EPOS RS1 - Robotmaaier HUSQVARNA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EPOS RS1 HUSQVARNA in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over EPOS RS1 HUSQVARNA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EPOS RS1 - HUSQVARNA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EPOS RS1 van het merk HUSQVARNA.
GEBRUIKSAANWIJZING EPOS RS1 HUSQVARNA
NL Gebruiksaanwijzig 148-173
49.1 Veiligheidsdefinities
Waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en opmerkingen worden gebruikt om te wijzen op belangrijke delen van de handleiding.

WAARSCHUWING: Wordt gebruikt om te wijzen op de kans op ernstig of fataal letsel voor de gebruiker of omstanders wanner de instructies in de handleiding Niet worden gevolgd.

OPGELET: Wordt gebruikt indien er een risico bestaat op schade aan het product en andere eigendommen of aan de omgeving wanner de instructies in de handleiding Niet worden gevolgd.
Let op: Geven verdere informatatie die nodig is in een bepaalde situatie.
- Husqvarna staat nicht garant voor volledige compatibiliteitussen het product en andere typen draadloze systemen,zoals afstandsbedieningen, radiozenders, ringleidingen, ondergrondse elektrische afrasteringen of dergelijk.
- Het is Niet toegestaan het originele ontwerp van het product aan te passen. Alle wijzigingen zich op eigien risico.
- Controller het product op beschadiging voordat u het product start. Gebruik het product Niet als het beschadigd is.
- De bedrijfstemperatuur voor het referentiestation is -20 t/m 45 °C. De bedrijfstemperatuur voor de EPOS plug-in is 0 t/m 45 °C. De opslagtemperatuur voor het referentiestation en de EPOS plug-in is -20 t/m 70 °C.
49.3 Veiligheidsinstrumenties voor installmentie

WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
49.2 Algemene veiligheidsinstructies

WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
- Volg de nationale voorschriften voor elektrische verilgiteit.
- Het product mag alleen worden gebruikt met de voedingseenheid die is geleverd door Husqvarna.
- Het product mag uitsluitend worden gebruikt in combinatie met door de fabrikant aanbevolen apparatuur. Elk ander gebruik is onjuist. De instructies van de fabrikant over bediening/ onderhoud要去en nauwkeurig worden gevolgd.
-
Het product mag uitsluitend worden bediend, onderhonden en gerepareerd door personen die volledig vertrouwd zijn met de speciale kenmerken van en veiligheidsregels voor het product. Lees de bedieningshandleiding zorgvuldig door en zorg dat u de instructies hebt begrepen voordat u het product gezruikt.
-
Plaats de voeding Niet op een plek waar er een risico bestaat dat deze nat kan worden. Zet de voeding Niet op de grond.
Kapsel de voeding nicht in. Condenswater kan de voeding beschadigen en het risico op elektrische schokken vergroten. - Risico van elektrische schok. Gebruik algijd een aardlekschakelaar (RCD) bij het aansluiten van de voeding op het stopcontact. Van toepassing voor USA/Canada. Als de voedingsenheid buiten is opgesteld: Risico van elektrische schok. Alleen aansluiten op een afgedekt GFCI-stopcontact (RCD), klasse A, dat voorzien is van een behuizing die waterdicht is, ongeacht of de kap van de aansluitstekker is geplaatst.
- Zorg ervoor dat de pluggen van de laagspanningskabel en de voedingseenheid schoon en droog� voordat u ze aansluit.
-
Er bestaat een risico op vallende voorwerpen tijdens de installmente van het referentiestation. Dit kan leiden tot letsel.
-
De voedingskabel en verlangkabel要去en zich buiten het werkgebied bevinden om schade aan de kabels te voorkomen.
- Er bestaat een risico dat het referentiestation valt wonneer u het op een hoge positie installeert. Zorg ervoor dat u het referentiestation installeert op een stabiele positie.
49.4 Veiligheidsinstructies voor onderhoud

WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
- Haal de stekker van het product uit het stopcontact voordat u het product reinigt of er onderhoud aan uitvoert.
49.5 Bij onweer
Om het risico op schade aan elektrische componenten in het referentiestation te verkleinen, raden we aan de voeding maar het referentiestation uit te schakelen als er gevaar voor onweer bestaat. Sluit de voeding wee aan als er geen gevaar voor onweer is.
50 Inleiding
50.1 Inleiding
Het serialummer staat op het productplaatje en op de productverpakking. Gebruik het serialnummer om uw product te registeren op www.husqvarna.com.
50.1.1 Steun
Neem contact op met uw Husqvarna-dealer voor ondersteuning met betrekking tot het product.
50.1.2 Productbeschrijving
Let op: Husqvarna werkt het uiterlijk en de werkinq van producten regelmatig bij. Zie Steun op pagina 149.
Het EPOS™-referentiestation ontvangt satellietsignalen en stuart correctiegegevens maar de robotmaier. De EPOS™ Plug-in gebruikt satellietsignalen en
de correctiegegevens van het referentiestation voor plaatsing.
50.1.3 Systeme mbeschrijving
Het EPOS™-systeme bevat een robotmaier, een laadstation en een referentiestation. De robotmaier en het referentiestation ontvangen satellietsignalen voor positiening. Het referentiestation staat stil en stuart correctiegevevens maar de robotmaier om een nauwkeurige positie voor de maaier te verkrijgen. Het werkgebied worden virtueel in een app gemaakt door het product te bedieren en waypoints toe te voegen om een kaart in een app te make.
50.1.4 Productoverzicht

- Referentiestation
- Paalbeugel
- Muurbeugel
- Slangklemmen
-
Automower ^® EPOS™ Plug-in55
-
Laagspanningskabel
7.Voeding 56 - Bedieningshandleiding
50.1.5 Systemeerzicht

- Satellieten
- Satellietsignalen
- Referentiestation
- Correctiegegevens
- Laadstation 57
- Virtuele grens
- Te vermijden zone
- Werkgebied
9.Mobiel apparatus 58 - Koppelpunt
- Transportpad
- Robotmaaier met EPOS ^TM Plug-in-kit ^59
50.1.6 Symbolen op het product
Deze symbolen staan op het product. Zorg ervoor dat u deze begrijpt.

Dit product voldoet aan de geldende EU-richlijnen.

Dit product voldoet aan de geldende UK-richtlijnen.

Het is Niet toegestaan om het product als normala huishoudelijk afval af te voeren. Houd u aan de nationale voorschriften en gebruik het lokale recyclingsystem.

Gebruik een losse voeding met de specificaties die op het typeplaatje naast het symbool staan vermeld.
Let op: Andere symbolen/stickers op het product hebben betrekking op certificeringseisen voor bepaalde markten.
50.1.7 Symbolen in de app

Toont de sterkte van het radiosignaal dat het product van het referentiestation ontvangt.

De status is EPOS bevestigd. Het product heeft een nauwkeurige positie en richting. Dit is nodig om het product automatisch te latent werken en voor de installment van kaartobjecten.

De status is EPOS-actie isoodzakelijk. Het product heeft een nauwkeurige positie, maar het isoodzakelijk om het product handmatig of automatisch te bedieren voor een nauwkeurige richting.

De status is EPOS zoeken. Het product heeft geen nauwkeurige positie en zoekt waar de satellietsignalen en de correctiegegevens om een nauwkeurige positie te verkrijgen.
51 Installatie
51.1 Inleiding - installment

WAARSCHUWING: Zorg dat u het hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en begrepen voordat u het product monteert.

WAARSCHUWING: Zorg dat u het hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en begrepen voordat u het product installeert.

OPGELET: Gebruik originele reserveonderdelen en origineel installmentmaterialiaal.
Let op: Zie www.husqvarna.com voor meer informatie over de installmentie.
51.2 Hoofdonderdelen voor de installmentie
De installment bevat de volgende onderdelen:
- Robotmaaier 60, die het gazon automatisch maait.
- Laadstation 61, dat het product oplaadt.
-
Voedingseenheid 62, die is aangesloten zusammen het laadstation en een stopcontact van 100-240 V.
-
Voeding, die is aangesloten zusammen het referentiestation en een stopcontact van 100-240 V.
- Referentiestation, dat satellietsignalen ontvangt en correctiegegevensaar de robotmaaier stuart.
- Automower EPOST Plug-in 63.
- Mobiel apparaat met de Automower Connect-app om de installmentie van het product uit te voeren en de instellingen te regelen.
51.3 Voorbereiden op installmentie

OPGELET: Gaten met water in het gazon hunnen schade aan het product veroorzaken.

OPGELET: Lees het hoofdstuk over installment voordat u de installment start.
Maak een blauwdruk van het werkgebied en neem er alle obstakels in op. Dit maakt het makkelijk om te onderzoeken waar het laadstation, het referentiestation en de virtuele grenzen要去en worden geplaatst.
Maak een marking op de blauwdruk waar het laadstation, het referentiestation, het onderhoudspunt, de transportpaden en de virtuele grenzen voor de werkgebieden en de te vermijden zones要去en worden geplaatst.
- Volg de instructies voor afstandenussen belemmerende objecten.
Vul de gaten in het gazon in om het vlak te make.
Maai het gras voordat u het product installeert. Zorg ervoor dat het gras maximaal 10 cm/4 inch is.
Let op: De eerste weken na de installmentie kan het geluidsniveau bij het maaien van het gras hoger+zijn dang gewoonlijk. Het geluidsniveau worden na verloop vanijdager.
51.4 Onderzoeken waar het laadstation moet worden geplaatst

OPGELET: Als zich in de buurt een blikksemafleider bevindt, mag u het referentiestation nicht hoger installereren dan de blikksemafleider.

OPGELET: Installer het referentiestation Niet op een vlaggenmast. Bewegingen van het referentiestation beinvloeden de correctiegegevens die met de juiste positie maar het product worden gestuurd.
- Installee het referentiestation op een vast object dat Niet kan bewegen of draaien.
- Installeer het referentiestation op een paal of een muur. De paal moet 27-36 een diameter van mm / 1.1-2.2 inch hebben om de opzetstukken op het referentiestation te kunnen plaatsen.
Let op: Als het referentiestation aan een muur wordt gemonteerd, moet de bovenkant van het referentiestation zich boven de muur bevinden. Metalen objcten hunnen interferentie met het referentiestationsignaalveroorzaken.
Zorg ervoor dat het referentiestation volledig zich op de lucht heeft. Het is noodzakelijk dat er minstens 135 graden volledig zich op de lucht is.

- Installeer het referentiestestation op een minimumhoogte van 2m / 6.5 ft.
Zorg dat de afstand tussen het referentiestation en de robotmaier kleiner is dan 100m / 330 ft. Objecten tussen het referentiestation en de robotmaier kannen de afstand verkleinen.
51.5 Onderzoeken waar de voeding moet worden geplaatst
- Plaats de voeding in een gebied met een dak en bescherming gegen de zon en de regen.
- Plaats de voeding in een gebied met een goede luchtstroom.
- Gebruik een aardlekschakelaar wanner u devoeding aansluit op het stopcontact.
- Verleng de laagspanningskabel indien nodig. De laagspanningskabel kan worden verlengd tot 100 m/328 ft.
51.6 Onderzoeken waar het laadstation moet worden geplaatst
- U kunt het laadstation in of buiten het werkgebiedplaatsen. Er is geen transportpad nodig als het laadstation in het werkgebied worden geplaatst (A). Er is geen transportpad nodig als het product zich volledig in het werkgebied bevindt als het bij het koppelpunt van het laadstation is. Als het laadstation en het koppelpunt (B) zich Niet in het werkgebied bevinden, moet u een transportpad (C) installeren.

- U kunt het laadstation in een Automower®-huisplaatsen.
- Plaats het laadstation (A) waar het koppelpunt (B) onbelemmerd zich op de hemel heeft. Het koppelpunt (B) van het laadstation is waar het product stopt nachteruitrijden van het laadstation. Dechteruitrijafstand kan worden ingesteld op 70-250 cm / 28-98 inch. Husqvarna raadt aan om te zorgen voor minimaal 6m / 20 ft (C) vrije ruimte voor het laadstation.


- Als het product Niet mag werkken in een deel van het koppelgebied, moet u een beschermende muur aanbrengen die minimaal 15cm / 6 inch hoog is. Het koppelstation (A) is een cirkelvormig gebied rond het laadstation, met een straal van 3m / 9.8 ft.


Let op: Het product gebruikt het signaal van het laadstation om maar het laadstation te zoeken wanner het zich in het koppelgebied bevindt.
- Plaats het laadstation in de buurt van een stopcontact.
- Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond.
- De bodemplaat van het laadstation mag niet gebogen zich.


- Als het werkgebied twee delen heeft die zich geschreiben doord een steile helling, Husqvarna raden wij aan het laadstation op het laagste deel teplaatsen.

OPGELET: Installee het laadstation Niet op een plek waar zich metalen objcten in de grond bevinden. Metalen objcten+kunnen interferentie met het laadstationsignaalveroorzaken.
51.7 Onderzoeken waar de voeding要去 worden geplaatst

OPGELET: Zorg ervoor dat de messen op het product Niet de laagspanningskabel doorenjden.

OPGELET: Plaats de laagsspanningskabel Niet in een spelof onder de plaat van het laadstation. De bobine veroorzaakt interferentie met het signaal van het laadstation.

- Plaats de voeding in een gebied met een dak en bescherming gegen de zon en de regen.
- Plaats de voeding in een gebied met een goede luchtstroom.
- Gebruik een aardlekschakelaar met een aftschakelstroom van maximaal 30mA wanner u de voeding aansluit op het stopcontact.
Laagspanningskabels van verschillende lengtes zijn verkrijgbaar als accessoires.
51.8 Onderzoeken waar de virtuele grenzen要去en worden geinstalleerd

OPGELET: Als het werkgebied aan een waterpartij, helling, afgrond of openbare weg Grenst, moet er een beschemende muur worden geplaatst. De muur要去 minimaal 15cm / 6 inch hoog zijn.

OPGELET: Laat het product nicht werken op grind.
Voor een zorgvuldige werkung zonder geluid isoleert u alle obstakels zoals bomen, wortels en stenen.
Maak een blauwdruk van het werkgebied voordat u de virtuele grenzen installeert.
51.9 Kaartobjecten installereren bij gebouwen en bomen
Zorg dat het 90^ gedeelte van de hemel onbelemmerd is waar het product werkt.

Let op: Het product kan geen signalen van navigatiesatellieten ontvangen als de hemel worden belemmerd.
Maak een te vermijden zone (B) rond bomen enBoomgroepen met een bladerdak met een diameter vaneer dan 4m/13 ft (A).

Let op: Bomen en boomgroepen met een bladerdak met een diameter vaneer dan 4m / 13 ft A) kuren tijdelijke stops van het productveroorzaken.Kleinere bomenverozaken gewoonlijk geen verstoring van de werking van het product.
- Installeer de virtuele grens op een minimale afstand (C) van 1.5m / 5 ft van L-vormige gebouwen.

- Als u virtuele grenzen wilt installereren in een gebied met een U-vormig gebouw,要去 de afstand (E) minimaal 6m / 20 ft bedragen. Als het gebouw hoger is dan 3m / 10 ft要去 de afstand (E) twee koer zo groot waar als de hoogte van het hoogste gebouw. Installer de virtuele grens op een minimale afstand (D) van 1.5m / 5 ft van het object.

- Zorg dat de gebieden:tussen objecten een afstand (F) van minimaal 4m / 13 ft hebben.

Let op: Voor gebieden minder breed dan 4m/ 13 ft. kan een transportpad worden gemaaakt voor de robotmaaier om door te gaan zonder te snijden.
51.9.1 Doorgangen
Een doorgang is een sectie met een virtuele grens aan elke kant die twee delen van het werkgebied verbindt. De doorgangsbreedte moet minimaal 2m / 6.5 ft zijn voor een goed maairesultaat.
51.9.2 Onderzoeken waar te vermijden zones要去en worden gemaatk
Maak te vermijden zones rond objecten die groter zichn dan 2× 2m
Zorg ervoor dat de te vermijden zone het volledige gebied omvat waar het product Niet mag werken (B).

Let op: Maak geen te vermiijden zone door het werkgebied om te voorkomen dat het product delen van het werkgebied (A) binnengaat.
Zorg dat de te vermijden zone minimaal 30x30 cm / 1x1 ft is.
51.9.3 De kaartobjecten op een helling installereren
Hellingen die te steil,zijn, moeten worden uitgesloten met de begrenzingsdraad. De hellingshoek (%) worden berekend als verticale hoogte gedeel door horizontale afstand.Voorbeeld: 10~cm / 100~cm = 10%

- Hellingen die steiler zich dan de maximaal toegestane hellingshoek,ogens Niet in het werkgebied worden opgenomen.U kunt de helling ook isoleren met een te vermijden zone.
- Installeer de virtuele grenzen op hellingen die minder steil zijn dan de maximaal toegestane hellingshoek voor de virtuele grens.
Voor hellingen grenzend aan een openbare weg plaatst u een afzetting van minimaal 15 cm hoog langs de buitenrand van de helling. U kuten muur of hek als afzetting gebruiken.
Voor een systematisch patron raadt Husqvarna aan dat de richting van het systematisch patronrecht hellingopwaarts worden ingesteld.
51.9.4 De functie EPOS Support by wire gebruiken
De begrenzingsdraad kan worden geinstalleerd voor gebruik met het EPOS-syteem.Installer de
begrenzingsdraad als de satelletsignalen zwak zich. Deze mag worden geinstalleerd in een deel van het werkgebied of in een gebied waarin u een transportpad hebt geinstalleerd. Raadpleeg de gebruikershandleiding van de robotmaier voor informatie over het installereren van de begrenzingsdraad.
Let op: Gebruik de begrenzingsdraad Niet om het werkgebied te vergroten.


- Plaats een deel van de begrenzingsdraad (A) op ongeveer 2m / 6,6 ft afstand van het gebied waar het satellietsignal Zwak is.

- Schakel de functie EPOS Support by wire in wanner de begrenzingsdraad geinstalleerd is.
Selecteer Accessoires > EPOS Support by wire > Inschakelen in de Automower Connect-app.
- Verleng de begrenzingsdraad in het werkgebied als het product blijft stoppen in een gedeelte van het werkgebied.
- Verleng de begrenzingsdraad in het werkgebied als het product het gebied Niet met de begrenzingsdraad kan verlaten.
51.10 Het product installeren
- Installer de EPOS™ Plug-in. Zie De EPOS plug-in installeren op pagina 158.
- Installeer de Automower Connect-app op uw mobiele apparaat. Zie Automower Connect op pagina 158.
- Koppel het product aan de Automower Connect-app. Volg de EPOSTM-instructies in de Automower Connect-app. Zie De EPOSTMinstallatie UITvoeren op pagina 158.
- Installeer het laadstation. Zie Laadstation monteren op pagina 159.
- Installeer het referentiestation. Zie Het referentiestation installeren op pagina 160
- Maak een kaart met werkgebieden, te vermijden zones, transportpaden en onderhoudspunten. Zie Installatie van de kaartobjecten op pagina 162.
- Gebruik de Automower Connect-app om instellungen voor het product te regelen. Zie Automower Connect op pagina 158.
Let op: Lees de bedieningshandleiding van de robotmaier voor meer informatie over de instellenen in de app.
51.10.1 De EPOS-plugin-in installeren
Volg de installmente-instructions in de bedieningshandleiding voor Automower® EPOS™ Plugin.
51.10.2 De EPOS™-installatie uityoeren
Als het product voor de eerste keer worden ingeschakeld met ON, moet u enkele basisinstillingen instellen voordat u het product kut gebruiken. U moet het product aan de Automower Connect-app koppelen om objeten op de kaart te+kunnen installeren, de instellingen te+kunnen wijzigien en het product te+kunnen bedieren. Gebruik de Automower Connect-app op uw mobiele apparaat of op de Automower Connect-app.
- Het product inschakelen met ON.
Let op: De Bluetooth®koppelingsproceduremodus van het product is ingesteld op 3 minutes. As de koppelingsprocedureussen het product en het mobiele apparaat Niet binnen 3 minutes is
voltooid, schakelt u het product uit met OFF en schakelt u het product verwolgens wee in met ON.
- Meld u aan bij uw Husqvarna-account in de Automower Connect-app.
- Start Bluetooth 包 op uw mobiele apparaat.
- Selecteer Mijn maaiers in de Automower Connect-app en voeg uw product toe.
- Voer de pincode van de fabriek in.
- Volg de instructies voor de EPOS ^T -installatie in de Automower Connect-app. Koppel het referentiestation en het laadstation af en installeer de kaartobjecten.
Let op: U hoeft de Automower Connect-app en het product slechts eenmaal te koppelen.
51.10.3 Automower Connect
Automower Connect is een gratis app voor uw mobiele apparaat. Gebruik de app voor de installmentie, instellingen en bediening van uw product. U kurz ookmeer informatie vinden over onder meer alarmen en statistieken in de Automower Connect-app.
De app bidiet twee verbindingsmogelijkheden: Mobiele verbinding voor de lange afstand en een Bluetooth®-verbinding voor de korte afstand.
- Dashboard dat de huidige status van het product en de laadstatus van de accu weergeeft.
Let op: Als gevolg van regionale gespecifieerde mobiele systemen worden een mobiele verbinding met Automower Connect Niet in alle landen ondersteund. De inbegren levenslange service van Automower Connect is alleen geldig als er een externe leverancier van beschikbaar is in het toepassingsgebied.
51.10.4 Het laadstation installeren
Lees en begrijp de instructies over het laadstation.
Zie Onderzoekeken waar het laadstation moet worden geplaatst op pagina 153

OPGELET: Het is Niet toegestaan om neue gaten in deplaat van het laadstation te make.

OPGELET: Plaats uw voeten Niet op de bodemplaat van het laadstation.

WAARSCHUWING: Zorg ervoor dat de pluggen van de laagspanningskabel en de voedingseenheid schoen en droog zich voordat u ze aansluit.
Gebruik wonneer u de voeding aansluit algijd een stopcontact dat is aangesloten op een aardlekschakelaar (RCD).
OPGELET: Het is Niet toegestaan om neue gaten in deplaat van het laadstation te make.

OPGELET: Plaats uw voeten Niet op de bodemplaat van het laadstation.

WAARSCHUWING: Zorg ervoor dat de pluggen van de laagspanningskabel en de voedingseeheid schoen en droog zich voordat u ze aansluit.
Gebruik bij het aansluiten van de voeding algijd een stopcontact dat is aangesloten op een aardlekschakelaar (RCD).
- Lees en begrijp de instructies over het laadstation. Zie Onderzoeken waar het laadstation moet worden geplaatst op pagina 153
- Plaats het laadstation in het geseleeteerde gebied.
Let op: Bevestig het laadstation pas aan de grond met de schroeven nadat de geleidingsdraad is geinstalleerd.
- Open de klep aan de voorkant van het laadstation.
- Bevestig de bovenkant van het laadstation.

- Kantel de bovenkant van het laadstation.
- Breng de doorvoertule met de kabels aan.
- Sluit de kabel op het laadstation aan.

- Sluit de laagspanningskabel aan op het laadstation.
- Sluit de klep aan de Voorkant van het laadstation.
- Zet de voeding op een minimale hoogte van 30 cm/12 inch.

- Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van 100-240 V.
Let op: Het product kan in het laadstation worden geplaatst om op te laden verwijl u de begrenzingsdraad installeert.
- Plaats de laagspanningskabel met staken in de grond of graaf de kabel in.
- Sluit de draden aan op het laadstation nadat de installmente van de begrenzingsdraad en de geleidingsdraad is voltooid.
- Bevestig het laadstation aan de grond met de meegeleverde schroeven nadat geleidingsdraad is geinstalleerd.
51.10.4.2 Visuèle contrôle van het laadstation uitvoeren - Controller of de led-indicator op het laadstation groen brandt.

- Als de led-indicator Niet groen is, controeert u de installment. Zie Led-indicator op het laadstation op pagina 171 en Laadstation monteren op pagina 159.
51.10.5 Het referentiestation installeren
U kunt het referentiestation op een paal of een muur installeren.

OPGELET: Bewegingen van het referentiestation beinvoeden de correctiegeveens die met de juiste positie aan het product worden gestuurd. Het referentiestation moet stevig op de paal of muur worden geinstalleerd.

OPGELET: De items op de kaart veranderen van positie als u het referentiestation verplaatst. Pas de items op de kaart aan of voer de installment opnieuwuit in de Automower Connect-app.
51.10.5.1 De beugel op een muur installeren
Let op: Schroeven worden nicht meegeleverd.
Gebruik schroeven die geschikt zijn voor het materiaal van de muur.
- Houd de arm van het referentiestation gegen de muur. Plaats 2 markingsen op de muur voor de 2 schroeven.

Let op: Zorg dat de bovenkant van het referentiestation boven de muuruitsteekt.
- Boor gaten in de muur op deplaats van de 2 markeringen voor de 2 schroeven.
- Bevestig de beugel met de 2 schroeven aan de muur.

51.10.5.2 De beugel op een paal installeren
- Bevestig de paal stevig aan een muur, dak of op de grond. Zorg dat de paal Niet kan bewegen.
- Steek de slangklemmen door de sleuf aan de awhilezijde van de beugel.


3. Bevestig de beugel op de paal en zet de slangklemmen vast met een platte schroevendraier.
51.10.5.3 Het referentiestation installeren
- Houd het referentiestation boven de beugel en lijn de arm van het referentiestation uit met de sleuven in de beugel.
- Duw het referentiestation omlaag om het aan de beugel te bevestigen.


3. Houd het kabeldeksel ingedrukt en beweeg het omlaag om het uit het referentiestation te verwijdersen.

4. Sluit de laagspanningskabel aan op het referentiestation. Plaats de laagspanningskabel in de kabelsleuf.
- Breng het kabeldeksel aan.
- Sluit de laagspanningskabel van het referentiestation maar de voeding aan.
- Bevestig de laagspanningskabel met kabelbinders aan de muur of paal.

OPGELET:Indien de
laagspanningskabel nicht stevig is bevestigd met kabelbinders, kan dazu bij harde wind beschadigd raken.
- Plaats de voedingseenheid 30-200cm / 1-6.5 ft. boven de grond. Zie Onderzoeken waar de voeding moet worden geplaatst op pagina 153.
- Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van 100-240 V.
Let op: Het led-indicatielampje van het referentiestation knippert gedurende enkele Minutes groen. Het led-indicatielampje brandt continu groen wanner het referentiestation in bedrijf is. Zie Ledindicator op het referentiestation op pagina 171.
51.10.6 Installatie van de kaartobjecten
Lees en begrijp de instructies over waar u de kaartobjecten moetplaatsen. Zie Onderzoeken waar de virtuele grenzen要去en worden geinstalleerd op pagina 155.
Op de kaart=kunt u de volgende objecten installeren in de app:
Werkgebieden (A)
Te vermijden zones (B)
Transportpad (C)
Laadstation (D)
Onderhoudspunt(E)
Referentiestation(F)
Werkgebied (bijgebied) (G)

Voor een complete kaartinstallatie moet u een werkgebied en een laadstation op de kaart installeren.
Een werkgebied worden gespecifieerd door virtuele grenzen. Er kuren maximaal werkgebieden en bijgebieden op een kaart worden geinstalleerd.
Er zijn twee soorten werkgebieden:
- Een werkgebied met.daar in een laadstation of een werkgebied dat verbonden is met een transportpad waar het product automatisch werkt.
- Een bijgebied is een werkgebied zonder laadstation en zonder transportpad. Het product要去 handmatig maar en van het werkgebied worden verplaatst.
Een transportpad is een opgegeven pad tussen het koppelpunt voor het laadstation en een werkgebied. Het product kan automatisch werkken op dit pad, maar maar geen graz. Een transportpad kanijdelijk worden in- enuitgeschakeld in de app.
Er kuren te vermijden zones worden gemaatk als er gebieden zich waar het product Niet mag werken. Eente vermijden zone worden gespecifieerd door virtuele grenzen. Te vermijden zones+kennen tijdelijk worden inen uitgeschakeld in de app.
Een onderhoudspunt is een specifieke plaat'saar het product kan worden gesparkeerd.Dit kan bijvoorbeeld worden gebruikt als servicepunt waar onderhoud aan
het product wordt uitgevoerd. Het onderhoudspunt is via een pad verbonden met het koppelpunt.
Als u objcten op de kaart wilt plaatsen, bedient u het product met de appDrive-installatie om waypoints op de kaart toe te voegen. Zie Objecten op de kaart te plaatsen op pagina 163
51.10.6.1 Objecten op de kaart teplaatsen
De waypoints (A) zijn posities die de virtuele grenzen en laden (B) vormen. De lijnen zijn recht:tussen de waypoints. We raden aan om zo weinig möglich waypoints te gebruiken. Voor elk werkgebied en de bijbehorende te vermijden zones en transportpad is het totale maximumaantal waypoints 800. Husqvarna raadt aan maximaal 1000 waypoints toe te voegen voor de volledige installmentie van de kaart. U kutn de posities van de waypoints aanpassen in de app, na de installmentie van de kaart. Gebruik meerere waypoints om vloeije dochten te makeen. Husqvarna raadt u aan een minimale afstand van 30~cm/1 ft aan te honden tussen waypoints. U kutn de posities van de waypoints aanpassen in de app, na de installmentie van de kaart.


OPGELET: Til het product Niet op en verplaats het Nietussen de waypoints als u de kaartobjecten installeert. Gebruik appDrive voor een correcte installmentie.
Let op: De positie van het waypoint wanner u een werkgebied of een te vermijden zoneplaatst, bevindt zich in de linker voorhoek van het product. Het werkgebied wordt gespecifieerd door de virtuele grenzen. Het product kan Niet al het gras maaien in het werkgebied vanwege de positie van de maaischijf.

Let op: De positie van het waypoint bij de installmentie van een transportpad of een pad maar een onderhoudspunt bevindt zich in het midden van het productussen de aandrijfwienen.

- Zorg ervoor dat u zich in de buurt van het product bevindt en met het product verbonden bent via de app door middel van Bluetooth®.
- Zorg ervoor dat de status EPOS™ bevestigd is in de appDrive.
Let op: Een gamecontroller met Bluetooth® kan worden gezruikt metappDrive om het product te bedieren.
- Selecteer het object dat u wiltplaatsen en gebruik de knappen in de appDrive-installatie om het producte te bedieren.
- Gebruik de knop omhoog (A) om het product waar voren te verplaatsen.
- Gebruik de knop omlaag (A) om het product waarachteren te verplaatsen.
- Gebruik de knop met de pijl maar links (C) om het product maar links te draaien.
- Gebruik de knop met de pijl maar rechts (D) het product waar rechts te draaien.
-
Gebruik de middelste knop (E) als joystick om het product in een willekeurige richting te bewegen en te draaien.
-
Gebruik de knop waypoint (F) om een waypoint toe te voegen op de kaart.
- Gebruik de knop Ongedaan make (G) om het maarste waypoint te verwijderen.

Let op: Loop 2-3 m / 6.5-9.8 ft. hinter het product wonneer u het product gebruikt met appDrive.
Een werkgebied make
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een werkgebied te make.
- Bedien het product rechtsom rond de grens van het werkgebied.
- Voeg waypoints toe op de kaart. Laat minimaal 3 cm / 1 inchussen de waypoints en obstakels.

Voeg een waypoint toe om het product het gras aan de randCUSen het gazon en het tegelpad te laten maaien.Zorgervoordatu derand van het gazon en het tegelpad exact volgt wonneer u een waypoint toevoegt.Het product kan de rand exact volgen als de hoogte van het tegelpad maximaal 1 cm/0.4 inch is ten opzichte van het gazon.

- Voeg het waypoint toe in de buitenste hoek om de virtuele grens om een hoek teplaatsen.

- Stel geen waypoints in die een virtuele grens over zichseltalden lopen in hetzelfde werkgebied.
- Sla het werkgebied op om het eerste en LASTE waypoint automatisch te verbinden met een virtuele grens.

Eentvermijdenzonemake
Er zijn minimaal 3 waypoints nodig om een te vermiiden zone te make.
Bedien het product linksom rond de grens van de te vermijden zone.
Voeg waypoints toe op de kaart. Laat minimaal 3 cm / 1 inchussen de waypoints en obstakels.
- Stel geen waypoints in die een virtuele grens over zichsclfal latent lopen in dezelfde te vermijden zone.
- Sla de te vermijden zone op om het eerste en LASTe waypoint automatisch te verbinden met een virtuele grens.

Een transportpad make
- Gebruik het product en voeg waypoints toe op de kaart om een transportpad aan te brengen. Begin in een werkgebied op minimum 1 m / 3.3 ft. van de virtuele grens.
- Installeer het transportpad loodrecht op de virtuele grens van het werkgebied.
- Breng geen transportpad aan over een tevermiiden zone.
- Stel geen waypoints in die ervoor zorgen dat een transportpad over hetzelfde transportpad loopt.
Vermijd het makes van scherpe bochten wanneer u het transportpad installeert.

- Gebruik het product en voeg waypoints toe om het transportpad met het koppelpunt te verbinden.
- Plaats het最后一次 waypoint op een transportpad (A) in een hoek van +/-45 graden ten opzichte van het koppelpunt.

- Sla het transportpad op om het LASTE waypoint automatisch te verbinden met het koppelpunt.
Stel de doorrijbvreede (A) in voor het transportpad. De doorrijbvreede kan worden ingesteld op 2-5 m / 6.6-16.4 ft.

Een onderhoudspunt makes
- Gebruik het product en voeg waypoints toe op de kaart. Begin met het toevoegen van waypoints op de positie waar u het onderhoudspunt wilt installereren. Het eerste waypoint geeft het onderhoudspunt aan.
- Vermijd het makeen van scherpe bochten wanneer u een transportpad installeert.

-
Gebruik het product en voeg waypoints toe om een pad maar het laadstation te make.
-
Plaats het的那一point op een transportpad (A) in een hoek van +/-45 graden ten opzichte van het koppelpunt.

- Sla het onderhoudspunt op om het LAST waypoint automatisch te verbinden met het koppelpunt.
- Stel de doorrijbrendte (A) in voor het onderhoudspunt. De doorrijbrendte kan worden ingesteld op 2-5 m / 6.6-16.4 ft.

Het laadstation opnieuw installeren op de kaart
Installee het laadstation opnieuw op de kaart als u
het laadstation verplaatst of verrangt. U kurz deze
ook opnieuw installeren als de robotmaier Niet kan
koppelen of geen verbinding kan make met het
laadstation.
- Selecteer Kaartobjecten > Laadstation in de app.
- Selecteer Laadstation opnieuw installereren en volg de instructies.
Het referentiestation opnieuw installereren op de kaart
Installerer het referentiestation opnieuw op de kaart als u
het referentiestation verplaatst of verwangt.
- Selecteer Kaartobjecten > Referentiestation in de app.
- Selecteer Referentiestation opniew installeren en volg de instructies.
52 Onderhoud
52.1 Het referentiestation reinigen
Husqvarna advisert een speciale set voor reiniging en onderhoud, verkrijgbaar als accessoire. Neem voor meer informatie contact op met uw Husqvarna-vertegenwoordiger.

OPGELET: Reinig het product en het laadstation Niet met een hagedrukspuit. Gebruik geen oplosmiddelen voor reiniging.
- Gebruik een vochtige doeK om het product te reinigen indien nodig.
52.2 De EPOS™ Plug-in reinigen

OPGELET: Gebruik geen
hogedrukreiniger of stromend water om het product te reinigen.
- Gebruik een vochtige doeK om het product tereinigen indien nodig.
53 Probleemoplossing
53.1 Introductie - problemen oplossen
U vindt alle meldingen over probleemoplosing in het menu Berichten in Automower Connect. Meer informatie vindt u op www.husqvarna.com.
53.2 Foutmeldingen
De foulmeldingen in de onderstaande tabel worden weergegeven in de Automower Connect-app. Neem contact op met uw Husqvarna-vertegenwoordiger alsdezelfde melding vaak worden weergegeven.
| Melding Oorzaak Actie | ||
| Geen lussignaal | De voeding of de laagspanningskabel voor het laadstation is Niet aangesloten. | Als de led-indicator op het laadstation Niet brandt, betekent dit dat er geen voeding is. Controller de aansluiting op het stopcontact en de aardlekschakelaar. Controller de de laagspanningskabel is aangesloten op het laadstation. |
| De voeding of de laagspanningskabel voor het laadstation is beschadigd. | Vervang de voeding of de laagspanningskabel. | |
| De ECO-modus is geactiveerd, en de led-indicator op het laadstation knippert groen. Het product is handmatig gestart in het werkgebied, maar de STOP-knop werk net ingedrukt voordat het product van het laadstation werk verwijderd. Het signala van het laadstation worden uitge-schakeld en het product kan nicht in het laadstation komen. | Plaats het product in het laadstation. Start het product. | |
| Het product vindt het lussignaal van het laadstation Niet. | Plaats het product in het laadstation en maak een新模式 lussignaal. | |
| Het laadstation is Niet correct geinstalleer. | Installer het laadstation volgens de in-structies. Zie Laadstation monteren op pagina 159. | |
| Interferentie door metalen voorwerpen zoals hekwerk, wapeningsstaal of onder-grondse kabels in de buurt van het laad-station. | Wijzig de positie van het laadstation. | |
| Buiten werkgebied | Het werkgebied is te steil voor de virtuele grens. | Controller of de virtuele grens correct is aangebracht. |
| Het transportpad of het pad waar het onderhoudspunt loopt te veel af. | Controller of het transportpad correct is aangebracht. Zie Een transportpad ma-ken op pagina 165. | |
| Het product kan het juiste signaal laad-station Niet vinden vanwege interferentie met een lussignaal van een andere productinstallatie in de buurt. | Plaats het product in het laadstation en maak een新模式 lussignaal. | |
| Interferentie door metalen voorwerpen zoals hekwerk, wapeningsstaal of onder-grondse kabels in de buurt van het laad-station. | Wijzig de positie van het laadstation. | |
| Lege accu | Het product kan het laadstation Niet vinden. | Het product heeft geen nauwkeurige positie en kan het laadstation Niet vinden. |
| Er is een obstakel waardoor het product het laadstation Niet kan vinden. | ||
| De accu is aan het einde van de levens-cyclus. | Vervang de accu. | |
| De Antenne van het laadstation is defect. | Als de led-indicator op het laadstation rood knippert is de antenne van het laad-station defect. Neem contact op met uw erkende servicedealer. | |
| Kaartprobleem | Er is geen gedefiniereerd werkgebied. Maak | een werkgebied in de Automower Connect-app. Zie Een werkgebied ma-ken op pagina 164. |
| Het kaartobjectbestand is onjuist. Controller | der kaart in de app. Pas de kaart aan en sla deze op. | |
| Verwijder de kaart en voer een neue installmentatie UIT. | ||
| Zoekenaar positie | Zwak satelletsignaal waar het referentie-station. | Het satelletsignaal isijdelijk zwak. Het product begint te maaien wanner de sa-tellietsignalen goed+zijn. |
| Onderzoek de installmentatie van het referen-tiestation. | ||
| Zwak satelletsignaal waar het product. Het | satelletsignaal isijdelijk zwak. Het product begint te maaien wanner het satelletsignaal goed is. | |
| Controller of er een object zitussen het product en de lucht dat interferentie met het satelletsignaal kan veroorzaken. Verwijder het object of voer een nieuwe installmentatie uit om deze onderdeniet op te nemen in het werkgebied. Zie Installa-tie van de kaartobjecten op pagina 162 | ||
| De begrenzingsdraad installereren om in het werkgebied te werken met het EPOS-systeel. Zie De functie EPOS Support by wire gebruiken op pagina 157. | ||
| Probleem met de begren-zingsdraad | De begrenzingsdraad is beschadigd of Niet correct geinstalleer. | Controller of de begrenzingsdraad cor-rect op het laadstation is aangesloten. Controller alle splitsen op de begren-zingsdraad. Controller of de begren-zingsdraad beschadigd is en repareer deze indien nodig. |
| Communicatieprobleem refferentiestation | Het product is Niet verbonden met het referentiestation. | Koppel het product en het referentiestati-on. |
| Het referentiestation is Niet correct gein-stalleerd. | Onderzoek de installmentie van het referen-tiestation. | |
| Het product ontvangt geen radiosignal van het referentiestation in alle gebeden waar het product werkct. | Test of het product radiosignal van het referentiestation in alle delen van hetwerkgebied hebft. Als dit Niet het gevalis, voert u de installmentie van het referen-tiestation of de installmentie van de kaart opnieuw uit. Zie Objecten op de kaart teplaatsen op pagina 163. | |
| Stroomstoring. Zoek en verhulp de oorzaak | van de stroomstoring van het referentiestation. | |
| Er is een fout opgetreden in het reffer- rentiestation en de led-indicator knippert rood. | Koppel de voedingaar het referentie-station los en sluit deze opnieuw aan om het referentiestation opnieuw te starten.Indien het probleem zich blijft voordoen,neem dan contact op met uw erkende servicedealer. | |
| Er is een interferentie met een ander re- ferentiestation of andere radiosystemen in het gebied. | Start het product opnieuw op. Indien het probleem zich blijft voordoen,neem dan contact op met uw erkende servicedea-ler. | |
| Te veel waypoints | Er zijn te veel waypoints in het huidige werkgebied. | Voer een neue installmentie van het werk-gebied, de te vermijden zone en detransportpaden uit. Maak minder way-points. Verdeel het huidige werkgebied inmeer werkgebieden. |
| Bestemming Niet bereikbaar | Er is geen transportpadussen het laad-station en het werkgebied of het onder-houdspunt. | Maak een transportpadussen het laad-station en het werkgebied of het onder-houdspunt. |
| Het transportpad worden geblokkeerd en het product kan Nietaar het werkge-bied, het laadstation of het onderhoudspunt gaan. | Zorg ervoor dat het transportpad Niet ge-blokkeerd is of verwijder het transportpadenmaak een新模式portpad. | |
| Meerdere referentiestations | Er is meer dan een referentiestation in debuurt van het werkgebied. Dit kan interfe- rentie voor het product veroorzaken van een ander referentiestation. | Neem contact op met uw erkende ser-vicedealer als hetzelfde probleem vaakvoorkomt. |
| EPOS-plug-in Niet gezonden | De EPOSTM Plug-in is defect of Niet cor- rect geinstalleer. | Start het product opnieuw op. Zorg er-voor dat de EPOSTM Plug-in correct is geinstallieren den dat de kabel is aangeslo-ten. Indien het probleem zich blijft voor-doen, neem dan contact op met uw er-kende servicedealer. |
| Werkgebied verknoeid | Het laadstation of het referentiestation isverplaatst. | Voer een neue installmentie van de kaartui. |
| Probleem met accessoire-voeding | Er is een voedingsprobleem met de accessoirepoort. | Zet het product UIT en koppel het accessoire los van de accessoirepoort en sluit het werk aan. Start het product opnieuw op. Indien het probleem zich blijfoorden, neem dan contact op met uw er-kende servicedaler. |
53.3 Led-indicator op het referentiestation
| Licht Status | |
| Groen knipperend lampje Opstarten van het referentiestation. Wacht enkele minutes. | |
| Groenlicht brandt constant in bedrijf. | |
| Rood knipperend lampje Het referentiestation werkt nicht vanwege een foult. Koppel het netsnoer los en sluit het wat er aan om het product opnieuw op te starten. Indien het probleem zich blijft voordoen, neem dan contact op met uw erkende servicedealer. | |
| Wit knipperend lampje Er is een firmware-update nodig. Neem contact op met uwplaatselijke Husqvarna vertegenvoordiger. | |
| Geel knipperend Licht Alleen voor referentiestation in repeatermodus: Het referentiestation in repeatermodus heeft geen verbinding met het hoofdreferentiestation. Het referentiestation staat in de opstartmodus of heeft geen verbinding met het hoofdreferentiestation. Als er geen verbinding is, controleert u het hoofdreferentiestation of de dichtstbijzijnde repeater. | |
53.4 Led-indicator op het laadstation
Voor een volledig werkende installment moet het indicatielampje in het laadstation constant groen branden of groen knipperen. Volg Problemen oplossen hieronder als het lampje een andere kleur heeft.
Op www.husqvarna.com vindt u nog meer hulp. Spreek met uw Husqvarna-vertegenwoordiger bij u in de buurt als u nog steeds hulp nodig heb.
| Licht | Status |
| Constant groen lampje Goede | signalen. |
| Groen knipperend lampje De signalen zich goed en de ECO-modus is geactiveerd. | |
| Blauw knipperendlicht De begrenzingsdraad is beschadigd. | |
| Rood knipperendlampje Onderbreking in de antennene van het laadstation. Neem contact op met uwplaatselijk-ke Husqvarna vertegenwoordiger. | |
| Constant roodlicht Storing in de printplaat of onjuiste voeding in het laadstation. De storing moet worden verholpen door een erkende servicemonteur. Neem contact op met uwplaatse-lijke Husqvarna vertegenwoordiger. | |
54 Opbergen en afdanken
54.1 Opslag
Als u het referentiestation binnen opbergt, moet u de arm op de paal of muur latent zitten zodate u het referentiestation wee in de oorspronkelijke positie kunt installereren.
Als u het referentiestation in de winter buiten houdt, raden we u aan de voeding aangesloten te honden.
54.2 Afvoeren
Neem deplaatselijk geldende wet- en regelgeving voor recycling in acht.
| Afmetingen van het referentiestation EPOS™ RS1 | ||
| Lengte, cm/inch 17/6,7 | ||
| Breedte, cm/inch 16/6,3 | ||
| Hoogte, cm/inch 22/8,7 | ||
| Gewicht, kg/lb 0,5/1,1 | ||
| Productgegevens van het referentiestation EPOS™ RS1 | ||
| Type voedingseenheid FW7313/28/D/XX/Y/1.3 | ||
| Invoer voedingseenheid, V AC 100-240 | ||
| Uitvoer voedingseenheid, V DC 28 | ||
| Uitvoer voedingseenheid, A 1,3 | ||
| Laagspanningskabel, lenghte m/ft 20 / 66 | ||
| IP-code referentiestation IPX5 | ||
| IP-code voedingseenheid IP44 | ||
| Stroomverbruik, W 2,8 | ||
| Productgegevens van EPOS™ Plug-in | ||
| Ingangsspanning, V DC 18 | ||
| Stroomverbruik, W 1,8 | ||
| IP-code IPX5 | ||
| Ondersteuning van freiendieband door referentiestation EPOS™ RS1 | ||
| Bluetooth®-frequentiebereik (voor service) 2400,0-2483,5 MHz | ||
| SRD868 | 863-870 MHz | |
| Vermogensklasse van referentiestation EPOS™ RS1 | ||
| Bluetooth®-uitgangsvermögen (voor service) | 8 dBm | |
| SRD868 | 13 dBm | |
We können nicht garanderen dat het product volledig compatibel is met andere typen draadloze systemen zoals afstandsbedieningen en radiozenders.
55.2 Geregistreerde handelsmerken
Het Bluetooth®-woordmerk en de logo's zich geregisteerde handelsmerken die eigendom zich van Bluetooth SIG, inc. en het gebruik van deze merken door Husqvarna vindt plaat onder licentie.
56 Verklaring van overeenstemming
Raadpleeg de bedieningshandleiding die is meegeleverd met de robotmaaier voor de Verklaring van conformiteit.
Summario
57 Sicurezza. 174