HV301 - GNSS-ontvanger TRIMBLE - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis HV301 TRIMBLE in PDF-formaat.

📄 94 pagina's PDF ⬇️ Nederlands NL 💬 AI-vraag 🖨️ Afdrukken
Notice TRIMBLE HV301 - page 37
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : TRIMBLE

Model : HV301

Categorie : GNSS-ontvanger

Download de handleiding voor uw GNSS-ontvanger in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding HV301 - TRIMBLE en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. HV301 van het merk TRIMBLE.

GEBRUIKSAANWIJZING HV301 TRIMBLE

+ De waarschuwingsbordjes op het apparaat niet verwijderent + Dit product komt overeen met de laserklasse 3R (max. 5mW, 600.680 nm; DIN EN 60825-1:2001-11). + Vanwege de gebundelde straal dient ook de lichtbaan op grotere afstand in acht te worden genomen en beveiligd! + Nooitin de laserstraal kijken of andere personen ermee in de ogen schinent Dit geldt ook op grotere afstanden van het apparaat! + Het apparaat altjd zodanig opstellen dat personen niet op ooghoogte worden geraakt (attentie bij trappen en bi reflecties). Beslist in acht nemen + Steeds in het midden van het laserpunt markeren (richtmerk) + Apparaat in het midden van het werkgebied opstellen + Voor afstanden vanaf 20 m zoveel mogelik vanaf statief werken + Regelmatig nauwkeurigheïdscontroles uitvoeren + Een stabiel standpunt is de basis voor veilig werken + Glasopperviakken op het apparaat en het afbuigprisma schoon houden + Verticale stand op de verticale statiefaansluiting of 3 verticale rubbervoetjes realiseren

CN OT ONDERDELEN Bedieningspaneeltoetsen 1 Aan-Uit-toets 2 Lijntoets 3 Snelheïds- en rotatietoets 4 Pijljestoets Omlaag

5. Pillestoets Omhoog

Controle-indicatoren 6 Status- / waterpasindicator

7. Manuele indicator / waarschuwingsindicator

8 Batterj-indicator 9 Infraroodontvanger voor afstandsbediening Onderdelen 10 Straaluittrede 11 Beweegbare rubberbalg

13. Centreermarkeringen

14 Batterideksel 15 Statiefaansluitingen 16 Rubbervoeljes INBEDRIFSTELLLING Wanneer dat nog niet in de fabriek is gebeurd, dienen véér de eerste inbedrijfstelling de (oplaadbare) batterijen (aceu's) te worden aangebracht. Wanneer u accu's gebruikt deze eerst opladen. Zie desbetreffend hoofdstuk. Positioneer het apparaat horizontal of verticaal op een stabiele ondergrond of d.m.v. de statiefaansluiting op een statief of wandklem op de juiste hoogte. Naargelang de positie bij het inschakelen herkent het apparaat het automatisch de horizontale of verticale modus. Door op de Aan-Uit-toets 1 te drukken wordt het apparaat ingeschakeld, terwil alle LED's 6, 7, 8 3 sec. oplichten. Het waterpas stellen begint onmiddellik. Voor het uitschakelen van het apparaat opnieuw de toets indrukken. Tijdens het waterpas stellen staat de rotor stl, de waterpasindicator 6 knippert ( 1 x per sec.). Het apparaat is waterpas gesteld, wanneer de laserstraal verschint en de waterpasindicator 6 niet meer knippert. De waterpasindicator brandt dan 5 min. ononderbroken en gaat vervolgens opnieuw knipperen (om de 4 sec.) ten teken dat de laser automatisch werkt Na het inschakelen van de laser en het automatische waterpas stellen start de laser in de laatst gebruikte modus. Wanneer het apparaat meer dan 8 % scheef staat (automatisch waterpasstelbereik), knipperen laser en waterpasindicatoren in een frequentie van eenmaal per seconde. Het apparaat moet dan opnieuw worden gejusteerd Rotatiemodus Door op de rotatie- / snelheidstoets 3 te drukken komt het apparaat in de rotatiemodus, resp. stopt eerst de linmodus. Door opnieuw op de rotatietoets te drukken doorloopt de laser achtereenvolgens de snelheden 600, 200, 80 en 10 min, waarbij met 10 min” voor de betere zichtbaarheid een kleine laserlin wordt weergegeven Door op de bedieningstoetsen te drukken kan het apparaat door de hoge meetnauwkeurigheid niet meer waterpas staan, zodat de rotor pas na het opnieuw waterpas stellen start. Bij het werken met een ontvanger wordt de hoogste rotatiesnelheid aanbevolen. Puntmodus In deze modus wordt de grootste zichtbaarheïd over grote afstanden bereikt. De laserstraal kan na het stoppen van de rotatie handmatig resp. d.m.v. de toetsen 4 en 5 door het draaien van de prismakap direct op de gewenste positie worden gejusteerd. In de horizontale modus wordt het laserpunt door op de piljestoetsen te drukken stapsgewis naar rechts resp. links rondgedraaid (360°)

In de verticale modus daarentegen kan het laserpunt voor het gemakkeliker in één rechte lijn brengen of voor het parallel justeren rechts 5 resp. links 4 in een bereik van + 8% fin worden afgesteld Door de toetsen langer ingedrukt te houden wordt de puntbeweging versneld. Lijnmodus Door eenmaal op de lijntoets 2 te drukken komt het apparaat in de lijnmodus, resp. stopt eerst de rotatie. De laser start met een openingshoek van 8°. Door opnieuw op de toets te drukken verandert de lengte van de lin via 45°, 90° tot 180°. Wanneer toets 2 langer wordt ingedrukt, is het mogelijk om door het draaïen van het afbuigprisma van een begin- naar een eindpunt een programmeerbare lijn te definiéren. Nadat toets 2 is losgelaten, wordt deze lin in de laagste snelheid weergegeven Met de pijljestoetsen 4 en 5 kan de lijn naar rechts of links worden bewogen. Wanneer de toetsen langer worden ingedrukt, wordt de positioneerbeweging van de lijn versneld Door op de bedieningstoetsen te drukken kan het apparaat door de hoge meetnauwkeurigheid niet meer waterpas staan, zodat de rotor pas na het opnieuw waterpas stellen start. Handmatig instellen / éénas-hellingmodus Door eenmaal kort te drukken op de manuele toets van het automatisch waterpas stellen kan het apparaat met behulp van de afstandsbediening resp. de ontvanger-afstandsbedieningscombinatie naar de manuele modus worden omgeschakeld, hetgeen de rode LED 7 met een knipperfrequentie van eenmaal per seconde aangeef. In deze modus kan de Y-as worden gekanteld door op de pijltjestoetsen ,Omhoog / Omlaag" op het apparaat resp. van de afstandbediening te drukken en bovendien de X-as van de laser door op de pijtjestoetsen Rechts/Links* op de afstandsbediening te drukken. Door opnieuw kort op de manuele toets bij de horizontale modus te drukken, wordt het apparaat in de éénas- hellingmodus omgeschakeld, hetgeen wordt aangegeven door het geliktidige knipperen van de groene en rode LED 6/7 in een frequentie van eenmaal per seconde (in de verticale modus schakelt men van manueel direct terug naar het automatische waterpas stellen). In deze modus kan de Y-as m.b.v. de pijtjestoetsen .Omhoog / Omlaag" op het apparaat of op de afstandsbediening worden gekanteld, tenwijl de X-as verder in de horizontale modus functioneert( z.B. bi de inbouw van hellende, verlaagde plafonds of opritten). Werkt het apparaat met 600 min‘, dan is ook de slipbeveiliging actief, d:w.z. dat de apparaatopbouw verder wordt gecontroleerd, hoewel de Y-as handmatig is gekanteld Door opnieuw kort op de manuele toets te drukken gaat het apparaat terug naar het automatisch waterpas Stellen, hetgeen door de groene LED 6 wordt weergegeven. Waterpasautomaat, slipbeveiliging Na het inschakelen van het apparaat justeert het automatisch oneffenheden in zijn automatisch waterpasstelbereik van ca. 8 % (+ 0,8 m/10 m), waarbij de rotor nog stilstaat. Na het waterpas stellen controleert de laser de positie. De slipbeveiliging wordt elke keer, nadat voor de eerste keer waterpas is gesteld, ca. 5 min. na het waterpas stellen geactiveerd, wanneer de laser met 600 min in de horizontale modus werkt. Bij een positieverandering > 30 mm / 10 m activeert deze storing de zogen. slipbeveiliging om te verhinderen dat grotere kantelingen tot hoogteafwijkingen leiden. Hier stopt de rotor, de laserstraal wordt uitgeschakeld, de manuele LED / waarschwings-LED 7 knippert (2x per sec.). Het apparaat uit- en opnieuw inschakelen en vervolgens de oorspronkelijke hoogte controleren resp. opnieuw instellen. WATERPASNAUWKEURIGHEID Nauwkeurigheidsinvloeden De mogelijke waterpasnauwkeurigheïd wordt door vele factoren beïnvloed: + de door de fabriek ingestelde nauwkeurigheid: + de temperatuur van het apparaat; + omgevingsinvioeden zoals regen, wind en temperatuur. De grootste invloed op de meetnauwkeurigheid heeft de omgevingstemperatuur. Met name verticale temperatuurverschillen (luchtlagen) in de buurt van de bodem doen zoais het trllen van de lucht boven warme asfaltwegen de laserstraal afbuigen. FF Dit geldt eveneens voor optische meetapparaten, zoals theodolieten of waterpasinstrumenten!

Nauwkeurigheidscontrole Daarvoor is een vrije afstand van 20 m lengte tussen twee muren nodig (A en B) en wordt een omslagmeting over beide assen X en Y in de horizontale modus uitgevoerd (4 metingen). Plaats de laser horizontaal op een vlakke ondergrond of op een waterpas gesteld statief viak bij een muur (A) en richt het laserpunt in de X-asrichting naar de dichtstbijzinde muur (A). Na het waterpas stellen wordt de hoogte (midden van de straal) op de muur aangebracht. Dan het apparaat 180° laten draaien, waterpas stellen en het midden van de straal op de andere muur (B) markeren (@) 20m Plaats het apparaat nu dicht bi muur B. Richt de laserstraal van het waterpas gestelde apparaat in de X- asrichting van muur B, zodat de eerder gemarkeerde hoogte (vanuit de meting van muur À) exact gerealiseerd is. Draai het apparaat 180°, het waterpas laten stellen en het midden van de straal op muur À markeren. Het verschil (h) tussen beide hier gemarkeerde punten levert nu de werkelijke apparaatafwiking op. Wanneer het apparaat bij de grens van de fabrieksnauwkeurigheid (+ 1,5 mm op 10 m) ligt, bedraagt bij 20 + 20 = 40 m de maximale afwijking van de nulstand 6 mm. Dit op dezelfde wijze voor de negatieve X-as en voor de positieve Y-as herhalen, zodat de hoogte over alle 4 richtingen op hetzelfde muurpunt werd gemeten. WERKVOORBEELDEN Meterpeil / hoogtepunt overbrengen Het apparaat in de horizontale modus zodanig opstellen (bij. d.m.v. statief), dat de laserstraal zich op de gewenste hoogte bevindt. Dan het prisma 6f handmatig naar de gewenste locatie draaïen 6f een van de rotatiemodi gebruiken

Wanneer zonder statief wordt gewerkt, het apparaat op een stabiele ondergrond plaatsen en het hoogteverschil tussen laserstraal en gewenst hoogtepunt m.b.v. een meetlint opmeten. Na het draaien van het prisma naar de locatie het ervoor gemeten hoogteverschil aangeven. Parallel justeren Voor het meten van oneffenheden, het slaan van rechte hoeken, rechthoekig justeren van tussenwanden of aangeven van het voegenpatroon moet de directe straal uit het apparaat (Ioodstraal) parallel, d.wz. op dezelide afstand Lo.v. de referentieliin (muur, dilatatievoeg) worden gejusteerd. Daarvoor het apparaat zodanig in de verticale mode plaatsen en justeren dat de loodstraal ongeveer véér de referentielijn (bijv. muur) veroopt en dan de afstand van de straal Lov. de referentie op het apparaat en op enige afstand meten. Om de paralleliteit in te stellen de straal d.m.v. beide piltjestoetsen op de desbetreffende geljke maat op het apparaat en op enige afstand verplaatsen. Bij het justeren op een dilatatievoeg wordt het apparaat zodanig geplaatst, dat de straal direct over de voeg loopt. De lengte van de referentieafstand is bepalend voor de nauwkeurigheid en dient daarom steeds zo lang mogelik te zijn. Rechte hoek aangeven / verticale werking Loodstraal in de verticale modus parallel L.o.v. de referentielin justeren. De rechte hoek wordt door de in de 90°-straalverdeelprisma afgebogen straal aangegeven. Deze staat nu als verticaal viak ter beschikking, waarop tussenwanden, kozijnen, e.d. kunnen worden gejusteerd. De beste zichtbaarheid wordt bereikt door de ljnmodus {biiv. als verticale lin). Bodempunt op plafond overbrengen / lood De laseroorsprong van het apparaat bevindt zich direct boven de horizontale en ter hoogte van de verticale statiefaansluiting. Bij gebruik van een statief kan een peillood op de statiefbevestigingsschroef worden aangebracht, waarbij de laser dan dit peillood naar boven verlengt, mits de statiefkop horizontaal werd gejusteerd. Voor het justeren op de grond bevinden zich aan de onderrand van de behuizing speciale centreermarkering 13 met behulp waarvan het apparaat met de laseras direct bijv. via het snijpunt van twee tegelvoegen kan worden gejusteerd. Om het apparaat boven een bodempunt beter te kunnen justeren we haakse hulplinen (dradenkruis) door het punt afekenen. Wandhouder M300 (optioneel)

1. Spikergat - maakt het ophangen van de wandhouder aan een spijker of schroef mogelik.

2. Spanhefboom - voor het open / sluiten van de kleminrichting.

3. Stuitschroef- stoptde gliconsole aan een instelpunt van de wandhouder. De schroef kan worden omgezet

om de straal op de muurhoëk (0,0 cm) of 3,1 cm daarboven te justeren.

4. 5/8"-11 laserschroefdraad - voor de bevestiging van de laser aan de universele houder en voor het

vastzetten van de glijconsole, nadat deze op de hoogteschaal werd gepositioneerd.

5. Afleeszide - maakt het justeren van de laser op de voor uw toepassing noodzakeljke schaalpositie

6. 5/8"-11 statiefschroefdraad - voor het aanbrengen van de wandhouder op een standaardstatief bij het

lasergebruik in de verticale modus.

7. Hoogteschaal - schaalmarkeringen die de positie van de laser relatief ten opzichte van de hoogte van

de muurhoek weergeven. Het instelbereik van de schaal reikt van 3,1cm boven tot 5 cm onder de muurhoek. (De ,-2* markering is gejusteerd op de horizontale middellin van het plafondrichtmerk.) Borgmoer - van de instelling van de klemkracht. Kieminrichting - voor het bevestigen van de wandhouder aan muurhoeken of bodemrails.

STROOMVOORZIENING Batterijen / accu's gebruiken Deksel van het batterjenvakje afnemen door de centrale afsluitinrichting 90° te draaïen. Batterijen / accu's zodanig is het batterijenvak plaatsen, dat het minuscontact op de spiraalveren van de batterijen ligt. Deksel aanbrengen en met centrale afsluitinrichting vastzetten. Bi gebruik van alkalibatterijen wordt het opladen door een mechanische beveiliging verhinderd. Het opladen kan uitsluitend plaatsvinden m.b.v. het originele accupakket. Aceu's van een ander merk dienen extern te worden opgeladen. Gebruiksduur Bi gebruik van alkalibatterijen (AÏMn) (Mono LR 20) bedraagt de gebruiksduur ca. 40 h in de rotatiemodus NiCd-accu's maken een gebruiksduur van ca. 30 h in de rotatiemodus mogelik. Onderstaande factoren reduceren de werktijd + frequent bistellen van de stand (wind, trllingen). + extreme temperaturen; + oudere accus; frequent opladen van bifna volle aceu's (memory-effect). + gebruik van batterijen met een verschillende laadstatus. Batterie / accu's altijd compleet vervangen. Gebruik nooit batterijen / accu's met een verschillende capaciteit; zoveel mogeljk nieuwe / opnieuw opgeladen batterien / accu's van één fabrikant gebruiken Door langzaam knipperen van de batteri-indicator 8 wordt eerst aangegeven dat de batterijen moeten worden opgeladen resp. vervangen. Worden de batterijen / aceu's verder ontladen, dan gaat de LED permanent branden, voordat het apparaat volledig wordt uitgeschakeld. Accu's opladen De meegeleverde netoplaadinrichting heeft ca. 10 uur nodig om lege accu's op te laden. Steek daarvoor de stekker van de oplaadinrichting in de laadbus van het apparaat. De oplaadfunctie wordt door een rood indicatielampje op het stekkeroplaadapparaat weergegeven. Nieuwe resp. accu's die vri lange tjd niet zin gebruikt, hebben pas na vijf oplaad- en ontlaadcycli hun volle vermogen. bevindt. Opladen bi) hogere temperaturen kunnen de aceu's beschadigen. Opladen bij lagere temperaturen verlengt de oplaadtid en reduceert de capaciteit, hetgeen tot een gereduceerd vermogen en een kortere levensduur van de accu leidt: APPARAATBEVEILIGING Het apparaat niet blootstellen aan extreme temperaturen en temperatuurschommelingen ( niet'in de auto laten liggen). Aceu's uitsluitend opladen, wanneer de temperatuur van het apparaat zich tussen 10°C en 40°C Het apparaat is zeer stevig gebouwd. Desondanks dient men met meetapparatuur zorgvuldig om te gaan: Nadat het apparaat zwaar is belast, altijd de waterpasnauwkeurigheid controleren voordat de werkzaamheden worden voortgezet. Het apparaat kan zowel binnen als buiten worden gebruikt.

REINIGING EN ONDERHOUD

Verontreinigingen van de glasoppervakken bij uittreedopening 10 hebben een zeer ongunstige invloed op de kwaliteit en de reikwijdte van de straal. Voor het reinigen wattenstaafjes gebruiken. Opletten dat geen pluisjes achterblijven. Met name rubberbalg 11 schoon houden. Verontreinigingen met een vochtige, zachte doek verwijderen. Gebruik geen scherpe reinigings- en oplosmiddelen. Vochtig apparaat buiten laten drogen. MILIEUBESCHERMING Apparaat, accessoires en verpakking zijn recyclebaar. Deze handleïding is vervaardigd van chloorvri recyclingpapier. Alle kunststoffen onderdelen zijn gekenmerkt ‘om voor de recycling gescheiden te worden aangeboden. Â Verbruikte batterijen / aceu's niet weggooien, niet in vuur of water werpen, maar inleveren als KCA.

GARANTIE Op materiaal en fabricagefouten van het apparaat wordt in overeenstemming met de wettelike bepalingen 12 maanden garantie verleend. Voor schade als gevolg van gebruik van een niet gejusteerd apparaat stelt de fabrikant zich niet aansprakelik. Véér begin van alle werkzaamheden altijd een nauwkeurigheidscontrole in overeenstemming met het gelijknamige hoofdstuk uitvoeren. De garantie vervalt met het openen van het apparaat of het verwijderen van de typeplaatjes TECHNISCHE GEGEVEVENS Meetnauwkeurigheid'? £+1 mm/10m Rotatie: 4 snelheden: typ. 10/80/200/600 1/min. Reikwijdte"2: ca. 100 m radius met detector Lasertype: rode diodelaser 635 mm Laservermogen: <5 mW, laserklasse 3R Automatisch waterpasstelbereik): tp. + 5° Waterpassteltijd: yp. 30 sec. Waterpasindicator: LED: laser knippert Straaldiameter1: ca. 5mm bij het apparaat Stroomvoorziening 4 x 1,5 V monocellen type D (LR 20) Bedrifstemperatuur - 5°C..+ 50°C Opslagtemperatut -20°C.….+70°C Statiefaansluitingen: 5/8" horizontaal en vertical Gewicht 27 kg Laagspanningsindicator: batteri-indicator knippert / brandt Laagspanningsuitschakeling: het apparaat wordt volledig uitgeschakeld © 1) bÿ 21°C ©

2) bjj optimale atmosferische omstandigheden

Overeenstemmingsverklaring Hiermee verklaren wi, Trimble Kaiserslautern GmbH dat onderstaand apparaat Hv301 door zin ontwerp en constructie alsmede door de door ons in omloop gebrachte uitvoering beantwoordt aan de normen EN 61000-4-2, 1994; EN 55022, 1994; EN 61000-4-3, 1997 overeenkomstig de bepalingen van de richtln Electromagnetic compatibility 89/336/EEC. Kaiserslautern, 06-06-2003 Bernd Brieger directeur