GRL 300 HV Professional - Afstandsmeter BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis GRL 300 HV Professional BOSCH in PDF-formaat.
| Merk | Bosch |
| Model | GRL 300 HV Professional |
| Producttype | Professionele roterende laserniveau |
| Maximaal bereik | 300 m (met detector) |
| Nauwkeurigheid | ± 0,1 mm/m |
| Zelfnivelleringsbereik | ± 5° |
| Rotatiesnelheden | 0, 150, 300, 600 toeren/min |
| Laserklasse | Klasse 2 (≤ 1 mW, 635 nm) |
| Stroombron | 4 AA-batterijen (alkaline of NiMH) |
| Levensduur | Ongeveer 40 uur (met alkaline batterijen) |
| Afmetingen (L × B × H) | 160 × 160 × 180 mm |
| Gewicht (zonder batterijen) | 1,2 kg |
| Beschermingsgraad | IP54 (beschermd tegen stof en spatwater) |
| Bedrijfstemperatuur | -10 °C tot +50 °C |
| Montage | 5/8" schroefdraad voor statief |
| Hoofdfuncties | Rotatie, lijn, punt, hellingsmodus |
| Onderhoud en reiniging | Reinigen met een zachte, vochtige doek; geen oplosmiddelen of agressieve vloeistoffen gebruiken |
| Veiligheidsinstructies | Niet direct in de laserstraal kijken; gebruik indien nodig een laserbril |
| Reserveonderdelen en repareerbaarheid | Accessoires en reserveonderdelen verkrijgbaar via de Bosch after-sales service |
| Algemene informatie | Zelfnivellerende roterende laser voor de bouw en civiele techniek |
Veelgestelde vragen - GRL 300 HV Professional BOSCH
Gebruikersvragen over GRL 300 HV Professional BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Afstandsmeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding GRL 300 HV Professional - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. GRL 300 HV Professional van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING GRL 300 HV Professional BOSCH
Veiligheidsvoorschriften
Rotatielaser

Alle aanwijzingen moeten worden gelezen en in acht worden genomen om zonder gevaren en veilig met het meetgereedschap te werken. Maak waarschuwingsplaatjes op het meetgereedschap nooit onleesbaar. BEWAAR DEZE VOORSCHRIFTEN GOED.
- Voorzichtig – wanneer andere dan de hier vermelde bedienings- en instelvoorzieningen worden gebruikt of andere procedures worden uitgevoerd, kan dit tot gevaarlijke stralingsblootstelling leiden.
- Gebruik de laserbril niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal, maar biedt geen bescherming tegen de laserstralen.
- Gebruik de laserbril niet als zonnebril en niet in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige bescherming tegen ultravioletstralen en vermindert de waarneming van kleuren.
Laat het meetgereedschap repareren door gekwalificeerd, vakkundig personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de veiligheid van het meetgereedschap in stand blijft.
▶ Werk met het meetgereedschap niet in een omgeving met explosiegevaar waarin zich brandbare vloeistoffen, brandbare gassen of brandbaar stof bevinden. In het meetgereedschap kunnen vonken ontstaan die het stof of de dampen tot ontsteking brengen.
▶ Open het accupack niet. Er bestaat gevaar voor kortsluiting.

Bescherm het accupack tegen hitte, bijvoorbeeld ook tegen aanhoudend zonlicht, vuur, water en vocht. Er bestaat explosiegevaar.
▶ Voorkom aanraking van het niet-gebruikte accupack met paperclips, munten, sleutels, spijkers, schroeven en andere kleine metalen voorwerpen die overbrugging van de contacten kunnen veroorzaken. Kortsluiting tussen de accucontacten kan brandwonden of brand tot gevolg hebben.
Bij verkeerd gebruik kan vloeistof uit de accu lekken. Voorkom contact daarmee. Spoel bij onvoorzien contact met water af. Wanneer de vloeistof in de ogen komt, dient u bovendien een arts te raadplegen. Gelekte accuvloeistof kan tot huidirritaties en verbrandingen leiden.
Laad het accupack alleen met het in deze gebruiksaanwijzing aangegeven oplaadapparaat op. Voor een oplaadapparaat dat voor een bepaald type accu geschikt is, bestaat brandgevaar wanneer het met andere accu's wordt gebruikt.
- Gebruik alleen originele Bosch-occupacks met de op het typeplaatje van het meetgereedschap aangegeven spanning. Bij gebruik van andere occupacks, zoals imitaties, opgeknapte occupacks of occupacks van andere merken, bestaat gevaar voor persoonlijk letsel en materiële schade door exploderende occupacks.
GRL 250 HV
Het meetgereedschap wordt geleverd met een waarschuwingsplaatje in het Engels (in de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen aangeduid met nummer 20).

Plak over de Engelse tekst van het waarschuwingsplaatje de meegeleverde sticker in uw eigen taal voordat u het gereedschap voor het eerst gebruikt.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk niet zelf in de laserstraal. Dit meetgereedschap brengt laserstraling van laserklasse 2 volgens IEC 60825-1 voort. Daardoor kunt u personen verblinden.
▶ Laat kinderen het lasermeetgereedschap niet zonder toezicht gebruiken. Anders kunnen personen worden verblind.



Nederlands | 99
GRL 300 HV/GRL 300 HVG
- Het meetgereedschap wordt geleverd met twee waarschuwingsplaatjes in het Engels (in de weergave van het meetgereedschap op de pagina met afbeeldingen aangeduid met nummer 20 en 21):
GRL 300 HV:

GRL 300 HVG:

GRL 300 HV/GRL 300 HVG:

Plak over de Engelse tekst van de waarschuwingsplaatjes de bijbehorende stickers in uw eigen taal voordat u het gereedschap voor het eerst gebruikt. De stickers ontvangt u samen met het meetgereedschap.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk niet zelf in de laserstraal. Dit meetgereedschap brengt laserstralen van laserklasse 3R volgens IEC 60825-1 voort. Rechtstreeks in de laserstraal kijken – ook van een vrij grote afstand – kan het oog beschadigen.
▶ Voorkom weerspiegeling van de laserstraal op een glad oppervlak, zoals een raam of spiegel. Ook door de weerspiegelde laserstraal is een beschadiging van de ogen mogelijk.
Het meetgereedschap mag alleen worden bediend door personen die vertrouwd zijn met de omgang met laserapparaten. Volgens EN 60825-1 behoort daartoe onder andere de kennis van de biologische werking van de laser op het oog en de huid, alsmede de juiste toepassing van de laserbeveiliging ter afwending van gevaren.
Stel het meetgereedschap altijd zodanig op dat de laserstralen ver boven of ver onder ooghoogte verlopen. Zo is gewaarborgd dat er geen beschadigingen van de ogen optreden.
▶ Markeer het bereik waarbinnen het meetgereedschap wordt gebruikt met geschikte laserwaarschuwingsborden. Zo voorkomt u dat buitenstaanders de gevarenzone betreden.
▶ Bewaar het meetgereedschap niet op een plaats waar onbevoegden toegang hebben. Personen die met de bediening van het meetgereedschap niet vertrouwd zijn, kunnen zichzelf en anderen schade berokkenen.
▶ Neem bij het gebruik van een meetgereedschap van laserklasse 3R mogelijke nationale voorschriften in acht. Het niet in acht nemen van deze voorschriften kan tot letsel leiden.
Zorg ervoor dat het bereik van de laserstraling bewaakt of afgeschermd is. De begrenzing van de laserstraling binnen een gecontroleerd gebied voorkomt oogschade van buitenstaanders.











100 | Nederlands
Acculader

Lees alle veiligheidswaarschuwingen en alle voorschriften. Als de waarschuwingen en voorschriften niet worden opgevolgd, kan dit een elektrische schok, brand of ernstig letsel tot gevolg hebben.

Houd het oplaadapparaat uit de buurt van regen en vocht. Het binnendringen van water in het oplaadapparaat vergroot het risico van een elektrische schok.
Laad met het oplaadapparaat geen accu's van andere fabrikanten op. Het oplaadapparaat is alleen geschikt voor het opladen van het Bosch-accupack dat in de rotatielaser is geplaatst. Bij het opladen van accu's van andere fabrikanten bestaat brand- en explosiegevaar.
Houd het oplaadapparaat schoon. Door vervuiling bestaat gevaar voor een elektrische schok.
- Controleer voor elk gebruik oplaadapparaat, kabel en stekker. Gebruik het oplaadapparaat niet als u een beschadiging hebt vastgesteld. Open het oplaadapparaat niet zelf en laat het alleen door gekwalificeerd personeel en alleen met originele vervangingsonderdelen repareren. Beschadigde oplaadapparaten, kabels en stekkers vergroten het risico van een elektrische schok.
- Gebruik het oplaadapparaat niet op een gemakkelijk brandbare ondergrond (zoals papier of textiel) of in een brandbare omgeving. Vanwege de bij het opladen optredende verwarming van het oplaadapparaat bestaat brandgevaar.
Bij verkeerd gebruik kan vloeistof uit de accu lekken. Voorkom contact daarmee. Spoel bij onvoorzien contact met water af. Wanneer de vloeistof in de ogen komt, dient u bovendien een arts te raadplegen. Gelekte accuvloeistof kan tot huidirritaties en verbrandingen leiden.
Houd toezicht op kinderen en zorg ervoor dat zij niet met het oplaadapparaat spelen.
- Kinderen en personen met geestelijke of lichamelijke beperkingen mogen het oplaadapparaat alleen gebruiken onder toezicht of nadat deze een instructie voor het gebruik hebben ontvangen. Een zorgvuldige instructie vermindert de kans op verkeerde bediening en letsel.
Functiebeschrijving
Vouw de uitvouwbare pagina met de afbeelding van rotatielaser en oplaadapparaat open en laat deze pagina opengevouwen terwijl u de gebruiksaanwijzing leest.
Gebruik volgens bestemming
Rotatielaser
Het meetgereedschap is bestemd voor het meten en controleren van nauwkeurig waterpas verlopende hoogtelijnen, verticale lijnen, vluchtlijnen en loodpunten.
Het meetgereedschap is geschikt voor gebruik binnenshuis en buitenshuis.





Nederlands | 101
Technische gegevens
| Rotatielaser GRL 250 HV | Professional | GRL 300 HV Professional | GRL 300 HVG Professional |
| Zaaknummer 3 601 K61 60. 3 601 K61 50. 3 601 K61 70. | |||
| Werkbereik (radius)^1) | |||
| - Zonder laserontvanger ca. | 30 m | 30 m | 50 m |
| - Met laserontvanger ca. | 125 m | 150 m | 150 m |
| Waterpasnauwkeurigheid^1) 2) | ±0,1 mm/m | ±0,1 mm/m | ±0,1 mm/m |
| Zelfwaterpasbereik kenmerkend | ±8 % (±5°) | ±8 % (±5°) | ±8 % (±5°) |
| Waterpastijd kenmerkend | 15 s 15 s 15 s | ||
| Rotatiesnelheid | 150/300/600 min ^-1 | 150/300/600 min ^-1 | 150/300/600 min ^-1 |
| Openingshoek bij lijnfunctie | 10/25/50° | 10/25/50° 10/25/50° | |
| Bedrijfstemperatuur | -10 ... +50 °C | -10 ... +50 °C | 0 ... +40 °C |
| Bewaartemperatuur | -20 ... +70 °C | -20 ... +70 °C | -20 ... +70 °C |
| Relatieve luchtvochtigheid max. | 90 % | 90 % | 90 % |
| Laserklasse | 2 | 3R | 3 |
| Lasertype | 635 nm, <1 mW | 635 nm, <5 mW | 532 nm, <5 mW |
| ∅ Laserstraal bij de opening ca. ^1) | 5 m m | 5 m m | 5 m m |
| Statiefopname (horizontaal) | 5/8"-11 | 5/8"-11 | 5/8"-11 |
| Accu's (NiMH) | 2 x 1 , 2 V HR 20 (D 2 x 1,2 V HR20 (D) (9 Ah) | (9 Ah) | 2 x 1,2 V HR20 (D) (9 Ah) |
| Batterijen (alkali-mangaan) | 2 x 1 , 5 V L R 20 (D 2 x 1,5 V LR20 (D) | (9 Ah) | 2 x 1,5 V LR20 (D) |
| Gebruiksduur ca. | |||
| - Accu's (NiMH) | 40 h | 30 h | 20 h |
| - Batterijen (alkali-mangaan) | 60 h | 50 h | 30 h |
| Gewicht volgens EPTA-Procedure 01/2003 | 1,8 kg | 1,8 kg | 1,8 kg |
| Afmetingen | 190 x 180 x 170 mm | 190 x 180 x 170 mm | 190 x 180 x 170 mm |
| Beschermingsklasse | IP 54 (stof- en spat-waterbescherming) | IP 54 (stof- en spat-waterbescherming) | IP 54 (stof- en spat-waterbescherming) |
1) bij 20 °C
2) langs de assen
Let op het zaaknummer op het typeplaatje van het meetgereedschap. De handelsbenamingen van afzonderlijke meetgereedschappen kunnen afwijken.
Het serienummer 19 op het typeplaatje dient voor de eenduidige identificatie van uw meetgereedschap.
102 | Nederlands
Oplaadapparaat
| Zaaknummer 2 610 A13 782 | ||
| Nominale spanning | V~ 100–240 | |
| Frequentie | Hz 50/60 | |
| Oplaadspanning accu | V= 7,5 | |
| Laadstroom | A | 1,0 |
| Toegestaan oplaadtemperatuurbereik | °C 0–45 | |
| Oplaadtijd | h | 14 |
| Aantal accucellen | 2 | |
| Nominale spanning (Accu’s) | V= 2 x 1,2 | |
| Gewicht volgens EPTA-Procedure 01/2003 | kg 0,2 | |
| Isolatieklasse | / | |
Afgebeelde componenten
De nummering van de afgebeelde componenten heeft betrekking op de weergave van rotatie-laser en oplaadapparaat op de pagina's met af-beeldingen.
1 Indicatie waarschuwing voor schok
2 Toets Waarschuwing voor schok
3 Weergave automatisch waterpassen
4 Aan/uit-toets rotatielaser
5 Toets voor rotatiefunctie en keuze van de rotatiesnelheid
6 Variabele laserstraal
7 Ontvangstlens voor afstandsbediening
8 Opening voor laserstraal
9 Loodstraal
10 Rotatiekop
11 Toets voor lijnfunctie en keuze van de lijn-
lengte
12 Indicatie oplaadtoestand
13 Accupack*
14 Batterijvak
15 Vergrendeling batterijvak
16 Vergrendeling accupack*
17 Contactbus voor oplaadstekker*
18 Statiefopname 5/8"
19 Serienummer
20 Laser-waarschuwingsplaatje
21 Waarschuwingsplaatje opening laserstraling (GRL 300 HV/GRL 300 HVG)
22 Oplaadapparaat*
23 Netstekker van oplaadapparaat*
24 Oplaadstekker*
25 Afstandsbediening*
26 Statief*
27 Bouwlaser-meetlat*
28 Laserontvanger*
29 Laserbril*
30 Muurhouder/richteenheid*
31 Bevestigingsschroef van de wandhouder*
32 Schroef op richteenheid*
33 5/8"-schroef op muurhouder*
34 Meetplaat met voet*
35 Plafondmeetplaat*
36 Opbergkoffer
* Niet elk afgebeeld en beschreven toebehoren wordt standaard meegeleverd.









Montage
Energievoorziening rotatielaser
Gebruik met batterijen of accu's
Voor het gebruik van het meetgereedschap worden alkalimangaanbatterijen of accu's geadviseerd.
Als u het batterijvak 14 wilt openen, draait u de vergrendeling 15 in stand on trekt u het batterijvak naar buiten.
Let bij het inzetten van de batterijen op de juiste poolaansluitingen overeenkomstig de afbeelding in het batterijvak.
Vervang altijd alle batterijen tegelijkertijd. Gebruik alleen batterijen van één fabrikant en met dezelfde capaciteit.
Sluit het batterijvak 14 en draai de vergrendeling 15 in stand
Als u de batterijen verkeerd heeft geplaatst, kan het meetgereedschap niet worden ingeschakeld. Plaats de batterijen met de juiste poolaansluitingen in het batterijvak.
▶ Neem de batterijen uit het meetgereedschap als u het langdurig niet gebruikt. Als de batterijen lang worden bewaard, kunnen deze gaan roesten en leegraken.
Gebruik met accupack
Laad het accupack 13 vóór het eerste gebruik op. Het accupack kan uitsluitend worden opgeladen met het daarvoor bestemde oplaadapparaat 22.
▶ Let op de netspanning! De spanning van de stroombron moet overeenkomen met de gegevens op het typeplaatje van het oplaadapparaat. Met 230 V aangeduide oplaadapparaten kunnen ook met 220 V worden gebruikt.
Steek de bij uw stroomnet passende netstekker 23 in het oplaadapparaat 22 en laat deze vastklikken.
Steek de oplaadstekker 24 van het oplaadapparaat in de aansluiting 17 van het accupack. Sluit het oplaadapparaat op het stroomnet aan. Het opladen van het lege accupack duurt ongeveer 14 uur. Oplaadapparaat en accupack zijn beschermd tegen te lang opladen.
Een nieuw of lang niet gebruikt accupack levert pas na ongeveer vijf oplaad- en ontlaadcycli zijn volledige capaciteit.
Laad het accupack 13 niet na elk gebruik op, omdat anders de capaciteit ervan verminderd wordt. Laad het accupack alleen op als de oplaadindicatie 12 knippert of continu brandt.
Een duidelijk kortere gebruiksduur na het opla- den geeft aan dat het accupack versleten is en moet worden vervangen.
Als het accupack leeg is, kunt u het meetgereedschap ook met behulp van het oplaadapparaat 22 gebruiken, als dit op het stroomnet is aangesloten. Schakel het meetgereedschap uit, laad het accupack ca. 10 minuten op en schakel vervolgens het meetgereedschap met het aangesloten oplaadapparaat weer in.
Als u het accupack 13 wilt vervangen, draait u de vergrendeling 16 in stand en trekt u het accupack 13 naar buiten.
Zet een nieuw accupack in en draai de vergrendeling 16 in stand
Neem het accupack uit het meetgereedschap als u het gedurende lange tijd niet gebruikt. Accu's kunnen roesten of hun lading verliezen als deze lang worden bewaard.
Indicatie oplaadtoestand
Als de oplaadindicatie 12 voor het eerst rood knippert, kan het meetgereedschap nog ongeveer 2 uur worden gebruikt.
Als de oplaadindicatie 12 continu rood brandt, zijn er geen metingen meer mogelijk. Het meetgereedschap wordt na 1 minuut automatisch uitgeschakeld.


Ingebruikneming rotatielaser
▶ Bescherm het meetgereedschap tegen vocht en fel zonlicht.
Stel het meetgereedschap niet bloot aan extreme temperaturen of temperatuurschommelingen. Laat het bijvoorbeeld niet lange tijd in de auto liggen. Laat het meetgereedschap bij grote temperatuurschommelingen eerst op de juiste temperatuur komen voordat u het in gebruik neemt. Bij extreme temperaturen of temperatuurschommelingen kan de nauwkeurigheid van het meetgereedschap nadelig worden beïnvloed.
▶ Voorkom heftige schokken of vallen van het meetgereedschap. Na sterke externe inwerkingen op het meetgereedschap dient u, voordat u de werkzaamheden voortzet, altijd een nauwkeurigheidscontrole uit te voeren (zie „Waterpasnauwkeurigheid rotatielaser“, pagina 106).
Meetgereedschap opstellen

Horizontale
stand
Verticale
stand

Stel het meetgereedschap op een stabiele ondergrond in de horizontale of verticale stand op, monteer het op een statief 26 of op de muurhouder 30 met richtenheid.
Vanwege de hoge nivelleernauwkeurigheid reageert het meetgereedschap zeer gevoelig op trillingen en verplaatsingen. Let daarom op een stabiele positie van het meetgereedschap om onderbrekingen van het gebruik door opnieuw nivelleren te voorkomen.
In- en uitschakelen
Richt de laserstraal niet op personen of dieren (in het bijzonder niet op hun ooghoogte) en kijk zelf niet in de laserstraal (ook niet van een grote afstand). Het meetgereedschap zendt onmiddellijk na het inschakelen een verticale loodstraal 9 en een variabele horizontale laserstraal 6 uit.
Als u het meetgereedschap wilt inschakelen, drukt u op de aan/uit-toets 4. De indicaties 1, 3 en 12 lichten kort op. Het meetgereedschap begint meteen met automatisch waterpassen. Tijdens het waterpassen knippert de waterpasindicatie 3 groen en de laser knippert in de puntfunctie.
Het meetgereedschap is waterpas gesteld zodra de waterpasindicatie 3 continu groen brandt en de laser continu schijnt. Nadat het waterpassen is afgesloten, start het meetgereedschap automatisch in de rotatiefunctie.
Met de functietoetsen 5 en 11 kunt u al tijdens het waterpas stellen de functie vastleggen (zie „Functies rotatielaser”, pagina 105). In dit geval start het meetgereedschap nadat het waterpassen is afgesloten in de gekozen functie.
Als u het meetgereedschap wilt uitschakelen, drukt u opnieuw op de aan/uit-toets 4.
Laat het ingeschakelde meetgereedschap niet onbeheerd achter en schakel het meetgereedschap na gebruik uit. Andere personen kunnen door de laserstraal verblind worden.
Het meetgereedschap wordt ter bescherming van de batterijen automatisch uitgeschakeld wanneer het zich langer dan 2 uur buiten het zelfwaterpasbereik bevindt of de schokwaarschuwing langer dan 2 uur geactiveerd is (zie „Automatisch waterpassen rotatielaser“, pagina 106). Positioneer het meetgereedschap opnieuw en schakel het weer in.





Nederlands | 105
Functies rotatielaser
Overzicht
Alle drie gebruiksmodi zijn in horizontale en verticale stand van het meetgereedschap mogelijk.

Rotatiefunctie
De rotatiefunctie wordt in het bijzonder geadviseerd bij gebruik van de laserontvanger. U kunt tussen verschillende rotatiesnelheden kiezen.

Lijnfunctie
In deze functie beweegt de variabele laserstaal binnen een beperkte openingshoek. Daardoor wordt de zichtbaarheid van de laserstraal ten opzichte van de rotatiefunctie verbeterd. U kunt uit verschillende openingshoeken kiezen.

Puntfunctie
In deze functie wordt de beste zichtbaarheid van de variabele laserstraal bereikt. Deze dient bijvoorbeeld voor het eenvoudig overbrengen van hoogten of voor het controleren van rooilijnen.

Rotatiefunctie (150/300/600 min ^-1 )
Na het inschakelen bevindt het meetgereedschap zich in de rotatiefunctie met gemiddelde rotatiesnelheid.
Als u van de lijn- naar de rotatiefunctie wilt gaan, drukt u op de toets voor de rotatiefunctie 5. De rotatiefunctie start met gemiddelde rotatiesnelheid.
Als u de rotatiesnelheid wilt veranderen, drukt u opnieuw op de toets voor de rotatiefunctie 5 tot de gewenste snelheid bereikt is.
Tijdens werkzaamheden met de laserontvanger dient u de hoogste rotatiesnelheid te kiezen. Bij werkzaamheden zonder laserontvanger vermindert u voor een betere zichtbaarheid van de laserstraal de rotatiesnelheid en gebruikt u de laserbril 29.

Lijnfunctie, puntfunctie (10°/25°/50°, 0°)
Als u naar de lijnfunctie of de puntfunctie wilt gaan, drukt u op de toets voor lijnfunctie 11. Het meetgereedschap gaat over naar de lijnfunctie met de kleinste openingshoek.
Voor de verandering van de openingshoek drukt u op de toets voor lijnfunctie 11. De openingshoek wordt in twee stappen vergroot. Tegelijkertijd wordt de rotatiesnelheid bij elke stap verhoogd. Als u de toets voor lijnfunctie 11 voor de derde keer indrukt, gaat het meetgereedschap na kort heen en weer bewegen over naar de puntfunctie. Opnieuw indrukken van de toets 11 leidt terug naar de lijnfunctie met de kleinste openingshoek.
Opmerking: Vanwege de traagheid kan de laser in geringe mate over de eindpunten van de laser- lijn heen bewegen.
Voor het positioneren van de laserlijn of de laserpunt binnen het rotatievlak draait u de rotatiekop 10 met de hand in de gewenste positie of gebruikt u de afstandsbediening 25.
Rotatievlak bij verticale stand draaien
Bij een verticale stand van het meetgereedschap kunt u laserpunt, laserlijn of rotatievlak met behulp van de afstandsbediening 25 om de verticale as draaien. Raadpleeg daarvoor de gebruiksaanwijzing van de afstandsbediening.








Het meetgereedschap herkent na het inschakelen zelf de horizontale resp. verticale stand. Als u wilt wisselen tussen de horizontale en verticale stand, schakelt u het meetgereedschap uit, positioneert u het opnieuw en schakelt u het weer in.
Na het inschakelen controleert het meetgereedschap de horizontale of verticale stand en compenseert het oneffenheden binnen het zelfwaterpasbereik van ca. 8 % (5°) automatisch.
Als het meetgereedschap na het inschakelen of na een positieverandering meer dan 8 % scheef staat, is waterpas stellen niet meer mogelijk. In dit geval wordt de rotor gestopt. De laser knippert en de waterpasindicatie 3 brandt continu rood. Positioneer het meetgereedschap opnieuw en wacht het waterpassen af. Zonder opnieuw positioneren wordt na 2 minuten de laser en na 2 uur het meetgereedschap automatisch uitgeschakeld.
Als het meetgereedschap waterpas is gesteld, controleert het voortdurend de horizontale resp. verticale stand. Bij positieveranderingen wordt er automatisch opnieuw waterpas gesteld. Ter voorkoming van verkeerde metingen stopt de rotor tijdens het waterpassen. De laser knippert en de waterpasindicatie 3 knippert groen.

Schokwaarschuwingsfunctie
Het meetgereedschap bezit een schokwaarschuwingsfunctie. Deze voorkomt bij veranderingen van plaats en schokken van het meetgereedschap of bij trillingen van de ondergrond het waterpas stellen op veranderde hoogte. Daardoor worden hoogtefouten voorkomen.
Als u de schokwaarschuwing wilt inschakelen, drukt u op de toets Schokwaarschuwing 2. De schokwaarschuwingsindicatie 1 brandt continu groen. Na 30 seconden wordt de schokwaarschuwing geactiveerd.
Als bij een plaatsverandering van het meetge-reedschap het bereik van de waterpasnauwkeu-righeid wordt overschreden of een sterke schok
wordt geregistreerd, wordt de schokwaarschuwing gegeven. De rotatie wordt gestopt, de laser knippert, de waterpasindicatie 3 gaat uit en de schokwaarschuwingsindicatie 1 knippert rood. De actuele functie wordt opgeslagen.
Nadat een schokwaarschuwing is gegeven, drukt u op de toets Schokwaarschuwing 2. De schokwaarschuwing wordt opnieuw gestart en het meetgereedschap begint met waterpassen. Zodra het meetgereedschap waterpas is gesteld (de waterpasindicatie 3 brandt continu groen) start het in de opgeslagen functie. Controleer vervolgens de hoogte van de laserstraal aan een referentiepunt en corrigeer de hoogte indien nodig.
Als na een afgegeven schokwaarschuwing de functie door het indrukken van de toets 2 niet opnieuw wordt gestart, worden na 2 minuten de laser en na 2 uur het meetgereedschap automatisch uitgeschakeld.
Als u de functie schokwaarschuwing wilt uit- schakelen, drukt u de toets Schokwaarschu- wing 2 eenmaal of, nadat de schokwaarschu- wing is gegeven (schokwaarschuwingsindicatie 1 knippert rood), tweemaal in. Als de schokwaarschuwing uitgeschakeld is, gaat de schokwaarschuwingsindicatie 1 uit.
Waterpasnauwkeurigheid rotatielaser
Nauwkeurigheidsinvloeden
De grootste invloed oefent de omgevingstemperatuur uit. Vooral vanaf de grond naar boven toe verlopende temperatuurverschillen kunnen de laserstraal afbuigen.
De afwijkingen zijn relevant vanaf een meettraject van ca. 20 meter en kunnen bij 100 meter zelfs het twee- tot viervoudige van de afwijking bij 20 meter bedragen.
Omdat de temperatuurverschillen bij de grond het grootst zijn, dient u het meetgereedschap vanaf een meettraject van 20 meter altijd op een statief te monteren. Plaats het meetgereedschap bovendien indien mogelijk in het midden van het werkvlak.








Nederlands | 107
Nauwkeurigheidscontrole van het meetgereedschap
Behalve externe invloeden, kunnen ook apparaatspecifieke invloeden (zoals een val of een hevige schok) tot afwijkingen leden. Controleer daarom altijd voor het begin van de werkzaamheden de nauwkeurigheid van het meetgereedschap.
Voor de controle heeft u een vrij meettraject van 20 meter op een vaste ondergrond tussen twee muren A en B nodig. U moet – bij een horizontale stand van het meetgereedschap – een omslagmeting over beide assen X en Y (positief en negatief) uitvoeren (vier complete metingen).
- Monteer het meetgereedschap in de horizontale stand dicht bij muur A op een statief 26 (toebehoren) of plaats het op een stevige en vlakke ondergrond. Schakel het meetgereedschap in.

- Richt na het nivelleren de laserstraal in de puntfunctie op de nabijgelegen muur A. Markeer het midden van de punt van de laserstraal op de muur (punt I).

- Draai het meetgereedschap 180°, laat het nivelleren en markeer het midden van de punt van de laserstraal op muur B aan de andere kant (punt II).
- Plaats het meetgereedschap - zonder het te draaien - dicht bij muur B, schakel het in en laat het waterpassen.

- Stel het meetgereedschap in hoogte zo af (met behulp van het statief of indien nodig door er iets onder te plaatsen), dat het midden van de punt van de laserstraal precies de eerder gemarkeerde punt II op muur B raakt.

- Draai het meetgereedschap 180° zonder de hoogte te veranderen. Laat het waterpassen en markeer het midden van de punt van de laserstraal op muur A (punt III). Let erop dat punt III zoveel mogelijk recht boven of recht onder punt I ligt.
- Het verschil d tussen beide gemarkeerde punten I en III op muur A levert de feitelijke afwijking van het meetgereedschap voor de gemeten as op.
Herhaal de meting voor de andere drie assen. Draai daarvoor het meetgereedschap voor het begin van elke meting telkens 90°.
Op het meettraject van 2 x 20 = 40 m bedraagt de maximaal toegestane afwijking: 40 m x ±0,1 mm/m = ±4 mm.
Het verschil d tussen de punten I en III mag daarom bij elk van de vier metingen hoogstens 4 mm bedragen.
Als het meetgereedschap de maximale afwijking bij een van de vier metingen overschrijdt, dient u het bij een Bosch-klantenservice te laten controleren.








Tips voor de werkzaamheden
- Gebruik altijd alleen het midden van de laserpunt voor het markeren. De grootte van de laserpunt verandert met de afstand.
Laserbril (toebehoren)
De laserbril filtert het omgevingslicht uit. Daardoor lijkt het rode licht van de laser voor het oog helderder.
- Gebruik de laserbril niet als veiligheidsbril. De laserbril dient voor het beter herkennen van de laserstraal, maar biedt geen bescherming tegen de laserstralen.
- Gebruik de laserbril niet als zonnebril en niet in het verkeer. De laserbril biedt geen volledige bescherming tegen ultravioletstralen en vermindert de waarneming van kleuren.
Werkzaamheden met laserontvanger (toebehoren)
Bij ongunstige lichtomstandigheden (omgeving met veel licht, fel zonlicht) en op grote afstanden gebruikt u de laserontvanger om de laserstraal beter te kunnen vinden 28.
Kies bij werkzaamheden met de laserontvanger de rotatiefunctie met de hoogste rotatiesnelheid.
Lees voor de werkzaamheden met de laserontvanger de bijbehorende gebruiksaanwijzing en neem de voorschriften in acht.
Werkzaamheden met de afstandsbediening (toebehoren)
Bij het indrukken van de bedieningstoetsen kan het meetgereedschap uit de nivellering worden gebracht, zodat de rotatie gedurende korte tijd stopt. Door het gebruik van de afstandsbediening 25 wordt dit effect voorkomen.
Ontvangstlenzen 7 voor de afstandsbediening bevinden zich aan drie zijden van het meetgereedschap, onder andere boven het bedieningsveld aan de voorzijde.
Werkzaamheden met het statief (toebehoren)
Het meetgereedschap beschikt over een 5/8"-statiefopname voor horizontaal gebruik op een statief. Plaats het meetgereedschap met de statiefopname 18 op de 5/8"-schroefdraad van het statief en schroef het met de vastzetschroef van het statief vast.
Bij een statief 26 met schaalverdeling op het uitschuifbaar deel kunt u de hoogteverplaatsing rechtstreeks instellen.
Werkzaamheden met muurhouder en richteenheid (toebehoren) (zie afbeelding A)
U kunt het meetgereedschap ook op de wandhouder met richteenheid 30 monteren. Draai daarvoor de 5/8"-schroef 33 van de muurhouder in de statiefopname 18 op het meetgereedschap.
Montage op een muur: Montage op een muur wordt geadviseerd bijvoorbeeld bij werkzaamheden boven de uittrekhoogte van het statief of bij werkzaamheden op een instabiele ondergrond en zonder statief. Bevestig daarvoor de muurhouder 30 met gemonteerd meetgereedschap zo verticaal mogelijk tegen een muur.
Voor montage op de muur kunt u de muurhouder 30 met de bevestigingsschroef 31 op een plint van maximaal 8 mm breedte vastschroeven of aan twee haken ophangen.
Montage op een statief: U kunt de muurhouder 30 ook met de statiefopname aan de achterkant op een statief schroeven. Deze bevestiging wordt in het bijzonder geadviseerd bij werkzaamheden waarbij het rotatievlak op een referentielijn moet worden gericht.
Met de richteenheid kunt u het gemonteerde meetgereedschap verticaal (bij montage op de muur) of horizontaal (bij montage op een statief) over een afstand van ca. 16 cm verschuiven. Draai daarvoor de schroef 32 op de richteenheid los, verschuif het meetgereedschap in de gewenste stand en draai de schroef 32 weer vast.





Werkzaamheden met de plafondmeetplaat (zie afbeelding A)
De plafondmeetplaat 35 kan bijvoorbeeld voor het eenvoudig afstellen van de hoogte van systeemplafonds worden gebruikt. Bevestig de plafondmeetplaat met de magneethouder bijvoorbeeld aan een drager.
De reflecterende helft van de plafondmeetplaat verbetert de zichtbaarheid van de laserstraal bij ongunstige omstandigheden. Door de transparante helft is de laserstraal ook vanaf de achterzijde herkenbaar.
Werkzaamheden met de meetplaat (toebehoren)
Met de meetplaat 34 kunt u de lasermarkering op de vloer resp. de laserhoogte op een muur overbrengen.

Met het nulveld en de schaalverdeling kunt u de verplaatsing ten opzichte van de gewenste hoogte meten en op een andere plaats aantekenen. Daarmee vervalt het nauwkeurig instellen van het meetgereedschap op de over te brengen hoogte.
De meetplaat 34 heeft een reflecterende laag die de zichtbaarheid van de laserstraal op een grote afstand resp. bij fel zonlicht verbetert. De helderheidsversterking is alleen zichtbaar als u parallel aan de laserstraal op de meetplaat kijkt.
Werkzaamheden met de meetlat (toebehoren) (zie afbeelding H)
Voor het controleren van oneffenheden of het aantekenen van verval wordt het gebruik van de meetlat 27 samen met de laserontvanger geadviseerd.

Op de meetlat 27 is boven een relatieve schaalverdeling (±50 cm) aangebracht. De nulhoogte daarvan kunt u onder op het uittrekbare gedeelte vooraf instellen. Daarmee kunnen afwijkingen van de gewenste hoogte rechtstreeks worden afgelezen.
Toepassingsvoorbeelden
Hooqten overbrengen en controleren (zie afbeelding B)
Plaats het meetgereedschap in de horizontale stand op een stevige ondergrond of monteer het op een statief 26 (toebehoren).
Werkzaamheden met statief: Stel de laserstraal op de gewenste hoogte af. Breng de hoogte op de bestemmingsplaats over of controleer de hoogte.
Werkzaamheden zonder statief: Bepaal het hoogteverschil tussen laserstraal en hoogte op het referentiepunt met behulp van de meetplaat 34. Breng het gemeten hoogteverschil op de bestemmingsplaats over of controleer het gemeten hoogteverschil.


Loodstraal parallel afstellen en rechte hoeken aantekenen (zie afbeelding C)
Als u rechte hoeken wilt aantekenen of tussenwanden wilt uitlijnen, dient u de loodstraal 9 parallel, dat wil zeggen op dezelfde afstand tot een referentielijn (bijvoorbeeld een muur) uit te lijnen.
Stel daarvoor het meetgereedschap in de verticale stand op en positioneer het zo dat de loodstraal ongeveer parallel aan de referentielijn verloopt.
Meet voor de nauwkeurige positionering de afstand tussen loodstraal en referentielijn vlakbij het meetgereedschap met behulp van de meetplaat 34. Meet de afstand tussen loodstraal en referentielijn opnieuw op een zo groot mogelijke afstand van het meetgereedschap. Stel de loodstraal zo af dat deze dezelfde afstand tot de referentielijn heeft als bij de meting rechtstreeks op het meetgereedschap.
De rechte hoek met de loodstraal 9 wordt aangegeven door de variabele laserstraal 6.
Loodlijn of verticaal vlak aangeven (zie afbeelding D)
Voor het aangeven van een loodlijn of een verticaal vlak stelt u het meetgereedschap in de verticale stand op. Als het verticale vlak in een rechte hoek met een referentielijn (bijvoorbeeld een muur) moet verlopen, stelt u de loodstraal 9 op deze referentielijn af.
De loodlijn wordt door de variabele laserstraal 6 aangegeven.
Werkzaamheden zonder laserontvanger (zie afbeelding E)
Bij gunstige lichtomstandigheden (donkere omgeving) en op korte afstanden kunt u zonder laserontvanger werken. Voor een betere zichtbaarheid van de laserstraal kiest u de lijnfunctie. Of u kiest de puntfunctie en draait de rotatiekop 10 handmatig naar de bestemmingsplaats.
Werkzaamheden met laserontvanger (zie afbeelding F)
Bij ongunstige lichtomstandigheden (omgeving met veel licht, rechtstreeks zonlicht) en op grote afstanden gebruikt u de laserontvanger om de laserstraal beter te kunnen vinden. Kies bij werkzaamheden met de laserontvanger de rotatiefunctie met de hoogste rotatiesnelheid.
Meten op grote afstanden (zie afbeelding G)
Bij het meten op grote afstanden moet de laser-ontvanger voor het vinden van de laserstraal worden gebruikt. Om storingsinvloeden te verminderen, moet u het meetgereedschap altijd in het midden van het werkoppervlak en op een statief opstellen.
Werkzaamheden buitenshuis (zie afbeelding H)
Buitenshuis moet altijd de laserontvanger worden gebruikt.
Monteer bij werkzaamheden op een onzekere ondergrond het meetgereedschap op het statief 26. Activeer de schokwaarschuwingsfunctie om foutieve metingen bij bewegingen van de ondergrond of schokken van het meetgereedschap te voorkomen.











Nederlands | 111
Overzicht van de indicaties

Onderhoud en service
Onderhoud en reiniging
Houd de rotatielaser en het oplaadapparaat altijd schoon.
Dompel de rotatielaser en het oplaadapparaat niet in water of andere vloeistoffen.
Verwijder vuil met een vochtige, zachte doek. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen.
Reinig in het bijzonder de vlakken bij de laseropening van de rotatielaser regelmatig en let daarbij op pluizen.
Mochten de rotatielaser of het oplaadapparaat ondanks zorgvuldige fabricage- en testmethoden toch defect raken, dient de reparatie te worden uitgevoerd door een erkende klantenservice voor Bosch elektrische gereedschappen. Open de rotatielaser en het oplaadapparaat niet zelf.
Vermeld bij vragen en bestellingen van vervangingsonderdelen altijd het uit tien cijfers bestaande zaaknummer volgens het typeplaatje van de rotatielaser of het oplaadapparaat.









112 | Nederlands
Klantenservice en advies
Onze klantenservice beantwoordt uw vragen over reparatie en onderhoud van uw product en over vervangingsonderdelen. Explosietekeningen en informatie over vervangingsonderdelen vindt u ook op:
www.bosch-pt.com
De medewerkers van onze klantenservice adviseren u graag bij vragen over de aankoop, het gebruik en de instelling van producten en toebehoren.
Nederland
Tel.: +31 (076) 579 54 54
Fax: +31 (076) 579 54 94
E-mail: gereedschappen@nl.bosch.com
België en Luxemburg
Tel.: +32 (070) 22 55 65
Fax: +32 (070) 22 55 75
E-mail: outillage.gereedschap@be.bosch.com
Afvalverwijdering
Rotatielaser, oplaadapparaat, toebehoren en verpakkingen moeten op een voor het milieu verantwoorde wijze worden hergebruikt.
Gooi rotatielaser, oplaadapparaat, accu's en batterijen niet bij het huisvuil.
Alleen voor landen van de EU:

Volgens de Europese richtlijn 2002/96/EG moeten niet meer bruikbare meetgereedschappen en oplaadapparaten en volgens de Europese richtlijn 2006/66/EG moeten defecte of lege accu's en
batterijen apart worden ingezameld en op een voor het milieu verantwoorde wijze worden hergebruikt.
Accu's en batterijen:

Ni-MH: Nikkelmetaalhydride
Wijzigingen voorbehouden.






Dansk | 113