DOLMAR PB7660.4 - Blazer

PB7660.4 - Blazer DOLMAR - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis PB7660.4 DOLMAR in PDF-formaat.

📄 172 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice DOLMAR PB7660.4 - page 69
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : DOLMAR

Model : PB7660.4

Categorie : Blazer

Download de handleiding voor uw Blazer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding PB7660.4 - DOLMAR en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. PB7660.4 van het merk DOLMAR.

GEBRUIKSAANWIJZING PB7660.4 DOLMAR

Benzinebladblazer ORIGINELE GEBRUIKSAANWIJZING

/minuut (met korte pijp) 20 m

Cilinderinhoud 75,6 cm

Type motor Luchtgekoelde 4-taktmotor met één cilinder Brandstof Autobenzine Inhoud brandstoftank 1.900 cm

Motorolie SAE 10W-30 olie van API-classicatie SF-klasse of hoger (4-taktmotorolie voor auto’s) Olievolume van de motor 220 cm

  • In verband met ononderbroken research en ontwikkeling behouden wij ons het recht voor bovenstaande technische gegevens te wijzigen zonder voorafgaande kennisgeving.

hv eq Lange pijp met rond mondstuk 2,3 (m/s

met plat mondstuk 3,4 (m/s

Korte pijp met rond mondstuk 2,3 (m/s

met plat mondstuk 3,5 (m/s

hv eq Lange pijp met rond mondstuk - 0,8 (m/s

met plat mondstuk - 0,6 (m/s

Korte pijp met rond mondstuk - 0,7 (m/s

met plat mondstuk - 0,6 (m/s

Geluid Model PB-7660.4 PB-7660.4 H Gemiddeld geluidsdrukniveau volgens EN15503 2009

WA eq 110,7 (dB (A)) 110,7 (dB (A)) Onzekerheid K 0,7 (dB (A)) 0,7 (dB (A)) Symbolen Hieronder staan de symbolen die voor het gereedschap worden gebruikt. Zorg ervoor dat u weet wat ze betekenen alvorens het gereedschap te gebruiken. Besteed bijzondere zorg en aandacht! Lees de gebruiksaanwijzing en volg deze op. Verboden! Niet roken. Geen open vuur. 69 NEDERLANDSDraag veiligheidshandschoenen. Draag oog- en gehoorbescherming. Hete delen - brandgevaar voor vingers en handen. Laat omstanders niet dichtbij komen. Houd mensen en huisdieren weg van het werkgebied. Brandstof (benzine) Handmatig starten van motor. Zet de motor uit. EHBO Aan/Start Uit/Stop Lang haar kan verstrikt raken en ongelukken veroorzaken. EG-verklaring van conformiteit Alleen voor Europese landen De EG-verklaring van conformiteit is bijgevoegd als Bijlage A bij deze gebruiksaanwijzing. BELANGRIJKE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN Algemene instructies

1. Om verzekerd te zijn van een correcte en veilige bediening

moet de gebruiker de instructies in deze gebruiksaanwijzing lezen, begrijpen en opvolgen om vertrouwd te raken met de bladblazer. Gebruikers die onvoldoende deskundig zijn riskeren ongelukken voor zichzelf en anderen door onjuiste bediening.

2. Het is aan te bevelen de bladblazer alleen uit te lenen aan

personen die vertrouwd zijn met de werking hiervan.

3. Geef altijd de gebruiksaanwijzing mee wanneer u de blad-

4. Onervaren gebruikers moeten zich door de dealer laten

instrueren in de eerste beginselen voor het correcte gebruik van de bladblazer.

5. Kinderen en personen onder de 18 jaar mogen niet werken

met de bladblazer. Personen boven de 16 jaar mogen in hun trainingsfase het gereedschap wel bedienen, maar dan alleen onder direct toezicht van een bevoegd instructeur.

6. Gebruik de bladblazer altijd met uiterste zorg en

7. Gebruik de bladblazer enkel wanneer u in goede lichame-

lijke conditie verkeert.

8. Verricht alle werkzaamheden steeds zorgvuldig en nauwge-

zet. De gebruiker is verantwoordelijk voor de veiligheid van derden.

9. Gebruik de bladblazer nooit wanneer u onder de invloed van

alcohol of medicijnen bent.

10. Gebruik het apparaat niet wanneer u zich moe voelt.

11. Bewaar deze instructies voor latere naslag.

12. Houd u aan en volg alle relevante veiligheidsinstructies, uit-

gegeven door beroepsverenigingen en verzekeringsinstan- ties. Maak geen enkele aanpassing of modicatie aan uw bladblazer, want dat kan uw veiligheid in gevaar brengen.

13. Breng nooit wijzigingen aan in het apparaat. Dat kan leiden

tot gevaarlijke ongelukken of persoonlijk letsel. Persoonlijke-beschermingsmiddelen

Zorg dat uw kleding passend en functioneel is, m.a.w. niet loshangend maar nauwsluitend zonder dat het u hindert in uw bewegingen. Draag geen sieraden, loszittende kledingstukken of lang haar dat in de luchtinlaat kan worden gezogen.

2. Ter voorkoming van hoofd-, oog-, hand- of voetletsel en om

uw gehoor te beschermen, moet u tijdens het gebruik van de bladblazer de volgende beschermingsmiddelen gebruiken en beschermende kleding dragen.

3. Kleding moet sterk zijn en nauwsluitend zitten, maar moet

volledige bewegingsvrijheid bieden. Vermijd ruimvallende jasjes, wijde of omgeslagen broekspijpen, shawls, loshan- gend haar of andere zaken die in de luchtinlaat gezogen kunnen worden. Draag een overall of lange broek om uw benen te beschermen. Draag geen korte broek.

4. Gemotoriseerd gereedschap maakt doorgaans lawaai dat

uw gehoor kan beschadigen. Draag gehoorbeschermers (oordoppen of oorkleppen) om uw gehoor te beschermen. Zeer regelmatige of veelvuldige gebruikers moeten hun gehoor regelmatig laten testen.

5. Bij het gebruik van de bladblazer is het aanbevolen om

handschoenen te dragen. Draag stevig schoeisel met antislipzolen.

6. Deugdelijke oogbescherming is vereist. Alhoewel de lucht-

stroom van u af gericht is, kunnen tijdens het gebruik van de bladblazer soms steentjes of takjes terugkaatsen.

7. Werk nooit met de bladblazer zonder uw ogen te bescher-

men met een goed passende veiligheidsbril of gezichts- masker met afdoende bescherming van boven en opzij, die voldoet aan de voorschriften van EN166 en de plaatselijke veiligheidseisen.

Om inwendig letsel door het inademen van stof te voorkomen, dient u in stofge omstandigheden een stofmasker te dragen. Bedoeld gebruik Het gereedschap is bedoeld voor het wegblazen van stof. 70 NEDERLANDSStarten van de bladblazer

1. Verzeker u ervan dat er geen kinderen of andere personen

zich binnen een straal van 15 meter bevinden, en let ook op de eventuele aanwezigheid van dieren in de buurt.

2. Voor ingebruikname moet u altijd eerst de bladblazer con-

troleren op veilig gebruik: — Controleer of de gashendel goed functioneert. De gashendel moet vooral vrij en soepel kunnen bewegen. — Controleer ook de juiste werking van de gasvergrendelknop. — Controleer op vetvrije en droge handgrepen en test het functioneren van de I-O-schakelaar. Houd de handgre- pen vrij van olie en brandstof.

3. Start de bladblazer alleen volgens de instructies. Probeer

nooit om de motor op een andere manier te starten.

4. Gebruik de bladblazer en de bijgeleverde gereedschappen

alleen voor de speciek aangegeven doeleinden.

5. Start de motor van de bladblazer pas wanneer het gereed-

schap volledig is gemonteerd. Het gebruik van dit gereed- schap is alleen toegestaan wanneer alle vereiste toebehoren er op zijn gemonteerd.

6. De motor moet direct worden uitgeschakeld indien zich hier

problemen mee voordoen.

7. Wanneer u werkt met de bladblazer, moet u altijd uw vingers

stevig rond de handgreep houden, waarbij de bedienings- hendel tussen uw duim en wijsvinger ligt. Houd uw hand in deze positie zodat u het apparaat voortdurend goed onder controle kunt houden. Zorg ervoor dat uw bedieningshendel in goede staat verkeert en vrij blijft van vocht, vuil, olie en vet.

8. Zorg er altijd voor dat u veilig en stevig staat.

9. Draag de bladblazer tijdens gebruik op beide schouders,

zoals het hoort. Draag de bladblazer niet aan één enkele schouderband. Anders kan dat leiden tot persoonlijk letsel.

10. Werk met de bladblazer steeds in een zodanige stand dat

u geen uitlaatgassen inademt. Laat nooit de motor van het apparaat draaien in een gesloten ruimte (gevaar voor ver- stikking en gasvergiftiging). Koolmonoxide is een geur- en kleurloos gas. Zorg altijd voor voldoende ventilatie.

11. Schakel de motor uit wanneer u pauzeert of de bladblazer

onbeheerd achterlaat. Berg hem op een veilige plaats op om te voorkomen dat hij beschadigd raakt, gevaar voor ande- ren kan opleveren of licht ontvlambare stoffen kan doen ontbranden.

12. Leg een hete bladblazer nooit neer in droog gras of op

andere brandbare materialen.

13. Tijdens gebruik moeten alle bij het apparaat geleverde

veiligheidsvoorzieningen en beschermkappen worden gebruikt.

14. Laat de motor nooit draaien met een defecte uitlaatdemper.

1. Schakel de motor uit tijdens het vervoeren.

2. Zorg dat de bladblazer tijdens vervoer in een auto of

vrachtwagen stabiel is neergezet, om brandstoekkage te voorkomen.

3. Voor vervoer van de bladblazer dient u te zorgen dat de

brandstoftank helemaal leeg is.

4. Pak de draagbeugel en til de bladblazer op wanneer u hem

wilt dragen. Sleep de bladblazer niet mee aan het mondstuk, de blaaspijp of andere onderdelen.

5. Houd de bladblazer stevig vast tijdens het vervoer.

6. Voor het optillen van de bladblazer dient u de knieën te bui-

gen en voorzichtig te zijn dat u uw onderrug niet overbelast. Brandstof bijvullen

1. Schakel de motor uit tijdens het bijvullen van brandstof, blijf

uit de buurt van open vuur en rook beslist niet.

2. Voorkom huidcontact met aardolieproducten, zoals benzine.

Adem geen brandstofdampen in. Draag altijd beschermende handschoenen tijdens het bijvullen van brandstof. Verwissel regelmatig uw beschermende kleding en reinig die ook regelmatig.

3. Vermijd het morsen van brandstof of olie om vervuiling van

de grond te voorkomen (ter bescherming van het milieu). Veeg gemorste brandstof direct af en maak de bladblazer goed schoon. Laat natte doeken eerst opdrogen voordat u ze weggooit in een goed sluitende afvalbak om het gevaar van spontane ontbranding te voorkomen.

4. Zorg dat u geen brandstof op uw kleding morst. Verkleed u

onmiddellijk als brandstof op uw kleding is gemorst (van- wege brandgevaar).

5. Controleer regelmatig de brandstoftankdop op lekkage en

let op dat de dop goed afsluit.

6. Draai de brandstoftankdop zorgvuldig vast. Start de motor

altijd op een andere plaats (tenminste 3 meter verwijderd) dan waar u brandstof hebt bijgevuld. 71 NEDERLANDS7. Vul nooit brandstof bij in een gesloten ruimte. Brandstofdampen vormen zeer brandbare gassen op grond- niveau (explosiegevaar).

8. Vervoer en bewaar brandstof uitsluitend in goedgekeurde

jerrycans. Zorg dat uw brandstofvoorraad niet toegankelijk is voor kinderen.

9. Vul nooit brandstof bij wanneer de motor heet is of nog

10. Vul nooit meer brandstof bij dan opgegeven in

“TECHNISCHE GEGEVENS”. Werkwijze

1. Gebruik de bladblazer alleen bij helder licht en goed zicht.

Pas op voor natte of glibberige plaatsen, ijzel, sneeuw en ijs (gevaar voor uitglijden) en krappe ruimten. Zorg dat u altijd stevig staat.

2. Werk nooit op een instabiele ondergrond of een steile

3. Werk nooit vanaf een ladder of een hoge plaats. Anders

bestaat de kans op letsel.

4. Om gevaar voor persoonlijk letsel te voorkomen, mag u

nooit de luchtstroom op omstanders richten, want de hoge luchtdruk kan schadelijk zijn voor de ogen en de krachtige luchtstroom kan gruis e.d. met grote snelheid uitwerpen.

5. Plaats nooit enig voorwerp in de luchtinlaat van het appa-

raat of in de blaaspijp van de bladblazer. Dat kan de venti- latorschoep beschadigen en kan gevaar voor ernstig letsel opleveren, zowel voor de gebruiker als voor omstanders, omdat het voorwerp of gebroken onderdelen op hoge snel- heid kunnen worden weggeslingerd.

6. Let op de windrichting, d.w.z. werk niet tegen de windrich-

7. Om gevaar voor struikelen en verlies van controle te voor-

komen, mag u nooit met het apparaat werken terwijl u ach- teruit loopt.

8. Schakel de motor altijd uit voordat u het apparaat gaat

reinigen of onderhouden en voordat u onderdelen gaat vervangen.

9. Neem regelmatig een pauze om verlies van controle door

vermoeidheid te voorkomen. Wij raden u aan om elk uur een rustpauze van 10 tot 20 minuten te nemen.

10. Gebruik het apparaat niet te dicht bij ramen, enz.

11. Om fysieke gevolgen door trillingen en/of gehoorschade te

voorkomen, dient u het apparaat zo veel mogelijk op een laag toerental te gebruiken en de gebruiksduur te beperkten.

12. Gebruik het apparaat alleen op een redelijke tijd van de dag.

Gebruik de bladblazer niet in de vroege ochtend of erg laat in de avond, wanneer het apparaat hinder voor omwonen- den kan opleveren.

13. Het is aanbevolen om het afval voor het blazen los te maken

met een hark of bezem.

14. Onder stofge omstandigheden kunt u de omgeving

voor het blazen licht besproeien, zo nodig met een waternevelsproeier.

15. Verstel de lengte van het blaasmondstuk zodat de lucht-

stroom dichtbij de grond kan werken.

16. Om het geluidsniveau te minimaliseren, dient u het aan-

tal apparaten dat tegelijkertijd wordt gebruikt beperkt te houden.

17. Na het gebruik van de bladblazer en andere apparaten, moet

u OPRUIMEN! Werp alle afval in een afvalbak.

18. Verhoog het motortoerental niet meer dan noodzakelijk.

Weggeblazen voorwerpen kunnen leiden tot persoonlijk letsel.

19. De uitlaatdemper wordt tijdens gebruik heet. Raak de uit-

laatdemper niet aan omdat dit kan leiden tot brandwonden op uw huid.

20. Gebruik het apparaat niet in een omgeving met explosiege-

vaar, zoals een omgeving met licht ontvlambare vloeistof- fen, gassen of stof. Het apparaat genereert vonken die stof of dampen kunnen doen ontsteken.

21. Houd de bladblazer stevig vast. Houd de bladblazer niet met

natte handen vast. Onderhoudsinstructies

1. Ga milieubewust te werk. Gebruik de bladblazer met zo min

mogelijk lawaai en vervuiling als mogelijk. Laat vooral de afstelling van de carburateur regelmatig controleren (afstel- ling van het stationair toerental).

2. Zoals in deze gebruiksaanwijzing vermeld, maak de blad-

blazer regelmatig schoon en controleer of alle schroeven en moeren stevig vast zitten.

3. Onderhoud of bewaar de bladblazer nooit in de nabijheid

van open vuur, vonken, enz.

4. Sla de bladblazer altijd op met een lege brandstoftank in een

goed geventileerde en afgesloten ruimte.

5. Het uitvoeren van onderhoud of reparaties door de gebrui-

ker is beperkt tot de in deze gebruiksaanwijzing beschre- ven punten. Alle andere werkzaamheden dienen door een erkend servicecentrum uitgevoerd te worden.

6. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen en acces-

soires geleverd door Makita/Dolmar. Het gebruik van niet-goedgekeurde onderdelen en gereedschappen kan leiden tot ongelukken en letsel. Makita/Dolmar aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor ongelukken of schade die voortvloeit uit het gebruik van enige niet-goedgekeurde onderdelen of accessoires.

7. Een verkeerde reparatie of slecht onderhoud kan de levens-

duur van het apparaat verkorten en de kans op ongelukken vergroten. EHBO

1. Voor het geval van ongelukken dient een goed gevulde eerste-

hulpkoffer in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig te zijn. Vul direct na gebruik van de inhoud de eerstehulpkoffer weer aan.

2. Geef de volgende informatie wanneer u om hulp vraagt:

— Plaats van het ongeval — Beschrijving van het ongeval — Aantal gewonden — Aard van de verwondingen — Uw naam

  • De standaardaccessoires kunnen van land tot land verschillen. 73 NEDERLANDSMONTAGE LET OP: Alvorens u enige werkzaamheden aan de bladbla- zer gaat verrichten, zet u altijd eerst de motor af en trekt u de bougiekap van de bougie af. LET OP: Start de bladblazer pas nadat deze volledig is gemonteerd. LET OP: Draag altijd beschermende handschoenen. De blaaspijpen aanbrengen

1. Steek de zwenkpijp in de exibele pijp en zet deze beide vast

2. Draai de klemschroef los en verwijder hem.

3. Bevestig de bedieningshendel/handgreep aan de zwenkpijp en

zet deze vast met de klemschroef.

4. Bevestig de exibele pijp aan de elleboogpijp.

Voor het model met buisgashendel: Steek de elleboogpijp op de exibele pijp. Bevestig de kabelhouder tussen de slangklem en de exibele pijp. Maak de kabelhouder, de exibele pijp en de elleboog- pijp vast met de slangklem. Plaats de bedieningskabel op de kabel- houder en sluit de kabelhouder.

► 1. Kabelhouder 2. Bedieningskabel Voor het model met heupgashendel: Steek de elleboogpijp op de exibele pijp. Maak de exibele pijp en de elleboogpijp vast met de slangklem.

5. Bevestig de lange/korte pijp aan de zwenkpijp. Draai de lange/

korte pijp rechtsom om hem te vergrendelen. Bevestig vervolgens het blaasmondstuk aan de lange/korte pijp. Draai het blaasmondstuk rechtsom om hem te vergrendelen.

6. Zorg ervoor dat alle klemmen stevig vast zitten.

74 NEDERLANDSVOOR U DE MOTOR GAAT STARTEN

De motorolie controleren en bijvullen LET OP: Voordat u de motorolie bijvult, moet u de motor uitzetten en laten afkoelen. Anders zou u brandwonden kunnen oplopen. KENNISGEVING: Bij gebruik van slechte olie zal de motor onregelmatig starten. KENNISGEVING: Verwijder stof of vuil rond de olievulope- ning voordat u de olievuldop eraf draait. Zorg er ook voor dat geen stof of zand op de losse olievuldop komt. Anders kan zand of stof dat aan de olievuldop kleeft leiden tot onregelmatige olie- toevoer of slijtage van de motoronderdelen, hetgeen storingen kan veroorzaken.

Inspecteren Plaats de bladblazer op een vlakke ondergrond en verwijder de olievuldop. Controleer de oliepeilaanduiding. Let op of het oliepeil tussen de boven- en ondergrenzen staat. Als het oliepeil niet tot aan de 100 ml-aanduiding komt, dient u verse olie bij te vullen. Ververs de olie wanneer die vuil is of duidelijk van kleur veranderd is. (Zie onder “De motorolie verversen” voor de werkwijze en de regel- maat waarmee u de olie moet verversen.) Bijvullen Plaats de bladblazer op een vlakke ondergrond en verwijder de olievuldop. Vul olie bij tot aan de bovengrens op de oliepeilaanduiding. Over het algemeen moet na ongeveer elke 20 bedrijfsuren motorolie worden bijgevuld (na elke 10 - 15 keer brandstof bijvullen). Aanbevolen motorolie

  • Originele Makita/Dolmar 4-taktmotorolie of
  • SAE 10W-30 olie van API-classicatie SF-klasse of hoger (4-taktmotorolie voor auto’s) Olievolume Ongeveer 220 ml KENNISGEVING: Sla de bladblazer op terwijl hij rechtop staat op een horizontale ondergrond. De oliepeilaanduiding geeft niet de correcte hoeveelheid olie aan als de bladblazer schuin staat en olie in de motor is gestroomd. Dit kan resulteren in te veel olie bijvullen. KENNISGEVING: Vul niet te veel olie bij. Overtollige olie kan uit de ontluchting van het luchtlter komen en de omringende onderde- len bevuilen, of er kan witte rook worden uitgestoten doordat over- tollige olie wordt verbrand. Na het bijvullen van olie Veeg gemorste olie af met een doek. Brandstoftoevoer WAARSCHUWING: Voor het bijvullen van brandstof zet u de motor uit en wacht u tot die afgekoeld is. Anders kan na ont- vlamming brand ontstaan en kunt u brandwonden oplopen. WAARSCHUWING: Brandstof moet worden bijgevuld op een plaats waar geen vuur is om ontvlamming en brand te voorkomen. Breng nooit enig brandend voorwerp (sigaret, enz.) dichtbij waar u brandstof bijvult. WAARSCHUWING: Kies een vlakke ondergrond voor het bijvullen van brandstof. Vermijd een onstabiele ondergrond voor het bijvullen van brandstof. Vul brandstof bij bij helder licht en goed zicht. WAARSCHUWING: Open de brandstoftankdop langzaam. Door inwendige druk kan brandstof uit de vulopening worden gemorst. WAARSCHUWING: Wees voorzichtig dat u geen brandstof morst. Veeg gemorste brandstof af. WAARSCHUWING: Vul brandstof bij in de motor op een goed geventileerde plaats. WAARSCHUWING: Vul brandstof bij op een open, vrije plaats. WAARSCHUWING: Ga voorzichtig om met brandstof. LET OP: Als brandstof op uw huid of in uw ogen komt, kan dit leiden tot allergische reacties of irritatie. Roep onmiddellijk medi- sche hulp in wanneer u fysieke afwijkingen waarneemt. KENNISGEVING: Vul GEEN olie bij in de brandstoftank. Brandstof WAARSCHUWING: Bewaar het apparaat en de jerrycan op een koele plaats uit direct zonlicht. WAARSCHUWING: Bewaar brandstof nooit in een auto. Deze motor is een 4-taktmotor. Zorg dat u altijd benzine voor auto’s gebruikt (normaal of super). KENNISGEVING: Gebruik nooit benzine gemengd met olie, zoals 2-taktolie of motorolie. Dat veroorzaakt overmatige koolaf- zetting en mechanische storingen. OPMERKING: Bewaar brandstof in een speciale jerrycan in een goed geventileerde ruimte in de schaduw. Gebruik de brand- stof binnen 4 weken. Anders kan brandstof al binnen een dag verslechteren. Werkwijze voor brandstof bijvullen LET OP: Als de brandstoftankdop beschadigd of lek is, vervangt u hem. LET OP: De brandstoftankdop slijt na verloop van tijd. Vervang de brandstoftankdop om de twee tot drie jaar. KENNISGEVING: Vul GEEN brandstof bij in de vulopening voor de motorolie.

1. Draai de brandstoftankdop een beetje los om de overdruk uit de

tank te laten ontsnappen.

2. Draai de brandstoftankdop eraf en vul voorzichtig brandstof bij

terwijl u de lucht uit de brandstoftank laat ontsnappen door de brand- stofvulopening naar boven gericht te houden. Vul NOOIT bij tot aan de bovenrand.

3. Draai de tankdop weer stevig vast nadat u klaar bent met brand-

stof bijvullen. 75 NEDERLANDSBEDIENING De motor starten WAARSCHUWING: Probeer nooit het apparaat te starten op de plaats waar eerder brandstof werd bijgevuld. Als u dit doet kan ontvlamming en brand ontstaan. Blijf bij het starten van de motor minstens 3 meter uit de buurt van de plaats waar brandstof werd bijgevuld. WAARSCHUWING: De uitlaatgassen van de motor zijn giftig. Laat de motor niet draaien op een slecht geventileerde plaats, bijvoorbeeld in een tunnel, in een gebouw enz. Het gebruik van de motor op een slecht geventileerde plaats kan leiden tot vergiftiging door uitlaatgassen. WAARSCHUWING: Als u een vreemd geluid, geur of tril- lingen na het starten waarneemt, zet u onmiddellijk de motor uit en inspecteert u deze. Als u de motor blijft gebruiken terwijl zich een dergelijk probleem voordoet, kan dat leiden tot ongevallen. WAARSCHUWING: Raak de hete motorkap niet aan. Anders zou u brandwonden kunnen oplopen. WAARSCHUWING: Verzeker u ervan dat er geen brand- stoekkage is voordat u de motor start. WAARSCHUWING: Controleer of de motor daadwerkelijk uit gaat wanneer u de stopschakelaar in de stand “O” zet. Wanneer de motor koud is of na het bijvullen van brandstof (koude start)

1. Plaats de bladblazer op een vlakke ondergrond.

Voor het model met buisgashendel: Zet de stophendel in de stand “I”.

► 1. Stophendel Voor het model met heupgashendel: Zet de stopschakelaar in de stand “I”. En zorg dat de gashendel staat ingesteld op een laag motortoerental.

Blijf op de opvoerpomp drukken totdat er brandstof in de opvoerpomp komt.

► 1. Opvoerpomp 2. Chokehendel OPMERKING: Doorgaans komt er na 7 tot 10 keer drukken brand- stof in de carburateur. OPMERKING: Als buitensporig vaak op de opvoerpomp wordt gedrukt, zal het overschot aan benzine terugstromen naar de brandstoftank.

4. Zet de chokehendel omhoog in de gesloten stand.

5. Ga met uw rechtervoet op het pedaal staan en houd met uw

linkerhand de bovenkant van de apparaatkap vast om te voorkomen dat het apparaat beweegt.

6. Trek de trekstarthandgreep langzaam uit totdat u compressie

voelt. Trek er vervolgens hard aan. KENNISGEVING: Trek nooit door tot aan het einde van het trekstartkoord. KENNISGEVING: Laat de trekstarthandgreep geleide- lijk teruglopen in de behuizing. Als u dat niet doet, kan de trekstarthandgreep tegen uw lichaam aan zwiepen of het trekstart- koord niet goed opgewonden worden. OPMERKING: Als de motor ontsteekt en afslaat, zet u de cho- kehendel terug in de geopende stand en trekt u enkele malen aan de trekstarthandgreep om de motor opnieuw te starten.

7. Nadat de motor is gestart, zet u de chokehendel omlaag in de

geopende stand. 76 NEDERLANDSOPMERKING: Zet de chokehendel helemaal open voordat u de gashendel/gastrekker bedient. OPMERKING: Bij lage temperatuur of wanneer de motor niet warm genoeg is, mag u nooit de chokehendel plotseling helemaal open zetten. Anders kan de motor afslaan.

8. Laat de motor gedurende 2 tot 3 minuten opwarmen op stationair

of een laag motortoerental.

9. Het opwarmen is voltooid wanneer het motortoerental vanaf

stationair draaien snel toeneemt zodra u vol gas geeft. OPMERKING: Als u meerdere keren aan de trekstarthandgreep trekt met de chokehendel in de gesloten stand, kan de motor moeilijk te starten zijn omdat deze door te veel brandstof is verzopen. Als de motor door te veel brandstof is verzopen, verwij- dert u de bougie en trekt u een paar keer snel aan de trekstarthand- greep om het overschot aan brandstof te verwerken. Maak de elek- trode van de bougie goed droog. Wanneer de motor warm is (warme start)

1. Plaats de bladblazer op een vlakke ondergrond.

2. Druk enkele keren op de opvoerpomp.

3. Zorg ervoor dat de chokehendel open staat.

4. Ga met uw rechtervoet op het pedaal staan en houd met uw

linkerhand de bovenkant van de apparaatkap vast om te voorkomen dat het apparaat beweegt.

5. Trek de trekstarthandgreep langzaam uit totdat u compressie

voelt. Trek er vervolgens hard aan.

6. Als de motor moeilijk te starten is, zet u het gas ongeveer 1/3

open. De motor uitzetten Voor het model met buisgashendel: Laat de gastrekker los en zet daarna de stophendel in de stand “O”.

► 1. Gastrekker 2. Stophendel Voor het model met heupgashendel: Zet de gashendel in de stand voor laag toerental om het motortoerental te verlagen. Zet daarna de stopschakelaar in de stand “O”.

► 1. Gashendel 2. Stopschakelaar IJsafzetting in de carburateur voorkomen KENNISGEVING: Wanneer de omgevingstemperatuur hoger is dan 10 °C, zet u de hendel altijd terug in de normale stand (aangegeven met een zonnetje). Ander kan de motor door over- verhitting beschadigd worden. Wanneer de omgevingstemperatuur laag is en de luchtvochtigheid hoog is, kan waterdamp binnenin de carburateur bevriezen, waardoor de motor onregelmatig gaat draaien (ijsafzetting in de carburateur). Verander indien nodig de stand van de antivrieshendel als volgt. Bij een omgevingstemperatuur hoger dan 10 °C: Zet de hendel in de normale stand (aangegeven met een zonnetje). Bij een omgevingstemperatuur gelijk aan of lager dan 10 °C: Zet de hendel in de antivriesstand (aangegeven met een sneeuwvlok). De schouderband verstellen

1. Stel de schouderband in op een lengte waarbij u comfortabel

kunt werken met de bladblazer op uw rug. Om de schouderband strak te trekken, trekt u het uiteinde van de schouderband omlaag.

► 1. Schouderband Om de band losser te maken, trekt u het uiteinde van de gesp omhoog.

► 1. Gesp 77 NEDERLANDS2. Trek aan de stabilisatieband totdat er geen speling meer open blijft tussen uw rug en de behuizing van de bladblazer. Om de band strak te trekken, trekt u het uiteinde van de band omlaag.

► 1. Stabilisatieband Om de band losser te maken, trekt u het uiteinde van de gesp omhoog.

► 1. Gesp Heupgordel Optioneel accessoire Met de heupgordel kan de gebruiker het gereedschap stabieler dragen. LET OP: Vergeet niet de gesp van de heupgordel los te maken voordat u de bladblazer van uw schouders af tilt om hem neer te zetten. De positie van de bedieningshendel afstellen Voor het model met buisgashendel: Verschuif de bedieningshendel langs de zwenkpijp naar de meest comfortabele stand. Zet vervol- gens de bedieningshendel vast met de schroef.

► 1. Schroef Voor het model met heupgashendel: Verschuif de handgreep langs de zwenkpijp naar de meest comfortabele stand. Zet vervolgens de handgreep vast met de schroef.

1. Tijdens het werken met de bladblazer kunt u de gastrekker/

gashendel zo instellen dat de blaasluchtdruk precies goed is voor de omstandigheden waaronder u werkt.

2. Het motortoerental instellen.

Voor het model met buisgashendel: Het motortoerental kan worden verhoogd door de gastrekker verder in te knijpen. Om het motortoe- rental te verlagen, laat u de gastrekker iets los. Met de ‘cruise control’-functie kan de gebruiker het motortoerental constant houden zonder de gastrekker ingeknepen te moeten hou- den. Om het motortoerental te verhogen, zet u de stophendel in de stand voor hoog toerental. Om het motortoerental te verlagen, zet u de stophendel in de stand voor laag toerental.

► 1. Gastrekker 2. Stophendel Voor het model met heupgashendel: Om het motortoerental te verhogen, zet u de gashendel in de stand voor hoog toerental. Om het motortoerental te verlagen, zet u de gashendel in de stand voor laag toerental.

► 1. Gashendel De bladblazer vervoeren LET OP: Voordat u de bladblazer gaat vervoeren, zet u altijd eerst de motor uit. KENNISGEVING: Ga niet op de bladblazer zitten of staan en plaats er geen zware voorwerpen op. Hierdoor kan het apparaat worden beschadigd. KENNISGEVING: Zorg bij vervoer en opslag voor dat de blad- blazer rechtop staat. Bij vervoer of opslag in een andere stand dan rechtop, kan olie in de motor van de bladblazer lekken. Dat kan leiden tot olielekkage uit het apparaat en witte rook door het ver- branden van olie, en het luchtlter kan vuil worden door de olie. KENNISGEVING: Bij verplaatsen mag u de bladblazer niet slepen. Anders kan de behuizing van de bladblazer worden beschadigd. ONDERHOUD LET OP: Alvorens onderhouds- en inspectiewerkzaam- heden uit te voeren, zet u de motor uit en laat u die afkoelen. Verwijder de bougie en de bougiekap. Als u dit nalaat, loopt u de kans op brandwonden of ernstig letsel als de motor onverwacht start. LET OP: Controleer na inspectie of onderhoud zorgvuldig of alle onderdelen gemonteerd zijn. De motorolie verversen LET OP: De motor zelf en de motorolie zijn nog heet vlak nadat de motor is uitgezet. Als u de motorolie wilt gaan verver- sen, moet u eerst controleren of de motor zelf en de motorolie voldoende zijn afgekoeld. Doet u dat niet, dan bestaat het gevaar dat u zich verbrandt. Wacht na het uitzetten van de motor nog even zodat de motorolie is teruggekeerd naar de olietank, om een juiste aezing op de oliepeilaanduiding te garanderen. LET OP: Als u olie bijvult tot boven de aangegeven boven- grens, kan het apparaat verontreinigd raken of witte rook uit- stoten door het verbranden van olie. KENNISGEVING: Gooi afgewerkte motorolie nooit weg met het huisvuil en loos het nooit in de natuur of in het riool. Het weggooien van olie is wettelijk geregeld. Volg altijd de geldende wetten en regelgeving wanneer u motorolie wilt weggooien. Neem contact op met een erkend servicecentrum als u hieromtrent vragen hebt. KENNISGEVING: Ook wanneer olie ongebruikt wordt opge- slagen, zal de olie op den duur verslechteren. Controleer en inspecteer de olie regelmatig (vervang de olie elke 6 maanden door nieuwe). Verslechterde motorolie verkort de levensduur van de schuivende en roterende onderdelen aanzienlijk. Vergeet niet te controleren wan- neer en hoeveel olie ververst moet worden. Verversingsinterval Na de eerste 20 bedrijfsuren, en daarna om de 50 bedrijfsuren. Aanbevolen motorolie

  • Originele Makita/Dolmar 4-taktmotorolie of
  • SAE 10W-30 olie van API-classicatie SF-klasse of hoger (4-taktmotorolie voor auto’s) 79 NEDERLANDSWerkwijze voor het verversen van de olie Ververs de olie als volgt:

1. Plaats de bladblazer op een vlakke ondergrond.

2. Plaats een bak voor afgewerkte motorolie onder het aftapgat om

de afgetapte olie in op te vangen. De olieopvangbak moet minstens een inhoud hebben van 220 ml om alle olie te kunnen opvangen.

3. Draai de olieaftapbout los om de olie af te tappen. Wees

voorzichtig dat er geen olie komt op de brandstoftank of andere onderdelen. KENNISGEVING: Pas op dat u de pakking (aluminium ring) niet kwijtraakt. Leg de olieaftapbout op een plaats waar deze niet vuil kan worden.

4. Verwijder de olievuldop. (Door de olievuldop te verwijderen kan

de olie gemakkelijker uit de motor stromen.) KENNISGEVING: Leg de olievuldop op een plaats waar deze niet vuil kan worden.

5. Naarmate het oliepeil lager wordt, kantelt u de bladblazer naar

de kant van het aftapgat zodat alle olie uit de motor kan stromen.

6. Nadat alle olie uit de motor is gestroomd, draait u de olieaftap-

bout weer stevig vast. Als de bout niet stevig vastgedraaid wordt, kan olie blijven lekken. KENNISGEVING: Vergeet niet de pakking (aluminium ring) weer aan te brengen wanneer u de olieaftapbout weer erop draait.

7. Giet ongeveer 220 ml olie in de olievulopening tot aan de boven-

grens op de oliepeilaanduiding.

8. Nadat de olie is bijgevuld, draait u de olievuldop weer stevig vast

om olielekkage te voorkomen. KENNISGEVING: Vergeet niet de pakking van de olievuldop aan te brengen voordat u de olievuldop weer erop draait. Het luchtlter reinigen

WAARSCHUWING: BRANDBARE STOFFEN STRENG

VERBODEN Interval voor reinigen en inspecteren Dagelijks (om de 10 bedrijfsuren) Reinigingsprocedure

2. Verwijder het luchtlterdeksel.

3. Verwijder het element en reinig al het vuil vanaf het element met

behulp van een doek of luchtstroom. Vervang het element door een nieuw als het beschadigd of zeer vuil is. OPMERKING: Het element is van het droge type en het mag niet nat worden. Was het nooit met water.

4. Veeg eventuele olie rond de luchtinlaat weg met een doek of lap.

5. Breng het element aan in het luchtlterhuis.

6. Breng het luchtlterdeksel weer aan en draai de knopbouten

vast. KENNISGEVING: Reinig het element meerdere keren per dag als er onder stofge omstandigheden erg veel stof door wordt opgevangen. KENNISGEVING: Als u door blijft werken terwijl er nog olie op het element zit, kan de olie in het luchtlter eruit lekken waardoor olieverontreiniging optreedt. De bougie controleren LET OP: Raak de bougie niet aan terwijl de motor draait. Anders kunt u een elektrische schok krijgen. LET OP: Zet de stophendel/stopschakelaar in de stand uit “O”. LET OP: Controleer de bougiekabel regelmatig. Als de bou- giekabel beschadigd of gescheurd is, vervangt u hem. Als u dit niet doet, kunt u een elektrische schok krijgen. KENNISGEVING: Voordat u de bougie verwijdert, reinigt u eerst de bougie en de cilinderkop zodat geen stof, zand, enz. in de cilinder kan komen. KENNISGEVING: De motor moet afgekoeld zijn voordat u de bougie verwijdert, om te voorkomen dat het schroefgat in de cilinderkop beschadigd wordt. KENNISGEVING: Draai de bougie precies recht in het schroefgat. Als u de bougie er scheef indraait, wordt het schroefgat in de cilinderkop beschadigd. 80 NEDERLANDS1. Voor het openen van het bougiedeksel tilt u het op en draait u het een halve slag.

2. Gebruik de bijgeleverde bougiesleutel om de bougie te verwijde-

ren en weer vast te draaien.

3. De speling tussen de twee elektroden van de bougie moet 0,7 tot

0,8 mm bedragen. Stel de juiste speling af als de elektrodeafstand te groot of te klein is. Reinig de bougie grondig of vervang de bougie wanneer deze veront- reinigd is of veel koolaanslag heeft. Gebruik als vervangingsbougie NGK CMR6H.

0.7 mm – 0.8 mm (0.028″ – 0.031″)

4. Om het bougiedeksel te sluiten, draait u het een halve slag en

drukt u het rondom de holte dicht.

► 1. Bougiedeksel Het brandstoflter reinigen LET OP: Verzeker u ervan dat er geen schade aan de brand- stoftank is. Als er schade aan de brandstoftank is, vraagt u onmid- dellijk een erkend servicecentrum deze te repareren. KENNISGEVING: Reinig het brandstoflter regelmatig. Een verstopt brandstoflter kan leiden tot startproblemen of verhinderen dat het toerental kan oplopen. Controleer het brandstoflter regelmatig op de volgende wijze:

1. Verwijder de brandstoftankdop en tap de brandstof af totdat de

tank helemaal leeg is. Controleer de binnenkant van de tank op even- tuele vreemde stoffen. Verwijder dergelijke stoffen, indien aanwezig.

2. Trek het brandstoflter met een draad via de brandstofvulope-

3. Als het oppervlak van het brandstoflter verontreinigd is, reinigt u

het met behulp van benzine. KENNISGEVING: Houd u aan de regelgeving vastge- steld door uw plaatselijke overheid omtrent het verwerken van de benzine die gebruikt is voor het reinigen van het brandstoflter. KENNISGEVING: Vervang het brandstoflter als dit sterk verontreinigd is.

4. Na controleren, reinigen of vervangen, steekt u het brandstofl-

ter op de brandstofslang en bevestigt u het met behulp van de slang- klem. Plaats het brandstoflter terug in de brandstoftank en draai de brandstoftankdop er stevig op. 81 NEDERLANDSHet stationair toerental afstellen LET OP: De carburateur is in de fabriek afgesteld. Maak nooit enige andere afstelling dan het stationair toerental. Voor andere afstellingen dient u contact op te nemen met een erkend servicecentrum. Een geschikt stationair toerental is 2.800 min

(omw/min). Als het nodig is om het stationair toerental af te stellen, doet u dit met een kruiskopschroevendraaier. Als de motor afslaat of onregelmatig draait bij stationair draaien, draait u de stelschroef naar rechts zodat het stationair toerental toe- neemt. Als de motor te hard loopt bij stationair draaien, draait u de stelschroef naar links zodat het stationair toerental afneemt.

► 1. Stelschroef voor stationair toerental De gasklep controleren Als de bedieningskabel gebogen is of blijft steken, maakt de gas- klep geen contact met de stelschroef voor stationair toerental, en voorkomt dit dat de motor op het juiste stationair toerental draait. Verander in dat geval de positie van de bedieningskabel zodat de gasklep weer correct kan bewegen.

► 1. Gasklep 2. Stelschroef voor stationair toerental

3. Bedieningskabel 4. Gasklepaanslag

Als de gasklep niet tegen de gasklepaanslag komt, ondanks dat u de gastrekker helemaal inknijpt, of als de gasklep niet tegen de stel- schroef voor stationair draaien komt tijdens stationair draaien, draait u de kabelafstelbout als volgt:

1. Draai de borgmoer los.

2. Als de gasklep niet tegen de gasklepaanslag komt, draait u de

kabelafstelbout linksom. Als de gasklep niet tegen de stelschroef voor stationair draaien komt, draait u de kabelafstelbout rechtsom.

De carburateurafdekking reinigen Als de carburateurafdekking vuil is geworden en het moeilijk is om de gasklep te controleren, reinigt u de carburateurafdekking als volgt: KENNISGEVING: Gebruik nooit benzine, wasbenzine, thin- ner, alcohol of iets dergelijks voor het reinigen van de carbura- teurafdekking. Anders kan hij worden beschadigd.

1. Steek een platkopschroevendraaier door het gat in de motorkap.

KENNISGEVING: Gebruik een natte, schone doek voor het reinigen van de carburateurafdekking.

3. Plaats de carburateurafdekking terug. Verzeker u ervan dat

de klem van de carburateurafdekking vastklikt wanneer u hem terugplaatst. Bouten, moeren, schroeven en andere onderdelen inspecteren Draai loszittende bouten, moeren, enz. weer vast. Controleer op brandstof- en olielekkage. Vervang beschadigde onderdelen door nieuwe voor een veilig gebruik. 82 NEDERLANDSDe motor en koelluchtinlaat reinigen Houd de motor schoon door hem met een doek af te vegen. Houd de koelvinnen van de cilinder vrij van stof en vuil. Als de koel- vinnen bedekt raken met stof of vuil, kan de motor oververhit raken en de zuiger vastlopen. De blaaslucht wordt aangezogen via het luchtinlaatrooster. Wanneer u merkt dat de blaaskracht afneemt, moet u de motor stoppen en het inlaatrooster controleren op verstoppingen. Reinig zo nodig. Een dergelijke verstopping kan leiden tot een te hoog motortoerental en schade aan de motor of ventilator. Pakkingen en afdichtingen vervangen Wanneer de motor gedemonteerd wordt, vervangt u de pakkingen en afdichtingen door nieuwe. Alle onderhouds- of afstelwerkzaamheden die niet beschreven wor- den in deze gebruiksaanwijzing mogen alleen worden uitgevoerd door een erkend servicecentrum. Opslag WAARSCHUWING: Voordat u de brandstof aftapt, moet u de motor uitzetten en laten afkoelen. Als u dit niet doet, kunnen brandwonden of brand ontstaan. LET OP: Als u het apparaat voor langere tijd opslaat, dient u alle brandstof uit de brandstoftank en carburateur af te tappen, en het apparaat op een droge en schone plaats op te slaan. Tap de brandstof uit de brandstoftank en carburateur op de volgende wijze af voordat u het apparaat opslaat:

1. Verwijder de brandstoftankdop en tap alle brandstof af. Als er

verontreinigingen achterblijven in de brandstoftank, dient u deze grondig te verwijderen.

2. Trek het brandstoflter met een draad uit de tank via de

3. Druk op de opvoerpomp totdat alle brandstof daaruit verwijderd

is en tap daarna de brandstof af die in de tank is gestroomd.

4. Plaats het brandstoflter terug in de brandstoftank en draai de

brandstoftankdop stevig vast.

5. Laat de motor vervolgens draaien tot deze vanzelf stopt.

6. Verwijder de bougie en druppel een paar druppels motorolie in

7. Trek voorzichtig aan de trekstarthandgreep om de motorolie door

de motor te verspreiden en breng de bougie weer op zijn plaats aan.

8. Sla het apparaat op met de draagbeugel aan de bovenkant.

9. Bewaar de afgetapte brandstof in een speciale jerrycan in een

goed geventileerde ruimte in de schaduw. Storingzoeken Storing Systeem Waarnemingen Oorzaak Motor start niet of zeer moeilijk Ontstekingssysteem De ontsteking vonkt. Storing met de brandstoftoevoer of het compressiesysteem, mechanisch defect. De ontsteking vonkt niet. Stopschakelaar is bediend, bedradings- fout of kortsluiting, bougie of bougiecon- tact defect, defecte ontstekingseenheid. Brandstoftoevoer Brandstoftank is vol. Verkeerde stand van chokehendel, car- burateur defect, brandstofslang geknikt of verstopt, brandstof is vuil. Compressie Geen compressie bij tornen van motor. Onderste cilinderpakking kapot, kru- kasafdichting beschadigd, cilinder of zuigerringen defect of onjuiste afdich- ting van bougie. Mechanisch Trekstarter werkt niet. Gebroken startveer, gebroken onderde- len in de motor. Problemen met starten van warme motor - Brandstoftank is vol. De ontsteking vonkt. Carburateur is verontreinigd, laat hem reinigen. Motor start maar slaat af Brandstoftoevoer Brandstoftank is vol. Onjuiste afstelling van stationair toeren- tal, carburateur is verontreinigd. Brandstoftankontluchting werkt niet, brandstoftoevoerleiding verstopt, kabel of stopschakelaar defect. Onvoldoende prestaties Diverse systemen kunnen gelijktijdig problemen hebben Motor draait slecht stationair. Luchtlter is verontreinigd, carbura- teur is verontreinigd, uitlaatdemper is verstopt, uitlaatpoort van cilinder is verstopt. 83 NEDERLANDSInterval voor inspectie en onderhoud - Vóór het gebruik Na brandstof bijvullen Dagelijks (10 uur) 50 uur 200 uur 600 uur of 2 jaar, wat eerder komt Vóór opslaan Motorolie Inspecteren/ bijvullen - - - - - - Vervangen - - - (Opmerking 1)

Onderdelen vastdraaien (bouten, moeren) Inspecteren - - - - - - Koelluchtinlaat Reinigen/ inspecteren - - - - - - Brandstoftank Reinigen/ inspecteren - - - - - - Brandstof aftappen - - - - - - (Opmerking 3) Gastrekker/ gashendel Werking controleren

De motor uitzetten Werking controleren

Het stationair toerental afstellen Inspecteren/ afstellen

Inspecteren/zo nodig vervangen

Inspecteren/zo nodig vervangen

Bougie Inspecteren/zo nodig afstand afstellen

Olieleiding Inspecteren - - - - (Opmerking 2)

Klepspeling (inlaatklep en uitlaatklep) Inspecteren/ afstellen

Uitlaatdemper Inspecteren/ reinigen

Carburateur Brandstof aftappen - - - - - - (Opmerking 3) Opmerking 1: Voer de eerste verversing uit na 20 bedrijfsuren. Opmerking 2: Laat de inspectie uitvoeren door een erkend servicecentrum of een werkplaats. Opmerking 3: Laat na het aftappen van de brandstoftank de motor draaien en tap de brandstof in de carburateur af. 84 NEDERLANDSPROBLEMEN OPLOSSEN Alvorens om reparatie te vragen, voert u eerst uw eigen inspectie uit. Als u een probleem ondervindt dat niet wordt beschreven in deze gebruiks- aanwijzing, mag u niet proberen het gereedschap te demonteren. In plaats daarvan vraagt u een erkend Dolmar/Makita-servicecentrum dat altijd Dolmar/Makita-vervangingsonderdelen gebruikt, om het gereedschap te repareren. Probleemomschrijving Waarschijnlijke oorzaak (storing) Oplossing De motor start niet. Opvoerpomp is niet gebruikt. Druk 7 tot 10 keer. Trekstarthandgreep te langzaam uitgetrokken. Trek hard. Onvoldoende brandstof. Vul brandstof bij. Brandstoflter verstopt. Reinig het brandstoflter. Brandstofslang geknikt. Haal de knik uit de brandstofslang. Brandstof verslechterd. Verslechterde brandstof maakt de motor moeilijker te starten. Vervang door nieuwe. (Aanbevolen vervangingstijd: 1 maand) Buitensporig veel brandstof aangezogen. Zet de gashendel van gemiddeld naar hoog toerental en trek aan de trekstarthandgreep totdat de motor start. Als de motor nog steeds niet start, verwijdert u de bougie, droogt u de elektroden en brengt u de bougie weer op zijn plaats aan. Start daarna vol- gens de instructies. Bougiekap is losgeraakt. Maak stevig vast. Bougie vervuild. Reinig de bougie. Onjuiste elektrodeafstand van bougie. Stel de elektrodeafstand af. Andere probleem met de bougie. Vervang de bougie. Probleem met de carburateur. Vraag ons erkende servicecentrum om dit te inspecteren en te repareren. Trekstarthandgreep kan niet worden uitgetrokken. Vraag ons erkende servicecentrum om dit te inspecteren en te repareren. Probleem met inwendige onderdelen van motor. Vraag ons erkende servicecentrum om dit te inspecteren en te repareren. Motor stopt snel. Motortoerental neemt niet toe. Onvoldoende opgewarmd. Laat de motor goed warmdraaien. Chokehendel staat in de gesloten stand terwijl de motor al warm is. Zet in de geopende stand. Brandstoflter verstopt. Reinig het brandstoflter. Vervuild of verstopt luchtlter. Reinig het luchtlter. Bedieningskabel is losgeraakt. Bevestig de bedieningskabel stevig. Probleem met inwendige onderdelen van motor. Vraag ons erkende servicecentrum om dit te inspecteren en te repareren. Gasklep keert niet terug naar stationair toerental. Verkeerde stand van gasklep. Verander de positie van de bedieningskabel. Pas de stand van de gasklep aan door de kabelafstelbout te draaien. De motor stopt niet. Laat de motor stationair draaien en zet de chokehendel in de gesloten stand. Losgeraakte aansluitstekker. Bevestig de aansluitstekker stevig. Probleem met het elektrisch systeem. Vraag ons erkende servicecentrum om dit te inspecteren en te repareren. 85 NEDERLANDSESPAÑOL (Instrucciones originales) CONTENIDOS ESPECIFICACIONES ......................................................................86