de hoofdschakelaar (7) is ingeschakeld (ON), terwijl de maairobot zich in het laadstation (19) bevindt.- Controleer de positie van het laadstation (19). Vervang indien nodig de accu.
Brandt geel Overtemperatuurfout:- Te hoge/lage accutemperatuur resp. overtemperatuur van de besturing.- Bij een accutemperatuur hoger dan 65 °C keert de maairobot terug naar het laadstation (19).- Bij een accutemperatuur hoger dan 45 °C of lager dan 0 °C wordt het laadproces gestopt en wacht de maairobot aan het laadstation (19).- Kies de werktijd in de zomer in de vroege ochtenduren en vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag.- Na het afkoelen van de accu resp. de besturing tot binnen het toegelaten temperatuurbereik keert de maairobot automatisch terug naar het geprogrammeerde bedrijf.

NL

Leikabel-LED (56)Beschrijving / Mogelijke oorzaakOplossing
Brandt groen De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of in de buurt van een zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is gering.- Maairobot gereed.
Knippert geel De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is verslechterd.Maairobot gereed. Controleer eventueel de grenzen van het maaiterrein, aangezien deze nog verder kunnen verslechteren. Daardoor kan de maairobot dan niet meer werken.
Knippert rood De maairobot bevindt zich in het laadstation (19) of binnen de zoeklus en de afwijking tot de referentie-kwaliteitswaarde is te groot. De maairobot blijft in het laadstation (19).Controleer de grenzen het maaiterrein. Verwijder daarna de referentiewaarde en voer en nieuwe initialisering van de kwaliteitswaarde van de grens uit.
Brandt rood Camerafout:De maairobot ontvangt geen signaal van de camera-eenheid.Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.
Uit - De leikabel (24)werd be-schadigd.- De stroomtoevoer van het laadstation (19) werd onderbroken.- De maairobot bevindt zich buiten de zoeklus.Controleer of de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen brandt.- Zorg ervoor dat de leikabel (24) correct en in het midden onder het laadstation (19) is gelegd.- Controleer de positie van het laadstation (19).

NL

Alarm-LED (57)Beschrijving / Mogelijke oorzaakOplossing
Brandt geel Maaier opgetild:- Hefsensor heeft continu 10 seconden lang gereageerd.Maaier geblokkeerd:- Hindernissensor binnen één minuut meermaals geactiveerd.- Hindernissensor 10 seconden ononderbroken geactiveerd.- Hindernissensor tijdens de rit terug naar het laadstation (19) driemaal geactiveerd.Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdekking van het bedieningsveld (13) te openen.Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Indien deze fout vaker optreedt, controleerdan het maaiterrein op hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm en verwijder deze, of scherm de hindernissen af van het maaigebied.Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdekking van het bedieningsveld (13) te openen.Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Controleer of de maairobot door een hindernis geblokkeerd of tussen bomen, struiken enz. ingeklemd is. Elimineer de hindernis of vermijd deze zone.- Indien deze fout vaker optreedt, controleerdan het maaiterrein. Let met name op nauwe hoeken, doorgangen, hekken, rot-sen enz.- Controleer of het gras te hoog is en de maairobot wordt geblokkeerd. Maai het gras in dit geval tot onder 60 mm.
Te dicht bij station:- Maairobot werd te dicht bij het laadstation (19) terug-gestuurd.Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdekking van het bedieningsveld (13) te openen.Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- De maairobot moet met een minimum afstand van 2 m terug naar het laadstation (19) worden gestuurd.
Omgevallen:- Maairobot werd 10 seconden continu gekanteld.- Maairobot is gedurende langere tijd in één richting geheld.Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdekking van het bedieningsveld (13) te openen.Start het maaiproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Zet de maairobot op een vlakke onder-grond en start hem opnieuw.- Indien de maairobot vanwege een steile helling in het maaigebied is gekanteld, baken deze zone dan af, zodat sterke hel-lingen worden vermeden.

NL

Alarm-LED (57)Beschrijving / Mogelijke oorzaakOplossing
Brandt geel Wielfout:- Achterwielen (8) werden op-getild door een hindernis.- Achterwielen (8) kunnen zich door oneff en gazon vrij draai-en.‘STOP’-knop fout:De afdekking van het bedie-ningsveld (13) is geopend en een toets van het veld (2) werd ingedrukt, maar de ‘STOP’-toets (3) werd niet geactiveerdBuiten gebied:De maairobot herkent geen gazonvlak of grens van het gazon en bevindt zich daarbij buiten het maalgebied.Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek-king van het bedieningsveld (13) te openen.Start het maalproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Zet de maairobot op een vlakke onder-grond en start hem opnieuw.Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek-king van het bedieningsveld (13) te openen.Start het maalproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Controleer of de afdekking van het bedie-ningsveld (13) met de ‘STOP’-toets (3) vrij kan worden geopend en gesloten.- Controleer de functionaliteit van de ‘STOP’-toets (3).Druk op de ‘STOP’-toets (3) om de afdek-king van het bedieningsveld (13) te openen.Start het maalproces via het bedieningsveld (2) opnieuw:- Zorg ervoor dat de maairobot zich in het maalgebied bevindt.
Brandt rood Sensorfout:- De maairobot werd gestopt op grond van een sensorfout.Motorfout / Motoroverstro-om:- De maairobot is op grond van een overstroom in de motor of een motorfout ge-stopt.Bedrijfsfout- De maairobot werd gestopt op grond van een bedrijfs-fout.Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.- Controleer de hoogte van het gras in het maalgebied en maai indien nodig met een conventionele grasmaaier het gras tot kor-ter dan 60 mm.- Verhoog de snijhoogte. Begin altijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte.- Onderzoek de messenschijven (11) en wielen op vervuiling en reinig deze gron-dig.- Controleer de achterwielen en de mes-senschijf op blokkades. Indien u deze blokkades niet kunt elimineren, wend u dan tot de bevoegde klantendienst.Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.

NL

Alarm-LED (57)Beschrijving / Mogelijke oorzaakOplossing
Knippert rood Magneetbandsensor-fout:De maairobot ontvangt geen signaal van de magneetband-sensor.Schakel de hoofdschakelaar (7) uit (OFF) en weer in (ON) om de maairobot opnieuw te starten.

Foutopsporing

Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen
De maairobot staat in het maagebied.De maairobot kan niet worden ingeschakeld.- Accuspanning te laag.- Fout aan de stroomkring of de elektronica.- Breng de maairobot terug naar het laadstation (19) om op te laden.- Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON).- Wend u tot de klantendienst.- Controleer de positie van het laadstation (19) en de maximale afstand tot het laadstation (19).- Gebruik een accu met hogere capaciteit.- Opgelet: bij inzet van een multi-Ah-accu (bijv. 4-6 Ah) de hogere capaciteit instellen. Dankzij de spaarzame lading en ont-lading bij de maairobot is het niet noodzakelijk om de lagere capaciteit te gebruiken om de levensduur te verlengen.
De maairobot kan niet in het laadstation rijden.- Laadstation (19) niet correct geinstalleerd.- Controleer of de LED-indicatie (19a) aan het laadstation (19) groen brandt.- Controleer of de leikabels (24) aan het laadstation (19) zijn aangesloten en of de voorste leikabel (24) in het midden onder het station (19) is gelegd.- Controleer of het laadstation (19) correct gepositioneerd.
De maairobot maakt veel lawaai.- Klingen (10) beschadigd.- Aan de klingen (10) hechten veel vreemde materialen.- Maairobot te dicht bij hindernissen gestart.- Mesaandrijving of aandrijf-motor beschadigd.- Andere delen van de maairobot beschadigd.- Vervang de klingen (10). De 3 klingen (10) moeten gelijktijdig worden vervangen.- De effi ciëntie van de maairobot hangt af van de scherpte van de klingen (10). Houd de klingen (10) daarom in goede toestand.- Schakel de maairobot veilig uit en draag werkhandschoenen als u de klingen (10) reinigt, om snijwonden te vermijden.- Laat de motor door de klantendienst repa-reren of vervangen.

NL

Foutopsporing

Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen
De maairobot blijft in het laadstation. De maairobot keert steeds weer terug naar het laadstation.- Verkeerde instellingen van de werktijd.- De laadtoestand van de accu is laag of daalt onder 30%.- De regensensor heeft gereageerd.- De maairobot is oververhit.- Het begint te schemeren, waardoor de camera-eenheid niet meer juist kan functioneren.- Controleer de instellingen van de werktijd.- De maairobot begint en beëindigt zijn werk al naargelang het ingestelde tijdvenster. Buiten dit tijdvenster blijft de maairobot in het laadstation (19).
De maairobot kan het laadstation (19) niet vinden.- Het laadstation (19) bevindt zich op een plaats waar maar een zwak GNSS-signaal wordt ontvangen.- Hindernissen in de onmid-dellijke nabijheid van de lus van de leikabel verhinderen het rijden daarnaartoe.- Pas de positie van het laadstation (19) aan en verwijder zoals beschreven in de bedieningshandleiding het in kaart ge-brachte terrein.- Pas de vorm van de lus van de leikabel aan / Vergroot de lus.

OPGELET! Een doorgesneden leikabel en gevolgschade vallen niet onder de garantie!

Foutopsporing magneetband (27)

Fout Mogelijke oorzaak Verhelpen
Maairobot herkent de magneetband (27) niet en rijdt eroverheen.- De magneetband (27) is te diep in de grond gelegd.- De magneetband (27) functioneert niet goed, omdat de buitentemperatuur te hoog is.- Leg de magneetband (27) op de grond of ca. 5 cm in de grond.- Wacht tot de temperatuur is gedaald. Vermijd de inzet van de maairobot tijdens de hete uren van de dag.
De maairobot stopt resp. rijdt ongecontroleerd in de buurt van begrenzingsbereik.- De magneetband (27) is te dicht bij de leikabel (24) gelegd. De afstand tussen twee onafhankelijke begrenzingsbereiken met magneetband (27) is te gering.- In de maaizone ontstaan er op grond van elektrische kabels storingen.- Houd een afstand van minstens 80 cm tussen de leikabel (24) en de magneetband (27) of tussen twee begrenzingsbereiken aan.- Vermijd elektrische kabels die in het maaigebied lopen. Positioneer het laadstation (19) aan de rand van de maaizone. Houd een afstand tot vreemde maaivlakken (bijv. van buren), waar met een begrenzingsdraad wordt gewerkt.
De maairobot dringt binnen in het begrenzingsbereik.- De maairobot glijdt over de magneetband (27).- Leg de magneetband (27) niet op hellingen.- Neem de vermelde installatievoorwaarden in acht.

NL

13. Privacyverklaring FREELEXO CAM

Einhell Germany AG verheugt zich over uw inzet van de FREELEXO CAM maairobot. De bescherming van uw persoonlijke gegevens gaat ons nauw aan het hart. In wat volgt beschrijven wij welke gegevens in het algemeen worden verwerkt bij de inzet van het apparaat.

• Locatie van het laadstation

De maairobot slaat lokaal aan het apparaat de via GNSS-positiebepaling vastgestelde standplaats van het laadstation op. Deze is nodig om het apparaat na afsluiting van de maaiwerkzaamheden terug te navigeren naar het laadstation resp. de leikabel. In het geval van service kan deze informatie via het logfi le fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

• Tijdstip zonsopgang/zonsondergang

De maairobot slaat lokaal aan het apparaat het via GNSS-positiebepaling vastgestelde tijdstip van de zonsopgang resp. zonsondergang op. Dit is nodig, opdat het apparaat alleen kan worden gestart binnen een tijdsinterval, waarin de camera-eenheid beelden kan genereren met voldoende helderheid. In het geval van service kan deze informatie via het logfile fysiek worden uitgelezen aan het apparaat.

• Beelden van de camera-eenheid

De maairobot slaat lokaal aan het apparaat beelden op die via de camera-eenheid werden gegenereerd. Dit is systeemafhankelijk noodzakelijk om het algoritme van de maairobot voortdurend te verbeteren. Op de maaier bevinden zich beelden, die tijdens de laatste 15 minuten maaiwerk werden gegenereerd. Deze datarecord wordt voortdurend overgeschreven. Als de maaier zich in het laadstation bevindt resp. daarnaar op zoek is, dan worden er geen beelden gegenereerd. In het geval van service kunnen deze beelden lokaal worden uitgelezen om na te gaan waarom bepaalde fouten zijn opgetreden. Deze beelden worden daarna verwijderd.

U kunt ook zelf zowel de voor de locatie specifieke informatie als de gegenereerde beelden van het apparaat verwijderen. Schakel de maairobot eerst via de hoofdschakelaar uit. Door gelijktijdig te drukken op de vergrendelingstoets (verwijderen van de GNSS-informatie) respectievelijk op de toets 'OK' (verwijderen van de camerabeelden) en het inschakelen van de maairobot via de hoofdschakelaar wordt de betreffende opgeslagen informatie verwijderd. Aan het apparaat weerklinkt een akoestisch signaal, dat de verwijdering bevestigt.

Een uitvoerige documentatie over onze richtlijnen inzake gegevensbescherming vindt u op onze homepage onder Gegevensbescherming.

NL

14. Indicatie lader

IndicatiestatusBetekenis en maatregel
Rode LEDGroene LED
Uit KnippertOperationaliteitDe lader is aangesloten aan het net en operationeel; de accu zit niet in de lader.
Aan Uit LadenDe lader laadt de accu in de snelle laadmodus. De laadduur vindt u direct aan de lader.Aanwijzing! Al naargelang de acculading kan de laadduur iets afwijken van de vermelde tijden.
Uit Aan De accu is opgeladen en operationeel. (READY TO GO)Daarna wordt tot aan de volledige lading omgeschakeld op een bufferla-ding.Laat de accu hiervoor ongeveer 15 min. langer in de lader zitten.Maatregel:Neem de accu uit de lader. Isoleer de lader van het net.
Knippert UitAanpassingsladingDe lader bevindt zich in de modus behoedzame lading.Hierbij wordt de accu om veiligheidsredenen langzamer geladen, hetgeen meer tijd vergt. Dit kan de volgende oorzaken hebben:- De accu werd zeer lange tijd niet meer geladen.- De accutemperatuur ligt niet in het ideale bereik.Maatregel:Wacht tot het laadproces is afgesloten, de accu kan niettemin verder worden geladen.
Knippert Knippert FoutLaadproces is niet meer mogelijk. De accu is defect.Maatregel:Een defecte accu mag niet meer worden opgeladen.Neem de accu uit de lader.
Aan Aan TemperatuurstoringDe accu is te warm (bijv. direct instralend zonlicht) of te koud (onder 0 °C).Maatregel:Neem de accu de lader uit en bewaar hem 1 dag bij kamertemperatuur (ca. 20 °C).

NL

Service-informatie

Wij werken in alle landen die in het garantiebewijs zijn genoemd, samen met competente servicepartners, wier contactgegevens u kunt afleiden uit het garantiebewijs. Deze staan voor alle diensten zoals reparatie, het verschaffen van wisselstukken of slijtdelen of voor de aankoop van verbruiksmaterialen te uwer beschikking.

U moet er rekening mee houden dat bij dit product de volgende delen onderhevig zijn aan een slijtage door gebruik of een natuurlijke slijtage, resp. dat de volgende delen nodig zijn als verbruiksmaterialen.

Categorie Voorbeeld
Slijstukken* Accu
Verbruiksmateriaal/verbruiksstukken* Klingen
Ontbrekende onderdelen

* niet verplicht bij de leveringsomvang begrepen!

Bij gebreken of defecten verzoeken wij u om de fout te melden op het internet onder www.Einhell-Service.com. Gelieve te zorgen voor een nauwkeurige beschrijving van de fout en daarbij in elk geval de volgende vragen te beantwoorden:

  • Heeft het toestel reeds eenmaal gewerkt of was het vanaf het begin defect?
  • Is u iets opgevallen voordat het defect zich voordeed (symptoom vóór het defect)?
  • Welke foutieve werkwijze vertoont het toestel volgens u (hoofdsymptoom)?
    Beschrijf deze foutieve werkwijze.

NL

Garantiebewijs

Geachte klant,

onze producten worden onderworpen aan een strenge kwaliteitscontrole. Mocht dit apparaat echter ooit niet naar behoren functioneren, dan spijt dat ons ten zeerste en vragen wij u om zich tot onze servicedienst onder het adres vermeld op dit garantiebewijs te wenden. Wij staan ook graag telefonisch tot uw dienst op het vermelde service-nummer. Voor het indienen van garantieclaims geldt het volgende:

  1. Deze garantievoorwaarden zijn uitsluitend gericht aan de gebruikers, d.w.z. natuurlijke personen die dit product niet in het kader van hun ambachtelijke noch van een andere zelfstandige activiteit willen gebruiken. Deze garantievoorwaarden regelen aanvullende garantieprestaties, die de hieronder genoemde fabrikant kopers van zijn nieuwe apparaten toezegt in aanvulling tot de wettelijke garantie. Uw wettelijke rechten op garantie blijven onaangetast door deze garantie. Onze garantieprestatie is voor u kosteloos.

  2. De garantie geldt uitsluitend voor gebreken aan het door u binnen de Europese Unie aangekochte nieuwe apparaat van de hieronder genoemde fabrikant die berusten op een materiaal- of productiefout, en is naar onze keuze beperkt tot het verhelpen van een dergelijk gebrek of de vervanging van het apparaat. Wij wijzen erop dat onze apparaten overeenkomstig hun doelmatig gebruik niet zijn ontworpen voor commerciële, ambachtelijke of beroepsmatige inzet. Een garantiecontract komt derhalve niet tot stand, als het apparaat binnen de garantieperiode in commerciële, ambachtelijke, of industriele bedrijven werd ingezet of werd blootgesteld aan een belasting die daarmee gelijkstaat. Bij artikelen onder het merk 'Professional' geldt de uitsluiting voor de industriele, ambachtelijke of beroepsmatige inzet niet.

  3. Van onze garantie zijn uitgesloten:

Schade aan het apparaat als gevolg van niet-inachtneming van de montagehandleiding of op grond van ondeskundige installatie, niet-inachtneming van de gebruiksaanwijzing (zoals bijv. door aansluiting aan een verkeerde netspanning of stroomsoort) of niet-inachtneming van de onderhouds- en veiligheidsvoorschriften, of door het apparaat bloot te stellen aan abnormale omgevingsvoorwaarden of gebrekkige verzorging en onderhoud.
- Schade aan het apparaat als gevolg van misbruik of ondeskundige toepassingen (zoals bijv. overbelasting van het apparaat of de inzet van niet toegelaten inzetgereedschappen of toebehoren), binnendringen van vreemde voorwerpen in het apparaat (zoals bijv. zand, stenen of stof, ....) Transportschade die is ontstaan door geweld of externe inwerkingen (zoals bijv. schade door vallen).
Schade aan het apparaat of aan delen van het apparaat die kan worden herleid tot slijtage door het gebruik, of tot gewoonlijke of natuurlijke slijtage. Accu's en accupacks zijn bijvoorbeeld onderhevig aan een natuurlijke slijtage, en afhankelijk van hun constructie ontworpen voor een beperkt aantal cycli. De slijtage wordt met name negatief beïnvloed door gevergde lasten, laadsnelheden, maar ook door blootstelling aan hitte, koude, trilling en stoten.

  1. De garantieperiode bedraagt 2 jaar en gaat in op de datum van aankoop van het apparaat. Garantieclaims moeten vóór afloop van de garantieperiode binnen twee weken na het vaststellen van het defect worden ingediend. Het indienen van garantieclaims na afloop van de garantieperiode is uitgesloten. De reparatie of vervanging van het apparaat leidt niet tot een verlenging van de garantieperiode en er wordt geen nieuwe garantieperiode toegezegd voor het apparaat of eventuele ingebouwde vervangingsonderdelen. Dit geldt ook bij inzet van de service ter plaatse.

  2. Gelieve om uw garantieclaim in te dienen contact op te nemen met de winkel waar u het apparaat heeft aangekocht. Houd het aankoopbewijs of een ander bewijs van uw aankoop van het nieuwe apparaat bij de hand. Apparaten die zonder bijhorend bewijs of zonder typeplaatje worden toegestuurd, zijn op grond van de onmogelijkheid om deze toe te kennen uitgesloten van de garantie. Als het defect van het apparaat door onze garantie wordt gedekt, dan krijgt u onmiddellijk een gerepareerd of nieuw apparaat terugbezorgd.

  3. Wanneer u het apparaat naar een ander land van de Europese Unie heeft gebracht dan het land waar u het heeft aangekocht, dan vervullen wij onze garantieplicht door een servicepartner aldaar. Als het buiten de Europese Unie is gebracht, dan bestaat er geen recht op garantie.

Het spreekt voor zich dat wij tegen vergoeding van de kosten ook graag defecten aan het apparaat verhelpen, die door de omvang van de garantie niet of niet meer zijn gedekt. Hiervoor kunt u contact opnemen met de servicepartner in uw land. . Voor slijtagedelen, verbruiksmateriaal en ontbrekende delen wordt verwezen naar de beperkingen van deze garantie conform de service-informatie van deze handleiding.

Garantie / Service: Einhell SAS, Schapenweide 1-A3, 4824AN Breda Nederland

E

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : EINHELL

Model : FREELEXO CAM 350

Categorie : Robotmaaier