Prowork PBK 35 - Zaag

PBK 35 - Zaag Prowork - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis PBK 35 Prowork in PDF-formaat.

📄 116 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice Prowork PBK 35 - page 38

Gebruikersvragen over PBK 35 Prowork

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

L'email reste privé : il sert seulement à vous prévenir si quelqu'un répond à votre question.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Zaag in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding PBK 35 - Prowork en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. PBK 35 van het merk Prowork.

GEBRUIKSAANWIJZING PBK 35 Prowork

LET OP! Bij het werken met op brandstof draaiende gereedschappen dienen steeds de volgende grondregels in acht te worden genomen om het risico van lichamelijk letsel en/of schade aan het toestel te verminderen. Lees deze instructies voordat u de zaag in werking stelt en bewaar ze goed.

1. Werk met de zaag NIET met maar één hand! Anders

bestaat het gevaar dat de bedieningspersoon, een helper of toeschouwer een blessure oploopt. Een ket- tingzaag is geconstrueerd om met twee handen te worden geleid.

2. Werk NIET met de zaag als u moe bent.

3. Draag veiligheidsschoenen, nauwsluitende kleding,

werkhandschoenen, een veiligheidsbril, oorbescher- mer en een hoofddeksel.

4. Wees voorzichtig bij het hanteren met motorbrand-

stof. Start de zaag op een afstand van minstens 3 m van de plaats waar u de brandstof heeft ingegoten.

5. Terwijl u de kettingzaag start of ermee snijdt mogen

GEEN andere personen zich in de buurt ophouden. Verbiedt toeschouwers en dieren de toegang tot het werkgebied.

6. Snij PAS als het werkgebied opgekuist is, als u veilig

staat en als u een weg hebt uitgekeken om zich voor de neerkomende boom terug te trekken.

7. Als de motor draait dienen alle lichaamsdelen weg te

wijzen van de kettingzaag.

8. Vergewis u er zich van dat de kettingzaag geen voor-

werpen raakt voordat u de motor start.

9. Draag de kettingzaag alleen als de motor gestopt is,

de geleiderail en de ketting naar achteren wijzen en de uitlaat wegwijst van uw lichaam.

10. Stel GEEN kettingzaag in werking die beschadigd,

fout ingesteld of onvolledig en los gemonteerd is. Vergewis u er zich van dat de kettingzaag gestopt is als de veiligheidslosser vrijgegeven wordt.

11. Zet de motor stil voordat u de kettingzaag neerzet.

12. Wees bij het snoeien van kleine struiken en scheuten

uiterst voorzichtig, want de dunne takken kunnen in de zaag verward raken en in uw richting slaan of kun- nen u uit uw evenwicht brengen.

13. Let bij het zagen van een tak die onder spanning

staat op een eventuele terugstoot als de spanning van het hout plots nalaat.

14. Let er goed op dat de handvaten droog, schoon en

vrij zijn van olie of brandstofmengsel.

15. Werk met de kettingzaag alleen op goed verluchte

16. Zaag met de kettingzaag GEEN boom, tenzij u een

overeenkomstige opleiding hebt gekregen.

17. Het gehele onderhoud van de kettingzaag, afgezien

van de punten vermeld in deze handleiding en onder- houdsinstructies, mag alleen door de dienst na verkoop voor kettingzagen worden uitgevoerd.

18. Breng de koker voor de geleiderail aan voordat u de

kettingzaag transporteert.

19. Werk met de kettingzaag NIET naast of in de aan-

wezigheid van ontvlambare vloeistoffen of gassen hetzij binnen in een ruimte of buiten. Er bestaat explosie- en/of brandgevaar.

20. Giet er geen brandstof, olie of smeermiddel in terwijl

de kettingzaag draait.

21. GEBRUIK ALLEEN GEPAST ZAAGMATERIAAL:

22. Snijd alleen hout. Gebruik de kettingzaag niet voor

werkzaamheden waarvoor ze ongeschikt is. Snijd met de kettingzaag b.v. geen plastiek, metselwerk en evenmin materialen die niet tot het bouwvak behoren. AANWIJZING: Het onderstaande aanhangsel is voor- namelijk bedoeld voor de eindverbruiker of onregel- matige gebruiker. Deze modellen zijn geconcipieerd om af en toe door huiseigenaars, bewoners van een land- huis of vakantiebungalow en door kampeerders te wor- den gebruikt en dienen voor alle algemene werkzaamhe- den b.v. rooien, snoeien, brandhout snijden etc. Ze zijn niet voorzien voor vrij lange werkzaamheden. Als er vrij lang aan één stuk met het toestel wordt gewerkt kunnen er zich circulatiestoornissen voordoen als gevolg van vibratie in de handen van de bedieningspersoon.

VOORZORGSMAATREGELEN BIJ TERUGSTOTEN

Een terugstoot zou zich kunnen voordoen als de top van de geleiderail een voorwerp raakt of als het hout de ket- tingzaag in de snede vastklemt. Als de top van de rail een dergelijk contact krijgt, zou de geleiderail bliksem- snel omhoog of terug naar de bedieningspersoon kun- nen worden gestoten. Als de kettingzaag langs de bovenkant van de geleiderail wordt vastgeklemd, zou de geleiderail evenwel snel naar de bedieningspersoon toe worden teruggestoten. In de beide gevallen zou u de controle over de zaag kun- nen verliezen en zwaar letsel oplopen. Reken niet hele- maal op de veiligheidsinrichtingen die in de zaag geïnte- greerd zijn. Als gebruiker van een kettingzaak dient u rekening te houden met meerdere punten om uw zaag- taken zonder ongelukken en zonder letsel te kunnen uitvoeren.

1. Als u oorzaak en gevolg van terugstoten principieel

begrijpt kan daardoor het verrassingsmoment worden verminderd of uitgesloten. Plotse reacties dragen bij tot ongelukken.

2. Hou de zaag bij draaiende motor met de beide han-

den goed vast, waarbij u met de rechterhand de achterste greep en met de linkerhand de voorste greep vastgrijpt. Duim en vingers moeten de grepen van de kettingzaag vast omsluiten. Een vaste greep Betekenis van de symbolen op de zaag Handleiding vóór gebruik van de zaag lezen Veiligheidsbril dragen om de ogen te beschermen Oorbeschermer tegen lawaaioverlast dragen Stofmasker dragen als bescherming tegen stof Handschoenen dragen om uw handen te bescher men Veiligheidsschoenen ter bescherming van uw voeten dra-

Anleitung PBK 35 SPK 1 05.07.2004 10:45 Uhr Seite 38NL helpt u terugstoten op te vangen en de controle over de zaag te behouden. Laat ze niet los.

3. Zorg ervoor dat het gebied waarin u zaagt vrij is van

hindernissen. De top van de geleiderail mag bij het snijden met de zaag geen boomstam, tak of iets dergelijks raken.

4. Snijd met hoog motortoerental.

5. Buig niet te ver naar voren of zaag niet boven

6. Scherp en onderhoud de kettingzaag conform de

instructies van de fabrikant.

7. Gebruik alleen reserverails en -kettingen die door de

fabrikant goedgekeurd zijn. AANWIJZING: Een kettingzaag met een geringe terugstoot komt overeen met het terugstootvermogen. BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINSTRUC- TIES Op de kettingremhendel / handbeschermer van de ket- tingzaag is er een veiligheidsplaatje aangebracht. Lees het opschrift op dit plaatje en de veiligheidsinstructies op deze bladzijden nauwkeurig voordat u de zaag in werk- ing stelt. SYMBOLEN EN KLEUREN (fig. 1) GROEN AANBEVOLEN Aanbevolen werkwijze om te zagen. LET OP: Pas op voor terugstoten! De zaag niet met één hand vasthouden. Contact met de top van de rail vermijden. AANBEVOLEN De zaag naar behoren met twee handen vasthouden. GEVAAR! PAS OP VOOR TERUGSTOTEN! TERUGSTOOT kan zich voordoen als de NEUS of de TOP van de geleiderail een voorwerp raakt of als het hout de kettingzaag in de snede vastklemt. Als de top van de rail contact krijgt, zou de geleiderail bliksemsnel omhoog of terug naar de bedieningspersoon kunnen worden gestoten. KLEMT de kettingzaag langs de ONDERKANT van de geleiderail, kan de zaag naar voren, weg van de bedien- ingspersoon, worden GETROKKEN. KLEMT de ket- tingzaag langs de BOVENKANT van de geleiderail, kan ze snel naar de bedieningspersoon terug worden GESTOTEN. In de beide gevallen kunt u de controle over de zaag ver- liezen en zwaar letsel oplopen. SPECIFICATIE Cilinderinhoud van de motor 35 cm

(2.3 cu-in) Maximaal aandrijfvermogen 1.3 kw Snijlengte 14” (35 cm) Afstand van de ketting 10mm Dikte van de ketting 1,3mm Ideale motortoeren 2800 tot 3300 t/min Maximaal toerental 8000 t/min Tankinhoud: 296 cc (10 oz) Olietankinhoud1 80 cc (6.1 oz) Antivibreerfunctiej a Vertanding 9 tanden Kettingrem ja Koppeling ja Automatisch oliën van de ketting ja Ketting met geringe terugstoot ja Nettogewicht zonder ketting en geleiderail 5,1 kg Nettogewicht 5,88 kg Benzineverbruikca. 1,5 kg/h Geluidsdrukniveau 97,6 dB(A) Werkdrukniveau 103 dB(A) Remtijd vanuit het werktoerental 0,07s Vibratie 10,2 m/s

LET OP: ROOD waarschuwt voor een gevaarlijke werkwijze die men achterwege dient te laten.

Fig. 1 LET OP: Terugstoten kunnen leiden tot een gevaarlijk verlies van de controle over de kettingzaag en bijgevolg tot zware lichamelijke letsels bij de bedieningspersoon of een persoon die in de buurt staat. Wees altijd waakzaam. Terugstoten op grond van de draaiende ketting of van een vastgek- lemde zaag zijn de voornaamste gevaren van een kettingzaag en het hoofdoorzaak van de meeste ongelukken. Fig. 2A Fig. 2B

HOU REKENING MET: DRAAITERUGSTOOT (fig. 2A) A = Richting van de terugstoot B = Reactiezone van de terugstoot STOOT- (KLEMTERUGSTOOT) EN TREKREACTIES (fig. 2B) A = trekken B = vaste voorwerpen C = stoten

3. Justeerschroef van de

(afstelling van de carburator)

23. Afdekking van de geleiderail

2 ZAAGKETTING MET GERINGE TERUGSTOOT helpt u terugstoten of hun kracht met speciaal ontwikkelde veiligheidsinrichtingen op te vangen. 4 VONKROOSTER weerhoudt kool of andere ontvlam- bare partikels groter dan 0,6 mm van de uitstoot van uitlaatgassen van de motor. De gebruiker is gehouden plaatselijke, in de respectievelijke provincie geldende en nationale wetten en / of voorschriften ter regeling van het gebruik van vonkroosters na te leven. Bijkomende informatie vindt u in de veiligheidsinstruc- ties. 5 KETTINGREMHENDEL / HANDBESCHERMER beschermt de linkerhand van de bedieningspersoon mocht die bij draaiende zaag wegglijden van de voorste greep. 5 KETTINGREM is een veiligheidsfunctie ter verminder- ing van letsel als gevolg van terugstoten; door deze rem wordt de roterende zaagketting binnen millisecon- den stilgezet. Ze wordt geactiveerd door de KETTIN- GREMHENDEL. 10 STOPSCHAKELAAR stopt de motor onmiddellijk als hij uitgeschakeld wordt. De stopschakelar dient op EIN (AAN) te worden gezet om de motor (opnieuw) te starten. 11 VEILIGHEIDSLOSSER voorkomt een toevallige ver- hoging van de motortoeren. De gashendel (19) kan alleen worden ingedrukt als de veiligheidslosser inge- drukt is. 20 KETTINGVANGELEMENT reduceert het letselgevaar mocht de zaagketting bij draaiende motor scheuren of ontglijden. Het kettingvangelement dient om een om zich heen slagende ketting op te vangen. 21 UITLAATBESCHERMER voorkomt dat handen en brandbare materialen in contact komen met een hete uitlaat. 22 STOOTDOORN dient ter bescherming van uzelf en vergemakkelijkt het snijden. De stootdoorn versterkt de stabiliteit als u verticale sneden uitvoert. AANWIJZING: Maakt u zich vertrouwd met de zaag en haar onderdelen. VEILIGHEIDSFUNCTIES De cijfers vermeld in de onderstaande beschrijving komen overeen met de cijfers op de voorafgaande pagina zodat u de veiligheidsfuncties gemakkelijker kunt terugvinden.

U hebt het volgende gereedschap nodig om de ket- tingzaag te assembleren:

1. Ringsleutel/platte open sleutel/schroevendraaier (in de

gebruikersset begrepen).

2. Hoogvaste werkhandschoenen (door de gebruiker te

Bij de nieuwe kettingzaag dient u de ketting bij te rege- len, de brandstoftank met de juiste brandstofmengeling te vullen en de olietank met olie te vullen voordat u de zaag in werking mag stellen. Lees deze handleiding volledig alvorens met de zaag te werken. Neem in het bijzonder alle veiligheidsmaatrege- len in acht. Deze handleiding is zowel een document waarin u alle informatie nodig voor het veilig werken met de zaag terugvindt als een handboek dat algemene inlichtingen bij de assemblage, de werking en het onderhoud van de zaag bevat.

AANBRENGEN VAN DE GELEIDERAIL: GEBRUIK ALLEEN DE ORIGINELE RAIL met oliedoor- laatopeningen (A), zie hierboven (fig. 3A), om te verzek- eren dat aan de rail en aan de ketting daadwerkelijk olie wordt toegevoerd.

1. Vergewis u er zich van dat de kettingremhendel naar

de stand ONTKOPPELD is teruggetrokken (fig.3B).

2. Verwijder de 2 railbevestigingsmoeren (B). Draai de 2

schroeven achteraan aan de afdekking (C) van de koppeling los. Neem de afdekking af (fig.3 C).

3. Draai de justeerschroef (D) met een schroevendraaier

TEGEN DE RICHTING VAN DE WIJZERS VAN DE KLOK IN tot de AREND (E) (uitstekend punt) zich aan het einde van zijn schuifafstand in richting koppelings cilinder en tandwiel bevindt (fig. 3 D).

4. Plaats het gekeepte einde van de geleiderail over de

2 railbouten (F). Richt de rail zodat de JUSTEER AREND het gat (G) in de geleiderail in past (fig. 3 E). AANBRENGEN VAN DE ZAAGKETTING:

1. Spreidt de ketting in een lus uit zodat de snijkanten

(A) MET DE WIJZERS VAN DE KLOK MEE rond de lus zijn uitgericht (fig. 4 A).

2. Schuif de ketting rondom het tandwiel (B) achter de

koppeling (C). De kettingschakels moeten tussen de tanden in worden gevoegd (fig. 4 B).

3. Voer de aandrijfschakels de gleuf (D) in en leid ze

rond het uiteinde van de rail (fig. 4 B). AANWIJZING: Het zou kunnen dat de zaagketting aan de onderkant van de rail lichtjes doorhangt. Dit is nor- maal.

4. Breng de afdekking van de koppeling aan en bevestig

ze met 2 schroeven. Daarbij mag de ketting niet van de rail afglijden. Haal de 2 moeren handvast aan en volg de instructies voor het afstellen van de spanning in hoofdstuk AFSTELLEN VAN DE KETTINGSPAN NING op. AANWIJZING: De railbevestigingsmoeren worden nu slechts handvast aangehaald omdat de zaagketting nog moet worden ingesteld. Volg de instructies in hoofdstuk AFSTELLEN VAN DE KETTINGSPANNING op.

AFSTELLEN VAN DE KETTINGSPANNING

De juiste spanning van de zaagketting is uiterst belan- grijk en dient vóór het starten en gedurende alle zaagw- erkzaamheden te worden gecontroleerd. Als u even de tijd neemt de zaagketting naar behoren af te stellen zal u in staat zijn betere sneden uit te voeren en zal de levensduur van de ketting langer worden. AFSTELLEN VAN DE ZAAGKETTING:

1. Hou de top van de geleiderail omhoog en draai de

justeerschroef (D) MET DE WIJZERS VAN DE KLOK MEE om de spanning van de ketting te verhogen. Draait u de schroef TEGEN DE RICHTING VAN DE WIJZERS VAN DE KLOK IN, gaat de spanning van de ketting verminderen. Vergewis u er zich van dat de ketting helemaal rondom de geleiderail is aangelegd (fig. 5).

2. Na het justeren – de top van de rail wijst steeds

LET OP: Start de motor van de zaag PAS als de zaag helemaal geassembleerd en klaar is. LET OP: Draag bij het hanteren van de ket- ting altijd veiligheidshandschoenen.

LET OP: Draag steeds hoogvaste hand- schoenen terwijl u de zaagketting hanteert of justeert.

Anleitung PBK 35 SPK 1 05.07.2004 10:45 Uhr Seite 41NL omhoog – haalt u de bevestigingsmoeren van de rail goed aan. De ketting is correct gespannen als ze nauw aansluit bij de rail en als ze met de hand (hand schoenen aandoen!) helemaal rond kan worden getrokken. AANWIJZING: Als u de ketting alleen rond de geleiderail kan draaien als u er hard aan trekt of als ze blokkeert, is ze te hard gespannen. Voer dan de volgende kleine afstelling uit: A. Draai de 2 bevestigingsmoeren van de rail los tot ze vingervast zijn. Verminder van kettingspanning door de justeerschroef langzaam TEGEN DE RICHTING VAN DE WIJZERS VAN DE KLOK IN te draaien. Trek de ketting op de geleiderail voor en terug. Ga ermee door tot de ketting zonder wrijving kan worden bewogen maar toch nauw aansluit bij de rail. Verhoog de spanning door de justeerschroef MET DE WIJZ ERS VAN DE KLOK MEE te draaien. B. Als de zaagketting correct is gespannen, hou dan de top van de geleiderail recht omhoog en haal de beide bevestigingsmoeren van de rail goed aan.

MECHANISCHE TEST VAN DE KETTINGREM

De kettingzaag is voorzien van een kettingrem die letsels op grond van het gevaar voor terugstoten vermindert. De rem wordt geactiveerd door druk uit te oefenen op de remhendel als bij een terugstoot b.v. de hand van de bedieningspersoon tegen de hendel slaat. Bij activering van de rem stopt de ketting abrupt. CONTROLEREN VAN DE KETTINGREM:

reteerd) als de remhendel naar voren is getrokken. De ketting mag dan niet meer kunnen bewegen (fig. 7 B). AANWIJZING: De remhendel moet in de beide standen vastklikken. Gebruik de zaag niet als u een harde weer- stand voelt of als de hendel niet kan worden verschoven. Breng de zaag dan onmiddellijk naar de professionele dienst na verkoop om ze te laten herstellen.

MOTORBRANDSTOF EN OLIE

MOTORBRANDSTOF Gebruik voor optimale resultaten normale loodvrije brandstof gemengd met speciale 2-takt-motorolie in een mengverhouding van 40 tot 1. Fig. 6

VOORZICHTIG! Een nieuwe zaagketting wordt langer en moet bijgevolg na ca. 5 sne- den worden bijgeregeld. Dit is bij nieuwe kettingen normaal en toekomstige afstellin- gen zullen minder vaak moeten worden uit- gevoerd. LET OP: De kettingrem is wel bedoeld om het letselrisico als gevolg van terugstoot te verminderen, maar ze kan geen behoorlijke bescherming bieden als met de zaag zorgeloos wordt gewerkt. Controleer de ket- tingrem altijd voor elk gebruik van de zaag en ook regelmatig terwijl u er mee werkt. Fig. 5

VOORZICHTIG! Als de zaagketting TE LOS of TE HARD GESPANNEN is, gaan de tanden, de geleiderail, de ketting en het lager van de krukas sneller afslijten. Fig. 6 informeert over de correcte koude spanning (A) en warme spanning (B) en dient als aan- wijzing voor verdere afstellingen van de zaagketting (C).

Fig. 7B Fig. 7A LET OP: Gebruik voor deze zaag nooit onverdunde brandstof. De motor zou daar- door schade oplopen en u zou het recht op garantie voor dit product verliezen. Gebruik geen brandstofmengeling die langer dan 90 dagen is opgeslagen. LET OP: Als u een 2-takt-olie in afwijking van de speciale olie gebruikt, dient u super- olie voor luchtgekoelde 2-takt-motoren met een mengverhouding van 40 tot 1 te gebruiken. Neem geen 2-takt-olieproduct met een mengverhouding van 100 tot 1. Door onvoldoend oliën wordt de motor beschadigd en u verliest in dit geval het recht op garantie voor de motor. Anleitung PBK 35 SPK 1 05.07.2004 10:45 Uhr Seite 42NL BRANDSTOFMENGELING Meng de brandstof met 2-takt-olie in een goedgekeurd reservoir. De correcte mengverhouding van brandstof tot olie vindt u terug in de mengtabel. Schud het reservoir goed om alles zorgvuldig te vermen- gen.

AANBEVOLEN BRANDSTOFFEN Sommige gebruikelijke soorten benzine zijn vermengd met additieven zoals alcohol- of etherverbindingen om aan normen voor zuivere uitlaatgassen te beantwoorden. De motor draait tevredenstellend op alle soorten benzine die als aandrijfmiddel bedoeld zijn, ook op met zuurstof verrijkte soorten benzine. OLIËN VAN DE KETTING EN HET LAGER Telkens als u de brandstoftank vult dient u de kettingoli- etank bij te vullen. Wij bevelen olie voor kettingen, rails en vertandingen aan die additieven bevat om wrijving en slijtage te reduceren en inkepingen op geleiderail en ket- ting te voorkomen. GEBRUIKSVOORSCHRIFT CONTROLES VOOR HET STARTEN VAN DE MOTOR

1. Vul de brandstoftank met de correcte brandstofmen

geling (A) (fig. 8 A).

2. Vul de olietank met de correcte ketting- en railolie (B)

3. Vergewis u er zich van dat de kettingrem (C) ontkop

peld is voordat u de motor start (fig. 8 A).

STARTEN VAN DE MOTOR

Er zijn 3 starterstanden: BETRIEB (bedrijf) (A), HALB (half) (B) en CHOKE (C) (fig. 9 A).

1. Schuif de rode STOP-schakelaar (D) omhoog om te

2. Breng de gele smoorhendel (E) naar de stand

3. Druk tien keer op de knop (F) van de benzinepomp

4. Bedrijfsgrendel naar voren schuiven: druk op de gren

del en blijf hem indrukken (A), druk op de gashendel (B), laat de gashendel en dan de grendel los (fig. 10 A).

5. Leg de zaag op een vaste effen onderlaag. Pak de

zaag vast zoals in de illustratie getoond. Trek snel de starter vier keer. Let op de roterende ketting! (Fig. 10

7. Hou de zaag vast en trek de starter snel vier keer. De

motor zou nu moeten starten (fig. 10 D).

8. Laat de motor 10 seconden warmdraaien. Druk op de

losser (E) en breng hem naar de stand LEERLAUF (stationair draaien) en ga over naar stap 9 (fig. 10 E).

9. Breng de gele smoorhendel (F) naar de stand

(BETRIEB (bedrijf)) (fig. 10 F). Indien de motor niet start, herhaalt u de boven beschreven stappen.

HERSTARTEN VAN DE WARME MOTOR

1. Vergewis u er zich van dat de schakelaar naar de

stand EIN (AAN) is gebracht.

2. Schuif de smoorhendel naar de stand (HALB (half)).

3. Druk tien keer op de knop van de benzinepomp.

4. Zet de bedrijfsgrendel.

5. Trek tien keer de starterkoord. De motor moet

LET OP: Bij onvoldoend oliën vervalt uw recht op garantie voor de motor. LET OP: Start of bedien de zaag nooit als de geleiderail en de ketting niet naar behoren erop geplaatst zijn. Benzine- en oliemengeling 40 tot 1 Alleen olie Fig. 9A Fig. 8

6. Schuif de smoorhendel naar de stand (BETRIEB

7. Laat de bedrijfsgrendel los.

2. Schuif de STOP-schakelaar omlaag om de motor te

stoppen. AANWIJZING: Om de motor in geval van nood te stop- pen, activeert u de kettingrem en schuift u de STOP- schakelaar omlaag.

BEDRIJFSTEST VAN DE KETTINGREM

Controleer regelmatig of de kettingrem naar behoren werkt. Test de kettingrem voor elke snede, na herhaaldelijk snij- den en in elk geval aan het einde van onder- houdswerkzaamheden die aan de kettingrem worden verricht. TEST DE KETTINGREM ALS VOLGT (FIG. 11):

1. Leg de zaag op een schone, vaste en effen onder-

3. Grijp de achterste greep (A) met de rechterhand vast.

4. Met de linkerhand pakt u de voorste greep (B) [niet de

kettingremhendel (C)] vast.

5. Breng de gashendel naar de stand 1/3 toerental en

activeer dan meteen de kettingremhendel (C).

6. De ketting moet abrupt stoppen. Laat vervolgens de

veiligheidslosser meteen los.

7. Als de kettingrem naar behoren werkt, stopt u de

motor en brengt u de kettingrem opnieuw naar de stand “ONTKOPPELD”.

OLIËN VAN DE ZAAGKETTING / GELEIDERAIL

Het voldoend oliën van de zaagketting dient altijd gewaarborgd te zijn om de wrijving op de geleiderail te reduceren. De geleiderail en de ketting mogen nooit zonder olie zijn. Als u de zaag met te weinig olie gebruikt, gaat het sni- jvermogen achteruit, wordt de levensduur van de zaagketting korter, wordt de ketting snel bot en slijt de geleiderail flink af op grond van oververhitting. Te weinig olie ziet u aan de ontwikkeling van rook, aan het verkleuren van de geleiderail of aan de vorming van teer. AANWIJZING: De zaagketting gaat tijdens het gebruik langer worden, vooral als ze nieuw is; daarom dient u ze van tijd tot tijd te justeren en na te spannen. Een nieuwe ketting moet na ca. 5 bedrijfsminuten worden gejusteerd. AUTOMATISCHE SMEERINRICHTING De kettingzaag is uitgerust met een automatische smeerinrichting met tandwielaandrijving. Deze inrichting voorziet de geleiderail en de ketting automatisch van de juiste hoeveelheid olie. Naarmate het motortoerental wordt verhoogd, gaat ook de olie sneller naar de plaat van de geleiderail stromen. Er is geen afstelmogelijkheid voor het debiet. De olievoorraad raakt ongeveer op het- zelfde moment op als de brandstofvoorraad.

ALGEMENE INSTRUCTIES VOOR HET SNIJDEN

VELLEN Vellen betekent het afzagen van een boom. Kleine bomen met een diameter van 15 tot 18 cm zaagt men normaal met één snede af. Bij grotere bomen moeten kerfsneden worden aangezet. Kerfsneden bepalen de richting waarin de boom gaat vallen. VELLEN VAN EEN BOOM: AANWIJZING: De valrichting (B) wordt door de kerf- snede bepaald. Voordat u begint te snijden dient u reken- ing te houden met de plaats van grotere takken en met de natuurlijke schuinte van de boom om het neerkomen van de boom te schatten. LET OP: Voordat u begint te snijden dient u een pad (A) te plannen en vrij te legen om zich terug te kunnen trekken. De terugtrek- pad moet naar achteren en diagonaal t.o.v. de achterzijde van de te verwachten valricht- ing verlopen, zoals voorgesteld in fig. 12. LET OP: Bij het vellen van een boom op een helling moet de bedieningspersoon van de kettingzaag op de opstijgende kant van de helling gaan staan omdat de boom na het vellen hoogstwaarschijnlijk de helling eraf gaat rollen of glijden. Fig. 11

LET OP: Activeer de kettingrem langzaam en met overleg. De zaag mag niets aanrak- en en mag evenmin vooraan omlaag hangen. LET OP: Als de ketting niet stopt, zet u de motor af en brengt u de zaag naar de geau- toriseerde plaatselijke dienst na verkoop van Einhell om ze te laten herstellen. Fig. 12

BOMEN Normaal worden bij het vellen 2 hoofdsneden toegepast: inkepen (C) en velsnede (D). Begin met de bovenste kerfsnede (C) aan de overkant van de valzijde van de boom (E). Let er op bij de onder- ste snede niet de diep de boomstam in te snijden. De inkeping (C) mag niet te diep zijn zodat een ver- ankeringspunt (F) van voldoende breedte en dikte gewaarborgd is. De inkeping moet breed genoeg zijn om het neerkomen van de boom zo lang mogelijk te control- eren. Zaag de boomstam nooit helemaal door. Er moet altijd een verankeringspunt blijven staan. Het veranker- ingspunt houdt de boom op zijn plaats. Als de boom helemaal wordt doorgezaagd kunt u de valrichting niet meer controleren. Steek een wig of een velhefboom de snede in nog voor- dat de boom onstabiel wordt en begint te bewegen. Op die manier kan de geleiderail niet in de velsnede worden vastgeklemd als u de valrichting verkeerd heeft geschat. Verbiedt toeschouwers de toegang tot het gebied waar de boom gaat neerkomen voordat u hem omverduwt. VELSNEDE:

1. Voorkom het vastklemmen van de geleiderail of de

ketting (B) in de snede d.m.v. houten of plastiek wiggen (A). Wiggen controleren eveneens het vellen (fig. 14 A).

2. Is de diameter van het te snijden hout groter dan de

lengte van de geleiderail, maakt u twee sneden zoals getoond in de figuur (fig. 14 B).

VERWIJDEREN VAN TAKKEN

Takken worden van de gevelde boom verwijderd. Verwijder de steuntakken (A) pas als de stam op lengte is gesneden (fig. 15). Takken waarop spanning staat dienen van beneden naar boven te worden gesneden zodat de kettingzaag niet kan worden vastgeklemd.

Snij een gevelde boomstam op de juiste lengte. Let erop dat u veilig staat en ga aan de bovenkant van de stam gaan staan als u op een helling zaagt. De stam moet indien mogelijk ondersteund zijn zodat het af te snijden einde niet op de grond ligt. Als de beide einden van de stam ondersteund zijn en u in het midden moet snijden, maak dan een halve snede van boven door de stam en vervolgens de snede van beneden naar boven. Daardoor voorkomt u het vastklemmen van de geleiderail en de ketting in de stam. Let er goed op dat de ketting bij het op maat snijden niet de grond in snijdt want daardoor wordt de ketting snel bot. Ga bij het op maat snijden alti- jd aan de bovenkant van de helling gaan staan.

1. Stam over de totale lengte ondersteund: snij van

LET OP: Vel geen boom als er een harde wind of wind uit wisselende richtingen waait of als het gevaar voor schade aan eigendom bestaat. Raadpleeg een specialist voor het vellen van bomen. Vel geen boom als die op leidingen terecht zou kunnen komen en ver- wittig de overheid die voor deze leiding bevoegd is voordat u de boom velt. LET OP: Ga nooit voor een boom gaan staan die ingekeept is. Breng de velsnede (D) aan de andere kant van de boom aan, ca. 3,5 cm boven de onderkant van de inkeping (C) (fig. 13). LET OP: Voordat u de definitieve snede uitvoert, dient u er zich van te vergewissen dat geen toeschouwers, dieren of hin- dernissen op de plaats aanwezig zijn waar de boom neerkomt. LET OP: Als de velsnede het veranker- ingspunt nadert, begint de boom te vallen. Zodra de boom begint neer te komen trekt u de zaag de snede uit, stopt u de motor, legt u de kettingzaag neer en verlaat u de plaats via het terugtrekpad (fig. 12). Fig. 13 LET OP: Snij nooit takken van de boom ter- wijl u op de boomstam staat. Fig. 14B Fig. 14A

Anleitung PBK 35 SPK 1 05.07.2004 10:45 Uhr Seite 45boven en let er goed op niet de grond in te snijden (fig. 16 A).

2. Stam aan slechts één uiteinde ondersteund: snij eerst

1/3 van de stamdiameter van beneden naar boven om het afbreken te voorkomen. Snij dan van boven naar de eerste snede toe om het vastklemmen te vermij den (fig. 16 B).

3. Stam aan de beide uiteinden ondersteund: snij eerst

1/3 van de stamdiameter van boven naar beneden om het afbreken te voorkomen. Snij dan van beneden naar de eerste snede toe om het vastklemmen te ver mijden (fig. 16 C). AANWIJZING: Om een boomstam op lengte te snijden gebruikt u best een zaagbok. Is dit niet mogelijk is het aan te raden de stam op te tillen of te ondersteunen m.b.v. stronken van takken of via steunblokken. Zorg ervoor dat de te snijden stam veilig is ondersteund.

OP LENGTE SNIJDEN OP EEN ZAAGBOK

Voor uw veiligheid en om het zaagwerk te vergemakke- lijken is de juiste positie vereist om de stam recht naar beneden op lengte te snijden (fig. 17). VERTICAAL SNIJDEN: A. Hou de zaag met de beide handen vast en leidt ze tijdens het snijden rechts aan uw lichaam voorbij. B. Hou de linkerarm zo recht mogelijk. C. Verdeel uw gewicht op beide voeten (fig. 17). ONDERHOUDSINSTRUCTIES Alle onderhoudswerkzaamheden aan de kettingzaag, behalve de onderhoudspunten vermeld in deze handleid- ing, dienen door een deskundige te worden uitgevoerd. PREVENTIEF ONDERHOUD Goed, preventief onderhoud aan de hand van een regel- matig controleschema verlengt de levensduur en ver- betert het vermogen van de kettingzaag. De volgende onderhoudschecklist dient als richtlijn voor een dergelijk schema. Onder bepaalde omstandigheden kan het noodzakelijk zijn de componenten vaker dan opgegeven te reinigen, af te stellen en te vervangen. LUCHTFILTER GA ALS VOLGT TE WERK OM DE LUCHTFILTER TE REINIGEN:

1. Verwijder de bovenste afdekking (A) door de bevestig-

ingsschroeven van de afdekking te verwijderen. De afdekking kan dan worden afgenomen.

2. Til de luchtfilter (B) de luchtkast uit (C) (fig. 18).

3. Maak de luchtfilter schoon. Was de filter in schoon

warm zeepsop. Laat hem dan aan de lucht helemaal drogen. AANWIJZING: Het is aan te raden een filter altijd in reserve te houden.

4. Zet de luchtfilter terug in. Breng de afdekking van de

motor/luchtfilter weer aan. Let erop dat de afdekking exact terug op zijn plaats komt. Haal de bevestig- ingsschroeven van de afdekking aan. BRANDSTOFFILTER

LET OP: Gebruik de zaag nooit zonder luchtfilter. Anders worden stof en vuil de motor in gezogen die daardoor schade oploopt. Hou de luchtfilter schoon! LET OP: Onderhoud de zaag nooit als de motor nog warm is, anders zou u uw han- den of vingers verbranden. Fig. 17

VOORZICHTIG! Gebruik de zaag nooit zon- der de brandstoffilter. Telkens na 20 bedrijf- suren dient de brandstoffilter te worden ver- vangen. Maak de brandstoftank helemaal leeg voordat u de filter verwisselt. Onderhoudschecklist Per snij- Bedrijfsurenbeurt Component Actie Schroeven/moeren/bouten controleren /anhalenLuchtfilter reinigen of vervangenBrandstof- / oliefilter vervangenBougie reinigen/instellen/vervangenVonkrooster controlerenBrandstofslangen controleren

2. Buig een zachte metalen draad passend.

3. Steek de draad de opening van de brandstoftank in

en haak de brandstofslang eraan vast. Trek de brand- stofslang behoedzaam de opening uit tot u hem met de vingers kan vastgrijpen. AANWIJZING: Trek de slang niet helemaal de tank uit.

4. Til de filter (A) de tank uit (fig. 19).

5. Trek de filter met een draaiende beweging eraf.

Verwijder de filter.

6. Zet er een nieuwe filter in. Steek een einde van de fil-

ter de tankopening in. Vergewis u er zich van dat de filter in de onderste hoek van de tank zit. Schuif de fil- ter, indien nodig, met een lange schroevendraaier op zijn juiste plaats.

7. Vul de tank met verse brandstof/olie. Zie hoofdstuk

MOTORBRANDSTOF EN OLIE. Breng de dop op de tank terug aan. VONKROOSTER (fig. 20A) AANWIJZING: Bij een vervuild vonkrooster zal het ver- mogen van de motor flink achteruitgaan.

1. Verwijder de twee bevestigingsmoeren van de rail (A)

en draai de twee schroeven (B) los die de afdekking van de kettingrem bevestigen (fig. 20 A).

2. Verwijder de afdekking van de kettingrem. Verwijder

de 3 schroeven waarmee de uitlaat op de cilinder is vastgemaakt. U kunt de uitlaat afnemen als de beves- tigingsschroeven verwijderd zijn (fig. 20 B).

3. Scheidt de uitlaathelften (C) van elkaar. Verwijder de

koel- (D) en afstandsbuizen (E).

4. Verwijder het oude vonkrooster en zet er een nieuw

rooster in (F) (fig. 20 B).

5. Assembleer de componenten van de uitlaat en breng

de uitlaat terug aan op de cilinder. Haal de schroeven goed aan. BOUGIE AANWIJZING: Om het volle vermogen van de motor te verzekeren, dient de bougie schoon te zijn en de juiste afstand te hebben.

1. Schuif de STOP-schakelaar naar beneden.

3. Verwijder de bougie met behulp van een bougiesleu-

tel. GEBRUIK GEEN ANDER GEREEDSCHAP.

4. Zet er een nieuwe bougie in, afstand: 0,635 mm.

CARBURATORAFSTELLING De carburator is reeds in de fabriek afgesteld voor een optimaal vermogen. Mochten bijregelingen noodzakelijk zijn, breng dan de zaag naar een vakbedrijf in uw buurt.

OPBERGEN VAN DE KETTINGZAAG

Als u een kettingzaag langer dan 30 dagen opbergt, dient de zaag hiervoor klaargemaakt te worden. Anders zou de rest van de brandstof die zich in de carburator bevindt verdampen en een rubberachtig bezinksel achterlaten. Dit zou de start kunnen bemoeilijken en dure herstelwerkzaamheden tot gevolg hebben.

1. Neem de dop van de brandstoftank langzaam eraf om

eventuele druk in de tank af te laten. Maak de tank voorzichtig leeg.

2. Start de motor en laat hem draaien tot de zaag stopt

teneinde de brandstof uit de carburator te verwijderen.

3. Laat de motor afkoelen (ca. 5 minuten).

1. Verwijder de bougie met behulp van een bougiesleu-

4. Giet een koffielepel schone tweetaktolie de verbrand-

ingskamer in. Trek meermaals langzaam aan de starterkoord om de binnenste componenten van een laag te voorzien. Zet de bougie er weer in (fig. 22). AANWIJZING: Berg de zaag op een droge plaats en zo ver mogelijk van eventuele ontstekingsbronnen, b.v. kachel, warmwaterboiler die op gas draait, gasdroger etc. op. Fig. 19

1. Verwijder de bougie.

2. Haal de starterkoord snel door om overtollige olie uit

de verbrandingskamer te verwijderen.

3. Maak de bougie schoon en let op de juiste ontstek-

ingsafstand of monteer een nieuwe bougie met de correcte afstand.

4. Maak de zaag klaar om ermee te werken.

5. Vul de tank met de juiste brandstof-oliemengeling. Zie

hoofdstuk MOTORBRANDSTOF EN OLIE. De vertanding dient na 10 bedrijfsuren of eenmaal per week, naarmate welk geval er zich eerst voordoet, met olie te worden gesmeerd. Vóór het oliën dient u de ver- tanding van de geleiderail grondig schoon te maken. GEREEDSCHAP VOOR HET OLIËN: De oliespuit (optie) is aan te bevelen om olie op de ver- tanding van de geleiderail aan te brengen. De oliespuit heeft een naaldpunt dat noodzakelijk is om olie op de getande punten aan te brengen. GA ALS VOLGT TE WERK OM DE VERTANDING TE OLIËN:

1. Schuif de STOP-schakelaar naar beneden.

AANWIJZING: Om de vertanding van de geleiderail te oliën hoeft de zaagketting niet te worden verwijderd. Het oliën kan tijdens het werk gebeuren.

2. Maak de vertanding van de geleiderail schoon.

3. Steek het naaldpunt van de oliespuit (optie) het olie

vulgat in en spuit er olie in tot die aan de buitenkant van de vertanding te voorschijn komt (fig. 23).

4. Draai de zaagketting met de hand. Herhaal het oliën

tot de gehele vertanding met olie is gesmeerd. ONDERHOUD VAN DE GELEIDERAIL: De meeste problemen met de geleiderail kunt u voorkomen door de kettingzaag goed te onderhouden. Een onvoldoend geoliede geleiderail en het gebruik van de zaag met een te HARD GESPANNEN ketting dragen aan een snelle slijtage van de geleiderail bij. Om de slijtage van de rail te verminderen bevelen wij de volgende stappen voor het onderhoud van de geleiderail aan. KETTING SCHERPEN – De steek van de ketting (fig.

24) bedraagt 3/8 duim LoPro x 0,050 duim.

Scherp de ketting met veiligheidshandschoenen en een ronde vijl, ø4,8 mm. Scherp de punten alleen met naar buiten gerichte bewegingen (fig. 25) en neem de waarden volgens fig. 24 in acht. Na het scherpen moeten alle snijschakels even breed en lang zijn. 3 tot 4 keer na het scherpen van de snijvlakken dient u telkens de hoogte van de diepten te controleren en die, indien nodig, met een vlakvijl en de optioneel bijgeleverde sjabloon dieper te leggen en dan de voorste hoek af te ronden (fig. 26). GELEIDERAIL – De geleiderail dient om de 8 werkuren te worden omgedraaid om een gelijkmatige slijtage te verzekeren. Maak de gleuf van de geleiderail en het olievulgat altijd schoon m.b.v. het optioneel bijgeleverde reinigings- gereedschap voor railgleuven (fig. 27). Controleer de randen van de railgleuf regelmatig op slij- LET OP: Draag bij onderhoudswerkzaamhe- den altijd veiligheidshandschoenen. Onderhoud de zaag niet als de motor nog warm is. LET OP: Een scherpe ketting produceert welgevormde spanen. Als de ketting zaag- meel produceert, is ze aan een scherpbeurt toe. Fig. 23 LET OP: Een correct afgestelde snijdiepte is even belangrijk als een correcte gescherpte ketting. Fig. 24

VOORZICHTIG! De vertanding van de nieuwe ketting is in de fabriek reeds vooraf met olie gesmeerd. Als u de vertanding niet als volgt met olie smeert, zal de scherpte van de tanden en bijgevolg het zaagvermo- gen achteruitgaan waardoor u het recht op garantie verliest. LET OP: Draag hoogvaste werkhandschoe- nen als u de geleiderail en de ketting hanteert. Fig. 26Fig. 25 Anleitung PBK 35 SPK 1 05.07.2004 10:45 Uhr Seite 48NL tage, verwijder baarden en, indien nodig, vijl de randen van de railgleuf recht m.b.v. een vlakvijl (fig. 28). SLIJTAGE VAN DE GELEIDERAIL – Draai de gelei- derail met regelmatige tussenpozen om (b.v. telkens na 5 werkuren) zodat de rail boven en beneden gelijkmatig afslijt. OLIEDOORLAATOPENINGEN – Oliedoorlaatopeningen op de geleiderail moeten worden schoongemaakt teneinde het behoorlijk oliën van de rail en de ketting tij- dens het bedrijf te verzekeren. AANWIJZING: De toestand van de oliedoorlaatopenin- gen kan gemakkelijk worden gecontroleerd. Als de door- laatopeningen schoon zijn, gaat er enkele seconden naar het starten van de zaag automatisch olie wegspat- ten van de ketting. De zaag heeft een automatische smeerinrichting.

ONDERHOUD VAN DE KETTING

KETTINGSPANNING: Controleer dikwijls de spanning van de ketting en regel die zo vaak mogelijk bij zodat de ketting nauw bij de geleiderail aansluit, maar nog los genoeg is om met de hand te kunnen worden getrokken. INLOPEN VAN EEN NIEUWE ZAAGKETTING: Een nieuwe ketting en geleiderail dienen na minder dan 5 sneden te worden bijgeregeld. Dit is normaal tijdens de inloopperiode en de afstanden tussen verdere bijregelin- gen zullen alsmaar groter worden. OLIËN VAN DE KETTING: Vergewis u er zich van dat de automatische smeerin- richting naar behoren werkt. Zorg voor een steeds gevulde olietank met olie voor ketting, geleiderail en ver- tanding. Terwijl u met de zaag werkt, dienen de gelei- derail en de ketting altijd voldoende te worden geolied om wrijving met de geleiderail te verminderen. De geleiderail en de ketting mogen nooit zonder olie zijn. Als u de zaag droog of met te weinig olie gebruikt, gaat het snijvermogen achteruit, wordt de levensduur van de zaagketting korter, wordt de ketting snel bot en slijt de geleiderail flink af als gevolg van oververhitting. Te weinig olie ziet u aan de ontwikkeling van rook of aan het verkleuren van de geleiderail. SCHERPEN VAN DE KETTING: Voor het scherpen van de ketting is speciaal gereed- schap vereist waarmee gewaarborgd is dat de messen met de juiste hoek en de juiste diepte worden gescherpt. Aan de onervaren gebruiken van kettingzagen is aan te bevelen de zaagketting door een deskundige van de lokale dienst na verkoop te laten scherpen. Als u het scherpen van uw eigen zaagketting aandurft, koop dan het speciale gereedschap aan bij de professionele dienst na verkoop. Fig. 28 Fig. 27 LET OP: Verwijder nooit meer dan 3 schakels uit een kettinglus. Anders zou de vertanding schade kunnen oplopen.

LET OP: Maak een nieuwe ketting nooit op een afgesleten vertanding of op een afstel- ring vast. Anleitung PBK 35 SPK 1 05.07.2004 10:45 Uhr Seite 49NL

Probleem De motor start niet of hij start maar blijft niet draaien. De motor start maar draait niet met vol vermogen. Motor draait onregelmatig Geen vermogen bij belasting Motor draait onrustiger. Bovenmatig veel rook. MOGELIJKE OORZAAK Foutief verloop van de start. Fout ingestelde carburatormengeling. Bougie vol roet. Brandstoffilter verstopt geraakt. Verkeerde stand van de hendel aan de choke. Vervuild vonkrooster. Vervuilde luchtfilter Fout ingestelde carburatormengeling. Fout ingestelde carburatormengeling. Fout ingestelde bougie. Fout ingestelde carburatormengeling. Verkeerde brandstofmengeling. VERHELPEN Volg de instructies in deze handleid- ing op. Laat de carburator instellen door de geautoriseerde dienst na verkoop. Bougie schoonmaken / afstellen of vervangen. Vervang de brandstoffilter. Breng de hendel naar de stand (BETRIEB (bedrijf)). Vervang het vonkrooster. Filter verwijderen, schoonmaken en terug op zijn plaats zetten. Laat de carburator instellen door de geautoriseerde dienst na verkoop. Laat de carburator instellen door de geautoriseerde dienst na verkoop. Bougie schoonmaken / afstellen of vervangen. Bovenmatig veel rook. Laat de carburator instellen door de geautoriseerde dienst na verkoop. Gebruik de juiste brandstofmengeling (verhouding 40 tot 1) Anleitung PBK 35 SPK 1 05.07.2004 10:45 Uhr Seite 50DK GENERELLE SIKKERHEDSREGLER ADVARSEL! Når der arbejdes med motorredskaber, skal basale sikkerhedsforskrifter, inklusive de følgende, altid følges for at minimere risikoen for alvorlig skade på person og/eller redskab. Læs hele denne side før De bruger saven og gem disse instruktioner til senere gennemgang.

Nadruk of andere reproductie van documentatie en geleidepapieren van de producten, geheel of gedeeltelijk, enkel toegestaan mits uitdrukkelijke toestemming van ISC GmbH.

Handleidingassistent
Powered by Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : Prowork

Model : PBK 35

Categorie : Zaag