HS R 130 - Veegmachine Ghibli & Wirbel - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis HS R 130 Ghibli & Wirbel in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over HS R 130 Ghibli & Wirbel
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Veegmachine in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding HS R 130 - Ghibli & Wirbel en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. HS R 130 van het merk Ghibli & Wirbel.
GEBRUIKSAANWIJZING HS R 130 Ghibli & Wirbel
Het bedrijf is blij u te kunnen rekenen tot de eigenaren van een veegwagen.
Als u de onderstaande instructies in acht neemt, zijn we er zeker van dat u de werkmogelijkheden van deze veegwagen ten volle kunt waarderen.
Deze handleiding wordt verstrekt om de doeleinden en bedoelingen waarvoor de machine is gebouwd zo duidelijk mogelijk te defi niëren, en om aanwijzingen te geven voor een zo veilig mogelijk gebruik van de machine.
Verder worden alle kleinere handelingen vermeld die nodig zijn om de veegwagen effi ciënt en veilig te handhaven.
Neem voor ingrepen voor buitengewoon onderhoud altijd contact op met gespecialiseerd personeel (par. KAPITTEL 16).
De handleiding bevat informatie over gevaren of restrisico's, dat wil zeggen alle risico's die niet geëlimineerd kunnen worden, met de voor de afzonderlijke gevallen geschikte aanwijzingen. Verder is er informatie inzake het toelaatbare en niet-toelaatbare gebruik, aanwijzingen inzake de inbedrijfstelling van de veegwagen, technische informatie en toelaatbare prestaties, aanwijzingen inzake het gebruik en het onderhoud van de veegwagen, aanwijzingen voor de buitendienststelling, de ontmanteling of de sloop.
KAPITTEL 2 - LEGENDA
In deze handelingen en aangebracht op de machine worden de volgende symbolen gebruikt, alleen of onderling gecombineerd.
![]() | Duidt op een waarschuwing of een opmerking inzake een uiterste belangrijke of nuttige functie. Let goed op voor tekstblokken aangegeven met dit symbool. |
![]() | Duidt op belangrijke of nuttige functies. |
![]() | Geeft aan dat de handleiding voor gebruik en onderhoud gelezen moet worden voordat er handelingen worden uitgevoerd |
![]() | Geeft aan dat de met het symbool gemarkeerde informatie het onderhoud betreft. |
![]() | Geeft aan dat de apparatuur alleen geschikt is voor gelijkstroom. |
![]() | Geeft het gevaar aan van het inademen van uitlaatgassen door het gebruik van endothermische motoren in onvoldoende geventileerde ruimtes. |
![]() | Draag oogbescherming. |
![]() | Draag gehoorbeschermers. |
![]() | Draag beschermende handschoenen. |
![]() | Draag beschermende kleding. |
![]() | Draag ademhalingsbeschermende maskers. |
![]() | Draag veiligheidsschoenen. |
![]() | Bevestig de veiligheidsgordel |
| DSA, BIN-UP | Versies met geassisteerde afvoer |
Raadpleeg de specifieke handleidingen van de onderdelen van de machine (bijv. motor, accu's, enz.) voor meer symbolen die niet in dit document zijn opgenomen.

LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG DOOR ALVORENS DE MACHINE TE GEBRUIKEN.
HET BEDRIJF WEIGERT ALLE AANSPRAKELIJKEHEID VOOR MATERIËLE SCHADE EN/OF PERSOONLIJK LETSEL VEROORZAAKT DOOR DE NIET-NALEVING VAN DE NORMEN BESCHREVEN IN DEZE HANDLEIDING OF DOOR EEN ONJUISTE EN/OF ONEIGENLIJK GEBRUIK VAN DE MACHINE.
DE MACHINE IS NIET BESTEMD VOOR GEBRUIK DOOR PERSONEN (WAARONDER KINDEREN) MET VERMINDERDE LICHAMELIJKE, ZINTUIGLIJKE EN GEESTELIJKE VERMOGENS OF DIE DE INHOUD VAN DEZE HANDLEIDING NIET VOLLEDIG HEBBEN GELEERD EN BEGREPEN.
DE MACHINE MOET ONDER TOEZICHT GEBRUIKT WORDEN OM TE VOORKOMEN DAT ZE DOOR KINDEREN WORDT GEBRUIKT.
OM ONBEVOEGD GEBRUIK VAN DE MACHINE TE VOORKOMEN, MOET DE AANDRIJFKRACHT WORDEN UITGESCHAKELD OF VEILIG WORDEN GEMAAKT, BIJVOORBEELD DOOR DE CONTACTSLEUTEL TE VERWIJDEREN.
DE MACHINE DIE ONBEHEERD WORDT ACHTERGELATEN, MOET WORDEN BESCHERMD TEGEN ONVRIJWILLIGE BEWEGINGEN..
DE MACHINE IS ONTWORPEN VOOR EEN COMMERCIEEL GEBRUIK, BIJVOORBEELD IN HOTELS, ZIEKENHUIZEN, WINKELCENTRA, WINKELS, KANTOREN, GEHUURDE PANDEN EN GROTE RUIMTES IN HET ALGEMEEN.
DE MACHINE:
• IN INNENRÄUMEN OHNE EINSCHRÄNKUNG VERWENDET WERDEN ;
- MAG NIET BUITEN GEBRUIKT OF OPGESLAGEN WORDEN, ONDER VOCHTIGE OMSTANDIGHEDEN OF BIJ DIRECTE BLOOTSTELLING AAN REGEN;
• MOET VERPLICHT OVERDEKT WORDEN OPGESLAGEN.
ALLE INSTRUMENTEN DIE NOODZAKELIJK ZIJN VOOR DE PERSOONLIJKE BESCHERMING (HANDSCHOENEN, MASKERS, BRILLEN, WITTE LENZEN, SLEUTELS EN GEREEDSCHAPPEN) MOETEN DOOR DE GEBRUIKER GELEVERD WORDEN.
VOOR UW GEMAK RADEN WE U AAN DE INHOUDSOPGAVE VAN DE ONDERWERPEN TE RAADPLEGEN.
HOUD DEZE HANDLEIDING ALTIJD ONDER HANDBEREIK, OPDAT ZE BESCHIKBAAR IS VOOR RAADPLEGING (VRAAG IN GEVAL VAN VERLIES VAN DE HANDLEIDING ONMIDDELLIJK EEN NIEUWE KOPIE AAN BIJ UW DEALER).
HET BEDRIJF WE BEHOUDEN ONS HET RECHT VOOR OM WIJZIGINGEN OF VERBETERINGEN AAN DE DOOR ONS GEPRODUCEERDE MACHINES AAN TE BRENGEN, ZONDER DAT WE VERPLICHT ZIJN DEZE OP EERDER VERKOCHTE MACHINES TOE TE PASSEN.
KAPITTEL 4 - VOORBEREIDING(UITPAKKEN)
De veegwagen wordt verpakt geleverd, geplaatst op een pallet, en met gedemonteerde zijdelingse borstel(s). Na de verwijdering van de uitwendige verpakking moet de machine vanaf de pallet worden verwijderd:
- Hefapparaten: Til de motorkap op Gebruik vervolgens drie stroppen met haken, waarbij de strop aan de oogbout 40 cm langer is dan de andere twee. Deze stroppen moeten worden gekozen op basis van het gewicht aangegeven op het CE-plaatje. Hef de machine vervolgens van de pallet met behulp van hefapparatuur die geschikt is voor het gewicht van de machine dat op het CE-plaatje staat aangegeven, door deze vast te haken aan de punten (A, B, C PIC 1). Zet de machine heel langzaam en zonder schokken op de grond. Sluit de motorkap.
- Hellend vlak of afdaalplatforms (operatie uit te voeren zonder mensen voor de machine en op een groot vlak oppervlak): Zorg voor een hellend vlak, of drie platforms, met een draagvermogen dat past bij de massa van de machine aangegeven op het CE-plaatje en minstens 1,5 m lang is om beschadiging van de stofafdichtingen te voorkomen. Installeer het stevig tegen de smalle kant van de pallet PIC 2. Verwijder de wielsloten, klim in de bestuurdersstoel en trek de parkeerrem, zoals aangegeven in paragraaf § 9.6.
Na het uitpakken moeten de machine worden, moet(en) de zijdelingse borstel(s) gemonteerd worden zoals aangegeven in paragraaf § 15.5.

BELANGRIJK: Al het afval van het verpakkingsmateriaal moet door de gebruiker worden afgevoerd in overeenstemming met de specifi eke geldende normen voor afvalverwerking.

CONTROLEER OF DE AFSCHERMINGEN PERFECT INTACT EN GOED GEMONTEERD ZIJN; IN GEVAL VAN AFWIJKINGEN OF ONTBREKENDE AFSCHERMINGEN MAG DE MACHINE NIET IN BEDRIJF WORDEN GESTELD EN MOET ONMIDDELLIJK CONTACT WORDEN OPGENOMEN MET DE DEALER OF DE FABRIKANT.
KAPITTEL 5 - BESCHRIJVING VAN DE MACHINE
5.1. WERKING EN VOORNAAMSTE DELEN
De machine is ontworpen voor de reiniging en de verwijdering van stof en vuil in het algemeen, aanwezig op vlakke en harde ondergronden zonder overmatige oneffenheden, zoals: beton, asfalt, grès, keramiek, hout, plaatijzer, marmer, rubberen matten of matten van plastic in het algemeen, met noppen of glad, synthetische en laagpolige vloerbedekking.
De motorveegmachine wordt bestuurd door een operator aan boord van de machine en kan, afhankelijk van de uitvoering, handmatige achterlossing of geassisteerde achterlossing hebben.
De verwijdering van het grofste vuil gebeurt door middel van de werking van de roterende borstels (Pos. 1 en 2 PIC 3), terwijl het fijnere vuil wordt verwijderd door een afzuigsysteem (Pos. 4 PIC 3), dat ook de stofvorming door de werking van de borstels voorkomt.
In het bijzonder is deze machine uitgerust met een zijdelingse borstel (Pos. 1 PIC 3; borstel linkerkant op aanvraag) die het vuil naar het midden van de machine verplaatst, en met een centrale cilindrische roterende borstel (Pos. 2 PIC 3), dwars op de machine gemonteerd, die het vuil verwijderd en lost in de afvalbak die zich naar achter van de machine bevindt (Pos. 3 PIC 3). Fijne vuildeeltjes worden daarentegen opgevangen in het filtersysteem (Pos. 5 PIC 3 en vervolgens gelost in de afvalbak door de werking van de filterschudder (Pos. 6 PIC 3).
De machine werkt door middel van een accu-aangedreven motor.
Alleen in DSA, BIN-UP versies: Tenslotte kan de operator dankzij een hydraulisch hefsysteem de volle afvalbak ledigen.
Alle aanwezige borstels zijn instelbaar en kunnen door de operator uitgeschakeld worden met de daarvoor bestemde bedieningselementen.
5.2. AFSCHERMINGEN EN VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Zoals aangegeven in PIC 4, beschikt de machine over afschermingen en veiligheidsvoorzieningen die zorgvuldig gemonteerd moeten worden en intact moeten zijn. De machine mag niet gebruikt worden als de afschermingen beschadigd zijn of ontbreken of als de veiligheidsvoorzieningen ontbreken, beschadigd zijn of niet correct functioneren. De beschrijving van de afschermingen en veiligheidsvoorzieningen wordt derhalve hieronder gegeven.
| POS. Nr. BESCHRIJVING PIC 4 |
| 1 Afscherming fi Iters |
| 2 Veiligheidsmicroschakelaars dodemans-functie |
| 3 Knipperend fl itslicht |
| 4 Motorkap |
| 5 Bumperwiel |
| 6 Afscherming zijdelingse borstel |
| 7 Centrale behuizing |
| 8 Centrale borstelbeschermingszijde |
| 9 Linker- en rechterkant |
| 10 Veiligheidssysteem om de afvalcontainer te vergrendelen |
5.3. ZIJDELINGSEBORSTEL
De zijdelingse borstel is een de bedieningszijde geïnstalleerd Pos. 1 PIC 5, en fungeert als transporteur van het stof en het vuil; de borstel is voornamelijk ontworpen voor de reiniging van randen, hoeken en profielen. Elke borstel kan door middel van het betreffende bedieningselement worden uitgeschakeld. De borstel is beschikbaar in verschillende hardheden en soorten borstelharen, afhankelijk van het type te verwijderen materiaal of van de vloer.
Op verzoek kan er een extra zijdelingse borstel aan de tegenovergestelde zijde geïnstalleerd worden.

BELANGRIJK: Raak de zijdelingse borstel tijdens de rotatie niet aan met de handen en vermijd om vezelachtig materiaal (draden, touwen, enz.) te verwijderen
5.4. CENTRALEBORSTEL
De centrale borstel Pos. 2 PIC 5 is het hoofdorgaan van de machine, door middel waarvan het stof en vuil in de afvalbak wordt geladen. De borstel is beschikbaar in verschillende hardheden en soorten borstelharen, afhankelijk van het type te verwijderen materiaal of van de vloer. Deze borstel kan in geval van slijtage in hoogte worden aangepast.

BELANGRIJK: Vermijd om touwen, draden, verpakkingsband, stokken, enz. te verzamelen die langer zijn dan 25 cm: deze kunnen zich rond de centrale en zijdelingse borstels wikkelen en ze beschadigen.
De stofafdichtingen zijn : zijkant (Pos. 3 PIC 5), voorkant (mobiel, Pos. 4 PIC 5) en achterkant (Pos. 5 PIC 5). De stofafdichtingen rond de centrale borstel zijn uiterst belangrijk voor de goede werking van de machine omdat ze ervoor zorgen dat het stof kan worden opgezogen; het is belangrijk de conditie ervan vaak te controleren.
5.6. ZUIGSYSTEEM
Het zuigsysteem (Pos. 4 PIC 3) verzorgt de verzameling van het fijnste vuil en voorkomt de vorming van stof als gevolg van de werking van de borstels.
5.7. FILTERSYSTEEM
Het filtersysteem bestaat uit een zakkenfilter of de patroonfilters Pos. 5 PIC 3 en vangt de kleinste deeltjes op die door het zuigsysteem worden aangezogen en voorkomt zo dat het stof in de externe omgeving wordt verspreid. Door middel van een schudsysteem (Pos. 6 PIC 3) worden de filters gereinigd door de vuildeeltjes in de afvalbak te laten vallen.
5.8. AFVALBAK
De afvalcontainer (Pos. 3, PIC 3) wordt gebruikt om al het materiaal te bevatten dat is verzameld door de centrale borstel en het stof van de fi Iters.
Versies voor handmatig lossen : de container is uitgerust met een handvat voor extractie uit de machine en binnenin bevinden zich drie plastic laden die het legen vergemakkelijken (PIC 6).
Versies met geassisteerde afvoer : Het wordt bediend door een actuator waarmee het kan worden geleegd (PIC 7) en is uitgerust met een veiligheidsvergrendelingssysteem (Pos. 10 PIC 4, § 6.4.1) in een volledig open positie.
5.9. ACCU
De accu (Pos. 1 PIC 8) zorgt voor de aandrijving, het hydraulische systeem voor het optillen van de afvalcontainer en alle andere diensten van de motorveegmachine.
Het is mogelijk om het op te laden via de speciale stekker (Pos. 2 PIC 8).
De motoronderdelen en accu zijn toegankelijk door de motorkap op te tillen (Pos. 4 PIC 8).
| TECHNISCHE KENMERKEN MEETEENHEID | ||
| Voeding // | Accu | |
| Nominaal vermogen / nominale spanning kW / V | 2.3 / 24 DC | |
| Breedte centrale borstel/Reinigingstraject mm | 780 x ∅310 | |
| Maximale rijsnelheid km/uur | 6,5 | |
| Maximale achteruitrijsnelheid km/uur | 3 | |
| Bedrijfssnelheid km/uur | 4 | |
| Maximaal reinigingsvermogen (met 2 zijdelingse borstels) | m^2/uur | 9700 |
| Maximale helling % | 20 | |
| Aandrijving // | Voorwielaandrijving | |
| Transmissie // | Elektriciteit | |
| Minimale afstand voor omkering rijrichting tussen twee muren | mm | 2500 |
| Filteroppervlak ( 1 zakkenfilter) m^2 | 5.5 | |
| Filteroppervlak ( 8 patroonfilters) m^2 | 6.4 | |
| Inhoud bak | | 115 | |
| Maximaal toegestaan afvalgewicht kg | 60 (95 DSA) | |
| Maximale lengte met zijdelingse borstel mm | 1550 (1630 DSA) | |
| Maximale breedte (nr. 1 zijborstel) | mm | 1158 |
| Maximale breedte (nr. 2 zijborstel) | mm | 1270 |
| Hoogte standaard versie | mm | 1340 (1430 DSA) |
| Hoogte met bestuurderskap | mm | 2150 |
| Nettogewicht , standaardversie1 | kg | 565 (638 DSA) |
| Brutogewicht , standaardversie ( GVW )2 | kg | 927 (1035 DSA) |
| Transportgewicht (Transp. Gewicht)3 | kg | 625 (773 DSA) |
| Gemeten geluidsvermogensniveau LwA | dB | 85 |
| Gegarandeerd geluidsvermogensniveau LwA | dB | 86 |
| Onzekerheid | dB | 1,5 |
| Geluidsdrukniveau LpA | dB(A) | 75 |
| Momentane geluidsdruk (maximale waarde) | dB(C) | < 130 |
| Interne lichaamstrillingen a_w | m/s^2 | 0,64 |
| Onzekerheid | m/s^2 | 0,09 |
| Trilling hand-arm a_hw | m/s^2 | 2,34 |
| Onzekerheid | m/s^2 | 0,35 |
KAPITTEL 6 - BESTUURDERSPLAATS EN BEDIENINGSELEMENTEN
6.1. PLAATS VAN DE BESTUURDERSPLAATS
De bestuurdersplaats die tijdens het gebruik van de machine moet worden ingenomen door de operator is alleen de plaats die wordt aangegeven in PIC 9.
Alle handbediende bedieningselementen en pedalen voor het gebruik van de machine bevinden zich in overeenstemming met de bestuurdersstoel.

BELANGRIJK: De machine wordt om veiligheidsredenen automatisch uitgeschakeld als de operator van de bestuurdersstoel opstaat.
6.2. COMFORT BESTUURDER
Om de juiste houding te garanderen en de gewenste mate van comfort te garanderen tijdens het gebruik van de machine, is het mogelijk om de zitslag aan te passen met behulp van de hendel, zoals aangegeven in PIC 10.
6.3. BEDIENINGSELEMENTEN
6.3.1. PLAATS EN BESCHRIJVING VAN DE BEDIENINGSELEMENTEN
Zoals al aangegeven in par. § 6.1, bevinden de bedieningselementen zich in overeenstemming met de bestuurdersstoel. In PIC 11 toont een beschrijving en de plaats van de bedieningselementen, gevolgd door een gedetailleerde beschrijving.
| onderdeel: Pos. BESCHRIJVING VAN PIC 11 | |
| 1 Contactsleutel | |
| 2 Gaspedaal | |
| 3 Versnellingshendel (vooruit, achteruit) | |
| 4 Rempedaal | |
| 5 Alzafl ap | |
| 6 Bediening centrale borstel | |
| 7 Zijborstelhendel | |
| 8 Regelknop invalshoek centrale borstel | |
| 9 Zuigknop | |
| 10 Schakelaar fi Iterschudder | |
| 11 Bedieningshendel afvalbak (alleen DSA-versie, BIN-UP) | |
| 12 Controle op openen afvalcontainer (alleen DSA-versie, BIN-UP) | |
| 13 Urenteller | |
| 14 Claxon | |
| 15 Hydraulische toestemmingsschakelaar (alleen DSA-versie, BIN-UP) | |
| 16 Schakelaar werklichten | |
| 17 Noodknop | |
| 18 Parkeerrem |
6.3.2. CONTACTSLEUTEL
Door middel van de contactsleutel (Pos. 1 PIC 11) kan de motor gestart en gestopt worden. De sleutel kan ook worden uitgenomen.
6.3.3. GASHENDEL
Het gaspedaal (Pos. 2 PIC 11) wordt bediend door erop te drukken en regelt de beweging van de motorveegmachine. De rijrichting (vooruit of achteruit) wordt bepaald vanuit de positie die is ingesteld op de rijschakelaar (Pos. 3 PIC 11).
6.3.4. VERSNELLINGSHENDEL (VOORUIT, ACHTERUIT)
Door middel van de keuzeschakelaar rijrichting, (Pos. 3 PIC 11), kan de rijrichting van de veegwagen worden bepaald (vooruit, achteruit, vrijstand).
6.3.5. REMPEDAAL
Door het rempedaal in te trappen (Pos. 4 PIC 11) wordt het remsysteem van de veegwagen geactiveerd en wordt het rijden van de wagen onderbroken.
6.3.6. ALZAFLAP
Het pedaal voor het optillen van de kleppen (Pos. 5 PIC 11) kan de voorste verzegeling worden opgetild, waardoor het mogelijk wordt om grote en lichte voorwerpen te verzamelen (bijv. bladeren, blikjes, pakjes sigaretten, enz.)
6.3.7. BEDIENING CENTRALE BORSTEL
Door middel van de bedieningshendel (Pos. 6 PIC 11) kan de centrale borstel omhoog of omlaag worden verplaatst om zo wel of niet de reinigende werking ervan te garanderen.
6.3.8. ZIJBORSTELHENDEL
Door middel van de hendel van de keuzeschakelaar (Pos. 7 PIC 11) kan de zijdelingse borstel geconfigureerd worden in de werkstand (in contact met het te reinigen oppervlak) of in de ruststand (geheven stand). Er zijn geen tussenstanden mogelijk.
6.3.9. REGELKNOP INVALIDSHOEK CENTRALE BORSTEL
De regelknop van de invalshoek van de centrale borstel (Pos. 8 PIC 11) bestaat uit een knop die langs een gleuf verplaatst kan worden en die met de schroefdraadschroef op zijn plaats geblokkeerd kan worden. Hiermee kan de hoogte boven de grond van de centrale borstel in de geheel lage stand (werkstand) worden aangepast door de invalshoek op het te reinigen oppervlak te regelen.
Door de aanzuigschakelaar (Pos. 9 PIC 11) kan het zuigsysteem worden in- en uitgeschakeld
6.3.11. SCHAKELAAR FILTERSCHUDDER
Door te drukken op de knop van de schakelaar van de filterschudder (Pos. 10 PIC 11) kan het mechanisme geactiveerd worden dat ervoor zorgt dat het fijne vuil en stof opgevangen in het filter in de afvalbak valt. De schakelaar heeft slechts één enkele stabiele stand.
6.3.12. CONTROLE AFVALCONTAINER (ALLEEN DSA-VERSIE, BIN-UP)
Met de bedieningsknop (Pos. 12 PIC 11) wordt de stijg-/daalinrichting van de afvalcontainer geactiveerd.
6.3.13. BEDIENING OP HET OPENEN VAN DE AFVALCONTAINER (ALLEEN DSA-VERSIE, BIN-UP)
Met de bedieningsknop (Pos. 12 PIC 11) kunt u de afvalcontainer openen of sluiten, respectievelijk door erop te drukken of los te laten in zijn enige stabiele positie, waarbij de container altijd gesloten is.
6.3.14. URENTELLER
De urenteller (Pos. 13 PIC 11) geeft de werkuren van de machine weer.
6.3.15. HOORNSCHAKELAAR
Wanneer de knop wordt ingedrukt (Pos. 14 PIC 11) wordt de claxon geactiveerd.
6.3.16. HYDRAULISCHE TOESTEMMINGSSCHAKELAAR (ALLEEN DSA-VERSIE, BIN-UP)
Wanneer de knop wordt ingedrukt (Pos. 15 PIC 11) wordt de veiligheidsklep van het hydraulische systeem ontgrendeld.
De schakelaar regelt het in- en uitschakelen van de werklamp (en) (Pos. 16 PIC 11).
6.3.18. NOODKNOP
De noodknop (Pos. 17 PIC 11) onderbreekt de stroomtoevoer naar alle delen van de machine. Het kan worden gedeactiveerd door het eenvoudigweg op te tillen.
6.3.19. EMPEDAAL EN PARKEERREM
Door middel van dit bedieningselement kan de veegwagen geblokkeerd worden wanneer hij niet gebruikt wordt (Pos. 18 PIC 11).
De veiligheidsvoorzieningen (Pos. 10 PIC 4) voorkomen het per ongeluk sluiten van de afvalcontainer wanneer deze wordt opgetild en moeten worden gebruikt voor onderhoudswerkzaamheden en al die waarbij van de container wordt verwacht dat deze in een verhoogde positie blijft met de mogelijkheid dat personen of dingen zich ermee bemoeien of eronder blijven. Het is mogelijk om de apparaten te installeren zoals getoond in PIC 12
PIC 12 door ze los te maken van hun oorspronkelijke positie (Pos. 1, A, PIC 12) en ze onder druk te installeren op de steel van de aandrijvers (Pos. 2, B, PIC 12) wanneer ze volledig worden geëxtraheerd (B, PIC 12) of wanneer dingen interfereren of eronder blijven. Het is mogelijk om de apparaten te installeren zoals getoond in PIC 12 door ze los te maken van hun oorspronkelijke positie (Pos. 1, A, PIC 12) en ze onder druk te installeren op de steel van de aandrijvers (Pos. 2, B, PIC 12) wanneer ze volledig zijn geëxtraheerd (B, PIC 12).

INSTALLEER ALTIJD BEIDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN.

ZORG ERVOOR DAT U DE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN HEBT GEDEMONTEERD VOORDAT U DE AFVALCONTAINER LAAT ZAKKEN.
6.4.2. MOTORKAP EN FILTERHUIS
De motorkap (Pos. 4 PIC 4) en het filterhuis (Pos. 1 PIC 4) kunnen gemakkelijk worden geopend voor inspectie en onderhoud.
De motorkap kan met de juiste handgrepen worden geopend.
De fi Iterbehuizing kan worden geopend door de relatieve trekstangen te ontgrendelen.
KAPITTEL 7 - TOELAATBARE EN NIET-TOELAATBARE GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
7.1. TOELAATBAREGEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
De veegwagen is ontworpen voor de reiniging van bewerkingsresten, stof, vuil in het algemeen, alle vlakke, harde en niet overmatig oneffen oppervlakken, zoals: beton, asfalt, grès, keramiek, hout, plaatijzer, marker, rubberen matten of matten van plastic in het algemeen, met noppen of glad, synthetische en laagpolige vloerbedekking.
De toelaatbare gebruiksomstandigheden zijn als volgt.
Minimale bedrijfstemperatuur: - 20 °C (- 4 °F)
Maximale bedrijfstemperatuur: + 38 °C (+ 100,4 °F)
Maximale hellingshoek voor- en zijkant: par. 5.10


Raadpleeg de handleiding van de batterijen en opladers voor meer informatie over de toelaatbare gebruiksomstandigheden.

BELANGRIJK: gebruik de veegwagen niet en laat hem niet geparkeerd bij temperaturen boven de + 40°C (+ 104°F).

BELANGRIJK: verricht de handelingen voor de lediging, de reiniging en het onderhoud van de machine uitsluitend op vlakke en regelmatige ondergronden, waarop de machine perfect stabiel staat, voor de gehele duur van de genoemde handelingen.
7.2. NIET-TOELAATBARE GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN

VOER GEEN HANDELINGEN UIT ONDER DE AFVALCONTAINER TENZIJ DE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN EERST ZIJN GEÏNSTALLEERD (NR 10 PIC 4) PAR. § 6.4.1.

GEBRUIK DE BORSTEL OP DROGE OPPERVLAKKEN. GEBRUIK DE BORSTEL NIET OM VLOEISTOFFEN OP TE ZUIGEN.


VOOR MODELLEN MET ENDOTHERME MOTOR: UITLAATGASSEN NIET INADEMEN. GEBRUIK DE BORSTEL ALLEEN IN BINNENRUIMTES WANNEER VOLDOENDE VENTILATIE IS GEGARANDEERD, EN IN AANWEZIGHEID van een TWEEDE PERSOON DIE IS OPGELEID VOOR HET TOEZICHT van DE OPERATOR.

DE VEEGWAGEN MAG NIET GEBRUIKT WORDEN IN GEVAL VAN GROTERE DAN DE AANGEGEVEN HELLINGEN PAR. § 5.10

GEBRUIK DE MOTORSTANDAARD NIET ALS ER GEVAAR BESTAAT VOOR VALLENDE VOORWERPEN VAN BOVENAF

HIJ MAG NIET GEBRUIKT WORDEN IN OMGEVINGEN WAAR EXPLOSIEVE OF ONTVLAMBARE MATERIALEN AANWEZIG ZIJN.

HIJ MAG NIET GEBRUIKT WORDEN OP ONVERHARDE OPPERVLAKKEN, MET GRINT, OF ZEER ONEFFEN OPPERVLAKKEN.

DE WAGEN MAG GEEN OLIE, GIF OF CHEMISCHE STOFFEN IN HET ALGEMEEN INZAMELEN (VOOR HET GEBRUIK VAN DE MACHINE IN CHEMISCHE FABRIEKEN MOET DE TOESTEMMING VAN DE DEALER OF FABRIKANT WORDEN GEVRAAGD).

HIJ MAG NIET GEBRUIKT WORDEN OP WEGEN IN OF BUITEN DE STAD, EN OVER HET ALGEMEEN NIET OP DE OPENBARE WEG.

HIJ MAG NIET GEBRUIKT WORDEN IN SLECHT VERLICHTE OMGEVINGEN, MET UITZONDERING VAN DE MODELLEN VOORZIEN VAN WERKLAMPEN.

HIJ MAG OP GEEN ENKELE WIJZE GESLEEPT WORDEN, NOCH OP PARTICULIERE TERREINEN, NOCH OP DE OPENBARE WEG.

HIJ MAG NIET GEBRUIKT WORDEN VOOR HET OPVEGEN VAN SNEEUW OF VOOR HET WASSEN EN ONTVETTEN VAN OPPERVLAKKEN IN HET ALGEMEEN, NATTE OF ZEER VOCHTIGE OPPERVLAKKEN.

HIJ MAG NIET FUNCTIONEREN IN AANWEZIGHEID VAN DRADEN OF DRAADVORMIG MATERIAAL, AANGEZIEN DE AARD VAN HET TE VERZAMELEN MATERIAAL NIET COMPATIBEL IS MET DE ROTATIE VAN DE BORSTELS.

HIJ KAN OP GEEN ENKELE MANIER GEBRUIKT WORDEN ALS STEUNOPPERVLAK VOOR VOORWERPEN OF ALS VERHOGING VOOR VOORWERPEN EN PERSONEN.

LAAT NOOIT PERSONEN HET ACTIEBEREIK VAN DE MACHINE BETREDEN.

BRENG GEEN ENKEL TYPE WIJZIGING AAN, TENZIJ GOEDGEKEURD DOOR DE FABRIKANT.


Raadpleeg verder de handleiding van de batterijen en opladers voor meer informatie over niet-toelaatbare gebruiksomstandigheden.
KAPITTEL 8 - INBEDRIJFSTELLING


ALVORENS VERDER TE GAAN MOETEN ALLE VOORGAANDE HOOFDSTUKKEN GELEZEN WORDEN.
8.1. CONTROLES VOORAFGAAND AAN DE EERSTE START
De veegwagen is bij de levering reeds klaar voor de eerste start door de gebruiker. Afstellingen, inspecties en functionele tests worden reeds door de fabrikant verricht.
VERSIES MET GEASSISTEERDE AFVOER (DSA,BIN-UP):
Controleer zorgvuldig het hydraulische oliepeil in de speciale tank en vul deze indien nodig bij tot het weergegeven niveau (PIC 14) met ISO 46 L-HV-olie (maximale hoeveelheid: 2,5 L).
8.2. OPLEIDING VAN DE OPERATORS
De operator behoeft, naast de informatie van deze handleiding, geen verdere specifi eke opleiding met betrekking tot de eerste start van de veegwagen.
8.3. EERSTE START
De eerste start van de veegwagen moet gebeuren op dezelfde manier zoals beschreven in paragraaf § 9.3.
KAPITTEL 9 - GEBRUIK VAN DE MACHINE


ALVORENS VERDER TE GAAN MOETEN ALLE VOORGAANDE HOOFDSTUKKEN GELEZEN WORDEN.
9.1. CORRECT GEBRUIK EN TIPS

RAAK DE ZIJDELINGSE BORSTEL TIJDENS DE ROTATIE NOOIT AAN MET DE HANDEN

CONTROLEER DAT ER TIJDENS DE HANDELINGEN VOOR DE LEDIGING VAN DE AFVALBAK GEEN PERSONEN AANWEZIG ZIJN OP MINDER DAN 2 METER TOT DE VEEGWAGEN. CONTROLEER VERDER DAT ER VOLDOENDE RUIMTE BESCHIKBAAR IS OM BOTSINGEN, DIE DE VEEGWAGEN KUNNEN BESCHADIGEN EN DE WERKING ERVAN KUNNEN AANTASTEN, TE VOORKOMEN (PARAGRAAF § 11.3.2).

WEES UITERST VOORZICHTIG BIJ HET RIJDEN OVER SPOORRAILS OF RAILS VAN POORTEN, ENZ. DEZE ZIJN DE GROOTSTE BRON VAN BESCHADIGINGEN VAN DE STOFAFDICHTINGEN. RIJD, INDIEN NODIG, ZEER LANGZAAM OVER DEZE RAILS.

SCHAKEL HET FILTERSYSTEEM UIT WANNEER MET DE FUNCTIONERENDE MACHINE OVER NATTE OF ZEER VOCHTIGE OPPERVLAKKEN WORDT GEREDEN, OM DE BEVOCHTIGING EN DUS DE AANTASTING VAN HET FILTER TE VOORKOMEN. VERMIJD OM DOOR PLASSEN TE RIJDEN.

ALS HET TE REINIGEN OPPERVLAK ZEER VUIL IS VANWEGE DE HOEVEELHEID OF DE AARD VAN HET TE VERZAMELEN MATERIAAL OF STOF, WORDT AANGERADEN EEN EERSTE "VOORLOPIGE" PASSAGE TE VERRICHTEN, ZONDER TE VEEL AANDACHT TE BESTEDEN AAN HET RESULTAAT; HERHAAL VERVOLGENS DE PASSAGES, BIJ GELEDIGDE AFVALBAK EN SCHOON GESCHUDDE FILTERS, OM HET GEWENSTE RESULTAAT TE BEHALEN.

DE ZIJDELINGSE BORSTEL MOET ALLEEN GEBRUIKT WORDEN VOOR DE REINIGING VAN RANDEN, PROFIELEN, HOEKEN, ENZ., EN MOET ONMIDDELLIJK DAARNA OMHOOG WORDEN GEPLAATST (WORDEN UITGESCHAKELD) OM HET ONNODIG OPSTUIVEN VAN STOF TE VOORKOMEN EN OOK OMDAT HET RESULTAAT VERKREGEN MET DE ZIJDELINGSE BORSTEL ALTIJD LAGER IS DAN MET HET GEBRUIK VAN DE CENTRALE BORSTEL.

Voor een goed resultaat moet de bak vaak geledigd worden en moeten de fi Iters schoongeschud worden.

BELANGRIJK: Controleer, voorafgaand aan het begin van de werkzaamheden, of er op het oppervlak touwen, plastic of metalen draden, lange doeken, stokken, stroomdraden, enz. aanwezig zijn; deze zijn gevaarlijk en zouden de stofafdichtingen en de borstels kunnen beschadigen. Dergelijk materiaal moet dus verwijderd worden alvorens met de machine te beginnen te werken.

BELANGRIJK: De machine wordt om veiligheidsredenen automatisch uitgeschakeld als de operator van de bestuurdersstoel opstaat. Het is niet mogelijk de machine te starten als u niet op de bestuurdersstoel zit.
9.2. OPLEIDING VAN DE OPERATORS
De operator behoeft voor het gebruik van de veegwagen geen specifi eke opleiding naast de informatie van deze handleiding.
9.3. OPERATIONELESTART
Voor het starten van de machine:
- Draai de contactsleutel (Pos. 1 PIC 11) naar de stand "ON", bij de eerste klik (PIC 15).
9.4. VERSNELLING
Om de versnelling te activeren :
NL
- Schakel de parkeerrem uit (Pos. 4 PIC 11) § 9.6.
- Zet de versnellingsschakelaar (Pos. 3 PIC 11) in de gewenste richting: vooruit voor vooruit versnelling, achteruit voor achteruit versnelling (PIC 16). Beheer de richting via het stuur.
- Druk het gaspedaal geleidelijk in (Pos. 2 PIC 11).
- Verwijder de voet van het pedaal om de aandrijving van de motor te onderbreken en trap geleidelijk het rempedaal in (Pos. 4 PIC 11) om de beweging van de veegwagen te stoppen.
- Zet de versnellingsschakelaar terug in de centrale (stationaire) stand zoals weergegeven in (PIC 16).
Activeer, indien van toepassing, de werklichten via de schakelaar (Pos. 16 PIC 11) (alleen bij modellen uitgerust met werklampen).
OPMERKING 1: De snelheid bij achteruit rijden is lager dan die van vooruit rijden.
OPMERKING 2: de ingeschakelde achteruitversnelling van de veegwagen wordt gesignaleerd met een intermitterend geluidssignaal (alleen indien aanwezig).
9.5. OPERATIONELESTOP
Om de motor te stoppen, worden verplaatst en moet de contactsleutel (Pos. 1 PIC 11) linksom naar de stand "OFF" (PIC 15) worden gedraaid.
In geval van een langdurige stilstand moet de parkeerrem (Pos. 4 PIC 11) geactiveerd worden zoals beschreven in paragraaf § 9.6.
OPMERKING: het remsysteem functioneert ook bij uitgeschakelde machine.

Het is raadzaam om bij afgezette motor, gedurende de handelingen voor onderhoud, inspectie en afstelling, de contactsleutel te verwijderen om onbedoeld of per ongeluk starten door niet bij de werkzaamheden betrokken personeel te voorkomen
9.6. PARKEREN
Om in geval van langdurige stilstand de stabiliteit van de machine te garanderen, moet de parkeerrem (Pos. 4 PIC 11) geactiveerd worden zoals hieronder beschreven (PIC 17):
- Trap het rempedaal in (Pos. 1 PIC 17)
- Houd de parkeerremknop ingedrukt en trek eraan (Pos. 2 PIC 17)
- Laat het rempedaal los en zorg ervoor dat het vergrendeld is.
Om de parkeerrem uit te schakelen:
- Trap het rempedaal in (Pos. 3 PIC 17)
- Houd de ontgrendelingshendel van de parkeerrem ingedrukt en druk deze tegelijkertijd in (Pos. 4 PIC 17)). De knop keert terug naar zijn oorspronkelijke positie.
- Laat het rempedaal los (Pos. 5 PIC 17).
9.7. NOODSTOP
In geval van een noodstop:
- Druk op de rode noodknop (Pos. 17 PIC 11).
- Activeer de parkeerrem zoals beschreven in paragraaf § 9.6.
9.8. CENTRALEBORSTEL
Voor het starten van de reiniging met de veegwagen moet de centrale borstel altijd worden ingeschakeld (Pos. 2 PIC 4) door op het speciale commando de drukken (Pos. 6 PIC 11).
Om de centrale borstel in te brengen en te laten zakken en in werkende staat te brengen, is het noodzakelijk om op de hendel te werken door deze langs de sleuf (Pos. 1 PIC 18);
Om de centrale borstel uit de werkpositie te halen en omhoog te brengen, werkt u op de hendel door deze in de tegenovergestelde richting te schuiven (Pos. 2 PIC 18).
9.9. ZIJDELINGSEBORSTEL
Om de zijborstel te activeren, met de motor gestart of alleen met de elektrische voorzieningen geactiveerd, verhoogt u de bedieningshendel (Pos. 7 PIC 11, PIC 19). Laat de hendel zakken om deze te deactiveren (PIC 19).
OPMERKING: De hendel regelt zowel de neerwaartse als de opwaartse beweging ten opzichte van de stoep en de rotatie ervan. In de verhoogde positie zal het altijd stilstaan terwijl het begint te draaien tijdens de afdalingsfase.
9.10. OPZUIGEN
Om, de functie zuigen in- of uit te schakelen, moet gehandeld worden op de betreffende schakelaar (Pos. 9 PIC 11)

BELANGRIJK: Bij het schudden van de fi Iters moet de afzuiging worden uitgeschakeld.
9.11. FILTERSCHUDDER
Om, bij gestarte motor of bij alleen actief elektrische systeem, de fi iterschudder te activeren, moet gehandeld worden op de betreffende schakelaar (Pos. 10 PIC 11) door deze gedurende de gewenste tijd naar de instabiele stand te drukken en hem vervolgens los te laten om de schudder uit te schakelen (PIC 21).
9.12. HOORNSCHAKELAAR
Om, bij gestarte motor of bij alleen actief elektrische systeem, de Hoorn te activeren, moet gehandeld worden op de betreffende schakelaar (Pos. 14 PIC 11) door deze gedurende de gewenste tijd naar de instabiele stand te drukken en hem vervolgens los te laten om de schudder uit te schakelen (PIC 22).
9.13. ALZAFLAP (FLAPMECHANISME)
Om de voorste stofafdichting op te heffen om het meest volumineuze afval te verzamelen, drukt u op het betreffende pedaal (Pos. 5 PIC 11) en houdt u het gedurende de gewenste tijd vast en laat u het los om het op de grond te laten zakken (PIC 23).
9.14. LEDIGINGAFVALBAK
9.14.1. VERSIE HANDMATIG LOSSEN
Om de afvalcontainer te legen (Pos. 3 PIC 3):
- Deactiveer de centrale borstel (§ 9.8);
- Ontgrendel de bevestigingshaak door de relatieve hendel (A, PIC 24) omhoog te brengen;
- Verwijder de container van de veegmachine door deze op de speciale geleiders (B, PIC 24) te schuiven;
- Leeg de plastic laden (C, PIC 24)
Om de afvalcontainer te herstellen, volgt u de vorige punten in volgorde en in de omgekeerde richting, waarbij u ervoor zorgt dat de container zo wordt geplaatst dat de geleiders op de rollen glijden (D, PIC 24).
9.14.2. VERSIE MET GEASSISTEERD LOSSEN (DSA, BIN-UP)
Om verder te gaan met het legen van de afvalcontainer, met de motor gestart:
- Druk op de hydraulische toestemmingsknop (Pos. 15 PIC 11) terwijl u de druk (A, PIC 25) handhaaft.
- Til de afvalcontainer door de afvalcontainercontrole (Pos. 11 PIC 11) door deze aan de rechterkant (B, PIC 25) in te drukken en in die positie te houden totdat de container de gewenste positie bereikt (C, PIC 25).
- Laat de hydraulische toestemmingsknop los en open de containerdeur, gevolgd door het indrukken van de commando-openingsschakelaar (Pos. 12 PIC 11) in de enige onstabiele positie (D, PIC 25), zodat het afval wordt vrijgegeven waar gewenst (E, PIC 25). Laat vervolgens de schakelaar los om de deur (F, PIC 25) te sluiten.
- Houd de hydraulische toestemmingsknop (G, PIC 25) ingedrukt, laat de afvalcontainer zakken via de afvalcontainerbediening door deze aan de linkerkant (H, PIC 25) in te drukken en in die positie te houden totdat de container de beginpositie (I, PIC 25) bereikt.
- Zodra de handelingen zijn voltooid, laat u de hydraulische toestemmingsknop los.

ZORG ERVOOR DAT DE MOTOSCOPA STATIONAIR BLIJFT GEDURENDE DE GEHELE DUUR VAN HET LEGEN VAN DE AFVALCONTAINER.

BELANGRIJK: Houd de hydraulische toestemmingsknop (Poz. 15 PIC 11) ingedrukt wanneer u op de bedieningsknop voor de afvalcontainer (Poz. 11 PIC 11) drukt. Als u dit niet doet, kan het hydraulische systeem van de motorveegmachine beschadigd raken.
9.15. DE BATTERIJ OPLADEN (BATTERIJGEVOEDE VERSIE)
Wanneer het batterijniveau laag is, moet de batterij worden opgeladen, en wel als volgt:
- Open de motorkap zoals aangegeven in (PIC 13);
- Trek de stekker uit het stopcontact (Pos. 2 PIC 8) zoals weergegeven in PIC 8;
- Sluit de stekker aan op de oplader.
De aansluiting op de lader wordt weergegeven door:
ANDERSON type stekker, 175A.
De kenmerken van de batterijen, indien niet rechtstreeks bij de motoscopa geleverd, zijn als volgt:
6Volt DC, 320Ah/5h (zuur); aantal 4
Waarvoor een lader met de volgende kenmerken wordt aanbevolen:
24Volt DC, 40A


RAADPLEEG ALTIJD DE HANDLEIDING VAN DE BATTERIJ EN DE OPLADER VOOR VERDERE PROCEDURES DIE MOETEN WORDEN GEVOLGD VOOR HET OPLADEN, MET BIJZONDERE AANDACHT VOOR DE TE NEMEN PREVENTIE-EN BESCHERMINGSMAATREGELEN.
KAPITTEL 10 - AFSTELLINGEN


ALVORENS VERDER TE GAAN MOETEN ALLE VOORGAANDE HOOFDSTUKKEN GELEZEN WORDEN.
10.1. OPLEIDING VAN DE OPERATORS
De operator behoeft, naast de informatie van deze handleiding, geen verdere specifi eke opleiding met betrekking tot de verschillende fasen voor de afstelling van de veegwagen.
10.2. REGELING INVALIDSHOEK CENTRALE BORSTEL

WERKING DIE MOET WORDEN UITGEVOERD OP GEDEACTIVEERDE ELEKTRISCHE DIENSTEN.
Wanneer de centrale borstel (Pos. 2 PIC 3) verslijt en bijgevolg de efficiëntie ervan begint af te nemen, past u de hoogte aan via de regelaar (Pos. 8 PIC 11).
- eerst de schroef losdraaien (Pos. 1 PIC 26);
- de regelaar afstellen door deze langs de sleuf te schuiven totdat de gewenste hoogte is bereikt;
- schroef de schroef er weer in om de afstelling vast te zetten.
Om te controleren of de centrale borstel correct is afgesteld, moet als volgt het "traject" ervan gemeten worden:
a. Activeer de centrale borstel, na de afstellingen, en laat hem gedurende ten minste 10/15 seconden functioneren op hetzelfde punt, zonder voor- of achteruit te rijden.
b. Verplaats de centrale borstel omhoog en verplaats de veegwagen, tot op de vloer het spoor van de draaiende centrale borstel zichtbaar is, zoals aangegeven in PIC 27.
Ga verder met opnieuw afstellen als de baan afwijkt van de getoonde baan.
10.3. DE HOOGTE VAN DE STOFAFDICHTINGEN AAN DE ZIJKANT




WERKING DIE MOET WORDEN UITGEVOERD OP GEDEACTIVEERDE ELEKTRISCHE DIENSTEN. HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN.
In het geval dat de stofafdichtingen aan de zijkant moeten worden aangepast (Pos. 3 PIC 5), bijvoorbeeld na hun vervanging of voor aanpassing, als volgt te werk gaan:
- demonteer eerst de beschermkap aan de rechter- en/of linkerkant (Pos. 8 PIC 4) door deze omhoog te tillen (A, PIC 28), vervolgens van de steunen op te tillen (B, PIC 28) en volledig te verwijderen (C, PIC 28);
- draai de schroeven van de bevestigingsstrip van de pakking los (links en/of rechts) (PIC 28);
- beweeg de afdichting naar beneden totdat deze zich 2 mm van de grond bevindt (PIC 28);
- Zodra de gewenste instelling is bereikt, draait u de schroeven van de pakkingbevestigingsstrip vast (PIC 28).
KAPITTEL 11 - VEILIGHEIDSNORMEN
11.1. RESTRISICO'S VAN ALGEMENE AARD

DEFINITIE: De niet-elimineerbare restrisico's zijn de risico's die om verschillende redenen niet kunnen worden weggenomen. Voor elk van deze risico's vermelden we hier de aanwijzingen om maximaal veilig te kunnen werken.
- Risico op verwonding van de handen, het lichaam en de ogen, als de machine wordt gebruikt zonder dat alle veiligheidsafschermingen correct gemonteerd en intact zijn.
- Risico op verwonding van de handen als om enige reden de zijdelingse of de centrale borstel tijdens de rotatie wordt aangeraakt. De borstels mogen alleen bij afgezette motor worden aangeraakt en met gebruik van beschermende handschoenen, om verwonding door eventueel in de borstelharen aanwezige scherpe splinters van puin te voorkomen.
- Risico op inademing van schadelijke stoffen, schuurwonden van de handen, als de lediging van de afvalbak wordt verricht zonder gebruik van beschermende handschoenen en een masker ter bescherming van de luchtwegen.
- Risico op verlies van controle over de machine als deze wordt gebruikt op oppervlakken met een grotere hellingshoek dan staat aangegeven in de paragrafen § 5.10 en § 7.1, of als ze niet geblokkeerd wordt in de geparkeerde stand.
- Risico op explosies of brand als getankt wordt bij draaiende motor of afgezette, maar niet volledig afgekoelde motor.
- Risico op ernstige brandwonden als er onderhoud wordt verricht bij draaiende motor of afgezette, maar niet volledig afgekoelde motor.
- Risico op inademing van uitlaatgassen in geval van gebruik in een onvoldoende geventileerde omgeving.
- Risico van geluid dat door de machine wordt gegenereerd;
- Risico op trillingen van zowel het hand-armsysteem als het hele lichaam.
11.2. ALGEMENE RISICO'S VAN DE LOODZUURACCU'S
- Controleer, alvorens de accu's op te laden, of de omgeving goed geventileerd is of laad anders op in ruimten die voor dat doel zijn uitgerust.
- Rook niet, benader geen open vuur, gebruik geen slijp- of lasapparaten; vermijd in ieder geval de aanwezigheid van vonken in de buurt van de accu's.
- Vermijd om stroom te onttrekken aan de accu door middel van tanken, stopcontacten en tijdelijke contacten.
- Zorg ervoor dat alle aansluitingen (kabelschoenen, stopcontacten, stekkers, enz.) altijd goed zijn aangescherpt en in goede staat verkeren.
- Plaats geen metalen gereedschappen op de accu.
- Houd de accu schoon en droog, bij voorkeur met behulp van antistatische doeken.
- Vul de accu bij met gedestilleerd water als het elektrolytpeil naar 5 - 10 mm boven het spatscherm daalt.
- Vermijd overmatig te laden en handhaaf de temperatuur van de accu onder de 45°C.
- Handhaaf de eventuele systemen voor gecentraliseerd bijvullen altijd perfect effi ciënt door periodiek onderhoud te verrichten.
- Risico op elektrocutie en kortsluiting; om veiligheidsredenen moeten de +/- klemmen van de polen van de accu worden losgekoppeld voordat er handelingen voor onderhoud of reparatie aan de accu (of de machine) worden verricht.
- Risico op explosie tijdens het opladen; dit kan gebeuren als er wordt opgeladen met een niet-geschikte acculader (gebaseerd op de ampèrewaarde van de accu).
- Tijdens het opladen van de accu's, of in ieder geval wanneer de stekker van de acculader is aangesloten, is het verboden om de machine in te schakelen of te verplaatsen (ook met de hand).
- In geval er per ongeluk om enige reden vloeistof uit de accu's wordt gemorst, moet de gemorste vloeistof worden opgenomen met absorberend materiaal, met gebruik van zuurbestendige handschoenen en kleding, een veiligheidsbril en beschermingsmiddelen van de luchtwegen; raadpleeg de handleiding van de accu.
11.3. BESCHERMINGSMAATREGELEN
11.3.1. PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN (PBM)
In aanvulling op het bovenstaande, om veilig te werk te gaan tijdens het gebruik, onderhoud, afstelling, inspectie en reiniging van de bromfi ets, zullen persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM 's) die geschikt zijn voor het type risico dat zich zou kunnen voordoen, noodzakelijk zijn.
In het bijzonder zal het tijdens het gebruik van de motoscopa nodig zijn om:

Draag geschikte PBM 's voor gehoorbescherming, gekozen op basis van zowel het geproduceerde geluidsniveau (§ 5.10) als de relatieve blootstellingstijd en rekening houdend met andere externe risico' s die voortvloeien uit het gebruik ervan, zoals:
- voertuigverkeer en de aanwezigheid van mensen rond de machine tijdens alle gebruiksfasen;
- het niet waarnemen van akoestische alarmsignalen door de operator;
-
aanwezigheid van eventuele ototoxische stoffen in de omgeving.
-
Draag geschikte PBM 's ter bescherming tegen het risico van hand-armtrillingen;
- Beperk de tijd van continu gebruik van de scooter om het hele lichaamssysteem te beschermen tegen het risico van trillingen.
Zo zijn, met name voor de in deze handleiding beschreven onderhoudswerkzaamheden, noodzakelijk:

Beveiligingsmiddelen van de luchtwegen.
In geval de vloeistof van de accu per ongeluk wordt gemorst of als er per ongeluk gevaarlijk materiaal is verzameld, zijn noodzakelijk:

Tegen mechanische en chemische risico's beschermende handschoenen (bijv. neopreen handschoenen);
Veiligheidsbril;

Veiligheidsbril;

FFP3-gezichtsmasker of van een hogere klasse;

Tegen chemische risico's beschermende kleding.
Voor de werkzaamheden voor de reiniging van de veegwagen is verder geschikte werkkleding nodig, die aan het einde van de werkzaamheden gereinigd moet worden.


Raadpleeg de documentatie van de fabrikant van de accu en oplader voor verdere preventie- en beschermingsmaatregelen.
11.3.2. BESCHERMENDE MAATREGELEN VOOR DE LEDIGING VAN DE AFVALBAK
Tijdens de lediging van de afvalbak moet een voldoende veiligheidsafstand in acht worden genomen, afhankelijk van de afmetingen van de machine (PIC 30).

CONTROLEER DAT ER TIJDENS DE HANDELINGEN VOOR DE LEDIGING VAN DE AFVALBAK GEEN PERSONEN AANWEZIG ZIJN OP MINDER DAN 2 METER TOT DE VEEGWAGEN. CONTROLEER VERDER DAT ER VOLDOENDE RUIMTE BESCHIKBAAR IS OM BOTSINGEN, DIE DE VEEGWAGEN KUNNEN BESCHADIGEN EN DE WERKING ERVAN KUNNEN AANTASTEN, TE VOORKOMEN.

VOOR ELEKTRISCH ONDERSTEUNDE LOSVERSIES: INSTALLEER BEIDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR AFVALCONTAINERS. ZOALS AANGEGEVEN IN § 6.4.1. OM TE VOORKOMEN DAT DE AFVALCONTAINER PER ONGELUK WORDT GESLOTEN WANNEER DEZE OMHOOG WORDT GEZET.

ZORG ERVOOR DAT DE BORSTEL TIJDENS HET LEGEN VAN DE AFVALCONTAINER STIL BLIJFT STAAN. VOOR HANDMATIGE LOSSINGSVERSIES: ACTIVEER HIERVOOR ALTIJD DE PARKEERREM (Pos. 4 PIC 11; § 9.6).




VOOR HANDMATIGE LOSSINGSVERSIES: ALS HET AFVAL IN DE CONTAINER VAN OVERMATIG GEWICHT IS, VERWIJDER HET DAN MET GESCHIKTE MIDDELEN EN ÉEN VOOR ÉEN, MET EEN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN ADEMHALINGSBESCHERMINGSMIDDELEN. U KUNT OOK DE HULP VAN EEN TWEEDE PERSOON VRAGEN.
KAPITTEL 12 - STABILITEIT VAN DE MACHINE
De stabiliteit van de machine tijdens het rijden en de reinigingswerkzaamheden wordt hoofdzakelijk gegarandeerd door de naleving van de maximale hellingswaarden (par. § 5.10 en § 7.1) en door de controle van het draagvermogen van het werkoppervlak dat in staat moet zijn het gewicht van de veegwagen, aangegeven op het typeplaatje, te dragen.
De handeling voor lediging van de afvalbak en alle fasen voor onderhoud, afstelling, reiniging en inspectie moeten gebeuren op een vlakke en niet-hellende ondergrond die in staat is het gewicht van de veegwagen, aangegeven op het typeplaatje, te dragen.
Om de noodzakelijke stabiliteit tijdens het parkeren van de machine te garanderen, moet de parkeerrem geactiveerd worden, zoals aangegeven in par. § 9.6. In geval de machine niet op een vlakke ondergrond geparkeerd kan worden, moet gebruik worden gemaakt van wielkeggen.
De stabiliteit van de verhoogde afvalcontainer voor inspectie-, reinigings- en onderhoudswerkzaamheden wordt gegarandeerd door het plaatsen van beide veiligheidsvoorzieningen zoals beschreven in § 6.4.2.
12.2. STABILITEIT TIJDENS HET TRANSPORT
De motoscopa moet worden vervoerd en gehanteerd rekening houdend met het gewicht aangegeven op de CE-plaat en de waarden vermeld in § 5.10.
Het heffen van de veegwagen moet gebeuren zoals aangegeven in KAPITTEL 4, terwijl de machine voor het transport verankerd moet worden. Daarvoor is het mogelijk om de voorziene bevestigingsgleuven te gebruiken (PIC 31). Na de plaatsing moet de parkeerrem geactiveerd worden zoals aangegeven in par. § 9.6, waarnaast eventueel ook gebruik kan worden gemaakt van geschikte wielkeggen.
KAPITTEL 13 - TRANSPORT, VERPLAATSING EN BUITENDIENSTSTELLING
13.1. BUITENDIENSTSTELLING

BEDIENING DIE MOET WORDEN UITGEVOERD WANNEER DE ELEKTRISCHE DIENSTEN ZIJN GEDEACTIVEERD.
De buitendienststelling van de veegwagen moet worden verricht volgens de volgende stappen:
- Koppel de batterijen los door de oplaadconnector te verwijderen, zoals weergegeven in PIC 8.
- Voor een goede levensduur moet de accu om de 30/40 dagen worden opgeladen en eventueel worden bijgevuld met gedestilleerd water (zuuraccu's).
- Reinig de stoffi Iters en de afvalbak.


Raadpleeg de documentatie van de accufabrikant voor meer informatie over het ontmantelen van de machine.
13.2. VERPAKKING, HEFFEN EN TRANSPORT
In geval de machine verpakt moet worden, moet(en) de zijdelingse borstel(s) gedemonteerd worden zoals beschreven in paragraaf § 15.5
Hef de veegwagen vervolgens en plaats hem op een geschikte pallet, met gebruik van hefmiddelen die geschikt zijn voor het gewicht van de veegwagen zoals aangegeven op het typeplaatje, of met gebruik van hefplatforms.
Gebruik voor het heffen de hijsogen (KAPITTEL 4, Pos. A, B, C PIC 2).
Neem de aanwijzingen van paragraaf KAPITTEL 4 in acht, voor wat betreft het heffen van de machine, en van paragraaf § 12.2 voor het transport ervan.
KAPITTEL 14 - NOODSITUATIES
14.1. NOODSITUATIES
In noodsituaties die zich kunnen voordoen, zoals bijvoorbeeld:
- er is per ongeluk met de functionerende machine over stroomkabels op de vloer gereden, die zich vervolgens om de centrale of zijdelingse borstel hebben gewikkeld,
- er wordt een ongewoon geluid waargenomen afkomstig uit de machine of de motor,
- er zijn gloeiende materialen of ontvlambare vloeistoffen, chemische stoffen in het algemeen, gis, enz. verzameld.
moet als volgt gehandeld worden:
- Als de motor draait, verricht dan de noodstop zoals beschreven in paragraaf § 9.7.
• Activeer de parkeerrem zoals beschreven in paragraaf § 9.6.
• Ga weg van de machine.
Roep onmiddellijk hulp in als er andere personen bij betrokken zijn.


Raadpleeg de documentatie van de accufabrikant en opladersvoor meer informatie over de procedures die moeten worden gevolgd in geval van nood.
14.2. START NA EEN NOODSITUATIE
Voordat de machine na een verholpen noodsituatie opnieuw wordt gebruikt, moeten alle onderdelen van de machine gecontroleerd worden (KAPITTEL 5), met bijzondere aandacht voor de afschermingen en veiligheidsvoorzieningen.
Het normale gebruik van de veegwagen mag alleen worden hervat als deze controles een positief resultaat hebben gehad (alle onderdelen intact en functionerend).
Er zijn geen resetprocedures voorzien.


Raadpleeg de documentatie van de accufabrikant en opladersvoor meer informatie over de procedures die moeten worden gevolgd in geval van Start na een noodsituatie
KAPITTEL 15 - ONDERHOUD
15.1. ALGEMENE VEILIGHEIDSNORMEN


ALVORENS VERDER TE GAAN MOETEN ALLE VOORGAANDE HOOFDSTUKKEN GELEZEN WORDEN.

VOER GEEN HANDELINGEN UIT ONDER DE AFVALCONTAINER TENZIJ BEIDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN EERST ZIJN GEÏNSTALLEERD (Pos. 10 PIC 4) (§ 6.4.1).

ALLE HANDELINGEN VOOR ONDERHOUD EN REINIGING MOETEN WORDEN VERRICHT BIJ UITGENOMEN CONTACTSLEUTEL, EN UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM..

RAAK DE BORSTELS TIJDENS DE ROTATIE NOOIT AAN MET DE HANDEN

CONTROLEER VOOR DE GEHELE DUUR VAN DE WERKZAAMHEDEN DAT ER GEEN PERSONEN DIE NIET ZIJN BETROKKEN BIJ HET ONDERHOUD EN DE REINIGING AANWEZIG ZIJN BINNEN EEN STRAAL VAN 2 METER ROND DE VEEGWAGEN.

NEEM DE NOODZAKELIJKE VOORZORGSMAATREGELEN OM EEN ONBEDOELDE START TE VOORKOMEN TIJDENS ALLE FASEN GEDURENDE WELKE GEHANDELD MOET WORDEN BIJ AFGEZETTE MOTOR EN UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM.
15.2. OPLEIDING VAN DE OPERATORS.
De operator behoeft, naast de informatie van deze handleiding, geen verdere specifi eke opleiding met betrekking tot het onderhoud en de reiniging van de veegwagen.
Controleer om de 90/120 bedrijfsuren de conditie van de stofafdichtingen Pos. 3 PIC 5 en vervang ze, indien nodig.
Om de stofafdichtingen te vervangen:
- Demonteer de rechter- en/of linkerzijbescherming (Pos. 8 PIC 4, Pos. 1 PIC 32) eerst optillen (A, PIC 32), vervolgens verwijderen van de steunen (B, PIC 32) en volledig verwijderen (C, PIC 32);
- Draai de schroeven van de pakkingbevestigingsstrip los (Pos. 3 PIC 32);
- Verwijder de versleten afdichting en vervang haar door een nieuw voorbeeld (Pos. 2 PIC 32);
- Ga verder met het afstellen van de bodemvrijheid zoals beschreven in § 10.3;
- Draai de schroeven van de bevestigingsplaat van de afdichting weer vast (Pos. 3 PIC 32)
- Plaats de rechter en/of linker zijbescherming terug (Pos. 1 PIC 32).
15.4. CENTRALEBORSTEL




HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN.. GA PAS VERDER MET DE INSPECTIE NA HET PLAATSEN VAN BEIDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN (§ 6.4.1).
Controleer om de 60/90 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, de goede staat van de centrale borstel (Pos. 2 PIC 3), en met name als vermoed wordt dat de borstel touwen, draden, enz. heeft aangeraakt.
Voor de inspectie van de centrale borstel:
- verplaats de afvalbak omhoog en schakel vervolgens de motor en het elektrische systeem uit.
- Installeer beide veiligheidsvoorzieningen (par. § 6.4.1)
- verricht de inspectie.
In geval de centrale borstel vervangen moet worden:
- Demonteer de linkerzijbescherming (Pos. 8 PIC 4, Pos. 1 PIC 33) eerst optillen (A, PIC 33), vervolgens verwijderen van de steunen (B, PIC 33) en volledig verwijderen (C, PIC 33);
- Demonteer de linkerarm van de tuimelschakelaar (Pos. 2 PIC 33) de juiste schroeven losdraaien;
- Demonteer de borsteldeur (Pos. 3 PIC 33);
- Verwijder de naaf van de centrale borstel (Pos. 4 PIC 33) de juiste schroeven losdraaien;
- Demonteer de borstel (Pos. 5 PIC 24)
Om de montage te voltooien, moeten de beschreven handelingen in omgekeerde volgorde worden uitgevoerd, waarbij moet worden opgelet dat de borstel correct wordt ingeklemd.
Verricht de hoogteregeling van de nieuwe borstel, zoals beschreven in paragraaf § 10.2.

ZORG ERVOOR DAT U BEIDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN HEBT LOSGEKOPPELD VOORDAT U DE AFVALCONTAINER LAAT ZAKKEN.
15.5. ZIJDELINGSEBORSTEL




HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN.
Controleer om de 50/80 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, de goede staat van de zijdelingse borstel (Pos. 1 PIC 3 par. § 5.3), en met name als vermoed wordt dat de borstel touwen, draden, enz. heeft aangeraakt. In geval de borstel vervangen moet worden:
- Verplaats de zijdelingse borstel omhoog (par. § 9.9)
- Draai de ringmoer los (Pos. 1 PIC 34) om de zijdelingse borstel te kunnen verwijderen (Pos. 2 PIC 34) van de plastic fl ens
- Vervang de versleten borstel door een nieuwe borstel die op de fl ens geplaatst moet worden; draai de ringmoer vast om de borstel te blokkeren.
15.6. SPECIFIEK ONDERHOUD VOOR VERBRANDINGSMOTOREN


Raadpleeg de handleiding van de motor voor meer informatie over het onderhoud van de motor en de betreffende veiligheidsmaatregelen die tijdens de handeling moeten worden toegepast
Lees aandachtig de handleiding van de motor, en:
1) Controleer het motoroliepeil om de 20 bedrijfsuren van de machine.
2) De eerste olieverversing moet na 50 bedrijfsuren gebeuren: vul bij met de hoeveelheid aangegeven in de handleiding van de motor. De olie aanbevolen voor gematigde klimaten is 10W-30 multi-grade voor benzine- en dieselmotoren. Wanneer er gewerkt wordt in gebieden die geen gematigd klimaat hebben, moet het geschikte type olie gecontroleerd worden in de handleiding van de motor. Gebruik voor de olieverversing de daarvoor bestemde aftapplug onder het carter.
3) Ververs de olie om de 90/100 bedrijfsuren.
4) Reinig het luchtfi Iter om de 25 bedrijfsuren, of eerder indien noodzakelijk, en vervang het wanneer noodzakelijk (zie de handleiding van de motor).


BIJ DE CONTROLE OF DE VERVERSING VAN DE MOTOROLIE MOETEN CHEMISCH BESTENDIGE HANDSCHOENEN GEDRAGEN WORDEN, BIJ VOORKEUR NITRIEL HANDSCHOENEN. VERMIJD DE AFGEWERKTE OLIE ALS HUISHOUDELIJK AFVAL AF TE VOEREN, OMDAT DE OLIE ZEER VERONTREINIGEND IS. DE AFGEWERKTE OLIE MOET WORDEN AFGEVOERD IN OVEREENSTEMMING MET DE WETTELIJKE BEPALINGEN.
15.7. SPECIFIEK ONDERHOUD VOOR ZUURACCU'S





VOLG DE REGELS EN VOORZORGSMAATREGELEN IN § 11.2. GEBRUIK ALTIJD EEN VEILIGHEIDSBRIL, HANDSCHOENEN, ADEMHALINGSBESCHERMINGSMIDDELEN EN ZUURREMMENDE KLEDING.
- Voor een lange levensduur van de accu's, of ze nu platte of buisvormige platen bevatten, mogen ze nooit volledig ontladen raken. VOLLEDIG ONTLADEN ACCU'S (OOK NIEUWE EXEMPLAREN) KUNNEN NIET MEER OPGELADEN WORDEN.
- Controleer regelmatig het peil van de vloeistof in de accu en vul eventueel bij met gedestilleerd water.
- Vermijd om de oplaadcyclus te onderbreken.
- GEBRUIKTE ACCU'S MOETEN WORDEN AFGEVOERD IN OVEREENSTEMMING MET DE TOEPASSELIJKE GELDENDE NORMEN.


Raadpleeg de documentatie van de fabrikant van de accu's voor meer informatie over hun onderhoud en de betreffende veiligheidsmaatregelen die tijdens de handeling moeten worden toegepast.
15.8. REINIGING VAN DE MACHINE
De uitwendige delen van de machine moeten gereinigd worden met zachte en vochtige doeken of borstels.




HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN..

HET IS NIET TOEGESTAAN OM ALLE UITWENDIGE DELEN VAN DE MACHINE MET EEN DIRECTE WATERSTRAAL TE REINIGEN.

MAAK GEEN GEBRUK VAN AGRESSIEVE REINIGINGSMIDDELEN OF CHEMISCHE STOFFEN IN HET ALGEMEEN, SCHUREND POEDER EN DERGELIJKE VOOR DE REINGING VAN HET BEDIENINGSPANEEEL EN DE GEBIEDEN MET ETIKETTEN OF BEDRUKTE DELEN, OM TE VOORKOMEN DAT ZE ONLEESBAAR WORDEN.
15.9. REINGING FILTERS




HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN.
15.9.1. ZAKKENFILTER
Controleer om de 60/100 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, het stoffilter (Pos. 5 PIC 3 par. § 5.7). Voor een grondige reiniging moet het als volgt uit zijn zitting worden verwijderd:
- Open de afvalcontainer zoals beschreven in § 9.14;
- DSA, BIN-UP VERSIE: Installeer de veiligheidsvoorzieningen zoals beschreven in § 6.4.1;
- Koppel de fi Iterschudder los (A PIC 35);
- Open het fi Iterdeksel (Pos. 1 PIC 4);
- Draai de schroeven van de bevestigingsmiddelen van de filterhouder (B PIC 35) los en verwijder deze;
- Til het filters (Pos. C PIC 35) op met een heftruck en zorg ervoor dat de afstand tussen de vorken overeenkomt met de afmeting van het filter (stel de vorken in op de correcte onderlinge afstand en blokkeer ze in deze stand) of met de hand, met minimaal 2 personen. Houd het filter vervolgens boven de grond geheven met behulp van een heftruck.
Voor de reiniging moet het eerst geschud worden (niet te krachtig). Gebruik vervolgens voor de grondige reiniging een luchtpistool of iets dergelijks en blaas van buiten naar binnen.
Zorg er bij de hermontage voor dat de zwarte afdichting altijd goed geplaatst en gecentreerd wordt.
Hermonteer het fi Iter na de reiniging door de beschreven handelingen in omgekeerde volgorde uit te voeren.
Controleer of het fi Iter altijd in optimale staat verkeert en vervang het wanneer nodig.
15.9.2. PATROONFILTERS
Controleer om de 50/70 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, het stoffilters (Pos. 5 PIC 3 par. § 5.7). Voor een grondige reiniging moet het als volgt uit zijn zitting worden verwijderd:
- Open de afvalcontainer zoals beschreven in § 9.14;
- DSA, BIN-UP VERSIE: Installeer de veiligheidsvoorzieningen zoals beschreven § 6.4.1;
- Koppel de fi Iterschudder los;
- Open het fi Iterdeksel (Pos. 1 PIC 4);
- Draai de schroeven van de bevestigingsmiddelen van de filter schudderhouder (B PIC 36) ) los en verwijder deze;
- Til het fi Iters (C PIC 36).
Om het schoon te maken, moet je het eerst schudden (niet met geweld) en het geperforeerde deel naar beneden houden, vervolgens, om het grondig schoon te maken, met een stofzuiger aan de binnenkant, of met een luchtpistool of een soortgelijke slag van buiten naar binnen.
Zorg er bij de hermontage voor dat de zwarte afdichting altijd goed geplaatst en gecentreerd wordt.
Hermonteer het fi Iter na de reiniging door de beschreven handelingen in omgekeerde volgorde uit te voeren.
Controleer of het fi Iter altijd in optimale staat verkeert en vervang het wanneer nodig.
15.10. REINIGING VAN DE AFVALBAK




HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN. ZORG ERVOOR DAT NIET BIJ DE HANDELINGEN BETROKKEN PERSONEN GEEN TOEGANG HEBBEN.
Om de 50/60 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, moet de afvalbak gereinigd worden.
Om door te gaan met de reinigingswerkzaamheden, zal het eerst nodig zijn om de afvalcontainer op de meest geschikte hoogte te openen, zoals beschreven in § 9.14, en vervolgens de bromfiets uit te schakelen zodat de reiniging kan beginnen.
Daarna is het raadzaam om de delen rond de centrale borstel te inspecteren waar zich korstjes of afvalafzettingen kunnen vormen en deze zo nodig te verwijderen. Til gewoon de afvalcontainer op (§ 9.14) en plaats beide veiligheidsvoorzieningen (§ 6.4.2) om bij de onderdelen te kunnen en ze te reinigen.

BELANGRIJK: We raden ten strengste aan om de afvalbak zonder gebruik van water te reinigen. In geval het gebruik van water noodzakelijk is, moet de veegwagen volledig drogen alvorens de reinigingswerkzaamheden worden hervat.
KAPITTEL 16 - BUITENGEWOONONDERHOUD

BUITENGEWOON ONDERHOUD OMVAT ALLE HANDELINGEN DIE NIET IN DEZE HANDLEIDING WORDEN BESCHREVEN; DEZE MOETEN DERHALVE WORDEN UITGEVOERD DOOR GESPECIALISEERD SERVICEPERSONEEL DAT DAARTOE IS OPGELEID (ZIE OMSLAG VAN DE HANDLEIDING).
KAPITTEL 17 - RESERVEONDERDELEN
Voor de vervanging van onderdelen van de machine wordt verwezen naar de door de fabrikant verstrekte lijst van de reserveonderdelen.
KAPITTEL 18 - ONTMANTELING EN SLOOP
Als de machine niet langer wordt gebruikt, verwijdert u de batterijen en ontdoe ze van hen overeenkomstig de bepalingen van de eco-compatibiliteit zoals uiteengezet in Europese standaard 2013/56/EU. Om de machine te slopen, dient u te voldoen aan de huidige wetten waar het wordt gebruikt:
Haal de machine uit het stopcontact en maak de machine schoon na het legen van alle vloeistoffen;
- De machine in groepen van homogene materialen (kunststof overeenkomstig de recycling symbool, Metalen, rubber, verpakking) verdelen.
- Voor delen met verschillende materialen, contact opnemen met de bevoegde autoriteiten;
Ike homogene groep moet worden verwijderd volgens de wetten van recycling.
Bovendien, is het raadzaam om die delen te elimineren die mogelijk gevaarlijk zijn, vooral voor kinderen.
KAPITTEL 19 - DEFECTEN / OORZAKEN / OPLOSSINGEN
In feite kunnen er twee soorten defecten optreden:
- de machine produceert stof tijdens het gebruik,
- de machine laat het bewerkte oppervlak vuil.
Er zijn vele mogelijke oorzaken, die echter met een aandachtig gebruik en een goed gewoon onderhoud kunnen worden vermeden. De meest voorkomende problemen worden aangegeven in de onderstaande tabel.
| DEFECTEN OORZAKEN OPLOSSINGEN | ||
| De machine produceert stof. | Afzuiging gesloten. Activeer de afzuiging | |
| Filter verstopt. Reinig het filter, "schud" het met de daarvoor bestemde instrumenten of neem het uit en reinig het grondig, indien nodig. | ||
| Filter beschadigd Vervang het filter. | ||
| Onjuist geplaatst filter. Monteer het filter met de voorziene afdichting en controleer de correcte en strakke plaatsing met de daarvoor bestemde stops. | ||
| Continu gebruik van de zijdelingse borstel. | Gebruik de zijdelingse borstel alleen voor de reiniging van randen, profielen en hoeken. | |
| Zijdelingse afdichtingen beschadigd. Stel ze af of vervang ze. | ||
| De machine laat het bewerkte oppervlak vuil. | De centrale borstel is niet goed afgesteld of is versleten. | Stel de centrale borstel af en controleer het "traject". |
| Er zijn draden, touwen, enz. om de borstel gewikkeld. | Verwijder ze. | |
| Zijdelingse afdichtingen beschadigd. Vervang ze. | ||
| Volle afvalbak. Ledig hem. | ||
| (BATTERIJGEVOEDE VERSIE) De accu-aangedreven machine werkt niet optimaal, is traag Reinigt niet goed. | Batterij bijna leeg of niet volledig opgeladen | Controleer het elektrolytniveau en ga verder met een nieuwe laadcyclus Voltooien (zie de documentatie van de accufabrikant). |
| De lader is niet de aanbevolen lader of is onvoldoende. | Gebruik een geschikte oplader (§ 9.15) | |
KAPITTEL 20 - GARANTIE
Deze machine wordt gedurende 12 maanden na de datum van verkoop gegarandeerd tegen productie- of montagedefecten.
De garantie omvat alleen en uitsluitend de vervanging of reparatie van de als defect herkende onderdelen. Elk ander type verzoek wordt niet aanvaard.
De garantie omvat geen schade veroorzaakt door: normale slijtage, een gebruik in strijd met de beschrijvingen van deze handleiding, onjuiste afstellingen, onjuiste technische ingrepen, vandalisme.
KAPITTEL 21 - EG-CONFORMITEITSVERKLARING
De CE-verklaring is samen met deze handleiding bij de motorveegmachine gevoegd. Voor overleg verwijzen wij u naar het betreffende document.
índice....pág.
CAPÍTULO 1 - ÂMBITOS/INTENÇÕES 223
CAPÍTULO 2 - LEGENDA. 223
CAPÍTULO 3 - NORMAS GERAIS 225
| DEFECTEN OORZAKEN OPLOSSINGEN | ||
| De machine produceert stof. | Afzuiging gesloten. Activeer de afzuiging | |
| Filter verstopt. | Reinig het filter, "schud" het met de daarvoor bestemde instrumenten of neem het uit en reinig het grondig, indien nodig. | |
| Filter beschadigd Vervang het filter. | ||
| Onjuist geplaatst filter. | Monteer het filter met de voorziene afdichting en controleer de correcte en strakke plaatsing met de daarvoor bestemde stops. | |
| Continu gebruik van de zijdelingse borstel. | Gebruik de zijdelingse borstel alleen voor de reiniging van randen, profielen en hoeken. | |
| Zijdelingse afdichtingen beschadigd. Stel ze af of vervang ze. | ||
| De machine laat het bewerkte oppervlak vuil. | De centrale borstel is niet goed afgesteld of is versleten. | Stel de centrale borstel af en controleer het "traject". |
| Er zijn draden, touwen, enz. om de borstel gewikkeld. | Verwijder ze. | |
| Zijdelingse afdichtingen beschadigd. Vervang ze. | ||
| Volle afvalbak. Ledig hem. | ||
| De accu-aangedreven machine werkt niet optimaal, is traag Reinigt niet goed. | Batterij bijna leeg of niet volledig opgeladen | Controleer het elektrolytniveau en ga verder met een nieuwe laadcyclus Voltooien (zie de documentatie van de accufabrikant). |
| De lader is niet de aanbevolen lader of is onvoldoende. | Gebruik een geschikte oplader (§ 9.15). | |












